VRIJESCHOOL – Aardrijkskunde

.

polariteiten in europa

Mensvorming door aardrijkskunde (3)

Vóór in de loop van de 6e klas op een meer systematische manier de blik op de totale aarde gericht wordt (deel 1), moeten de kinderen naast Midden-Europa het hele werelddeel Europa hebben leren kennen. Dat betekent dat er in de 5e en 6e klas samen drie aardrijkskundeperioden moeten plaatsvinden, waarbij de Europaperiode zowel in de 5e als in de 6e kan.

Tegenstellingen in Europa

Bij de behandeling van Midden-Europa zal de leraar al veel landschappelijke tegenstellingen aan de orde hebben gesteld die hem nu helpen de blik van de kinderen op de grotere tegenstellingen van een heel werelddeel te richten. Opnieuw vraagt de leraar zich af hoe hij deze polariteiten leert kennen, vooral omdat hij bepaalde landen niet zelf heeft bezocht. Hier kan het boek ‘Vom Genius Eurpas’ van Herbert Hahn een goede wegwijzer zijn. Hierbij gaat het niet alleen om uiterlijk zichtbare tegenstellingen, maar ook om preciezere verschillen. Die kom je op het spoor wanneer je onderzoekt wat het aandeel van de elementen aarde, water, lucht en licht evt. warmte in het landschap is. Ga je met dit gezichtspunt eerst van Midden-Europa naar het noordwesten en zuidoosten, kun je ervaren hoe in Nederland en verder naar Groot-Brittannië het element water groter wordt, terwijl in de Donaulanden in de bekkens die door de gebergten omsloten worden, de elementen aarde en warmte overheersen. In de Scandinavische landen kunnen we daarentegen een bijzonder samenspel van land en water waarnemen; het licht-warmte-element trekt zich daarentegen duidelijk terug. In Zuid-Europa heeft het warmte-lichtelement weer de overhand, ondanks de vele eilanden en schiereilanden; de directe invloed van het water is beperkt tot de smalle kunststroken.

Een noordwest-zuidoostpolariteit

Om onder een nieuw gezichtspunt aan te sluiten bij iets wat bekend is, kun je nog een keer – vanuit je herinnering – naar Nederland kijken, toen de leerlingen leerden kennen hoe de bevolking vertrouwd is met het water. De Rijn geeft in zijn loop voornamelijk de noordwestelijke richting aan en in het mondingsgebied treffen we de grote zeeschepen aan die naar Engeland gaan, die met hun reusachtige laadruimten de functie van een beweeglijke brug hebben waarover mensen, auto’s en handelswaren gaan. Het vaste land gaat a.h.w. over het water verder!
In Groot-Brittannië vertoont het waterelement zich heel anders dan in Nederland. Land en water grijpen zo in elkaar dat er geen plaats is die verder dan 100 km van zee ligt. Engeland, maar ook Schotland en Ierland liggen open voor de zee en de atmosfeer. Het weer wordt dus sterk beïnvloed door de zeelucht. het verandert snel. De weersgesteldheid slaat als de golven op de kust. De Golfstroom stroomt nog langs de Schotse kust, houdt sneeuw en vorst tegen en maakt het mogelijk dat op beschutte plaatsen subtropische planten groeien.

In West-Europa wordt de atmosfeer sterk door de vochtige zeelucht bepaald. Schotland, westkust.

In Zuid-Europa heerst droge warmte en verdort de vegetatie. Dolinen bij Cetinje (Montenegro)

Anders dan in Holland heeft het eigenlijke Engeland weliswaar tegenwoordig minder waterwegen, maar de kalklagen van de diepere bodem zijn eens in de zee gevormd. Daaromheen ligt in Cornwall, Wales, Ierland en Schotland oeroud rompgebergte, ouder dan alle bergen in Midden-Europa. Vooruitspringende stukken rots verdwijnen in zee, fjorden en meren (lochs) liggen in de dalen, waardoorheen rivieren langs watervallen en stroomversnellingen zich een weg banen naar de zee. Water en rotsen bepalen voor een groot deel het landschap van Noordwest-Europa.

Waarheen brengt de Donau ons, die bij de kinderen vanuit de vorige periode misschien als iets geheimzinnigs en vreemd in de herinnering achtergebleven is, wanneer deze uit Midden-Europa oostwaarts stroomt? Wat is kenmerkend voor de ‘Donaulanden’ van Zuidoost-Europa?

De Alpen, dit jonge plooiingsgebergte, houden in het oosten nog helemaal niet op, maar gaan over in losse bergketens met een eigen naam die als een slang naar het oosten schuifelt tot aan de ‘Zwarte Zee’ en ze omsluiten een uitgestrekt bekkenlandschap. Daardoor moet de Donau meer dan eens een omweg maken, zodat de loop steeds langer wordt. Het lijkt erop alsof de bergen haar van de zee vandaan willen houden en met de vochtige zeelucht tevens het waterelement verre van de bekkens. Daardoor ontstaat er een droog klimaat dat alleen ’s zomers warmte brengt.
Tegenover het ‘oceaan’klimaat van Noordwest-Europa staat het ‘continentale’ klimaat van de Donaulanden.
In deze Europese landschappen die zo verschillend zijn, plaatst de leraar nu het werk dat de mens verricht; hoe de Midden-Engelse industriegordel zich ontwikkelde tot het oudste gebied in de wereld met ‘zware industrie’ door de aanwezigheid van steenkool, hoe het houden van schapen ooit de basis is geworden voor de huidige textielindustrie zodat hier zoveel meer mensen wonen dan in Zuidoost-Europa. Want in de Donaulanden met de bergen die rijk zijn aan bos (Siebenbürgen heette ooit ‘transsylvanië’- het land aan de andere kant van het woud) hebben zich weliswaar vele volkeren zich gevestigd, worden er veel verschillende talen gesproken, maar economische activiteiten kwamen minder tot ontwikkeling. Dat is met voorbeelden ter vergelijking wel aan te tonen (paardenfokkerijen op de Hongaarse poesta’s – schapenteelt in de Schotse hooglanden; wijn in Tokaj – Schotse whisky-distilleerderijen enz.) Hier liggen aanknopingspunten voor wat in de 10e klas wordt behandeld.

De west-oostpolariteit

In een mildere variant vinden we de zojuist beschreven polariteit in de tegenstellingen tussen Frankrijk en België en het Europese Rusland weer terug. Het gebaar dat het landschap maakt is meer gesloten en ruimtelijk groter, waarbij het oceaankarakter van het ene en het continentale van het andere gebied blijft bewaard.
Frankrijk ligt – duidelijker dan Engeland rond het Londens bekken – rond het ruimtelijke grotere Parijsbekken, het Île de France, met naar buiten lopende lagen van afzettingsgesteente. Om de kern liggen ook hier aan de randen oude rompgebergten: Ardennen, Vogezen, Centraalmassief en Bretagne. Daarbij komen nog als een soort buitenkring de jonge ketens van de Alpen en de Pyreneën. Het waterelement is in dit eigenlijke West-Europa meer versluierd:  nog steeds is het klimaat vochtig, maar wat is Frankrijk al doortrokken met licht! Ook hier komen we het water tegen en wel in de vele kanalen die door de mens gegraven zijn, die met behulp van talloze sluizen zelfs door bergachtige streken lopen.

West-Europa (Frankrijk) water en licht zijn bepalend. Het Loiredal

Oost-Europa. Het licht-luchtelement boven het uitgestrekte Russische landschap. (Nowgorod)

Wat ons tegemoet kwam op de Hongaarse poesta’s aan vreemdsoortige verten, wel begrensd door bergen, gaat volkomen verloren op de Russische laagvlakte die veel meer waterstromen telt dan Hongarije. Bovendien zijn het water en het warmte-element niet zo belangrijk meer dan in West-Europa: in het noorden van Rusland is er permafrost, de winterkoude doet de havens aan de Oostzee en aan de Zwarte Zee meer dan eens bevriezen, de Wolga stroomt in de benedenloop door een zoutsteppe en mondt uit in een reusachtige zouten binnenzee, de Kasspische Zee. Het lucht-lichtelement echter vertoont zich in Rusland in een zachte atmosferische sfeer en het Russische woord voor ‘leven’ betekent mede ‘in het licht zijn’ (sswjétje). De Taiga is een woudgordel die wat haar karakter betreft zo nergens in Europa wordt gevonden; door de lössachtige zwarte aarde van de Oekraïne geeft de natuur deze streek een bijzondere vruchtbaarheid.
In deze omlijsting moet de leraar schetsen wat de mens in het westen en het oosten van Europa van zijn thuisland gemaakt heeft. Alleen de Franse kathedralen en de russisch-orthodoxe kerken al zijn zo verschillend en zijn de weerspiegeling van een verschillend religieus beleven. Je moet over de beide wereldsteden, Parijs en Moskou vertellen, het langzaam groter worden van de Franse steden vergelijken met de uit de grond gestampte industriesteden van de oude Sowjetunie, zeer zeker ook de arbeidsvoorwaarden voor de typische beroepen. Hierbij hoort ook het verschil in winning van de bodemschatten in de Belgische mijnstreek en in de toendra (Workuta). Dat er ook in Oost-Europa verschillende volkeren wonen die een eigen verleden hebben, mag juist in onze tijd niet onvermeld blijven.

Noord- en Zuid-Europa

Vanuit het hart van Europa strekken zich in noordelijke en zuidelijke richting schiereilanden uit: Scandiniavië naar de Noordelijke IJszee en daarmee naar een koudepool, ook al komt de Golfstroom nog tot het Kola-schiereiland en Moermansk een ijsvrije haven laat zijn; Spanje, Italië en Griekenland tot aan de verwarmde Middellandse Zee en tot aan Afrika, van tijd tot tijd liggen deze gebieden onder het woestijnzand dat daar vandaan komt .

Terwijl de drie zuidelijke schiereilanden duidelijk van elkaar gescheiden zijn, is de drieheid van Scandinavië compacter, het aarde-element is sterker. Voorbij de Oostzee met haar bochten dringt het waterelement echter ver door naar het oosten, naar het Ladogameer en het Onegameer. Het verzacht de strenge wintertemperaturen, want water heft klimaattegenstellingen op. Net zo wordt ook het Finse merengebied ten gevolge van de geringe hoogtepositie niet zo koud, terwijl het Noorse hooggebergte geen extreem lage temperaturen kent, omdat het zich helemaal in de richting uitstrekt van de warme westkust.
De oppervlakte van de aarde ziet er hier zo uit dat de tegenstellingen – zoals bij een organisme – vereffend worden.
Met het bespreken van Noord-Europa komen aan bij het geologisch oudste deel van ons werelddeel; bij Schotland kwamen we het al tegen. Over het nog geheel door het water bepaalde ‘bruggenland’ Denemarken met de eilanden voeren meer wegen naar Noorwegen, Zweden en Finland, waaronder de ‘vogeltrekroute’. De reis met het spoor (de oude naam ‘traject’ wordt nog gebruikt) is een bijzonder spannend hoofdstuk!
Bij het schetsen van de drie Scandinavische landen vind je vele verrassingen:

-het licht dat naar de pool toe in de loop van het jaar verandert: wat een sfeer wanneer boven de poolcirkel de zon in juni niet ondergaat en in december niet opkomt (Christiane Ritter: Eine Frau erlebt die Polarnacht)
-de drie formaties uit de ijstijden (fjorden in Noorwegen, tunneldalen in Zweden, het ‘land van de 1000 meren’ – Finland)
-het verschil in loef en lij van een berg (in Bergen (Noorwegen) regent het 13 maanden per jaar!)
-de tegenstelling van fjeld en flord en daartussen een echt ‘watervallandschap’; hoe passen de planten zich aan aan deze extreme toestanden?

Noord-Europa. Licht en kleur op een fjeld in Noorwegen.

De mens die in Noord-Europa woont, moet iets bijzonders presteren en de leerlingen ontmoeten nieuwe vormen van de arbeidswereld: zo trekken de Lappen met hun rendierkudden over de staatsgrenzen en laten zich moeilijk overhalen een vaste woonplaats te kiezen. Hout als grondstof wordt op verschillende manieren verwerkt.
Nog altijd bestaat het beroep van houtvlotter. Maar aan de benedenloop van de rivieren staan grote zagerijen en vele fabrieken waarin meubels, papier en cellulose worden gemaakt.
De natuur levert echter ook rijke ijzererstslagen (Kiruna), alleen, die liggen midden in het gebergte, zodat men twee ertswegen moest aanleggen om deze belangrijke grondstof te kunnen verschepen. (“Hoe gaat zo’n transport van erts in zijn werk?’, zouden de leerlingen willen weten).
Vaak zie je aan de oevers van een ford een reusachtig fabriekscomplex: in machtige buizen stort het water van de fjordenwand naar beneden het turbinehuis in en wekt elektriciteit op. Voor de fabriek lost een zeevrachtboot, die tot hier kon varen, zijn lading: een onopvallende bruine massa, bauxiet en op het fabrieksterrein vormen zich stapels aluminiumblokken. Noorwegen is een belangrijke producent van dit metaal, hoewel het alleen maar beschikt over waterkracht en arbeidskrachten.
Naast de oorspronkelijke beroepen heeft Scandinavië ook hoogontwikkelde techniek die overal in de steden eveneens van invloed is op het leven.

Zuid-Europa. Oude cultuur in een door en door zonnig landschap (Kreta)

In Zuid-Europa bevinden we ons in het jongste deel van ons werelddeel; het is doortrokken met jong plooiingsgebergte en actieve vulkanen laten zien dat de aarde daar nog leeft. De drie zuidelijke schiereilanden zijn duidelijk verschillend in hun vorm: van west naar oost worden ze fijner van vorm. Ook hier vinden we – zoals in Noord-Europa – de tendens dat de landmassa door het waterelement omspoeld wordt en er meer water binnendringt, maar zo dat het de continentale uitdroging tegengaat. De in de zomer vanuit Afrika aankomende ‘woestijntendens’ (het regent alleen in de winter) zou in het meer op het vaste land liggende Griekenland tot een vergaande uitdroging leiden, wanneer het niet in zoveel schiereilandjes en eilanden opgedeeld zou zijn.
Het compacte Spanje daarentegen is helemaal door de zee omringd, d.w.z. door vocht omgeven. – Met het stijgen van de dagelijkse zonneboog, wordt tegelijkertijd het lichtelement groter. Dat is van invloed op de landbouw, kenmerkend voor de olijfbomen en zuidvruchten als ook voor alle planten die een bepaalde droogte kunnen overleven, wanneer ze genoeg warmte en licht krijgen. Waar het ‘woestijnkarakter’ van de bodem te groot wordt, heeft de mens sinds heugenis verschillende vormen van kunstmatige bevloeiing ontwikkeld.
Bij de behandeling van het economisch leven van de mensen in Zuid-Europa staan heel andere activiteiten op de voorgrond dan in Scandinavië. Je moet de kinderen er ook op wijzen, dat de mensen hier al in de Griekse en Romeinse oudheid een hoge cultuur bezaten. Dat de huidige economische structuur onevenwichtig is en er een duidelijk verschil bestaat tussen arm en rijk, tussen dun- en dichtbevolkte streken, kan je makkelijk aangeven (Calabrië, Povlakte).

Wij zijn vanuit Midden-Europa straalvormig met de kinderen naar drie verschillende gebieden van Europa gegaan, waarbij we steeds weer verschillende tegenstellingen uitwerkten. Dan kan je nog verdiepen, wanneer je bijv. Noorwegen en Portugal als twee landen met elkaar vergelijkt die allebei door de natuur van het land aangewezen zijn op de zee en waarvan de bevolking deze uitdaging ook is aangegaan.

Als resultaat van de periode moeten de kinderen een indruk hebben gekregen van de bijzondere en veelvormige structuur van Europa wat betreft het landschap, de economie, de bevolking en de geschiedenis. Dat hierdoor ons werelddeel in vergelijking met de andere continenten zich op een bepaalde manier onderscheidt, wordt pas in de volgende jaren duidelijk.
.

Christoph Göpfert, Erziehungskunst 7/8-1991

.

deel 1;   deel 2 

Aardrijkskundealle artikelen

Rudolf Steiner over aardrijkskunde

.

1500

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.