Tagarchief: Egypte

VRIJESCHOOL – 6e klas – meetkunde (4-1)

.

In zijn ‘Geometrie durch übende Anschauung‘ [1] vertelt Alexander Strakosch over het begin van de meetkunde in de cultuur.

Hij gaat daarvoor terug naar het Oude Egypte. Omdat je daarover met de kinderen in de 5e klas hebt gesproken in de geschiedenisperiode***, kun je daar nu op terugkomen.
Omgekeerd kun je in die periode aankondigen, dat je in de 6e klas meer over Egypte zal vertellen tijdens de meetkundeperiode.

Strakosch:
Het begin van het bezigzijn met geometrie vindt plaats in de Oud-Egyptische cultuur (ca 3000 – 800 v.C.)  Over het algemeen hadden de mensen toen nog helemaal niet de denkcapaciteit van tegenwoordig verworven; die begon pas met de cultuurfase die op de Egyptische volgde: het Grieks-Romeinse cultuurtijdperk.
In het Oude Egypte verstonden alleen de priesters door hun speciale opvoeding de kunst zich met mathematica bezig te houden. Terwijl in de vrijwel tegelijk bloeiende Babylonische, Assyrische en Chaldeïsche rijken meer de rekenkunst, de zgn. arithmetica beoefend werd, ontwikkelde zich met name in Egypte de geometrie, maar niet zozeer in de zin van een theorie als wel veel meer als praktische activiteit. Je zou kunnen zeggen: meetkunde werd bedreven.

Deze activiteit vond op twee terreinen plaats: bij de bouw en aanleg van tempels en andere cultische gebouwen, bijv. de piramiden en ook bij het uitmeten van akkers.

De Egyptenaren waren een volk van landbouwers en als zodanig waren zij in de gelukkige omstandigheid dat ze zich geen zorgen hoefden te maken over de bemesting, De geweldige rivier de Nijl,*** die helemaal van zuid naar noord door het land stroomde, trad met de allergrootste regelmaat ieder jaar buiten haar oevers, wanneer het groenachtige sterrenbeeld de hond, Sirius, ’s avonds weer in het oosten opkwam. Wekenlang bedekte de troebele vloed van de Nijl het hele land; wanneer hij zich dan weer in zijn normale loop terugtrok, was alles met een laag van de vruchtbaarste klei bedekt en de bemesting op de meest intensieve en te vertrouwen manier gedaan. Je kunt begrijpen dat de Egyptenaren hun land ‘een geschenk van de Nijl’ noemden – maar de rivier zelf was in hun ogen een geschenk van de goden.

Het grondbezit was in die tijd zo verdeeld, dat een bepaald deel van de koning was, een ander gedeelte van de priesters, een derde en laatste deel voor de soldaten. Het zgn. lagere volk moest het veldwerk verrichten; dat gebeurde ook veelvuldig door slaven uit de volkeren die overwonnen waren.

Wanneer de overstroming echter ten einde was, kon je geen begrenzing van de akkers meer zien – het slib had al het akkerland gelijkmatig bedekt. Zodra het opgedroogd was, moesten de akkers weer opnieuw uitgemeten worden. Dat gebeurde door de priesters die in de tempelscholen waren opgeleid; zij alleen beheersten de kunst van het landmeten.

Waar hadden ze die kennis vandaan? Hoe meer deze oude tijd wordt bestudeerd, met des te grotere verbazing staat men voor de diepe en omvattende wijsheid die de toenmalige priester-wijzen zich op de meest verschillende gebieden eigen hadden gemaakt: niet alleen sterren- en meetkunde, maar ook geneeskunst en scheikunde. Maar het was geen bedachte wetenschap. Men verdiepte zich bijv. met grote aandacht en eerbied in de loop van de sterren en hierbij was het de geschoolden van die tijd mogelijk door een innerlijk ervaren van dergelijke waarnemingen de wetten van de hemel te onderzoeken en het leven daarnaar in te richten.
De verbinding met de scheppende hemelsmachten werd in de tempel verzorgd en men wist – zoals men het toen tot uidrukking bracht – in welk gesternte deze of gene godheid woonde. Opdat deze nu zijn krachten in de voor hen opgerichte tempel het beste zou kunnen zenden en daar ook in zou kunnen verblijven, moest de tempel in de richting van die bepaalde ster staan, zodat op het jaarfeest van de betreffende god de ster bij het opgaan precies in de tempelas stond en het altaar bescheen.

Het is makkelijk in te zien, dat hier al een grondige kennis van de loop der sterren en van de meetkunde noodzakelijk waren – Wanneer er dus een tempel gebouwd moest worden, kwamen uit het heiligdom van de ‘godin van de richting” , die de mensen de richting leerde, de zgn ‘touwspanners”; de naam komt van hun activiteit als landmeter, als veldmeter. Tekenbord, papier uit het merg van de papyrusstruik, de passer in zijn huidige vorm waren onbekend. De dunne bladzijden van papyrus, vervaardigd uit het merg van de papyrus werden gebruikt om te schrijven, niet voor meetkundige tekeningen. Als tekenvlak diende de geëgaliseerde bouwplaats of de eveneens vlakke akkers; alle meetkundige activiteit werd direct op het veld uitgevoerd. Als werktuigen gebruikte men stokken en touw, dit zonder knopen en ook met knopen op regelmatige afstanden van elkaar om lengten te meten, maar ook om hoeken uit te zetten.

De basisvorm van de hele meetkunde is de cirkel, de ronde, bij zichzelf terugkerende lijn waarop alle punten van zijn omtrek, dus de eigenlijke lijn vanuit het middelpunt precies dezelfde afstand hebben. Tegenwoordig zou je misschien bedenken dat dus een steen, aan een touw vastgebonden en in beweging gebracht, een cirkelvormige lijn zou beschrijven. De Oude Egyptenaar zag dat anders. Hij zag in het bewegen van de sterren aan de hemel de uidrukking van de hoogste goddelijke wijsheid en harmonie en wanneer hij op aarde een cirkel moest tekenen, kon hij zich deze activiteit niet anders voorstellen dan met hulp van de ‘godin van de richting’.
Een voorstelling uit die tijd laat ons een dergelijk iets zien:

meetkunde-36

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

nog een afbeelding: zie onder

We zien twee figuren: een mannelijk figuur met de kenmerken van de priester en koning – en de vrouwelijke gestalte van de godin. Boven haar hoofd zien we een geometrisch figuur, een soort bloem. Beiden gestalten houden in de ene hand een rechtop staande staf en in de andere hand een stok die gebruikt wordt om de staf  met een paar slagen in de grond te slaan. Omdat het gaat om een gewijde handeling, moeten de slagen in een bepaalde, voorgeschreven maat uitgevoerd worden. Rondom de beide staven is een touw zonder einde; de staven worden zo gehouden dat het touw steeds strak gespannen staat.
Bij het uitzetten van de tempelas en van het grondplan werd de godin door een van haar priesters vertegenwoordigd, m.n. de touwspanner. Wanneer de cirkel getrokken moest worden, werd de ene staf in de aarde geslagen en in loodrechte stand vastgehouden. Wie de andere staf vasthield, deed dat ook en liep om de staande staf heen, zo dat het touw steeds gelijkmatig en gespannen bleef en de onderkant een cirkel op de grond trok.

(wat nu volgt is voor de periode meetkunde niet van direct belang, maar geeft wel motieven waarom meetkunde zoals in de 6e klas op de door mij beschreven manier wordt gegeven)

In onze tijd is onderzocht dat de Oud-Egyptische tempels zulke grondoppervlakten hadden en ook verticale projecties, waarbij alle belangrijke punten door het maken van cirkels en het trekken van lijnen door bepaalde snijpunten ontstaan. Het gereedschap dat afgebeeld is, was dus voldoende om de schetsen te tekenen. De lengtes werden van tevoren niet berekend, maar waren het gevolg van vaste punten en snijpunten van de uitgevoerde constructie – zoals de Ouden over het algemeen tekenden en niet berekenden.

Het begin van vlakkenberekening is al wel in het Oude Egypte te vinden.
Een geometrie die meet en rekent hebben de Grieken ontwikkeld op basis van het ondertussen verworven vermogen om zelfstandig te kunnen denken. Hier vinden we ook voor het eerst ‘het bewijs’, namelijk een gedachtegang die laat zien dat een duidelijke formule altijd en onvoorwaardelijk juist moet zijn.

Wanneer we tegenwoordig een cirkel tekenen, denken we er niet aan om een godin aan te roepen die buiten ons om manifest is of haar plaatsvervanger te hulp te roepen. De passer in zijn huidige vorm maakt het ons mogelijk, het met een hand zelf te doen. Dat kan gebeuren doordat de beide staven – dienovereenkomstig aangepast – in een verbinding bij elkaar komen -. We zoeken ook niet meer in de sterren naar de richting voor ons doen  – zoals Schiller zegt -: ‘In je borst zijn de sterren van je lot’.*
De geometrie zelf ontvangen we niet meer als een openbaring van buitenaf; we maken haar ons veel meer eigen met de heldere hedendaagse bewustzijnskrachten en de activiteit die door deze schrijfregels opgeroepen wordt, dient ook dit doel.

De mathematica in het algemeen wordt als een zuivere denkwetenschap gezien, maar in het deelgebied van de geometrie wordt toch ook nog de voorstellingskracht aangesproken en door dit oefenen sterker gemaakt. Dat is voor onze tijd belangrijk. Uit de geschiedenis weten we dat in de bloeitijd van de Griekse cultuur met name de mathematica de basis van de vorming was. Toen wilde men zich een denken verwerven dat in overeenstemming was met universele wetten. In de meetkunde die door de Egyptische priesters a.h.w. uit de hemel was gehaald, zag men een symbool van die wetten. Grote geesten als Pythagoras en Plato*** hebben zich jaren van hun leven aan de studie van de Egyptische geometrie en de rekenkunde uit Babylon en Chaldea gewijd.

De mensheid heeft door de voorbije eeuwen sinds die tijd in de hoogste mate het denken ontwikkeld, maar ze is daarbij wel in een zekere starheid terecht gekomen. De mensen hebben hun gedachten, maar ze vragen zich helaas te weinig af, waar deze vandaan komen, of ze werkelijk wel van hen zijn. Maar ze denken zelf helemaal niet eens zoveel, het denken is onbeweeglijk geworden en dat denken dringt niet op een levende manier tot het wereldse door. De mens stelt zich a.h.w. afzijdig van de wereld op en vormt gedachten die in hun te grote vaststaande vorm en starheid niet goed in overeenstemming zijn met de steeds doorgaande ontwikkelingen in het leven. Daarom komen we van de ene crisis in de andere.

We kunnen echter in de meetkunde weer een fundamenteel vormingselement vinden, wanneer we deze a.h.w. juist tegenovergesteld bekijken dan de Ouden. De mathematica heeft namelijk in het bijzonder sinds de 18e en 19e eeuw grote stappen voorwaarts gezet; in de geometrie is men tot geheel nieuwe gezichtspunten gekomen, waarvan men in de Griekse tijd niets wist. Toen had men in de eerste plaats een metende geometrie; men berekende lengtes, vlakken en lichamen. De moderne meetkunde echter gaat uit van algemene voor de gehele ruimte geldende wetmatigheden die zich openbaren in de wederzijdse positie van de eenvoudige elementen, zoals cirkel en rechte lijn.

Tot nog toe heeft men op de keeper beschouwd de leerlingen op onze scholen kennis laten maken met de geometrie naar de Oud-Griekse methode; zo wordt bijv. in Engeland tegenwoordig** nog vaak volgens een precieze vertaling van de Oud-Griekse leerboeken van Euklides lesgegeven.

Hier zal de methode van Euklides niet vervangen worden door de projectieve meetkunde, maar je kunt tot een andere manier van behandelen komen, wanneer de laatste min of meer door de elementaire geometrie heen klinkt.

Hier volgend willen we het wagen wat in de geometrie verschijnt eerst eens te leren kennen, wanneer we het stap voor stap laten ontstaan door wat we oefenend doen. We komen daarbij tot wetmatigheden waarvan de algemene geldigheid langs de gewone manier bewezen kan worden. – Door de projectieve meetkunde telt het element van de waarneming in de geometrie weer mee en wij willen dat benutten en het daarmee verzorgen. Op deze manier komen deze mathematische dingen weer in beweging en daarmee ons denken. Dit beperkt zich dan niet meer tot het trekken van logische conclusies, wat altijd volgens strenge, maar daardoor ook starre wetten moet gebeuren. In de huidige geometrie komen we echter tot wetmatigheden die net zo streng zijn, bovendien echter nog doortrokken zijn van beweging. We leren ons in een gebied van verheven wetmatigheden vrij te bewegen. Dat is mogelijk doordat we het denken dat in ons star is geworden weer beweeglijk en levendig beginnen te maken en het met de wil te doordringen wanneer we het op deze manier gebruiken. Zo’n denken kan ons ook een juiste plaats in het leven geven, waar we moeten leren wetmatige gegevens te respecteren en ons daarbij toch vrij te ontwikkelen. –

Zo beoefend kan mathematica weer, maar nu voor deze tijd, een element worden dat als basis van een algemene vorming gezien mag worden.

*’In deiner Brust sind deines Schicksals Sterne’

meetkunde-37

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De godin Sesjat met griffel en schrijfpalet.
Bij de bouw vqn de tempel bepaalt zij of een van haar priestres met een meetstrik het grondoppervlak; hierdoor is ze ook ‘godin van de bouwlieden’. Haar belangrijkste taak is het aantal jaren dat de koning als regeringsjaren toebedeeld krijgt op te wchrijven en de jubilea. Haar niet nader te verklaren hoofdversiering lijkt op een zevenstralige ster met een beugel (of een maansikkel) daarboven, dikwijls bekroond met valkenveren. In haar hand houdt zij meestal een bladnerf van een palm; over haar kleed draagt zij vaak een pantervel.
(Lexicon der Götter und Symbole der alten Ägypter – Manfred Lurker)

[1] Geometrie durch übende Anschauung, A.Strakosch – Mellinger Verlag Stuttgart 1962l
(Niet vertaald: Geometrie door het waarnemend te beoefenen)

**Dit boek werd in 1962 uitgegeven

***links door mij aangegeven

Meetkunde: alle artikelen

 

1117

 

 

VRIJESCHOOL – 5e klas – geschiedenis (2-3)

.

zie de inleiding op deze artikelen

voor de leerkracht:

Egypte

Veltman blz. 14

EGYPTE (3e cultuurperiode)
In de derde grote cultuurperiode krijgen wij te maken met een tweeling-cultuur: Egypte en Babylon dragen gezamenlijk de ontwikkeling der mensheid. Beide culturen hebben veel bijgedragen tot de voortgang der mensheid.
Egypte is een merkwaardig land: een diepe vruchtbare sleuf in de hoge, rossige woestijn. Een zeer afgesloten gebied, welks inwoners ook een zeer gesloten karakter bezaten. Egypte is een uniek land en zijn inwoners beschouwden zich ook als de enige mensen, die op de wereld als mensen leefden.

In het Zuiden is Egypte afgesloten door de eerste cataract of stroomversnelling van de machtige Nijl, die door de diepe sleuf in de woestijn stroomt – in het Noorden ligt de Middellandse zee, in het Oosten en Westen ligt de gloeiende Sahara.

Het Nijldal is ingesloten door sterke, roodachtige kalkrotsen. Het is 875 km lang en nergens breder dan 20km. De Nijl zendt aan zijn monding een waaier van rivierarmen naar zee. De Grieken noemden zo’n driehoekige riviermonding DELTA, naar hun driehoekige letter delta. Ieder jaar wanneer de heldere, groenige Sirius of Sothis aan de hemel opkomt (juni), beginnen de bruinig-groene wateren van de Nijl te zwellen.
De rivier treedt buiten zijn oevers, overstroomt het land en laat bij zijn terugkeer in de bedding een dikke laag slib op het land achter.
Het smalle Nijldal is dan ook ongelofelijk vruchtbaar. “Egypte is een geschenk van de Nijl”, zeiden de Grieken.

Het Deltaland was in oude tijden vol moerassen en meren, waarin dichte papyrus rietkragen groeiden en paars-witte lotusbloemen bloeiden. Ontelbaar vele watervogels bevolkten dit gebied: bonte eenden, wilde ganzen, ooievaars, maraboes, ibissen, grijze kraanvogels en roze flamingo’s kwamen in grote getale voor. Ook leefden er nijlpaarden, krokodillen en grote slangen.

Het Nijldal was mooi, was begroeid met palmbossen, wilde vijgenbomen, acacia’s en wilgen. Aan de rand van de woestijn leefden veel soorten antilopen, struisvogels en giraffen. Leeuwen, panters en jakhalzen maakten jacht op hen.

In Egypte leefden al mensen in de vroegste tijden. Zij leefden van jacht, en visserij. Een grote Leraar der mensheid kwam uit het Iraanse gebied en bracht de landbouw,de veeteelt en de sterrenwijsheid van Zarathustra in het
Nijldal. (?) De Egyptenaren noemden deze Wijze
Thoth en zeiden, dat zij alle meetkunde, sterrenkunde, schrijfkunst en kalenderindeling aan hem te danken hadden.

De Egyptenaren woonden in tenten van twijgen of riet, bekleed met huiden. Hun gereedschap was van steen of hout, maar zij leerden al spoedig om kopererts uit de bergen te halen. De vele schepen, die op de Nijl voeren, waren van riet. Hout was zeldzaam in Egypte.

De Egyptenaren waren gekleed in een schortje van linnen en sandalen van riet of leer. De vrouwen droegen een dun, nauwsluitend linnen kleed zonder mouwen.

In het leven van de Egyptenaren nam de verering van de Goden de eerste plaats in. Naar hun zeggen regeerden in de oudste tijden de Goden zelf.

De aarde was een afspiegeling van de hemel. Het is onder zoals boven, zei de Egyptenaar. In de natuur ,in planten, dieren en sterren werkten goddelijke wezens, die elk een eigen naam hadden.

De hoogste goden waren voortgekomen uit het Wereldei.

Een van de hoogste goden was de Zonnegod RE.
De aarde was het levende lichaam van Re’s zoon KEB
De hemel was Kebs vrouw (en zuster) NUT
De luchtgod SHU hield hemel en aarde gescheiden.
De oudste zoon van KEB en NUT was OSIRIS
Hun dochter was ISIS
Osiris en Isis hadden een zoon HORUS

In een schone Egyptische mythe wordt verteld, hoe Osiris als een wijs en zachtmoedig vorst op aarde heerste. Hij schafte het mensen eten af, hij gaf de mens zijn rechte houding, hij leerde hen rechtvaardig te zijn en de aarde te bebouwen.

Isis, zijn vrouw, de grote Moedergodin, bracht de mens de taal en de
innigheid van de ziel.
Osiris had echter een boze broeder, die SETH heette. Deze was jaloers op Osiris en stond hem naar het leven. Seth lokte hem in een kist en wierp die in de Nijl.
Isis
was ontroostbaar. Weeklagend zocht zij Osiris, vond hem na vele omzwervingen en begroef hem. Osiris stond uit de dood op en leefde voort als rechter en koning van het Dodenrijk. Horus-met-het-valkenoog wreekte zijn vader Osiris en versloeg Seth. Aan Horus dankte de Egyptenaar de kracht tot denken en de hoge vlucht van de gedachten.

De Egyptenaar wist, dat hij zijn mens-zijn in houding, spraak, gedachte te danken had aan Osiris, Isis en Horus. Deze drie goden werden dus het meest vereerd. Op aarde had de Egyptenaar Osiris verloren, maar na de dood vond hij de opgestane terug. Zo werd het aardse leven een voorbereiding voor het eeuwige leven met Osiris.

Na 3000 voor Chr. bloeit in Egypte een uiterlijke cultuur op met machtige monumenten.
Meetkunde, sterrenkunde, schrijfkunst, bouw- en beeldhouwkunst, de dodencultus, wetten en geneeskunst, het is vrij plotseling in grote volmaaktheid aanwezig.
Dit alles was in de eeuwen daarvoor door de priesterwijsheid voorbereid. De regering van de goden was gaandeweg overgedragen op één mens: de priesterkoning of FARAO

De eerste grote farao, die de landen van BOVEN-EN BENEDENEGYPTE onder zijn leiding brengt, heet MENES. Hij is de vertegenwoordiger van Osiris op aarde. Hij draagt de dubbele kroon met de heilige Uraeusslang, de kromme scepter en de dorsvlegel van het Recht. Hij stichtte de stad MEMPHIS, die de hoofdstad van het rijk werd. Onder Menes’ opvolgers verrijzen machtige piramiden en tempels.

De landbouw en de meetkunde
Egypte heeft 3 jaargetijden: Overstromingstijd- Zaaitijd-Oogsttijd. De priesters deelden het jaar in volgens hun sterrenkunde in 12 manen; elke maan telde 28 dagen. Onze kalender komt uit Egypte. Ook wij hebben nog steeds het zonnejaar(plus minus 360 dagen) en de maanmaand (plus minus 30 dagen.

Na de overstroming van de Nijl waren alle grenzen tussen de landerijen uitgewist. Alle land moest opnieuw gemeten  en verdeeld worden. Zo ontstond de meetkunde, die alleen door priesters en hun helpers mocht worden beoefend. Met stokken, verbonden door een touw, werden cirkels in de vochtige grond getrokken. Figuren met rechte hoeken maakte men met het 12 knopen touw.

In de juiste volgorde verdeeld leverde dit touw de Egyptische “heilige driehoek” op, waarvan de zijden “Osiris” (3), “Isis” (4-)en “Horus”(5) heetten. Elk ontving na de meting een rechthoekig stuk land. Het ploegen gebeurde eerst met een hakstok, al spoedig echter werd een ploeg gebruikt met ossen. Om iedere akker groef men een greppel, die steeds vol water werd gehouden. Uit de kanalen en de Nijl haalde men ’t water omhoog en goot het in de greppels met een SHADUF, een soort machine om emmers omhoog te hijsen. De shaduf gebruikt men nog steeds in Egypte.

Egypte was het eerste grote landbouwgebied v.d. oudheid. Men verbouwde : gerst, tarwe, spelt en vlas in grote hoeveelheden. Als huisdieren hadden de Egyptenaren: ossen, koeien, ezels en geiten. Bijzonder geliefd was de kat, die als heilig dier werd beschouwd; maar ook de hond stond als huisdier in ere.

Veltman blz. 15

Veltman blz. 16

De schrijfkunst
Het schrift van de Egyptenaren was een beeldenschrift. Het bestond al voor de bouw der piramiden. De Egyptenaar tekende de schrijftekens of beitelde hen uit. Vele schrijftekens gaven het beeld van dagelijkse dingen. Sommige beelden stelden één woord voor; andere lettergrepen; later gaven de beelden enkele klanken weer, die een soort alfabet vormden. Klinkers werden niet geschreven. Het schrijven was een heilige taak. Fouten werden met de dood gestraft. Het schrift en de schrijfkunst was immers van de goden afkomstig. Bovendien kon een schrijffout de ernstigste gevolgen hebben voor de gestorvene, die alleen door het Dodenrijk kon komen, wanneer hij alle spreuken, namen en gebeden kende. Eén verkeerde spreuk zou hem de hel in plaats van de hemel kunnen opleveren. De Egyptische schrijver was derhalve een man van gewicht. Van papyrusriet werd een soort papierrol geperst. De schrijver ging gehurkt zitten en gebruikte zijn strak gespannen schort als schrijftafel. Zijn pen was een schuin afgekauwde rietstengel, zijn inkt een soort poederverf, die in een bakje met water werd aangemaakt.
Er zijn nog vele papyrusrollen bewaard gebleven. Sommige zijn tientallen meters lang en het schrift is dikwijls nog zo gaaf en fris, dat zij gisteren pas geschreven schijnen te zijn. Een van de belangrijkste papyrusrollen is het zgn. DODENBOEK, waarin de reis van de gestorvene naar Osiris is beschreven. De dode werd geoordeeld door 42 rechters, zijn hart werd gewogen op een weegschaal. Viel het oordeel goed uit, dan mocht hij naar Osiris’ Koninkrijk. De boosaards werden door een monster verslonden.

De Egyptenaren hebben later een lopend schrijfschrift ontwikkeld: het hiëratische schrift. Daarna het nog eenvoudiger demotische schrift.

Het oudste schrift heet hiëroglyfisch, d.w.z. heilige ingrifsels.

Alle tempelwanden, zuilen en gebouwen waren met dit schrift volgeschreven. De Fransman Champollion (uit Napoleons tijd) heeft het Egyptische schrift voor ’t  eerst ontcijferd.

Uit hoofdstuk 125 van het dodenboek

“WAT MOET WORDEN GEZEGD, WANNEER MEN AANKOMT IN DE HAL VAN DE TWEE GODINNEN DER WAARHEID, OM DE GELATEN DER GODEN TB AANSCHOUWEN.
ERE ZIJ U, GROTE GOD, HEER DER BEIDE GODINNEN DER WAARHEID! IK BEN TOT U GEKOMEN OM UW SCHOONHEID TE AANSCHOUWEN. IK KEN U EN UW NAAM EN IK KEN DE NAMEN DER TWEE-EN-VEERTIG GODEN, DIE MET U ZIJN IN DE HAL VAN DE BEIDE GODINNNEN DER WAARHEID, ZIJ DIE LEVEN VAN HEN, DIE BOOSHEID HEBBEN GEDAAN, EN DIE VAN HUN BLOED DRINKEN.
ZIE, IK BEN TOT U GEKOMEN ,IK BRENG DE WAARHEID EN IK HEB DE ZONDE DER MENSEN UITGEDREVEN.

IK HEB GEEN MENS ONGELUKKIG GEMAAKT.

IK HEB NIET GELOGEN.

IK HEB NIETS GEDAAN, WAT DE GODEN EEN GRUWEL IS.

IK HEB GEEN DIENAAR ZWART GEMAAKT BIJ ZIJN OPZICHTER.

IK HEB NIEMAND ZIEK GEMAAKT.

IK HEB NIEMAND HONGER DOEN LIJDEN.

IK HEB NIEMAND DOEN WENEN,

IK HEB NIET GEDOOD.

IK HEB GEEN BEVEL TOT DODEN GEGEVEN.

IK HEB GEEN OFFERSPIJS UIT DE TEMPEL GENOMEN.

IK HEB DE OFFERBRODEN DER GODEN NIET AANGEROERD.

IK HEB DE MUMMIE-WINDSELS DER ZALIGEN NIET GEROOFD.

IK HEB GEEN KIND DE MELK ONTNOMEN.

IK HEB GEEN DIER VAN ZIJN VOEDSEL VERDREVEN.

IK HEB GEEN WATER AFGEWEERD, WAAR HET NIET MOEST.

IK HEB GEEN VUUR GEBLUST, WAAR HET NIET MOEST.”

De Piramide

Raadselachtig en groots zijn de eerstelingen der Egyptische Bouwkunst. Aan de Nijl tegenover Memphis staan nog steeds vele piramiden, die ondanks de roofzucht van de Arabieren betrekkelijk weinig beschadigd zijn. De oude Egyptenaren moeten over reusachtige lichaamskrachten hebben beschikt om de geweldige steenbrokken waaruit de piramiden bestaan los te hakken, te vervoeren en op te stapelen. Wat het eerst opvalt bij deze bouwwerken, is de grote rol, die het getal drie heeft gespeeld bij het plan van de architect.

Het getal drie was het getal van Osiris en inderdaad is de piramide een gebouw, dat geheel en al uit de eredienst van Osiris is ontstaan. Op een inschrift in een van de piramiden staat:

O HORUS! EEN OSIRIS IS DEZE ZIEL.
EEN OSIRIS IS DIT BOUWWERK
EEN OSIRIS IS DEZE PIRAMIDE!

De oprichtingskracht die Osiris de mens schonk, komt in de piramide tot uiting. Verder gaf de licht- en schaduwwerking van de gladgepolijste steenmantel iedere avond een beeld van de mensenziel ,die van de aarde opstijgt om door de dood verenigd te worden met het lichtrijk van Osiris. Iedere avond zag de Egyptenaar een lichte driehoek omhoog stijgen langs de zijvlakken en in het toppunt verdwijnen.

De naam piramide komt van pir-em-us (=uit ’t huis van het lichaam gaan). De piramiden waren inwijdingsplaatsen van de Osiris-en Isismysteriën.

Na de dood van de farao werd diens gebalsemd lichaam in het bouwwerk opgenomen. Daarna werd de piramide afgesloten. De nieuwe farao bouwde een nieuwe. De grootste piramide is die van Cheops (of Chufu). Hij is 147m hoog en 230m breed. Hij is gebouwd uit 2.300.000 steenblokken van 2,5 ton per stuk.  Gedurende de overstromingstijd werkten 100.000 Egyptische boeren en slaven 20 jaar lang om de blokken uit te hakken en hen per boot te vervoeren.

De tempel
Na de tijd der piramidebouwers ontstonden in Egypte steeds mooiere en grotere tempels. De wanden waren versierd met hiëroglyfen en reliëfs. In de opbouw speelt de drieheid een grote rol.
De priester schreed eerst door een baan van SFINXEN, dan kwam hij aan twee OBELISKEN en vervolgens schreed hij door een tempelpoort, bewaakt door 2 piramide-achtige torens of PYLONEN. In de tempel was geen enkel raam, men was daarin van de wereld afgesloten. Eerst ziet men de VOORHOF, waarin de Osiriszuilen omhoog rezen. Helder zonlicht viel in deze ruimte. Vervolgens zag men een tweede, overdekte en schemerige ZUILENHAL met schone wanden vol beschilderde reliëfs. Het laatste deel was het ALLERHEILIGSTE. Het was er geheel donker. Daar moest de mens zelf het offerlicht ontsteken.
In al het oprijzende en verlichte van de tempel beleefde de Egyptenaar de Osiriskracht (pylonen, zuilen, poorten).
In de brede wanden beleefde hij de omhullende moeder Isis. In het doorschrijden van de tempel tot in het duistere allerheiligste beleefde hij de stootkracht van de jonge Horus.

Veltman blz. 17

Veltman blz. 18

Veltman blz. 19

HYMNE AAN OSIRIS

HEIL U,-GROTE EN VERHEVENE,
DIE ‘OERSCHEPPINGSKRACHT’ HEET!
DE OUDSTE ZOON VAN KEB EN NUT
TRAD AAN, UIT HET VERBORGENE.
GEEN GOD VOLBRACHT, WAT HIJ VOLBRACHT,
HIJ IS DE HEER DES LEVENS,
DE MENS LEEFT DOOR ZIJN WEZEN,
GEEN LEVEN WORDT GESCHAPEN ZONDER HEM!
HEER VAN DE GROEIENDE, WENTELENDE TIJD
IS OSIRIS IN ABYDOS, HEER VAN BUSIRIS,
GEBIEDER VAN HET WESTEN IS HIJ.
VERSIERD MET HET HOGE VERENPAAR
HEEFT HIJ DE HEMEL AANGERAAKT.
DE ‘ZIEL BIDT IN DE DIEPTE TOT DE SLANG,
DIE AAN OSIRIS HOGE VOORHOOFD STAAT.
RE HEEFT ZIJN HEERLIJKHEID GESCHAPEN.
EN SHU HEEFT DIEPE, GROTE EERBIED
VOOR HEM IN HET MENSENHART GELEGD!

De dode spreekt:

Ik leef, ik sterf, ik ben Osiris
ik leef, ik groei als graan
Keb heeft mij verborgen
Ik leef, ik sterf,
Ik ben de gerst.
Ik verga niet!

De dode spreekt:

“Hier ben ik
Mijn graf liet ik achter.
Gij sterke, ik aanschouw U!

Door ’t dodenrijk schreed ik,
Osiris aanschouwde ik,
Het duister verdreef ik

Open staat de poort
Tussen aarde en hemel,
Mijn pad is vol vreugde.

Heil U, elke God, elke ziel!
Uit de duistere diepte
Schijnt mijn licht!”

IKHNATON
De oude priesterkoningen regeerden rechtvaardig en goed. Hun macht was echter zo groot, dat bij de latere farao’s begeerte en hebzucht de overhand kregen. Vooral na de inval van de HYKSOS, een volk uit Azië, werden de farao’s echte veroveraars. De Aziaten hadden in Egypte de eerste geduchte oorlogsmachine ingevoerd n.l. het paard.
Nadien rennen de veroveraars Thothmes en Ramses over de slagvelden met snelle strijdwagens. De farao’s zijn op veldtocht, thuis is de macht in handen van de AMON-RE priesters.

In de 14e eeuw voor Christus verschijnt echter de jonge farao IKHNATON als een gouden dageraad. Hij stelt alle goden terzijde en daarmee de machtige Amon Ra priesters uit Thebe.
Hij wil geen oorlog voeren. Zijn enige god is ATON, de zon, die niet alleen voor Egypte schijnt, maar ook voor andere volkeren!
Ikhnaton sticht een nieuwe hoofdstad AKHET-ATON. Hij liet zich natuurgetrouw afbeelden. Dit was een grote omwenteling in het starre Egyptische gebruik! Ikhnaton dichtte zelf prachtige zonnehymnen.

Na Ikhnatons. opvolger Thuthanchamon raakte het Egyptische rijk in verval en kwam in de 6e eeuw voor Christus in handen van de Perzen,die het inlijfden bij hun wereldrijk.

ZONNE-HYMNEN van IKHNATON

HOE GROOT EN MENIGVULDIG ZIJN UW WERKEN, ATON!
AL ZIJN ZIJ DAN VERBORGEN VOOR DE STERVELINGEN,
O, ENIG GOD, NAAST WIE GEEN ANDER GOD BESTAAT.
HET KUIKEN IN HET EI GEEFT GIJ LEVENSADEM,
GIJ GEEFT HET VORM EN HET VERBREEKT DAARMEE ZIJN SCHAAL,
EN ALS HET UITKOMT, PIEPT HET LUID EN KAN AL LOPEN.
GIJ SCHIEP DE AARDE GANS ALLEEN, NAAR UW WIL,
DE MENSEN EN DE DIEREN, AL WAT LOOPT OP AARDE,
EN ALLES, WAT OP VLEUGELEN DAARBOVEN VLIEGT,
DE LANDEN VAN EGYPTE EN VAN SYRIA.
GIJ ZETTE ELK MAN OP ZIJN PLAATS EN MAAKTE AL,
WAT HIJ VAN NODE HEEFT. ELK HEEFT ZIJN EIGEN VOEDSEL.
ZIJN DAGEN ZIJN BEPAALD. DE TALEN EN DE’HUIDSKLEUR,
ZIJ ZIJN VERDEELD. VERSCHILLEND MAAKTE GIJ DE VOLKEN!
HOE HEERLIJK EN HOE SCHOON GLANST GIJ AAN DE HORIZON,
GIJ, ATON, LEVENDE VANAF HET OERBEGIN.
IN ‘T OOSTEN OPGAAND GEEFT GIJ ALLE LANDEN LICHT
MET SCHOONHEID. EN WANNEER GIJ AAN DE HEMEL STAAT, OMARMEN UW VERHEVEN STRALEN ALLE LANDEN.
DE MENS WORDT WAKKER EN GAAT OP ZIJN VOETEN STAAN
EN HIJ BEGINT ZIJN DAGTAAK. BLIJDE IS HET VEE
IN ‘T MALSE GRAS. DE VOGELS KOMEN UIT HUN NEST
EN HUN OMHOOGGEHEVEN VLEUGELS BIDDEN TOT U.
DE SCHEPEN VAREN REEDS STROOMAFWAARTS OF STROOMOP
ZELFS VISSEN SPRINGEN UIT DE STROOM OMHOOG TOT U,
WANT DIEP DRINGEN UW STRALEN IN DE OCEAAN.
OP U RUST ALLER OCG, GIJ OORSPRONG VAN DE SCHEPPING,
WANNEER GIJ HOOGVERHEVEN OVER D’AARDE STRAALT!

Veltman blz. 20

Veltman blz. 21
In een latere uitgave – mij onbekend – zou nog een tekening staan van een schrijver met papyrusrollen en gereedschap.
De schrijver schrijft hiëratisch schrift met penseel van uitgekauwd riet. Zijn papier, gemaakt van het merg van de papyrusrietstengel, twee lagen kruiselings samengedrukt en vervolgens in vuur gehard. Zijn schrijfinkt is gemaakt van poeder, verpulverd, met water aangemaakt. Het lapje dient als wisser. Aan de linkerkant ligt een leren koffer met schrijfrollen. ernaast staat een koperen waterbakje.

5e klas geschiedenisalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas geschiedenis: Egypte

5e klas: alle artikelen

880

VRIJESCHOOL – klas 5 geschiedenis – (1)

.

Christoph Lindenberg:
‘geschiedenis onderwijzen’

vertaling van ‘Geschichte lehren’                    

HOOFDSTUK: 5E KLAS                                         blz.77-88

In de eerste leerplanvoordracht van 6 september 1919 [2] formuleert Rudolf Steiner de taak van de klassenleerkracht voor het eerste geschiedenisonderwijs: ‘In de vijfde klas zal men zich dan alle inspanning getroosten om met de kinderen een begin te kunnen maken met werkelijke historische begrippen. En men moet er ook absoluut niet voor terugschrikken om het kind juist in deze tijd, in de vijfde klas, begrippen bij te brengen over de cultuur van de oosterse volkeren en van de Grieken.’ [3] blz.149

Hoe zien de geschiedkundige begrippen eruit waar het vóór het 12e levensjaar om kan gaan? In ieder geval gaat het nog niet om een consequent doorgevoerde voorstelling van causaliteit van geschiedkundige ontwikkelingen en het in begrippen vatten van de meer verborgen impulsen in de geschiedenis.

Omdat naar de cultuur van de volkeren uit het Morgenland gewezen wordt, wordt het duidelijk dat het in de allereerste plaats gaat om het anders-zijn van deze oude culturen en hierin ligt ook meteen het wezenlijke historische begrip. Voor de leerling van klas 5 wordt dit anders-zijn van de cultuur zichtbaar door historische figuren en wat ze verrichtten. Inderdaad heerst in ieder van de afzonderlijke culturen van het Morgenland een heel andere levenssfeer en levenshouding, die die culturen hun stempel gaven.

INDIA*
De moeilijke opgave, die meteen aan het begin gesteld wordt, is de beschrijving van de oud-Indische cultuur. Wat van deze cultuur uit historische tijd bewaard is, is slechts een schaduw, waarvan de Indische sage bericht, wanneer ze over de grote Manoe en de 7 wijzen verhaalt. Deze oer-Indische cultuur aanschouwelijk te maken kan lukken, wanneer men uitgaat van de glans die er later nog is. De leerkracht kan uitgaan van teksten uit de Veda’s, uit de Upanishads, of de Bhagavad Gita om zich een beeld te vormen van het bewustzijn van die tijd waarvoor zich de godenhemel met zijn eindeloze reeks gestalten opent. Deze wereld is zo machtig dat daartegenover, de aarde  als maja, als schijn wordt beleefd. Daarom gaat de interesse van de vroege Indiër –net zoals tegenwoordig ook nog, niet uit naar de landbouw, niet naar de industrie en werken voor de kost, maar naar het kunnen doorgronden van de godenwereld. De oorspronkelijk rijke, overvloedige, gevarieerde vegetatie van het Indiase subcontinent maakte het in die vroege tijd ook mogelijk te leven zonder al te veel inspanning en daardoor weinig gehinderd een geestelijk leven te leiden om zich zo in de geheimen van de kosmos te verdiepen. Dit geestelijke leven stond in hoog aanzien en wordt weerspiegeld in de kastenorde waarin de priesters de hoogste plaats innamen.

Het heeft geen zin op het kastenstelsel in te gaan, wanneer het niet lukt om de leerlingen duidelijk te maken dat deze ordening van het sociale leven in die vroege tijd van de Indiase cultuur heel anders  ervaren werd dan in deze tijd.

Voor de leerling van klas 5 kan deze cultuur alleen maar echt duidelijk worden, wanneer deze aan een historisch figuur beleefbaar wordt. Deze figuur is Boeddha. Gelukkig is het leven van Boeddha in de Boeddhalegende op een typisch Indiase wijze, rijk aan beeld en gestalten, bewaard gebleven en ook in het boek van Herman Beckh [4] voortreffelijk weergegeven.

Tegen de leerlingen kan men zeggen: nu willen we eens kijken hoe de Indiërs zelf het leven van een van hun grootste mensen schilderen en met de aanwijzing dat de weergave authentiek is, begin je met het op aarde komen van de bodhisattva uit de godenwereld, je schildert aan de hand van de legende het paleis van koning Suddohana, het binnengaan van de bodhisattva in de moederschoot en alle andere episoden van de legende, vrij uitvoerig, want deze beeldenrijkdom  is karakteristiek voor de Indiase geestesgesteldheid. Deze legende zelf zal aan de leerlingen iets meegeven van de ‘couleur locale’ van de vroeg-Indiase cultuur en inderdaad is het paleis van Suddhodan een spiegel van de oer-Indische cultuur, die het gouden tijdperk van India was.

Tegelijkertijd komt het erop aan dat de leerling begrijpt dat de legende van Boeddha geen sprookje is, en dat de laatste resten van de oud-Indische cultuur tegenwoordig in India op een gemetamorfoseerde manier nog levend zijn. Men kan het huidige India als het archeologisch overblijfsel van een oude cultuur beschouwen die veel grootser en zuiverder was, dan hetgeen vandaag de dag uit India in het Avondland doordringt. Daarbij wordt ook duidelijk dat de oude culturen helemaal niet ‘primitief’ waren.

PERZIË
Een heel andere sfeer hangt boven de oud-Iraanse cultuur, de wereld van Zarathustra. Hierin gaat het om het werk op aarde aan te pakken, om veeteelt, om het verbouwen van graan, om huizenbouw, het aanleggen van kanalen, bevloeien van de akkers in een gebied dat veel minder uitnodigend was dan het Indiase subcontinent; het gaat om de landstreken tussen Pamir en de Kaspische Zee, iets ten zuiden van de Oxus. Deze wereld tot een weerspiegeling te maken van een goddelijke orde, dat was de wil van het oer-Perzische volk.

Allereerst moet de leerkracht zelf goed weten wat het voor de mens van die tijd betekende op een vaste plaats te blijven. Met dit sedentair worden offert men een zekere bewegingsvrijheid op: het leven dat nog geen vaste verbinding met de aarde kent. Wij kennen de gevolgen van de vaste woon- en verblijfplaats en wij kunnen ons het leven nauwelijks anders voorstellen dan dat we in huizen wonen en geregeld brood en de producten van de akkerbouw gebruiken; wij weten dat graanverbouw en ergens gevestigd zijn, mogelijk is. Dat was anders vóór de tijd van het sedentair worden; men had de voorstelling en de ervaring daarvan niet. Met het verkrijgen van een vaste woonplaats verandert ook de zielenstemming: van een consument van natuurproducten werd de mens nu een producent van voedsel, de bouwer van zijn woning, van jager werd hij tot verzorger en beschermer van de dieren.

Deze reusachtige vooruitgang wordt weerspiegeld in de sage van Zarathustra. De leerkracht is hier in de gelukkige omstandigheid dat hij gebruik kan maken van het boek van D.J. van Bemmelen ‘Zarathustra’ [5] waarin deze sage en een groot aantal teksten van Zarathustra zijn te vinden.

De vraag is hoe men dit in de 5e klas moet doen.

Mij schijnt het juist – dat net zoals de Griekse sagen en de strijd om Troje en andere – ook de sage van Zarathustra, het leven van Zarathustra in korte bewoordingen verteld wordt en dan aan de hand van de archeologische vondsten duidelijk maakt dat deze sagen op een realiteit wijzen. De leerling leert op deze manier sagen naar waarde te schatten en hij leert dat de mensen in de oude tijden, meer dan honderden jaren lang de grote gebeurtenissen in de herinnering meedroegen en dat het aan het ritme van de teksten gebonden geheugen, iets oerouds bewaart.

In vergelijking met de Indiase cultuur en de Boeddhalegende wordt het heel andere karakter van de Iraanse cultuur duidelijk: de mensen bevinden zich in een strijd tussen licht en duisternis, tussen goed en kwaad en in deze strijd krijgen zij langzaam voet aan de grond, akkerbouw is hun godsdienst.

Zij bevinden zich in het gevecht tegen de duivelaanbidders en kiezen voor de geest van de zon, Ahura Mazda:

‘ik veracht het een Deva-aanbidder te zijn, ik kom ervoor uit dat ik een Mazda-aanbidder ben, een aanhanger van Zarathustra  een vijand van de Deva’s (demonen), een belijder van de Heer, als iemand die de onsterfelijke heilige engelen looft, als aanbidder van de onsterfelijken. Aan de wijze Heer beloof ik al het goede, aan hem het goede, het goedgunstige, het rechtvaardige, prachtige, heerlijke, al het beste, waarvan de koe, waarvan de wet, het hemelse licht zijn! Ik kies voor de heilige deemoed. Ik zweer af diefstal en roof van vee, plundering en verwoesting van de dorpen. De bewoners gun ik vrijheid, onbezorgd wonen, de huisdieren waarmee ze op aarde wonen. Met eerbied beloof ik bij het gewijde water aan de heilige wet dit: ik wil van nu af geen plundering en verwoesting in de dorpen van de Mazda-aanbidders aanrichten, noch dat ik begeerte heb naar lijf en leven. Ik kom ervoor uit een Mazda-aanbidder te zijn, een aanhanger van Zarathustra met de gelofte en de belijdenis. Ik beloof plechtig het goede te denken, ik beloof eerlijk te spreken, ik beloof goede werken’ (Yasna 12, 1-3, 8)*

*(dit is geen officiële vertaling-die is er wel, maar t.t.v. dit schrijven beschikte ik hier niet over)

De strijd en de keuze voor het goede karakteriseert ook het leven van Zarathustra, dat vanaf het begin bedreigd wordt. Ook Zarathustra moet steeds strijd voeren tegen de vijanden om de nieuwe leefwijze, de verering van het goede zeker te stellen.

Voor de leerkracht van de 5e klas is het een lastig probleem een keuze te maken bij de behandeling van de cultuur van het Tweestromenland. Het Tweestromenland is zonder enige twijfel van grote betekenis: hier komt het tot het stichten van de eerste steden van de mensheid; hier wordt het eerste schrift ontwikkeld, hier ontstaan de culturen van Ur, Assyrië en Babylon. Het is haast niet mogelijk al deze culturen, hun opkomst en ondergang voor de 5e klasleerling te schilderen. Wat moet men kiezen? Als vertelling is het Gilgamesjepos voorhanden – maar kan men aan de hand van dit epos de cultuur van Soemerië belichten? Of moet men liever op grond van de beschijvingen van Herodotus een stad als Babylon behandelen? Moet men voor het ontstaan van het schrift het spijkerschrift als voorbeeld nemen of vindt iemand het ontstaan van de hiëroglyfen in Egypte aanschouwelijker? Het is wellicht het verstandigste dat men meteen in het begin duidelijk voor ogen heeft, wat men van de oude hoog ontwikkelde culturen in samenhang met het Tweestromenland behandelen wil en wat in samenhang met Egypte. Voor Egypte is dat natuurlijk de bouw van tempels en piramiden; de heerschappij van de farao’s, de dodencultus; voor het Tweestromenland het stichten van steden en de indeling van het werk; verder kan men aan de hand van het Gilgamesjepos de vroege stadscultuur met de tempelhandel schilderen en daarbij de geschiedenis van een mislukte inwijding. Wat het schrift betreft kan men voor de ontwikkeling daarvan en het schoolwezen bij het Tweestromenland aanknopen en voor de ontcijfering van een schrift bv. bij de hiëroglyphen.

Het begin van het Gilgamesj-epos bevat een korte beschijving van de stad Oeroek, de muren die met schitterende stenen gesierd zijn, de Istartempels. De leerkracht is in staat op grond van archeologische vondsten deze beschrijving aan te vullen, hij kan over de rechtszaal, de handwerkslieden, de woonwijken  vertellen en het stadsleven schetsen dat vanuit de tempel bestuurd wordt die ook alle handelsgoederen beheert, waarin het archief met de kleitabletten gehuisvest is en over de school die in de buurt is waar een paar kinderen  de keg in de vochtige kleitablet drukken om zo het schrijven te leren. Rondom de stad strekt zicht het vruchtbare land uit dat door kanalen bevloeid wordt. In deze omgeving verschijnt Gilgamesj over wie het epos zegt:

‘Dit is de man die alles wist, hij is de koning die de landen van de wereld kende. Hij was wijs, schouwde de geheimen en wist van verborgen dingen. Hij verhaalde over de tijd van voor de grote stormvloed- de muren van Oeroek bouwde hij, de verdedigingswal en de tempel’.

Zo kan in de beginsituatie van het epos de schildering van de stad en het stadsleven met elkaar verweven worden. De leerkracht die dan nog een grotere stad op het hoogtepunt van de cultuur behandelen wil, heeft daarvoor twee uitstekende mogelijkheden: de beschrijving van Assyrië die Walter Andrae [6] gegeven heeft en die veel op gang kan brengen en de beschrijving van Herodotus [7] van Babylon in het eerste boek van zijn ‘geschiedenissen’. – mij lijkt het moeilijk om dieper op de religie en de cultuur van Soemerië of Babylon in te gaan, maar men kan erop wijzen dat hier de waarneming van de hemel bijzondere aandacht kreeg, dat de indeling in dierenriemtekens van Babylonische oorsprong is, zon, maan en planeten beschouwd werden als verschijningsvormen van goden: de zon=schamasch, de maan=Sin, Mercurius=Nabu, Venus=Ischtar, Mars=Nergal, Jupiter=Marduk, Saturnus=Ninurta. Voor de Babyloniër was echter heel het universum een geestelijke staat, een wereld van goden die op veel gebieden werkzaam waren: Anu was de hemel die zich over allen uitspande, Enlil de ‘heer van de storm’, Enki die van de aarde; de aarde die in een andere gestalte ook Nin-tu is, de godin die baart. Het geestelijk-goddelijke werd op deze manier in het veelvuldige  inwerkend en zich manifesterend beleefd – . Het makkelijkst kan deze beleving van de kosmos in samenhang met het Gilgamesj-epos aan de leerlingen duidelijk gemaakt worden.

EGYPTE
De cultuur van Egypte is hier te lande, oppervlakkig gezien, op z’n minst veel bekender dan  die van het Tweestromenland. Uiterlijk bezien heeft men dat aan het feit te danken dat de Egyptische cultuur veel beter bewaard gebleven is dan die van bv. Oeroek of Assyrië. Enerzijds komt dat doordat er veel meer met steen –en niet met leem-gebouwd werd, anderzijds zorgde het droge woestijnzand voor een veel betere conservering van de vele voorwerpen. Toch moet men, wanneer men bv. een piramide bekijkt, voor ogen houden dat alles wat we zien, alleen maar de puinhopen zijn van een prachtige cultuur. Voor het onderwijs is het alleerst belangrijk dat men niet begint met het kijken naar die puinhopen. Voor de leerkracht hier met zijn uiteenzetting begint, heeft hij de mogelijkheid deze wereld in zijn fantasie opnieuw te scheppen. Men verkeert in de gelukkige omstandigheid dat men de eerste stenen bouw in Egypte precies kan reconstrueren en de betekenis ervan bepalen. Hier gaat het om het piramidencomplex van koning Djoser bij Sakkara. Het complex, in steen rondom de piramide opgetrokken, is een kopie van het koninklijke gebied van Memphis. Tot aan de trappiramide, die het centrum van het complex vormt, is het gebied van Sakkara  uit onvergankelijke steen een kopie van de koningsresidentie in Memphis die uit leemtegels, uit hout en vlechtwerk opgetrokken is. Op een andere, maar wel vergelijkbare manier laten de rijke grafbijzettingen ons het dagelijks leven van de Egyptenaar zien.

Om duidelijker te maken wat er in de Egyptische cultuur is gepresteerd, is het zinvol om de leerlingen eerst een beeld te schetsen van het vruchtbare Nijldal met de overdadige vegetatie en de rijke dierenwereld. Midden in die wereld van menselijke nederzettingen, dorpen op heuvels aan de rand van het vruchtbare dal, enige grotere nederzettingen die door stamhoofden beheerst werden, misschien ook een vorstenzetel, maar allemaal bouwwerken uit kleitegels, hout en bossen riet. In deze wereld vormen koningen binnen een korte tijd een staat. De eerste koning die wellicht werkelijk regeert –na een reeks voorlopers-zou Djoser geweest kunnen zijn. Door hem en zijn wijze raadgever Imhotep wordt bijna zonder enige voorfase het stenen bouwwerk geconstrueerd en zo ontstaat bijna meteen met alle perfectie en op grote schaal het piramidencomplex van Sakkara. Alleen de muur al die eromheen staat is 10 meter hoog en meet 277 bij 544 meter. Binnen het complex vond men het rondom bewerkte beeld van een farao, basreliëfs, de oervorm van het Egyptische schrift. Djoser en Imhotep hebben de Egyptische staat vorm gegeven, deze eigenlijk voor het eerst georganiseerd en de Egyptische cultuur de basis gegeven die deze meer dan 2000 jaar hield. Alles bij elkaar genomen een onvoorstelbaar proces.

Ook de bouw van de grote piramide zou zo besproken kunnen worden. Alleen al het egaliseren van het rotsige grondoppervlak waar de piramiden op staan; de precieze afstemming van de zijden op elkaar is bijna onvoorstelbaar; dan nog de organisatie van de bouw van de piramide: voor de grote piramide van Gizeh werden ongeveer 2.600.000 steenblokken met een gemiddeld gewicht van ongeveer 2,5 ton aangesleept –  hoeveel mensen hebben hier meer dan 20 jaar gewerkt, hoe werden ze gevoed? Hier staat de leerkracht voor de opgave om deze verhoudingen eerst zelf zich voor te stellen, dan in de klas, zoals hij zich maar een piramide kan voorstellen met geheel gladde buitenwanden, 146 meter hoog en bij de basis 230 meter lang. Een volgende stap in de les moet samenvallen met de vorige: deze gebouwen en complexen te bekijken vanuit het oogpunt van wat de mens daar beleefde; bv. zich voor te stellen wat een Egyptenaar ervoer die door de overdekte gang vanuit het tempeldal van de grote pirimade toeliep op de dodentempel aan de voet van de piramide en dan opeens de stralende piramide voor zich zag. Met het oog op deze opgaven is het erg fijn dat er voor de leerkracht een inspirerend boek is—van de inhoud kun je zeker zijn- van Frank Teichmann: ‘De mens en zijn tempel’, band 1, Egypte.[8] Juist bij de Egyptische cultuur neigt de leek ertoe verschijnselen als o.a. de piramide uit de losse hand te duiden, zonder al teveel voorkennis.

Teichmann heeft door zijn precieze kennis van oud-Egyptische uitspraken perspectieven geopend die vaktechnisch zeker zijn en die uitleg bevatten die zo goed als mogelijk bij het denken van de Egyptenaren aansluit.

Het is niet zo zinvol de Egyptische geschiedenis: het oude rijk, de tijd van verval, het middenrijk, de invallen van de Hyksos en het nieuwe rijk afzonderljk te behandelen. Men kan zich goed tot twee elementen van het oude rijk beperken, tot het ontstaan van de cultuur en de bouw van de Cheopspiramide. Wie hier nog dieper op in wil gaan, zou bv. de tijdsbepaling, het vastzetten van het jaar,  de oogst- en zaaikalender aan de hand van de overstromingen van de Nijl enz. kunnen nemen.

De behandeling van een gestalte als Echnaton past beter in de 9e klas, omdat de voor ons zichtbare prestaties van deze farao op het terrein van de beeldende kunst liggen. Zou men nog op Toetanchamon komen, dan moet men niet vergeten erop te wijzen dat men hier met een heel onbelangrijke farao te maken heeft en dat zijn graf het kleinste was in de reeks graven in het dal van de koningen.

GRIEKENLAND
Bij de overgang naar de Griekse cultuur moet een heel andere stemming in de klas komen. Het grootse van de Egyptische prestaties, de strengheid van de godsdienst van Zarathustra, het zich afkeren van de wereld bij de Indiër hebben nog iets wat eerbied oproept, ja bijna iets beklemmends-ook de leerkracht die deze culturen behandelt zal steeds merken dat hij de grens bereikt waarbij nog iets te begrijpen valt; het verhevene heeft de overhand. Bij de Grieken echter beginnen wij het te begrijpen. Iets van de overgang die hier nodig is, wordt door een mededeling van Plato gegeven, die in zijn dialoog ‘Timaios’ Kritias laat verhalen over een reis van Solon naar Egypte. Een hoogbejaarde Egyptische priester zei tot Solon toen die de stad Sais bezocht: ‘Solon, ach Solon! Jullie Hellenen blijven toch kinderen, geen Helleen wordt grijsaard!’- ‘Hoezo? Wat bedoel je?’ zou Solon gevraagd hebben. “Jullie zijn allemaal jong van ziel, want jullie bezitten geen oude, op de oudste berichten stoelende overtuiging, noch een door de tijd oud geworden weten….Wat bij jullie en in andere streken waarvan wij hoorden is bereikt, is hier al van oudsher in de tempels opgetekend en bewaard.’
Met deze woorden leidt de oude Egyptische priester zijn mededeling over het verzonken werelddeel Atlantis in. Door dit bericht wordt duidelijk dat in Egypte nog wijsheid heerste die boven het individu uitsteeg, in een bovenindividueel geheugen voortleefde. Uit deze bovenindividuele wijsheid hebben cultuurscheppers als Imhotep en Djoser kunnen handelen en een cultuur kunnen stichten.

In Griekenland staat de cultuur in het teken van ontwikkeling en van het denken. Terwijl in Egypte het hoogtepunt aan het begin van de cultuur, dus tussen de jaren 2700 en 2400 v. Chr. ligt, ontwikkelt de Griekse cultuur zich vanuit een eenvoudig begin naar het hoogtepunt in de 5e en 4e eeuw voor Chr. Voor de 5e klas is het nu belangrijk, door zoveel mogelijk levensechte gestalten een beeld van deze ontwikkeling te krijgen. De leerkracht heeft eerst de mogelijkheid nog aan de hand van een rij sagen de helden van de voorafgaande tijd te schilderen: Perseus, Theseus en Herakles komen hier in aanmerking. In deze sagen zitten zoveel oerbeelden van ons huidige denken, dat men nauwelijks zonder kan; weliswaar blijft de vraag staan of men deze oersagen van de Europese cultuur in de geschiedenisperiode moet vertellen  of dat men dit doet bij andere gelegenheden. De eigenlijke geschiedenis kan men beginnen met de Trojaanse oorlog. In aansluiting daarop bestaat de mogelijkheid het levensverhaal en de onderzoekingen van Heinrich Schliemann [9]te brengen, opdat de leerling op een aanschouwelijke manier ervaart hoe voor onze tijd deze sage bewaarheid is. Van beslissende betekenis is het  dan de sage van Odysseus te vertellen, omdat in deze gestalte de intellectuele kracht die later doordringt in de Griekse cultuur, hier zichtbaar wordt. De Odyssee bericht ook met grote nauwkeurigheid over het leven van de Grieken in de tijd van Homerus, zoals wanneer de aankomst van Odysseus bij de Faiaken beschreven wordt. Men kan hier daarnaast het leven en de sociale orde van de vroege Grieken behandelen. Een tweede stap in de behandeling is Sparta. Men moet  ervan afzien, los van het overige over de Dorische volksverhuizing te spreken, maar bv. bij de verovering van Laconië door de Spartanen kan men deze noemen. In het middelpunt van het thema Sparta moet Lycurgus staan. Bij de leerlingen moet nu voelbaar worden dat de wetten van Lycurgus uit de menselijke geest voorkomen, dat al zijn maatregelen in hoge mate onnatuurlijk zijn en het doel hebben de natuurlijke loop van de dingen tegen te gaan, men denkt hierbij aan het ijzergeld of aan de Spartaanse opvoeding. Een derde motief kunnen de Olympische Spelen zijn, deze zijn een model voor de vele andere spelen die de Grieken om de goden te vereren, organiseerden.
Met Solon begint dan de geschiedenis van Athene. Hier heeft men een soortelijk proces als bij Lycurgus. Iemand maakt wetten voor het geheel. Omdat het nauwelijks zin heeft heel de ontwikkeling van de Attische democratie van Solon via Kleisthenes tot in het tijdperk van Perikles in detail te behandelen, moet men op de gestalte van Solon, zijn rol als bemiddelaar, op zijn afzonderlijke maatregelen, voor zoverre de leerling die kan begrijpen, de grootste nadruk leggen en de mentaliteit karakteriseren die in het feit gedocumenteerd wordt, dat Solon nadat hij het werk aan de wetgeving heeft beëindigd de  Atherners  als verklaring geeft: ‘Nu ga ik op reis.’ Zij moeten hem zweren zich aan zijn wetten te houden tot hij weer terugkomt. Solon ging op reis, maar hij keerde nooit weer naar Athene terug, want hij wilde dat wetten zouden heersen i.p.v. van een man.

Voor de leerling van de 5e klas is het niet nodig de gebeurtenissen die na Solon plaatsvonden: de tirannie van Peisistratos en wat dies meer zij te leren kennen. Wel echter kan men de oorlogen met de Perzen behandelen waarbij een sterke nadruk moet vallen op het culturele aspect van deze strijd tussen twee wereldopvattingen. Wanneer men de uiteenzettingen van Herodotus volgt die in boek V van zijn ‘Historiën’ beginnen, merkt men weer dat de Grieken de intelligentie als strijdmiddel of als politiek middel inzetten. De leider van de Ionische opstand, Aristagoras maakt bv. gebruik van een landkaart die in brons gegoten is, om de Grieken van het moederland over te halen de Ionische Grieken te helpen, Themistokles laat een theaterstuk ‘De val van Milete’, schrijven en opvoeren om de Atheners voor het gevaar van de Perzen te waarschuwen, net zo dwingt hij de Grieken door een list tot de slag bij Salamis enz. enz. Voor de Grieken verschijnen de Perzen als louter een massa, de koning van de Perzen als een tiran die geheel zinloos de Hellespont laat geselen, omdat de storm de brug van schepen over de zeeëngte heeft verwoest. Als centrale figuren van deze tijd kunnen Themistokles en Aristides gelden. Het tragische lot van Themistokles na de zege op de Perzen behoort onmiskenbaar tot de Griekse geschiedenis: het schervengericht, de vervolgingsjacht door Griekenland en de dood als tiran in het machtsbereik van de Perzenkoning.

Een heel moeilijke pedagogische opgave is Athene te schetsen in de tijd van Perikles, de dramatische gebeurtenissen makkelijk voor te stellen is er niet bij. Deze tijd is echter wel het hoogtepunt van het antieke drama, het is de tijd waarin de Akropolis opnieuw gebouwd wordt, het is de tijd van de grote beeldhouwers, het is de tijd waarin Socrates opgroeit, het is tegelijk ook de tijd van de radicale democratie waarin het Attische volk over iedere aangelegenheid op de markt overlegt.

Een mogelijkheid om deze tijd  de leerling eigen te laten maken , is tekenen en schilderen. Je zou bv. een voorstelling van de Akropolis of van het Parthenon kunnen maken; je zou kunnen proberen een Attische vaas te kopiëren of een Grieks beeld weer te geven-of een metope van het Parthenon-de strijd van de Lapithen tegen de kentauren uit te beelden of een kaart van Athene te maken met de verbindingen naar de wereld van de Middellandse Zee. Andere wegen bewandelen is ook mogelijk, je kunt proberen de bouw van het Parthenon uit de optiek van Phidias te ontwikkelen, je zou ook op de Attische opvoeding kunnen ingaan en het leven van Athene vanuit het gezichtspunt van een opgroeiende jongeling  kunnen beschrijven; je zou ook van de figuur van de uit Halikarnassus stammende Herodotus kunnen uitgaan, zijn reizen, zijn onderzoekingen, zijn nieuwsgierigheid tot thema kunnen maken en hem tenslotte naar Athene laten komen-wat in overeenstemming is met de waarheid.

Ter afsluiting van de Griekse geschiedenis is het ook aan te bevelen, met weglating van de Peloponnesische oorlog en de tijd van de hegemonie van Thebe ook met de gestalte van de Macedoniër Alexander en zijn leermeester Aristoteles verder te gaan. De figuur van Alexander belichten is eenvoudig: er zijn genoeg biografieën. Het probleem van de beschrijving bestaat uit 2 delen: ten eerste heeft men de neiging te uitvoerig op de jeugd van Alexander in te gaan en de grote Alexandertochten af te doen met een paar lijnen op de landkaart. Maar de tochten van Alexander bieden nu juist de mogelijkheid om de geschiedenis van de 5e klas terug te vervolgen en samen te vatten. Het is daarom wellicht zinvol in het bijzonder zich ook bezig te houden met Alexander in Egypte, in het tweestromenland, in Perzië en Indië. Het andere probleem is gelegen in hoe we Alexander beoordelen. Het komt erop aan hier geen valse heldenverering te houden. De moord op Philotas, Parmenion en Kleitos zijn slechte getuigen voor zijn karakter en veel onderzoekers beweren op goede gronden dat ook de moord op Philippos door Alexander in scene is gezet. Misschien kan men om dit probleem heen,  door de teleurstelling te schetsen die Aristoteles in zijn pupil had. Ook de vraag naar Alexanders rol als Griekse imperialist in Azië vormt een probleem bij de beoordeling. De leerkracht moet weten dat in de huidige wetenschappelijke literatuur deze vraagstukken controversieel behandeld worden: de een ziet in de ca 30 stedenstichtingen van Alexander alleen maar militaire bases, anderen zien in Alexander de apostel van het Griekse die aan de barbaren de Griekse cultuur wilde brengen. Hoe het ook met de motiven van Alexander geweest moge zijn, voor het openleggen van de Oriënt voor het Griekendom is hij van wereldgeschiedkundige betekenis.

[1]Christoph Lindenberg: Geschichte lehren
Menschenkunde und Erziehung 43
Verlag Freies Geistesleben, 1981. ISBN 3-7725-0243-1
[2]R.Steiner: GA 295 Erziehungskunst-Seminarbesprechungen, 1969
[3] Vertaling: Praktijk van het lesgeven
Uitg.Vrij Geestesleven**1989 ISBN 90-6038-187-4
**nu: uitg.Christofoor

*om het zoeken iets makkelijker te maken heb ik de ‘kopjes’ aangebracht

LITERATUUR
kleur= Nederlandse vertaling

[4] Hermann Beckh: Buddha und seine Lehre. 5. Auflage, Stuttgart 1980
[5] D. J. van Bemmelen: Zarathustra, Stuttgart 1975
Jonathan N. Leonard: Die ersten Ackerbauern. Time-Life-Buch, Reinbek 1977
Helmut von Glasenapp: Die nichtchristlichen Religionen. Fischer-Lexikon 1, Frankfurt 1957
Wilson Frankfort Jacobsen: Frühlicht des Geistes. Stuttgart 1954
Hartmut Schmökel: Ur, Assur und Babylon. Stuttgart o. J.
Samuel Noah Kramer: Mesopotamien. Time-Life-Buch, Reinbek 1971
[6] Walter Andrae: Das wiedererstandene Assur. 2. Auflage, München 1977
Das Gilgamesch Epos: Verschiedene Ausgaben, die billige Reclam-Ausgabe ist nicht leicht lesbar.
John A. Wilson: Ägypten. In: Propyläen Weltgeschichte Band 1, verschiedene Auflagen
[8] Frank Teichmann: Der Mensch und sein Tempel. Bd. 1 Ägypten, Stuttgart 1978 Jean-Philippe Lauer: Saqqara. Bergisch Gladbach 1977 H. D. F. Kitto: Die Griechen
[7] Herodot: Historien. Verschiedene Ausgaben, billig bei Reclam, neu und gut
übersetzt bei Artemis
Plutarch: Große Griechen und Römer. Band 1-6, leicht und gut erreichbar in dtv
Zur Archäologie:
[9] Heinrich Schliemann: Selbstbiographie
C. W. Ceram: Götter, Gräber und Gelehrte. Hamburg 1949

 

5e klas geschiedenis: alle artikelen

5e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas geschiedenis

 

68-66

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.