VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (5)

.

de hedendaagse strijd van Michaël

Een rijke kindertijd is een bron van rijkdom voor het latere leven.
Feesten die op een mooie manier gevierd zijn, vormen herinneringen aan de kindertijd.
Oeroud zijn de feesten omtrent het keren van de zon in winter en zomer.
Kerst en Pasen werden belangrijke feesten voor het christendom. Met de prachtige gebruiken die in een beeld de zin verduidelijken, maken ze grote indruk op de ziel van het kind.
Het feest voor de herfst, die Michaëlstijd heet, is daarentegen nog een jong feest dat in wording is, omdat nu pas in de ziel van de mens de krachten ontstaan die tot een Michaëlsfeest kunnen uitgroeien. We moeten nog leren dit feest te vieren. Wat een opdracht voor opvoeders die dit toekomstige moeten voorbereiden!

De voorschristelijke feesten waren steeds verbonden met het leven in de natuur; de christelijke feesten horen meer bij het morele leven van de mensenziel. Voor het geestesleven van nu is het een verheven doel het moreel – geestelijke en het zintuiglijke natuurleven waarvan de samenhang voor het menselijk bewustzijn al zo lang gescheiden is, weer met elkaar te verbinden. Het zou een verdieping betekenen in de geschiedenis van het geestelijke wanneer feesten gevierd zouden kunnen gaan worden wanneer beide elementen meegenomen worden: het meeleven met de Christus in het verloop van het jaar en de werking van dezelfde goddelijkheid in de natuur.

De michaëlsdag op de kalender is 29 september.
Het beeld van de aartsengel die de draak overwint, is het grote oerbeeld voor een herfstfeest.
De Bijbel schetst hoe Michaël bij de opstand van de engelen de grote tegenwerker, die draak wordt genoemd, overwint en hem uit de geestelijke werelden verstoot. Hij leeft sindsdien in de zintuigwereld van de aarde als geestelijk wezen

Rudolf Steiner zet uiteen dat de opstandeling in de onschuldige, uiterlijke natuur die een spiegel is van het goddelijke, niet kan leven, maar dat hij een verblijfplaats heeft gevonden in het innerlijk van de mens.
En Michaël voert nu de strijd tegen de draak in het innerlijk van de menselijke natuur verder, wanneer de mens zich met hem (Michaël) verbindt.

De monnik in de middeleeuwen streedt door zelfkastijding en vasten tegen zijn eigen lagere natuur alsof het een draak was.
In de loop der tijden wordt niet alleen de mens anders, maar ook de engelen en de verleidende machten.
Wat kunnen we nu onder de gestalte van de draak verstaan?
Om een werkelijk antwoord op die vraag te krijgen, is het noodzakelijk in te zien dat de verleidingsmachten van twee kanten de mens proberen in hun greep te krijgen. Ze kunnen hem van binnenuit, vanuit zijn ziel bedriegen of van buitenaf, vanuit de zintuigwereld.
‘De begeerte is de wortel van alle kwaad’, zegt de Bijbel. Wie meer wil zijn, dan hij is, wordt eerzuchtig (het Duits heeft hier de woorden ‘Geiz’ en ‘Ehrgeiz’, wie maar wil hebben dan nodig is, zit vol begeerte. Ehrgeiz en Geiz bijv. zijn een uitdrukking van deze dubbele kans om verleid te worden.

De dubbele gestalte van de duivel is op veel middeleeuwse prenten nog te zien in bijv. de slang van het Paradijs die aan de bovenkant de gedaante van een vrouw aanneemrt, aan de onderkant die van een slang. Ook in oude spelen, waarin de duivel de naam Lucifer en Satanas draagt, komt die dubbele natuur tot uitdrukking, bijv. in het Reditiner Paasspel. Daarin wordt getoond hoe die twee elkaar sterker maken. Wanneer de verleiding van Satanas slaagt, zijn er voor Luifer ook nieuwe kansen in de strijd om de mensenziel. Uit het Oosten komen de namen Lucifer en Ahriman.
Heel vaak zijn de beide figuren niet duidelijk van elkaar te onderscheiden, heeft de ene trekken van de andere.
Wat hier in een beeld uitgedrukt wordt, kan psychologisch door waarneming door ieder mens gevonden worden die zelfkennis probeert te krijgen.

De verleiding van buitenaf door de zintuigen heeft er steeds meer toe geleid dat de mens die de wereld waarneemt de geestelijke kant van de natuur is gaan verliezen.
Tegen dit gevaar hoefden de mensen die in wat in de natuur werkzaam was, nog gnomen en elfen waarnemen, vroeger niet te strijden.
Voor nu ligt hierin een opdracht.
De wereldmacht die met de slang omschreven wordt, heeft zijn werking er steeds op gericht de mens uit het paradijs van zijn geestelijk thuis te verdrijven en hem alleen voor waar te laten houden  wat hij in de zintuigwereld ziet.
Nu vandaag de dag de uiterlijke kant van de zintuigwereld uit en te na onderzocht is, is het innerlijk van de natuur voor de beleving van de mens verloren gegaan. Er is heel veel inspanning nodig om de weg daartoe weer terug te vinden en bij de inspanning hoort moed.

Dat is heden de strijd van Michaël tegen de draak.

Vroeger konden de natuurwezens met de mens samenleven. Alle sagen spreken daarover. Zij hebben het samenleven met de mens nodig en krijgen daardoor deel aan geestelijk leven, dat zij alleen niet kunnen hebben. Zij vereenzamen sinds de mens ze niet meer beleven kan. Voor de mens zijn ze dood, maar daardoor zijn ze in de invloedsfeer van de draak gekomen.

Rudolf  Steiner beschrijft de draak in de mens als een ‘bovenzintuiglijk wezen in de wereld van de zintuigen’, dat door zijn bestaan naar zich toetrekt en ermee verbindt ‘wat uit de verten van de natuur naar de mens toestroomt als iets wat bovenzintuiglijk elementair is…., en in plaats dat de mens door wat hij in zijn ziel meedraagt, door zijn gevoel de elementairwezens, bijv. van de planten, verlost uit hun betovering, verbindt hij ze juist met de draak, laat hij ze in zijn lagere natuur met de draak ondergaan’.

Alles wat als een nieuw kennen van de natuur nagestreefd wordt, waarbij de mens niet alleen maar met zijn intellect, maar als totale mens actief is, is een deel van het grote streven, van die strijd die Michaël in de mens met de draak aangaat.
Rudolf Steiner beschrijft hoe de wezens in de wereld er in hun eenzaamheid aan toe zijn: ‘De lelie wanneer ze haar bladeren, met name haar bloembladeren uitvouwt, wacht eigenlijk op iets. Zij zegt bij zichzelf: ‘Er zullen mensen aan mij voorbijlopen, mensen die naar me kijken en wanneer er genoeg mensen hun blik naar me richten, zal ik – dat zegt de geest van de lelie – bevrijd worden van de betovering en kan ik mijn weg in de geestelijke wereld beginnen…..’

Overal in onze omgeving zijn deze elementairgeesten en die roepen eigenlijk naar ons: ‘Kijk toch niet zo abstract naar de bloemen en maak er toch niet van die abstracte beelden van, maar open je hart, je gevoel voor wat er aan geest en ziel in deze bloemen huist! Dat wil zo graag verlost worden uit een betovering, door jullie!
En het menselijk bestaan zou eigenlijk  een voortdurende verlossing moeten zijn van de betoverde elementairwezens in de gesteenten, planten en dieren.”

Ieder mens kan de waarheid van deze bewering ervaren. Die spreekt duidelijk uit wat invoelend de eigen ziel zegt.
Deze strijd van Michaël met de draak is in deze tijd alleen mogelijk, wanneer de mens eraan deelneemt door de manier waarop hij zijn kennis gebruikt. Op de mens en hoe hij zich geestelijk ontwikkelt, wachten eigenlijk alle wezens in de wereld. Wanneer de kennis van de natuur zich verruimd tot kennis van de geest, wordt het verlangen van de elementairwezens aan wie de mens dank verschuldigd is, vervuld.

De sprookjes zijn de beelden van de wegen die de ziel van de mensheid gaat. Het kan niet anders dan dat in veel sprookjes het michaëlsmotief zit.

Dat wordt hier duidelijk bij het sprookje van Sneeuwwitje.

De stiefmoeder heeft Sneeuwwitje, de mensenziel, uit het rijk van de koning, het geestesrijk, verstoten in het donkere bos van het aardse, lichamelijke leven. De jager, die in vele sprookjes als goede helper verschijnt, zorgt ook hier voor een goede wending van wat de koningin zo boosaardig voorstond. Hij doodt Sneeuwwitje niet, maar laat haar leven; d.w.z. op het aardse plan moet haar zelfbewustzijn bewaard blijven. Sneeuwwitje komt bij de dwergen.
‘Wie heeft er van mijn bordje gegeten? Wie heeft er van mijn brood genomen?’ In deze vragen komt tot uitdrukking hoe ieder mens leeft van wat de elementair wezens toebehoort. De dwergen houden van Sneeuwwitje die voor hen zorgt.
Maar de stiefmoeder kijkt in haar spiegel. De spiegel is het voorwerp dat van de natuur aan de zintuigen aanbiedt, wanneer je niet achter de sluier van de uiterlijke verschijningsvorm kan doordringen. Voor de dwergen die Sneeuwwitje nodig hebben, is de menselijke ziel het mooiste wat er voor hen bestaat. ‘O, koningin, u bent de mooiste hier’ (hier in het rijk van de zintuiglijke schijn), zegt de spiegel, ‘maar Sneeuwwitje over de bergen (dat is de grens van de twee werelden) bij de zeven dwergen (bij de elementairwezens) is duizendmaal schoner dan gij”.
De menselijke ziel wordt nog meer door de boze koningin, je kan ook zeggen door de slang of de draak, vervolgd. Eerst snoert de koningin haar in. Het beeld van de insnoering wil zeggen dat de grotere wereld van het zielenleven steeds meer in het lichaam samengedrukt wordt. Als gevolg daarvan valt Sneeuwwitje flauw en is ze blind voor het rijk van de elementairwezens.
Daarna wordt ze met de kam vergiftigd. Het haar duidt op een verbinding van het hoofd met de geestelijke wereld. Het kammen lijkt een beeld voor die kracht van het denken die alles uiteenrafelt (uitkamt) en ordent. Omdat de dwergen Sneeuwwitje en het samenzijn met een menselijke ziel nodig hebben, waarschuwen ze voor de boze koningin, die haar van hen wil scheiden.
Het beeld van het eten van de appel herhaalt op tere manier het Paradijsverhaal waarin nog duidelijk het bewustworden van het eigen lichaam en de zintuigwereld doorklinkt.
In het sprookje wordt de gang van zaken vanuit het beleven van de elementairwezens geschilderd voor wie Sneeuwwitje is gestorven, terwijl ze voor de zintuigwereld wakker wordt. De dwergen en de vogels, je kan ook zeggen heel de elementairwereld, knielt bij haar kist waarin het ‘dode’ Sneeuwwitje ligt. Dat is een indrukwekkend, schokkend beeld. Het is het beeld dat alle wezens in de wereld beleven sinds het denken van de mens intellectueel is geworden, sinds het ‘donkere tijdperk’ aangebroken is.
Met de draak die Michaël doodt, wordt meer het ahrimanische wezen bedoeld. In het Paradijsverhaal en in dit sprookje wordt meer de luciferische kant getoond. Omdat echter beide machten afhankelijk zijn van wat de andere bewerkstelligt, zit in het beeld van de koningin die zielenkracht die zoals de draak dat doet, de blik van de mens op het geestelijke in de natuur verduistert, zodat alleen de buitenkant zichtbaar is.

Michaël helpt de menselijke ziel de matheid van de kennis te overwinnen.
In het sprookje komt de koningszoon bij de glazen kist en verlost Sneeuwwitje van het gif van de appel.
De aartsengel Michaël bezit deze kracht omdat hij de draak overwonnen heeft.
Een overwinning op de draak komt in dit sprooje niet voor, omdat het verteld is vanuit het beleven van de elementairwezens.

Michaël is de bode van Christus.
In het sprookje gaat de koningszoon verder waar de jager mee is begonnen die Sneeuwwitje van de boze koningin redde en haar in het bos vergezelde en haar in de ware zin van het woord, het leven schonk.

.

Elisabeth Klein, Erziehungskunst jrg.18, nr.9/10 1954

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.Sprookjes: alle artikelen

.

1602
Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.