VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (9-4)

.

We weten niet anders: als we in dienstverband werken, krijgen we daar geld voor.
Uit mijn kindertijd weet ik nog dat vader iedere zaterdag bij zijn baas het loonzakje ging halen en zelfs begin jaren ’70 van de vorige eeuw, werd ik op de Haagse vrijeschool ook zo uitbetaald. De administrateur, de heer Boele, zat in de leraarskamer waar je werd binnen geroepen – alleen – om je salaris, in een zakje, in ontvangst te nemen.

Steiner heeft in zijn idee van ‘sociale driegeleding’ ook veel uiteengezet over ‘kapitaal en arbeid’. Daarbij past eigenlijk geen ‘uurloon’.

In uiteenlopende artikelen, de meeste verschenen in het blad ‘Jonas’, probeerden verschillende schrijvers hun licht op dit aspect te laten schijnen.

Een artikel – vanuit weer andere motieven – over het basisinkomen stond op 7 juli 2018 in Trouws Letter en Geest.

Arbeid en inkomen

In het vooruitzicht van de verkiezingen* en onder druk van de bezuinigingsnoodzaak houden regering, politieke partijen en vakbeweging zich bezig met vraagstukken rondom het arbeidsbestel. Zijn er nieuwe wegen denkbaar? Is er fundamenteel iets mis? Of moet het systeem beter worden toegepast?

Van verschillende kanten klinkt een nieuw geluid: arbeidsloos inkomen, ontkoppeling van loon en prestatie. Emoties komen op. Kok (FNV) en Rietkerk (VVD) vinden elkaar in een krachtig afwijzen van dit alternatief. Zij zien het al voor zich: een massaal gedrang om de staatsruif en vervolgens potverteren aan de Costa Brava…!

Kunnen we ons een oordeel vormen over hetgeen hier aan de hand is? Er lopen verschillende lijnen door elkaar, dat maakt het zo verwarrend. Ik** zal proberen ze uit elkaar te halen.

De ene lijn is die vanuit de inkomensnivellering. De hoge inkomens worden afgetopt, de lage opgetrokken, tot ze steeds dichter bij elkaar komen. Naarmate dat gebeurt, voltrekt zich in feite een ontkoppeling van loon en prestatie. Ongeacht de bijdrage aan het economisch proces wordt het genivelleerde inkomen uitgekeerd aan de werkenden.

De voorstanders van deze tendens zullen zeker uit rechtvaardigheidsoverwegingen de niet-werkenden (invaliden, zieken, gepensioneerden, studenten) een inkomen willen uitkeren, dat dichtbij dat van de genivelleerde modale werker ligt.

Inkomensvorming heeft zich hierbij wel onttrokken aan economische prijsvormingsmechanismen, maar daarmee is het nog geen object van besluitvorming in het rechtsleven. Abstracte gelijkheid is nog geen rechtvaardigheid!

De uitschakeling van het prijsvormingsmechanisme brengt een andere groep in het geweer. Waar moet het heen wanneer we het arbeids-marktmechanisme uitschakelen? Wanneer niemand meer het vuilnis op wil halen (zelfs geen gastarbeider meer) dan wordt zo’n man schaars. Dan moet vanzelf de prijs voor deze arbeid omhoog gaan. Tot er mensen gevonden worden die bereid zijn het daarvoor te doen. En laat zo’n man dan rustig meer verdienen dan een hoogleraar. Als die jaloers is, laat hij dan vuil gaan ophalen.

Zoals de vorige groep de arbeidsproblematiek uit de sfeer van het economische leven haalt zonder deze echt tot inhoud van het rechtsleven te maken, zo haalt de laatstgenoemde groep terecht de arbeid uit de sfeer van het geestesleven. Het is een vorm van geestelijk egoïsme om van arbeid te eisen dat je je daarin kunt ontwikkelen, dat je daarin alles wat je ‘mee hebt gekregen’ uit kunt leven. Dat is slechts voor enkele beroepen weggelegd. Het merendeel van de werkzaamheden in het economische leven is – ondanks alle humanisering – toch door de arbeidsverdeling zo geworden dat de hogere mens daar moet zwijgen. Passende arbeid, arbeid die bij mijn niveau van ontwikkeling past, kan een hoogmoedig, elitair begrip worden.

Het is juist dat de arbeid in die zin uit de sfeer van het geestesleven wordt gehaald. Maar ook deze groep brengt de arbeidsproblematiek niet echt binnen het rechtsleven. De vraag hoe we de menselijke capaciteiten zo over te creëren arbeidsplaatsen verdelen, dat ieder tot zijn recht komt, wordt langs mechanistische weg ‘opgelost’.

Ik denk dat de problematiek van de arbeid pas echt een aangelegenheid van het rechtsleven wordt, wanneer men inziet dat ze daar thuishoort. Dat inzicht kan ontstaan door de volgende overweging: het economische leven is dat deel van de samenleving, dat eigenlijk de hoogste sociale en morele impulsen vraagt. Het is immers het gebied waar we met ‘die ene aarde’ omgaan en waar we voor de behoeftige medemens werken. Alles wat in die sfeer aan anti-sociale krachten binnendringt werkt vernietigend op milieu en sociale structuren. ‘Maar de mens zit toch vol met antisociale krachten’ zal men zeggen. Dat is juist. Desondanks kan hij het bovengestelde inzien en uit dat inzicht voorzieningen treffen opdat in het economische leven alleen consumptiegoederen object van koop en verkoop, object van begeerte kunnen zijn.

Zulke voorzieningen maken het onmogelijk, dat de drie grote productiefactoren natuur, arbeid en kapitaal (goederen) zelf als koopwaar gaan circuleren, op de markt verschijnen, object van begeerte worden. Dat is de reden waarom arbeid geen koopwaar kan zijn, waarom het vaststellen van iemands inkomen alleen een aangelegenheid van het rechtsleven kan zijn. Wat een rechtvaardig inkomen is kan niet gedicteerd worden door iemands bijdrage aan het economische proces.

Maar wat rechtvaardig is kan evenmin een gevolg zijn van de toevallige schaarste van iemands capaciteiten. En daarmee zitten we aan de aankoppeling naar ‘de andere kant’, naar het geestesleven.

Wie zich mijn artikelen herinnert over de heilige driepoot van het arbeidsbestel, weet dat ik daar sprak over de drie componenten-capaciteiten – werk – inkomen -, en hoe deze hiërarchisch verknoopt zijn: een bepaald opleidingsniveau geeft toegang tot een bepaalde sport op de werkladder en deze geeft recht op een bepaalde salarisclaim.

Inkomen moet niet alleen van werk worden ontkoppeld, maar ook van opleiding. Zoals de eerste koppeling leidt tot een overwoekering van het economische leven, zo leidt de tweede tot een verarming van het geestesleven: mensen investeren in een opleiding om daarmee een betere positie op de arbeidsmarkt te verwerven. Door geforceerde eenzijdigheid bieden zij schaarse capaciteit aan en ontlenen daaraan een recht op hoger inkomen. Van echte interesse en ontwikkeling is dan geen sprake meer.

Alleen beide ontkoppelingen kunnen de arbeidsproblematiek tot een rechtsvraag maken. Dan zal het pas mogelijk zijn – maar anderzijds ook noodzakelijk – dat arbeid op een gezonde wijze zijn relatie aangaat met het economische leven en met het geestesleven. Met het economische leven door een reële oriëntatie op echte behoeftes van levende mensen. En met het geestesleven door de ontdekking dat arbeid een eminente scholingsweg kan betekenen, dat de evaluatie van een veelkleurig palet van arbeidservaringen een volwaardige bijdrage aan een persoonlijke ontwikkeling kan geven.

**Lex Bos, Jonas 22, *27-06-1980

.

Sociale driegeledingalle artikelen waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

.

1601

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.