Tagarchief: Sint Maarten

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (51)

.

Diederick Sprangers, Antroposana jrg.2, nr.4, okt. 2006

.

Van heldenmoed tot hartewarmte

Bewustzijns- en hartekrachten vieren

Onze tijd stelt hoge eisen aan onze individuele ontwikkeling als mens. Beelden uit mythen en legenden kunnen ons daarbij tot hulp en inspiratie dienen. Tevens kunnen we via die beelden ontdekken dat bepaalde momenten in het jaar te verbinden zijn met stappen in onze innerlijke ontwikkeling. Die momenten kunnen we vieren. Zo kunnen we onze eigen ontwikkeling integreren in het verloop van de seizoenen. Van tijd tot tijd is het dan een feest om mens te worden.

Wie een helderder zicht op zijn leven wil krijgen, ontkomt er niet aan om naar binnen te kijken, naar zijn eigen karakter en ‘eigen-aardig-heden’. Er zijn vele aanleidingen om dit te doen: het vinden van een werkkring die bij je past, een terugkerende ruzie met een collega of gezinslid, een ernstige ziekte, enz. Maar ook de behoefte om jezelf te ontwikkelen, te ontplooien, kan aanleiding zijn tot zelfstudie: hoe zit ik in elkaar en wat zegt mij dat over wat ik het beste kan doen? De behoefte om jezelf te kennen, lijkt iets van deze tijd te zijn. We nemen er vaak geen genoegen meer mee dat bepaalde dingen ons overkomen: we willen weten waarom we ermee geconfronteerd worden en wat we ‘ermee moeten’. Geregeld loopt dat uit op de vraag waarvoor we eigenlijk leven, wat de zin van je leven is. Er zijn dan ook tegenwoordig talloze mogelijkheden om hieraan te werken: organisaties en bewegingen van allerlei aard en kleur bieden veelvormige trainingen, workshops en boeken aan waarmee je aan je persoonlijke ontwikkeling kunt werken.

Merkwaardig genoeg gaat de weg naar zelfkennis vaak gepaard met het beter leren kennen van de wereld om ons heen. Je kunt jezelf niet los zien van de buitenwereld; je hebt je omgeving nodig om ‘jezelf te worden’. Wie bijvoorbeeld tennist of een andere individuele competitiesport speelt, kan de ervaring opdoen: “Ik speel eigenlijk tegen mezelf – maar daarvoor heb ik een ander nodig”. Soms gaat het specifiek om de vraag hoe je beter met andere mensen ‘door de bocht komt’, hoe je op een menselijke manier met elkaar in contact kunt komen en blijven. We willen een ander kunnen aankijken, recht in de ogen kunnen zien, face to face. Maar ook de soms harde werkelijkheid van de wereld waarin we leven, komen we voortdurend tegen op de weg naar onszelf: want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren, zoals Willem Elsschot schreef. En dan merken we dat we niet alleen over onszelf, maar ook over de buitenwereld anders moeten leren denken. Als we eenmaal door hebben waarom bepaalde dingen om ons heen gebeuren, willen we daar vaak verandering in brengen. Wie wil niet bijdragen aan een betere wereld? Maar dat vereist een nieuw bewustzijn: gewoon doen wat je geleerd is, wat je gewend bent of wat anderen doen, voldoet niet. Zelfbewustzijn en wereldbewustzijn gaan hand in hand, en voor beide moeten we innerlijk sterk in beweging komen: we moeten er vaak hard voor werken.

MICHAËL

Ook vanuit de antroposofie wordt hieraan gewerkt. (Antroposofie is eigenlijk een weg tot zelfkennis en wereldkennis.) Daarbij wordt inspiratie geput uit een beeld uit de Christelijke overlevering, namelijk de gestalte van de aartsengel Michaël. Deze laat ons verschillende eigenschappen zien die we nodig hebben op onze weg naar inzicht. Eén daarvan is moed: Michaël wordt vaak afgebeeld met een zwaard, waarmee hij de kwade geest Lucifer versloeg. (Vondel heeft dit prachtig beschreven in zijn treurspel “Lucifer” in 1654). Als je jezelf probeert te leren kennen, word je ook geconfronteerd met je onaangename eigenschappen: het kost moed om die onder ogen te zien, laat staan te bedwingen, zoals Michaël Lucifer bedwong. Lucifer wordt meestal afgebeeld als een draak of slang onder de voet van Michaël. Die draak is het beeld van onze innerlijke weerstanden, onze tekortkomingen. Ook voor het werken aan een betere wereld kunnen we inspiratie vinden bij Michaël. Hij weegt de gebeurtenissen tegen elkaar af, om de wereld te ordenen; een weegschaal is dan ook een tweede attribuut waarmee we hem wel afgebeeld zien. Zijn strijd is een geestelijke strijd, een strijd die in het innerlijk van de mens gevoerd wordt. Michaël spoort ons als het ware aan om dat wat met ons gebeurt, ook op een weegschaal te leggen en zo ons eigen evenwicht te vinden temidden van de chaos van de wereld. Daarvoor gebruiken we onze hoogste bewustzijnskrachten: we zoeken vanuit ons aardse bestaan de brug naar de geest, anders gezegd: in en achter de aardse materie zoeken we de geestelijke werkelijkheid. Michaël behoedt en verzorgt de bewustzijnskrachten waarmee we dat doen.

Michaël vormt aldus een inspiratie voor het hele tijdsgewricht waarin we leven. Maar zijn werkingssfeer is ook specifiek verbonden met een deel van het jaar: met de herfst. Voorjaar en zomer roepen op om je naar buiten te wenden, om te genieten van het leven. Maar als de natuur haar bloei achter zich heeft en in verval raakt, het weer kouder wordt en de dagen korter, kun je je vanzelf geneigd voelen om naar binnen te keren, het innerlijke vuur op te stoken. Het feest van Michaël valt dan ook op 29 september, aan het begin van de herfst. Het klinkt door in de hele herfstperiode – net zoals het nieuwe leven van Pasen het hele voorjaar inspireert en het licht van Kerstmis de donkere wintermaanden doorstraalt. Maar in tegenstelling tot de 2000 jaar oude feesten van Kerstmis en Pasen, waarmee we de blijvende werking van impulsen uit het verleden vieren, is Michaël een feest van de toekomst. Michaël vieren betekent zelf de toekomst bouwen: de impuls van Michaël moet in die zin nog werkelijkheid worden, en wij moeten dat doen. Daarom zijn er ook nog geen geijkte manieren om dit feest te vieren: Michaël kent niet zoiets populairs als een kerstboom of paaseieren. Dit feest moeten we zelf vormgeven. De beste manier is natuurlijk door daadwerkelijk aan onszelf te werken: daar draait het eigenlijk om. Maar we kunnen ook de beelden en verhalen uit vele overleveringen gebruiken om een feest vorm te geven. Die beelden kunnen ons ook inspireren bij het werk aan onszelf. Ze zijn te vinden in de talloze mythen en legenden over ‘ Michaël, maar ook in die over andere gedaanten waaronder hij bekend is of was: St.-Joris en de draak, bijvoorbeeld, is eigenlijk niemand anders dan Michaël. Ook in oudere culturen vinden we Michaël onder andere namen terug: Indra (Indisch), Mithras (Perzisch), Marduk (Babylonisch), Apollo (Grieks) en Widar (Noors). Er is een rijke schat aan verhalen, schilderijen, liederen en spelen rond het wezen van Michaël waaruit we kunnen putten.

Naast de moed is er nog een tweede belangrijke eigenschap die Michaël ons voorhoudt als broodnodige hulp bij ons zelfonderzoek: humor. “Verbeelding is de mens gegeven als compensatie voor wat hij niet is en gevoel voor humor als troost voor wat hij wel is” zei Francis Bacon. Onze taal heeft zelfs een puur ‘michaëlische’ uitdrukking voor het gebruiken van humor. Als Michaël – of St.- Joris – de draak verslaat, doodt hij hem niet; hij houdt hem in bedwang met zijn zwaard of lans. Hij steekt de draak. (In het Limburgse Beesel wordt nog elke zeven jaar het “Draaksteken” als openluchtspel opgevoerd.) De draak van je eigen tekortkomingen te leren beheersen, komt dus eigenlijk neer op ‘de draak steken met jezelf’.

SINT-MAARTEN

Het beeld van Michaël kan ons de moed, de wil en het enthousiasme geven om aan de gang te gaan met ons werk, bij onszelf en tegelijkertijd bij de wereld om ons heen, bij andere mensen. Hoe pakken we dat aan, hoe leggen we een goede verbinding tussen onszelf en anderen? Niet door het leven van de ander te gaan regelen, maar door hem zo te helpen dat hij zijn eigen weg kan gaan in vrijheid. Als we een ander gaan vertellen hoe hij moet leven, hem de les lezen of de wet voorschrijven, komen we niet ver. We moeten leren ons in de ander te verplaatsen en zijn werkelijke behoefte te herkennen; dan kunnen we zoeken naar een manier om die behoefte te vervullen. Als inspiratie hiervoor kan een andere gestalte uit de Christelijke overlevering dienen, namelijk Sint-Maarten of de heilige Martinus van Tours. Volgens de legende was hij een Romeins soldaat, die voor de poort van Amiens een bedelaar tegenkwam die het koud had. Maarten trok zijn zwaard en sneed daarmee zijn mantel – een kostbaar bezit – in tweeën. De ene helft gaf hij aan de bedelaar. Maarten herkende dus de behoefte van de bedelaar en vervulde die. Hij zei niet: “Maak een vuur en warm je daaraan”, dus hij vertelde de man niet wat hij moest doen. Hij zei ook niet: “Zoek werk, zodat je niet hoeft te bedelen”. Hij deelde zijn warmte met een man die het koud had. Daardoor behield die man zijn vrijheid om zijn eigen weg te gaan, welke dat ook mocht zijn. Het was een gebaar van solidariteit, van broederschap: deel wat je hebt, zodat ieder genoeg heeft.

Niet toevallig valt het feest van Sint-Maarten in de Michaëlstijd, op 11 november. Michaël prikkelt ons om onze draak te bedwingen, dat wil zeggen om onze lagere driften in toom te houden; Sint-Maarten laat ons zien wat er dan tevoorschijn kan komen uit ons hart. Als we niet meer in beslag genomen worden door egoïsme, jaloezie, dogmatisme enz., staan we werkelijk open voor de nood van de ander. Dan kunnen we die waarnemen en broederlijk delen wat we hebben. Merk ook op dat beide figuren, Michaël en Maarten, een zwaard hebben; maar ze doen er verschillende dingen mee. Het zwaard staat voor je wilskracht: die heb je zowel nodig om je driften in bedwang te houden, als om te delen wat je hebt.

Ook deze impuls, die van het samen delen, kunnen we vieren, rond 11 november. Hiervoor geeft de volksoverlevering ons talrijke gewoonten, verhalen, liederen en spelen, die elk een aspect van Maartens impuls belichten.

De Zonnejaargroep geeft boekjes uit over de jaarfeesten
Martin Sandkühler: “Michaël: verhalen en legenden
Het openluchtspel “Het Draaksteken” in Beesel.

.

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

 

Het artikel verscheen in het tijdschrift van Antroposana

.

1899

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Sint-Maarten (24)

.

SINT-MAARTEN EN ‘DELEN’

Sint-Maarten is het feest dat wij in Nederland op 11 november vieren. Het feest dat ons beelden schenkt die gaan over delen en ontvangen. Een actueel onderwerp voor alle inwoners van Europa, ‘aan de poorten’ staan duizenden vluchtelingen aan te kloppen op zoek naar onderdak, warmte, eten, kleding, veiligheid en hoop op een beter leven.

In dit jaarfeestenartikel worden enkele beelden van ‘delen’ belicht.

Sint-Maarten

11 november wordt in Nederland het feest van Sint-Maarten gevierd. Het feest dat de heilige Maarten of Martinus herdenkt.

Martinus werd in het jaar 316 geboren en stierf op 81-jarige leeftijd in 397, zestien eeuwen geleden en nog steeds spreken de beelden uit het leven van deze mens ons aan. Dat moeten grootse beelden zijn!

In Nederland vieren wij het Sint-Maartenfeest door met onze kinderen langs de deuren te trekken met uitgeholde knollen en een brandend kaarsje daarin. Zingend trekken de kinderen van deur tot deur en ontvangen gaven van de mensen die het lied en het licht in ontvangst nemen. De kinderen delen het lied en het licht, de mensen bij de deur geven iets lekkers als een mandarijn, snoep of een mooi steentje, schelpje of ander geschenk.

Martinus en de poort

Aan de kinderen op de scholen wordt het verhaal van de heilige Maarten of Martinus verteld.

Martinus reed op een koude winteravond naar Amiens en kwam vlak voor het sluiten van de poorten aan. Daar trof hij een bedelaar die om een aalmoes vroeg. De geldbuidel van Maarten was leeg, de tas met proviand eveneens.

Het verhaal gaat dat Maarten zijn zwaard trok en zijn mantel door midden sneed: een deel voor de bedelaar en een deel voor hemzelf. In de nacht daarna verschijnt Christus in een droom bij Martinus en vertelt dat Hij het was die aan de poort zat. Vanaf die tijd vertellen mensen elkaar het verhaal van Martinus, het delen van de mantel en het onbaatzuchtig omzien naar elkaar.

Sint-Maarten voor volwassenen

In deze jaarfeestenrubriek* hebben wij al vaker stil gestaan bij het onderwerp ‘delen en Sint-Maarten of Sint-Martinus’. Tijdens lezingen of cursussen die ik in het land verzorg rondom de jaarfeesten, klinkt vaak de vraag: ‘En wat kan dit feest of wat kunnen de beelden in een feest voor mij als volwassene betekenen?’

Afgelopen periode heb ik het beeld van ‘het delen’ op verschillende manieren ontmoet. In de krant, op televisie en in andere media klinkt de vraag: kan ik mijn huis delen met een vluchteling? Ben ik bereid een vluchteling op te nemen in mijn huis opdat deze ontheemde medemens ook weer een veilig thuis kan ervaren? Los van de discussie of een ‘gewone burger’ in staat is om een vluchteling, met wellicht psychische vragen als een trauma, onderdak te bieden, blijkt deze vraag voor menigeen moeilijk te beantwoorden. Het onderwerp: het ‘delen’ van ‘huis en haard’, ‘have en goed’, ‘hebben en houwen’, klopt bij ons allen aan de poort, de gemoederen lopen soms hoog op bij gemeenteraadsvergaderingen en demonstraties op straat. De vraag om te delen blijkt niet alleen voor volwassenen (soms) lastig te zijn.

Delen, spelen en rekenen

Kinderen leren in het leven ‘delen’. Delen van speelgoed, delen van snoepjes, delen van getallen in sommen. Veel kinderen groeien op met de gevleugelde uitspraak, ‘samen spelen, samen delen’.

Een pasgeboren kind deelt met ons het onvoorwaardelijk vertrouwen, dat wij als opvoeders er zijn om aan alle behoeften van het kind tegemoet te komen: eten, drinken, troost, warmte, liefde. Ouders delen soms zoveel uit na de geboorte van hun kindje, dat zij na een paar weken met donkere kringen onder hun ogen aangeven ‘moe te zijn en tijd nodig te hebben om zichzelf weer op te laden’. Gelukkig deelt het kind na ongeveer zes weken een glimlach met de ouders en dat maakt veel goed en doet ‘donkere kringen onder de ogen’ een beetje verminderen.

In de spelontwikkeling van het jonge kind kunnen wij zien dat zij langzaamaan groeien van ‘spel met mij zelf’ naar ‘spel naast elkaar’, naar ‘samenspel’, ‘fantasiespel’ tot uiteindelijk coöperatief spel waarin het niet gaat om winnen maar om samen rijker te worden van het gespeelde spel en de opgedane ervaring.

Tijdens een studiedag over rekenen met onderbouwleerkrachten en kleuterleerkrachten werd gesproken over het belang van de vroege
kindontwikkeling van 0 tot 7 jaar, in relatie tot rekenproblemen. Opvallend was met elkaar te concluderen dat met name ‘deelsommen’ voor veel kinderen lastig blijken te zijn. Tijdens deze studiedag werd besproken dat een kind dat rekent, vaardigheden in huis moet hebben om werkelijk te begrijpen wat het moet doen bij het rekenen. Het moet het rekenen kunnen ‘ grijpen, pakken’. Het kind moet ook een stevig innerlijk emotioneel fundament hebben om tot rekenen te kunnen komen.

Deze rubriek staat in het teken van Sint-Maarten en delen. De vaardigheden die een kind moet hebben om bij het rekenen tot delen te kunnen komen, zullen beschreven worden aan de hand van beelden uit het Sint-Maartenfeest.

Deelsommen

Voor het kunnen uitvoeren van delen en deelsommen maken moet een kind zichzelf kunnen sturen, actief en betrokken zijn, beweeglijk zijn, tot samenwerken en samenspelen kunnen komen, zich goed kunnen concentreren, met woorden de rekenopdracht kunnen verwoorden, het spel kunnen spelen dat past bij de leeftijd, motorisch goed kunnen bewegen passend bij de leeftijd én het kind moet uitgerust zijn. Wie moe is, komt minder tot bloei en groei dan iemand die uitgerust is.

De genoemde onderwerpen worden hieronder apart uitgewerkt.

Zichzelf kunnen sturen

Iemand die impulsief is of die emotioneel dichtklapt als er een vraag wordt gesteld, kan niet of moeilijk tot ‘delen’ komen. Martinus stond bij de poort en zag de bedelaar zitten. Hij kon handelen vanuit een diep menselijk meevoelen met een ander en bedenken wat hij kon doen. Zijn willen, voelen en denken werkten congruent samen.

Actief zijn

Martinus reed op zijn paard de wereld door. De kinderen trekken, lopend en zingend door weer en wind, de wereld in om het licht te schenken en misschien een geschenk(je) te ontvangen. Martinus en de kinderen zijn actief, zij bewegen, misschien zijn ze ook nieuwsgierig wie achter deze deur waar aangebeld is, woont en wat er geschonken wordt na het zingen van het lied. De mens die de deur opent voor de kinderen is ook in actie gekomen, namelijk van de bank opgestaan en heeft de voordeur geopend. En ook de mens die de voordeur opent, kent een zekere nieuwsgierigheid naar het lied, wie het lied zingen en hoe de knol of lantaren eruit zal zien.

Beweeglijkheid, wendbaarheid in het handelen, samenwerken en samenspelen

Martinus trok met zijn troep soldaten door het land. Het was al laat en de poorten zouden gaan sluiten, zo luidt het verhaal. De soldaten van Martinus hebben de bedelaar misschien ook zien zitten, maar zij kozen ervoor om door te rijden om op tijd binnen te zijn. Martinus stopte. Dit vraagt een beweeglijkheid in het denken, voelen en willen. Kan ik als mens afstappen van een plan dat ik wilde uitvoeren, kan ik mij aanpassen aan een nieuwe situatie?

Om tot samenspelen te komen, moet een kind een eigen binnenwereld hebben ontwikkeld waarin de spelbeelden die het wil spelen, kunnen klinken. Het kind moet ook een beleving hebben, dat het een individu is, een zelf, een ik. Werkelijk samenspel ontstaat daar waar twee ikken in wisselwerking en afstemming samen tot saam kunnen komen. Martinus deelde de helft van zijn mantel, hij gaf niet de hele mantel weg. In echte samenwerking en samenspel zijn de betrokkenen allen ‘warm en staat er niemand in de kou’. Niemand staat zonder een stuk van de warme mantel.

Goede concentratie

Martinus sneed zijn mantel met zijn zwaard doormidden. In veel kleuterklassen wordt het sintmaartenspelletje gespeeld. Met de grootste ernst wordt met een houten zwaard een mantel in twee ‘gesneden’. Natuurlijk ‘weten’ kleuters dat dit ‘net-als-of’ spel is. De twee mantelstukken zitten met een strikje of stukje klittenband aan elkaar vast. En toch, de concentratie die op het moment van ‘snijden’ getoond wordt, is met de grootst mogelijke ernst die menig kleuter ten toon kan spreiden. Delen is dus niet iets dat wij even ‘hup hup doen’, het vraagt goede concentratie.

In de media wordt gesproken over ‘het in jouw eigen huis opnemen van vluchtelingen’. De een is voor, de ander is tegen. Een goede afstemming of concentratie op de vraag die door de vluchtelingen of hulpverleners gesteld wordt, lijkt in deze discussie door te klinken. Maar ook: hoe geconcentreerd ben ik zelf op de vraag die gesteld wordt?

Een goede taalontwikkeling die past bij de leeftijd

De kinderen trekken met hun lichtjes al zingend van deur tot deur. Zingen ondersteunt de taalontwikkeling. Iemand die een zwakke taalontwikkeling heeft, heeft vaak moeite om de eigen innerlijke binnenwereld onder woorden te brengen en zo tot delen te komen van die innerlijke wereld met zichzelf maar ook met een ander.

De liederen die de kinderen bij het Sint-Maartenfeest zingen zijn rijk aan taal. In een lied klinkt bijvoorbeeld:

‘Sinte-Maarten had een mantel aan, e
n daar zat een gouden kantel aan,
hij was gevoerd met wit satijn,
het zal heel gauw Sinte- Maarten zijn’.

Soms vragen ouders wel eens waarom op de vrijeschool liederen worden gezongen met ‘ouderwetse taal’. Satijn, kantel… dat zijn geen alledaagse woorden meer.

Jonge kinderen, genieten van de klanken die in de taal verschijnen. Kinderen ervaren door deze ‘ouderwetse woorden’ een spel van klank en taal dat hen helpt om liefde voor het woord en voor taal te ontwikkelen. Zij ondergaan in deze ‘ouderwetse taal’ een proeven aan klanken, geschiedenis, vormen en bewegingen die onze taal mede opbouwt.

De liederen van Sint-Maarten lenen zich hier goed voor. Zo leert Sint-Maarten ons niet alleen in het beeld van het verhaal om te delen, maar helpt de rijkdom van de taal in de liederen de mensen ook om de taal als brug te laten groeien om de eigen gevoels- en gedachtewereld naar ‘buiten’ te brengen en tot ontmoeting met de ander te komen. Ook de taal helpt ons om te delen.

Spel spelen dat past bij de leeftijd

Het klinkt misschien wonderlijk, maar om later goed te kunnen rekenen, moet een kind in de kleuterleeftijd fantasie- en rollenspel hebben gespeeld. In fantasie- en rollenspel fungeert de taal die het kind gebruikt ook als brug tussen de eigen binnenwereld en de buitenwereld. Het kind oefent de eigen gedachtewereld onder woorden te brengen. Het kind treedt tijdens het spel buiten de ‘hier en nu wereld’, speelt in de ‘net-als-of-wereld’ en oefent daarmee samenhang aan te brengen in het spel en logisch te redeneren. In veel kleuterklassen en klas 1, 2 worden sintmaartenspelletjes gespeeld met de kinderen. De kinderen beelden zich een rol in, bijvoorbeeld de bedelaar, de poortwachter en vele rollen meer. Met elkaar wordt uit de losse rollen één spel gespeeld. Hierin beleven de kinderen dat het geheel meer is dan de optelsom van de losse delen (= de rollen) en dat iedere rol, groot of klein, nodig was om samen dit spel tot stand te brengen.

De motorische ontwikkeling moet ook passen bij de leeftijd van het kind

Door zich vrij in de omgeving te bewegen, ervaart het kind de verschillende ruimtelijke dimensies: boven, onder, achter, voor, links, rechts, schuin. Bij het Sint-Maartenfeest klinken in de liederen de ruimtelijke richtingen: Maarten reed door weer en wind, op zijn paard, bij de poort, aan de hemel flonkeren de sterren… Om tot delen te komen moet een kind ervaren hebben waar het zelf staat in de ruimte, in de wereld maar ook hoe het verankerd is in en met zichzelf. Hoe meer bewegingsruimte een kind ervaart, in letterlijke zin, hoe meer het in emotionele zin zal kunnen delen of juist een gezonde grens kan aangeven tot hoever het met delen wil gaan.

Het kind moet zich vitaal, uitgerust voelen

Om tot leren en ontwikkelen te komen, moet een kind uitgerust zijn. De wil om waar te nemen neemt af en ook het geheugen lijdt aan vermoeidheid.

De deelsommen in de onderbouwklassen worden beter gemaakt als je maag gevuld is en je lekker uitgerust bent. Om tot delen te komen, is het van belang dat het kind uitgerust is, vitaal is en overschotskrachten heeft

Aan de poort van Amiens zat 1600 jaar geleden een bedelaar

Aan de poorten van Europa staan in 2015 vele duizenden medemensen, groot en klein, te kloppen.

Aan onze poorten lijkt de vraag de klinken: Kan ik als wereldburger delen? Hoe groot is de mantel die ik door midden snijd? Kan ik diep in mijzelf het gevoel of de kracht van de medeverantwoordelijkheid ervaren? Kan ik werkelijk interesse opbrengen voor de wereld en al haar bewoners?

.(weet iemand wie dit gemaakt heeft?)

Loïs Eijgenraam

Dit artikel verscheen eerder in  VRIJE OPVOEDKUNST, herfst 2015.
Hier gepubliceerd met toestemming van de auteur.

.
Boeken van Loïs Eijgenraam

Praktijk voor ouderbegeleiding en opvoedingsondersteuning
website van Loïs Eijgenraam

 

Sint-Maarten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Sint-Maarten   jaartafel

Rekenen: delen en temperament

Rekenen: alle artikelen

.

1657

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – seizoenen – herfst (5)

VERBORGEN LICHTJES

Sint Maarten staat niet op zichzelf. Het donkerte jaargetijde wordt ingeluid door Michael, om via Martinus en Sint-Nicolaas uiteindelijk tot het kerstlicht te komen.
Hoe het u vergaat weet ik niet, maar ik word elk jaar weer verrast door het Michaelsfeest. Nog nazinderend van de zomer lukt het me nog net om de voorbereidingen te treffen. Het is alsof je met een schok wakker wordt; ongeveer het gevoel dat je hebt als je na het aflopen van de wekker nog even blijft liggen en dan ineens ziet dat het kwart voor acht is in plaats van kwart voor zeven. Je bent nog net op tijd op je werk, maar vraag niet hoe. Soms nog tijdens de dag zelf, maar anders in ieder geval in de dagen erna hoor je om je heen dezelfde geluiden: de plannen die we voor de zomer hadden, moeten nu maar eens worden uitgevoerd.
Voor een Michaelsfeest op school kunnen spelen en opdrachten die moed en slagvaar­digheid oproepen, worden gemaakt en be­dacht. Met mikspelletjes, zoals in zijn een­voudigste vorm de spijker op de kop slaan, boogschieten of het moeilijke speerwerpen, wordt gericht op het gestelde doel. Ook op­drachten en speurtochten waarbij de rich­ting en de goede weg zelf moeten worden ge­vonden en waarbij moeilijkheden worden overwonnen, vormen een goed motief voor zo’n feest.
Moeilijkheden de baas worden en zuiver­heid van richting en doel te pakken krijgen, is nodig om de draak te bestrijden. Nauw verweven met Michael is namelijk het beeld van de draak die zieltogend het onderspit zal delven. In veel verhalen is het de jonkvrouw die ten offer valt aan de draak, als een moe­deloos, berustend volk de kracht niet bezit om zich tegen deze donkere onheilsmacht te verweren. De kracht om nieuw leven te ba­ren, ontwikkelingskrachten te schenken, droogt dan op, wat tot uitdrukking komt in de opgedroogde bron of de verdorrende
ap­pelbomen in deze legendes.

Metamorfose
Van 29 september naar 11 november, het Sint-Maartensfeest, lijkt een hele sprong. Tijdens de uitvoering van al die gerijpte plannen, komt een feest waarin een heel an­dere stemming ontstaat. Toch is er een rela­tie te ontdekken. Deze reikt echter verder en wordt zichtbaar door de daaropvolgende feesten Sint-Nicolaas, advent en Kerstmis erbij te betrekken.
We kennen het verhaal van Sint-Maarten: een groep Romeinse soldaten komt voor de poort van de stad Amiens. De soldaten heb­ben een lange rit achter de rug en verlangen ongetwijfeld naar eten en een bed. Naast de poort zit een man, een bedelaar, half naakt en hongerig. Hoewel de kans klein is dat hij wat krijgt, vraagt hij toch om een aalmoes. Maarten wordt getroffen door de aanblik van deze mens. Hij houdt zijn paard in en trekt zijn zwaard. Hij snijdt zijn mantel doormidden en reikt de helft aan de bede­laar. Die nacht verschijnt Christus in zijn droom. Hij draagt het afgesneden stuk van de man­tel om zijn schouder en spreekt tot de enge­len die bij hem zijn: ‘Martinus, de onge­doopte, heeft mij met een kleed omhult.’ Maarten laat zich hierna dopen en stelt zijn leven in dienst van Christus.
Zoals Maarten deelde, moeten wij ook de­len. Het is de kunst om onze ideeën en plan­nen met anderen te delen, niet om hen voor onze plannen te winnen, maar om daadwer­kelijk te delen. Ook al worden de plannen dan anders dan wij hadden gedacht, of mis­schien wel juist daarom.
De kleinsten doen het ons voor, uiteraard in het gebied waar zij zich thuis voelen: de na­tuur. Een knol of grote winterpeen wordt uit­gehold. Van deze vrucht, tot wasdom geko­men in de donkere aarde, wordt de buiten­kant, de huid of schil, bewerkt zodat de uit­gesneden zon, maan en sterren transparant oplichten door het licht van het kaarsje dat er binnenin is geplaatst.
Wie ooit zelf als kind met zo’n lichtje langs de deuren van het dorp of de hele stadswijk heeft gelopen, kan zich – naast de pret – het bedelaarsgevoel dat je kreeg zodra er werd aangebeld nog levendig herinneren. Lopen met zo’n lichtje over straat is spannend en feestelijk, maar jezelf als arme tentoonstellen en zingend vragen om een appel of een peer is wel een hele drastische metamorfose van moed en besluitkracht. Toch komt het bij Sint-Maarten daarop aan. Uiterlijke kracht werkt in het sociale leven al­leen maar vruchtbaar in samenhang met in­nerlijke moed. Het liedje heeft in al zijn een­voud ook een verborgen wijsheid:

Vriend van verre landen
Dat wij hier met lichtjes lopen
is geen schande

Hier woont een rijk man
Die ons heel wat geven kan
Geef een appel of een peer
Komen we ’t hele jaar niet meer*

De rijke man kan van zijn oogst schenken aan de kinderen; een appel die met zijn ster­vormig hart en ronde vorm de verbinding met de hemel representeert of een peer die door zijn zwaar uithangende vorm en over­rijpe smaak meer met de aardse krachten is  verbonden. Tegelijkertijd wijst dat nog verborgen lichtje ons op het grote licht dat gaat komen. In de steeds donker wordende tijd van het
jaar kan ons dat tot troost zijn.

Kindervriend
In de daarop volgende adventstijd beleven we het korter worden van de dagen en de steeds lager staande zon. Het lijkt of de maan aan invloed wint en de zon zich terugtrekt. De eerste adventzondag (dit jaar** op 2 decem­ber) wordt volgens oud gebruik de eerste kaars van de adventskrans aangestoken. In Nederland lijkt deze eerste week overvleu­geld te worden door het feest van Sint-Nico­laas.
Van deze goede bisschop van Myra, een arabische stad, geeft de geschiedenis weinig of geen feiten. Er wordt zelfs getwijfeld of hij in de vierde of de zesde eeuw leefde. Pas na het jaar 1000 komen de legendes en verhalen over de beschermheilige van zeevaarders, jonkvrouwen en kinderen ook in de streken ten noorden van de Alpen voor. De goedheilig man brengt degenen die in moeilijkheden verkeren tot nieuw leven. Zo­als in het verhaal van de kindertjes die bij een slager om onderdak vragen, maar wreed worden weggestuurd. De slagersvrouw is echter belust op het geld dat ze bij zich zou­den hebben en biedt hen toch een slaap­plaats aan. Als zij en haar man ’s nachts ont­dekken dat er niets van rijkdom bij de arme wichten is te bespeuren, brengen ze de kin­deren om, hakken ze in stukjes om ze vervol­gens in een pastei te verwerken. Nicolaas in een droom gewaarschuwd door een engel, gaat naar de markt waar de vlees­waren liggen, slaat een kruis boven hen en brengt ze terug in het leven. Dit is een legende die ver af staat van de wijze waarop we thans het Sinterklaasfeest bele­ven. Sinterklaas heeft in deze moderne tijd een aantal feestaspecten die zowel eigentijds zijn als hun wortels in het verleden hebben. Overgebleven is in elk geval de kindervriend. Met Sinterklaas verras je de ander. Door het delen, het samen werken en leven, hebben wij elkaar zo goed leren kennen dat er ruimte is gekomen om de ander te verrassen. Eerst met een gedicht waarin we de ander een spiegel voor mogen houden, hem of haar iets van zichzelf mogen laten zien. Goedmoedig, vriendelijk en met humor, maar wel duide­lijk, glashelder. Als pleister op de wonde volgt dan een geschenk, met zorg en liefde voor de ander uitgekozen. Het is altijd weer spannend of je het gevoel van gewaardeerd worden kunt oproepen.

Edelsteen
Met Sint-Maarten krijgt ieder een geschenk dat hetzelfde is. Met Sint-Nicolaas is het juist de kunst iets persoonlijks voor ieder apart te vinden. Het gebaar is bij Michael doelge­richt, bij het Sint-Maartensfeest ontvangend en bij Sint-Nicolaas schenkend. In de weg van het licht door deze drie feesten is waar te nemen dat waar de uiterlijke zon afneemt -en niet alleen in het kinderlied ‘Zie de maan schijnt door de bomen’ – de invloed van de nacht toeneemt en het licht binnen juist aan kracht wint.
Tijdens de adventstijd bereiden wij ons voor op de komst van het Zonnekind. Het is een tijd van bezinning; hoe werken de uitgevoer­de plannen, zijn ze in overeenstemming met onze idealen of moeten ze meer doorwarmd, meer doorlicht worden? Uiterlijk wordt die voorbereiding zichtbaar door de kerststal. Op de eerste adventzon­dag: wordt een tafel met behulp van mooie stenen en hout een landschap gemaakt met daarop het stalletje. De weg er naar toe voert langs edelstenen en Jozef en Maria komen met hun ezeltje elke dag een beetje dichterbij.
Op de tweede adventzondag wordt de tafel versierd met bloemen. Het is elk jaar weer een feest om te zien hoe kleurrijk het geheel daar van wordt.
Op de derde adventzondag verschijnen de schapen en de os in de stal; ook de dierenwe­reld bereidt zich voor. Tenslotte komen op de vierde adventzondag de herders. Als dan ook nog de kerstboom in huis wordt gehaald, versierd met kaarsen, tekens en dertig rode en drie witte rozen, is alles klaar om het Kind te ontvangen.

(Marcel de Leuw, Jonas 5, **02-11-1990)

*dit liedje begint zo: Sint Martinus Bisschop
roem van alle landen (vriend is een variatie geworden, evenals ‘komt uit verre’)

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (24)

.

(Hans ter Beek, nadere gegevens ontbreken)
.

DE NEGEN FEESTEN VAN HET JAAR – HEMELVAART – PINKSTEREN
.

Hemelvaart, Pinksteren en St.-Jan zijn in deze beschouwingen de feesten van de geest genoemd.
Wat een grote tegenstelling ervaart men tussen Pinkste­ren en bv. St.-Maarten. Met St.- Maarten maken de kinderen een lantaarntje van een knol (koolraap, suikerbiet, peen), dus van dat deel van de plant dat tot het wortelgebied behoort (de kalebas en de pompoen worden ook wel gebruikt, maar dat zijn vruchten en horen in een ander gebied thuis, hetgeen ook te merken is als men ze uitholt).

Met Pinksteren zijn het juist de bloesems van de bomen die het feest zijn wonderlijke lichtheid geven. Men koos vroeger in de dorpsgemeenschappen de schone of fiere pinksterbloem; dat was het mooiste meisje van dat jaar: 14 jaar oud en nog ongerept, zoals de bloesems aan de bomen dat ook nog zijn nadat ze net zijn ontloken. Verder was er een pinksterboom, die ook wel meiboom kon heten; de tere blaadjes waren ook nog maar net open gegaan, zoals dat begin mei het geval is.

Vaak ook werd deze boom speciaal geplant. In voorchristelijke tijden gebeurde dit in de nacht van 30 april op 1 mei. In de Germaanse mythologie die we in de 4e klas vertellen wordt het winterrijk van Uller, de jager op ski’s, afgelost door het zomerrijk van Odin, die 7 maanden het bewind aan Uller had overgelaten. Dat werd uitgebreid gevierd met een grote optocht, de Mei-rit. De met bloemen bedekte Meikoning (Odin) wierp bloesems naar Uller, die gekleed was in bont en pelzen, en joeg hem tenslotte op de vlucht.

Nu gaat het er niet om deze gebeurtenissen weer opnieuw tot leven te wekken, maar wat belangrijk is, is dat het beelden zijn die tot ons spreken. En vooral is het van belang te weten dat al die voorchristelijke feesten verchristelijkt zijn. Op school, en dan vooral in de kleuterklas en in de onderbouw, laten we deze beelden voor zich spreken. We kiezen dan ook een pinksterbruid, maar eveneens een pinksterbruidegom. We planten de mei- of pinksterboom en we vieren aldus Pinksteren, een christelijk feest dat direct via Hemelvaartsdag met Pasen is verbonden.

‘Toen de dag van het pinksterfeest was aangebroken, waren ze allen op één plaats bijeen’  (Handelingen 2:1).

Deze inleidende zin heeft in wezen een veel diepere betekenis dan je zo oppervlakkig zou denken. Het belangrijkste woord is ‘ALLEN’. Waar het om gaat is:  ‘ze waren allen op één plaats bijeen.’ Dat wil zeggen dat we Pinksteren alleen maar kunnen vieren als we met ons allen op één plaats bij elkaar zijn. Waar? Wel, buiten rond de pinksterboom.

‘Eensklaps kwam er een geruis uit de hemel als van een hevige windvlaag, en vulde het hele huis, waarin ze waren vergaderd. Vurige tongen verschenen hun, spreidden zich rond, en zetten zich op ieder van hen neer. Allen werden vervuld van de Heiligen Geest, en begonnen verschillende talen te spreken, naar gelang de Geest hen liet spreken’ (Handelingen 2:2-4).

Waar het in het leven om gaat, dat is om de Heilige Geest te ervaren. Dat is het innerlijke vuur waarmee we bergen kunnen verzetten. Uiteindelijk is die knol onder de grond, waarvan we ons lantaarntje maken, gegroeid uit een zaadje, en dat zaadje groeit op die plaats waar in deze tijd van het jaar de bloesems zich bevinden. Maar tevens is die ondergrondse wortelknol een opgehoopte hoeveelheid voedsel waar straks, na de winter, uit deze plant een prachtige bloem zal ontluiken.

Een bloem of een bloesem is echter zo teer, dat ze haast niet te grijpen en nog minder te begrijpen is. Het is een teer wonder, een fysieke openbaring van de geest. Terwijl de schoonheid van de knol pas echt zichtbaar wordt als er binnenin een lichtje brandt dat de schil doorschijnend maakt, is de bloem een en al schoonheid, en wil ogenblikkelijk geplukt worden (enige terughouding is vaak wel gewenst). In het beeld uit de Germaanse mythologie zien we dat Odin ook als maar bloesem werpt op de wintergod Uller. En de godin van de lente (en liefde) Freya rijdt in een door poezen getrokken wagen, die evenals Freya zelf, geheel met bloesem versierd is.

In de rij van 9 feesten is St.-Maarten het 2e feest en Pinksteren het 2e feest van achteren. Zo is ook Sinterklaas het 3e feest en Hemelvaart het 3e feest van achteren. Dit is niet zonder betekenis:

pinksteren

De feesten die hierboven naast elkaar staan zijn door een onzichtbare band, maar juist in hun tegenstelling verbonden.

St.-Maarten was het feest van de verbreiding van het Christendom (het brengen van het licht); Pinksteren is het zich verenigd voelen van allen aan wie het evangelie (dat is de Blijde Boodschap) is gebracht. Pinksteren is het feest van de gemeenschap. Allen die tot de gemeenschap behoren voelen zich verbonden.

Sinterklaas was het feest van het lot: het geschenk in de schoen geeft een nieuwe wending aan je levensweg. Tegenover Sinterklaas staat Hemelvaart. Hemelvaart is het feest van de innerlijke leegte, die gevuld moet worden door jezelf.

‘Toen leidde Hij hen naar Betanië, hief zijn handen op, en zegende hen. En terwijl Hij ze zegende, scheidde Hij van hen, en werd opgenomen ter hemel.

Ze aanbaden Hem, en keerden met grote blijdschap naar Jerusalem terug. En onafgebroken bleven ze God verheerlijken in de tempel  (Lukas 24:50-53).

Een gebruik was en is het weer aan het worden dat je op Hemelvaartdag gaat dauwtrappen. Vóór zonsop­gang sta je op, en gaat wandelen in de natuur. Dauw is iets anders dan regen. Het is hemelse substantie die op geheimzinnige wijze op aarde verschijnt. We lezen hierover deze wonderlijke passage in het scheppingsverhaal:

‘Ten tijde dat de Here God aarde en hemel maakte – er was nog geen enkel veldgewas op de aarde, en er was nog geen enkel kruid des velds uitgesproten, want de Here God had het niet op de aarde doen regenen, en er was geen mens om de aardbodem te bewerken; maar een damp steeg op uit de aarde en bevochtig­de de gehele aardbodem – toen formeerde de Here God de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen (Genesis 2: 5-7).

Ook in de Germaanse mythologie is het beeld van de dauw, in dit scheppingsvers uit de Edda:

Eeuwig groen staat bij de bron ürd
Yggdrasil, de es.
Hemelhoog heft hij zich
tot waar lichte nevels hem onthullen.
Daar ontstaat de dauw
die in de dalen druipt.

Hoe nu het feest te vieren?

Alle meisjes verkleed als pinksterbruid (zij zijn de bruid van de hemelse bruidegom), alle jongens als pinksterbruidegom – zij moeten op dit feest de hemelse bruidegom op aarde vertegenwoordigen. In een lange stoet, hand in hand (let op de tegenstel­ling met St.-Maarten!), jongen meisje afgewisseld – als dit ten minste mogelijk is – slingert men naar het centrale punt: de pinksterboom. En daar maakt men een kring en zingt en speelt:

‘Hier is onze fiere pinksterblom’

Vele malen kan men dit herhalen. Ook andere dansen zijn denkbaar. Maar alles moet vrolijk, luchtig en kleurig zijn. De bloesems en slingers liefst van crêpe-papier, zelfgemaakt, zodat we de dagen ervoor ook makend bezig zijn. Tot slot nog een (hemel-) poort waar iedereen na het dansen doorheen gaat, en wat een duidelijk ‘de-wereld-in-gaan’ is.

Prachtig – voor hogere klassen en vanzelfsprekend voor het ouderkoor en voor de bovenbouw is de vijfstemmige canon SANCTUS van Jacobus Clemens non Papa.
Eén woord karakteriseert aldus het pinksterfeest, zoals dat ook met Pasen en Kerstmis is:
Pinksteren  : Sanctus.
Pasen           : Hallelujah.
Kerstmis     : Gloria.

Nog een enkel woord over de luilak: Hij/zij is degene die het allemaal niet meemaakt, omdat hij zijn aardse lichaam niet met de geest kan doordrin­gen en lui blijft slapen, een gevaar van onze tijd!

Luilak
[OP DE ZATERDAG VOOR PINKSTEREN]

De zaterdag voor Pinksteren wordt dit feest gevierd: degene die het laatst kwam werd bespot. Tegenwoordig is het – in die plaatsen waar Luilak nog wordt gevierd – een soort nachtbraken en rellenschopperij.

.

Pinksterenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

.

565-518

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.