Tagarchief: Pinksteren

VRIJESCHOOL – Hemelvaart (29)

.

JAARFEESTEN – HEMELVAART

Loïs Eijgenraam, Vrfije Opvoedkunst, lente 2017

.

Donderdag 30 mei* is het Hemelvaart.

40 dagen na Pasen en 10 dagen voor Pinksteren. Mei. Waar de naam ‘mei’ vandaan komt is niet eenduidig te verklaren. Volgens sommige etymologen is ‘mei’ afgeleid van het Latijnse woord ‘Majus’ en ‘Magnus’ dat ‘groot’ betekent. De maand mei zou dan verwijzen naar de periode in het jaar waarin de natuur groot en groots wordt.
Ook zou de naam ‘mei’ afgeleid kunnen zijn van Maia, de moeder van de Romeinse god Mercurius. In een Vlaams gedicht wordt dit beschreven:

Mijnen naem gaf ’t heydens volk,
Naer Maia de godin van allerlei gewas.

De Romeinen vierden in het voorjaar verschillende feesten. Aan het begin van de meimaand vierden zij het bloesemfeest, Floralia. Andere namen voor de meimaand zijn; vrouwenmaand, Mariamaand, bloeimaand, bloemenmaand (in het Fries Blommenmoanne) en wonnemaand. Wonnen betekent in het oud-Germaans ‘vreugde’.
Door de kerstening kreeg de maand Mei haar naam ter ere van de Germaanse Godin, Freya. Zo zou een heidense viering uit de Germaanse tijd overgegaan zijn tot een christelijke viering.

In het zuiden van Nederland en België werden op vele plaatsen kleine kapellen en kapelletjes aangebracht langs wegen, oude boerderijen, bij huizen en oude, grote bomen. In de meimaand werden deze kapelletjes mooi versierd met bloemen en werden processie-optochten gehouden. Tijdens de processie werd bij ieder kapelletje dat men tegen kwam, stil gestaan, bloemen neergelegd, gebeden en gezongen.

Waar men ga langs Vlaamse wegen,
Oude hoeven, huis of stronk,

Komt men u, Maria tegen,
Staat uw beeltenis te pronk

Walpurgisnacht

De eerste meinacht is een wonderlijke nacht. De Germanen vierden van 30 april op 1 mei de heksensabbat. Men geloofde dat katten en heksen op bezemstelen en mestvorken door de lucht vlogen. Het was, volgens een oud bijgeloof, een nacht waarin de hemel luikjes open deed en een stukje van de niet zichtbare wereld even zichtbaar werd. In berkenbomen zijn soms ‘heksenbezems’ (vorm van woekeringen) zichtbaar. Volgens een oud bijgeloof zijn deze vergroeiingen in berkenbomen de plaatsen waar de rondvliegende heks met haar bezem in een boom terecht is gekomen. Deze vergroeiingen worden daarom ook wel ‘heksenbezems’ genoemd.

Twijgjes die de toekomst voorspellen…

In Luik was het een oud gebruik dat meisjes in de Walpurgisnacht drie twijgen van gelijke grootte plantten. Elke twijgje werd omwonden met een kleur draad: het zwarte draadje betekende dat ze niet zou trouwen, het rode draadje dat zij zou trouwen met de jongen naar haar keuze en het groene draadje dat er hoop was op een geliefde. De twijg die het hoogst groeide werd beschouwd als een voorteken hoe de toekomst mogelijk er uit zou komen te zien.

Vuur

Bij verschillende jaarfeesten door het jaar heen, worden vuren aangestoken. Paasvuren zijn algemeen bekend gebleven in Europa. De traditie vuren te stoken, zou zijn oorsprong hebben in de Germaanse tijd. Ook aan het begin van het voorjaar kenden de Germanen de traditie vuren te stoken. Op de eerste mei-avond organiseerden de Germanen vreugdefeesten met grote vuren. Offers van fris lentegroen werden ter ere van Wodan ontstoken. Volgens de Germanen was Wodan op de eerste dag van de meimaand teruggekeerd van zijn huwelijksreis.
Er werd gedanst, gezongen en feestgevierd.
Op Texel is het nog steeds een gewoonte op 30 april een lentevuur te ontsteken, de ‘meierblis’. Wekenlang verzamelen kinderen brandbaar materiaal. Op 30 april wordt het vuur op 70 plaatsen op Texel aangestoken. Kinderen krijgen aardappels aan ijzerdraad geregen om deze bij het vuur te poffen. Gezichten worden met roet geschminkt. De meierblis – blis is op Texel het woord voor vuur – is een vreugdevuur waarmee de komst van het licht en de lente worden gevierd.

Meibruid

Bij de Germanen werd de Mei ook gevierd door jonge meisjes als ware lente-bloemen-bruiden te versieren. Deze meisjes werden de Meibruid, Meilief of Meikoningin genoemd. In deze gebruiken zien wij ook beelden, gebruiken en tradities terug zoals deze met Pinksteren op veel vrijescholen worden gevierd: de meibruid, pinksterbruid en bruidegom.

Meiboom

In verschillende streken in België en Nederland was het eeuwenlang traditie dat jongens hun meibruid kozen. ’ Deze jongens of jonge mannen werden ‘de meigraaf’ genoemd. Een van de taken van de meigraaf was een meiboom te planten. De meigraaf deed dit samen met andere leden die deel uitmaakten van zijn mei-graven-gilde. We zouden ook kunnen zeggen van zijn mei-graven-vereniging. Bij het planten van de meiboom werden liederen gezongen en werd er gedanst. Tijdens dit dans- en zangfeest koos de meigraaf een meisje uit, dat hij een loverkrans omhing als teken van liefde. Een oud liedje herinnert daar nog aan:

Ik heb een meitak in mijn hand Aan wie zal ik hem geven
Aan wie het dichtste bij mij staat zal ik die meitak geven
Dan schone vrouw, geef mij die hand van jou
De meitak is voor jou, dag meivrouw.

Een kringspel dat nu nog steeds in veel kleuterklassen wordt gespeeld.

De meiboom is in de Germaanse lentefeesten een beeld voor de vruchtbaarheid van mens, dier en akkerland.

Bij huizen van rijken en kastelen van vorsten werden in de meimaand bomen geplant ter ere van de vruchtbaarheid. Later werd het boomplanten ook een gebruik voor ‘de gewone’ man. In Nederland groeide dit uit tot ‘de landelijke boomfeestdag’. Kinderen van lagere scholen worden ieder jaar uitgenodigd bomen te planten in hun eigen woonplaats. Een traditie die haar oorsprong heeft in lang vervlogen tijden.

Zo zijn we na een rondreis door de geschiedenis aangekomen bij de meimaand anno nu.

In mei is de aarde getooid als een ware bruid. Een wonder dat zich ieder jaar weer voltrekt; geen jaar slaat Moeder Aarde of Maia over! Bomen en struiken vieren het lenteleven met prachtige, zoet ruikende bloesems. Het lijken wel bruidsboeketten die verspreid over tuinen, parken en langs weilanden op ons liggen te wachten om gezien en opgepakt te worden. Overal zijn bloesems en bloeiende bloemen die bezocht worden door insecten zoals bijen en vlinders, opdat bevruchting plaats kan vinden.

Hemelvaart

De bloesempracht is teer en kwetsbaar. Eén regenbui of harde windvlaag tovert een bloesemconfetti tevoorschijn. De aarde wordt bedekt met een vacht van witte en lichtroze bloesemsneeuw. In deze meimaand vieren wij ook het Hemelvaartfeest, 40 dagen na Pasen.

De leerlingen hebben zich na het sterven en de opstanding van Christus met Hem teruggetrokken om samen te zijn om door Hem onderwezen te worden. Na 40 dagen vindt een groot wonder plaats. In het evangelie lezen wij dat Hij opgenomen werd in het hemel-zijn. En ‘een wolk nam hem op en onttrok hem aan hun ogen’. Handelingen der apostelen 1:9. Christus werd door een wolk opgenomen.
Rudolf Steiner beschrijft in voordrachten, dat Christus niet verdween maar verwijdde. Zijn lichaam was niet meer een lichaam van de aarde maar een hemellichaam. Een lichaam dat zo groot kon worden, dat het als een mantel van Liefde om de hele aarde, in de etherwereld van de aarde, opgenomen werd. Christus is vanaf Hemelvaart voor alle mensen over de hele aarde aanwezig en voelbaar in deze etherische wereld. Met Hemelvaart kunnen wij dit beleven als wij in de vroege ochtend erop uittrekken. De aarde is gehuld in dichte nevels. De Zon, als beeld van het warme Christushart, verwarmt de aarde. De natuur leeft ons voor hoe vanuit de elementen een huwelijk tussen hemel en aarde gevierd wordt: de leeuwerik danst tussen hemel en aarde en laat van zich horen. Bijen en andere insecten vliegen af en aan om alle bloesems te bevruchten net zoals ook de mens innerlijk bevrucht kan worden.
Emil Bock beschrijft dit op een fijnzinnige wijze in onderstaand gedicht:

Hemelvaart

Ontluik gij Christen die bevroren zijt
want Mei staat voor de deur,
voorwaar gij blijjt voor eeuwig dood
bloeit gij niet nu en hier.

(Emil Bock)

Mens bloei! Hoe kunnen wij als mensen bloeien?
De meimaand nodigt ons uit ons hart te openen, opdat deze met de Geest bevrucht kan worden. Een bevruchting waaruit rijpe, medemenselijke levens-vruchten groeien: liefde, saamhorigheid, verbinding, eerbied, respect.

*Het oorspronkelijke artikel uit 2017 heeft 25 mei.

Gepubliceerd met toestemming van de auteur.
.

Boeken van de auteur

Website Loïs Eijgenraam

School voor antroposofische kinderopvang

.

Pinksterenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

.

1825

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (12)

.

VAN HEMELVAART TOT PINKSTEREN

Doe open nu het duivenhuis
De duifjes vliegen er vrolijk uit.
Ze vliegen uit met brede vlucht en zweven in de blauwe lucht.
Maar keren ze weer van ‘t vliegen moe,
dan sluiten we zacht het duivenhuis toe.
Roe-koe-roe-koe , roe-koe-roe-koe .

                                                                                                                                (Pinksterliedje)

Zo vanzelfsprekend als Kerstmis en Pasen een feest zijn, zo ver lijkt het feest van Pinksteren van ons weg te staan. Bij vele mensen wordt het totaal niet meer gevierd, en wordt het woordje Pinksteren alleen een synoniem voor “enkele dagen vakantie”.

Pinksteren en Hemelvaart zijn voor vele mensen ongrijpbaar. Vaag weten ze nog dat het een feest is over verrijzenis en over de opgang naar de hemel van de Jesusfiguur.    Om wat meer te weten te komen over de He­melvaart en over Pinksteren moet je beginnen te zoeken bij het begin: n.l. bij het fysieke leven en dood van de Jezusfiguur.

In het begin van de Handelingen der Apostelen wordt de Hemelvaart van Christus beschreven: Christus spreekt daar tot zijn leerlingen: “Gij kunt nog niet de tijden en beslissende ogenblikken kennen, die de Vader door zijn scheppingsmacht geordend heeft. Maar gij zult de kracht van de H. Geest ontvangen, die op u neerdaalt. En gij zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot aan de uiterste grenzen der aarde. En terwijl hij dit zeide, werd hij voor hun ogen opgenomen; een wolk nam hem op en onttrok hem aan hun ogen. En toen zij nog opzagen naar de hemel, terwijl hij heenging, zie, twee mannen in witte kleedren stonden bij hen en zeiden: Gij mannen uit Galilea, waarom staat gij daar en ziet op naar de hemel. Deze Jezus, die van u opgenomen is ten hemel, zal komen zoals gij hem ten hemel hebt zien varen.”

Jezus verdwijnt op een wolk voor de ogen van zijn apostelen. Dan breekt er een moment aan voor hen dat ze zich nog verslagener voelen dan voordien bij zijn dood. Zij voelen zich eenzaam en achtergelaten. Hun bewustzijn reikt niet zo hoog dat ze het wonder als bij toverslag kunnen vatten.

Tien dagen nadien, krijgen ze echter terug een ontmoeting met de Christusfiguur, en daar worden ze gedoopt. Deze keer geen fysieke doop zoals bij onze borelingen, maar een geestelijke doop. Zij krij­gen de ontvangenis van de H. Geest. Vanaf die dag kan het ‘ik’, het bewustzijn van de mensen langzaam gaan groeien. Het wonderlijke in deze gebeurtenis kan men sterk ervaren, wanneer men beseft dat die geestelijke krachten van de H.Geest niet alleen over de apostelen nederdaalde maar over de gehele mensheid, waardoor er een zeer belang­rijke mensheidsontwikkeling tot stand kwam.

Het Evangelie eindigt met de Openbaring van Johannes. Johannes, die een grote helderziende was met een verruimd bewustzijn, schouwt op het eiland Patmos de wedergeboorte van de etherische Christus. De Christus verlaat de aarde met Hemelvaart niet. Maar verbindt zich met het etherische dat in en rond de aarde leeft. Wij kunnen hem als het ware dag en nacht in-ademen. De wolk is een etherisch element bij uitstek. Het stromende water verdampt, stijgt op ten hemel en vormt een wolk. De wolk daalt als dauw en regen terug naar de aarde. De wolk is zichtbaar met onze zintuigen, doch hoe dichter men ze nadert, hoe minder men ze fysiek aanschouwt.

De planten krijgen met hun wortels dit wolkensap en geven het door aan blad en vrucht. Rivieren en stromen zwellen weer door het vallende wolkenwater. Er ontstaat een geven en een nemen, een lemniscaatbeweging, een huwelijksritueel tussen kosmos en onze levende aarde. Daar waar geen water valt, treedt de dood op.

Als we ons met Hemelvaart in de eerste plaats verbinden met dit won­der: n.l. de geboorte van de etherische Christus, dan worden we ver­vuld met dankbaarheid. Al wat op aarde tot leven verwekt wordt, wordt doorstroomd met het Christuselement. In onze natuur gaan alle bomen en bloemen zich in bruiloftskledij sieren. Bloesems springen open en de knoppen ontplooien zich en barsten open tot bloem. Vreemde vogels zingen liederen die we nooit voordien hoorden, en die we elk jaar weer vergeten waren, hoe mooi ze wel waren. De witte duif, een steeds weerkerend symbool. In liederen en gebeden werd er van hem en zijn zeven gaven gesproken.

Wijsheid was de mooiste

Ook bij de ondergang van de aarde, waarbij Noach en zijn uitverkorenen gespaard bleven, werd een witte duif eropuit gestuurd om te kijken of er reeds land in zicht was. De duif kwam weder met laurier en kondigde ‘de wedergeboorte aan. Ook onze vredesduif zou een boodschap moeten zijn voor iedereen die met Kerstmis heeft gezongen: ‘Vrede op aarde, aan alle mensen, die van goede wil zijn.

Het feest is weliswaar te abstract om aan kleine kinderen duidelijk te maken. Doch men kiest dan verhalen met zon grote beeldentaal dat er over die kinderzieltjes toch iets van Pinksteren kan nederdalen:
Assepoester, De drie talen, De kristallen bol, De witte en de zwarte bruid. [1]
Bv. het sprookje van de zeekoning en Wassilissa, de dertiende duif. Het is een zuiver pinkstersprookje, het zuiverste dat in Midden-Europa verteld is. Daarmee geeft men dan aan de kinderen het waarheidsbeeld van het toekomstig geestelijke, waarvan het Evangelie spreekt, toen de Geest op de twaalfde en de in hun midden vertoevende dertiende neder­daalde – een waarheidsbeeld voor het inzicht, dat ieder mens op de Johannesfiguur kan lijken en de alomvattende zielenwijsheid van de duif kan verkrijgen, waarvan Maria het levende oerbeeld is.

Overigens, nu als volwassene, moet ik dit zeggen – is het misschien juist belangrijk, dat Pinksteren niet geheel door het kind ‘begrepen’ wordt. Als we zelf willen weten, wat er gebeurd is en dit gebeuren ons eigen maken tot een altijd durende zekerheid, dan beleeft het kind het feest door ons. Door onze houding en onze vervulling krijgt het feest gestalte voor het kind.

In de kleuterschool vieren we natuurlijk wel Pinksteren: nl. de pinksterbruid en -bruidegom :

Hier is onze fiere Pinksterblom
En ik zou hem zo graag eens wezen.
Met zijn mooie kransen op het hoofd en met zijn rinkelende bellen.
Recht is recht,
Krom is krom.
Gelieve wat te geven aan de fiere Pinksterblom,
want de fiere Pinksterblom moet voort.

Luilak,- beddezak
staat om 9 uren op
Negen uren, half tien:
dan kan men de luilak zien.

Ons kinderfeest is het bruiloftsfeest, verwekt door onze levende natuur. Elke hereniging tussen geest en aarde leidt tot bevruchting. Elke bevruchting brengt een wedergeboorte tot stand. Elke wedergeboorte is een ontwikkeling, een stap verder naar het (hopelijk)  ‘goede’.

Kleuters van ongeveer zes en een half jaar verlaten hun kleuterwereld en worden dan pas ‘echt geboren. Ze stoten de tandjes van hun erfelijkheid uit en vormen hun eigen blijvende gebit. Ze zijn doorheen kinderziekten gekomen met een eigen identiteit. En voor ’t eerst gaan ze echt ‘denken’. Niet het herinneren, het associëren, maar het echte, abstracte wakkere denken, waardoor ze in staat zijn om leerstof te gaan opnemen.

Deze oude pinksterliederen waren oorspronkelijk vruchtbaarheidsliederen en zij steken vol symboliek:
– rinkelende bellen : daar slaap je niet van, daar word je juist door ‘gewekt’ zoals Doornroosje na haar 100-jarige slaap.
– Luilak, beddezak: ook een verwijzing naar het wakkere denken en naar het ontwaken van ons hoger ‘ik of ons hoger bewustzijn.
– de duifjes: is een vogel die ons een beeld geeft van het opstijgende, hetgeen naar de hemel gericht is.
– Het wit van de duif en het witte van de pinksterkledij: beeld van het maagdelijke, en het reine, ’t onbezoedelde. Wit is de kleur met de grootste verbondenheid met het geestelijke. Vandaar de witte rouwkledij bij sommige Oosterse volkeren.

Bronnen : – Hoe vieren we jaarfeesten met kinderen, van Friedel Lenz
Meer

.

[1] In het oorspronkelijke artikel stond dit niet, wel dit: Bv. het sprookje van de zeekoning en Wassilissa, de dertiende duif. Het is een zuiver pinkstersprookje, het zuiverste dat in Midden-Europa verteld is.
Maar het Russische sprookje is met deze omschrijving niet te vinden. Er bestaat een sprookje met de naam: ‘De tsaar van de zee en Wassilissa de Wijze’, maar daarin komen geen dertien duiven voor (wel twaalf zwanen). Wat het pinkstermotief zou moeten zijn, is onduidelijk

Bron: onbekend

 

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

161-153

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – rond Pasen

.

Twee feesten rond Pasen

Net als Pasen vieren we Pinksteren elk jaar op een andere datum, maar altijd op een zondag, 10 dagen na Hemelvaart.

Even bewegelijk verandert elk jaar weer de datum van Aswoensdag, zo’n 40 dagen vóór Pasen. Net daarvoor vieren we dan carnaval.

Twee feesten die mee-bewegen en twee feesten die 40 dagen van Pasen zijn verwijderd. Zouden beide feesten een samenhang hebben?

Het Pinksterfeest begint eigenlijk met “Luilak” (1 dag voor Pinksteren).

schema

Carnaval was een feest, waarbij men onwetend de erfelijke stroom voortzette. Hierbij speelde het onbewustzijn een rol.

Het specifieke karakter van “de reus” kan dit goed uitbeelden en deze wordt op carnaval nog steeds bezongen in het liedje:

Als de grote klokke luidt, de reus die komt uit.”

Maria spreekt echter heel anders erover, nl.: “Hoe zal dat wezen, daar ik geen man en bekenne?”
Dan is de bevruchting nog een tempelviering, geleid door ingewijde priesters. Later vervalt deze viering in een dronken daad met een niet herkenbaar, gemaskerd persoon.

Carnaval wordt gevolgd door een louteringstijd. Dan volgen de herdenkingen van de kruisdood van Christus. Zijn 40 dagen durende geestelijk-fysieke opstanding en Zijn verdwijnen uit de directe waarneembaarheid.

En dan Pinksteren. Ook van oorsprong een tempelviering, maar één, waarbij een zich door scholing gelouterd mens in een doodsslaap werd gebracht en weer werd teruggehaald in de aardse werkelijkheid, echter dan begiftigd met helderziende vermogens. Deze persoon werd “Luilak” genoemd en als pinksterbruid gevierd. Een merkwaardige polariteit wordt hier zichtbaar bij de twee feesten die zo sterk aan het paasfeest zijn gebonden. Twee keer wordt de bruid bevrucht.

Eén keer onbewust op lichamelijk niveau en één keer bewust op geestelijk niveau.

Het pinksterfeest
Het Pinksterfeest valt in een tijd, dat de kinderen onder invloed staan van de zich ompolende natuur buiten en in zich (zie schema jaarverloop). De natuur trekt de kinderen in de waarneming en bewegelijkheid. Zonder teugels, die hen bijsturen en richten, bestaat de neiging om op hol te slaan en zich chaotisch en impulsief uit te leven. Het traditionele Pinksterfeest kan dit patroon op feestelijke wijze ombuigen.

Luilak
De zaterdag voor Pinksteren wordt “luilak” gevierd. Er wordt dan voor dag en dauw opgestaan om langzaam in de toenemende helderheid van de beginnende dag mee “wakker” te worden. Het feestelijk geklingel van zilveren belletjes (verbasterd tot de huidige blikjes) helpt daarbij.

Gezamenlijk trekt men dan op blote voeten de natuur in. Die blote voeten mogen (soms maar even) de betrokkenheid met de oplevende natuur vergroten. De frisse dauw en het kriebelende groen zullen meestal tot een verwarmend huppelen verleiden en wat krijg je dan: ogen op steeltjes!

Pinkstertak
Wakker worden en ritmisch bewegen doen ze al vaak van zich uit, dus sluit je slechts aan bij het natuurlijk gebeuren en neem je die ochtend alleen iedereen mee in dit proces. Nu het richten. Van te voren wordt verteld, dat ze deze ochtend bloemen mogen plukken voor hun allerliefste(n). Dat kan bijv. moeder, vader, oma, opa, vriendinnetje of vriendje zijn. Maar!

Je gaat alleen die bloemen plukken, die bij je allerliefste passen! Je spreekt de kinderen zo aan, hun verworvenheden uit de rustige jaarhelft zinvol toe te passen. Ze moeten kiezen wie hun allerliefste(n) is of zijn én overdenken wat nu bij die mens(en) past. Ook moeten ze heel gericht om zich heen gaan kijken en selectief gaan plukken. Ter bekroning van deze ochtend wordt de uitverkorene bezocht en het veldboeket plechtig gegeven. De gehuldigde zet deze “eer”konde zeer opzichtig neer. Hier oefenen de kinderen iets, wat bij een echte verliefdheid al spontaan gebeurt, nl. het goede in de ander zien en waarderen. (Vroeger plukte men vaak een tak met bloemen, die aan de deur van het liefje werd bevestigd.)

Pinksterkransen 
De rest van de dag voor Pinksteren worden bloemenkransen gemaakt. Ieder kind gaat dan voor zichzelf en van papier de krans naar eigen keuze maken. Maar wat past er nu bij jezelf? Voor de meeste kinderen vormt dit géén probleem, maar kunnen ze dat maken? Het kan een waar vouw- en knipfeest worden, waar veel uitwisseling van vaardigheden bij komt kijken. Dan, als iedereen een zelfgemaakte bloemenkrans op het hoofd heeft, wordt gezamenlijk gewerkt aan de bloemenkrans voor de pinksterbruid. Ook wordt dan de papieren mantel met belletjes gemaakt. Wie zal het worden, morgen?

Pinksterbruid
Nadat men een ander en zichzelf heeft gehuldigd is er een zeker evenwicht ontstaan. De krans voor de pinksterbruid verbindt tenslotte allen in een gezamenlijk werkstuk.

En één kind mag die band tussen allen gaan vertolken.

Vroeger werd de pinksterbruid vaak al op luilakdag zelf gekozen, want die dag werden alle vuren in de haarden gedoofd.

De pinksterbruid mocht dan een nieuw vuur ritueel ontsteken (met vuurstenen en later direct aan de zon door een brandglas). Iedereen kreeg daarna een brandende spaan van dit vuur voor hun haard en die werd ook nog vaak door de pinksterbruid gegeven. Het hout werd verzameld door zingend de pinksterbruid rond te dragen, waarbij de complete tekst van “Hier is onze fiere Pinksterblom” de mensen aanspoorde hun hout hiervoor te geven. Helaas bestaat de noodzaak (en vaak de mogelijkheid zelfs) om de haard brandend te houden nauwelijks, dus heeft zo’n vormgeving aan het pinksterfeest nu nog maar weinig om het lijf. Gelukkig bestaat er ook nog een andere traditie.

Pinksterpaal
Een symbolisch gelijkwaardige vervanging en een in vele opzichten nog sterker sprekende traditie is, dat er geen hout wordt aangedragen als “de Pinksterblom” gezongen wordt, maar dat iedereen zijn bloemenkrans geeft. Dat gebeurt echter op pinksterdag zelf. Iedereen bevestigt zijn krans aan een reuzenkrans. Deze wordt dan door de pinksterbruid de hemel in gehesen aan een paal van 10 meter hoog! Daar, hoog in de lucht, lijkt de kleurenpracht wel samen te smelten in een vlammende kleurenkring, stralend als de zon.
Dan daalt de krans uit de hemel weer neer en krijgt iedereen van de pinksterbruid een stukje uit deze vlammenzee op het hoofd. Maar niet je eigen krans! Ze hadden hem weggeven en krijgen nu een nieuwe. En terwijl de jongsten gewoon lopen te stralen onder hun vlammende kroon uit de hemel, kijkt een ieder bij ieder toch nog even wie die van wie heeft.

En soms komt dan de brandende vraag aarzelend over iemands lippen: “Vind je hem mooi?”

M.Stoop, Leiden, nadere gegevens onbekend

.
Jaarfeesten: alle artikelen

 

1184

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (27)

.
Joke Kuyt-Boersema, nadere gegevens onbekend
.

VAN PINKSTERFEEST NAAR SINT-JAN

De hele week voor het Pinksterfeest werd er hard gewerkt in de klas. Eerst werden de groene kransen gevlochten en daarna de pa­pieren bloemen gemaakt. Toen de eerste krans af was, kwamen we al goed in de stemming. Tijdens het spelen en maken van de versier­sels klonken de pinksterliedjes door de klas:

Hier is onze fiere pinksterblom’,
En ik wou hem zo  graag eens wezen
Met zijn groene kransen om het hoofd
En met zijn klinkende bellen
Recht Is recht,  krom is krom
Belief je wat te geven voor de fiere Pinksterblom
Want de fiere Pinksterblom moet voort.

en het spelletje:

Hier komt onze fiere Pinksterblom en hier gaat zij haar gange.
Met haar groene kransen om het hoofd
en met haar bloeiende wangen.
Pinksterblom keer je nog eens om
en ze komt het hele jaar niet weerom.

Ook maakten we voor alle kinderen een schoudermanteltje met bloemen van crêpepapier. Wat een feest met al die bloemen en kleurtjes.

De voorbereiding samen met de kinderen,  samen toeleven naar het feest, wat is dat belangrijk!

En toen het feest zelf.
28 mei om elf uur kwamen de kinderen van juffie Marijke en de kinderen van mijn klasje mooi versierd met manteltje en kransen, al zingend naar de grote zaal. Daar hing in het midden een pinksterkroon met duifjes eraan. Toen kwam het grote moment, de pinksterbruid en pinksterbruidegom werden uitgekozen. Het bruidje Bernie en bruidegom Herbert mochten onder de kroon staan, midden in de kring van bruidskinderen, want dat waren alle andere kinderen.  Bernie kreeg een bruidsjapon aan van wit crêpepapier met bloemen en een lange sleep en een boeketje boterbloemetjes en Herbert een jack versierd met bloemen en een bellenstok. Toen gingen zij in de kring hun gange. Daarna in optocht al zingend naar het bos. Van iedere klas hielpen een paar ouders en zo werd er taart en drinken meegenomen. Die optocht is geweldig,  wat zien ze er prachtig uit. In het bos hebben we een paar kringspelen gedaan en daarna lieten we ons de taart en het drinken goed smaken. In optocht zijn we weer terug gewandeld naar school, waar in de grote zaal nog een verrassing wachtte, het spel van de kikkerkoning. Wat hebben ze aandachtig geluisterd en gekeken. Ieder kind kreeg een duifje mee van de kroon en na afloop zijn we ieder naar ons eigen klasje gegaan waar we het feest afsloten.

Een jongetje zei na het spel van de kikkerkoning, in de klas: ‘Dat was nou een hoorspel, hè juffie?’

Hartelijk dank aan de ouders,  die ons geholpen hebben.

.

Pinksterenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

.

568-521

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (26)

.
(Vrijeschool Haarlem, nadere gegevens ontbreken)
.

ZOMER

Tussen 21 en 24 juni staat de zon op z’n hoogste punt; de dagen zijn nu lang, de nachten kort – precies het omgekeerde, van de wintertijd. De bomeneerst in de lente met bloesems getooid, zijn nu vol en zwaar van de bladervracht, en de vruchten beginnen al te groeien. Heerlijk is het dan ook om op een warme zomerdag onder een dicht bladerdak te kunnen lopen en zitten; het trekt je weer even naar binnen. De kinderen bouwen dan ook juist in de warme zomermaanden graag ten­ten van de lappen waar ze stilletjes in kunnen genieten om zomaar‘ te zitten.

De bijen zoemen en snoepen de honing, vlinders fladderen rond, alles heeft zich in de natuur nu naar buiten toe gekeerd; de aarde ademt hele­maal uit om zich met het zonnelicht te verbinden. Wij mensen voelen ons licht worden in de zomer; we trekken erop uit, de natuur in om te genieten van de zomerwarmte. Licht en warmte van de zomer nemen we op en laten ze rijpen en verinnerlijken, om in de  donkerste tijd van het jaar het licht van Kerstmis te beleven: dan heeft de aarde ingeademd, het licht naar binnen toe genomen.

Met Pinksteren vieren we het feest van de pinksterbruid; een oud gebruik, een feest ter ere van Moeder Aarde, die getooid werd met bloemen en kransen, met de ‘eerste mei’. Gebleven is van dit feest nu: een meisje wordt tot bruid gekozen, in het wit gekleed en versierd met vele bloemen en een bloemenkrans in het haar – alles gemaakt van papier. In de hand rinkelende bellen en een boeketje van boterbloemen. De bruidegom met de bruiloftsstaf in de hand loopt rond en roept overal: ‘Zie, uw pinksterbruid komt eraan.’ Ook hij heeft een jakje aan van crêpepapier.  De pinksterbruid die onder de pinksterkroon staat te wachten, wordt opgehaald door haar bruidegom en zo trekken ze zingend rond. Alle jongens en meisjes, ook versierd met kragen, de meisjes een bloem en de jongens een kleine  bruiloftsstaf in de hand, zingen;

Hier is onze fiere pinksterblom’,
En ik zou haar zo graag eens wezen:
Met haar mooie kransen op het hoofd,
En met haar rinkelende bellen!
Recht is recht, krom is krom,
Zeg, blief je nog iets te geven
Voor de fiere Pinksterblom ?

Op de zaterdag voor Pinksteren, zgn. ‘Luilak, ging men er al vroeg op uit, door het dauw-bedekte land, om de kwade stoffen kwijt te raken – een soort voorjaarsreiniging. Overgebleven van dit gebruik is, dat nu de jeugd al vroeg rondloopt met allerlei rammelende voorwerpen, belletje trekt en zingt:

Luilak, beddenzak,
staat om negen uren op,
Negen uren, half tien:
‘k heb de luilak nog niet gezien!

Daarna gaat men naar de bloemenmarkt om een plant te kopen ter ere van de lentemaand; zoals bv. in Haarlem: elk jaar is er van vrijdag op zaterdag voor Pinksteren de bloemenmarkt met z!n bloeiende planten en fleurige boeketten.

.

Pinksterenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen
.

567-520

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (25)

.
(P.C. Veltman, vrijeschool Leiden, datum onbekend)
.

HET WONDERLIJKE VAN PINKSTEREN
.

Het pinksterfeest of het “Vijftigste dag-feest” is voor de moderne mens een vrij moeilijke zaak. Waarom? Omdat het pinksterfeest een geestfeest is. De gehele term is al merkwaardig, omdat “geest” wel een gangbaar woord in onze taal is, maar zeer wazig als begrip. Er is ook wel een pinksterviering mogelijk vanuit de frisse lentekracht, het jonge groen en de vrolijk zingende vogels, maar… de natuurlyriek leidt eerder van de geest af dan er naar toe. Men is daar in het gebied van de ziel; en dat begrip is heel wat gevulder dan dat van de geest. En dan nog een viering!

Wat zijn de andere jaargetijden met hun feesten duide­lijker in de vorm en schijnbaar gemakkelijker te benaderen: een kerstfeest, een adventviering, een Sint- Nicolaasfeest. Het zijn duidelijke feesten, waarbij iets uit een hogere wereld aan de mens (en het kind) wordt geschonken. En wan­neer men de hogere wereld wil weglaten, dan is het voor velen toch leuk om iets geschonken te krijgen. Of niet soms?

Met Pasen en de voorbereiding ervan is er een grote ernst. Daar wordt niets geschonken, eerder iets afgenomen. Na een vrolijk Maria Lichtmis – de woorden “lichtmis” en “lichtekooi” hangen daarmee samen – komt al gauw het gekke carnaval, dat zo gek maakte, dat de meeste kinderen in die tijd werden verwekt. Met Aswoensdag begon de Vasten. Vasten betekent iets ontberen, iets offeren, als voorbereiding voor de herdenking van een Wezen, dat zichzelf als mens en voor alle mensen geofferd heeft. Het hoogtepunt van dit offer valt op de Goede Vrijdag.

Als een graankorrel in de aarde ontkiemt het nieuwe leven en vindt de Opstanding plaats. Nu, met Pasen wordt die Opstanding gevierd. Zonder Opstanding is geen werkelijke religie, geen werkelijk Christendom mogelijk. Dat is óók heel moeilijk in onze tijd. Waarom eigenlijk? Omdat men een gereduceerd en vereenvoudigd – dus armzalig – mensbeeld is gaan aanhangen. Men is aan dat mensbeeld gaan geloven, want och, bewijzen laat zich dat óók niet! Dat mensbeeld is niet heel, het lijdt aan één gebrek, het kent de geest niet. De geest kan de ongelukkige tweeledigheid van lijf en ziel genezen, helen, dat is “heel maken”. Een wonderlijke zaak is dat. Maar het raakt de betekenis van Pinksteren voor de mens. In de veertig dagen na de Opstanding leefde de Chris­tus te Jeruzalem met zijn leerlingen. Op Hemelvaartsdag verliet hij hen. Schijnbaar. Hij verdween in de wolken. Maar 10 dagen later openbaarde de Christus zich als Geest in de individuele zielen van zijn leerlingen. Die werden door de “vurige tongen” aangeraakt en zij werden van discipelen – leerlingen – tot apostelen of “gezondenen”. De Geest van de Christus schonk de apostelen op die morgen in Jerusalem een individueel en nieuw bewustzijn. Pinksteren is een feest van de vrije individualiteit. Het wijst naar de toekomst.

We wensen u allen een goede Pinksteren toe!

.

Pinksterenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

.

566-519

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (24)

.

(Hans ter Beek, nadere gegevens ontbreken)
.

DE NEGEN FEESTEN VAN HET JAAR – HEMELVAART – PINKSTEREN
.

Hemelvaart, Pinksteren en St.-Jan zijn in deze beschouwingen de feesten van de geest genoemd.
Wat een grote tegenstelling ervaart men tussen Pinkste­ren en bv. St.-Maarten. Met St.- Maarten maken de kinderen een lantaarntje van een knol (koolraap, suikerbiet, peen), dus van dat deel van de plant dat tot het wortelgebied behoort (de kalebas en de pompoen worden ook wel gebruikt, maar dat zijn vruchten en horen in een ander gebied thuis, hetgeen ook te merken is als men ze uitholt).

Met Pinksteren zijn het juist de bloesems van de bomen die het feest zijn wonderlijke lichtheid geven. Men koos vroeger in de dorpsgemeenschappen de schone of fiere pinksterbloem; dat was het mooiste meisje van dat jaar: 14 jaar oud en nog ongerept, zoals de bloesems aan de bomen dat ook nog zijn nadat ze net zijn ontloken. Verder was er een pinksterboom, die ook wel meiboom kon heten; de tere blaadjes waren ook nog maar net open gegaan, zoals dat begin mei het geval is.

Vaak ook werd deze boom speciaal geplant. In voorchristelijke tijden gebeurde dit in de nacht van 30 april op 1 mei. In de Germaanse mythologie die we in de 4e klas vertellen wordt het winterrijk van Uller, de jager op ski’s, afgelost door het zomerrijk van Odin, die 7 maanden het bewind aan Uller had overgelaten. Dat werd uitgebreid gevierd met een grote optocht, de Mei-rit. De met bloemen bedekte Meikoning (Odin) wierp bloesems naar Uller, die gekleed was in bont en pelzen, en joeg hem tenslotte op de vlucht.

Nu gaat het er niet om deze gebeurtenissen weer opnieuw tot leven te wekken, maar wat belangrijk is, is dat het beelden zijn die tot ons spreken. En vooral is het van belang te weten dat al die voorchristelijke feesten verchristelijkt zijn. Op school, en dan vooral in de kleuterklas en in de onderbouw, laten we deze beelden voor zich spreken. We kiezen dan ook een pinksterbruid, maar eveneens een pinksterbruidegom. We planten de mei- of pinksterboom en we vieren aldus Pinksteren, een christelijk feest dat direct via Hemelvaartsdag met Pasen is verbonden.

‘Toen de dag van het pinksterfeest was aangebroken, waren ze allen op één plaats bijeen’  (Handelingen 2:1).

Deze inleidende zin heeft in wezen een veel diepere betekenis dan je zo oppervlakkig zou denken. Het belangrijkste woord is ‘ALLEN’. Waar het om gaat is:  ‘ze waren allen op één plaats bijeen.’ Dat wil zeggen dat we Pinksteren alleen maar kunnen vieren als we met ons allen op één plaats bij elkaar zijn. Waar? Wel, buiten rond de pinksterboom.

‘Eensklaps kwam er een geruis uit de hemel als van een hevige windvlaag, en vulde het hele huis, waarin ze waren vergaderd. Vurige tongen verschenen hun, spreidden zich rond, en zetten zich op ieder van hen neer. Allen werden vervuld van de Heiligen Geest, en begonnen verschillende talen te spreken, naar gelang de Geest hen liet spreken’ (Handelingen 2:2-4).

Waar het in het leven om gaat, dat is om de Heilige Geest te ervaren. Dat is het innerlijke vuur waarmee we bergen kunnen verzetten. Uiteindelijk is die knol onder de grond, waarvan we ons lantaarntje maken, gegroeid uit een zaadje, en dat zaadje groeit op die plaats waar in deze tijd van het jaar de bloesems zich bevinden. Maar tevens is die ondergrondse wortelknol een opgehoopte hoeveelheid voedsel waar straks, na de winter, uit deze plant een prachtige bloem zal ontluiken.

Een bloem of een bloesem is echter zo teer, dat ze haast niet te grijpen en nog minder te begrijpen is. Het is een teer wonder, een fysieke openbaring van de geest. Terwijl de schoonheid van de knol pas echt zichtbaar wordt als er binnenin een lichtje brandt dat de schil doorschijnend maakt, is de bloem een en al schoonheid, en wil ogenblikkelijk geplukt worden (enige terughouding is vaak wel gewenst). In het beeld uit de Germaanse mythologie zien we dat Odin ook als maar bloesem werpt op de wintergod Uller. En de godin van de lente (en liefde) Freya rijdt in een door poezen getrokken wagen, die evenals Freya zelf, geheel met bloesem versierd is.

In de rij van 9 feesten is St.-Maarten het 2e feest en Pinksteren het 2e feest van achteren. Zo is ook Sinterklaas het 3e feest en Hemelvaart het 3e feest van achteren. Dit is niet zonder betekenis:

pinksteren

De feesten die hierboven naast elkaar staan zijn door een onzichtbare band, maar juist in hun tegenstelling verbonden.

St.-Maarten was het feest van de verbreiding van het Christendom (het brengen van het licht); Pinksteren is het zich verenigd voelen van allen aan wie het evangelie (dat is de Blijde Boodschap) is gebracht. Pinksteren is het feest van de gemeenschap. Allen die tot de gemeenschap behoren voelen zich verbonden.

Sinterklaas was het feest van het lot: het geschenk in de schoen geeft een nieuwe wending aan je levensweg. Tegenover Sinterklaas staat Hemelvaart. Hemelvaart is het feest van de innerlijke leegte, die gevuld moet worden door jezelf.

‘Toen leidde Hij hen naar Betanië, hief zijn handen op, en zegende hen. En terwijl Hij ze zegende, scheidde Hij van hen, en werd opgenomen ter hemel.

Ze aanbaden Hem, en keerden met grote blijdschap naar Jerusalem terug. En onafgebroken bleven ze God verheerlijken in de tempel  (Lukas 24:50-53).

Een gebruik was en is het weer aan het worden dat je op Hemelvaartdag gaat dauwtrappen. Vóór zonsop­gang sta je op, en gaat wandelen in de natuur. Dauw is iets anders dan regen. Het is hemelse substantie die op geheimzinnige wijze op aarde verschijnt. We lezen hierover deze wonderlijke passage in het scheppingsverhaal:

‘Ten tijde dat de Here God aarde en hemel maakte – er was nog geen enkel veldgewas op de aarde, en er was nog geen enkel kruid des velds uitgesproten, want de Here God had het niet op de aarde doen regenen, en er was geen mens om de aardbodem te bewerken; maar een damp steeg op uit de aarde en bevochtig­de de gehele aardbodem – toen formeerde de Here God de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen (Genesis 2: 5-7).

Ook in de Germaanse mythologie is het beeld van de dauw, in dit scheppingsvers uit de Edda:

Eeuwig groen staat bij de bron ürd
Yggdrasil, de es.
Hemelhoog heft hij zich
tot waar lichte nevels hem onthullen.
Daar ontstaat de dauw
die in de dalen druipt.

Hoe nu het feest te vieren?

Alle meisjes verkleed als pinksterbruid (zij zijn de bruid van de hemelse bruidegom), alle jongens als pinksterbruidegom – zij moeten op dit feest de hemelse bruidegom op aarde vertegenwoordigen. In een lange stoet, hand in hand (let op de tegenstel­ling met St.-Maarten!), jongen meisje afgewisseld – als dit ten minste mogelijk is – slingert men naar het centrale punt: de pinksterboom. En daar maakt men een kring en zingt en speelt:

‘Hier is onze fiere pinksterblom’

Vele malen kan men dit herhalen. Ook andere dansen zijn denkbaar. Maar alles moet vrolijk, luchtig en kleurig zijn. De bloesems en slingers liefst van crêpe-papier, zelfgemaakt, zodat we de dagen ervoor ook makend bezig zijn. Tot slot nog een (hemel-) poort waar iedereen na het dansen doorheen gaat, en wat een duidelijk ‘de-wereld-in-gaan’ is.

Prachtig – voor hogere klassen en vanzelfsprekend voor het ouderkoor en voor de bovenbouw is de vijfstemmige canon SANCTUS van Jacobus Clemens non Papa.
Eén woord karakteriseert aldus het pinksterfeest, zoals dat ook met Pasen en Kerstmis is:
Pinksteren  : Sanctus.
Pasen           : Hallelujah.
Kerstmis     : Gloria.

Nog een enkel woord over de luilak: Hij/zij is degene die het allemaal niet meemaakt, omdat hij zijn aardse lichaam niet met de geest kan doordrin­gen en lui blijft slapen, een gevaar van onze tijd!

Luilak
[OP DE ZATERDAG VOOR PINKSTEREN]

De zaterdag voor Pinksteren wordt dit feest gevierd: degene die het laatst kwam werd bespot. Tegenwoordig is het – in die plaatsen waar Luilak nog wordt gevierd – een soort nachtbraken en rellenschopperij.

.

Pinksterenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

.

565-518

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (23)

.
Annemieke Zwart, vrijeschool Ede, *nadere gegevens onbekend
.

PINKSTEREN

Op zoek naar takken voor de jaartafel valt het op dat de strenge vorstnachten van twee weken geleden* duidelijke sporen hebben achtergelaten. De bloesembomen hebben hun mooiste tijd gehad. Het blad van sommige bomen hangt dor en bruin aan de takken. Maar……bij nadere inspectie tonen de takken al nieuwe knoppen.

De natuur is op alles voorbereid en laat zich niet verjagen(!), de takken vormen opnieuw bladeren waaronder wij nog deze zomer schaduw vinden. Ondanks tegenslagen maakt de natuur zich op, groeiend en bloeiend, op weg naar zijn volle wasdom, de zomer te bereiken. Met respect kijk ik dagelijks naar de takken van de bevroren tamme kastanje, die zoveel reserve heeft en ontwikkelen kan om zijn doel te bereiken.

En wie in deze tijd van het jaar ’s nachts wakker is, hoort bij het eerste
ochtendgloren het gezang van de vogels klinken. Eenmaal hoorde ik in een pinkstervakantie precies op de overgang van nacht en dag een nachtegaal. Zijn roep, zo glashelder als het maar kon klinken, zette alle andere vogels aan tot zingen. Steeds luider en krachtiger ‘vertellen’ zij dat de dag begonnen is: ‘opstaan, verder gaan, iets nieuws beginnen, je doel bereiken.’

Een hele vroege wandeling, zoals dat ook naar oud volksgebruik bij deze tijd hoort, doet je onderdompelen in deze boodschap van de natuur en inspireert de mens tot handelingen met toekomst.

Op school vieren we nu het pinksterfeest, een feest dat meestal alleen in de kleuterklassen een uiterlijk karakter krijgt en met een feestdag gevierd wordt. Met Pinksteren, vijftig dagen na Pasen, vallen de christelijke motieven, zoals wij die kennen uit het Nieuwe Testament, samen met veel oudere volksfeesten en gebruiken afkomstig uit diverse culturen en religies. In de loop der tijd zijn in ons land christelijke- en voorchristelijke beelden tot een pinksterfeest samen gevloeid.

Hoogtepunt in de kleuterklassen is de komst van de pinksterbruid en haar bruidegom. Volop spanning welke grote kleuters dit jaar het pinksterpaar zullen zijn. De ‘fiere pinksterblom’ is in het wit gekleed met rozenkransje in het haar en een rinkelende bel aan de arm. Alle pinksterkinderen trekken in het wit gekleed met papieren bloemen en bellen achter het pinksterpaar aan door de rozenpoort naar buiten. Zingend en dansend vieren zij de groeikracht en de eerste gaven van de met Pasen ontwaakte natuur. Zij rinkelen en klinken, zij laten zich horen, de pinksterbruid roept ons op tot het vinden van vruchtbare toekomstideeën.

Veel moeilijker is het vinden van een manier om met lagereschoolkinderen Pinksteren te vieren. Hier zou de viering kunnen zitten in het extra aandacht en tijd geven aan de handvaardigheidslessen. Geïnspireerd door de christelijke betekenis van Pinksteren kunnen met behulp van knutselmaterialen, papier, hout­spaan, wol, lapjes, enz. bijvoorbeeld papieren bloemen gemaakt worden, die samen­gebonden tot één boeket een bijzonder geheel vormen, opvallend door de rijke schakering van de individueel gekozen kleur en uitvoering. Ook kan gekozen wor­den voor het maken van vogels, die samen aan een grote mobiel gehangen kunnen worden. Gemeenschappelijke activiteiten waarbij ieder individu, iedere leerling, iets maakt voor een groter geheel, passen bij uitstek bij het feest van Pink­steren.

Als volwassenen kunnen we met Pinksteren de dag vieren waarop ‘allen van hei­ligen Geest vervuld werden en begonnen te spreken in andere talen met de spraak, die de Geest hen gaf, zoals vermeld staat in de Handelingen der Aposte­len 2. Opvallend is hier de beschrijving van de dag dat het oude joodse feest gevierd werd, waarbij allen zoals gebruikelijk bijeen waren. Juist op die dag werd aan de volgelingen van Jezus met een enorm windgeruis en tongen van vuur deze bijzondere Geest(spirit) gegeven, een geestkracht die ver boven alle dagelijkse ideeën uitging. Onmiddellijk daarna was het aan alle mensen gegeven elkaar, ongeacht herkomst en taal, te horen, te verstaan.

In ieder individu was nu de kracht aanwezig om samen verder te gaan, één idee uitdragend, daarbij luisterend naar ieders eigen inbreng in het geheel. De tijd dat het volk door Gods gebod via een Mozes geleid werd was voorbij. De hele mensheid zelf heeft nu de taak met ‘spirit’ de gemeenschap te leiden naar een nieuwe toekomst.

Ouders begeleiden hun kinderen op weg naar hun eigen leven, waarbij zij vaak keuzes voor het kind moeten maken. Soms richten zij zelfs een gemeenschap op, die zorgt voor bijzonder onderwijs, onderwijs naar de pedagogische inzichten van Rudolf Steiner. Zo’n gemeenschap, een Vrije School, is niet een wereldvreemde idealistische club mensen, maar een groep mensen die zich met ‘geestdrift’ in­zet voor de realiteit, mensen die zichtbaar geïnspireerd hun werk doen om kinderen met hart en ziel de wereld binnen te leiden.

Een Vrije School kan voor kinderen een weldaad zijn, als de pinkstergedachte dagelijks leidt tot het gemeenschappelijk vormgeven door ouders en leraren van het doel van de school.
Inspiratie maakt daarbij dat het doel bereikt wordt in de toekomst. In zo’n school word ik enthousiast, omdat met kunstzinnig onderwijs  aan alle kinderen misschien het vermogen meegegeven wordt om later hun inspiraties te laten doorklinken bij alles wat ze in de toekomst bezig houdt.

*nadere gegevens onbekend

.

Pinksterenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

.

564=517

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (22)

.

‘VINGERHOED, VINGERHOED, HEB GOEDE MOED’

Vingerhoedje, een arm gebocheld mannetje dat ‘er nauwelijks als een mens uitzag’.

Else Tideman vond een Iers sprookje dat ons op weg kan helpen iets van het pinksterfeest te beleven.

‘Dat kan alleen maar gebeuren als men zich zo voorbereidt als Vingerhoedje’.

Er was eens een arme man. Hij had een grote bult op zijn rug, dat zag er net uit of zijn lijf naar boven geschoven en op zijn schouders gelegd was. Door de zwaarte werd zijn hoofd zó diep naar beneden gedrukt, dat hij ge­woon was zijn kin op zijn knieën te steunen, als hij zat.
De mensen uit de streek waren bang om hem op een eenzame plek tegen te komen, en toch was het arme mannetje zo onschuldig en vredelievend als een pasgebo­ren kind. Maar zijn mismaaktheid was zó groot, dat hij er nauwelijks als een mens uit­zag en daarom hadden boosaardige lieden vreemde verhalen over hem verspreid.
Er werd verteld dat hij veel van kruiden en tovermiddelen wist. Zeker was dat hij met vaardige hand hoeden en korven kon vlech­ten uit stro en biezen. Daarmee verdiende hij zijn brood.
Vingerhoedje was zijn bijnaam, omdat hij op zijn hoedje altijd een tak droeg van het elfenkapje of rode vingerhoedskruid.
Voor zijn vlechtwerk kreeg hij altijd een dubbeltje meer dan een ander; misschien hebben de mensen uit nijd daarover die won­derlijke verhalen over hem rondgestrooid.
Eens gebeurde het dat Vingerhoedje ’s avonds van de stad Cahir naar Cappagh ging. En om­dat hij door de lastige bult op zijn rug maar langzaam vooruit kwam, was het al donker toen hij het oude hunebed bereikte, dat rechts van de weg ligt. Moe en afgemat, teneergeslagen omdat hij wist dat er nog een lang stuk weg vóór hem lag en hij de hele nacht moest doorlopen, ging hij onderaan de grafheuvel zitten om een beetje uit te rusten en keek heel bedroefd naar de maan.
Opeens drong een wonderlijke, onderaardse muziek tot de oren van Vingerhoedje door. Hij luisterde en hij dacht dat hij nog nooit zoiets betoverends gehoord had. Het was als de klank van veel stemmen, waarvan de één zich naar de ander voegde en die zich zó wonderlijk vermengden, dat het er maar één scheen te zijn, terwijl toch ieder een eigen toon hield.
De woorden van het lied waren deze:

‘Da Luan, Da Mort,
Da Luan, Da Mort,
Da Luan, Da Mort’.

Daarna kwam een kleine pauze, waarop de muziek van voren af aan begon.

Vingerhoedje luisterde opmerkzaam en durfde nauwelijks adem te halen om geen toon te missen. Hij merkte nu duidelijk dat het ge­zang uit de grafheuvel kwam. En hoewel het hem in het begin erg verrukte, werd hij het eindelijk toch moe dezelfde rondzang aan één stuk door, zonder afwisseling aan te ho­ren. Toen opnieuw Da Luan, Da Mort drie­maal gezongen was, gebruikte hij de kleine pauze en nam de melodie op om verder te zin­gen met de woorden augus Da Cadine. Toen daarna de stemmen in de heuvel weer invie­len, zong hij met hen mee – Du Luan, Da Mort, maar eindigde bij de pauze weer met zijn toevoeging augus Da Cadine.
Toen de elfen in de heuvel de toevoeging tot hun geestesgezang hoorden, verlustigden zij er zich buitengewoon in en besloten meteen het mensenkind, wiens muzikale bekwaam­heid de hunne zó ver overtrof naar beneden te halen, en Vingerhoedje werd met de krin­gelende snelheid van een wervelwind naar hen toegedragen.

Dát was een pracht, die hem in de ogen blonk, toen hij beneden in de heuvel kwam, rondzwevend, licht als een strohalmpje. En de lieflijkste muziek hield keurig de maat bij zijn vaart. De grootste eer werd hem echter betoond toen zij hem boven alle zangers plaatsten. Hij had dienaren, die hem alles moesten geven wat zijn hart begeerde, en hij zag hoe de elfen van hem hielden. Kortom, hij werd behandeld alsof hij de eerste man in het land was.

Toen merkte Vingerhoedje, dat ze de kop­pen bij elkaar staken en met elkaar beraad­slaagden, en hoezeer hun hoffelijkheid hem ook beviel, begon hij toch bang te worden. Toen kwam een van de elfen voor hem staan en zei:

‘Vingerhoed! Vingerhoed!
Heb maar goede moed!
Wees lustig en tevreden,
Je bult valt naar beneden,
Zie hem liggen, ’t ga je goed,
Vingerhoed, Vingerhoed!’

Nauwelijks waren de woorden beëindigd, of Vingerhoedje voelde zich zó licht, zó zalig, alsof hij in één sprong wel over de maan kon wegspringen, zoals de koe in het sprookje van de kat en de viool. Hij zag met de groot­ste vreugde van de wereld de bult van zijn schouders op de grond vallen. Hij probeerde toen of hij zijn hoofd kon opheffen, maar hij deed het heel voorzichtig uit vrees tegen de zoldering van de grote hal te stoten. Daarna keek hij om zich heen met de grootste be­wondering en verlustigde zich in alle dingen, die hem steeds schoner voorkwamen. Ten­slotte werd hij zó overweldigd door de aan­blik van zijn glanzend verblijf, dat het hem duizelde, zijn ogen verblind werden en hij in een diepe slaap viel.

Toen hij wakker werd, was het klaarlichte dag. De zon scheen, de vogels zongen en hij lag weer aan de voet van de grafheuvel, ter­wijl koeien en schapen vredig om hem heen graasden. Nadat Vingerhoedje zijn gebed ge­zegd had, was zijn eerste daad naar zijn bult te grijpen, maar er was op zijn rug geen spoor meer van te vinden. Hij bekeek zichzelf niet zonder trots, want hij was een welgevormde jongeman geworden en – wat geen kleinig­heid was – hij zag zichzelf van top tot teen in nieuwe kleren. Hij begreep dat de elfen hem dit pak bezorgd hadden. Toen ging hij op weg naar Cappagh, hij liep zó dapper en sprong bij iedere pas, alsof hij zijn leven lang niet anders gewend was ge­weest. Niemand die hem ontmoette, herken­de hem zonder bult en hij had de grootste moeite de mensen ervan te overtuigen dat hij werkelijk Vingerhoedje was. En inder­daad, naar zijn uiterlijk was hij het ook niet meer.

Mijlenver in de omtrek sprak ieder, rijk of arm, over niets anders meer dan over de ge­schiedenis van Vingerhoedjes bult. Op een morgen zat Vingerhoedje tevreden voor zijn deur. Daar kwam een oude vrouw langs, die hem de weg naar Cappagh vroeg. ‘Je bent hier in Cappagh’, antwoordde hij, ‘naar wie wil je toe?’ ‘Ik kom van ver en zoek een man, die Vingerhoedje genoemd wordt en van wie wordt gezegd dat de elfen de bult van zijn schouders genomen hebben. De zoon van mijn vriendin, die heeft een bult die hem nog dóód drukken zal. Misschien kan hij net zo’n tovermiddel gebruiken als Vingerhoedje, om ervan verlost te worden. Daar wou ik zo graag van horen’.

Vingerhoedje vertelde haar uitvoerig hoe al­les gegaan was. De oude vrouw dankte hem duizendmaal en ging weer naar huis. Toen ze bij haar vriendin kwam, vertelde ze precies wat ze van Vingerhoedje te weten gekomen was. Daarna zetten ze het bultige kereltje op een wagen en trokken hem voort. Het was een verre tocht. ‘Maar wat hindert dat’, dachten ze, ‘als hij zijn bult maar kwijt raakt’. Juist toen de nacht begon, kwamen ze bij de grafheuvel aan. Zij legden hem daar neer en gingen weg.

Hans Madden, want dat was de naam van de gebochelde, was z’n leven lang een knorrig en sluw kereltje geweest. Hij zat nog maar kort bij de grafheuvel toen de muziek in de heu­vel begon, nog veel lieflijker dan eerst, want de elfen zongen hun lied met de toevoeging die ze van Vingerhoedje geleerd hadden. ‘Da Luan, Da Mort, Da Luan, Da Mort, Da Luan, Da Mort, augus Da Cadine’,  zonder onder­breking. Hans, die nu vlug zijn bult kwijt wilde, wachtte niet tot de elfen met hun ge­zang klaar waren. Ook lette hij niet op het geschikte ogenblik om net als Vingerhoedje de melodie met een eigen toevoeging voort te zetten. Toen ze hun lied meer dan zeven keer aan één stuk door gezongen hadden, schreeuwde hij zonder rekening te houden met maat en melodie en een passend ogen­blik om zijn woorden in te voegen, uit volle borst: ‘augus Da Dardine augus Da Hena’ en dacht, ‘was één toevoeging goed, dan zijn twee nog beter, en als Vingerhoedje één nieuw pak gekregen heeft, zullen ze mij er wel twee geven.’

Nauwelijks waren de woorden over zijn lip­pen gekomen, of hij werd opgenomen en met wonderbaarlijk geweld binnengedragen in de heuvel. Hier omringden de elfen hem. Ze waren heel boos en riepen schreeuwend en krijsend: ‘Wie heeft ons lied bedorven? Wie heeft ons lied bedorven?’ Eén kwam naar voren en zei:

‘Hans Madden! Hans Madden!
Slecht passen de woorden,
Die wij van je hoorden!
Nu ben je gevangen,
Wat zal aan je hangen?
Twee bulten voor éne! Hans Madden!’

En twintig van de sterkste elfen sleepten Vingerhoedjes bult aan en zetten hem boven­op de bochel van de ongelukkige Hans Mad­den. Daar zat hij zo vast alsof hij met twaalf­cents nagels door de beste timmerman die ooit nagels ingeslagen had, vastgespijkerd was. Daarna stootten zij hem uit hun woning.
’s Morgens toen Hans Maddens moeder en haar vriendin naar hem kwamen kijken, vonden ze hem aan de voet van de heuvel liggen, half dood met een tweede bult op zijn rug. Zij bekeken hem om beurten, maar daar bleef het bij. Tenslotte werden ze bang, dat hun óók een bult op de rug gezet kon wor­den en brachten Hans Madden weer naar huis.

Zo moest Hans Madden verder leven met het gewicht van twéé bulten op zijn rug. En dat was zó zwaar, dat hij niet lang daarna gestor­ven is. Vingerhoedje echter leefde nog lang en tevreden.

Pinksteren
Hoe kan dit sprookje ons op weg helpen iets van Pinksteren te beleven? We zien vóór ons een gebocheld mannetje. Hij is arm, verdient zijn brood met manden en hoeden vlechten. Allemaal omstandigheden die iemand hard en bitter kunnen maken. Het tegendeel is waar. Hij wordt ‘onschuldig en vredelie­vend’ genoemd. Hij kan buitengewoon goed vlechten. We kunnen ons voorstellen hoe hij daar zit: kin op de knieën, ‘zijn lichaam naar boven geschoven, zijn hoofd naar beneden gedrukt.’ Alles is ‘in het midden’ samenge­drukt. Je zou kunnen zeggen: hij denkt ‘heel dicht bij zijn hart’. Ook zijn oren en zijn omhooggeschoven lijf zijn ‘heel dicht bij zijn hart’. Al het mens-zijn is om zijn hart ge­groepeerd. Hij vlecht manden, voorwerpen, die gevuld kunnen worden, die iets kunnen dragen. Ze kunnen alle schatten bevatten, die de koper eraan toevertrouwt. Ze zijn mooi – hij krijgt immers een dubbeltje extra. Ook de hoeden zijn mooi en bruikbaar. Ze beschermen de koper tegen het ‘te veel’ aan regen en zonneschijn. Ze zijn samen – mand en hoed – als het ware een beeld van wat hij zélf is: al is hij nog zo mismaakt, hij weet zichzelf ‘te dragen’ en te beschermen tegen het ‘te veel’ van buiten af. Toch sluit hij zich niet af. Hij maakt gevlochten voorwerpen en weet zijn ervaringen positief te vervlechten. Zijn manden en hoeden zijn stevig en toch luchtig, niet zwaar, en van natuurmateriaal: stro en biezen. Ook dat is materiaal van ‘het midden’. Het stro is immers de korenhalm tussen de gedorste aar en de wortel waarmee de halm in de grond stond. Van de biezen kan men hetzelfde zeggen. Zelf heeft hij óók een hoedje van dit materiaal op, met een takje van het vingerhoedskruid. De Latijnse naam hiervan is digitalis purpurea. Deze plant wordt als geneesmiddel voor het hart ge­bruikt! In Ierland heet hij fairy-cap, elfen­kapje.

Het hele beeld spreekt van een geweldige concentratie van alle menselijke vermogens om het hart heen en een voortdurend bezig zijn en oefenen daarin. Zelfs als hij ’s avonds afgemat bij het hunebed zit: hij luistert ademloos. Hij verdiept zich zo in de elfenmuziek, dat hij er één mee wordt en van bin­nenuit ritme en melodie meebeleeft. Dan voelt hij ook het gemis en het verlangen dat zich in de stilte tussen de zich herhalende strofen uitdrukt. Daarin verdiept hij zich zó sterk, dat in hem ook een gemis ontstaat. (Hij werd moe van de niet eindigende rond­zang). En nú komt – wat je zou kunnen noe­men – een beeld van een pinksterbeleven. Dat kan alleen maar gebeuren, als men zich zó voorbereidt als Vingerhoedje.

In het Nieuwe Testament staat over Pinkste­ren: ‘En zij werden allen van Heilige Geest vervuld en begonnen te spreken in andere ta­len met de spraak, die de Geest hun gaf’.

Plotseling kan Vingerhoedje de taal van de elfen spreken en zingen en hij vindt een aan­vulling van hun lied. Iets volkomen nieuws ontstaat. De elfen voelen zich opgenomen, ze zijn méér dan ze waren, ze zijn héél ge­worden: ge-heeld.
Ook Vingerhoedje wordt ‘geheeld’ door zijn onbaatzuchtige daad. Hij wordt ook meer dan hij was: een welgevorm­de jongeman, van top tot teen in nieuwe kle­ren. En dat is een tweede aspect van het pinkstergebeuren.

Nu begrijpen we ook, dat Hans Madden met zijn egoïstische verlangen – twee nieuwe pakken en geen bult meer – heel ver van dit heilige en helende gebeuren afstond. Toch horen ze beiden in het beeld: Vingerhoedje en Hans Madden. Hans Madden is in dit sprookje de schaduw die het licht van Vin­gerhoedje helderder doet schijnen.

Else Tideman , ‘Jonas’ 20, 28 mei 1982

Dit Ierse sprookje is te vinden in ‘Celtic Fairy Tales, collected by Joseph Jacobs. Uitg. The Bodley Head London. Een goede vertaling in het Duits door de broeders Grimm staat in: Irische Elfenmarchen. Uitg. Freies Geistesleben.

.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

174-164

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren – alle artikelen

.

Pinksteren (1)
Paul Veltman over: Pinksteren in de natuur, Heilige Geest

Pinksteren (2)
Jacobus Knijpenga over: Pinksteren als feest van de menselijke individualiteit; Pasen, Hemelvaart; getal 40

Pinksteren (3)
knutsels:
Tine Geus en Annet Schukking: vogeltje, vlinder, vogeltjes op tak; meiboomkroon; bloemen: anjer, bloesem, roosje, dahlia, kelkje met blaadjes, steeltje

Nicole Karrèr: zijden pinksterbloem

Onbekend: duifjes; lentevrouwtje; mobile lente-elfjes;

Pinksteren (4)
Annet Schukking over: Kerstmis gaat nog wel, Pasen is al moeilijker, maar Pinksteren? vieren of  vrije dagen, Heilige Geest

Pinksteren (5)
Paul Veltman over: Pinksteren een moeilijk feest;  waar komt het woord vandaan, natuurfeest-geestfeest

Pinksteren (6)
Over: Pinksterfeest in de kleuterklas, symboliek van attributen

Pinksteren (7)
Paul Veltman over:Pinksteren een moeilijk feest;  waar komt het woord vandaan, natuurfeest-geestfeest (zie 5)

Pinksteren (8)
Kleuterleidsters over: Pinksteren in de kleuterklas; symboliek bruid/bruidegom, vogel

Pinksteren (9)
Recepten:
Frédérique Wedekind en Julio Wiertz over: 
brood, geschiedenis, waarde, tafelspreukje, zelf bakken; voorbeelden van feestbroden
M.Gerretsen: luilakbollen;
W.M.: pittabrood; gaspacho;
Griekse salade;

Pinksteren (10)
W.M. over: Pinksteren in de kleuterklas; symboliek van ‘fiere pinksterblom’

Pinksteren (11)
Michiel ter Horst over: Hemelvaart en Pinksteren: hoe kun je ze in de natuur beleven?

Pinksteren (12)
Over: Pinksteren een moeilijk feest; Hemelvaart; Jezus; Christus; duif; natuur; in de kleuterklas; symboliek van de attributen

Pinksteren (13)
Marijke Peeters over: Oude pinkstergebruiken; symboliek van de attributen; luilak

Pinksteren (14)
Over: Pinksteren een moeilijk feest; Heilige Geest; apostelen; voorjaar; Pinksteren in de natuur; Pinksteren in de kleuterklas; symboliek

Pinksteren (15)
J. van Dam over: De visie van Rudolf Steiner op Pasen, opstanding, Pinksteren; Pinksteren in de natuur

Pinksteren (16)
Anke over: Pinksteren: feest van de toekomst – van de het bewustzijn – van ons ware hogere Ik; Heilige Geest; oosters en westers politiek denken; fiere pinksterblom

Pinksteren (17)
Marijke Anschütz over: Heilige Geest, Juno, natuur, Pinksteren in Israël – feest van de eerstelingen; schutter, Schutter; feest van de toekomst

Pinkstern (18)
Henk Sweers
over: vrijheid en liefde; Zelf; feest van de toekomst; luilak; pinksterbruid; symboliek; pinkstergebruiken; feest van de geest

Pinksteren (19)
Tineke Geus over: waarom papieren bloemen, pinksterbruid, traditie, natuur; papierkunst; Johann Jacob Hauswirth

Pinksteren (20)
Over: een (zeer summiere) opsomming over Pinksteren; sprookjes voor de pinkstertijd; enkele boeken

Pinksteren (21)
M.Gerretsen over: luilak in Noord-Holland; Pinksteren in de kleuterklas; pinkstersymbolen

Pinksteren (22)
Else Tideman over: het Ierse sprookje ‘Vingerhoed’ i.v.m. Pinksteren

Pinksteren (23)
Annemieke Zwart over: idealen; inspiratie; pinksteren in de kleuterklas; moeilijker te vieren in basisschool

Pinksteren (24)
Hans ter Beek over: Pinksteren tegenover St-Maarten; natuur;  in de kleuterklas; meiboom; Germaanse mythologie; luilak

Pinksteren (25)
P.C.Veltman over: Pinksteren: een moeilijk ‘geestfeest’; het belang van een mensbeeld; vrije individualiteit, toekomst

Pinksteren (26)
Onbekend over: zomerimpressie; pinksterbruid- en bruidegom in de kleuterklas; Luilak

Pinksteren (27)
Joke Kuyt-Boersema over: Pinksteren in de kleuterklas

Pinksteren (28)
Luilak, dauwtrappen; folklore 

Hemelvaart (29)
Loïs Eijgenraam over: de maan mei, herkomst en gebruiken; Walpurgisnacht; meivuur; meibruid; meiboom; Hemelvaart

Dauwtrappen met Hemelvaart

.

Jaarfeesten: alle artikelen

 

173-163

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (21)

.

LUILAK EN PINKSTEREN 

In Noord-Holland wordt nog steeds op vrijdag voor Pinksteren luilak gevierd. In sommige plaatsen zijn er bloemenmarkten waar de hele nacht door planten en bloemen worden verkocht.
Voor de kinderen zijn er spelen en wedstrijden. ’s Nachts om 12 uur worden grote vuren gebrand, waarvoor de jeugd al een week van tevoren brand­stof verzamelt. Jong en oud gaat er naar toe. De volgende morgen trekken de jongeren in alle vroegte door de straten met een hels lawaai van pannendeksels, lege blikken enz., proberen ze luid bellend en zingend:

“Luilak, beddenzak,
Staat om negen uren op,
Negen uren half tien,
Nog is luilak niet te zien”.

de “langslapers” wakker te maken. Daarna wordt er ontbeten met luilakbollen.
Ik heb met  de kleuters ook wel luilak gevierd. De luilak wordt zittend op een stoeltje rond gedragen door twee kleuters. Alle kinderen zingen: “Luilak, beddezak”, enz. Dit duurt eindeloos, ieder kind wil een keer luilak zijn.

De volgende dag is het Pinksteren. In deze tijd bloeit de pinksterbloem volop.

In Amsterdam heb ik een pinksterfeest meegevierd in de kleuterklas. Van tevoren worden versierselen gemaakt. De meisjes krijgen een bloemenkransje, de jongens een bruiloftsstaf.
De meisjes die naar de 1e klas gaan krijgen een lange jurk, de jongens een hes, de overige kinderen een sterrenkraag. Ieder versiert zijn spulletjes zo mooi mogelijk met papier. Alleen de pinksterbruid krijgt een witte jurk met sluier en aan haar pols een bandje met belletjes. Middenin de klas hangt de pinksterkroon. Op het feest worden eerst de bruid en de bruidegom aangekleed. Zij zitten hoger dan de andere kinderen, precies onder de pinksterkroon. Dit is een zeer plechtig moment.
Daarna worden de andere kinderen aangekleed. Vanaf de oudste. Als iedereen klaar is rinkelen de bellen en de stoet, met een stralende bruid en bruidegom voorop, zet zich in beweging, zingend:

Hier is onze fiere Pinksterblom
Ik zou hem zo graag eens wezen,
met de mooie kransen in het haar,
En met de rinkelende bellen.
Recht is recht,krom is krom ,
Gelieve wat te geven voor de fiere pinksterblom,
Want de fiere pinksterblom moet voor”.

Zo trokken ze door het Vondelpark naar het huis van één van de kleuters. Daar werd in de tuin beschuit met aardbeien gegeten en limonade gedronken.
Het was een bijzondere ervaring.
.

M.Gerretsen, in ‘Vrijblijvend’- datum onbekend

.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

172-163

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (20)

.
.

PINKSTERFEEST
.

Bron onbekend

 

Pinksteren is het feest van de vrijheid en van de toekomst. Alles in de natuur werkt daaraan mee. Alles staat uitbundig in bloei.
Vruchtbaarheidsriten en godsdienstige gebruiken uit de vóór-christelijke tijd worden in de na-christelijke tijd mei- en pinkstergebruiken.

Sommige streken van ons land kennen nog de pinksterbruid, een huwbaar meisje, symbool van de groeikracht in de natuur.
Ze wordt versierd met bloemen, linten en bellen en al zingend rondgedragen.

Wie geïnteresseerd is in de achtergronden van pinkstergebruiken, leze het desbetreffende hoofdstuk uit het boek ‘Jaarfeestenvan Henk Sweers, uitgeverij Christofoor.
Er staat ook veel in de Prismapocket ‘Nederlandse volksgebruiken bij hoogtijdagen’ (nr. 1814)  Dr.v.d. Graft.

Sprookjes, geschikt voor de tijd rond Pinksteren:
Assepoester, De drie talen, De kristallen bol, De witte en de zwarte bruid

Het Ierse sprookje ‘Vingerhoed’

.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

170-161

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (19)

.

KRANSEN VAN GROEN EN PAPIEREN BLOEMEN

De Pinksterbruid, zo wil de oude volkstraditie, wordt opgesierd met papieren bloemen.

Op de vraag waarom die bloemen juist met Pinksteren van papier dienen te zijn probeert onderstaand stukje een antwoord te geven.

‘De pinksterbruid krijgt kransen om het hoofd van groen en papieren bloemen’.
Zo wil de oude volkstraditie. En ieder jaar is dit voor velen weer een raadsel. Want het doet ergens nogal absurd aan op een moment dat de natuur ons rijkelijk bloemen en bloesems schenkt, papieren bloemen te gaan maken, die natuurlijk lang niet zo mooi zijn als de echte. Is het puur nabootsingsdrang of is het omdat de versieringen die we maken beter houdbaar zijn?

Oude gebruiken zijn vaak ontstaan uit een soort instinct, een onbewust weten van de geheimen en de zin van het leven en van de ontwikkeling van de aarde en de mensheid. In de viering van de jaarfeesten wordt daar iets van zichtbaar. In onze tijd willen we we­ten waarom we iets doen, anders verliest het zijn waarde. Als je met zo’n raadsel rond­loopt kan het je gebeuren dat je op een keer iets tegenkomt: een gedachte of een uit­spraak van iemand die je op het spoor zet van een antwoord. Wat het maken van papieren bloemen met Pinksteren betreft kun je zo op het volgende komen.

Buiten in de natuur worden we in deze tijd overladen met bloemen. Het is een stuk god­delijk scheppingswerk, die hele plantenwe­reld, een geschenk uit de kracht van de ‘Hei­lige Geest’ zou je kunnen zeggen. De mens heeft daar niets aan gedaan. Maar de mens heeft zelf ook een vonkje van die scheppen­de geestkracht in zich en is daarmee creatief bezig – hij vormt van alles uit de materie, vormt voorwerpen: gebruiksvoorwerpen, ge­reedschap, machines, maar ook kunstvoor­werpen, bouwwerken, enzovoort. En door­dat hij dat doet, maakt hij zich een beetje vrij van die materie, want dat stukje materie dat hij omgevormd heeft, heeft dan zijn functie voor die creativiteit gehad, daar kan hij zich nu van distantiëren. Maar ook de materie zelf wordt door de menselijke bewerking in zekere zin bevrijd. Want het maakt toch een heel verschil of je bijvoorbeeld een brok steen voor je hebt of een beeldhouwwerk uit diezelfde steen. De materie wordt door onze creativiteit en ar­beid een beetje vermenselijkt, dat wil zeggen een beetje vergeestelijkt en daarmee bevrijd uit zijn toestand van vormloosheid en indifferentie. Natuurlijk gebeurt dit niet alleen met Pinksteren. Mensen zijn voortdurend vor­mend bezig. Maar door op een moment iets te doen dat absurd lijkt, merk je pas waar je eigenlijk mee bezig bent.

In het Jonasboekje ‘Jaarfeesten’ vertelt Henk Sweers over de traditionele versieringen rond het pinksterfeest. Het is interessant dat die versieringen bij alle pinkstergebruiken altijd gemaakt worden van ‘mooimakersgoed’ (ge­kleurd papier). Vroeger bewaarde men het hele jaar door gekleurde papiertjes, pakpa­pier en dergelijke.

Het pinksterfeest is het feest van het Ik van de mens dat zelf actief wordt. Behalve bloemen werden er ook pa­pieren waaiertjes gemaakt die werden opge­hangen aan de pinksterkroon waaronder de pinksterbruid plaats nam.

De papierkunst is trouwens een echte volks­kunst. Wie bijvoorbeeld wel eens iets gezien heeft van de kleurrijke knipsels van Johann Jacob Hauswirth zal hier zeker door gefasci­neerd zijn. Johann Jacob Hauswirth werkte in de bossen van het Pays d’Enhaut (Duits/ Frans grensgebied) als kolenbrander. Hij was een eenzaam, ongeletterd man, die in een eigenhandig gebouwde boshut woonde (hij stierf in 1871, hoe oud hij toen was, wist nie­mand). Zijn leven is een mysterie en er is weinig over bekend. Hij moet op latere leef­tijd de schaar ter hand hebben genomen en werd in korte tijd grandioos in de knipkunst. Hij was een schuwe zwijgzame man en ten gevolge van een ongeluk liep hij moeilijk. Zijn knipsels gaf hij aan de kinderen op straat in ruil voor hun snoeppapiertjes. Vaak verkocht hij grote geknipte taferelen bij de boerderijen. Met zijn grove vingers kon hij geen gewone schaar hanteren en hij had daartoe twee rondjes van ijzerdraad op maat van z’n vingers aan de schaar bevestigd. Hij moet een hele rijke binnenwereld gehad heb­ben om op zo’n manier de materie te kunnen overwinnen. Je vermoedt zeker niet zo’n mens achter de ragfijne huppelende herten en de kantachtige patronen van de alpenwei­den.

pinksteren 24

Een groot kunstenaar spreekt uit deze knip­sels. Hauswirth had weinig contacten, dus de beelden moesten uit een andere ervaringswe­reld stammen. Het geeft mij het gevoel of ze regelrecht uit zijn ziel in de schaar overgin­gen: oeroude symbolen verweven met het dagelijks leven in de gang der seizoenen. Hij was dan ook volledig weg uit de wereld als hij bezig was met z’n knipsels. Een oude vrouw vertelde, hoe zij als kind hem een hele middag op een steen had zien zitten knippen zonder te merken dat een geit één voor één de gekleurde knipsels opat!

pinksteren 31

Ter versiering van de pinksterbruid en de pinksterkroon volgen hier beschrij­vingen voor het maken van papieren bloe­men.
.

Tineke Geus en Annet Schukking, ‘Jonas’10, 13 mei 1983

.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

168-160

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (18)

.

HET PINKSTERFEEST

Het pinksterfeest is het feest van de vrijheid. Zolang de mens van zijn lichaam afhankelijk is, blijft hij slaaf van dat lichaam. Vrij wor­den kan hij alleen, als hij zichzelf terugvindt in de geest. Op het innerlijke paasfeest gaat hij beseffen, dat hij weliswaar in een uiterlijk lichaam woont, maar dat zijn ware wezen iets innerlijks, iets geestelijks is. Met Pinkste­ren kan hij de geest, die hij in zichzelf heeft gevonden, vrijwillig vullen met een inhoud, die niet tot de materiële wereld behoort. Als ik over ‘mij-zelf’ spreek, heb ik het dan niet over mijn geest? Ons ware ‘Zelf’ is een geestelijke werkelijkheid. Die wereld van de geest noemt men ‘de hemel’. Op aarde wordt de mens ik-zegger, ik-zoeker zelfs. Hij groeit er op tot een zekere zelfstandigheid, tot een individu, afgescheiden van de dingen buiten hem. Maar daar gaat hij dood. Zijn aardse ik was slechts een spiegel van zijn werkelijke wezen. Er is een kloof tussen dit Zelf en ons aardse ik. Tussen hemel en aarde ligt een af­grond. Een zelfde afgrond ontdek je tussen alle mensen op aarde en ook tussen de mens en God. Want voor wie is God nog een wer­kelijk levend begrip? ‘God is dood,’ schreef Nietzsche. Voor ons aardse wezen is God ver weg. En als iemand het gebed, dat Christus ons leerde, bidt, waar is dan de ‘hemel’ waar ‘onze Vader’ is?

De hemel is overal, in ons en buiten ons. De grote Spaanse mystica Theresia van Avila schreef eens in een’brief: ‘Men kan God in alle dingen vinden. Als ge in uw keuken zijt, is Hij u nabij tussen de potten en pannen.’ De apostel Paulus schreef hierover aan de Romeinen (Rom. 8:14-18): ‘Allen die han­delen in Gods geest, zijn Gods zonen, Ge hebt toch niet opnieuw de geest van slavernij in vrees aanvaard, maar ge hebt aanvaard de geest van adoptie, waardoor wij roepen: “Abba, Vader!” Want de geest zelf legt ge­tuigenis af met onze geest, dat wij kinderen van God zijn. Indien kinderen, dan ook erf­genamen: erfgenamen van God, mede-erfge­namen van Christus, wanneer wij inderdaad met hem lijden, zodat wij met hem worden geopenbaard. Want ik ben er van overtuigd, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de toekomstige heerlijkheid, die onthuld zal worden aan ons.’

Pinksteren, het feest van de vrijheid en de liefde, want liefde en vrijheid kunnen niet bui­ten elkaar. Het feest van de geest. Het feest van de toekomst. Een bewustzijnsfeest.

Als de hele natuur van de dood is opgestaan, als alles bloesemt en bloeit, dan vieren de christenen het feest van wat zij noemen de Trooster, de Levende Bron, het Vuur, de Liefde en de kracht schenkende Geest.

‘Plot­seling kwam er een geruis uit de hemel als van een hevige windvlaag en vulde het hele huis waar zij vergaderd waren. Vurige tongen zetten zich op ieder van hen neer. Allen werden vervuld van de Heilige Geest en begon­nen verschillende talen spreken.’ (Hand. 2, 24).

Het is vijftig dagen na Pasen, tien na Christus’ hemelvaart. Na zijn opstanding, totdat hij de hemel binnenging, was Chris­tus in een bepaalde gedaante nog zichtbaar voor zijn leerlingen. Toen ging hij in de gees­telijke wereld. Maar hij is niet onbereikbaar geworden. Integendeel, nu kunnen wij hem overal ontmoeten. Hij kan ons leiden, over de afgrond heen, tot elkaar en tot de Vader van al wat is.

In de gaven van de opnieuw ontwaakte natuur beleefden de christenen vroeger nog de gaven van Gods heilige Geest, de openbaring van zijn kracht. Zo kregen de talloze vrucht­baarheidsriten, de godsdienstige gebruiken uit de vóór- christelijke tijd een nieuwe in­houd. Zeer veel mei- en minneliederen wer­den tot geestelijke liederen, waarin Christus werd bezongen als de bruidegom van de ziel.

Luilak
Luilak is de zaterdag voor Pinksteren. Hij die dan ’t langste slaapt, is de ‘luilak’. Oorspron­kelijk was dat de nieuwe mysterie-ingewijde, die door de priesters in een doodsslaap was gebracht, na 3½ dag eruit was gewekt en daardoor helderziende was geworden. – Hij moet ons trakteren!

Mei- en pinkstergebruiken vallen in de na-christelijke tijd vrijwel samen. Zijn eigen lief, ‘sinen boel’, zijn betere helft ter ere plant iedere jonkman op de eerste meidag voor haar huis of op haar dak ‘den coelen mei’ (de objectieve mei?). Deze takken spreken een voor ieder verstaanbare taal: fijne sparrentak—goedheid; dennentak — gestadige liefde; berkentak — goed en schoon; maar: kersentak—veranderlijk;  hagedoorn – stekelig, katjes —niet zonder handschoenen aan te pakken; bosje biezen – houdt het met iedereen. Wat staan de meisjes op 1 mei vroeg op, om te kijken wat haar ‘mei’ is! Een goede tak laten ze natuurlijk zo lang mogelijk staan.

Maar er is ook één grote, gemeenschappelijke meiboom of ‘Pinksterboom’ van wel 10 me­ter lang. Die is opgesierd met bonte papieren en slingers en wordt midden op het dorps­plein geplant. Daar dansen gelieven en ge­huwden, jong en oud tot Cinxendag (Pink­sterdag) omheen. Tenslotte werpt men de boom in het stromende water.

Pinksterbruid
Ieder huwbaar meisje is meibruid. Maar met Pinksteren is er één pinksterbruid of ‘pinkster-bloem’. Heel vroeger werd de luilak de pinksterbloem. Het kon toen ook even­goed een man of jongen zijn. De pinkster­bruid is niet alleen de lentebruid, het sym­bool voor de groeikracht der natuur, zij is vooral het beeld van de gesluierde Isis, de on­zichtbare geest der aarde, de maagd, die be­vrucht wordt door de Heilige Geest. Natuurlijk waren de details in iedere streek, zelfs in ieder dorp, verschillend. De voor­naamste symbolen waren overal hetzelfde. Onder de ‘hemel’, die ook ‘pinksterkroon’ heet, soms zelfs in een ‘groen huisje’ neemt de pinksterbruid plaats. Plechtig wordt zij ‘gespeeld’ (versierd) en behangen met pinksterbloemen (die heten zo, omdat zij voor dit feest werden gebruikt, niet omdat zij pas met Pinksteren zouden bloeien), met vele sieraden, versierselen en met bellen. Om haar hoofd krijgt zij een of meer kransen van groen en papieren bloemen. Meestal wordt zij gesluierd. Zij is omgeven door vele bruids­meisjes en – jonkers. Enkele van de jonkers hadden in Drente een versierde stok, de ‘bru-loftstok’ in de hand. Dat waren de ‘wasschupneugers’ (uitnodigers voor het gast­maal).

Dan begint de plechtige ommegang door het dorp. Voorop wordt op een stoel gedragen of loopt de pinksterbruid. De uitnodigers liepen de stoet vooruit, klopten met hun stok op alle deuren en riepen:
‘Ziet, uw bruugom komt!’ Het lied dat bij de omme­gang gezongen wordt, luidt op Terschelling aldus:

Hier is onze fiere Pinksterblom
En ik wou hem zo graag eens wezen.
Met zijn groene kransen om het hoofd
En met zijn klinkende bellen.
Recht is recht.
Krom is krom.
Belief je wat te geven voor de fiere Pinkster­blom
?

Want de fiere Pinksterblom moet voort.

Enkele varianten doen ons misschien de afkomst van het ‘fiere’ begrijpen, want in Cuyk (Noord-Brabant) zong men bijvoorbeeld:
‘Vierge, vierge Pinksterblom’.
Komt dat van het Franse ‘vierge’ (maagd)?
De zegekrans om het hoofd is het beeld der ‘gloria’, in het Nieuwe Testament het Latijnse woord voor ‘verheerlijking, openbaring’.
Zilveren bellen zuiveren de atmosfeer (vgl. Psalm 150).
De duivel is voor dat gerin­kel even bang als voor klokgelui. In dit lied is de bloem mannelijk. Wat doet in de hemel het geslacht ertoe?
Mineralen, stoffen zonder leven, zijn recht en hoekig. Levende wezens, planten, dieren en mensen vertonen gebogen, kromme lij­nen. Zo is ‘recht’ ‘dood’ gaan betekenen en ‘krom’ ‘leven’. De weg naar de geestloze helledood is breed en lijnrecht, het pad naar de hemel van de geest krom en bochtig. Wilt u uw gedachten en daden ‘geven’ aan de mensheid? Want zij moet voort, het licht te­gemoet.

Het is interessant, dat de versieringen bij alle pinkstergebruiken – enkele bloemen, zoals pinkster- en boterbloem, uitgezonderd — al­tijd gemaakt worden van ‘mooimakersgoed’ (gekleurd papier). Vroeger jaren bewaarde men daartoe het hele jaar door kleurige pa­piertjes e.d.

In onze tijd, die bedolven is onder een pa­pierlawine, gebruikt men crêpepapier, sits, zijdevloe enz. Echte bloemen horen bij het Midzomerfeest, bij St.- Jan. Het pinksterfeest is nl. niet zozeer het feest van de scheppende aardekrachten, maar van de scheppende menselijke geest, die op aarde pelgrimeert naar Gods Geest. Daarom maakten allen tesamen zelf de zelf bedachte versieringen voor het pinksterfeest: slingers van papier of stof, allerlei fantastische papieren figuren en fictieve, exotische bloemen. – De meietak en de pinksterboom zijn één. Alle bruidjes versie­ren samen de pinksterbruid. Ik werk tesamen met alle mensen der aarde. Dat is een gevoel, dat sinds Christus’ verbin­ding met de aarde en sinds het eerste pink­sterfeest steeds actueler wordt. De volks­geest wordt steeds meer de geest der mens­heid. De kracht die in deze ontwikkeling werkt is afkomstig van wat het Christendom de ‘Heilige Geest’ noemt. En in het gezamen­lijk lijden en worstelen der mensheid om die Geest te verwerven, zal ieder zijn persoon­lijke taak, de opdracht van zijn eigen Zelf van leven tot leven vinden, dankzij de hevige windvlagen, die ruisen door ons huis en die vurige tongen, die vlammen boven ons hoofd.

Dan zullen u en ik een taal gaan spreken, die over heel de wereld wordt verstaan. Want ‘de fiere, vrije pinkstergeest moet voort.’

Henk Sweers, ‘Jonas”nr.20, 4 juni 1976

.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

167-159

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (17)

.

PINKSTEREN, TEGENWOORDIGHEID VAN GEEST

Het is al vele jaren geleden, maar ik herinner mij het voorval als de dag van gisteren. De weg door de bossen was niet erg breed. Er liep geen witte on­derbroken lijn over het midden, en er was nergens een aanduiding van hoofd-of zijwegen. Overal zwijgend bos om ons heen. Ik zat achter het stuur; naast mij een moeder, hoog zwanger van haar derde kind. Ze vertelde me iets, maar ik luisterde met een half oor. Het was of ik gespannen ergens op wachtte en ik wist niet waarop. Het zicht was zo slecht met al die bomen en zonder wegbakens. En toen was daar plotseling de krui­sing, geen waarschuwing, geen ver­keersbord. Ik keek naar rechts en zag de auto aankomen. ‘Waarom rijdt die man zo hard op een zijweg?’ schoot het door me heen, en vaag drong een driftig getoeter tot me door. Op dat­zelfde moment hadden mijn handen het stuur al omgegooid. We sloegen keurig rechtsaf en even later bracht ik de auto tot stilstand in de berm, vlak­bij een ANWB-bord. Ik slikte even en zei toen rustig: ‘Zullen we even kijken waar we heen moeten?’ De vrouw naast mij knikte, ze had niets gemerkt, dacht dat het zo hoorde. Maar ik voelde de wiekslag van de engel die over het ongeboren kind waakte, langs mijn verhitte gezicht strijken.

Van buitenaf gezien noemt men dat: tegenwoordigheid van geest. Maar wiens geest is er dan tegenwoordig? Het was niet mijn gewone aardse be­wustzijn, dat mij de reddende hande­ling deed verrichten. Mijn handen ge­hoorzaamden op dat moment heel duidelijk aan iets dat boven mij of om mij heen sterk voelbaar aanwezig was. Een handreiking uit het gebied van de geest? In ieder geval een moment van genade uit de wereld waar het ongebo­ren kind nog helemaal thuishoort. Maar ook ik heb er toegang toe, zo nu en dan, anders was de ingreep niet ge­lukt.

Een stille vreugde kan je vervul­len als je merkt, soms, en altijd onver­wacht, dat de verbinding met de we­reld van het onzichtbare niet geheel verbroken is. Het openhouden van de toegangspoort gaat niet vanzelf. Er groeit zoveel onkruid voor. Je moet eindeloos wieden en na korte tijd komt er weer ander onkruid op, dat alles dreigt te overwoekeren. Geen be­tere oefening voor het geduld dan het schoonhouden van de eigen, innerlijke tuin!

De tijd van het jaar
De maand juni is genoemd naar de go­din Juno, de gemalin van Jupiter, de oppergod der oude Romeinen. Konin­gin van het hemelgewelf was zij met de blanke lelie en de trotse pauw als kenteken naast zich. Als de pauw loopt te pronken met de fonkelend blauwe waaier van zijn prachtige staart, dan kijken de vele ‘ogen’ je aan als een sterrenhemel in het klein. En Juno was heerseres in het rijk van de sterren. Op vele oude schilderijen zie je pauwe­ogen geschilderd op de vleugel van en­gelen. Een stuk van de hemel dragen ze met zich mee, en waar zij komen, kijken al die sterre-ogen ons aan, kij­ken vol belangstelling naar wat er in de wereld der mensen gebeurt. Soms, als je de ernstige blik van een heel jong kind ontmoet, kun je dat ook ervaren: door het kind heen kijkt de wereld van de geest ons aan, kijkt naar ons doen en laten, naar ons vallen en op­staan.

Godin van de vruchtbaarheid, van alles wat groeit en bloeit, van wat ontkie­men wil – dat was Juno ook. Dat vin­den we nu nog terug in de pinkster­bruid met alle gebruiken die daar bij horen.

Vanaf het lentepunt in maart, de dag-­en-nachtevening, stijgt de zon in een versnelde beweging naar zijn hoogte­punt toe. De boog boven de aarde wordt steeds groter en hoger. De zon wordt steeds warmer en hij blijft steeds langer bij ons. De maand juni is misschien wel de moeilijkste tijd om je te concentreren op ‘denkwerk’. Het liefste zou iedereen van de warmte, van de zon, van het leven willen genie­ten zoals kinderen dat doen: lekker kledderen met water en zand, of ma­deliefjes plukken in het gras en kran­sen vlechten, of zomaar wat zitten dromen op een muurtje. Luchtig, speels, schijnbaar zonder doel, zonder aardezwaarte huppelt het kind door het leven. We zijn er jaloers op, want we zijn dat kind in ons kwijt geraakt. Maar eens in het jaar kunnen we weer iets proeven van die lichtheid, van die zonnigheid in de maand van de Twee­ling, de maand van het kind.

Het feest, toen en nu
Pinksteren is al een oeroud feest. Lang voor het begin van onze jaartelling vierden de Israëlieten, 7 weken na het Paschafeest, het feest van de eerste ga­ven van de opnieuw ontwaakte natuur, het feest van de eerstelingen. De rook steeg op van de brandoffers in de tem­pel en droeg de dankbare gebeden van de gelovigen mee omhoog naar de god­heid.

Er werd echter nog een andere gebeur­tenis herdacht met dit feest, een ge­beurtenis waarbij het fundament gege­ven werd voor de hele joodse samenle­ving door alle komende eeuwen heen: het ontvangen van de tien geboden door Mozes. De wetgeving ging ge­paard met donderend onweer en laaiend hemelvuur. De machtige, leidende en ordenende geest gaf op niet mis te verstane wijze blijk van zijn tegen­woordigheid, zodat de zwervende Is­raëlieten met ontzag werden vervuld. Onder bliksemend vuur werden zij tot een volk gesmeed, tot een ‘samen-ho­rend’ geheel. Onder dwang werden de rondzwervende zielen tot een eenheid samengevoegd, gehoorzaam aan één God en zijn gebod. Het antwoord op de vraag ‘waarom?’ lag enige eeuwen later, toen het kind van Maria geboren werd in Bethlehem, de stad Davids.

Hoe geheel anders beleven we Pinkste­ren in christelijke zin! Naar het tijd­stip komt het nog overeen met het ou­de feest der Joden: de vijftigste dag na Pasen of wel 7 weken later. Om een vermoeden te krijgen waar het verschil zit, moeten we de Handelingen der apostelen opslaan. Daarin wordt immers beschreven wat er op die ene bij­zondere pinksterdag gebeurde:
‘Toen dan de dag van het pinksterfeest aan­brak, waren zij allen bijeen. En plotse­ling klonk er uit de hemel een geluid als het waaien van een machtige wind en vulde het hele huis waar zij gezeten waren’.
Hier is reeds een eenheid aan­wezig, de discipelen en andere leerlin­gen die daar bij elkaar zijn in de zaal, voelen zich één door alles wat zij in de afgelopen drie jaar hebben meege­maakt en doorgemaakt. Die machtig waaiende wind is als een geweldige adem die op hen blaast. Het doet mij denken aan het verhaal van de schep­ping van de eerste mens, van Adam: God blies zijn adem op hem, zodat hij tot leven kwam. Het bloed ging stro­men, hij werd warm van een innerlijk vuur en hij kon spreken. Zo werden de leerlingen van Jezus gegrepen door een innerlijk vuur, dat zij bij elkaar schouwden als vurige tongen, die zich op hun hoofden neerzetten, op ieder van hen individueel.
De wolken van Hemelvaart klaarden op, stralend en helder stond een innerlijke ‘wetgeving’ voor hun geest. Buiten werd het feest gevierd van de eerstelingen van de na­tuur; binnen voltrok zich het mystiek gebeuren van de eerste gaven van de Heilige Geest, de Trooster waarover de Christus zo dikwijls gesproken had, toen hij nog op aarde rondwandelde. De discipelen wisten nu wat zij moes­ten doen. Er was een einde gekomen aan hun innerlijke onzekerheid. Ook zij waren enige tijd ‘zwervende zielen’ geweest. Maar nu brandde in hen dat vuur dat hen noopte tot spreken, en zij gingen naar buiten en begonnen te spreken over de machtige daden Gods.

Op dood spoor?
Zo werd het oeroude pinksterfeest van binnenuit vernieuwd, zoals ook het oude paschafeest van binnenuit ver­nieuwd werd door de inzetting van het heilig avondmaal. Pinksteren werd een feest van de toekomst. Het zoeken naar een gemeenschap van individuele zielen was begonnen. Het bleek een hele lange weg te worden. Zo zeker als de eerste discipelen zich voelden van zichzelf en van elkaar, zo onzeker gin­gen de mensen na hen zich gedragen met betrekking tot de heilige Geest en de innerlijke wetgeving. Hoe groter de onzekerheid werd, hoe meer de hoge kerkelijke autoriteiten vergaderden, en hoe meer zij trachtten vast te leggen in leerstellingen, in dogma’s. Zij waren niet meer zo direct bezield met een heilig weten, dat door ieder gedeeld werd, die op dezelfde wijze voorbereid was. De toegangspoort tot de wereld van de geest raakte verstopt met onkruid. Er ontstond een machtig bouwwerk van gedachten, neergelegd in dikke boeken, en toch blijkt nu in deze turbulente tijden dat we deze vastgelegde, kerkelijke  wetgeving steeds meer gaan loslaten op zoek naar het waarachtig levende woord. Er is weer een volk van zwervers ontstaan, van zwervende zielen, van een zoeken­de mensheid. We zoeken een houvast, en dat houvast is het doel waarop we heel ons denken willen richten.

In de roos
In de rozenmaand juni zijn er in onze zuidelijke provincies bepaalde festivi­teiten verbonden met Pinksteren, die ogenschijnlijk met deze christelijke feestdag niets te maken hebben. In Zeeland, in Brabant en Limburg wor­den dan ieder jaar de schuttersfeesten gehouden. Door het jaar heen wordt er geoefend, maar met Pinksteren vie­ren de schuttersgilden het koningsschieten. Met vanen en wapenen gaat men eerst ter kerke. Daarna trekt de stoet naar het veld, waar de hoge schutsboom staat opgesteld. Driemaal loopt de processie eromheen, zodat de plaats van het doel goed gemarkeerd is. Dan mag de ‘koning’ van het vorig jaar de eerste pijl afschieten. Is er raak geschoten, dan slaat de tamboer een roffel op zijn trom en de omstanders juichen. Er wordt veelal met de hand­boog geschoten, vooral in Zeeland. In Brabant komt er meer versiering bij door het ‘vlagvertoon’ van het vendelzwaaien, dat als een kunst beoefend wordt.

Wat heeft de schutter met Pinksteren te maken? We kunnen er een vermoe­den van krijgen, als we ons voorstellen wat de schutter doet. Hij spant zijn boog met de pijl erop en richt zijn oog op het doel, daar hoog in de lucht op de schutsboom. De schutter spant ech­ter niet alleen zijn boog, ook zijn arm, ja zijn hele lichaam spant hij en als hij de pijl laat schieten, ontspant hij zich weer, tegelijk met de boog. Als wij denkend, in de geest, een be­grip proberen te ‘vangen’ in woorden of als wij een bepaalde gedachte, een idee dat we duidelijk voor ons zien, een vorm willen geven, zodat het tast­baar wordt – dan doen we als de schut­ter. En als dan de vorm enigszins be­vredigend, de oorspronkelijke gedach­te tot uitdrukking brengt, dan beleven we daaraan vreugde, dan hebben we ‘in de roos’ geschoten.

Er is nog een ander verband tussen de maand juni en de schutter. Ieder die­renriemteken heeft zijn ‘contrabeeld’ dat een halfjaar later ligt. Nu blijkt het tegenbeeld van de maand juni – dat is de tweeling – in de maand de­cember te liggen, de tijd die staat on­der het teken van de Schutter. Dat kun je als gegeven zo laten staan, maar al denkend kom je tot verrassende ont­dekkingen. Ik kan me voorstellen dat de schutter zo sterk zijn doel voor ogen heeft, dat hij de weg die de pijl moet afleggen om er te komen, niet meer ziet, laat staan nog eventueel an­dere mogelijkheden om het doel te be­reiken, behalve langs de rechte lijn. Het lijkt mij dat de schutter dan veel kan leren van de beweeglijkheid van het kind, dat in zijn spelend leven nog geen doel kent.

Merkwaardig, dat de adventstijd, de weken van verlangend uitzien naar het Kerstkind, in de tijd van de Schutter valt. Zo worden we, als de zon bijna op zijn hoogste punt staat, op een ver­borgen manier gewezen op Kerstmis, het feest van de geboorte midden in de winternacht. Misschien wil Pinkste­ren ons dat zeggen: laat het kind in ons weer geboren worden, dat wat in ons worden wil, wat toekomstkracht in zich draagt. Want waar de openheid van het kind is, daar kan de geest wer­ken. Dan zal er evenwicht zijn tussen geest en materie, tussen hemel en aar­de, en de mens zal in het midden staan.

Marieke Anschütz, ‘Jonas’  1 juni 1979

.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

166-158

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.