VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (22)

.

‘VINGERHOED, VINGERHOED, HEB GOEDE MOED’

Vingerhoedje, een arm gebocheld mannetje dat ‘er nauwelijks als een mens uitzag’.

Else Tideman vond een Iers sprookje dat ons op weg kan helpen iets van het pinksterfeest te beleven.

‘Dat kan alleen maar gebeuren als men zich zo voorbereidt als Vingerhoedje’.

Er was eens een arme man. Hij had een grote bult op zijn rug, dat zag er net uit of zijn lijf naar boven geschoven en op zijn schouders gelegd was. Door de zwaarte werd zijn hoofd zó diep naar beneden gedrukt, dat hij ge­woon was zijn kin op zijn knieën te steunen, als hij zat.
De mensen uit de streek waren bang om hem op een eenzame plek tegen te komen, en toch was het arme mannetje zo onschuldig en vredelievend als een pasgebo­ren kind. Maar zijn mismaaktheid was zó groot, dat hij er nauwelijks als een mens uit­zag en daarom hadden boosaardige lieden vreemde verhalen over hem verspreid.
Er werd verteld dat hij veel van kruiden en tovermiddelen wist. Zeker was dat hij met vaardige hand hoeden en korven kon vlech­ten uit stro en biezen. Daarmee verdiende hij zijn brood.
Vingerhoedje was zijn bijnaam, omdat hij op zijn hoedje altijd een tak droeg van het elfenkapje of rode vingerhoedskruid.
Voor zijn vlechtwerk kreeg hij altijd een dubbeltje meer dan een ander; misschien hebben de mensen uit nijd daarover die won­derlijke verhalen over hem rondgestrooid.
Eens gebeurde het dat Vingerhoedje ’s avonds van de stad Cahir naar Cappagh ging. En om­dat hij door de lastige bult op zijn rug maar langzaam vooruit kwam, was het al donker toen hij het oude hunebed bereikte, dat rechts van de weg ligt. Moe en afgemat, teneergeslagen omdat hij wist dat er nog een lang stuk weg vóór hem lag en hij de hele nacht moest doorlopen, ging hij onderaan de grafheuvel zitten om een beetje uit te rusten en keek heel bedroefd naar de maan.
Opeens drong een wonderlijke, onderaardse muziek tot de oren van Vingerhoedje door. Hij luisterde en hij dacht dat hij nog nooit zoiets betoverends gehoord had. Het was als de klank van veel stemmen, waarvan de één zich naar de ander voegde en die zich zó wonderlijk vermengden, dat het er maar één scheen te zijn, terwijl toch ieder een eigen toon hield.
De woorden van het lied waren deze:

‘Da Luan, Da Mort,
Da Luan, Da Mort,
Da Luan, Da Mort’.

Daarna kwam een kleine pauze, waarop de muziek van voren af aan begon.

Vingerhoedje luisterde opmerkzaam en durfde nauwelijks adem te halen om geen toon te missen. Hij merkte nu duidelijk dat het ge­zang uit de grafheuvel kwam. En hoewel het hem in het begin erg verrukte, werd hij het eindelijk toch moe dezelfde rondzang aan één stuk door, zonder afwisseling aan te ho­ren. Toen opnieuw Da Luan, Da Mort drie­maal gezongen was, gebruikte hij de kleine pauze en nam de melodie op om verder te zin­gen met de woorden augus Da Cadine. Toen daarna de stemmen in de heuvel weer invie­len, zong hij met hen mee – Du Luan, Da Mort, maar eindigde bij de pauze weer met zijn toevoeging augus Da Cadine.
Toen de elfen in de heuvel de toevoeging tot hun geestesgezang hoorden, verlustigden zij er zich buitengewoon in en besloten meteen het mensenkind, wiens muzikale bekwaam­heid de hunne zó ver overtrof naar beneden te halen, en Vingerhoedje werd met de krin­gelende snelheid van een wervelwind naar hen toegedragen.

Dát was een pracht, die hem in de ogen blonk, toen hij beneden in de heuvel kwam, rondzwevend, licht als een strohalmpje. En de lieflijkste muziek hield keurig de maat bij zijn vaart. De grootste eer werd hem echter betoond toen zij hem boven alle zangers plaatsten. Hij had dienaren, die hem alles moesten geven wat zijn hart begeerde, en hij zag hoe de elfen van hem hielden. Kortom, hij werd behandeld alsof hij de eerste man in het land was.

Toen merkte Vingerhoedje, dat ze de kop­pen bij elkaar staken en met elkaar beraad­slaagden, en hoezeer hun hoffelijkheid hem ook beviel, begon hij toch bang te worden. Toen kwam een van de elfen voor hem staan en zei:

‘Vingerhoed! Vingerhoed!
Heb maar goede moed!
Wees lustig en tevreden,
Je bult valt naar beneden,
Zie hem liggen, ’t ga je goed,
Vingerhoed, Vingerhoed!’

Nauwelijks waren de woorden beëindigd, of Vingerhoedje voelde zich zó licht, zó zalig, alsof hij in één sprong wel over de maan kon wegspringen, zoals de koe in het sprookje van de kat en de viool. Hij zag met de groot­ste vreugde van de wereld de bult van zijn schouders op de grond vallen. Hij probeerde toen of hij zijn hoofd kon opheffen, maar hij deed het heel voorzichtig uit vrees tegen de zoldering van de grote hal te stoten. Daarna keek hij om zich heen met de grootste be­wondering en verlustigde zich in alle dingen, die hem steeds schoner voorkwamen. Ten­slotte werd hij zó overweldigd door de aan­blik van zijn glanzend verblijf, dat het hem duizelde, zijn ogen verblind werden en hij in een diepe slaap viel.

Toen hij wakker werd, was het klaarlichte dag. De zon scheen, de vogels zongen en hij lag weer aan de voet van de grafheuvel, ter­wijl koeien en schapen vredig om hem heen graasden. Nadat Vingerhoedje zijn gebed ge­zegd had, was zijn eerste daad naar zijn bult te grijpen, maar er was op zijn rug geen spoor meer van te vinden. Hij bekeek zichzelf niet zonder trots, want hij was een welgevormde jongeman geworden en – wat geen kleinig­heid was – hij zag zichzelf van top tot teen in nieuwe kleren. Hij begreep dat de elfen hem dit pak bezorgd hadden. Toen ging hij op weg naar Cappagh, hij liep zó dapper en sprong bij iedere pas, alsof hij zijn leven lang niet anders gewend was ge­weest. Niemand die hem ontmoette, herken­de hem zonder bult en hij had de grootste moeite de mensen ervan te overtuigen dat hij werkelijk Vingerhoedje was. En inder­daad, naar zijn uiterlijk was hij het ook niet meer.

Mijlenver in de omtrek sprak ieder, rijk of arm, over niets anders meer dan over de ge­schiedenis van Vingerhoedjes bult. Op een morgen zat Vingerhoedje tevreden voor zijn deur. Daar kwam een oude vrouw langs, die hem de weg naar Cappagh vroeg. ‘Je bent hier in Cappagh’, antwoordde hij, ‘naar wie wil je toe?’ ‘Ik kom van ver en zoek een man, die Vingerhoedje genoemd wordt en van wie wordt gezegd dat de elfen de bult van zijn schouders genomen hebben. De zoon van mijn vriendin, die heeft een bult die hem nog dóód drukken zal. Misschien kan hij net zo’n tovermiddel gebruiken als Vingerhoedje, om ervan verlost te worden. Daar wou ik zo graag van horen’.

Vingerhoedje vertelde haar uitvoerig hoe al­les gegaan was. De oude vrouw dankte hem duizendmaal en ging weer naar huis. Toen ze bij haar vriendin kwam, vertelde ze precies wat ze van Vingerhoedje te weten gekomen was. Daarna zetten ze het bultige kereltje op een wagen en trokken hem voort. Het was een verre tocht. ‘Maar wat hindert dat’, dachten ze, ‘als hij zijn bult maar kwijt raakt’. Juist toen de nacht begon, kwamen ze bij de grafheuvel aan. Zij legden hem daar neer en gingen weg.

Hans Madden, want dat was de naam van de gebochelde, was z’n leven lang een knorrig en sluw kereltje geweest. Hij zat nog maar kort bij de grafheuvel toen de muziek in de heu­vel begon, nog veel lieflijker dan eerst, want de elfen zongen hun lied met de toevoeging die ze van Vingerhoedje geleerd hadden. ‘Da Luan, Da Mort, Da Luan, Da Mort, Da Luan, Da Mort, augus Da Cadine’,  zonder onder­breking. Hans, die nu vlug zijn bult kwijt wilde, wachtte niet tot de elfen met hun ge­zang klaar waren. Ook lette hij niet op het geschikte ogenblik om net als Vingerhoedje de melodie met een eigen toevoeging voort te zetten. Toen ze hun lied meer dan zeven keer aan één stuk door gezongen hadden, schreeuwde hij zonder rekening te houden met maat en melodie en een passend ogen­blik om zijn woorden in te voegen, uit volle borst: ‘augus Da Dardine augus Da Hena’ en dacht, ‘was één toevoeging goed, dan zijn twee nog beter, en als Vingerhoedje één nieuw pak gekregen heeft, zullen ze mij er wel twee geven.’

Nauwelijks waren de woorden over zijn lip­pen gekomen, of hij werd opgenomen en met wonderbaarlijk geweld binnengedragen in de heuvel. Hier omringden de elfen hem. Ze waren heel boos en riepen schreeuwend en krijsend: ‘Wie heeft ons lied bedorven? Wie heeft ons lied bedorven?’ Eén kwam naar voren en zei:

‘Hans Madden! Hans Madden!
Slecht passen de woorden,
Die wij van je hoorden!
Nu ben je gevangen,
Wat zal aan je hangen?
Twee bulten voor éne! Hans Madden!’

En twintig van de sterkste elfen sleepten Vingerhoedjes bult aan en zetten hem boven­op de bochel van de ongelukkige Hans Mad­den. Daar zat hij zo vast alsof hij met twaalf­cents nagels door de beste timmerman die ooit nagels ingeslagen had, vastgespijkerd was. Daarna stootten zij hem uit hun woning.
’s Morgens toen Hans Maddens moeder en haar vriendin naar hem kwamen kijken, vonden ze hem aan de voet van de heuvel liggen, half dood met een tweede bult op zijn rug. Zij bekeken hem om beurten, maar daar bleef het bij. Tenslotte werden ze bang, dat hun óók een bult op de rug gezet kon wor­den en brachten Hans Madden weer naar huis.

Zo moest Hans Madden verder leven met het gewicht van twéé bulten op zijn rug. En dat was zó zwaar, dat hij niet lang daarna gestor­ven is. Vingerhoedje echter leefde nog lang en tevreden.

Pinksteren
Hoe kan dit sprookje ons op weg helpen iets van Pinksteren te beleven? We zien vóór ons een gebocheld mannetje. Hij is arm, verdient zijn brood met manden en hoeden vlechten. Allemaal omstandigheden die iemand hard en bitter kunnen maken. Het tegendeel is waar. Hij wordt ‘onschuldig en vredelie­vend’ genoemd. Hij kan buitengewoon goed vlechten. We kunnen ons voorstellen hoe hij daar zit: kin op de knieën, ‘zijn lichaam naar boven geschoven, zijn hoofd naar beneden gedrukt.’ Alles is ‘in het midden’ samenge­drukt. Je zou kunnen zeggen: hij denkt ‘heel dicht bij zijn hart’. Ook zijn oren en zijn omhooggeschoven lijf zijn ‘heel dicht bij zijn hart’. Al het mens-zijn is om zijn hart ge­groepeerd. Hij vlecht manden, voorwerpen, die gevuld kunnen worden, die iets kunnen dragen. Ze kunnen alle schatten bevatten, die de koper eraan toevertrouwt. Ze zijn mooi – hij krijgt immers een dubbeltje extra. Ook de hoeden zijn mooi en bruikbaar. Ze beschermen de koper tegen het ‘te veel’ aan regen en zonneschijn. Ze zijn samen – mand en hoed – als het ware een beeld van wat hij zélf is: al is hij nog zo mismaakt, hij weet zichzelf ‘te dragen’ en te beschermen tegen het ‘te veel’ van buiten af. Toch sluit hij zich niet af. Hij maakt gevlochten voorwerpen en weet zijn ervaringen positief te vervlechten. Zijn manden en hoeden zijn stevig en toch luchtig, niet zwaar, en van natuurmateriaal: stro en biezen. Ook dat is materiaal van ‘het midden’. Het stro is immers de korenhalm tussen de gedorste aar en de wortel waarmee de halm in de grond stond. Van de biezen kan men hetzelfde zeggen. Zelf heeft hij óók een hoedje van dit materiaal op, met een takje van het vingerhoedskruid. De Latijnse naam hiervan is digitalis purpurea. Deze plant wordt als geneesmiddel voor het hart ge­bruikt! In Ierland heet hij fairy-cap, elfen­kapje.

Het hele beeld spreekt van een geweldige concentratie van alle menselijke vermogens om het hart heen en een voortdurend bezig zijn en oefenen daarin. Zelfs als hij ’s avonds afgemat bij het hunebed zit: hij luistert ademloos. Hij verdiept zich zo in de elfenmuziek, dat hij er één mee wordt en van bin­nenuit ritme en melodie meebeleeft. Dan voelt hij ook het gemis en het verlangen dat zich in de stilte tussen de zich herhalende strofen uitdrukt. Daarin verdiept hij zich zó sterk, dat in hem ook een gemis ontstaat. (Hij werd moe van de niet eindigende rond­zang). En nú komt – wat je zou kunnen noe­men – een beeld van een pinksterbeleven. Dat kan alleen maar gebeuren, als men zich zó voorbereidt als Vingerhoedje.

In het Nieuwe Testament staat over Pinkste­ren: ‘En zij werden allen van Heilige Geest vervuld en begonnen te spreken in andere ta­len met de spraak, die de Geest hun gaf’.

Plotseling kan Vingerhoedje de taal van de elfen spreken en zingen en hij vindt een aan­vulling van hun lied. Iets volkomen nieuws ontstaat. De elfen voelen zich opgenomen, ze zijn méér dan ze waren, ze zijn héél ge­worden: ge-heeld.
Ook Vingerhoedje wordt ‘geheeld’ door zijn onbaatzuchtige daad. Hij wordt ook meer dan hij was: een welgevorm­de jongeman, van top tot teen in nieuwe kle­ren. En dat is een tweede aspect van het pinkstergebeuren.

Nu begrijpen we ook, dat Hans Madden met zijn egoïstische verlangen – twee nieuwe pakken en geen bult meer – heel ver van dit heilige en helende gebeuren afstond. Toch horen ze beiden in het beeld: Vingerhoedje en Hans Madden. Hans Madden is in dit sprookje de schaduw die het licht van Vin­gerhoedje helderder doet schijnen.

Else Tideman , ‘Jonas’ 20, 28 mei 1982

Dit Ierse sprookje is te vinden in ‘Celtic Fairy Tales, collected by Joseph Jacobs. Uitg. The Bodley Head London. Een goede vertaling in het Duits door de broeders Grimm staat in: Irische Elfenmarchen. Uitg. Freies Geistesleben.

.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

174-164

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

2 Reacties op “VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (22)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (20) | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: VRIJESCHOOL – JAARFEESTEN – Pinksteren – alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s