Tagarchief: maan

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-3/6)

.

SOCIALE EN INDIVIDUELE BEWUSTWORDING 6

 

De techniek als tegenbeeld van menselijke ontwikkeling

In de vorige artikelen [1] werd geprobeerd maatschappelijke verschijnselen te verdichten tot hun essentie en met deze kwaliteit in de ziel naar binnen te kijken op zoek naar eenzelfde kracht.

De verschijnselen die we namen, waren van min of meer institutionele aard. Het verzekeringswezen, de inflatie, het boulevardblad, de nieuwbouwwijk en dergelijke.

We willen in dit artikel dezelfde binnen-buiten problematiek nog van een andere kant aanlopen: de techniek. Wat aan techniek wordt ontwikkeld is de afspiegeling van een bewustzijnsverandering die daaraan is vooraf gegaan. Het mechanistisch-causale denken, zo fundamenteel voor de moderne natuurwetenschap en techniek, is historisch pas mogelijk geworden toen waarneming en denken niet langer door het innerlijk meebeleven van de levensprocessen in het waargenomene werden vertroebeld.

Technisch is het maken van een vacuüm (grondslag van de stoommachine die de industriële revolutie inluidde) pas mogelijk geworden toen de mens innerlijk de ‘horror vacui’ overwonnen had. Met ‘horror vacui’ bedoelde men in de middeleeuwen de angst voor een ruimte waarin geen lucht, geen adem, geen goddelijke geest aanwezig is. . .

Raketten schiet men pas naar de maan op ’t moment dat men dit hemellichaam als een dode slak beleeft en niet als de woonplaats en werkingscentrum van geestelijke wezens (bijvoorbeeld de godin Luna)

Is de techniek op deze wijze beschouwd gevolg van de bewustzijnsveranderingen, anderzijds krijgt men de indruk dat diezelfde techniek ons karikaturen toont van hetgeen wij als volgende stap in de bewustzijnsontwikkeling moeten voltrekken.

We willen de aandacht vestigen op technische prestaties als TV en maanlanding enerzijds en atoomreactor en graafmachine anderzijds. Beginnen we met TV en maanlanding.

In de TV zien we de culminatie van ‘een in de laatste decennia omhoog geschoten ‘beeldcultuur’: geïllustreerde tijdschriften, beeldromans, stripverhalen, bioscopen en diavertoningen. Visuele hulpmiddelen in het onderwijs vormen hiervan de onderbouw. Er is een onverzadigbare honger naar beeldinformatie. Het aantal plaatjes dat mensen per uur kunnen verslinden is verbijsterend.

Er is blijkbaar in de mensenziel een diep onbewust verlangen naar beelden. Als technische beeldmedia niet op deze onderliggende behoefte in konden spelen, zouden ze geen schijn van kans hebben.

Stemer beschrijft vanuit zijn geesteswetenschappelijke onderzoekingen wat de diepere zin van dit verlangen naar beelden is. Hij schildert de
mensheidsontwikkeling als een geleidelijk ontwaken aan de zintuigelijk materiele wereld. Aanvankelijk slapend één met een goddelijk-geestelijke wereld, vond een geleidelijke afsnoering plaats. Met de overgang van de Egyptische naar de Griekse cultuur vindt tevens de overgang plaats van een beeldend-imaginatief bewustzijn naar een abstract-intellectueel denken. Met de overgang van de middeleeuwen naar de nieuwere tijd wordt ook de waarneming van haar beeldkarakter ontdaan en begint het zintuigelijk-instrumenteel waarnemen (zie 1e artikel in deze serie). Alleen door deze vrijwel volledige afsnoering van de geestelijk-levende werkelijkheid kan de mens tot een wakker en helder ik-bewustzijn komen. Alleen door de kennende relatie tot de wereld te reduceren tot het uiterste kan hij tot zichzelf komen.

Door het oog van de naald kruipt de mens. Hij laat alles achter en verovert daarbij innerlijke vrijheid. Wat gaat hij daarmee doen ‘aan de andere kant van de naald’?

Steiner beschrijft in zijn boek ‘Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden?’ [2] dat de eerste stap op de innerlijke scholingsweg gaat in de richting van een imaginatief-beeldend bewustzijn. Niet door weg te dromen in vage fantasieën maar juist door de kracht van het zintuigelijke waarnemen en het verstandelijke denken te versterken. Het wakkere ik-bewustzijn – verworvenheid van het kruipen door de naald – wordt geen moment prijsgegeven. Integendeel, het wordt meegenomen bij het betreden van die wereld waartoe alleen het imaginatieve bewustzijn toegang heeft: de wereld van de tijd, van de levensprocessen, de scheppingskrachten.

De beeldenhonger duidt erop dat er een soort instinctieve drang moet zijn om het bewustzijn uit de abstractie van het begrippen-denken te verlossen en het verder te ontwikkelen in de richting van een beeldend, bewegelijk denken. Dat lukt echter slechts als we het denken zelf, als kracht, versterken. We kunnen dat denken alleen wakker binnenvoeren in de wereld van de levensprocessen, wanneer we wil in het denken binnen brengen.

En dat is nu juist wat systematisch verhinderd wordt door de beeldenwereld die de techniek ons voortovert.

We hoeven de beelden zelf niet op te bouwen. Onze creativiteit wordt lam gelegd en de beelden worden ingetrechterd. We kunnen ons passief overgeven aan een voor geprogrammeerde plaatjesstroom.

Steiner heeft over deze wereld van de levensprocessen (etherwereld) veel gesproken. Hij heeft er onder andere op gewezen dat de maan het hemellichaam is dat in zijn krachtwerking uitdrukking van deze wereld van levensprocessen is. De samenhang van de maan met eb en vloed, met neerslag, met de periode van de vrouw is bekend. Maria Thun heeft in haar onderzoek naar de samenhang tussen het ontkiemen van zaad en de maanstand deze werkingen praktisch hanteerbaar gemaakt.

Het ontwikkelen van het imaginatief-beeldend bewustzijn heeft Steiner ook wel beschreven als het ontwaken in de maansfeer.

Is de ruimtevaart met de maanlanding geen beklemmende uiterlijk-technische projectie van hetgeen wij innerlijk volbrengen moeten? Het beeld van de in het vruchtwater gewichtloos zwevende en met de navelstreng aan de moeder verbonden groothoofdige embryo kan voor ons een beeld zijn van de wereld der etherische levensprocessen.

Het beeld van de in de donkere kosmos gewichtloos rondzwevende gehelmde ruimtevaarders, met een slang verbonden aan het moederschip, is een griezelig-exacte karikatuur van onze volgende bewustzijnsontwikkelings stap. Wanneer we zulke beelden weten te lezen kunnen ze een krachtig appel zijn om deze scholingsweg ter hand te nemen.

Kernreactor

Na het beschrijven van TV en maanlanding als technische prestaties die ons willen manen een innerlijke beeldcultuur op te bouwen, willen we de aandacht vestigen op kernreactor en graafmachine.

Wat gebeurt er in die kernreactoren, waarover zo veel verhitte discussies gevoerd worden door energieleveranciers, milieubewakers, ondergangsprofeten en anti-centralisten?

Een kernreactor is er de technische uitdrukking van dat de mens het rijk van de dode ‘ondernatuur’ tot op de bodem is binnengedrongen. Beginnend bij de mechanica (val- en slingerwetten) via magnetisme en elektriciteit naar de radio-activiteit en de kernsplitsing. Bij deze laatste stap zijn we binnengedrongen in het gebied van de krachten die in de materie schuilen, van de energie die samengebald is in de substantie.

Dit blijkt een gevaarlijk gebied te zijn. Een duister gebied. Het is een gebied dat angsten oproept. Wie de discussies volgt over de bouw van kerncentrales kan op de ondergrond die angst beleven. De politieke, organisatorische en materiële veiligheidsmaatregelen die nodig zijn grenzen aan het onwaarschijnlijke. En nochtans nemen ze het angstgevoel niet weg. Hoe is het mogelijk dat de mens in deze wereld van substantie-vernietiging heeft kunnen doordringen? Is er een gebied in hemzelf dat er mee te maken heeft?

Zo’n gebied is er inderdaad. Het is dat van de stofwisseling. Alles wat zich afspeelt in de onbewuste diepten van onze stofwisselingsorganen heeft te maken met de geheimen van de materievernietiging. Steiner heeft er in zijn medisch-antroposofische voordrachten over gesproken dat er bij de spijsvertering krachten werkzaam zijn die de stof afbreken tot aan de grens van het immateriële. Er vindt in feite geen stofoverdracht plaats van buiten naar binnen, maar het lichaam verdicht de krachten die het aan de uiteenzetting met de vreemde materie (het voedsel) heeft ontwikkeld tot nieuwe substantie, tot bouwstenen voor de eigen lichamelijkheid.

Het is dit gebied van de lichamelijkheid dat het fysieke aangrijpingspunt is over de menselijke wil, in al haar verschijningsvormen van begeerte, drift, instinct tot en met de hoogste vorm van liefde.

Het is ditzelfde gebied dat begint binnen onze bewustzijnshorizon te komen. Het incarnatieproces van dc mens is zo ver voortgeschreden dat het ik geconfronteerd wordt met de klachten die uit de onbewuste diepten van zijn stofwisseling omhoog slaan. Freud, Adler en Jung zijn de eersten die dit gebied onderzoekend betreden.

Sindsdien komt het steeds meer in de aandacht. Door de zwart-magische exercities in het derde rijk, door het onderzoek naar de martelpraktijken, door de golf van seksualiteit en aggressiviteit die door de wereld gaat.

Het gebied is ook ontdekt door ‘therapeuten’ en ‘trancendentisten’, zij hebben praktijken ontwikkeld — en u kunt ze in cursussen die gewoon op de ‘markt’ worden aangeboden ondergaan — om de reserve aan levenskrachten die in de stofwisselingsorganen sluimeren, vrij te maken en de mens daarmee een gevoel van jeugdige frisheid te geven; ze hebben middelen gevonden om de orgaanwijsheid die onbewust in deze wereld werkzaam is, zo in het bewustzijn te tillen dat occulte ervaringen worden opgedaan.

De drempel is overschreden. Het gebied van de stofwisselingskrachten ligt open. Het is een gevaarlijk gebied. Wie niet weet waar hij mee omgaat, welke krachten hij ontketent, welke wezens hij oproept, is uiterst kwetsbaar.

De literatuur met beschrijvingen van zware psychische en geestelijke beschadigingen door het onvoorbereid betreden van dit gebied is groeiende. En toch is het nodig dat het duistere gebied van de wil met bewustzijnslicht doorschenen wordt. De rapide toenemende motivatie-vraagstukken (wat wil ik eigenlijk), wilsverlamming ( ik zie ’t niet meer zitten, van mij hoeft ’t niet meer), verlies aan biografische oriëntatie (wat is de zin van mijn leven) doelstellingsgesprekken (wat willen we met elkaar), maar ook het snel toenemende morele verval, los geslagen seksualiteit, aggressiviteit zijn evenzovele tekenen dat de problemen van de menselijke wil, levend in de stofwisselingsorganen zich met kracht aan de oppervlakte dringen.

Misschien is een atoomreactor — materievernietiger — pas mogelijk geworden nadat in de mens dit gebied zijn taboe verloor en aan de horizon van zijn bewustzijn opdook. Maar misschien zijn de reactoren ook evenzovele manende tekens dat we dit gebied innerlijk moeten veroveren.

Het reeds eerder geciteerde boek van Steiner ‘Hoe ontwikkelt men bewustzijn op hogere gebieden?’ geeft een voor de huidige mens verantwoorde weg om het gebied van de wil in de sfeer van het bewustzijnslicht te tillen.

We moeten er nog een tweede gebied bij belichten en dat brengt ons bij het beeld van de graafmachine.

Als Steiner in 1917 voor het eerst schrijft over de fysieke drieledige mens en de samenhang met de psychische functies van denken, voelen en willen, spreekt hij over het zenuw-zintuigstelsel (aangrijpingsgebied voor het denken), over het ritmische systeem van ademhaling en bloedsomloop (werkingsgebied voor het voelen) en over het stofwisselings-ledematen systeem (waar de wil werkzaam is).

Via het ik grijpt de wil van binnen uit aan in het stofwisselingsgebied en wordt dan via de ledematen tot handeling. Het menselijk willen kan zich alleen via de ledematen kenbaar maken aan de wereld. Deze ledematen zijn als het ware een voortzetting van de stofwisseling naar buiten.

Gebruiken we onze ledematen nog wel? Het beeld van de machinist die (eventueel elektronisch op afstand) een grote graafmachine bedient is representatief voor een stuk technische ontwikkeling dat tendeert naar het stil leggen van de ledematen mens. s Morgens drie stappen naar de auto. Stil zittend (automatische versnelling) laat ik de 70 paarden voor me draven, met roltrap of lift in ’t kantoor naar boven, of naar de werkplaats waar automatische draaibanken alleen nog maar’gecontroleerd hoeven te worden. In de keuken handige apparaatjes waardoor het moeizaam raspen, malen, hakken, roeren overbodig wordt. Op de hobbyzolder wordt niet meer met de hand gezaagd of gevijld. U kunt zelf de voorbeelden aanvullen. Wandelt u in gedachten alle levenssferen door: u zult vinden hoe de techniek systematisch de ledematen-mens op non-actief stelt. (Behalve op zaterdagmorgen om te trimmen!), hoe de techniek onze bewegingsmotoriek tot zwijgen brengt (waarbij het interessant is te bedenken dat de geplande atoomrecktoren de gigantische hoeveelheden energie moeten leveren om deze bewegingsmens volledig lam te krijgen!)

Waar is dat een beeld, een karikatuur van? Wordt ons daar uiterlijk iets getoond wat we eigenlijk innerlijk moeten volbrengen? Ik geloof het wel. Ieder van ons heeft een flink stuk innerlijke dynamiek, nerveuze onrust, emotionele labiliteit in zich. Bij veel mensen krijgt men de indruk van een innerlijk ledematenstelsel dat zij überhaupt niet onder controle hebben. Natuurlijk is het óók goed om door middel van gezonde lichaamsbeweging hier wat van af te reageren. Het probleem ligt mijns inziens echter dieper. Het door innerlijke activiteit tot rust brengen van deze ledematenmens in ons, betekent geenszins een psychische verstarring. In tegendeel. Het betekent een versterking van het bewustzijn in het gebied van de wil, het betekent de ontwikkeling van intuïtie, het geeft de mogelijkheid een subtiel gevoel te krijgen voor hetgeen een situatie van mij vraagt, hoe ik er in moet handelen. Je leert als het ware luisteren met je wil. Kortom, het opent een weg bewuster óm te gaan met het lot. Het beeld van de graafmachine en daarmee van alle techniek die de ledematenmens ontkracht, kan een oproep voor ons worden de innerlijk bewegingsmens onder controle te krijgen. Zoals het beeld van de atoomcentrale ons maant omzichtig maar doelbewust het gebied van de stofwisselings- en seksuele krachten in het bewustzijn te tillen.

Beide technische ontwikkelingen zijn een oproep om bewustzijnslicht naar beneden te zenden in het gebied van de wil, van het handelen, van de ervaring, van het lot.

Zoals de technische verworvenheden van TV en maanlanding een even krachtig appel betekenen wilskracht omhoog te stuwen in het gebied van het denken en waarnemen opdat deze zich verder ontwikkelen tot een imaginatief bewustzijn.

.

Lex Bos, Jonas 19, 21-05-1976
.

[1] deel 1   deel 2   deel 3   deel 4   deel 5   deel 7

[2] Rudolf Steiner GA 10
Vertaling: De weg tot inzicht in hogere werelden

.
Sociale driegeleding: alle artikelen

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Advertenties

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (3-3)

.

EEN ZONNEKLARE MAANKAART

Kan de nieuwe maan in de herfst in de Ram staan?

Dat is een van de vragen waarop je -na het maken van de maankaart – zelf het antwoord kan vinden.

Donderdagavond 20 oktober*, 23.00 uur. Ik loop mijn tuin in om even te kijken naar een spoor van de voorspelde meteoorstroom in het sterrenbeeld Orion. Minutenlang neem ik in volle verbijstering een lichtspel waar dat maar zelden zó vol en indrukwekkend is. Ik zie maanhalo’s, lichtkringen om de maan in verschillende diameters, met bijmanen, nevenmanen en regenboogkleuren in wisselende intensiteiten. Als een koningin prijkt de bijna volle maan in het centrum van de fenomenen.

Des te treffender is dit alles voor mij omdat ik juist tevoren enkele uren intensief gebogen zat over de maankaart, die hierna beschreven wordt. Uren van zoeken en puzzelen hoe de ingewikkelde maanbewegingen in een eenvoudige draaibare kaart schematisch te vangen zijn. U weet uit eigen ervaring hoe lastig het is om de schijngestalte en de positie van de maan aan de hemel op een willekeurig moment van het jaar te voorspellen. Voor de zon is dat veel eenvoudiger. In de zomer hoog aan de hemel, van noordoost naar noordwest bewegend, in de winter laag aan de hemel, van zuidoost naar zuidwest bewegend en in lente en herfst daartussenin, van oost naar west bewegend. De maan doet aan de hemel in wezen hetzelfde als de zon, maar dan ongeveer dertien keer sneller, zodat in een maanmaand alle posities van hoog naar laag (en weer terug) doorlopen zijn. Maar daar komen dan nog de schijngestalten bij, die het totaalbeeld bemoeilijken.

In een kaart heb ik geprobeerd de schijngestalte, hoogte aan de hemel (tegen de achtergrond van de dierenriem), stijgen of dalen (tegen de achtergrond van de dierenriem), plaats van opkomst en ondergang te verwerken. En dat alles voor de vier seizoenen.

Benodigdheden:
blauw fotokarton van 15 bij 15 cm,
wit (of 1 gekleurd) fotokarton (of etalagekarton) van 25 bij 35 cm,
schaar (en eventueel Stanleymes),
passer en lineaal, potlood, pen en kleurmateriaal (verf of kleurpotlood) en
een kleine splitpen.

Werkwijze:
we beginnen met het witte karton. U tekent met de passer een viertal grote en een viertal kleine cirkels, zoals in tekening 1 is aangegeven. Het mooiste is om de grote cirkels in inkt te zetten. De vier kleine cirkeltjes worden uitgeknipt (of gesneden met een Stanleymes), zodat er vier meer dan duimgrote gaten ontstaan. Alles wat onder de horizon ligt kan een aardekleur krijgen, de rest wit blijven of een hemelkleur krijgen.

sterrenkunde-9

Bovenaan de hemelequator (een denkbeeldige hemelcirkel die precies door oost en west gaat), midden tussen de vier gaten komt de splitpen met daaraan vast een schijf van blauw fotokarton, de zon (vlakbij de onzichtbare sterrenkunde-10dingen van de maan in vier schijngestalten, de zon (vlakbij de onzichtbare nieuwe maan) en de namen van de vier seizoenen. Zie tekening 2 voor de maten. Door een uitsparing bovenaan het witte karton is de maanschijf eenvoudig en wel rechtsom draaibaar. Tevens verschijnt bovenaan de seizoensnaam. Het beste kunt u de blauwe schijf nog onbeschreven aan de splitpen hechten en dan door de vier gaten heen de desbetreffende tekeningen en teksten aanbrengen. Met gele verf of kleurpotlood kunt u de maan inkleuren, de zon met wit of oranje. De kaart is vorm- en kleurtechnisch naar eigen inzicht te verbeteren.

Gebruik:
als zonnekaart: u leest per seizoen de positie (in de dierenriem) van de zon af. In de zomer bijvoorbeeld doorloopt de zon de Tweelingenbaan van noordoost naar noordwest en hoog boven het zuiden. De zon ‘staat’ dan in het beeld Tweelingen. In de herfst ‘staat’ de zon in de Maagd en de dagbaan loopt van oost naar west. Enzovoort. De pijlen ‘dalen’ en ‘stijgen’ geven de beweging door het jaar heen weer.

Als maankaart. Nu geldt hetzelfde als bij de zon, alleen is de beweging veel sneller. De pijlen ‘dalen’ en ‘stijgen’ geven de beweging in een maand weer. Als voorbeeld de wintersituatie.

De volle maan staat hoog aan de hemel (in de Tweelingen) en beweegt van noordoost naar noordwest. De afnemende maan is laatste kwartier (waarvan de tekening, evenals die van het eerste kwartier, niet klopt met de werkelijkheid: een manco van deze kaart!) staat in de Maagd en loopt van oost naar west. De nieuwe maan staat samen met de zon in de Schutter en beweegt van zuidoost naar zuidwest. De eerste kwartiermaan staat in de Vissen en beweegt van oost naar west. Al draaiende zult u nog meer ontdekken. Zo kunt u aflezen of een schijngestalte een maand later hoger of lager aan de hemel zal staan. Dit is in werkelijkheid moeilijk en met de kaart makkelijk afleesbaar. Oefen uzelf door het stellen van vragen als: hoe ziet de hemelsituatie er in april uit en kan de nieuwe maan in de herfst in de Ram staan?

Willem Beekman, Jonas 7 *25-11-1983

 

7e klas – sterrenkunde: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 7e klas

 

Willem Beekman:  Bij heldere hemel        meer

 

1172

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – ritme (3/20)

.

Irene Storm, Jonas 21, *15-06-1979
.

in de tuin:

KOSMISCHE RITMEN

Op landbouwgebied onderzoekt Maria Thun al ruim 26 jaar* de invloed van de kosmos op het leven van de planten op de aarde. Ze is hiertoe gekomen naar aanleiding van een voordracht van Rudolf Steiner, waarin hij vertelde dat zon, maan en sterren een be­langrijke uitwerking hebben op de planten­groei en dat het van groot belang zou zijn, dit in de toekomst nader te onderzoeken. Ook in de huidige natuurwetenschap begint steeds meer het besef door te breken, dat planten niet alleen door chemische toevoe­gingen geregeerd worden, maar dat ritme van zon en maan in hun samenspel met de aarde, van beslissende invloed zijn.
Van welke gedachte is Maria Thun uitge­gaan? Zij begon haar onderzoek door de maan – waarvan de omlooptijd ± 28 dagen duurt – in zijn baan te volgen en wel speciaal de relatie van de groei van de plant met de stand van de maan in de dierenriem. De maan beschrijft zijn baan om de aarde en gaat daarbij door de twaalf sterrenbeelden (bijvoorbeeld, ram, stier, vissen) van de die­renriem. De maan heeft steeds 2 à 3 dagen nodig om door een bepaald sterrenbeeld te ‘wandelen’.

Van ieder sterrenbeeld gaan bepaalde vor­mende krachten uit, die we kunnen terug vinden in de verschillende delen van de plant: in wortel, stengel en blad, bloem en vrucht. Door dit ‘wandelen’ van de maan door een sterrenbeeld, veranderen de krach­ten die de plant ontvangt. Met behulp van experimenten heeft zij dit kunnen aanto­nen. Het bleek bijvoorbeeld dat radijsjes, die gezaaid waren bij een stand van de maan in het sterrenbeeld de kreeft, een extra bladgroei hadden, vergeleken met radijsjes die gezaaid waren terwijl de maan in de maagd stond. In het laatste geval bleken de wortels extra gestimuleerd te zijn, wat – bij radijs natuurlijk gunstig is. Verder bleek dat ook bij de stand van de maan in de schorpioen en in de vissen, de bladgroei gestimuleerd werd. Bij een stand van de maan in de tweeling, de waterman of de weegschaal bleek de bloei juist gestimu­leerd te worden.

De twaalf beelden van de dierenriem konden op de volgende wijze in vier groepen van drie verdeeld worden, waarbij iedere groep een bepaald plantendeel stimuleert (zie schema).

ritme en planeten

We kunnen bij deze indeling de verschillende op aarde werkende elementen – vuur, lucht, water, aarde – verbonden met de verschil­lende delen van de plant, terugvinden. Het zaad kan slechts ontstaan door de warm­tekrachten (vuur) en rolt dan als een soort vruchtbare as uit de plant. De bloem ver­breidt zijn geur slechts door de lucht en lokt daarmee onder andere de in de lucht vlie­gende insecten. Het water doorstroomt het blad, waarin de meeste chemische
omzet­tingen zich afspelen. De wortel is het meest aan de minerale wereld (aarde) aangepast.
In de praktijk wordt de kennis van Maria Thun al veel toegepast. Gewassen waarvan je de wortels wilt oogsten kunnen het beste op de zogenaamde worteldagen gezaaid worden. Dat zijn dus de dagen, wanneer de maan door het teken van de maagd, stier of steen­bok gaat.

Veel proeven in verband hiermee, zijn met radijsjes gedaan, omdat dit een snelgroeiend en makkelijk gewas is. Twee jaar* geleden in het maartnummer, heb ik hierover al eens ge­schreven. Als u toen niet in staat was die proeven zelf te doen, dan kunt u het mis­schien alsnog eens proberen, (worteldagen in juni zijn: 2 juni in de na­middag, 4, 5, 6, 7 en 14 juni de hele dag, 15 juni tot 4 uur, 22, 23, 24 tot 6 uur, 25 juni tot 7 uur*)
U moet er wel rekening mee hou­den, dat ook alle bodembewerkingen een in­vloed uitoefenen op het uiteindelijke resul­taat en dat niet alleen het tijdstip van het zaaien van belang is. Met andere woorden ook het spitten, schoffelen en wieden op het stukje grond waar de radijsjes gezaaid wor­den, moet op worteldagen plaats vinden. Door de ritmische invloeden van de andere planeten, zoals mars, jupiter, venus, die ook door de dierenriem ‘wandelen’, worden de werkingen van de maan soms ongunstig be-invloed. Er kan bijvoorbeeld een ziekte of schimmelvorming optreden, als zaden op da­gen gezaaid worden of als planten op dagen verzorgd worden als een bepaalde planeet door een dierenriembeeld gaat, waar een on­gunstige werking vanuit gaat. De regeneratiekrachten nemen soms zelfs zo sterk af, dat dit bij een volgende generatie planten nog te merken is. Ook het tegenovergestelde kan echter plaats vinden, namelijk dat planten heel snel tot ontwikkeling komen en een sterk vitaliseringsproces doormaken.
Niet alleen de stand van de maan in de die­renriem is belangrijk voor de planten, maar ook de afstand van de maan ten aanzien van de aarde is belangrijk. De maan is gedurende veertien dagen verder van de aarde verwij­derd en gedurende 14 dagen dicht bij de aar­de. De baan die de maan beschrijft rond de aarde is niet precies rond, maar is elliptisch. Wordt de afstand van de maan tot de aarde groter, waarbij de maan ook stijgt, dan wer­ken deze ‘stijgkrachten’ ook op de sap­stroom in de planten. Het is dan niet bevordelijk de planten te snoeien of te planten. Bij dalende maan, dus als de afstand maan-aarde kleiner wordt, is het wel gunstig om te snoei­en en te planten. De plantensappen stijgen in deze tijd niet zo sterk en het gevaar van ‘leegstromen’ (‘bloeden’) is veel kleiner. Door de gedane onderzoekingen kunnen nu door het ritme waarin de maan haar omloop maakt, bepaalde zaaidagen vast gelegd
wor­den en aan de hand daarvan is de zaaikalender** van Maria Thun ontstaan. In de zaaikalenders schrijft zij een interessan­te inleiding.
**zaaikalender

.

Ritme: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: alle klassen

.

541-496

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (3)

.

Pasen: kosmisch en innerlijk evenwicht

Voor de vaststelling van de paasdatum geldt de volgende regel:
Pasen valt op de eerste zondag na de lente-volle-maan.
Dit betekent dat aan drie achtereenvolgende voor­waarden moet zijn voldaan:

1.   de aarde moet in haar baan het lentepunt hebben be­reikt;
2.   de maan moet daaropvolgend vol zijn;
3.   de zondag die daarop volgt is Pasen.

1. Bij het lentepunt is een opvallende toestand van even­wicht bereikt; (zoals dit overigens bij het herfstpunt ook het geval is):
– de plaatsen van zonsopgang en -ondergang liggen exact diametraal tegenover elkaar, namelijk oost-west (in de winter zijn namelijk beide plaatsen naar het zuiden, in de zomer meer naar het noorden verplaatst),
–  het zichtbare gedeelte van de zonnebaan (boven de ho­rizon) is even lang als het gedeelte dat onder de hori­zon is gelegen, terwijl het hoogste punt van de zonnebaan precies even hoog bóven de horizon ligt overdag, als het laagste punt er ónder ligt des nachts; hierdoor zijn ook dag en nacht even lang.

2. De toestand van kosmisch evenwicht wordt nog ver­sterkt wanneer aan de tweede voorwaarde is voldaan, namelijk wanneer de maan vol is. De aarde, en daarmee dus ook de mens, staat dan tussen zon en maan in. Als twee wachters staan zon en maan tegenover elkaar met de aarde in het midden.
Daarbij komt ook nog het fenomeen dat in deze tijd van het jaar zonnebaan en maanbaan dezelfde ‘helling’ hebben ten opzichte van de horizon, met andere woor­den, de zon komt overdag precies even hoog boven de horizon als de maan ’s nachts, in tegenstelling tot de winter, waar de zon laag, de maan echter hoog aan de hemel staat en ’s zomers omgekeerd.

3. Kijken we naar de derde ‘voorwaarde’, namelijk dat Pa­sen steeds op een zondag valt (en niet zoals Kerstmis op een vaste datum en dus ieder jaar op een andere weekdag), dan kunnen we vaststellen, dat ook dit feit een taal van evenwicht spreekt. Zoals namelijk de zon in het midden van ons zonnestelsel staat, zo kunnen wij ook in de weekdag, die naar de zon genoemd is, een evenwichtig midden herkennen dat kwalitatieve uiter­sten met elkaar verbindt: De zondag valt namelijk tussen de dagen die met de maan respectievelijk met saturnus (Engels: saturday) in verbinding worden gebracht, met andere woorden twee planeten (in de ptolemeïsche zin van het woord) die elkaars tegenbeelden zijn: de snelste en meest nabije tegenover de langzaamste en verst verwijderde; de maan die haar invloed uitoefent op alles wat met voortplanting en geboorte te maken heeft tegenover saturnus, die gezien wordt als de pla­neet van sterven en dood, waarbij we ook kunnen den­ken aan de christelijke traditie de dienst voor een ge­storvene te voltrekken op zaterdag.

pasen 1
Ook het volgende dagenpaar, vrijdag en dinsdag, waar­tussen de zondag in het midden staat, vertegenwoor­digt een polariteit, namelijk tussen Venus en Mars, schoonheid en kracht, vrouwelijk en manlijk (waarbij de symbolen  ♀  en   ♂  tot in de biologie gebruikt wor­den om de genoemde polariteit tot uitdrukking te bren­gen!).                                                             
Ten slotte staat de woensdag als dag van de bewegelijke en snelle Mercurius (Frans: mercredi) even ver van de zondag als de donderdag, die met de langzaam gaande Jupiter (de planeet van de wijsheid) correspondeert.
In al deze opzichten spreekt de plaats van de zondag de taal van een evenwichtig midden tussen uitersten, tussen polen.

Concluderend kunnen we zeggen dat met Pasen een opti­male toestand van evenwicht bereikt is (Wilhelm Hoerner toont in zijn boek ‘Zeit und Rhythmus’, Uitg. Urachhaus, aan hoe 16 kosmische evenwichtstoestanden hun grootst mogelijke wederzijdse versterking bereiken op de zondag na de lente-volle-maan, dus met Pasen) in die zin, dat het niet een statisch, vastliggend, maar een momentaan even­wicht is, dat in zijn bewegelijkheid overhelt naar de ‘zonnekant’: de dagen worden namelijk langer, de zonnebaan wordt hoger, die van de maan lager; de maan die net vol is geweest, neemt dus af, en tenslotte legt de dag van de week waarop Pasen valt ook de nadruk op de zon.
Dit samenspel van evenwichten en het vinden van het be­wegelijke midden is kennelijk de ritmische tijdsachtergrond voor het gebeuren van Dood en Opstanding op Golgotha.
Op vele oude afbeeldingen van dit gebeuren kun­nen we zien, hoe het kruis in het midden staat met links en rechts daarvan zon en maan.
De evangelist Johannes be­schrijft overigens ook dat er nog twee andere gekruisigden waren, links en rechts van Hem, en voegt er dan schijn­baar overbodig aan toe: ‘… en Jezus in het midden.’

Maar ook bij het Laatste Avondmaal, dat op de avond vóór de dag van de kruisiging viel, bevindt Jezus zich te­midden van zijn discipelen.
Leonardo da Vinci heeft bij de uitbeelding van dit gebeuren (tegen de traditionele op­vatting van tafelschikking in) Jezus niet aan het ‘hoofd’ van de tafel geplaatst, maar in het midden, zodat rechts en links van Hem zes discipelen zitten. Een studie over dit fresco van Hans Feddersen laat zien hoe zelfs spiegelbeel­dig ten opzichte van dit Midden de personen paarsgewijze polariteiten tot uitdrukking brengen. Dit verder aan te to­nen ligt buiten het bestek van dit artikel.

De mens wordt wel eens burger van twee werelden ge­noemd, namelijk van de stoffelijke, zintuigelijke wereld, maar tevens ook van de geestelijke wereld. Hij staat daar tussenin, hij kan als ideaal voor ogen hebben het midden te vinden tussen deze beide uitersten; tussen wereldvlucht en wereldzucht. Maar niet alleen in de dimensie boven-onder staat de mens in het midden. Ook in ‘horizontale’ zin staat hij tussen rechts en links, die de uitdrukking zijn van de twee uitersten geven en nemen. De rechterzijde van de mens is de kant van de daad, van de activiteit, van het (aan)geven; (dat linkshandigheid een uitzondering is, be­vestigt dit feit). De ‘hartekant’ van de mens is die van de ontvankelijkheid, van het ontvangen, van het (luisterend) openstaan voor de ander. Er zijn boeiende studies over de rechter en linker gezichtshelft van de mens, waarbij boven­staande wetmatigheid ook naar voren komt en fenomeno­logisch waarneembaar is.

Ook hier is het gevaar dat we in de eenzijdigheid vervallen van het alleen maar te willen opnemen, de beruchte consumptiehouding; of in het andere uiterste van het alleen maar willen geven, het voortdurend klaarstaan voor ande­ren en dan absoluut ‘uitgeput’ raken, wanneer wij niet voor onszelf uit een krachtbron kunnen putten en daaruit mogen ontvangen.

Maar ook in de ‘derde dimensie’ moet de mens een even­wichtig midden vinden, namelijk tussen voor en achter, tussen datgene wat op ons toekomt en wat achter ons ligt, tussen toekomst en verleden. Het alleen maar omkijken, herinneringen ophalen en geen stap voorwaarts durven zet­ten is al even onvruchtbaar als het andere uiterste, om zonder enige ervaring of waarschuwing te laten gelden blindelings vooruit te rennen en je hoofd te stoten.

Gedurende een godsdienstles, waar we over het zout spraken, dat als één van de substanties bij de doop wordt ge­bruikt, heb ik samen met de kinderen het volgende ‘gedicht’ gemaakt, dat de taal van het kubusvormige zoutkristal tot uitdrukking brengt:

Ik sta op de aarde, stevig en vast
Kijk ook op naar de hemel, vrij van aardelast;
Mijn rechterhand krachtig tot handelen bereid
Mijn linkerhand dankend tot ontvangen geneigd
Met de schat van ervaring die achter mij ligt
Zijn mijn schreden moedig op de toekomst gericht.
Zo staat de mens in het heelal
Zegt mij de eenvoudige vorm van het zoutkristal.

Wij kunnen in de uitspraak van Jezus tot zijn leerlingen: ‘Gij zijt het zout der aarde’ een groot ideaal beluisteren van de mens, staande in een harmo­nisch evenwicht tussen uitersten. In dit verband is het uiterst boeiend te zien, hoe Leonardo da Vinci in één van zijn voorstudies voor het reeds eer­der genoemde Avondmaal, Judas het zoutvat laat omgooien! Het zoeken van ons evenwicht wordt steeds be­dreigd doordat dit evenwicht geen sta­biele, statische, onwrikbare toestand is, maar integendeel een uiterst dynami­sche en bewegelijke.
De bewegelijke paasdatum en het daar­bij behorende kosmische midden zijn daarvan een exacte uitdrukking. Om­gekeerd kan deze kosmische constellatie ons wellicht helpen ons eigen be­wegelijke midden te vinden.

Maarten Udo de Haes,  ‘Jonas’4 april 1980

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

102-99

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.