Tagarchief: oudjaar

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – oudjaar (3)

 

Uren, dagen, maanden, jaren.
Van Kerstmis naar het einde van het jaar is maar een heel klein stapje, welgeteld vijf dagen. Voor velen tegenwoordig vrije dagen, snipperdagen.
Vroeger op het boerenland gelegenheid tot uitslapen. Tussen Kerstmis en nieuwjaar werd er niet bijster hard gewerkt. In de landbouw was weinig te doen en de veeboeren hadden hun dieren in de stal. Gelegenheid om eens wat anders te doen.
Daarom vrije tijd voor het blazen op de midwinterhoorn, een traditie die in Twente nog steeds in gebruik is, vanaf de eerste zondag van advent tot en met Driekoningen.
In Denekamp, Oldenzaal, Losser, Ootmarsum, Tubbergen, Weerselo en in de omgeving van Almelo, Borne en Hengelo hoort men in deze tijd het vreemde melodieuze geluid van deze herauten van Kerstmis. Over de oorsprong van het midwinterhoornblazen bestaan natuurlijk verschillende meningen. Dat kan nu eenmaal niet anders. En we geven hier een paar opvattingen. De één zegt dat het gebruik zijn ontstaan dankt aan het joelfeest van de oude Germanen, die door het blazen op horens in de midwintertijd de vruchtbaarheid van hun essen wilden beschermen tegen demonische geesten. Een andere mening wil de nadruk leggen op een oud gebruik van de Israëlieten, die de tuba staken om de gasten ter bruiloft te noden.

De hoorn zelf is een kunststuk met een lengte van 1,20 meter. Het geval bestaat uit twee gekuipte tegen elkaar passende stukken hout, die met sterke houten banden aan elkaar worden bevestigd. De hoorn heeft een schuin afgesneden mondstuk, dat bij voorkeur gemaakt wordt van éénjarige vlierloten. Een heel secuur werkje om een midwinterhoorn te maken: het vinden van het juiste hout, het uitsnijden en passend maken, het bespeelbaar maken. Daarbij gaat de hoorn in de waterput, want vocht is bijzonder belangrijk: als het hout uitdroogt gaat het barsten, maar het mag ook weer niet te nat worden omdat het hout anders zou gaan rotten. Een goede hoorn gaat wel lang mee, maar er moet dan veel zorg en aandacht aan worden besteed. Denk vooral niet dat het best meevalt om zo’n hoorn te bespelen. In de eerste plaats is het midwinterhoornblazen een inspannende bezigheid. De niet geoefende blazer brengt slechts een wat benauwd klinkend toontje voort. En dan gaan de boze geesten echt niet op de loop. De ware blazers letten extra op de klankbodem. En dat betekent dat bij voorkeur boven een put wordt geblazen, zodat de tonen een goede resonantie krijgen.

Het blazen zelf kan men nog altijd horen. Want men schat dat er in Twente zo’n tweehonderdvijftig midwinterhoornblazers zijn, die ook in concoursen hun vaardigheid komen bewijzen.
Toon Borghuis schreef er eens een mooi liedje over, natuurlijk in het Twentse dialect.
Holt’n doed’lenden hoorn baven de putte
Kneep vast oewe lipp’ op de vleerholten spool;
En blaost den Adventsroop van Vass’ tot de Lutte
Van Saosel naar Lettrop tot aover nen paol.
In Friesland gaat het niet om een hoorn maar om een klok. Vanaf 21 december – Sint Thomas – tot nieuwjaar wordt in enkele plaatsen zoals Katlijk (uit te spreken als Ketlik), Oudehorne en de buurtschap Brongerga bij Oranjewoud, allemaal in de buurt van Heerenveen het Sint Thomasluiden beoefend. Vrijwel elke dag en nacht wordt dan de klok geluid en met een vasthoudendheid en energie dat de klokkentouwen het nog wel eens willen begeven. Aan het gebeier komt geen einde. Dat werd vroeger een wild feest waarbij niemand zich onbetuigd liet. Gevolg: allerlei baldadigheden en onzedelijke uitspattingen. De grietman van Smallingerland probeerde er in 1842 dan ook een eind aan te maken en liet het klokkentouw verwijderen, maar dat namen de Friezen niet. Het Sint Thomasluiden is gebleven.
M. D. Teenstra uit Drachten rijmde er in 1844 over.
Slechts één dag in ’t jaar, aan Sint Thomas gewijd,
Dan komt men uit het veen, van wijd en zijd,
Dan luidt men te Dragten de klokken,
Dan luidt men, dan drinkt men, dan viert men hier feest,
Doch hoe oud of wat oorsprong ’t gebruik is geweest,
Weet niemand, na veel zoeken en blokken.
Vlak voor oudejaar, op 28 december is het de dag van de onnozele kinderen. Dat herinnert aan het feit dat – zoals in het bijbelverhaal wordt verteld – koning Herodes in Bethlehem alle pasgeboren kinderen liet ombrengen om er zeker van te zijn dat de zo juist geboren Koning der joden, waarover hij van de wijzen uit het Oosten had gehoord, ook gedood zou worden. Daarom zijn in en in de omgeving van Roermond en Venlo op onnozele kinderendag de kinderen de baas. Vooral de jongste kinderen hebben dan veel te zeggen. Zij spelen voor vader en moeder en maken zelfs uit wat er op die dag gegeten zal worden. Een heel bijzonder privilege. Verkleed als grote mensen en met veel muziek wordt dan tevens een tocht door de straten gemaakt om duidelijk te maken dat het Alderkindere is.
En dan oudejaarsdag, 31 december. De dag van de oliebollen en de appelflappen. Alle ellende van een heel jaar wordt vergeten; een nieuw jaar staat voor de deur en vraagt om de nodige bezinning. Vandaar dat de kerkgang voor velen op oudejaar een niet te missen traditie is. Men zingt over de uren, de dagen, de maanden, de jaren die als een schaduw voorbij vlieden. Wel een beetje vreemd dat juist dit lied een nationaal oudejaarslied is geworden. Zwolle’s burgemeester Rhijnvis Feith schreef het indertijd als nieuwjaarslied. Wie het goed leest, zal trouwens gauw ontdekken dat het echt om een nieuwjaarslied gaat, maar dat doet er niet toe, het wordt op oudejaar gezongen. En wat maakt het ook uit? Als de klok ’s nachts om twaalf uur slaat, is er geen verschil meer tussen oud en nieuw. Dat het zover is, blijft bepaald niet onopgemerkt: de klokken beginnen te luiden, de scheepsfluiten gaan gillen, de glazen worden geheven, vuurwerk gaat de lucht in. Een heidens kabaal al die gillende keukenmeiden, rotjes, vuurpijlen en wat dies meer zij. Op een paar gulden meer of minder wordt niet gekeken. Er gaat in een korte spanne tijd voor miljoenen de lucht in.

Hier en daar leven nog speciale gebruiken, zoals in Schildwolde waar men het kloksmeren kent. Kloksmeren is een mooi woord, al weet niemand of dat smeren nu op de klok of de keel van toepassing is. Half december is de kloksmeervergadering, waarbij iedere kloksmeerder zijn eigen traject krijgt aangewezen om het kloksmeergeld bij de bewoners op te halen. Dat is nodig om drank, worst en brood te kopen. Niemand vergeet in Schildwolde dat hij ook eens kloksmeerder is geweest, dus met de opbrengst zit het wel goed. Op oudejaarsavond begint het gebeier van de klok. Het duurt van acht uur op oudejaarsavond tot acht uur op nieuwjaarsdag. Het café is gelukkig aan de overkant, zodat iemand die niet aan het klokkentouw hangt, gemakkelijk even kan gaan doorsmeren. Op die avond komt het hele dorp in het café; er wordt een borreltje geschonken. Voor de gaande en komende man of vrouw. Iedereen wil wel eens zien of de kloksmeerders hun werk wel goed doen. En nog iets zinvols ook. Als er een voordelig saldo is, wordt dat geld voor een goed doel bestemd: hulp bij ongelukken, reisje voor de bejaarden of iets dergelijks.

In Dokkum gaat het weer anders. Op deze avond komt iedereen, ook de jeugd, naar de ‘zijl’, de sluis vlak voor het stadhuis. Als de klok twaalf slaat, wordt er gelukgewenst en omhelsd en trekt jong en oud door de straten. In Friesland is het in verschillende streken op oudejaarsavond oppassen geblazen. Men heeft de gewoonte alles wat ‘los zit’ te verplaatsen of naar een centrale plaats te slepen. Dus niets buiten laten staan; dan wordt het een hele toer om de eigendommen weer terug te vinden. De jeugd die aan de gang is geweest, blijkt bijzonder vindingrijk te zijn. Een fiets opgehangen in een boom is nog maar een kleinigheid; een boerenkar wil nog wel eens boven op een dak terechtkomen en om zo’n kar er weer af te halen wordt een hele klus op nieuwjaarsdag.
oudjaar
.
jaarfeesten: alle artikelen
.
Shell Journaal van Nederlandse folklore 1972

.

930

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Oudjaar

.

Hoewel ‘oudjaar’ geen jaarfeest is dat op de vrijescholen wordt gevierd, horen onderstaande activiteiten voor sommige gezinnen en in sommige streken van het land tot de activiteiten in de gang van het jaar.

TOEKOMSTKIJKEN

Loodgieten op oudejaarsavond

Oudejaarsmiddag zet in met één grote bedrijvigheid: de laatste ingrediënten voor de maaltijden worden, in karton­nen en manden, binnengehaald – mor­gen is immers ‘zondag’ – de lucht van oliebollen en kaarsen hangt in het huis, gemengd met dennengeur. Blokken voor het haardvuur worden aange­sleept en opgestapeld, een zakje antracietnootjes ernaast, de grote grijze zinken teil uit de schuur gewrikt, een stevige soeplepel (aluminium) bij de haard gelegd, loodbrokken pakklaar. We gaan toch lood gieten? Een oud stuk kleed voor de haard zal geen overbodige voorzorgsmaatregel blij­ken.
In afwachting van de gasten wordt de haard al aangestoken, als het zover is, zal een laag rood-smeulend vuur nodig zijn. Uit de andere kamers worden half opgebrande kaarsen in veelvormige kandelaars aangedragen en evenals de kerstboom, van nieuwe kaarsen voorzien. Na een ‘makkelijke’ maaltijd wordt in de keuken de laatste hand gelegd aan allerlei lekkers voor het middernachtelijk souper. ’t Huis vibreert van activiteit! Als de gasten met spannende pakjes ter opluistering van deze avond gearriveerd zijn, wordt een ‘heiligen’ legende of iets anders, ons dierbaar, voorgelezen bij het licht van de kerstboom.

We duimen dat bel en telefoon dit rus­tige uur niet zullen verstoren. Het doet goed samen stil te luisteren, de kring van gasten en familieleden gade te slaan bij het kaarslicht, de beelden uit het verhaal voor je te zien. Napra­ten over het voorgelezene komt aan de orde, de kinderen popelen om hun ge­luk te gaan beproeven met het loodgieten.
Wie mag het eerst? We tellen af en de uitverkorene mag de soeplepel, waar hij een loodbrok in legt, boven het vuur houden. Tal van goede raad begeleidt deze eersteling: ‘Kijk uit, ’t is levensgevaarlijk als je morst, pak die handschoen, ezel, je brandt zo je vingers. Is er genoeg water in de teil en de weg tussen haard en teil niet ver­sperd door op de grond staande kopjes en glazen, kandelaars die haast omval­len, ledematen van gezinsleden, die juist een goed plekje vlakbij de teil kozen om alles van de eerste rang af te volgen? Niet zo lang in ’t vuur, de le­pel smelt straks nog!’ Snel smelt het lood, een zware brij ligt in de lepel. Nu flink en doortastend naar de teil lopen – goed kijken – mikken – gooien -sschwt – ’t is gebeurd. Wat zal het zijn? Onmiddellijk stolt het lood in het koude water en de eerste gooier vist voorzichtig met z’n hand zijn creatie uit het water. Ooo’s en aaa’s vullen de ruimte, ’t lijkt wel een boot – ach wel nee, beneden lijkt het op een kip. Net iets voor jou, een soort vliegtuig! Snelheid en richting gaven vorm aan het gesmolten lood, in één handomdraai werd een persoonlijk karakter aan de egale vloeistof gegeven. – Nu de Bijbel – waar ligt ie nou? De ‘gieter’ krijgt de grote statenbijbel in de hand, wordt geblinddoekt en slaat dan de Bijbel open. Met een potlood zonder punt, zo makkelijk te vinden in een groot gezin, wordt een regel aangewezen in de tekst. Soms ver­dwaalt een hand zó erg dat bijsturen geboden wordt. Blinddoek af en nu hardop lezen!

De ouderen van ’t gezelschap moeten soms helpen om de tekst voor te lezen en de netelige situatie’s, die het Oude Testament beschrijft, wat te omzeilen. ‘Dat slaat op jou – ‘k snap er niks van – goed onthouden hoor!’ Dan is de vol­gende al aan de beurt. Met verhitte ge­zichten, waar spanning op te lezen staat, geven de gieters de lepel aan de volgende ‘afgetelde’ speler door tot iedereen aan de beurt is geweest. Na verloop van tijd staat van allen een kunstwerk op de schoorsteenmantel. Ja, ze zijn echt allemaal anders, dat is zeker. Er zijn een paar favoriete scheppingen die duidelijk de vorm hebben van boot, hoofd, vleugel, bloemkool. ‘Jij wou toch zo graag varen. Jij houdt toch zo van lekker eten!’ Het vuur hoeft niet meer aange­wakkerd te worden, de stemming is warm genoeg. De schade van ’t loodgieten valt mee – wat kaarsvet op tafel, ja, kijk uit, ook op de grond, wat meer schroeiplekken op ’t oude kleed voor de haard, een enkeling die aan z’n hand likt (‘toch niet echt verbrand, hè?’).

“k Hoor al knallen, laten we de ramen open zetten, straks gaan de klokken luiden’. Vuurpijlen trekken een spoor naar de ‘hemel, lichtballen spatten boven de huizen uiteen – de torenklok­ken luiden – goede wensen – omhel­zingen – dan horen we, zo echt Rotter­dams, de boten in de havens met hun gefluit het nieuwe jaar welkom heten. Veel later vertrekken de gasten met hun loodproduct en wij kijken nog even naar onze eigen maaksels – dan slapen en dromen op deze nieuw­jaarsmorgen.

Terugkijkend op zo’n viering, nu vele jaren geleden, vraag ik me af, of we zwaar tilden aan onze loodgietsels met bijbehorende bijbeltekst – ik dacht ’t niet, ’t was een heerlijk gedoe, vol spanning en plagerijen. Wel komen associatie’s met lood – lekkende goten door de loodgieter bijgelapt met lood, de oude loden buizen in onze keuken die tenslotte toch vervangen werden door buizen van plastic – bij mij boven. In de Winkler Prins staat te lezen dat de loden buizen door de Romeinen aangelegd, de eeuwen trotseerden. Oude houten kisten voor theeverpak­king gevoerd met dun-loden voering om de smaak te garanderen. Een lood­lijn construeren – zekerheid gevend voor de verdere tekening. Uit ’t lood geslagen – dan slinger je maar heen en weer. Steeds duidt lood op het behou­dende, wars van elke verandering. Lood voor kogels, (stukjes hagel op je bord uit een stuk haas, patrijs enz.) met als doel ’t bewegende doelwit voor altijd te verstijven. Ook lood in de ‘haute couture’, in dunne schijfjes ge­naaid in plooien van de zijde of het fluweel om de diepte van een decol­leté te garanderen, dan wel als kleine kralen in de zoom van een wijde rok genaaid om bij het walsen de rokken wel te laten zwieren maar té speelse vlucht van de meters stof in te tomen.

Lood in ’t taalgebruik – een loodzware slaap, de eigenlijke verkwikking
ont­breekt – met lood in de schoenen er­gens heengaan – de fantasie, de leuke invallen zijn spoorloos. Van een lood­zware maaltijd heb je zelfs ’s nachts nog last.

Als in de natuur de onweerswolken zich opstapelen en een loodgroen-grijze kleur de hemel voor ons oog af­sluit, dan is zwaar weer op komst. Onheilspellend – de vogels, zoeken dekking in en onder de struiken, tot de loodgrijze wolken zich ontladen in een wolkbreuk.

Willen we bij het oudejaars-loodgieten niet een geheim ontfutselen aan dat lood, dat zelf zo iets behoudend, ja onontkoombaar vaststaands heeft? Willen we niet een stukje zelf – zeggingsschap hebben in onze eigen toe­komst, een ‘eigen hand’ in het lot? We nemen de kans waar, we gooien het door toevoeging van hitte gesmolten lood, richting en vaart met eigen hand bepalend, in ’t water en weten met het weer gestolde resultaat weinig te be­ginnen. Vervangt de bijbeltekst wel­licht de verklaring van de oude zieners die onze gietsels konden duiden en een sluier konden oplichten voor onze lotgevallen in het nieuwe jaar?
.

(Wendela van Mansvelt, Jonas 8/9, 15-12-1978)

loodgieten

Nodig:
tweedehands lood
een grote pan of emmer
een stevig oud pannetje of pollepel

Werkwijze:
smelt een stukje lood in het pannetje of de pollepel – het zal niet lang duren voor het vloeibaar is.
Daarna ieder op zijn beurt wat lood in de emmer met water gieten.
In het water zullen dan vormen ontstaan die je fantasie  aan het werk kunnen zetten: ze doen je ergens aan denken, wijzen op iets wat in de toekomst verborgen ligt.

heksverbranding

is zeker zo spectaculair als vuurwerk

maak een heks – zoals je een vogelverschrikker maakt:
oude kleren gevuld met stro.
Deze heks krijgt een schort voor en in haar schortenzakken stopt ieder die aanwezig is een briefje – anoniem – met zijn of haar slechte eigenschappen.

Om 24.00 u wordt de heks verbrand en de slechte eigenschappen verbranden mee!

(bron onbekend)

.

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: jaarfeesten

.

420-394

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.