Tagarchief: zondag

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde – de zon [3-5]

.

Willem Beekman, Jonas jrg. 9,no 25
.

DE ZON

‘Dir Seele des Weltalls, o Sonne’. Zo begint een lied van Mozart (KV 429). Hij prijst daarin de zon, de machtige. Aan haar danken we vruchtbaarheid, warmte en licht. Zonder haar kunnen we niet bestaan. Dat voelde Mozart zo. En met hem ontelbare andere dichters, schrijvers en filosofen. Hoe voelen we de zon nu, hoe zien we haar? Kunnen we nog een andere verhouding tot haar krijgen dan een gloeiende gasbol, waaromheen wat steenklompen draaien?

Ik geloof van wel en onderstaande bijdrage is een poging om fenomenen zichtbaar te maken, die kunnen helpen de zon beter te zien.

Daar is direct al iets merkwaardigs aan de hand. Kun je de zon eigenlijk wel zien? Soms doen we verwoede pogingen om erin te kijken en dat lukt zeer ten dele. Onze blik nadert de zon, maar blijft er niet dichtbij rusten want het licht verwondt, het maakt zelfs blind na lang staren. Even kunnen onze ogen langsflitsen om dan met een brandend gevoel achter te blijven. We voelen een soort druk van binnen, een enorme zwaarte achter het oog. Allemaal lichtplekken, kransen, flitsen, sidderingen vullen de lucht. Allerlei nabeelden, zelfs bij gesloten ogen. De zon heeft zich in ons afgedrukt, we zijn bijna geplet. Vreemd eigenlijk, dat licht zo verpletterend kan zijn. Maan en sterren werken niet zo op ons. We vinden het zelfs prettig om erin te kijken. Het geeft houvast en vertrouwen. De zon geeft dat ook, maar alleen als we er niet in kijken. Lekker vertrouwd in de zonbeschenen wereld. Hoe meer hoe beter, totdat we ons er helemaal aan overgeven als het te warm en te licht wordt.

’s Winters bij somber weer, is die wereld wat minder dichtbij. Dan kruipen we weg, soms in onszelf om daar houvast te vinden. Maar op zo’n heldere zomerdag kijken we zonnig rond, om vervolgens te ontdekken dat je overal naar kunt kijken behalve naar die lichtbron zelf. De zon is eigenlijk een uitsparing aan de hemel, een soort gat. Probeer maar eens om de zon te tekenen. Als je eerst de zonneschijf zwart maakt, of met een andere kleur opvult en daarna stralen gaat tekenen, gebeurt er niets. Het straalt niet. Andersom wel. Als je met de stralen begint en de zonneschuif op die manier uitspaart, dan ontstaat het stralende
effect. Ook in de tekening ga je uit van een gat, van een holle ruimte.

Er zijn weersomstandigheden waarbij de zon iets bijzonders laat zien. Het moet dan vochtig zijn in de lucht, soms iets nevelig. Je kijkt naar boven en ziet een halo. Heiligenschijn, lichtkrans heet het ook wel. Altijd op vaste afstand rondom de zon is dan een kleurcirkel zichtbaar, een lichtband. Daarin komen regenboogkleuren voor, maar veel fletser van toon en ook in andere tinten. Een gewone regenboog is het niet. Binnen die krans is het hemelsblauw dieper, anders van kleur dan erbuiten. Het is een prachtig gezicht, vooral als er nog extra glansplekken in de krans voorkomen, die zich een enkele keer zo groeperen, dat een kruis ontstaat. Zo’n Iers kruis, met een cirkel eromheen. Het beste kun je de halo zien, wanneer je met je vuist de zonneschuif afdekt. Het is namelijk iets heel teers, dat makkelijk door de felheid van het licht wordt toegedekt of door slordige waarneming niet wordt opgemerkt. De regenboog is krachtiger van kleur, veel tastbaarder zou je kunnen zeggen. Het verschijnen en weer verdwijnen is weliswaar ook zo’n teer gebeuren, maar de complete boog ‘staat’ aan de hemel. Voor iedereen opvallend zichtbaar. Het verschil met de halo is ook de afstand tot de zon. De regenboog staat tegenover de zon, aan de andere kant van de hemel. De vochtige lucht moet beschenen worden, terwijl de
zon omhullende halo doorschenen wordt. Ook de aarde om ons heen, de voorwerpen rondom ons, zien er anders uit, wanneer we de zon in de rug hebben of tegen de zon inkijken.

Probeer eens een aantal keren de volgende oefening te doen: Je gaat midden op een veld staan, met een wijd uitzicht over de omgeving en een ver verwijderde horizon. Overal zijn bomen, huisjes, akkers enzovoort. Wanneer je nu met de zon in de rug een eindje gaat lopen, dan is de wereld bijzonder goed zichtbaar. Je loopt er echt naar toe. De vormen en kleuren zijn helder en vertrouwd. De wolken zijn licht, de hemel is hemelsblauw.

Die wereld is gevuld, daar leef je prettig in.

Nu keer je je om (liefst snel) om dan tegen de zon in te lopen Alles is nu anders. De kleuren vervagen en alles gaat glanzen en spiegelen. Vormen zijn moeilijker te onderscheiden. Wolken lijken donkerder, somberder, dreigender. Het hemelsblauw is veranderd in een lichte melkachtige tint. Deze is leger, kaler. Door de glans verliezen de voorwerpen iets van zichzelf. Je loopt onzekerder, met minder vertrouwen. Als je dit enkele malen herhaalt, wordt het contrast steeds duidelijker. Het gaat overigens het best, wanneer de zon niet te hoog aan de hemel staat. Samenvattend ziet het beeld er zo uit:

– Van de zon af kijken, maakt de wereld duidelijker. De regenboog aan de hemel is krachtig.
– Naar de zon toe kijken maakt alles onduidelijker. De halo aan de hemel is heel teer.
Wederom zie je naar de zon toe bewegend steeds minder. De wereld lost op, het materiële-substantiële vervaagt.

De vraag komt nu op in hoeverre deze tendens doorgetrokken kan worden. Wat is er vlak rondom de zon aanwezig? Zien we iets niet dat er toch wel is? Het antwoord hierop wordt ons door de maan gegeven. Wanneer de zon en maan elkaar precies afdekken ten tijde van een zonsverduistering, dan komt de corona in het zicht. De zonschijf (in werkelijkheid dan de maanschijf) is een zwarte cirkel en daaromheen tekent zich een flauwe gloed af. Een soort zachte straling die zich naar alle kanten in de ruimte uitbreidt. Deze ‘kroon’ kun je normaal niet zien vanwege de overstraling, maar nu eventjes wel. Het is echt heel teer. Als een soort aura omgeeft het de zon. De corona wisselt van vorm afhankelijk van de toestand van de zon (er bestaat een relatie met storingen op de zon, die we zonnevlekken noemen). Deze zonneaura is buitengewoon groot en breidt zich zover in de ruimte uit, dat onze aarde er geheel in opgenomen is. Toch zien we haar niet. Een onzichtbare omhulling. Een beschermmantel wellicht.

In onze ziel kan dit verschijnsel ook optreden. En wel tijdens het overgangsgebied van zon en maan, daar waar de maan de zon een beetje gaat afdekken. Ik bedoel de zondagavond. Als de dag van de zon doorleefd is en wij hebben ons in onze ziel met spirituele inhouden beziggehouden, dan kan in de vooravond van de maandag een soort omhulling voelbaar worden. Een
beschermmantel, soms heel moeilijk voelbaar, en andere keren duidelijker, die een steun betekent om het werk te beginnen. Waar je ook naar terug kunt kijken als de week ten einde loopt. Een ‘corona’, een kroon die zich tot aan het einde van de week uitstrekt.

.

7e klas sterrenkunde: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 7e klas

.

1943

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (3)

.

Pasen: kosmisch en innerlijk evenwicht

Voor de vaststelling van de paasdatum geldt de volgende regel:
Pasen valt op de eerste zondag na de lente-volle-maan.
Dit betekent dat aan drie achtereenvolgende voor­waarden moet zijn voldaan:

1.   de aarde moet in haar baan het lentepunt hebben be­reikt;
2.   de maan moet daaropvolgend vol zijn;
3.   de zondag die daarop volgt is Pasen.

1. Bij het lentepunt is een opvallende toestand van even­wicht bereikt; (zoals dit overigens bij het herfstpunt ook het geval is):
– de plaatsen van zonsopgang en -ondergang liggen exact diametraal tegenover elkaar, namelijk oost-west (in de winter zijn namelijk beide plaatsen naar het zuiden, in de zomer meer naar het noorden verplaatst),
–  het zichtbare gedeelte van de zonnebaan (boven de ho­rizon) is even lang als het gedeelte dat onder de hori­zon is gelegen, terwijl het hoogste punt van de zonnebaan precies even hoog bóven de horizon ligt overdag, als het laagste punt er ónder ligt des nachts; hierdoor zijn ook dag en nacht even lang.

2. De toestand van kosmisch evenwicht wordt nog ver­sterkt wanneer aan de tweede voorwaarde is voldaan, namelijk wanneer de maan vol is. De aarde, en daarmee dus ook de mens, staat dan tussen zon en maan in. Als twee wachters staan zon en maan tegenover elkaar met de aarde in het midden.
Daarbij komt ook nog het fenomeen dat in deze tijd van het jaar zonnebaan en maanbaan dezelfde ‘helling’ hebben ten opzichte van de horizon, met andere woor­den, de zon komt overdag precies even hoog boven de horizon als de maan ’s nachts, in tegenstelling tot de winter, waar de zon laag, de maan echter hoog aan de hemel staat en ’s zomers omgekeerd.

3. Kijken we naar de derde ‘voorwaarde’, namelijk dat Pa­sen steeds op een zondag valt (en niet zoals Kerstmis op een vaste datum en dus ieder jaar op een andere weekdag), dan kunnen we vaststellen, dat ook dit feit een taal van evenwicht spreekt. Zoals namelijk de zon in het midden van ons zonnestelsel staat, zo kunnen wij ook in de weekdag, die naar de zon genoemd is, een evenwichtig midden herkennen dat kwalitatieve uiter­sten met elkaar verbindt: De zondag valt namelijk tussen de dagen die met de maan respectievelijk met saturnus (Engels: saturday) in verbinding worden gebracht, met andere woorden twee planeten (in de ptolemeïsche zin van het woord) die elkaars tegenbeelden zijn: de snelste en meest nabije tegenover de langzaamste en verst verwijderde; de maan die haar invloed uitoefent op alles wat met voortplanting en geboorte te maken heeft tegenover saturnus, die gezien wordt als de pla­neet van sterven en dood, waarbij we ook kunnen den­ken aan de christelijke traditie de dienst voor een ge­storvene te voltrekken op zaterdag.

pasen 1
Ook het volgende dagenpaar, vrijdag en dinsdag, waar­tussen de zondag in het midden staat, vertegenwoor­digt een polariteit, namelijk tussen Venus en Mars, schoonheid en kracht, vrouwelijk en manlijk (waarbij de symbolen  ♀  en   ♂  tot in de biologie gebruikt wor­den om de genoemde polariteit tot uitdrukking te bren­gen!).                                                             
Ten slotte staat de woensdag als dag van de bewegelijke en snelle Mercurius (Frans: mercredi) even ver van de zondag als de donderdag, die met de langzaam gaande Jupiter (de planeet van de wijsheid) correspondeert.
In al deze opzichten spreekt de plaats van de zondag de taal van een evenwichtig midden tussen uitersten, tussen polen.

Concluderend kunnen we zeggen dat met Pasen een opti­male toestand van evenwicht bereikt is (Wilhelm Hoerner toont in zijn boek ‘Zeit und Rhythmus’, Uitg. Urachhaus, aan hoe 16 kosmische evenwichtstoestanden hun grootst mogelijke wederzijdse versterking bereiken op de zondag na de lente-volle-maan, dus met Pasen) in die zin, dat het niet een statisch, vastliggend, maar een momentaan even­wicht is, dat in zijn bewegelijkheid overhelt naar de ‘zonnekant’: de dagen worden namelijk langer, de zonnebaan wordt hoger, die van de maan lager; de maan die net vol is geweest, neemt dus af, en tenslotte legt de dag van de week waarop Pasen valt ook de nadruk op de zon.
Dit samenspel van evenwichten en het vinden van het be­wegelijke midden is kennelijk de ritmische tijdsachtergrond voor het gebeuren van Dood en Opstanding op Golgotha.
Op vele oude afbeeldingen van dit gebeuren kun­nen we zien, hoe het kruis in het midden staat met links en rechts daarvan zon en maan.
De evangelist Johannes be­schrijft overigens ook dat er nog twee andere gekruisigden waren, links en rechts van Hem, en voegt er dan schijn­baar overbodig aan toe: ‘… en Jezus in het midden.’

Maar ook bij het Laatste Avondmaal, dat op de avond vóór de dag van de kruisiging viel, bevindt Jezus zich te­midden van zijn discipelen.
Leonardo da Vinci heeft bij de uitbeelding van dit gebeuren (tegen de traditionele op­vatting van tafelschikking in) Jezus niet aan het ‘hoofd’ van de tafel geplaatst, maar in het midden, zodat rechts en links van Hem zes discipelen zitten. Een studie over dit fresco van Hans Feddersen laat zien hoe zelfs spiegelbeel­dig ten opzichte van dit Midden de personen paarsgewijze polariteiten tot uitdrukking brengen. Dit verder aan te to­nen ligt buiten het bestek van dit artikel.

De mens wordt wel eens burger van twee werelden ge­noemd, namelijk van de stoffelijke, zintuigelijke wereld, maar tevens ook van de geestelijke wereld. Hij staat daar tussenin, hij kan als ideaal voor ogen hebben het midden te vinden tussen deze beide uitersten; tussen wereldvlucht en wereldzucht. Maar niet alleen in de dimensie boven-onder staat de mens in het midden. Ook in ‘horizontale’ zin staat hij tussen rechts en links, die de uitdrukking zijn van de twee uitersten geven en nemen. De rechterzijde van de mens is de kant van de daad, van de activiteit, van het (aan)geven; (dat linkshandigheid een uitzondering is, be­vestigt dit feit). De ‘hartekant’ van de mens is die van de ontvankelijkheid, van het ontvangen, van het (luisterend) openstaan voor de ander. Er zijn boeiende studies over de rechter en linker gezichtshelft van de mens, waarbij boven­staande wetmatigheid ook naar voren komt en fenomeno­logisch waarneembaar is.

Ook hier is het gevaar dat we in de eenzijdigheid vervallen van het alleen maar te willen opnemen, de beruchte consumptiehouding; of in het andere uiterste van het alleen maar willen geven, het voortdurend klaarstaan voor ande­ren en dan absoluut ‘uitgeput’ raken, wanneer wij niet voor onszelf uit een krachtbron kunnen putten en daaruit mogen ontvangen.

Maar ook in de ‘derde dimensie’ moet de mens een even­wichtig midden vinden, namelijk tussen voor en achter, tussen datgene wat op ons toekomt en wat achter ons ligt, tussen toekomst en verleden. Het alleen maar omkijken, herinneringen ophalen en geen stap voorwaarts durven zet­ten is al even onvruchtbaar als het andere uiterste, om zonder enige ervaring of waarschuwing te laten gelden blindelings vooruit te rennen en je hoofd te stoten.

Gedurende een godsdienstles, waar we over het zout spraken, dat als één van de substanties bij de doop wordt ge­bruikt, heb ik samen met de kinderen het volgende ‘gedicht’ gemaakt, dat de taal van het kubusvormige zoutkristal tot uitdrukking brengt:

Ik sta op de aarde, stevig en vast
Kijk ook op naar de hemel, vrij van aardelast;
Mijn rechterhand krachtig tot handelen bereid
Mijn linkerhand dankend tot ontvangen geneigd
Met de schat van ervaring die achter mij ligt
Zijn mijn schreden moedig op de toekomst gericht.
Zo staat de mens in het heelal
Zegt mij de eenvoudige vorm van het zoutkristal.

Wij kunnen in de uitspraak van Jezus tot zijn leerlingen: ‘Gij zijt het zout der aarde’ een groot ideaal beluisteren van de mens, staande in een harmo­nisch evenwicht tussen uitersten. In dit verband is het uiterst boeiend te zien, hoe Leonardo da Vinci in één van zijn voorstudies voor het reeds eer­der genoemde Avondmaal, Judas het zoutvat laat omgooien! Het zoeken van ons evenwicht wordt steeds be­dreigd doordat dit evenwicht geen sta­biele, statische, onwrikbare toestand is, maar integendeel een uiterst dynami­sche en bewegelijke.
De bewegelijke paasdatum en het daar­bij behorende kosmische midden zijn daarvan een exacte uitdrukking. Om­gekeerd kan deze kosmische constellatie ons wellicht helpen ons eigen be­wegelijke midden te vinden.

Maarten Udo de Haes,  ‘Jonas’4 april 1980

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

102-99

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.