VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St. Jan (29)


JOHANNES, PROFEET VAN DE INKEER

Sint- Jan betekent buiten feest vieren, rondom een Sint- Jansvuur. Het zou kunnen voldoen aan het droombeeld dat velen hebben van Het Feest: een glooiend grasveld aan een bosrand, een stralend blauwe hemel, mensen en kinderen met lichte kleren, met bloemen getooid en dansend in wijde kringen. In de praktijk blijkt het vieren van een speels buitenfeest niet altijd gemakkelijk. De magische toverkrachten die van oudsher aan de Sint-Jansnacht worden toegeschreven, worden niet meer als spannende realiteiten ervaren. Het is deze kloof tussen mens en natuur, die – aldus Henk Sweers – zijn afspiegeling vindt in de kloof tussen de aardse mens en zijn geestelijke identiteit.

Wat maakt de mens tot mens en onder­scheidt hem van andere levende we­zens? Dat hij bewustzijn heeft van zichzelf. Ik ben mij bewust, dat ik hier op dit moment naar een groot Sint-Jansvuur sta te kijken. In deze laatste zin is tweemaal sprake van ‘ik’. Het ene ik is zich van het andere ik bewust. Dat kan niet een en hetzelfde ‘ik’ zijn, want om je van iets bewust te kunnen worden moet je er afstand van nemen, moet je er als het ware buiten staan. Het eerste ik is niet aan mijn persoontje gebonden, dat ergens op aarde is geboren en opgegroeid en hier nu staat te kijken naar een vuur. Het tweede ik is identiek met mijn persoon, die een naam heeft en die tegen zichzelf ‘ik’ zegt. Wanneer bedoel ik met ‘ik’ het eerste ik en wanneer het andere? Laten we het tweede mijn per­soon en het eerste mijn persoonlijkheid noe­men. Is die buiten mijn persoon staande persoonlijkheid een abstractie of is zij een reali­teit? Voor mijn persoonlijkheid hangt van het antwoord op deze vraag de zin van haar bestaan af. Mijn persoon bestaat zolang mijn lichaam leeft. Maar in hoeverre is dat wat mij tot mens maakt, mijn persoonlijkheid dus, of althans het reflexievermogen op mijzelf, af­hankelijk van mijn persoon. Het omgekeerde is zeker het geval, maar kan mijn persoonlijk­heid ook los van mijn persoon bestaan?

Wat is de vraag die het sterkst opkomt in de hoogzomertijd, nu mijn bewustzijn wordt verdoezeld door zon en zomer, nu ik mij graag overgeef aan de wereld buiten mij en nu mijn persoon genieten wil van natuur en levenslust. Dat was de vraag die Sint-Jan opriep in zijn tijd, toen de aandacht voorna­melijk gericht bleef op het aardse leven en het voortbestaan na de dood ontkend werd of als een diepe, duistere slaap werd be­schouwd. Sint-Jan riep de mensen toe: ‘Be­keert u! Verandert uw gezindheid! Verandert de richting van uw blik! Spoel uw verganke­lijk wezen van u af!’ En hij dompelde het li­chaam van de duizenden, die hem begrepen, onder in het water van de Jordaan, waaruit zij weer oprezen als mensen, die bevrijd wa­ren van de stroom der wereldse beslomme­ringen die de mens benauwt en benart. Mijn mensenwezen beschikt, zolang het op aarde wandelt, in zekere zin over drie werktuigen. Een zintuiglijk waarneembaar lichaam, een geheel van voor mij specifieke, mij opbouwende en in stand houdende le­venskrachten en een iets, dat gevoelens, be­geerten, wensen en verlangens heeft. Dus: een mineraalachtig, fysiek werktuig, een ve­getatief levens-werktuig en een animaal gevoels-werktuig. Die drie zijn één in zoverre zij elkaar doordringen, beïnvloeden en zelfs bewerken. Maar wie hanteert ze? Dat is de persoonlijkheid. Deze is er slechts van afhan­kelijk in zoverre een kunstenaar van zijn ma­teriaal afhankelijk is. Zijn materiaal is tevens zijn beperking. Zolang de persoonlijkheid aan het werk is, identificeert zij zich met haar werktuigen en vormt daarmee een per­soon, waar zij zich achter verbergt en waar­doorheen zij spreekt. Deze persoon is haar werkstuk, haar kunstwerk. Iets wat in de ma­teriële wereld onmogelijk is doet zich hier voor: kunstenaar, werktuigen, materiaal en kunstwerk vormen in zeker opzicht een een­heid. Maar wanneer de persoonlijkheid het werk beschouwt, dan is zij een kunstenaar, die zich van zijn werk tracht te distantiëren en het kritisch probeert te bekijken. Een kunstenaar zonder zelfkritiek is beklagens­waardig, want hij is afhankelijk van het oor­deel van anderen.
Dit moment van kritiek zou je een rustpunt kunnen noemen in de ontwikkelingsstroom van het leven. Zonder zulke momenten is er geen sprake van echt menselijk leven. Zonder zelfbewustzijn en zelfbezinning blijft het le­ven louter zintuiglijk, vegetatief en animaal. Niet het doek, niet de verf maakt het kunst­werk, maar de kunstenaar. Zoals de schilder of de beeldhouwer zich af en toe terug moet trekken om zijn werk in ogenschouw te ne­men, zo moeten er in het mensenleven mo­menten zijn van ommekeer. Bijvoorbeeld ’s avonds voor het inslapen, iedere week op zondag, ieder jaar met Sint-Jan.

Ritme beheerst ons leven, het hele leven van de kosmos. Ritmisch gaat de zon ieder jaar door de zodiak, ritmisch beschrij­ven de planeten en de aarde hun baan, rit­misch wisselen dag en nacht elkaar af. Maar ritmisch klopt ook ons hart en ritmisch ade­men wij in en uit. De klok en het horloge kennen alleen maar maat, een altijd starre herhaling van hetzelfde. Dat noemen wij ‘de tijd’. Maar de werkelijke tijd is het niet. De ware tijd danst! Hij gaat op en neer, hij gaat nu eens sneller, dan weer langzamer. Hij schept de harmonie in alle ontwikkeling. Bij dansen en springen, in iedere ritmische bewe­ging komt steeds een moment van rust, bij­voorbeeld wanneer de voeten weer op de aar­de komen of tijdens de rust tussen uit- en in­ademen in.

Ritme ontstaat daar waar de constante bewe­ging wordt tegengehouden. De aarde ademt in en uit, ieder jaar. Zij ademt uit van Kerst­mis tot Sin- Jan, zij ademt in van Sint-Jan tot Kerstmis. Kerstmis is het ogenblik van rust tussen in- en uitademen, Sint- Jan is dat tussen uit- en inademen. De tijd van uitade­men is min of meer de tijd van zichzelf-verliezen, van opgaan-in-het-werk, van persoons­ontplooiing. De tijd van inademen is de tijd van in-zichzelf-keren, van bezinning op het werk, van het ontwaken van de persoonlijk­heid. Het hoogtepunt van levensactiviteit is de mid-zomerwende. Beide vormen een soort moment van rust. Zoals Kerstmis drie dagen na midwinter komt, zo komt Sint-Jan drie dagen na midzomer. De aarde is opgegaan in een laaiend feest van leven en vruchtbaarheid. Ook de mensen hebben zich overgegeven aan de extase van de zomer, aan de warmte van de zon en het juichen van de natuur. Vlier, rozen en ontel­bare andere bloemen bedwelmen ons met hun geuren. Nu is het toppunt bereikt. Van­af dit hoogtepunt echter beginnen meteen de dagen korter te worden en de nachten te len­gen. Het duister begint zich meester te ma­ken van het licht.

Is dat voor de mens niet een aansporing om tot zichzelf te komen, om zijn leven op aarde eens onder de loep te gaan nemen? Nu begint de tijd van inkeer. Kerstmis en Sint-Jan verdelen de kring van het jaar in twee helften. In de opstijgende lentehelft vieren wij de Christusfeesten en herdenken wij Christus’ geboorte op aarde, zijn openba­re leven onder de mensen, zijn lijden, zijn kruisdood, zijn opstanding, zijn hemelvaart en de uitstorting van zijn Heilige Geest, de trooster en de leider van ’s mensen aardeleven. Het is het geboortefeest van Jezus van Nazareth, dat de reeks van deze opstijgende feesten inleidt. Wij weten uit het Lucasevangelie dat Johannes, de zoon van Maria’s nicht Elisabeth, zes maanden vóór Jezus werd ge­boren. Hij was Christus’ voorloper en wegbe­reider. Hij predikte ommekeer der zeden. Is Jezus de brenger van liefde en blijvende vreugde, Johannes is de profeet van de
in­keer. Zijn geboortefeest leidt de tijd in van bezinning. Het afdalen na het opstijgen, het inademen na het uitademen. In de eerste helft van het jaar moeten wij en­thousiast werken aan ons aardse wezen. Dat moeten wij altijd, maar dan vooral. Dat kun­nen wij alleen goed en harmonisch en kunst­zinnig doen dankzij Christus’ komst op aarde. Op het hoogtepunt van het zonnejaar bieden wij onze persoon aan Hem aan.

Met het Sint-Jansfeest vindt er een om­mekeer plaats. Wij beschouwen ons eigen leven en dat van de wereld en gaan de vele tekortkomingen ervan zien. Naarmate onze geest wakkerder wordt en ons inzicht groeit kunnen wij als mens onze medemens­en en heel de aarde meer steunen en helpen. Maar naar diezelfde mate gaat onze persoon­lijkheid niet alleen haar eigen tekortkomin­gen bemerken, maar gaat zij ook steeds meer de talloze fouten zien in de wereld om haar heen: milieuverwoesting, economische crises, gevaren der derde wereld, falen van de demo­cratie, verval van cultuur, heerschappij van goddeloosheid en ongeloof, oorlog en geweld. Waar komt dit alles uit voort? De bovenzin­nelijke wereld wordt ontkend of genegeerd. Planmatig worden de instinctieve, onderbe­wuste, animale driften losgegooid. Zinnelo­ze behoeften worden gekweekt en ‘geïdoliseerd’. De drugs worden een cultus. Terro­risme viert hoogtij. Het besturen van een staat of een gemeenschap wordt steeds moei­lijker. Allemaal de gevolgen van een onver­zadigbare hebzucht en een ongebreideld egoïsme. Immers onze vergankelijke persoon is altijd gericht op zelfbehoud en eigenbelang. Waar het onvergankelijke wezen van onze persoonlijkheid, die ons bewustzijn en gees­telijk inzicht geeft, niet in staat is om de lei­ding te nemen, daar neemt iets anders bezit van onze persoon. Het ‘metanoëite’, dat Jo­hannes de omstanders toeroept (Mat. 3:1) en dat meestal wordt vertaald met ‘bekeert u’ of ‘verandert uw gezindheid’, betekent letter­lijk: ‘Ziet in. Komt tot inzicht’. En dat is het nu precies wat in onze tijd meer dan ooit noodzakelijk wordt: tot inzicht komen.

Laten wij ons na zo’n warme stralende zo­merdag eens bezinnen op die heerlijke natuur om ons heen. De vanzelfsprekende verbinding, die de mens vroeger had met de natuur, die hem de geheimen influisterde van wezens die in zijn omgeving leven, is heden ten dage verdwenen. De kabouters, de elven, de waterwezens, de vuurwezens uit de sprookjes worden niet meer als realiteiten aanvaard. Er is een enorme kloof ontstaan tussen de mens en de natuur. Deze kloof is in zekere zin een afspiegeling van de kloof die er gaapt tussen de persoonlijkheid en haar aardse persoon. Het wordt hoog tijd, dat de mens tot inzicht komt en deze kloof tracht te overbruggen. Denken wij ons deze gedach­te goed in, dan moeten wij tegen onszelf zeg­gen: de mens is niet het enige geestelijke we­zen dat op aarde bestaat. Wij zijn geheel en al omgeven door geestelijke wezens. De vast­heid die de aarde ons biedt om te kunnen gaan en te kunnen staan is niet een dode ma­terieklomp. Ons lichaam bestaat voor het al­lergrootste deel uit water. Water is het ele­ment dat voor ons het leven mogelijk maakt. Het is veel meer dan een chemische vloeistof. Wij bewegen ons door de lucht, wij ademen haar in en uit. Zij is niet slechts een chemisch gas, maar ieder zuchtje, iedere wind­vlaag is de openbaring van geestelijke wezens. En waar komt de energie vandaan die het vuur ons geeft?
Wat is dat alles, als wij verder willen kijken dan onze beperkte zintuigen? Wil de mens niet een zeer treurig lot tegemoet gaan, dat zijn leven verdort en vernietigt, dan zal hij bewust inzicht moeten krijgen van dat wat hem in werkelijkheid omgeeft. Zonder dit inzicht zal de mens niet meer verder kun­nen komen en blijven alle maatregelen tot verbetering van het milieu en van de maat­schappij vruchteloze verplaatsingen van symptomen. ‘Komt tot inzicht!’

Waarom bemerken wij die geestelijke wezens niet? Zij trachten in de ele­menten hun werking uit te oefenen, maar zijn afhankelijk van het werk van hogere we­zens en ook van óns werk. Richten wij ons niet tot hen, negeren wij hen, verwerpen en bespotten wij hen zelfs, dan kunnen zij zich niet wenden tot ons, dan bemerken wij hen niet.
Zoals Sint-Jan ons oproept, zo moeten wij hen oproepen. Hoe doen wij dat? Wij moeten leren, om – zoals Gandhi – de goede aarde te danken, dat zij toch steun geeft aan onze onheilige voeten. Wij moeten niet meer gedachteloos omgaan met ons belangrijkst levensmiddel, het alles verfrissende water. Wij moeten met een zekere vroomheid de weldaden indachtig worden van de lucht, die ons doet leven en spreken en ons de relatie met onze medemensen mogelijk maakt. Wij moeten eerbiedig leren omgaan met het vuur, dat ons de kracht en de moed geeft om ons als mens op aarde te ontwikkelen. Aan onze huidige cultuur mogen en kunnen wij ons niet onttrekken. Het is onze persoonlijke plicht om er met nuchter begrip, bezadigd en zonder vals sentiment mee om te gaan, maar dan wel met een nieuwe wilsinzet, met nieuwe gewaarwordingen, met nieuwe, levende gedachten, wetend dat wij leven om een nieuwe cultuur voor te bereiden. Ons waar­nemen van de natuur kan tot inzicht worden in geestelijke gebieden, als het gedragen wordt door morele gevoelens van eerbied, liefde en dankbaarheid.

Het zijn hoog ontwikkelde geestelijke wezens die werken dóór de natuurwe­zens en die ook de beschermers en helpers zijn van ons, mensen. Zonder geestelijke hulp zouden wij niets goed kunnen verrich­ten, want wij zijn vervreemd van de godde­lijke wereldorde en uitgestoten uit de natuur. Voor onze persoon blijft de geestelijke wereld ver weg en onze persoonlijkheid verlangt er voortdurend naar. De oplossing van dit raad­sel ligt in het feit, dat deze gespletenheid juist de voorwaarde is voor onze vrijheid. De godsvervreemding van ons mens-zijn op aarde is de geboortewee van ons eigen, ware, persoon­lijke mensenwezen. De natuur kan niet an­ders dan handelen volgens de natuurwetten. Het water kan niet bij 37° C bevriezen en de lucht kan niet bij die temperatuur vloeibaar worden. Wij vinden het vanzelfsprekend dat het allemaal zo gaat en beseffen niet, dat wij ons juist daardoor als mens kunnen gedragen. Als mens gedragen wil zeggen tegen de wet in kunnen gaan, om zélf de waarheid te ont­dekken, om zélf te gaan inzien wat goed en wat verkeerd is en zélf in vrijheid te kunnen handelen. Aan de onvrije, nooit ophoudende dienstbaarheid der natuurwezens danken wij onze vrijheid.

Dat de mensheid niet te pletter valt in deze kloof tussen haar en de natuur, tussen per­soonlijkheid en persoon, danken wij aan Christus. Hij sprak tot degenen die in Hem geloofden: ‘Indien gij blijft in mijn Woord, dan zijt gij waarlijk mijn leerlingen en gij zult de waarheid inzien en de waarheid zal u vrij maken’ (Joh. 8:31-32). Daarom voegt Sint-Jan aan zijn oproep: ‘Komt tot inzicht!’ ook de woorden toe: ‘Want het rijk der hemelen (dat wil zeggen: de geestelijke wereld) is dichtbij gekomen’. Want nu is Christus ge­worden de Heer der wereld, ‘waarin de ste­nen rusten, de planten levend groeien, de dieren voelend leven’ binnen de wezens der vier elementen. Nu kan in mijn drievoudige persoon, waarin ik leef en nu voor het Sint-Jansvuur sta, ook steeds meer bevrijdende waarheid worden Paulus’ woord: ‘Ik leef, doch niet ik, maar Christus leeft in mij’.

Henk Sweers, ‘Jonas’ nr. 22, 21 juni 1985

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

.

207-196

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

Wat maakt de mens tot mens en onder­scheidt hem van andere levende we­zens? Dat hij bewustzijn heeft van zichzelf. Ik ben mij bewust, dat ik hier op dit moment naar een groot Sint Jansvuur sta te kijken. In deze laatste zin is tweemaal sprake van ‘ik’. Het ene ik is zich van het andere ik bewust. Dat kan niet een en hetzelfde ‘ik’ zijn, want om je van iets bewust te kunnen worden moet je er afstand van nemen, moet je er als het ware buiten staan. Het eerste ik is niet aan mijn persoontje gebonden, dat ergens op aarde is geboren en opgegroeid en hier nu staat te kijken naar een vuur. Het tweede ik is identiek met mijn persoon, die een naam heeft en die tegen zichzelf ‘ik’ zegt. Wanneer bedoel ik met ‘ik’ het eerste ik en wanneer

hem van andere levende we­zens? Dat hij bewustzijn heeft van zichzelf. Ik ben mij bewust, dat ik hier op dit moment naar een groot Sint Jansvuur sta te kijken. In deze laatste zin is tweemaal sprake van ‘ik’. Het ene ik is zich van het andere ik bewust. Dat kan niet een en hetzelfde ‘ik’ zijn, want om je van iets bewust te kunnen worden moet je er afstand van nemen, moet je er als het ware buiten staan. Het eerste ik is niet aan mijn persoontje gebonden, dat ergens op aarde is geboren en opgegroeid en hier nu staat te kijken naar een vuur. Het tweede ik is identiek met mijn persoon, die een naam heeft en die tegen zichzelf ‘ik’ zegt. Wanneer bedoel ik met ‘ik’ het eerste ik en wanneer
 
Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s