Tagarchief: vingerspelletjes

VRIJESCHOOL – Taalontwikkeling bij het kleinste kind

.

In 1980 verscheen als studiemateriaal van de vereniging Waldorfkindergärten deel 10: ‘Kind tanzt’.

De titel is ontleend aan de uitspraak van een klein kind bij deze tekening die het maakte:


In verschillende bijdragen gaat het om de euritmie in de 1e 7-jaarsfase.

Onderstaand artikel is een samenvatting door Helmut von Kügelgen van een onderzoek over hoe kleine kinderen leren spreken en een taalschat opbouwen.
Hij omlijst de samenvatting met allerlei uit de vrijeschoolse ontwikkelingspsychologie.

Mensen die in die kinderopvang werken en voor de jongste kinderen zorgen, zullen ongetwijfeld proberen waar te nemen hoe de kinderen zich ontwikkelen.
Vroegtijdig constateren dat er wellicht ontwikkelingsproblemen zijn, kan een zegen zijn voor de toekomst van het kind.
Er werd vastgesteld dat bewegen o.a. met de vingers van grote positieve invloed is op de ontwikkeling van taal.
Zie op deze blog: peuters en kleuters: alle artikelen.

In het laatste deel schrijft von Kügelgen – destijds een van de grote dragers van de ‘Internationale Vereinigung der Waldorfkindergärten’ een nawoord, geheel gebaseerd op zijn antroposofische visie. 

 

Prof. dr. M.M. Koltsova, hoofd van de onderzoekseenheid voor hogere zenuwfuncties bij kinderen, Instituut voor Fysiologie van Kind en Adolescent, Academie voor Pedagogische Wetenschappen van de USSR, Leningrad.

.

Over de verankering van de wil in de organen van het lichaam door middel van beweging
.

Hoe de spirituele en mentale vorm het lichaam als orgaan van de wil vormgeeft door middel van activiteit – vingerbewegingen en taalontwikkeling
.

“De vroege kindertijd is van fundamenteel belang voor de mentale ontwikkeling. Zij vormt de basis van alle constructieve mentale activiteit.”¹
Wat bedoelt Piaget, de belangrijke psycholoog en experimentator die de stadia van de bewustzijnsontwikkeling in de vroege kindertijd onderzocht en benoemde, met “mentale activiteit”?
Met deze uitspraak verwijst hij naar het vermogen van schoolkinderen en volwassenen om geometrische en fysieke kennis te verwerven, omdat in het eerste levensjaar de ruimte wordt verkend door de activiteit van de ledematen en zintuigen – dat wil zeggen, door beweging en waarneming. Maar welk verband bestaat er tussen het lichaam en “cognitieve vermogens”? Wat betekent “mentaal” concreet?

¹Jean Piaget und Barbel Inhelder, „Psychologie der frühen Kindheit” in „Handbuch der Psychologie” hcrausgcgeben von David und Rosa Katz, Stockholm; Basel, Stuttgart 1960.
.

In zijn “Medische observaties over de wereld van de jongere” 2 plaatst Alfred Nitschke het woord “spiritueel” tussen aanhalingstekens, alsof hij zich verontschuldigt voor het gebruik van een onbepaalde term. Hij, de natuurwetenschapper, wordt meegesleept door verwonderende observaties en woorden die afkomstig zijn uit andere, “onwetenschappelijke” domeinen: “Het ‘spirituele’ is onlosmakelijk verbonden met het fysieke… Wij zijn vleesgeworden geest en geestgeworden vlees. Het ‘geestelijke’ manifesteert zich in het lichaam; het is geïncarneerd.” Nitschke ontleent het woord aan de religieuze sfeer, aan Marcel (Mysterie van het Zijn). Vervolgens keert hij terug naar zijn eigen taal: “Hoe past het kind in de wereld? De mens, wanneer hij ter wereld komt, heeft niets. Hij is afhankelijk van handelen. Zijn oorspronkelijke natuur is zijn handelende essentie.”
Het is een van de grootste pijnpunten die we tegenwoordig in veel gesprekken en discussies ervaren, dat we dezelfde woorden gebruiken voor volkomen tegenstrijdige begrippen en ideeën. Met andere woorden, de ene persoon begrijpt iets totaal anders onder hetzelfde woord dan de andere, waardoor misverstanden ontstaan.

2Untertitel von Alfred Nitschke, Das verwaiste Kind der Natur, 2. Auflage, Max Niemeier Verlag, Tübingen 1968, S. 169.
.

De ‘oorspronkelijke aard van de mens is zijn handelende essentie’. Zou het kunnen dat Nitschke het nu heeft over het mysterie van het Ik, dat vanuit het ongeboren bestaan ​​ontstaat – dat liefde uit de hemelse wereld meebrengt en zijn wezen openbaart in de wil – in de wil die zich in de organen van het lichaam kenbaar maakt en zich met het licht voor het licht, met de klank voor het hoorbare uitvormt?
Nitschke vervolgt anders: “Actie betekent met andere woorden: motoriek , preciezer gezegd: willekeurige motoriek.
Alles wat de volwassen mens uiteindelijk heeft ontvangen, verworven, ontvangt hij via motorische vaardigheden. De bewegingen van de baby zijn bewegingen van de basale ganglia. Ze worden geactiveerd door externe of interne prikkels…”

In een visie op de mensheid die de door Rudolf Steiner herhaaldelijk beschreven gedifferentieerde concepten mist, die het spirituele van het mentale en fysieke onderscheiden en specificeren, valt het bewustzijn dat gevormd wordt door een mechanistisch wereldbeeld ten prooi aan het beeld van de motor als de belichaming van beweging. De handelende mens – een machine; wie drijft de motor aan? Grove motoriek beweegt de ledematen, fijne motoriek de spraakorganen, gezichtsuitdrukkingen – zijn het de fijnste motorische vaardigheden die de gedachten bewegen? Welke brandstof verbrandt in de motor waarvan de bewegingen worden veroorzaakt door externe of interne prikkels? Het ‘handelende wezen’ kan net zo min worden verklaard vanuit de basale ganglia of het fysieke lichaam als de krachten die een kompasnaald noord-zuid richten, kunnen worden verklaard vanuit de kompasnaald zelf.³

³ Rudolf Steiner, Erziehungs- und Unterrichtsmethoden auf anthroposophischer Grundlage, Oslo 23. 11. 1921. GA 304/146 e.v.  Op deze blog vertaald/146
.

Dat zou een fysieke dwaasheid zijn: de hele aarde, als magnetisch veld, behoort haar toe, waarin de kompasnaald zich richt. De richting ervan, de naald zelf, is slechts een onderdeel; We moeten veel verder kijken dan de kompasnaald, naar de Noord- en Zuidpool van de aarde, als we het kompas willen verklaren. Wanneer we de embryovorming in het moederorganisme bestuderen, mogen we, volgens de gangbare dwaasheid, de krachten die het embryo vormgeven niet alleen binnen de ruimtelijke grenzen van de ouderorganismen, in de erfelijkheid, zoeken. “We moeten in de hele kosmos zoeken wat het embryo vormgeeft. Maar wat erop inwerkt, is datgene waarmee de psychisch-spirituele essentie van de mens verbonden is, zoals die voortkomt uit spiritueel-psychische werelden.” en afdaalt naar het fysieke bestaan.4

4 Rudolf Steiner, idem.
.

Als we dieper willen begrijpen wat Nitschke “incarnatie” noemde, moeten we aan het concept van de onsterfelijkheid van het spirituele wezen het concept van ongeborenheid toevoegen. Het wezen dat vóór conceptie en geboorte onder de hoede van hiërarchische wezens leeft, dat aan het einde van zijn leven via de dood terugkeert naar zijn geestelijke thuis, grijpt het geërfde lichaam en betreedt actief zijn aardse omgeving.

 

In de eerste leeftijdsfase, tot aan de tandenwisseling rond het zevende jaar, zien we hoe een innerlijk, wilskrachtig element steeds creatiever werkt tot aan het zichtbare oppervlak van het lichaam. Het hoofd, het meest afgewerkte, meest materiële deel van het organisme, beeldt het heelal af in zijn bolvorm — het onhandige lichaam, dat nog niet kan zitten, staan, lopen, begint te bewegen. Het is alsof twee stromingen elkaar ontmoeten en kruisen: groei en waarneming stromen naar beneden — wil en kracht om zich op te richten stromen omhoog. Het bewustzijn grijpt steeds meer de coördinerende bewegingen, de wil grijpt vormend in, de organen vormgevend tot aan die van de hersenen. De ledemaatmens ontwikkelt de “hersen-wil-organisatie” van de mens. “wanneer de mens leert lopen, vormt hij van beneden naar boven, vanuit zijn ledematen, in zekere zin vanuit zijn periferie naar zijn centrum lopend zijn wilsorganisatie in de hersenen..” 5

Rudolf Steiner, Erziehungs- und Unterrichtsmethoden auf anthroposophischer Grundlage, Oslo 23. 11. 1921. GA 304/143 e.v.  Op deze blog vertaald/143
.

Rudolf Steiner beschrijft dat de hoofdorganisatie ten minste aanvankelijk verbonden is met datgene wat wil incarneren als de geestelijke ziel van de mens. Als beeld van het universum zou het hoofd, het centrum van het zenuwzintuig-zijn, moeten leren de hele wereld aan het bewustzijn af te beelden. Maar dit gebeurt door de orgaanvormende doordringing van de onbewust actieve wilsstromen.
“En wanneer je dan ziet hoe in iedere trek, in de hele fysionomie van het kind, in de uitdrukking van de ogen, naar buiten komt, naar de buitenkant van de mens, wat er aan geest-ziel in hem verborgen zit, dan ziet iemand die het antroposofisch ziet, hoe geest en ziel, die zich eerst in de ontwikkeling van de ledematenbewegingen vanaf het kruipen tot het lopen, laten zien en dan in de prikkels voor het spraakorganisme, het ademorganisme, dat actief is in het ontstaan van het blijvende gebit, hoe dus dit geest-zielenaspect van onderaf omhoogwerkt, om vanuit de buitenwereld op te nemen wat allereerst onbewust moet worden opgenomen om het in het meest materiële in te lijven: de hoofdorganisatie van de mens, in het denken, voelen en willen.”

6 Idem. Blz. 147/148
.

Het betekent buitengewoon veel voor de houding, de gemoedstoestand van de opvoeder, om zulke gedachten in het hart mee te beleven: Wat de wezens van de goddelijk-spirituele wereld hebben gebracht en aan je toevertrouwd, helpt je om  steeds meer het lichaam te gaan doordringen en te vormen, totdat het zich kan uitdrukken en zichzelf als individualiteit kan vinden!
“Maar alleen dan staan wij met het juiste heilige ontzag, met de juiste eerbied voor de vormende geest die van binnenuit het kind vormt en vormt door de stroom van onderen naar boven. De ziel, met de geest die zij ontvangt uit het leven vóór de geboorte, vormt het organisme in de eerste zeven levensjaren. Daar bevindt de mens zich in een zeer elementaire, directe verbinding met de omgeving.”
En als men op zoek is naar een gewoon woord dat deze liefdevolle toewijding uitdrukt, deze actieve verbinding met mensen en omgevingsprocessen, waardoor wil, voelen en denken in de organen worden geïntegreerd, dan is het het woord nabootsing.
Als betekenisvolle activiteiten, liefdevolle handelingen, gecontroleerde temperamenten en ware, devotionele gedachten worden nagebootst, dan wordt deze waarheidsgetrouwheid en morele kracht als gezondheid op de organen van het lichaam geprent. Toen Rudolf Steiner als het ware de opzet van zijn project uiteenzette vóór de voordrachten over “Algemene menskunde als basis van de pedagogiek”, die de basis vormden van het Waldorfonderwijs, karakteriseerde7 hij:
“Vrij wordt men pas, wanneer men als kind zo intens mogelijk heeft kunnen nabootsen. De natuurlijke kracht van het kind moet intensief ontwikkeld worden, met name voor het tijdperk waarin het socialisme zal aanbreken. De mensen zullen geen vrije wezens worden, alle declamaties en al het politieke gekrakeel over vrijheid ten spijt, wanneer de daartoe benodigde kracht van de nabootsing tijdens de kinderleeftijd niet wordt ontwikkeld. Want alleen wat zo in de kinderleeftijd wordt ontwikkeld, kan een basis voor de sociale vrijheid leggen.”

“Wanneer de nabootsing niet op de juiste manier ontwik­keld wordt, groeien de dierlijke driften.”

7 Rudolf Steiner GA 296  blz.  18/19
Vertaald/blz. 28 en 31
.

 In zijn latere voordrachten over Waldorfonderwijs zoekt Rudolf Steiner naar een nog treffender en gedurfder woord om de betekenis van nabootsing te begrijpen. Immers, de Ik-achtige maar nog niet zelfbewuste wil van het “handelende wezen” is actief om lichaam te worden, te incarneren. De verschijning van het geestelijk-zielenwezen in materie, in het orgaan van het lichaam is transformatie, is een sacramenteel proces. Zo is Steiners paradoxale uitdrukkingsvorm begrijpelijk:

“Die vorm van ervaring die door deze nabootsing heen gaat als het bloed van het leven is… lichamelijke religie “,8

8 Rudolf Steiner: GA 306/52    op deze blog vertaald/52   

Als we de stromen die elkaar tegenkomen in een schema samenvatten, voel je de behoefte om het onmiddellijk te laten opgaan in een muzikaal motief waaruit een hele “levensloopsymfonie” wordt gecomponeerd.
Want wat er gebeurde in de eerste drie jaar met het leren lopen, spreken en denken als een incarnatie van de wil, wat de stroom van bewustzijn en groei van boven ontmoet, van het opheffen van het hoofd, het bereiken van het ademhalingsritme van de rechtopstaande borst (waar in het hartgebied gevoeluitdrukking zoekt) tot het binnengaan in de ledematen, door wiens beweging en oprichten het bemachtigen van het eerste “ik”-zeggen mogelijk wordt — dit herhaalt zich, gebruikmakend van wat is bereikt, in de drie fasen van de eerste zeven jaar, dat wordt intenser in de drie 7-jaarsfasen in de opvoedingstijd, — dit openbaart zich als de vorming van het lot wanneer men de levensfase tot volwassenheid het “leren lopen” noemt, het midden van het leven tot aan de “Zwabische leeftijd” rond 40, 42 de ontwikkeling van de ziel, de tijd van het ouder worden tot 63 de spirituele rijping van de mens en als zodanig ervaren:

Bij het overwegen en tot leven brengen van zo’n plan moet de beslissende ommekeer rond het 21e jaar worden bekeken. Het lichaam is “volwassen” wanneer de wil eindelijk de armen en benen volledig heeft ontwikkeld als organen van de wil en nu steeds duidelijker de toekomst (excarnatie) voorbereidt die voorbij de dood wijst. In het handelende, lotsvormende Ik-wezen, het onvoltooide, het schuldig blijven, de impulsen voor de toekomst — in het Ik dat ervaring en wijsheid vergaart, worden de vruchten van wat geworden is verzameld. Maar het Ik is volledig aanwezig in het centrum van de ziel. Vanuit het centrum van de ziel leven we het heden.

Taalontwikkeling en vingerbeweging

Aangezien dit artikel zich primair richt op het wortelen van de wil in de organen van het lichaam, keren we terug naar de eenvoudigste activiteit van het kind in de eerste leeftijd.
Ook in de materialistisch-wetenschappelijke beschouwing van de mens zijn er voldoende observationele resultaten om de orgaanvormende kracht van handeling, beweging en actieve wil aan te tonen.
We willen graag één voorbeeld in detail geven, omdat het illustratief materiaal levert voor Rudolf Steiners onderzoeksresultaten en representaties in een onbevooroordeelde ontdekkingsvreugde en zonder intellectueel onderscheiden concepten.

Prof. M. Mariela Koltsova heeft het materiaal voor haar boek “Het Kind leert spreken” verzameld in het “Huis van het Kind” in Leningrad — samen met logopedist M. N. Rudneva.
Een hoofdstuk eruit is vertaald door Dr. med. Vera Premer en gepubliceerd in de Mededelingen van de Beroepsvereniging van Kinderartsen “De Kinderarts” in juni 1975.
Hier geven wij de essentiële delen van deze publicatie:

Het is niet ongewoon om een vertraging in de taalontwikkeling te zien, zelfs als de kinderen volledig gezond zijn, er geen gehoorstoornissen zijn en geen abnormale ontwikkeling van het centrale zenuwstelsel. Het is niet moeilijk om de reden van spraakachterstanden bij kinderen in kindertehuizen of kinderdagverblijven te verklaren: het zorgzame personeel kan niet voldoende aandacht aan het individuele kind besteden. Maar hoe kan men een verklaring vinden als het kind meer dan goed wordt verzorgd en er veel tijd aan hem wordt besteed?
Soms spreekt het kind in het tweede levensjaar in totaal vier tot vijf woorden, hoewel het veel meer begrip van taal heeft. De bezorgde ouders komen dan naar de dokter met de vraag: “Wat zijn de redenen voor deze vertraging?” Tot nu toe werd aangenomen dat de mate van taalontwikkeling gemeten moet worden aan de mate van duurzaamheid waarmee het kind met volwassenen omgaat in hun taalomgang, en terwijl het luistert naar de spraak van anderen, begint het deze na te bootsen en leert het de woorden te articuleren door middel van imitatie. In zulke gevallen doen de ouders meer hun best, grijpen ze elke gelegenheid aan om het kind aan te spreken; het kind blijft echter bij individuele geluiden en gebaren.

Sasha, 20 maanden oud – een gezond, sterk kind, begrijpt behoorlijk wat zinnen waarmee hij wordt aangesproken – als je ze noemt, brengt hij de gevraagde voorwerpen, let op de uitleg van foto’s – maar hij zegt zelf alleen “Mama” en “Oma” “njam-njam”; voor de rest zegt hij “i-i-i”.
“I-i-i” roept Sasha en reikt naar de sinaasappel.
“Saschenka, zeg eens ‘Gib-gib’.[geef – geef] Maar hij blijft koppig bij “i-i-i” en het bijbehorende handgebaar.
De oppas wil Sasha op de arm nemen, maar hij wijst haar af met hetzelfde “i-i-i”, en zeker met een geërgerde intonatie. 
De moeder, de grootvader, de grootmoeder spreken uitgebreid met de jongen; weken, maanden gaan voorbij, maar zijn spreken blijft op hetzelfde niveau. Hij uit zich nog steeds met gebaren en individuele klinkers.

Juist in zulke gevallen, vergelijkbaar met Sascha’s geval, wanneer het kind volledig gezond is en de individuele genegenheid aanwezig is en het aanspreekpunt meer dan voldoende is – en het kind aanhoudend zwijgt – rijzen twijfels of de taalontwikkeling van het kind daadwerkelijk uitsluitend gebaseerd is op de duurzaamheid van taalkundige interactie met volwassenen. Om het belang van taalkundige interactie voor de taal van kinderen te begrijpen, hebben we speciale waarnemingen gedaan.

In het “Huis van het Kind”, in een bepaald district van Leningrad, selecteerden we met de logopedist M. N. Rudneva 20 gezonde en fysiek goed ontwikkelde kinderen van 13 tot 16 maanden.
De taalontwikkeling van deze kinderen was ernstig vertraagd. Al deze kinderen draaiden hun hoofd en keken naar de spreker (d.w.z. ze toonden de oriënterende reactie op de stem); drie kinderen begrepen enkele zinnen, maar alleen voor een bepaalde situatie, bijvoorbeeld “Neem de lepel”. Ze reageerden correct en namen de lepel – maar alleen aan tafel tijdens de maaltijden; aan de andere kant reageerden ze niet op hetzelfde verzoek wanneer ze op een speelplek waren of in bed lagen.
In het geval van twee kinderen zagen we soms een nadoen van de individuele lettergrepen, maar geen van hen kon een woord herhalen. Met deze groep werden dagelijkse gedurende twee maanden oefeningen uitgevoerd, die bestonden uit het tonen van speelgoed aan het kind dat bij zijn naam werd genoemd. Zo liet de pedagoog een speelgoedpuppy zien en zei “woef”, of wees naar een koe en zei “moe-boe”, enzovoort, terwijl hij tegelijkertijd probeerde een nabootsing van het kind uit te lokken. Daarnaast werd er speciale aandacht aan elk kind besteed door het groepspersoneel en het personeel van het onderzoekscentrum: ze spraken met hen tijdens het uitkleden, tijdens het wassen, voeden en speelden individueel met hen. De duur van de algemene taalaandacht duurde bijna een uur over een dag verspreid, en dat is heel veel. De resultaten die we behaalden waren echter zeer klein, zelfs onbeduidend: de controle na een maand en een later na drie maanden vertoonde een lichte verschuiving — we kregen tijdens het bezig zijn zwakke vocale reacties (“ach-u-u-u-u-u-u-” enz.).
Hieruit volgt dat de mate van intensiteit van taalkundig contact met volwassenen niet de rol speelt die eraan wordt toegeschreven. Natuurlijk is dit de voorwaarde voor het begin van elke taalontwikkeling, maar het lijkt erop dat er ook andere omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen. Welke? Dat moet worden verduidelijkt.

Onwillekeurig wordt je herinnerd aan het grapje: “Wanneer kan de zwarte kat het makkelijkst het huis binnensluipen?” Meestal antwoordt men: als het donker wordt – maar het juiste antwoord is: als de deur open blijft.
Het raadsel sluit aan bij de stereotiepe manier van ons denken; het (verkeerde) antwoord is gericht op de zwarte kleur van de kat, maar als alle deuren gesloten blijven, heeft zelfs de duisternis geen nut voor de kat om het huis binnen te sluipen.

Als we het hebben over de taalontwikkeling van kinderen, verbinden we die vanaf het begin met de duurzaamheid van taalinteractie met volwassenen – dit lijkt al een kwestie te zijn. Maar zou het mogelijk zijn om een “deur” te vergeten die geopend moet worden?
De beroemde Russische fysiologen Y. M. Ssechenov en Y. P. Pavlov beschouwden de spierwaarnemingen die tijdens articulatie ontstaan als zeer belangrijk. Ssechenov schreef: “Het lijkt mij zelfs dat ik nooit in woorden denk, maar in spierwaarnemingen.”
Pavlov wees er ook op dat spraak voornamelijk bestaat uit spierwaarnemingen, die leiden van de spraakorganen naar de grijze hersenschors.9

9 Deze tussenopmerking is zo interessant omdat in de spieren, oftewel in het “vlees”, de wil zijn diep onbewust blijvend lichaamsorgaan heeft: we willen de arm optillen – magisch gehoorzamen de spieren in ingewikkelde samentrekkingen en uitzettingen om het besluit e realiseren. Of we willen een vriendelijk gezicht opzetten – onmiddellijk reageren de fijn afgestemde gezichtsspieren om de gewenste uitdrukking te maken. Of we willen iets toeroepen, uiten  – en de “fijne motoriek” van de spraakorganen vormen de gewenste woordvorming in de ademstroom.
.

Daarom moet je bij het zoeken naar hulpmiddelen voor de taalontwikkeling van kinderen overwegen de spierwaarnemingen van het taalapparaat te gebruiken. Maar hoe moeten deze aan het licht worden gebracht? We weten dat spraakimitatie bij de baby ontstaat op zo’n manier dat het de gezichtsuitdrukkingen van de volwassene observeert en reproduceert.
Maar we weten ook iets anders: in de zevende maand wordt de nabootsing geïmiteerd; en in het geval van kinderen van één jaar of ouder, die vanuit onderwijstechnisch oogpunt worden verwaarloosd, is het zeer moeilijk om zenuwimpulsen te verkrijgen van de articulatieorganen. Daarom blijft deze deur gesloten en moeten we naar een andere zoeken. Als we het beeld van de grote hersenen voor ons hebben (Fig. 1),

Fig. 1: Weergave van de taalzones volgens U. Penfïeld. De geblokte velden tonen de taalzones, namelijk de anterieure (Brocasche) links, de posterieure (Wemingksche) rechts en de extra zone bovenaan. Cijfer 1 duidt de voorste centrale groef (motorisch gebied) aan, nummer 2 de achterste centrale groef (zintuiglijk gebied).
.

is het opvallend dat het motorische taalgebied heel dicht bij het algemene motorische gebied ligt – het is eigenlijk een onderdeel van het laatste. Zou het niet mogelijk zijn dat de ontwikkeling van motorische taal afhangt van de algehele motorische ontwikkeling?

Op basis van deze aanname werden de volgende observaties gedaan:
In hetzelfde huis werden 19 gezonde kinderen van 13 en 15 maanden gekozen, maar met een haperende taalontwikkeling. Negen van deze kinderen – laten we ze groep 1 noemen – kregen de kans om twintig minuten per dag op de grond te bewegen (fig. 2);

Fig. 2: Opname van de bewegingen van het kind op de vloer.
.

de andere tien kinderen bleven in hun vertrouwde omstandigheden, dat wil zeggen dat ze de tijd dat ze wakker waren, doorbrachten op de speelplek, waar hun bewegingen beperkt waren – waar de kinderen probeerden te kruipen of te lopen, stootten ze op de begrenzing van de ruimte of op de andere kinderen.10

10 Het gaat om grotere loopruimtes in de kinderdagverblijven, waar ook meer kinderen tegelijkertijd kunnen verblijven.
.

Met beide groepen werden spraakoefeningen van elk twee minuten uitgevoerd, zoals hierboven beschreven.
Het bleek dat de kinderen van groep 1 hun pogingen de klanken na te bootsen, gemiddeld op de 7e dag begonnen, maar het nadoen was zwak. Als bijvoorbeeld de volwassene “wau-wau” of “ga-ga” uitsprak, antwoordde het kind altijd met hetzelfde geluid: “a-a-a” of “u-u-u.” Tegen de twintigste dag was te zien dat de poging tot imitatie iets meer vooruitgang boekte.

In de tweede groep verscheen de imitatieve stemreactie gemiddeld pas op de dertiende dag, dat wil zeggen na twee keer zo lange tijd; deze was ook zwak en van stereotiep karakter, en zelfs na 30 dagen konden er geen veranderingen worden waargenomen.
Als we de resultaten van beide groepen vergelijken, zien we dat de mogelijkheid van vrije beweging die groep 1 had, tot op zekere hoogte het begin van degelijke imitatie kon faciliteren. Maar het succes voldeed niet aan onze verwachtingen. Blijkbaar was ook deze deur gesloten en moeten we onze zoektocht voortzetten.

Afb. 3: De aanduidingen die loodrecht op de omtrek, d.w.z. radiaal, zijn aangebracht, van links naar rechts (met de klok mee) gelezen: „Grote teen, onderbeen, knie, bovenbeen, romp, schouder, elleboog, onderarm, pols, pink, ringvinger, middelvinger, wijsvinger, duim, nek, ooglid en oogbol, gezicht, lippen, tong, slikspieren.“
De drie in een cirkelboogvorm parallel aan de omtrek aangebrachte benamingen, van binnen naar buiten gelezen: „Kauwen, speekselafscheiding, stembesturing.”

Als we nog eens naar de anatomische verhoudingen kijken, valt ons op dat bijna een derde van de totale oppervlakte van de motorische projectie11 wordt ingenomen door de projectie van het polsgewricht, die zich in de onmiddellijke nabijheid van de motorische spraakzone bevindt. Het buitenproportionele aandeel van de polsprojectie wordt bijzonder duidelijk weergegeven in afb. 3; het betreft de zogenaamde „homunculus Penfildi“. Hier worden de projecties van alle lichaamsdelen in het motorische gebied beeldend toegelicht.

11Hiermee wordt het oppervlak van het motorische gebied bedoeld, zoals dat in de projectie op het hier afgebeelde beeldvlak verschijnt.
.

Recenter onderzoek heeft uitgewezen dat e.e.a. genuanceerder ligt.

Het feit dat de projectie van het polsgewricht opvallend groot is en zich in de onmiddellijke nabijheid van de motorische spraakzone bevindt, deed de gedachte rijzen dat het trainen van de vingers een grotere invloed heeft op de actieve spraakontwikkeling van het kind dan het trainen van de algemene motoriek.

Om dit vraagstuk te onderzoeken, werd in ons laboratorium door L. W. Fomina een uitgebreide reeks experimenten uitgevoerd. In het „Huis van het Kind“ werden drie groepen kinderen in de leeftijd van tien tot vijftien maanden samengesteld en met deze kinderen werd stelselmatig als volgt te werk gegaan:

1e groep:
Geen extra oefening       

2e groep:
Dagelijkse taaloefeningen van tweeënhalve minuut 
Dagelijks vrij bewegen op de vloer, gedurende 20 min.     

3e groep:
Dagelijkse vingeroefeningen van 20 minuten (knopen aan een draad rijgen, piramides bouwen enz.)

De resultaten bij de eerste en tweede groep waren als volgt:
in de eerste groep traden vocale reacties gemiddeld op de twintigste dag op; deze waren echter zwak en stereotiep.
In de tweede groep begonnen de pogingen tot geluidsimitatie op de zesde dag. Tegen de vijftiende dag werd in tien procent van de gevallen een vrij nauwkeurige reproductie van de geluiden waargenomen.
De resultaten bij de derde groep waren zelfs voor ons verrassend: vocale reacties traden al op de derde dag op. Tegen de zevende dag vertoonde 41 procent van de gevallen – en tegen de vijftiende dag 67,3 procent – ​​zelfs een nog nauwkeurigere geluidsimitatie!

Op deze manier leidde het oefenen van fijne vingerbewegingen niet alleen tot een aanzienlijk vroegere nabootsing van geluiden (zeven keer sneller dan in de eerste groep), maar ook tot een grotere mate van perfectie. Ook opmerkelijk is dat de fijnmotorische vingeractiviteit bij de derde groep enkele dagen later ook buiten de oefensessies waargenomen kon worden: zo reikten de kinderen bijvoorbeeld naar de pop, raakten ze de neus en ogen aan, of pakten ze met hun vingers een broodkruimel van het tafelkleed, enzovoort.

De kinderen in de eerste en tweede groep maakten daarentegen geen onderscheid tussen de fijnere details van de voorwerpen. Ze pakten het speelgoed vast en sloegen ermee tegen waarop dit lag of stopten het in hun mond.

Daarnaast onderzocht dezelfde auteur (L. W. Fomina) meer dan 500 kinderen in uiteenlopende kinderopvangvoorzieningen en stelde vast dat het niveau van hun taalontwikkeling steeds direct verband hield met hun ontwikkelingsstadium en de fijne motoriek van hun vingers. (Het niveau van de taalontwikkeling kwam daarentegen niet altijd overeen met het niveau van de grove motoriek.) De onderstaande tabel illustreert deze verbanden:

Ontw. van vingerbew.           taalontw.        ontw. totaal motoriek

norm                                          norm                             norm
norm                                          norm                 onder norm
onder norm                        onder norm                        norm
boven norm                       boven norm                        norm
onder norm                       onder norm             boven norm

We kunnen dus concluderen: als de ontwikkeling van de vingerbehendigheid overeenkomt met de leeftijdsnorm, dan valt ook de taalontwikkeling binnen de normale grenzen; omgekeerd geldt dat als het eerstgenoemde achterblijft, ook de taalontwikkeling achterblijft – zelfs wanneer de algemene motoriek normaal of zelfs vergevorderd is. Waarnemingen bij een groot aantal kinderen wijzen erop dat dit verschijnsel geen toeval is, maar een vast patroon volgt.

We voeren momenteel experimenten uit met jonge kinderen om hun taalontwikkeling te beoordelen: we vragen het kind om één vinger op te steken, dan een tweede en vervolgens een derde (“Doe het zo”, terwijl we de juiste handeling voordoen). Kinderen die hun vingers onafhankelijk van elkaar kunnen bewegen, zijn de kinderen die spreken; omgekeerd geldt dat als de vingers stijf zijn – en alleen gezamenlijk bewegen (tegelijk buigen of strekken) – of juist slap zijn en niet in staat tot geïsoleerde bewegingen, de kinderen niet spreken.

Op deze manier kan men het stadium van de taalontwikkeling vaststellen zonder ook maar één woord van het kind te horen. Zolang de vingers niet vrij en onafhankelijk kunnen bewegen, zal de taalontwikkeling niet op gang komen. Opmerkelijk hierbij is niet zozeer dat vingerbewegingen de taalontwikkeling beïnvloeden, maar wel dat het zo lang heeft geduurd voordat we op het idee kwamen om van dit verband gebruik te maken.

Binnen de neuropathologie en de orthopedagogie bestaan ​​al lang waarnemingen over de nauwe samenhang tussen spraak- en handfuncties. Zo is het al geruime tijd bekend dat letsel of een bloeding in het spraakcentrum van de linkerhersenhelft niet alleen leidt tot verlies van het spraakvermogen, maar ook tot verlies van de fijne motoriek in de vingers van de rechterhand – zelfs wanneer het specifieke gebied dat de vingerbewegingen aanstuurt niet direct was aangedaan.

Tegen het einde van de vorige eeuw werden gevallen beschreven van schade aan het frontale gebied van de linkerhersenhelft, waarbij de spraakfunctie desondanks intact bleef. Nader onderzoek wees uit dat deze personen linkshandig waren en dat hun motorische spraakcentrum zich in de rechterhersenhelft bevond. De ontwikkeling van spraakcentra in de linker- of rechterhersenhelft – afhankelijk van of iemand links- of rechtshandig is – vormt een bijzonder overtuigend bewijs voor het verband tussen spraak- en handfunctie.

Aanvullend bewijs is te vinden in onderzoek naar de hersenontwikkeling: zoals eerder vermeld, vertoont bij rechtshandige kinderen het motorische spraakcentrum in de linkerhersenhelft tijdens de eerste twee levensjaren een versnelde groei en cellulaire rijping, terwijl dit proces bij linkshandige kinderen in de rechterhersenhelft plaatsvindt.

Ook waarnemingen van specialisten in de orthopedagogie zijn zeer veelzeggend: het is onomstotelijk vastgesteld dat het dwingen van een linkshandig persoon om over te schakelen op het gebruik van de rechterhand (bijvoorbeeld door de linkerhand achter de rug vast te houden of op de hand te slaan) leidt tot stotteren of andere spraakstoornissen.

Later onderzoek heeft aangetoond dat dit niet per se het geval hoeft te zijn. Stotteren kan ook andere oorzaken hebben.

Bewijs wordt ook geleverd door waarnemingen tijdens het onderwijs in gesproken taal aan doofstomme kinderen. Sommige van deze kinderen leren al op jonge leeftijd met hun omgeving te communiceren via grove gebaren – dat wil zeggen… …met de hele hand; anderen leren het zogenaamde dactylologische alfabet (vingeralfabet), waarbij ze letters met hun vingers uitbeelden en de woorden als het ware ‘schrijven’.

Wanneer doofstomme kinderen naar school gaan en onderwijs in gesproken taal krijgen, hebben kinderen die voorheen met grove gebaren ‘spraken’ meer moeite om de lesstof te begrijpen; dit proces vergt bij hen vele maanden. Daarentegen leren kinderen die al vroeg met hun vingers ‘spraken’, de gesproken taal zeer snel en gemakkelijk beheersen.

Als we al deze feiten op een rijtje zetten, kunnen we de volgende conclusie trekken: wanneer we de periode bespreken waarin een kind zich voorbereidt op actief spreken, moeten we niet alleen kijken naar het oefenen van het articulatieapparaat, maar ook naar de bewegingen van de vingers.

De bovengenoemde waarnemingen rechtvaardigen – althans zo lijkt het ons – de classificatie van de pols als onderdeel van het spraakapparaat en het beschouwen van de polsregio als een extra spraakgebied in de hersenschors. Hier moeten we dus zoeken naar de gesloten deur waardoor onze “zwarte kat” – de spraak – naar binnen is geglipt.12

12 Hier gaat Mariela Kolzowa in op speculaties over hoe taal zich in de loop van millennia zou kunnen hebben ontwikkeld vanuit de oermens, die communiceerde via gebaren en kreten. Ook een ander experiment is voor ons van belang: v. K.
.

EEG-veranderingen na vingertraining:
De elektrische activiteit van de hersenen werd geregistreerd bij zuigelingen van zes weken oud in het “Kinderhuis”; vervolgens werd bij sommige zuigelingen de rechterhand getraind en bij andere de linkerhand. De training bestond uit massage van de pols en het passief buigen en strekken van de vingers.

Na één en twee maanden werd de elektrische hersenactiviteit opnieuw geregistreerd en werden de mate van weerstand en het verschijnen van hoogfrequente golven wiskundig bepaald of berekend – dit zijn indicatoren voor hersenrijping. Het bleek dat na één maand training hoogfrequente ritmes verschenen in de motorische gebieden, en na twee maanden verschenen ze in het toekomstige spraakgebied – gelegen in de hemisfeer tegenover de getrainde hand! Soortgelijke onderzoeken (waarbij maandelijks bio-elektrische stromen werden geregistreerd, gevolgd door wiskundige analyse) werden ook uitgevoerd bij kinderen van dezelfde leeftijd die dergelijke oefeningen niet hadden gedaan. De resultaten toonden aan dat de training het rijpingsproces van de taalcentra met tweeënhalve maand versnelde – in de linkerhemisfeer bij rechtshandige kinderen en in de rechterhemisfeer bij linkshandige kinderen. Deze feiten leveren direct bewijs dat taalcentra zich ontwikkelen onder invloed van impulsen die vanuit de vingers afkomstig zijn.13

13 Tot de volkswijsheid van alle volkeren behoren de vele tedere, vrolijke vingerspelletjes die met baby’s en jonge kinderen worden gespeeld. Wanneer M. Kolzowa gebruiken herontdekt die vanouds thuishoren in de kinderkamer en de kleuterschool, is dat van betekenis voor het bewust herstellen van verloren gegane zorginstincten. Het zou echter weer een vorm van intiem spel moeten zijn, in plaats van training, exploitatie of massage. v. K.
.

Vingertraining kan beginnen wanneer kinderen zes tot zeven maanden oud zijn. In dit stadium kan massage gunstig worden toegepast: het strijken over de handpalm richting de vingertoppen en terug, en het vasthouden van elk vingertje afzonderlijk om het te buigen en te strekken. Deze routine kan gedurende twee tot drie maanden worden uitgevoerd.

Vanaf de leeftijd van tien maanden kan men een kind grotere, felgekleurde voorwerpen aanbieden, gevolgd door kleinere; houten kralen aan een elastisch koord zijn hiervoor zeer geschikt. Hoewel kinderen graag met losse kralen spelen, bestaat het risico dat ze deze in hun mond stoppen en inslikken.

Spelen met de vingers tijdens het zingen van kinderliedjes vormt een uitstekende oefening. Een ander geweldig hulpmiddel om de vingerbehendigheid te ontwikkelen, is het spel ‘Vingertheater’. Kinderen vanaf anderhalf jaar spelen dit met veel enthousiasme. Bij dit spel worden dieren- of mensenkopjes op de vingers geschoven om allerlei scènes uit te beelden. Wanneer volwassenen met kinderen van één tot drie jaar spelen, dienen zij de activiteit te begeleiden. Op deze leeftijd imiteren de kleintjes de vingerbewegingen van de volwassenen, aangezien ze zelf nog niet in staat zijn het verhaal voor een dergelijk spel te bedenken. Rond hun vierde levensjaar beginnen ze zelfstandig eenvoudige handelingen te improviseren.

Het is belangrijk te benadrukken dat deze spelletjes niet te lang moeten duren. Uit onze waarnemingen blijkt dat vijf minuten ruim voldoende is om de taalontwikkeling van een kind te stimuleren.

Bij het bespreken van vingeroefeningen mogen linkshandigen niet onvermeld blijven.

Linkshandigen worden soms ‘ambidexter’ genoemd – wat in zekere zin betekent dat ze ‘twee rechterhanden’ hebben. In werkelijkheid beheersen linkshandigen het gebruik van beide handen; ze streven er van nature naar alles met hun linkerhand te doen, terwijl hun omgeving hen probeert te leren de rechterhand te gebruiken.

Is linkshandig zijn goed of slecht? 14

14 Het advies van Rudolf Steiner hierover is helder en weloverwogen: links en rechts zijn niet onderling uitwisselbaar. Onze gehele beschaving is gericht op de actieve rechterhand en niet op de “harthand”, die meer aanleg heeft voor het artistieke. Daarom is het juist en passend om alle dagelijkse handelingen van meet af aan aan de rechterhand toe te vertrouwen en – in het geval van linkshandigen – hen voorzichtig om te scholen (zonder dwang, want dat brengt risico’s met zich mee zoals stotteren, enz.). Hij waarschuwt nadrukkelijk tegen tweehandigheid. Het kan slechts leiden tot verwarring en stoornissen wanneer het iemand wordt aangeleerd vanuit een primitief intellectualisme en een utilitaire instelling. v. K.
.

Het is juist gunstig: het trainen van beide handen stimuleert de ontwikkeling van de bijbehorende gebieden in de hersenschors. Neuropathologen beschouwen dit als een veiligheidsfactor bij eventuele schade aan de linkerhersenhelft.
I.P. Pavlov was van mening – juist omdat er in zowel de rechter- als de linkerhersenhelft taalgebieden aanwezig zijn – dat linkshandigen in het voordeel waren ten opzichte van rechtshandigen wat betreft een hoger niveau van intellectuele ontwikkeling. Hij wees erop dat een aantal prominente figuren linkshandig was. (Pavlov zelf was linkshandig!) …

Ook als de spraakontwikkeling van uw kind goed verloopt, is het belangrijk om aandacht te besteden aan de ontwikkeling van de fijne vingerbewegingen; als de spraakontwikkeling van uw kleintje echter achterblijft, leg dan extra nadruk op vingeroefeningen. Dit kost u slechts enkele minuten per dag en zal op de lange termijn zijn vruchten afwerpen.

We hebben gezien dat de taalontwikkeling van een kind vrij nauwkeurig de stadia van de menselijke ontwikkeling weerspiegelt: gebaren, vervolgens gebaren vergezeld van primitieve klanken, het ontstaan ​​van woorden en ten slotte gesproken taal met slechts zeer geringe overblijfselen van gebaren.

Niet alleen de stadia van taalontwikkeling herhalen zich; ook de drijvende krachten achter dit proces zijn dezelfde: arbeid en activiteit. Uiteraard sluit de vorm van deze activiteit aan bij de vermogens van het kind.15

15 Het is opvallend dat het woord ‘spel’ wordt vermeden om redenen die geworteld zijn in de ideologie van de Sovjet-Russische arbeidsethos. Rudolf Steiner wijst herhaaldelijk op de betekenis van metamorfose, waarbij aangeboren aanleg in de kindertijd een proces doorloopt langs de stadia van opvoeding en onderwijs: spel verandert in werk, en het intense vermogen tot spelen ontwikkelt zich tot een toegewijd vermogen tot beroepsmatige activiteit. Het geheim dat zowel aan spel als aan werk ten grondslag ligt, is de wil – uitgeoefend door het ‘handelende wezen’ of het ‘Ik’ – die via spelenderwijs handelen eerst de lichamelijke organen vormgeeft, om ze vervolgens in te zetten voor de arbeid van het zich ontwikkelende individu. v. K.
.

Toch vormt de afhankelijkheid van taalontwikkeling van de activiteit van het jonge kind een rode draad door elke fase van het proces – van het begrijpen van taal tot het actief spreken zelf. De volledige rijkdom aan begrippen die kinderen van ons overnemen, wordt geïntegreerd in hun eigen activiteiten en hun interacties met voorwerpen. Wanneer deze activiteit wordt beperkt, verliest de verworven talige rijkdom bovendien haar betekenis; de reikwijdte van hun begrippen neemt af en hun woordenschat verarmt.

Nergens vinden wetenschappelijke conclusies over de rol van arbeid in de menselijke ontwikkeling zo’n treffende en overtuigende bevestiging als in de taalontwikkeling van het kind!

Uit de studie van kindertaal komt nog een feit van enorm belang naar voren: niet alleen de taalcentra, maar de gehele grote hersenen zijn betrokken bij dit proces – het meest complexe van alle processen.16

16 Deze waarnemingen – en niet zozeer theorieën of een mechanistische mensopvatting – vormen de basis voor deze opmerkingen: taalontwikkeling komt voort uit beweging – uit lopen, in de breedste zin van het woord – en denken komt voort uit het woord. Zie het schema dat de samenhang illustreert tussen lopen, spreken en denken, en tussen hoofd, borst en ledematen.
v. K.
.

Er zijn hier diverse feiten aangehaald die wijzen op de belangrijke rol die verschillende hersengebieden spelen bij de totstandkoming van taal – al geven deze bij lange na niet de volledige omvang van de huidige wetenschappelijke kennis weer. En hoeveel vragen wachten er nog op een antwoord! Wanneer wetenschappers in staat zijn een verschijnsel bevredigend te verklaren, impliceert dit inzicht in de onderliggende mechanismen; zodra we die mechanismen doorgronden, kunnen we het verschijnsel zelf beïnvloeden en vormgeven.

We kunnen ons een beeld vormen van de mechanismen (zij het niet tot in het kleinste detail) die ten grondslag liggen aan de transformatie van een woord tot de aanduiding van een concreet object – tot een concept – en we kunnen dit proces in de gewenste richting sturen. Ook de mechanismen die de taalontwikkeling van een kind vormgeven, zijn in grote lijnen verklaard en er zijn methoden gevonden om dit proces te stimuleren en te verfijnen.

Er ligt echter nog veel buiten onze macht; we moeten ons onderzoek richten op die mechanismen die de mens een nog grotere beheersing zullen geven over heverloop van de taalontwikkeling en het “denken in woorden” – die “buitengewone gave van de menselijke soort” (I.P. Pavlov).

0-0-0

Von Kügelgen:

Laten we tot slot ingaan op de verbinding met drie onderscheiden sferen van de geestelijke wereld – sferen waarin de mens staat door middel van het vermogen om voorstellingen te vormen, het gevoelsleven te ontplooien en de wil uit te oefenen. Als we de gewone taal serieus nemen en haar nauwkeurig begrijpen, kunnen we proberen de zaak als volgt te verwoorden: we zijn gewend te spreken over de ‘tijdgeest’ of de ‘geest van een tijdperk’. Ook nemen we de ‘genius’ van een taal – of de volksgeest – direct als een werkelijkheid waar. En we ervaren de wijze leiding van de beschermengel – de metgezel van het individuele lot – als een werkelijkheid, althans in allegorische zin. Wie de werkelijkheid van de geestelijke wereld in zijn wereld- en mensbeeld heeft opgenomen, ziet  achter woorden als ‘geest’, ‘genius’ en ‘engel’….. de werkelijke wezens.

Tot de aangrijpende beschrijvingen van Rudolf Steiner – waarin de stadia van de vroege kinderontwikkeling vanuit steeds nieuwe gezichtspunten worden belicht – behoort zijn uiteenzetting over de betrokkenheid van wezens uit de Derde Hiërarchie.

Door het zich oprichten, staan ​​en lopen – en door de gehele statica en dynamiek van onze bewegingen en de ontplooiing van onze wil – worden wij tijdgenoten van ons tijdperk; een verheven wezen uit de Hiërarchie van de Archai speelt een rol bij het geven van de impuls tot handelen. De innerlijke drang tot nabootsing en taalverwerving leidt ons naar een verbinding met de werkelijke volksgeest en de genius van een taal – wezens die behoren tot de Hiërarchie van de Aartsengelen. De behoefte om begrippen in woorden te zoeken – en om onszelf als denkende wezens te ervaren – danken wij aan onze persoonlijke metgezel: de engel die ons van het ene aardse leven naar het volgende begeleidt.

Door de poort van de geboorte heen straalt nog steeds de glans van wezens wier bestaan ​​de geestelijk-hemelse wereld vormt. Hun kracht is werkzaam in de levenswil en in de toewijding aan het nabootsen. Dit vertoont gelijkenis met de ‘gewoonte’ die we meebrengen uit ons leven met geestelijke wezens – een gewoonte die ons geleidelijk verlaat naarmate de kracht tot nabootsing afneemt. Wanneer we de kindertijd achter ons laten en – vanuit het standpunt van het ‘Ik’ – de persoonlijke verantwoordelijkheid voor ons eigen lot op ons nemen, kunnen we ons bewust worden van onze verbinding met de geestelijk-hemelse wereld en deze zo hervinden.

Zelfs voor het gewone bewustzijn – zonder het vermogen om rechtstreeks in de geestelijke wereld te blikken – is het duidelijk dat we op drie manieren met hogere werelden verbonden zijn. Ons voorstellingsleven, dat herinneringen en gedachten omvat, is niet van fysieke aard; toch wijst het, door de wijze waarop het ons leven als deel van onze innerlijke ervaring vormgeeft, op een sfeer die voorbij het fysieke ligt. Liefde en haat, sympathie en antipathie – het hele rijke spectrum van de gevoelsbeleving – vormen een tweede, intiemere en wezenlijk andere aanwijzing voor het onzichtbare. Het derde aspect bestaat uit onze beslissingen en initiatieven: onze wilsimpulsen.

Op de drempel van het inslapen kunnen we waarnemen op welke verschillende manieren deze drie gebieden van het zielenleven aanvankelijk met ons eigen wezen verbonden zijn. Het leven van gedachten en voorstellingen beheerst ons vanaf het moment van ontwaken tot aan het inslapen; het vervaagt naarmate we in slaap sukkelen. We vallen in slaap wanneer we vermoeid raken door een zwaar boek – wanneer de gepresenteerde ideeën ons innerlijk niet meer beroeren. Een meeslepende roman of een verhaal dat onze emoties diep raakt, houdt ons daarentegen wakker. Ook gevoelens van wroeging of schuld, intense vreugde of medeleven beletten ons te slapen; ze zijn nauwer verbonden met onze wezenlijke aard en hebben zelf een droomachtig karakter. Ze roepen beelden op en vergezellen ons in onze dromen.
‘Het zijn de emoties die de droombeelden aantrekken. Dit komt doordat ze veel nauwer verbonden zijn met de ware essentie van de mens dan het voorstellingsleven.’  17

 17 Rudolf Steiner, GA 130/109
Vertaald
.

Wie het moment van inslapen aandachtig observeert, kent het gevoel van welbehagen dat ermee gepaard gaat. Voorstellingen vervagen als in een nevel; vreugde en verdriet verstommen; toch blijft er iets over als een echo van de wilsimpulsen – zowel goede als slechte – van de voorbije dag.
“Wanneer iemand voor het inslapen de goede wilsimpulsen voor zijn ziel haalt, voelt hij zich des te verkwikt en vitaal.”  18

 18 Zie 17: Ook de volgende citaten zijn aan deze voordracht ontleend.

We ervaren onze wilsimpulsen als iets dat ons bezielt – en dan volgt de overgang: het fysieke scheidt zich van het geestelijke en we zinken weg in de slaap.
“Het leven van onze wilsimpulsen is nog nauwer met ons bestaan ​​verbonden dan onze emoties; en wie het moment van inslapen vaak observeert, voelt aan dat – als men niet kan terugkijken op goede wilsimpulsen gedurende de dag – het voelt alsof iets in ons, iets dat overgaat in de slaaptoestand, wordt uitgedoofd. Zo zijn wilsimpulsen verbonden met gezondheid en ziekte, en met onze levensenergie.”

In de geesteswetenschap worden de werelden beschreven waarin wij ons begeven door middel van fysieke zintuigwaarneming, gedachten, zielsbewegingen en wilsimpulsen – en van waaruit, terwijl ons lot steeds dieper wordt beroerd, het antwoord komt wanneer dwalingen, lage gevoelens of immorele impulsen ons bewegen. In de hier aangehaalde voordracht beschrijft Rudolf Steiner ze als volgt:
“Wanneer wij via de uiterlijke zintuigen waarnemen, kunnen wij daardoor alles waarnemen wat in de fysieke wereld bestaat. Wanneer wij ons voorstellingen vormen, staan ​​onze ideeën en ons gedachteleven in relatie tot de astrale wereld; onze zielsbewegingen brengen ons in verbinding met wat wij de hemelse wereld noemen – het lagere Devachan – en de wereld van morele impulsen brengt ons in verbinding met het hogere Devachan, oftewel de wereld van de geest. Zo is de mens door middel van gedachten, ziel en wilsimpulsen met drie werelden verbonden. En voor zover de mens tot de astrale wereld behoort, kan hij zijn gedachten in de astrale wereld dragen; hij kan zijn zielsbewegingen in de devachanische wereld dragen; en in de hogere hemelse wereld kan hij alle wilsimpulsen dragen die in zijn ziel aanwezig zijn.”

Laten we onze blik nu weer richten op het begin van onze bespreking. De betekenis van opvoeding tijdens de levensfase waarin het lichaam wordt gevormd tot instrument voor ons wilsinitiatief en onze levenskracht – de betekenis van opvoeding tijdens de eerste zevenjarige levensperiode – is hopelijk duidelijk geworden. De geestelijke werkelijkheid, met eerbied beschouwd, geeft ons de kracht om als opvoeders de juiste houding te ontwikkelen in kleine, alledaagse zaken – en daarbij steeds bewuster, liefdevoller en heilzamer te worden.

.

Menskunde en pedagogie: hand en intelligente [5]

Rudolf Steiner: handvaardigheid: artikelen met de relatie hand-intelligentie

Spel: alle artikelen

Rudolf Steiner over nabootsing: alle artikelen

Rudolf Steiner over lopen spreken, denken: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: peuter-kleuterklas

.

3622-4014

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – De ontwikkeling van het jongere kind (1-2-5)

.

Een van de meest menselijke vermogens is het kunnen spreken.
Spreken kunnen we alleen leren door nabootsing. 
Omdat in vroegere sociale verhoudingen de moeder thuis voor het opgroeiende kind zorgde, heeft zich in de taal het begrip ‘moedertaal’ (het Engels heeft ‘de moeder tong!) gevestigd.

Rudolf Steiner gaf al in het begin van de vorige aan hoe belangrijk klanken zijn voor de vorming van bepaalde gebieden in de hersenen. 
Het huidig hersenonderzoek geeft hem daarin gelijk. (Al wordt dat niet zo luid verkondigd, simpelweg omdat men het werk van Steiner te weinig kent).

Zie voor verdere onderbouwing nu: Algemene menskunde voordracht 11 [11-3]
Daarna [11-4]
De inhoud van deze artikelen legt de basis voor wat al jaren met kinderen wordt gedaan vanuit een instinctief gezond gevoel van de ouders/opvoeders.

Vingerspelletjes

Ze zijn van oudsher dé spelletjes om een klein kind zinvolle bewegingen te laten maken bij een tekst. Deze kennen de kinderen in zeer korte tijd uit het hoofd en op deze manier wordt hun woordenschat sterk uitgebreid.

Uit steeds meer onderzoeken blijkt er een wezenlijke samenhang te bestaan tussen de bewegingen die met name door de handen worden gemaakt en de ontwikkeling van bepaalde hersengedeelten.

Rudolf Steiner maakte er in een aantal pedagogische voordrachten al melding van dat handen(arbeid) de hersenen positief vormt.

Daarover meer in het artikel ‘handen en intelligentie’.

Vingerspelletjes kunnen zeker tot en met de kleuterklas, maar ook in de 1e klas doen kinderen nog graag mee, als het geen ‘kleuterdingetjes’ zijn; dat kan vooral in de niet-Nederlandse talen: dan is het ook weer zeer zinnig bewegingen met klanken en woorden te verbinden.

Op deze blog staan ook vingerspelletjes voor peuters en kleuters. Het is niet zo eenvoudig om een duidelijke scheidslijn aan te geven.
Uiteraard moeten de spelletjes voor de baby, het jonge kind dat een beetje zitten kan, eenvoudig zijn.

Een van de bekendste is wel;
.

NAAR BED, NAAR BED! ZEI DUIMELOT

Een spelletje voor de al wat fijnere motoriek: de betreffende vinger moet a.h.w. even apart bewogen worden. Vooralsnog doet de oudere dit, later zal het kind het nadoen (nabootsing!)

Naar bed, naar bed! zei Duimelot
Eerst nog wat eten! zei Likkepot.
Waar halen we ’t vandaan? zei Langelot.*
Uit grootvaders kastje! zei Ringeling.
Dat zal ik verklappen! zei ’t Kleine Ding.

Er bestaan uiteraard allerlei kleinere varianten:
Waar zullen we ’t halen, zei Lange Jaap
Uit grootmoeders kastje, zei Korte Knaap

Soortgelijk:

Duimelot is in het water gevallen,
Likkepot heeft hem er uit gehaald.
Langejaap heeft hem thuisgebracht,
Korteknaap heeft hem te eten gegeven, en
Pinkelink heeft alles aan moeder verteld!

Mellie Uyldert heeft een verklaring voor de verschillende vingers:

Zij zegt dat de vingers de krachtstroom geleiden die door de arm wordt aangevoerd, elk op een verschillende trilling naar buiten, wat samenhangt met het doel, waarvoor de vinger de kracht gebruikt.

In de duim ziet zij het werktuig en uitdrukkingsmiddel van het Ik, de wil en het hart. Bij de duim gaat het om zonnekracht. ‘Duimen’, (op geluk hopen) is dan:  ‘die kracht opladen en daaraan de wens verbinden die door die lading van scheppingskracht kans krijgt om in vervulling te gaan!

De wijsvinger zou met het geloof te maken hebben. De bisschopsring wordt aan deze vinger gedragen: hier zou het om de Jupiterkracht gaan. Jupiter doet vriendschappen ontstaan; als men naar iemand wijst, maakt men al een etherische verbinding met die persoon.

De middelvinger zou verband houden met de erffactoren van het voorgeslacht, met traditie en verplichting en verantwoordelijkheid; men draagt er de zegelring met het familiewapen aan!

Bij het afleggen van de eed, worden wijs- en middelvinger tegelijk opgestoken: men zweert bij God en bij het voorgeslacht!

Tegen het z.g. boze oog of de boze blik maakt men het z.g. ‘hoorntje’: men steekt wijsvinger en middelvinger uiteen gespreid in de vorm van een V omhoog of voor zich uit, weert dus onheil af door de krachten van Jupiter en Saturnus. (“Dit heeft niets met de V van Victorie te maken, dat is er later maar bij bedacht!)”

De ringvinger zou de vinger van Venus zijn en met de liefde te maken hebben, de vinger waaraan de trouwring wordt gedragen.

De pink, de vinger van Mercurius, ”die speelkameraadschap kan doen ontstaan, men draagt er de ring van de kleine genegenheid aan. Mercurius geeft ons de spraak en de taal. Het valt op, dat in de overeenkomstige versjes in alle Europese talen de pink steeds degene is, die aan het eind van het avontuur zegt: ik zal alles verklappen! In ’t Frans zeggen de moeders ook: mon petit-doigt me l’a dit!

Het is interessant dat de Duim de actieve is, in de zin van initiatiefnemer: ‘Naar bed, jullie!’ Of hij heeft al iets gedaan en is in het water gevallen. Als we vanuit de drieledige mens kijken, is de duim zeker het meest verwant met de wil. Iemand ‘onder de duim houden’ betekent toch niet meer of minder dan dat je iemand ‘je wil oplegt’. Het is ook de vinger waarmee wij de grootste drukkracht kunnen uitoefenen en is daarmee zeer ‘ledematenverwant’.
De Duitse antroposofische arts Norbert Glas gaf een jaar of vijftig geleden een serie boeken uit met als kern dat het uiterlijk van de mens iets openbaart van zijn innerlijk. Een titel luidt: ‘Die Hände offenbaren den Menschen‘.
Ook hij koppelt aan de duim ‘de wil’.
Hij verbindt aan de vingers geen planetenkwaliteiten, dat doet Uyldert wel en ze laat de wijsvinger bij Jupiter horen. Een jupiterkwaliteit is ‘denkend het overzicht bewaren’; dat komen we bijv. weer bij Glas tegen.
Het uitlikken van de pan is voor Uyldert ook een jupiterkwaliteit, hij immers ‘geeft ook de levensgenieters!’
De middelvinger schaart zij onder Saturnus: ‘het probleem-denken’ en ordenen in rubrieken; de ringvinger, Venus, zoekt dan weer het genot. Ze zou in alle talen een rol spelen wanneer het om eten gaat.
En de pink, als mercuriusvinger, is de Mercurius als boodschapper van de goden.
Het ‘over-brengen’ komt ook in alle talen voor!

 Voor Uyldert hangt de duim samen met de Zon, en daarmee met het hart. Volgens haar weet de duim alles van het hart en als er door het kind op gezogen wordt, aan ‘gelurkt’, Duimelot = duimelurk!, masseert het zijn gehemelte en de daar boven liggende hypofyse: de klier die o.m. zorgt voor de kennis van de buitenwereld).
Zij refereert nog aan Klein Duimpje dat als zinnebeeldig sprookjesfiguur in heel Europa voorkomt, en in India is er vaak sprake van een mythisch wezen, niet groter dan een duim, zittend op een lotusblad op het water, overeenkomend met Andersens Duimelijntje, en dat betekent overal: de eeuwige lichtvonk in het mensenhart, het goddelijke deel in de mens.

We kennen nog meer gebaren met de duim: we liften ermee; we geven te kennen dat iets goed is: duimpje hoog.
Maar bij de Romeinen betekende ‘duim omlaag’: dood voor de gladiator en wij geven met dit gebaar ook iets afkeuringswaardig aan.
In het kinderspel betekende de duim omhoog: ik pas!

‘Door de duim stroomt de kracht, die ons met het eeuwige leven verbindt en die ons de individuele waarde schenkt, het eenmalige van onze persoonlijkheid.’

Voor Uyldert is ‘Duimelot is in het water gevallen’: het goddelijke vonkje, of de geest, valt in de wateren van de ziel bij de incarnatie. ‘Juist zoals de levensgeest in de gestalte van Tyl Uylenspiegel in het water valt. Daar in het menselijk-psychische zou het besef van de goddelijke afkomst te loor gaan, als het geloof van Jupiter (de wijsvinger) het niet uit het water haalde en hogerop in het bewustzijn bracht! – Langejaap, de Saturnusvinger van het abstract denken, brengt hem dan thuis in de begrippen der theologie! Duimelot is daar de immanentie. – Korteknaap, de Venus-vinger, geeft hem te eten: de liefde is het voedsel, dat de eeuwigheid in de mens onderhoudt. – En dat dit gehele proces zo plaats vindt, dat het de oer-vorm van de involutie en evolutie is, van schepping en verlossing, dat wordt door Mercurius onderwezen, van de een op de ander oververteld!’

Zo zouden we dus de diepste en grootste waarheden terugvinden in de eenvoudige beelden en woorden van het kinderrijmpje.

.

Mellie Uyldert: Verborgen wijsheid van oude rijmen

In deze reeks:  [1-2],  [1-2-2]  en [1-2-3]  [1-2-4]

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Nabootsing      lopen-spreken-denken      spel      ritme

Vrijeschool in beeld: kleuters

.

2915-2734

.

.

*

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 11 (11-5-1)

.

Enkele gedachten bij blz. 167/168 in de vertaling van 1993.
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
.

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

HERSENONTWIKKELING

In [11-5] merkte ik het volgende op: De hersenontwikkeling van het pasgeboren kind is al ver. Als het kind gaat nabootsen – en zo het spreken – het lopen leert, begint het ook te denken en dat alles heeft een werking op de vorming van nieuwe hersencellen.
Maar die hersencellen ontwikkelen zich in de eerste tijd van het mensenleven ook zonder spreken en lopen en doelgericht bewegen, en die ontwikkeling wordt mogelijk door de enige vorm van voedsel die het kind verdraagt: de melk.

Als ‘geestwezen van de natuur’ – als intelligentie van de natuur – maakt deze door de groei van de hersencellen te bevorderen, intelligentie in het slapende mensenwezen mogelijk. Ze maakt de ‘slapende hoofdgeest’ steeds wakkerder.
Uiteraard is dit niet los te zien van de ‘taalgenius’ want tijdens het voeden en op andere ogenblikken dat het kind wakker is, zal er veelvuldig tegen hem gesproken of voor hem gezongen worden.
En hier kan ook de vraag gesteld worden, zoals die bij de nabootsing gesteld wordt: wat je spreekt of zingt of wat het kind te horen krijgt in die zeer prille fase: is dat wat de ‘genius van de natuur’ helpt?

Het hoofd van de baby

Het lijkt of moeder natuur een gebaar wil maken: als het kind geboren gaat worden verschijnt eerst het hoofd. Het was in de baarmoeder al het grootste orgaan:

dierkunde embryo 1

Meer in [11-1]

Bij de geboorte neemt het hoofd een kwart van de lichaamslengte in:

Uit: Lievegoed ‘Ontwikkelingsfasen van het kind‘

Maar ook is bij de geboorte het gemiddelde brein van de baby ongeveer een kwart van de grootte van het gemiddelde volwassen brein.
Uiterlijk zichtbaar groeit het kind snel en verdubbelt het zijn lichaamsgewicht in vijf maanden; dat gebeurt het tweede jaar, dan nog rond het achtste en zestiende jaar nog een keer.
Het brein verdubbelt zijn grootte in het eerste jaar; op 3-jarige leeftijd maakt het al 80% van de volwassen grootte uit en op 6-jarige leeftijd is het qua volume al met 90% bijna volgroeid.

In de vele boeken en artikelen die over dit onderwerp verschenen en in deze tijd veelvuldig verschijnen, is er sprake van een cruciale eerste 5 jaar wat de ontwikkeling van het brein betreft. Meer dan ooit in het verdere leven.
In een artikel in NRC is er zelfs al sprake van de eerste 1000 dagen.

Wie vertrouwd is met het pedagogisch werk van Steiner weet dat hij ook over deze eerste 3 jaar spreekt als de meest wezenlijke jaren voor de ontwikkeling van het kind. 

Steiner:

Man kann in aller Folgezeit nicht wieder gutmachen, was man in der Zeit bis zum siebenten Jahre als Erzieher versäumt hat. Wie die Natur vor der Geburt die richtige Umgebung für den physischen Menschenleib herstellt, so hat der Erzieher nach der Geburt für die richtige physische Umgebung zu sorgen. Nur diese richtige physische Umgebung wirkt auf das Kind so, daß seine physischen Organe sich in die richtigen Formen prägen.

Wat men als opvoeder in de periode tot het zevende jaar verzuimd heeft, kan men in de daarop volgende tijd niet meer goed maken. Vóór de geboorte schept de natuur de juiste omgeving voor het fysieke mensenlichaam, na de geboorte behoort de opvoeder voor de juiste fysieke omgeving te zorgen. Alleen deze juiste fysieke omgeving werkt zo op het kind, dat zijn fysieke organen het goede vormmodel ontwikkelen.
GA 34/323
Vertaald: De opvoeding van het kind

Hij illustreert dit vaak met een uitspraak van Jean Paul (Richter) die opmerkte ‘We leren in de eerste drie jaar van ons leven meer dan in onze jaren op de universiteit’ (vrij weergegeven).

Het brein verdubbelt zijn grootte in het 1e jaar. Dat is het jaar waarin het kind voornamelijk slaapt en melk drinkt!
Steeds vaker en intenser gaat de omgeving in die tijd een indruk maken op het kind, met als gevolg een invloed daarvan op de hersenontwikkeling. Dat heeft hoe dan ook een blijvende invloed, dus ook voor later, d.w.z. hoe het kind in het leven komt te staan.
En hoe die blijvende invloed kan zijn die het gevolg is van onze omgang met het kind in die cruciale jaren, zie je bv. hier:

De orbitofrontale hersenen, achter het voorhoofd boven de ogen, zijn bij de geboorte  nog niet helemaal ontwikkeld. Die worden ontwikkeld doordat we onze hersens gebruiken, bijvoorbeeld door te reageren op de omgeving en opvoeders. Er is in Roemenië, ten tijde van Ceaucescu, een tragisch ‘real-life-experiment’ gedaan in de weeshuizen aldaar, dat aantoonde hoe belangrijk dit is. De kinderen lagen in ledikantjes met hoge schotten en kregen van de verzorgers alleen de fles maar verder geen enkele aandacht.
Wat je hier ziet is dat niet alleen de hersenen niet gegroeid zijn, maar dat ook de hersenkamers (ventrikels) vergroot zijn, evenals de groeven tussen de windingen. Aan de grootte van de schedel wordt tegelijkertijd duidelijk dat de groei van de hersenen de groei van de schedel bepaalt. De kinderen vertoonden allerlei stadia van retardatie.  Niet aangeboren dus, maar veroorzaakt door verwaarlozing. Omgekeerd levert veel stimulerend en liefdevol contact met opvoeders juist extra groei van zenuwcellen op.
(S.Gerhardt: Why love matters. How affection shapes a baby’s brain) in
Arie Bos: ‘Mijn brein denkt niet, ik wel ‘

Instrument

In sommige literatuur – niet met antroposofische achtergrond – wordt gesproken over ‘een bouwplan’ voor de hersenen.
Wanneer we bv. aan het bouwplan van een vioolbouwer denken, moet daar een viool van komen die ook klinkt als een viool. Nu is het volkomen logisch te zeggen dat deze viool, wanneer die klaar is, gewoon viool blijft en niet tot klinken komt, als die niet bespeelt wordt, ter hand genomen.
Het materiaal ligt er, nu is de speler aan de beurt om de viool ‘zin’ te geven.

Het materiaal van de hersenen wordt gevormd door de genen, maar als er niets gebeurt, komen die niet veel verder in hun ontwikkeling. Ze gaan iets betekenen als er invloed op wordt uitgeoefend die van buitenaf komt. Zoals we hierboven zien aan de invloed van ‘aandacht’. De genen zelf hebben geen aandacht: ze krijgen het; daarom kunnen wij ook spreken van ‘aandacht schenken’.
In de literatuur spreekt men vaak van ‘ervaring’. Die ervaring zou bepalen hoe en wat en hoeveel er van die genen gebruikt gaan worden.
Nu is ‘ervaring’ geen materieel ding, geen stoffelijk, uiterlijk waarneembaar iets: het is een gevoel, je maakt het mee, je ervaart het.
Het is hier de speler op het instrument.
Walther Bühler noemde zijn boek over de drieledige mens: ‘Het lichaam als instrument van de ziel’.

Het artikel waarin er over ‘de ervaring’ gesproken wordt, houdt het verder bij ‘ervaring’. Daar hoort m.i. bij dat ervaring op zich ook nog niets is: ervaring is wat iemand ervaart; om met Bos te spreken: ‘Mijn brein denkt niet, Ik denk’ – mijn ervaring ervaart niet: Ik ervaar.
En voor de baby is dat ‘zijn wezen’, uiteindelijk zijn Ik dat nog ‘om hem heen is’, maar toch al ‘aan het werk’ in het fysieke brein.

Dat heb ik in [11-2-1] al uitgebreider aan de orde gesteld.

De ervaringen roepen in de hersenen een activiteit op die daar voor circuits zorgen, eerst eenvoudige, later meer complexe structuren.

Developingchild.harvard.edu publiceerde dit filmpje.

Zie o.a. [2-7-1]

Leber:

Keineswegs läuft die Ausgestaltung des Gehirns nur erbgesteuert ab, vielmehr greift das erlebende Ich, je nachdem es bestimmte Eindrücke empfängt, in diesen Gestaltungsvorgang unmittelbar ein. Entsprechend der plotinischen Auffassung, dass das Auge am Licht für das Licht gebildet wird, gilt für den gesamten Leib, dass er in den von ihm zu erfüllenden Funktionen durch und für

Geenszins verloopt de structurering van de hersenen volgens een door de erfelijkheid gestuurd proces, veel meer grijpt het ervarende Ik, al naar gelang het bepaalde indrukken krijgt, direct in dit structureringsproces in. Overeenkomstig de opvatting van Plotinus dat het oog door het licht, voor het licht gevormd wordt – dat geldt voor het hele lichaam dat voor de functies die het moet verrichten door en voor het Ik gevormd wordt.
Leber  blz. 233

Steiner:

Wenn der Mensch durch eine neue Geburt wieder ins Dasein tritt, wird er  «in einer gewissen Weise, der Selbstaufbauer seiner Leiblichkeit, ja seines ganzen Geschickes in dem  nächsten Leben. Innerhalb gewisser Grenzen formt und baut der Mensch seinen Leib bis in die Windungen seines Gehirns sich auf mit den Kräften, die er sich aus den geistigen Welten mitzubringen hat, wenn er durch die Geburt neuerdings ins physische Dasein tritt. Und hier im physischen Dasein hängt ja unser ganzes Leben davon ab, dass wir solche Formen, solche Ausgestaltungen unseres physischen Leibes haben, durch die wir mit der äußeren physischen Welt in Beziehung treten können, durch die wir in dieser äußeren physischen Welt handeln, uns betätigen können, ja, durch die wir in dieser äußeren physischen Welt denken können. Denn wenn wir hier in der physischen Welt nicht das entsprechend zugeformte Gehirn haben … so bleiben wir ja unzulänglich für das Leben in der physischen Welt. Wir sind für dieses Leben in der physischen Welt nur dann zulänglich, wenn wir uns solche Kräfte aus der geistigen Welt mitbringen, durch die wir uns einen dieser physischen Welt mit allen ihren Forderungen gewachsenen Leib aufbauen können.»

Wanneer de mens door een nieuwe geboorte weer in het bestaan komt, wordt hij de ‘zelfbouwer’ van zijn eigen lichamelijkheid, zijn totale lot in het leven dat gaat komen. Binnen bepaalde grenzen vormt de mens zijn lichaam en bouwt het op tot in de windingen van de hersenen, met de krachten die hij vanuit de geestelijke wereld meebrengt wanneer hij door de geboorte weer in een fysiek bestaan komt. En hier in dit bestaan hangt ons hele leven ervan af of we die vormen, die structuren van ons fysieke lichaam hebben dat wij met de fysieke wereld een verbinding kunnen maken waardoor wij in deze uiterlijk fysieke wereld kunnen handelen, bezig kunnen zijn, waardoor we in deze uiterlijk fysieke wereld kunnen denken. Want wanneer we hier in deze fysieke wereld niet het adequaat daarvoor gevormede brein zouden hebben, blijven wij voor die wereld ongeschikt. Daar zijn we alleen geschikt voor, wanneer we uit de geestelijke wereld die kracht meebrengen waarmee wij een lichaam kunnen opbouwen dat opgewassen is tegen deze fysieke wereld. [eigen vertaling]
GA 141/154
Vertaald

Leber:

Het Ik is er van begin af aan bij, dus al vóór het kind zichzelf als Ik gaat benoemen. Het komt nu nog niet tot een reflectief bewustzijn van zichzelf. Het heeft nog een andere taak:
Leber  blz. 233

Steiner:

«Es ist der wichtigste spirituelle Faktor bei der Bildung der drei Hüllen des Kindes, des Astralleibes, Ätherleibes und physischen Leibes. Die  physische Hülle des Gehirns wird fortwährend umgebildet. Da haben wir fortwährend das Ich an der Arbeit. Es kann nicht bewusst werden, weil es eine ganz andere Aufgabe hat: Es muss erst das Werkzeug des Bewusstseins formen. Dasselbe, was uns später bewusst wird, arbeitet erst an unserem physischen Gehirn in den ersten Lebensjahren. Es ist sozusagen nur eine Änderung der Aufgabe des Ich.Erst arbeitet es an uns, dann in uns. Es ist wirklich ein Plastiker zuerst, dieses Ich, und es ist unsagbar, was dieses Ich an der Formung selbst dieses physischen Gehirns leistet. Ein gewaltiger Künstler ist dieses Ich. 

Het Ik is de belangrijkste spirituele factor bij de vormen van de drie ‘schalen’ om het kind: het astraallijf, het etherlijf en het fysieke lichaam. De fysieke schaal van de hersenen wordt voortdurend omgevormd. Daar zien we voortdurend het Ik aan het werk. Het kan zichzelf niet bewust worden, omdat het een heel andere taak heeft: het moet eerst het instrument voor het bewustzijn vormgeven. Hetzelfde wat ons later bewust wordt, werkt in de eerste jaren van ons leven eerst aan onze fysieke hersenen. Hier heeft het Ik een andere opgave. Het werkt eerst aan ons, dan in ons. Het Ik is een geweldige kunstenaar.
GA 127/62
Niet vertaald

Das Gehirn ist wie eine Dynamomaschine. Eine Dynamomaschine entwickelt den Magnetismus, und die ganze Bewegung der Fabrik wird  abhängig von dieser Dynamomaschine. Aber da muss erst der elektrische Strom durchgehen, sonst steht sie still. … Das Gehirn steht still, wenn nicht der Strom des seelischen Lebens durchgeht. Beim Kind geht viel mächtiger der Strom des seelischen Lebens durch, denn das Kind arbeitet bis zum Zahnwechsel hin das Gehirn aus, und am allermeisten in den allerersten Lebensjahren. … Gerade wenn wir bewusst geworden sind, ist uns dieses innere seelische Arbeiten verloren gegangen.

Het brein is net een dynamo. Een dynamo ontwikkelt magnetisme en alle bewegingen in een fabriek worden van deze dynamomachine afhankelijk. Maar eerst moet er elektrische stroom naar toe, anders staat die stil. De hersenen staan stil, wanneer daar de stroom van het gevoelsleven niet doorheen zou gaan. Bij het kind werkt deze gevoelsstroom veel sterker, want tot aan de tandenwisseling werkt het kind aan zijn hersenen, het meest in de allereerste levensjaren. En als we ons dan bewust gaan worden, gaat die activiteit van het gevoel verloren. [eigen vertaling]
GA 349/144
Vertaald/173

De ontwikkeling gaat verder

In de interactie tussen omgeving en kind enerzijds, en in het begin door de voeding – de melk – ontwikkelen de hersenen zich explosief.
Op zeker ogenblik zie je de eerste impulsen vanuit het kind komen om door nabootsing mee te gaan doen, wat de mensen om hem heen doen. 
Zo heb ik voor onze kinderen en kleinkinderen al vroeg in hun ontwikkeling het liedje 

Ozewiezewoze
Wieze walle kristalla
Kris oze wieze woze
Wieze wies wies wies wies

gezongen en ieder kindje probeerde als eerste de =o= te vormen. Het waren voor mij (ont)roerende ogenblikken om de inspanning te zien waarmee het kleine mondje die ronde vorm probeerde aan te nemen.

Op het feit dat ook muziek en taal een stimulerende invloed uitoefenen op het ontstaan van meer verbindingen in de hersenen, zal in een ander artikel worden ingegaan.

De grote kracht om mee te gaan doen aan het leven – hoe pril nog in het eerste begin – is de in het kind aanwezige behoefte aan nabootsing.
In vele voordrachten heeft Steiner de nabootsing genoemd als de drijfveer van verdere ontwikkeling.

Zijn uitspraken daarover zijn hier te vinden.

Door de nabootsing begint te lopen, te spreken en als gevolg daarvan komt het denken op gang.
Uiteraard heeft Steiner daarover ook gesproken.
Die uitspraken zijn hier te vinden.

En in deze eerste jaren is ook het spel een belangrijke ‘ontwikkelaar’.
We maakten al in de 2e voordracht kennis met de fantasie als ‘toekomst gericht denken’. [2-3-2]
Ook aan spel besteedde Steiner veel aandacht. Die uitspraken vind je hier.

Ritme

‘De natuur’ geeft niet alleen aan dat het kleine kind in het begin van zijn leventje alleen met melk groter kan worden, ze maakt ons ook duidelijk dat ritme – levensritmen – onontbeerlijk zijn. 
De betekenis van ritme(n) in allerlei aspecten vind je hier

Een kind beweegt ‘van nature’ zijn ledematen, aanvankelijk nog ongecontroleerd. 
Het gericht bewegen, met een doel, is van invloed op de structurering van het brein: ‘handen en intelligentie‘
Spreken en zingen/muziek zijn van invloed op de structurering van het brein:
hersenprofessor Scherder: Vanaf de groei van het embryo in de baarmoeder speelt muziek voor de ontwikkeling van het brein al een rol.’

Vingerspelletjes

Lang voordat dit allemaal met door onderzoek verkregen feiten kon worden verklaard, ontstonden er overal ter wereld vingerspelletjes.

Wat een geluk als je als peuter en kleuter deze ‘gemetamorfoseerde melk’ als (op)voeding dagelijks krijgt voorgeschoteld, zoals in de 

vrijepeuter- en kleuterklassen

Een waardevolle verzameling is de serie boeken van Hennie de Gans

Timpetuis, ben je thuis?Een werkboek over het zingen en opzeggen van versjes, met de nadruk op beweging. Vol slaap- en wiegenliedjes, kriebelspelletjes, schuitjevaren en paardjerijden. Hand-, en vingerspelletjes met beschreven beweging. Geschikt om te doen met kinderen van nul tot zeven jaar. Met tips over het belang van de spelletjes en hoe ze thuis of met een groep gedaan kunnen worden. De ruim vijftig liedjes én versjes staan zonder begeleiding op de CD.

 

Hoe de liedjes gezongen worden, maar ook hoe de intonatie bij de versjes is, staat op de bijhorende instructie-CD. Bedenk elke keer weer bij alles wat gedaan wordt: Niet het vele is goed, maar het goed doen  is veel! Het belangrijkste is het plezier wat samen met de kinderen wordt beleefd, dat geeft levensvreugde! Kortom zingen, spelen, en bewegen met kinderen is op alle fronten gezondmakend ook voor degene die het met hen doet.

Inhoud:

Timpetuis, inleiding
Wiegenliedjes
Kriebelliedjes
Paardje rijden
Schuitje varen
Spelen met de handen
Spel met de vingers
In de kring
Spel in de kring
Nisse Timpetem (Deens)

En vele prachtige voorbeelden vind je bij Margo van Schie:

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 11 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Seiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

2602-2436

.

.

.

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (40)

.

Beter rekenen door prentenboeken

Kleuters – vooral meisjes – gaan bij rekenen met sprongen vooruit als zij regelmatig worden voorgelezen uit prentenboeken.

In ‘gewone’ prentenboeken zit vaak wel iets dat de reken-wiskundige begripsontwikkeling van kinderen stimuleert. In een verhaal over een wachtkamer, bijvoorbeeld, is iemand als vijfde aan de beurt, en vervolgens als vierde, derde, etcetera. En in het boek De verrassing van Sylvia van Ommen is de hoofdpersoon een wollig schaap, dat als verrassing van haar wol een trui breit voor een giraffe. Het schaap weegt zichzelf en meet de dikte van haar vacht en brengt de resultaten hiervan keurig in kaart in een grafiek.

Hoogleraar Marja van den Heuvel-Panhuizen van het Utrechtse Freudenthal Instituut toonde met collega’s van de University of Cyprus en het Oostenrijkse Bundesinstitut BIFIE aan dat voorlezen uit prentenboeken positieve effecten heeft op de wiskundige begripsontwikkeling van kleuters.

In negen klassen werden kleuters drie maanden lang, twee keer per week, voorgelezen uit 24 verschillende prentenboeken. In negen andere klassen, de controleklassen werd het gewone programma gevolgd voor rekenen-wiskunde. De kleuters die het voorleesprogramma kregen aangeboden boekten 22 procent meer vooruitgang.

Aldus LD in het Onderwijsblad van 6 d3ec. 2014

.

Als de wetenschap het heeft gevonden, dan móet het wel waar zijn: dat kleuters een grotere woordenschat krijgen als ze worden voorlgelezen – dat betekent toch ‘als er tegen hen wordt gesproken’.
Maar dat weet iedereen: spreken leer je van je ouders – (al heet het ‘moedertaal’.)

Prentenboeken zijn er ook in de vrijeschoolkleuterklassen. Maar ‘het’ boek dat aan de eisen van de onderzoekers helemaal voldoet – terwijl ze het niet onderzocht hebben – is het Sprookjesboek van Grimm.

Met zijn vele getallen: ’12 broers’, ‘3 broers’, ‘7 raven’, met z’n zessen de hele wereld door’. En de vele begrippen die erbij horen: eerste, tweede, derde enz; oudste, middelste, jongste, eerste-laatste; vooraan, achteraan. Te veel om op te noemen. 
En wat een prachtige taal! Die nemen de kinderen gretig in zich op en weten die soms op het juiste ogenblik feilloos te gebruiken, zoals een jongetje van 5 op zijn verjaardagsfeestje treffend opmerkte tegen een paar vriendjes die al te gretig op de tractatie afgingen: ‘Wie grist en graait, krijgt niets!’

En wat een prachtige beelden: De vrouw die geen kinderen kan krijgen: ‘Ik ben als een akker zonder vrucht’. Of ‘Bergen en dalen ontmoeten elkaar niet, maar mensenkinderen wel, vooral goede en boze.’ ‘Ach, wat kun je van een os anders verwachten dan rundvlees.’

En dan heb ik het nog niet eens over de vele taalrijke vinger- en arbeidsspelletjes, waarbij niet alleen gekeken (prentenboek) wordt, maar actief meegedaan!

De vrijeschoolkleuterklas is eigenlijk één groot taalbad!

Zouden ze dat in Utrecht, Oostenrijk en op Cyprus dan niet weten?
Of vindt men het belangrijker dat een kleuter de dikte van een schapenvacht kan meten om de uitkomst in een grafiek te zetten?…………

.

Opspattend grind over de kleuter: [5]  [8]  [16]  [38]

Peuters en kleuters: alle artikelen
.

1311-1224

.

.

VRIJESCHOOL – Kleuterklasimpressie (1-2)

.

Joke Kuyt-Boersema, vrijeschool Emmen? Nadere gegevens ontbreken
.

Het vervolg van Pinksteren in de kleuterklas

Na de pinkstervakantie waren er bijtjes op de tafel gekomen.

“Oh kijk eens, allemaal hommels”. De bijen werden geteld en ze ontdekten ook een vijver met jonge eendjes. 1s Morgens, voordat we naar het speelland gaan, spelen we met el­kaar een ochtendspelletje. Iedere dag weer een beetje anders, aan­sluitend bij het seizoen en de jaarfeesten.

Dit spel spelen ze vanuit de nabootsing. Ik zing en beweeg en de kinderen doen mee.

Ik begin het spelletje in de kring en zing:

Ontwaak, ontwaak,
de roep van de haan
een stralende zon,
langs gouden baan

(iets afwijkende tekst)

daarna het opzegversje:

Kukeleku zo kraait de haan
Zie hem daar parmantig staan
Kippen roept hij tok,tok,tok
Fladder alle van je stok
Want de zon komt daar al op
Kukeleku zo kraait hij luid
Mensen ook je bedden uit.

En dan gaat het spel verder, de vogeltjes zijn uit de eitjes ge­komen, en vader en moeder vogel hebben het zo druk. En als ze even uitrusten, wat zien ze dan beneden in het diepe bos:

Diep in ’t bos in zonnestralen
in het heim’lijk stille dal
Zag ik kleine elfen dwalen
hielden daar hun vrolijk bal

En de blauwe klokkenbloemen
Klonken daar met held’re toon
en in hoge lindebomen
zoemden bijtjes wonderschoon

Kwam de wind en blies de wolken
Voor de warme zonneglans
Stil werd nu het bijenvolkje
en voorbij de elfendans

We zagen de vlindertjes in het bos en de bijtjes die van bloem naar bloem vlogen, we gingen met ze mee en zagen dat de bij de honing naar de bijenkorf bracht, en dat ze zomaar niet naar binnen mocht maar eerst driemaal zoemde voordat de wachter het deurtje opendeed. Een paar liedjes die we tijdens dit spelletje nog zongen:

Zoem zoem zoem
bijtje op een bloem,
van de zoete honing snoept het
als ’t genoeg heeft wel dan roept het
zoem zoem zoem
dank je lieve bloem.

(Op ‘vrijeschoolliederen‘ verschillende uitvoeringen)

Vlug, vlug, vlindertje
waar vlieg je heen
ik vlieg naar de zon
en ik groet je meteen

Van zijde-vloei hebben we allemaal twee vlindertjes geplakt. De vlindertjes vlogen donderdag en vrijdag door de hele klas en we zongen er dit liedje bij:

Twee vlindertjes kwamen gevlogen
zij daalden op ’t bloemetje neer
de wind had ze meegenomen
nu zijn er geen vlindertjes meer
0 nee ?, 0 nee ?, één ! twee !

(melodie)

.
Meer voor de peuter en kleuter: Hennie de Gans

Margo van Schie

Peuters en kleuters: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: peuter-kleuterklas

.

871-802

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kleuterklas – vingerspelletjes (1-1)

.

VINGERSPELLETJES

Ze zijn van oudsher dé spelletjes om een klein kind zinvolle bewegingen te laten maken bij een tekst. Deze kennen de kinderen in zeer korte tijd uit het hoofd en op deze manier wordt hun woordenschat sterk uitgebreid.

Uit steeds meer onderzoeken blijkt er een wezenlijke samenhang te bestaan tussen de bewegingen die met name door de handen worden gemaakt en de ontwikkeling van bepaalde hersengedeelten.

Rudolf Steiner maakte er in een aantal pedagogische voordrachten al melding van dat handen(arbeid) de hersenen positief vormt.

Daarover meer in het artikel ‘handen en intelligentie’.

Ook in de 1e klas vinden kinderen vingerspelletjes nog leuk om te doen. Natuurlijk niet meer, die ze in de kleuterklas deden: ze zijn nu 1e-klasser!

Voor de peuters en kleuters:

Spinnetje
Een spinnetje, een spinnetje
die zoekt een klein vriendinnetje
het kriebelt hier, het kriebelt daar
ach, had ik mijn klein vriendinnetje maar…

dan de andere hand die rondkriebelt en precies hetzelfde zegt – dan vinden ze elkaar en zeggen:

twee spinnetjes, twee spinnetjes
zijn samen vriendinnetjes
ze kriebelen hier – ze kriebelen daar
en ze zijn altijd bij elkaar

Sijmen Smid

voetenspelletje – met zware stem:

Sijmen Smid hoor mij aan (aai onder rechter voet)
kun jij mij mijn paard beslaan? (aai onder linkervoet)
Wèl, wèl baas, op mijn gemak (met een andere stem)
‘k Ben een goed smid van ’t vak.

Hier zijn ’t ijzer, hamer, spijkers
klop, klop, klop – zie je goed (nu steeds om beurten op de voeten                                                                   kloppen)
hoe Sijmen Smid dat smeden doet?  (bij het laatste woord worden de                                                                         voetjes tegen elkaar gelegd)

Geen vingerspel, maar een bewegingspel met het hele lijf:

Het spel van de 4 winden:

We beginnen:

In een grot hier ver vandaan,
daar wonen de vier winden
ze wonen in een diepe grot,
die niemand weet te vinden

Een kleuter ‘waait’ tussen de kleuters door en zegt:
‘Ik ben de oostenwind
Ik vlieg over velden en huizen’.

Een ander kind:
‘Ik ben de westenwind
ik zwiep de golven op en laat ze stromend briesen’.

Weer een ander kind ‘waait’ en zegt:
‘Ik ben de zuidenwind
die van een briesje houdt’.

Het laatste kind:
‘Ik ben de noordenwind
en blaas zo guur en hard.’

Dan samen:
‘Zo waaien de winden de wereld om
De winden, de 4 grote winden’.
.

bron onbekend
..

vingerspelletjes (1-2)

peuter en kleuters: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: kleuters: alle beelden

.
1851-1736

.

VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – kleuters

.

een kleuter

Een volwassene in zakformaat? Eerder het omgekeerde: een onvolwassene van formaat! Het kleine kind leeft nog helemaal in de wereld buiten hem.

Een driejarig ventje zegt, terwijl hij met zijn moeder ’s avonds in de tuin de planten aan ’t begieten is (het huis ligt vlak bij een militair vliegveld): Allemaal mijn vrienden, Oom Henk, de bloemen, de straaljagers.

De kleuters ontspannen wanneer zij de klas binnenstappen. Haast en verkeersdrukte hadden hen meegesleurd. Nu bloeien zij op, gaan welgemoed hun gang in een voor hen veilige en vertrouwde omgeving. De een stopt een pop in bed, ie ander kijkt of de hijskraan nog werkt, een derde zit met stralende ogen het lokaal rond te kijken naar wat alle vriendjes aan het doen zijn.

Wordt er iets gevierd, dan tovert de feestelijke gebeurtenis zonneschijn op alle gezichtjes. Maar ook een kleinigheid is daarvoor al voldoende: de tuinman heeft zijn hoed vergeten! Daar ligt-ie op een stoeltje bij hen in de klas. De hoed van die aardige tuinman zomaar in hun midden. Een jongetje pakt hem beet en zet hem op, overdwars. De hele klas schatert.

Bij het uitbeelden van een sprookje wil iedereen Sneeuwwitje of een andere mooie rol spelen maar niet de boze koningin. Een meisje rukte eens prinsessenkroon en sluier af en begon tegen juf, die iets opruimde te mopperen: Wanneer je alles rommelig maakt, ga ik hier van school en kom ik nooit meer terug!

De ronde, soms wankele gestalte van de peuter groeit tussen 3 en 6 jaar uit tot het stevige figuurtje van de durf-al. De 5- à 6-jarigen benutten elke kans om te rennen, te springen, te klimmen. Zij zoeken lichamelijke uitdaging. Maar ook zitten ze soms samen met de kleintjes op een kluit tegen juf aan wanneer er iets bijzonders gebeurt.

De kleuterklas
Het ongebonden bestaan van het kind in de kleuterklas krijgt vorm door het dag-, week- en jaarritme.
Iedere ochtend om half negen stromen de kleuters de klas binnen en met ieder kind groeit de kring. Ze vertellen honderduit: er gebeurt zoveel opwindends in een kleuterleven. Juf zit ook in de kring en tracht door een vingerspelletje de krachten te bundelen.

Dan kan het arbeidsspel beginnen. Ineens zijn alle kinderen bijvoorbeeld op de boerderij: ze zeven, ze scheppen, ze bakken. Gedichtjes, liedjes en spelletjes lopen als een rode draad door het arbeidsspel heen.

Als het werk is gedaan leidt een opzegversje, een klein verhaaltje of een melodie het vrije spel in.

Sommigen spelen met de winkel, anderen bouwen huizen en kastelen van blokken. Ze maken tenten van lappen en vertroetelen hun pop. In een uur vrij spel is er heel wat op stelten gezet. Bij een klein verhaaltje wat juf vertelt kunnen ze weer op adem komen. Zingend wordt even later gezamenlijk alles opgeruimd. Duidelijk is het verschil tussen de vier- à vijfjarigen en het schoolrijpe kind. De kleintjes gaan al opruimend toch weer spelen bij het hoopje blokken dat ze vinden.

De grote kinderen zijn vlijtig in de weer en bemoederen daarbij de kleintjes. Kinderen die moeite hebben met opruimen krijgen een kleine overzichtelijke taak. Bijvoorbeeld de winkelier wordt gevraagd zijn winkel te bevoorraden, zo komen met behulp van de trekker alle spulletjes weer op hun plaats. Hoe stimulerend de chaos ook was, als ieder speelgoedje weer op zijn vaste plaats is teruggekeerd, geeft dat een gevoel van veiligheid en gezelligheid.

Een paar kinderen dekken nu de tafel, anderen dragen de tassen aan. Rustig wordt er gegeten en gedronken. Juf wijst de kinderen op allerlei bijzondere dingen, bijvoorbeeld op een vijfster midden in de appel. Het afruimen gaat vlug en vrolijk, de buitenlucht lokt. Jassen aan, schoenen aan en eropuit! Kijken hoe de bladeren vallen, door de plassen stampen, zandkastelen bouwen, stenen verzamelen, sjouwen met takken, kastanjes zoeken.

Na het buiten spelen wordt er, afhankelijk van het weekrooster, getekend, met bijenwas geknutseld of iets anders gedaan.

De ochtend wordt weer in de kring besloten, terwijl de kinderen naar een sprookje luisteren. Soms nog wat vingerspelletjes en dan… tot morgen!

Het jaarritme en de jaargetijden worden gemarkeerd door de jaarfeesten. Lang van te voren begint de voorbereiding met het maken van versieringen en het leren van versjes en spelletjes die bij het jaarfeest horen. Tegen de tijd dat het feest daar is, wordt bevestigd wat de kinderen al tijden voelden aankomen. Een enkele keer duurt het te lang voor het feest komt opdagen. Zo kwam een jongetje in een zachte winter plotseling met dikke wanten, das en muts de klas binnen; het moest nu maar eens Sinterklaas worden!

De kinderen leren de gang van het jaar intensief te beleven. In de herfst worden lampionnen gemaakt voor Sint-Maarten, waskaarsen getrokken voor advent. Voor Sinterklaas maken ze bijvoorbeeld een stoomboot en bakken speculaas. Met Kerstmis knutselen ze kerstboomversieringen en een stalletje. Dan komt de lente met Pasen en de zomer met Pinksteren en Sint-Jan. Ook deze feesten worden uitbundig gevierd. Maar voor de kleuter is eigenlijk iedere dag een feest.

Taal in de kleuterklas (theorie)
Eigenlijk onderwijst de kleuter zichzelf. De hele wereld met al haar vormen en al haar klanken is zijn leermiddel. Door nabootsing maakt hij zich de lichamelijke vaardigheden en de taal eigen. Ook de taal is onverbrekelijk verbonden met handelingen en bewegingen. De creatieve persoonlijkheid van het kind komt tot uiting in de wijze waarop het nabootsend speelt en spreekt. Bij de een is de nagebootste handeling nauwelijks te herkennen, bij de ander ligt deze er dik bovenop. Moeder maakt een foto, het dochtertje grijpt het deksel van de koffiepot, houdt deze voor één oog en knipt. Tante zegt: ,,T-shirt” het kind van anderhalf herhaalt het feilloos.

In de kleuterklas worden de kinderen geen lesjes maar spelen aangeboden. In de echte oude kinderspelletjes oefent het kind al zijn ledematen. Vingerspelletjes, hand- en voetspelletjes, kringspelen enz. vormen de hogeschool van de Taalontwikkeling. Het komt niet aan op de betekenis maar op de bewegingen, de melodie, de klank, de taalmuziek.

Witte Zwanen Zwarte Zwanen
Wie wil er mee naar Engeland varen
Engeland is gesloten
De sleutel is gebroken
Is er dan geen smid in ’t land
Die de sleutel maken kan.

In een vroeg stadium van het kinderleven zijn spreken en zingen niet van elkaar te scheiden. Voor de kleuter liggen zingen en spreken nog heel dicht bij elkaar. Een spelend kind spreekt veelal zing-zangend. Voor hem bestaat er geen „kleuterlied” in de strikte zin des woords. Niet alleen gezongen, ook gesproken spelletjes worden de kleuter aangeboden. Hierin spelen klank en ritme de hoofdrol. Wie kent niet het vingerspelletje:

Naar bed, naar bed, zei Duimelot.

Er zijn ook versjes die als een meer gerichte spraakoefening gebruikt kunnen worden:

Leent je leerde Lotje lopen
Langs de lange Lindelaan
Maar toen Lotje niet wou lopen
Toen liet Leentje Lotje staan

Wij walen wezen wilden wel witte wollen wanten wassen
Wisten wij waar warm water was

Zo is het mogelijk om een kleuter die plat-Amsterdams praat, iets meer vertrouwd te maken met die gekke Z:

,,Ziezo” zou m’n zuster Sientje zeggen, zo ze Zondagsavonds zonder zakcent zat!

en die vreemde V:

Vier vette varkens vochten vreeslijk voor het vlammend vuur. Foei! zei ’t vader varken.

Juist de uitzondering maakt het verschil duidelijk.

Ook worden er sprookjes verteld. De werkelijkheid van het sprookje is dat het goede zichzelf beloont en het boze zichzelf straft, dat de liefde de dood overwint.
De kleuter geniet van het sprookje als het met humor en zonder gruwelijke opsmuk verteld wordt. Door verhalen over prinsen en prinsessen, over heksen en reuzen, leert het kind goed en kwaad onderscheiden terwijl het toch nog beschermd wordt in een wereld van fantasie. De ervaring is dat sprookjes kinderen innerlijke zekerheid geven en dat ze hun minder angstig maken. De juf kiest haar woorden zorgvuldig en zorgt dat ze iedere dag weer op dezelfde plaats staan. De kinderen bewegen na enige tijd hun monden vanzelf met de juf mee. Als zij zich vergist zijn de kinderen diep verontwaardigd: ‘Gister zei je:,, Maar grootmoeder wat heb je een verschrikkelijk grote mond” en juf zei nu ,, vreselijk grote mond”

De kinderen spelen ook zelf toneel of poppenkast. Ze kiezen datgene wat hun onbewust bezighoudt, de ene keer een sprookje, de andere keer een voorval uit het dagelijks leven. Daarbij borduren ze voort op gebaren zoals ze ze gezien hebben en op woorden en zinnen zoals ze ze gehoord hebben.
Op deze wijze vindt in de kleuterklas de taalontwikkeling haar basis in het spel.

Een ochtend in de kleuterklas
Wij hebben kastanjes voor je, juffie.

Het is een heerlijke herfstochtend als juffie de kinderen binnenlaat. Vrolijk komen ze aangestapt, vol van hun eigen verhalen. Eén meisje heeft een kartonnen bakje met blaadjes meegebracht voor juf en ze maakt met de blaadjes een herfstbos op de zandtafel. Als iedereen op een stoeltje in een kring zit, wordt er nog even gebabbeld, dan beginnen ze met de liedjes. Er wordt aangesloten bij het seizoen waar iedereen zo vol van is.

Alle blaadjes van de bomen worden geel en bruin en rood…
Alle blaadjes klein en groot…

zingen ze en met hun handen dwarrelen de blaadjes omlaag. Nu valt er een appel, bom… alle kinderen ploffen op de grond. Daarna pakt juffie gekleurde lappen en ja, ze weten al wat er komt:

wind in ’t woud, waai, waai.

Prachtig waaieren de zijden sluiertjes omhoog en naar beneden. Daarna mogen de kleuters zelf de winden spelen met elk een sluiertje. ‘De blauwe is van mijn schoenenkleur!’, roept een kleintje.

Er komen nog meer spelletjes aan bod. De wasvrouwtjes en het spel van de werkende kabouters, voordat de kinderen vrij gaan spelen.
Twee meisjes gaan met het kartonnen bakje een bedje maken voor de kleine popjes. Slapen! Wakker worden! bevelen ze en trekken het dekentje over de hoofdjes op en neer en schateren het uit.

Een jongetje daarachter wil een huis bouwen met grote planken. Deze rusten aan één kant in een kastje en aan de andere kant op de stoelen van de meisjes.
Verbouwereerd ziet hij z’n huis instorten als één van de dametjes haar stoel weer naar zich trekt. Juf komt hem helpen. Als hij hijgend en zuchtend zijn bouwwerk in orde heeft gemaakt met een groot gordijn, komen twee vriendjes zich meester maken van zijn huis. Weer redt juffie hem en de jongens vragen nu: Mógen we binnen komen? Dat mag en dus kan het spel verdergaan.

Een Russisch jongetje kietelt met veel gekir en weinig woorden een Hollands jongetje. Als hij alleen speelt met het poppenhuis gaat dat in het Russisch maar hij begrijpt alles wat er om hem heen gebeurt en met de spelletjes deed hij ook vrolijk mee.

Twee meisjes hebben een stel puzzels omgekiept waarmee ze nu een enorm sprookjestafereel opbouwen: De wolf en de zeven geitjes. Natuurlijk komen er ook vaders, moeders en kinderen bij.
‘Hier achter het bosje zit de wolf en hier is moeder geit.’
Een jongetje ernaast heeft een boot vol kabouters en gaat ermee uit varen. Daarna moeten de kabouters slapen en zoekt hij zelf een ander plekje. Hij stapt op een stel kinderen af dat met paalkoppen een huis heeft gebouwd. Vrijwel alle meubels, pannen en wiegjes zijn erin overgeplaatst maar de nieuwkomer kan er nog best bij. Van paalkoppen krijgt hij een bed op maat. ‘Ben je op bezoek?’, vraagt de juf. ‘Nee ik logeer’, antwoordt hij vanuit z’n harde rustplaats. ‘De poppen liggen ook in bed’, verklaart de moeder van het gezin.

Het wordt tijd om op te ruimen maar eerst leest juffie het verhaal van Hansje Stoffel voor. Blij schuiven ze aan en vertellen mee. Juf vervangt het woord slechts door alleen. Een jongetje fluistert stralend toch dat moeilijke woord!

Nu wordt er plots een koortsachtige activiteit ontplooid en alles als vanzelf keurig opgeruimd. Zelfs de puzzels zitten zo weer in elkaar. Eén stukje is weg: ‘het komt wel weer boven water’, lacht de vierjarige wijs en ja hoor, onder het taboeretje is het kleinste geitje verstopt. Iedereen pakt z’n boterhammen. Eén meisje heeft geen brood bij zich: meteen krijgt ze van alle kanten iets toegeschoven. Met bolle wangen mompelt ze: ‘Ik wil eigenlijk niets meer.’
‘Attentie, geen eten meer voor Vanessa’, 
roept een jongetje.

Dan gaan ze buiten spelen. Twee jongens duwen de bezem die schokkend over de tegels gaat, wat een plezier, een rilbibberbezem.

Een stel loopt rondjes om de waterbak. De handen glijden over de ronde rand, steeds sneller. ‘Nu stoppen voor het licht’, roept er een. Er komen nog meer kinderen bij, ze beginnen te zingen, het voorste kind is het stoplicht. Die stopt abrupt; boem, botsen de anderen tegen elkaar. Daarna neemt een ander de leiding. ‘Treintje kan wel door’ zingen ze in kleuterdeun. Ineens is het genoeg. Ze waaieren uit elkaar het pleintje op. Op de rand van de zandbak worden taartjes gebakken, hele series.

Een jongetje staat trots op een rollende boomstam: ‘Kijk dan’, roept hij en pakt zich snel aan het schuurtje vast.

Na een poosje gaan ze op de rand van de schuur zitten omdat het bijna tijd is. Binnen wordt er nog even getekend.

Tot besluit vertelt juffie in de kring het sprookje van Wit- en Zwartkipje. Het is heel stil.
.

(Van verhaal tot taal
Werkplan taal Geert Grooteschool Amsterdam
Saskia Albrecht; Dominique Borowski; Aernout Henny; Jannie Möller 1985)

.

Peuters/kleuters: alle artikelen

Nederlandse taal: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: kleuters

 .
461-427

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.