Tagarchief: Sint – Nicolaas

VRIJESCHOOL -Jaarfeesten – Sint-Nicolaas (1-2)

.

Hier verscheen de inleiding van het boek ‘Nikola de barmhartige, van A.Remizov.
Ook vind je hier meer sinterklaasverhalen.

Ook op deze blog verscheen het en ook hier staan sinterklaasverhalen en achtergronden, ook over Zwarte Piet.

Uit hetzelfde boek volgt hier:

SINT-NICOLAAS DE WONDERDOENER

Er bestaan geen historische gegevens over Sint-Nicolaas, alleen legenden, maar uit die legenden verrijst voor ons een beeld vol leven, [1] het meest menselijke beeld, dat wij kennen – – de figuur van Nikola.

De oudste icoon 1), die Nikola voorstelt, dateert van de VllIe eeuw. Uit die tijd en uit latere eeuwen zijn veel verhalen over wonderen bewaard gebleven, die een sprookjesachtig karakter dragen. Om in die wonderverhalen geen „fabels” te zien, maar iets levends en in wezen iets echts, moet men óf een kinderlijk gemoed, kinderlijke ogen en oren hebben, die zich nog niet losgerukt hebben van de wereld des geestes, óf nu en dan zijn nuchtere, trotse bewustzijn overwinnen en in de wereld van het kinderlijke onderduiken.

Volgens de volksvoorstelling neemt Sint-Nicolaas de eerste plaats in onder de heiligen, die voor de troon des Heren verschijnen. Voor de mens is hij universeel. Elke andere heilige heeft een bepaalde „specialiteit”: sommigen zijn artsen, anderen helpen in bepaalde omstandigheden of treden als beschermheiligen voor bepaalde ambachten e.d. op.
Nicolaas de Wonderdoener verenigt in zich alles; de mens kan dus onder alle omstandigheden zijn hulp inroepen. Hij staat hoger dan de aartsvaders, de apostelen en profeten, hoger dan de martelaars, zelfs hoger dan de engelen, hij wordt als de gelijke van Onze-Lieve-Vrouw beschouwd: Onze-Lieve-Vrouw is „de hoop van het christelijke volk”, Nikola is „de voorspraak”, de „bemiddelaar” tussen de mensen en Christus. Voor zeer velen is hij „de Nieuwe Verlosser”.

Rusland heeft tegelijk met het Christendom uit Byzantium het geloof in Nikola overgenomen, het beeld van Nikola, het schitterendste, het belangrijkste. In Kiëw, de oudste Russische rijkshoofdstad, was reeds in de eerste eeuwen na de kerstening een beeld van Nicolaas de Wonderdoener beroemd. In het land van Nowgorod verrezen ontelbare kerken, gewijd aan Nikola. Later zien wij hetzelfde in Moskou.

De afwezigheid van gegevens over de afstamming van de heilige en over zijn leven en zijn handelingen betekent nog geenszins, dat zijn bestaan zelf ontkend kan worden. Historische documenten kunnen geen geestelijk centrum scheppen: iemand kan elke dag in de krant, in de rubriek van „gebeurtenissen”, vermeld staan, er kan een berg materiaal over hem opgestapeld worden, maar toch blijft er van die persoon later niets over en zijn naam verdwijnt, zonder enig spoor achter te laten, het is onverschillig of die persoon geleefd heeft of niet. Bovendien moet men bedenken, dat elk verschijnsel van de geestelijke wereld, die haar uiting vindt in de beelden van een sprookje of een legende, haar eigen leven leidt, buiten de geschiedenis en de aardrijkskunde, en geen behoefte heeft aan statistiek of chronologie. Gebeurt het een enkele keer, dat een openbaring van de geestelijke wereld historisch „aangetoond” kan worden, dan verandert dat hoegenaamd niets aan het wezen der zaak.

Volgens de hagiografieën, die onderling veel overeenkomsten vertonen, heeft Sint-Nicolaas in de llle en IVe eeuw (270—341) geleefd, tijdens de regering van keizer Constantijn de Grote. Hij werd geboren in de provincie Lycië, in Klein- Azië. Hij werd priester, later bisschop van Myrae. Hij werd begraven te Pharrao, maar het lijk werd in 1087 naar Bari (Italië) overgebracht.

Het leven van Sint-Nicolaas wordt dus geplaatst in de tijd, toen het Christendom ophield een vervolgde of gedulde godsdienst te zijn, maar officieel erkend werd als de godsdienst des lands. De nieuwe Christelijke wereld voelde al spoedig, te midden van het vele onrecht, dat bleef bestaan, te midden van de onderdrukking door de overheid en de machtigen der Aarde, dat het niet voldoende was Christen te zijn en de naam van Christus telkens te noemen, dat daardoor nog niet veel in het leven der mensen veranderd werd; dat men het Christendom belijden kan, een kruisje dragen, alle rituele voorschriften der kerk in acht nemen en tegelijkertijd hardvochtig zijn, alleen aan zich zelf denken. — Wat echter nodig is, is mededogen, deelneming, belangstelling voor zijn naaste, want het leven op de Aarde is zwaar, het is moeilijk dat leven te leiden, er heerst gevaar, onzekerheid; — er moet iemand zijn, die moed heeft, voor de anderen op te komen, en daarbij niet voor de mensen alleen. De drager van deze menselijkheid, dat ideaal van de mens, werd Sint-Nicolaas — „de Nieuwe Verlosser”, die Christus op de Aarde vervangt, die voor de troon van Christus-de-Rechter voor de mensen opkomt, die de millioenen onbelangrijke levens in bescherming neemt, die met liefde en mededogen vervuld is voor al die mensen, van wie, na hun dood, geen spoor zal overblijven, maar die toch op de Jongste Dag ter verantwoording geroepen zullen worden. Voor al die mensen werd Sint- Nicolaas degene, tot wie zij zich konden wenden, bij wie zij zich over hun lot konden beklagen.

Zo ontstond het beeld van Sint-Nicolaas de Barmhartige, de Stedehouder van Christus, dc voornaamste heilige der Christenheid, de toeverlaat der stervelingen. Dat beeld is in Byzantium ontstaan. Uit Byzantium werd het naar Grieks Italië overgehracht; daarvandaan werd de verering van Sint-Nicolaas verspreid over geheel Italië, Spanje, Frankrijk, Engeland, Nederland en Duitsland. Uit Byzantium kwam die verering naar Rusland. In Rusland werd Sint-Nicolaas het centrum van het godsdienstige leven des volks. Er is in Rusland geen enkele belangrijke stad aan te wijzen, waar geen wonderdoende icoon van hem vereerd wordt. Het meest bekend zijn in Rusland de drie beelden van Sint-Nicolaas: 1. als Nikóla van Mozjájsk, de aartsengel, die het Russische land verzamelt en opbouwt; in één hand houdt hij het zwaard van een aartsengel en in de andere een kreml — een kerkje in een omheining;

sint-nicolaas-icoon-1

2. als Nikóla van Zarajsk, de wonderdoener met de uitgestrekte armen, die aan vleugels doen denken, die met een Evangelie de mensen zegent;

sint-nicolaas-icoon-2

3. als Nikóla van Welikorétsk, een borstbeeld met zegenende handen, een menselijke mens, voor wie niemand bevreesd hoeft te zijn, maar voor wie iedereen zich schaamt voor zijn lelijke daden. [2]

In Rusland werd Nikóla van het begin af aan drie keer per jaar gevierd: de geboorte van Sint-Nicolaas, zijn overlijden en de overbrenging van zijn gebeente naar Bari. In Rusland zongen blinden zijn roem; kinderen verheerlijkten hem op Kerstmis. Het Russische volk heeft over Nikóla sprookjes geschapen, die hun weerga nergens vinden, vol warmte en genade. In Rusland zijn honderden liederen over Nikóla geschapen. Uit Rusland werden het geloof in Nikola en de verering van Nikola naar alle gebieden ten Noorden, Oosten en Zuiden van Moskovië verspreid.

De Revolutie kon het geloof in Nikola niet uitroeien, wel heeft zij er een nieuw, onverwacht element in gebracht. In een gedicht over Iljitsj (d.w.z. Lenin) wordt het volgende verteld:

„Op een donkere nacht trok over het Russische veld Iljitsj samen met Nikóla de Wonderdoener. Wladimir de zoon van Elias (d.w.z. Lenin) was in een ruwe boerenjas gekleed, hij zocht de vrijheid op de Aarde. …”

In de hagiografie van Sint-Nicolaas worden verschillende wonderen beschreven, die de Barmhartige in Rusland verricht heeft en waarvoor hij vereerd wordt. Doch belangrijker en sprekender dan al die officiële wonderen zijn de verhalen, die het volk vertelt. Die verhalen sterkten de Rus, gaven hem moed om te leven, geloof in de mens en in de toekomst. Hoe sterk het geloof van de Rus in Nikola was, toont het volgende geval aan.

Er leefde te Moskou een koopman, die Myslin heette. Hij had een gastronomische winkel en hield zich ook met andere zaken bezig. Hij was groot van gestalte en zijn buik stak als een strijkbout uit zijn lange kaftan. Zijn kort geknipt haar was altijd ingevet, zijn haar deed denken aan paardehaar en was sterk grijzend. Hij hield veel van oude gebruiken; hij was kerkvoogd en tevens bekend zakenman. Hij deed vaak zaken met zijn buurman, de fabrikant Lew Semjónytsj. Die buurman was in alles het tegenovergestelde van Myslin: hij was mager, klein, had een grote baard, maar zijn hoofd was volkomen kaal. Er heerste een grote vriendschap tussen die twee mannen. Het meest imponeerde Lew Semjónytsj zijn buurman door zijn zakelijkheid en liefde tot orde: hij was steeds stipt, ge hoefde nooit bevreesd te zijn, dat hij u minderwaardige waar zou leveren of zou trachten u te bedriegen; hij hield zich steeds aan al zijn afspraken; hij kwam telkens het beloofde na, chicaneerde nooit, had veel verstand van zaken. Het was steeds een genoegen met zo iemand zaken te doen; daarbij was Lew Semjónytsj een zeer goed mens. Myslin mocht de fabrikant heel graag en stelde hem iedereen als voorbeeld. Er was echter iets, dat Myslin in verlegenheid bracht: Lew Semjónytsj was een Jood.

Neem bijvoorbeeld Myslin zelf: hij heeft heel wat op zijn geweten, waarvoor hij zou moeten boeten. Op zijn oude dag huwde hij, die reeds volwassen zoons had, na de dood van zijn eerste vrouw, een heel jong meisje. Hij was na dat huwelijk net gek; hij vertelde iedereen schaamteloos over zijn jonge vrouw met allerlei bijzonderheden. Doch ondanks die razernij is hij overtuigd, dat hij vóór zijn dood berouw zou tonen; hij is kerkvoogd, zodra er iets dreigt, laat hij natuurlijk de pope roepen, die hem absolutie geeft; bovendien heeft hij natuurlijk reeds maatregelen getroffen, dat er voor zijn zielerust gezorgd zou worden: in zijn testament is een bedrag beschikbaar gesteld voor de kerk en, voor zielmissen, en als de zaken nog beter worden, dan zal hij natuurlijk dat bedrag verhogen. Voor de ziel van hem, Myslin, is er in elk geval in de Hemel een plaatsje verzekerd: hij zou een hoekje toegewezen krijgen naast de rechtvaardigen. Maar neem nu Lew Semjònytsj: die leidt een rechtvaardig leven, er is niet dat op hem aan te merken, hij heeft al zijn zoons en dochters verzorgd, in zijn huis is het altijd kalm, er heerst in alles orde en toch zal hij na zijn dood regelrecht naar de hel overgebracht worden, in het verschrikkelijkste gedeelte van dat eeuwige vuur: hij zal in dat vuur met blote handen brandende bessen moeten plukken, of anders zetten zij hem midden in de winter in een bijt in de rivier de Moskwa en dan zal hij met zijn mond voor de duivels kikkers moeten vangen.

Maar neem nu eens aan, dat hij, Myslin, God beware, sterft zonder eerst berouw te hebben getoond, zonder absolutie, neem verder aan, dat zijn zoons bedrog gaan plegen, zijn wil niet nakomen en geen zielmissen voor hem zullen laten celebreren, wel, dan zal zijn ziel in de hel belanden, dan wordt hij in een ketel met kokend pek geworpen, maar toch niet in dezelfde ketel als Lew Semjònytsj, omdat hij, Myslin, gedoopt is en in de Schrift is er nergens enige vermelding van een mogelijke vermenging te vinden; het staat geschreven: „er zijn vele verblijfplaatsen”, men laat dus iedereen afzonderlijk pijnigen, je wordt niet in de gelegenheid gesteld om in je leed een woord met je vriend te wisselen.

Zo luidt nu eenmaal de wet. Myslin’s geloof is onwankelbaar, hij twijfelt niet aan de juistheid van de wet. Hij legt zich bij het voorschrift van de wet neer, maar toch zoekt hij naar de een of andere bepaling in die wet zelf, waardoor ook voor de Jood Lew Semjònytsj een plaatsje in de Hemel te verwerven is; en als het hun beiden beschoren is in de hel te lijden, dan moet hij een mogelijkheid bedenken, dat zij tenminste in één ketel gekookt worden.

En hier komt hem het „Russische geloof” te hulp — het geloof in Nikola, die natuurlijk niet boven de wet staat, maar. .. . die toch steeds wat bedenken kan; in minder dan geen tijd speelt hij het klaar iets zó uit te leggen, dat het volgens de wet mogelijk is, — dat geloof komt Myslin te hulp, — want in Nikola gelooft immers iedereen; en het gehele wezen van Myslin — van af zijn mammoethoofd tot de strijkbout van zijn onverzadelijk lijf — wordt vervuld van hoop.
„Als Lew Semjònytsj Nikola erkent, dan is de zaak in orde en dan hoeven wij ons niet ongerust te maken!” besluit Myslin.

Ik moest die dag Lew Semjònytsj spreken. Ik trof er Myslin. Ik had hem reeds eerder bij verschillende gelegenheden in het huis van Lew Semjònytsj ontmoet, maar nu werd ik getroffen door zijn bijzondere plechtigheid; mij heeft hij zelfs niet bemerkt.
„Lew Semjònytsj, — zei Myslin, — ik begrijp, dat u, als Jood, Christus niet erkent, dat hoort ook zo, — hij rekte zijn mammoethoofd uit, trok zijn strijkbout in, — Lew Semjònytsj, dat begrijp ik heus, maar . .. .hoe staat het met Nikola de Godewelgevallige?. …”

Osa aan de Karna — het land van de winter en van de lente, van oerwouden, bosbranden en toverachtige schemeringen.
Rondom Osa liggen Tataremdorpen, het belangrijkste ervan is Jelpatsjicha. Iedereen kent er Odoetow, de chef van het canton, die voor zijn bedachtzaamheid en overleg de Russische bijnaam Mikoelaj Mikoelaïtsj 2) gekregen heeft, ter ere van Nikola, die, zoals algemeen bekend is, niemand laat krenken, of het nou een Rus dan wel een Tataar is, die steeds een rechtvaardig besluit weet te nemen. Als u in Jelpatsjicha komt, zult u zeker ook Hassan ontmoeten, de armste inwoner van het dorp; hij heeft slechts één paard, dat is zijn gehele bezit.
Het is zaterdag — een marktdag, op straat is er veel leven en beweging, net als op een feestdag. Op het marktplein staat een grote kerk, in de kerk ziet ge steeds veel mensen: Russen en Tataren, ieder hunner zet een kaarsje voor de icoon van Nikola.
Hassan zette ook een kaarsje neer, keek met spanning naar de icoon en zei:
„Mikoela, geef mij het paard terug, wees barmhartig voor mij en geef het terug, asjeblieft, geef het terug!”
Hij sloeg met zijn vuist op zijn borst en herhaalde telkens weer dezelfde woorden. Klagend voegde hij er aan toe: — ik zal anders straatarm worden — lieve—!”
Daarna verliet hij de kerk. Zowel zij die hem kenden als de mensen die hem niet kenden begrepen, dat iemand zijn paard gestolen had, — ja, iemand heeft het enige paard van Hassan gestolen, en nu is hij verloren, niemand kan hem helpen, zelfs de wijze chef Mikoelaj Mikoelaïtsj zal niets kunnen bedenken; er bleef dus één middel over — en daarin gelooft hij: hij moet zich bij Mikoela beklagen, Mikoela verzoeken, zich in zijn toestand in te denken en er voor te zorgen, dat hij, Hassan, zijn paard terugkrijgt.
Zonder naar de mensen te kijken, geheel in zich zelf verdiept en vervuld van het onwrikbare geloof in de wonderdoener Mikoela, verliet Hassan de kerk en kwam op het marktplein. Op het plein reed op dat ogenblik een wagen voorbij en aan die wagen waren paarden vastgebonden. Hassan bleef staan: neen, een tweede dergelijke paard was er niet, het was zijn eigen paard; in een der aan de wagen vastgehonden paarden herkende Hassan zijn eigendom. Met een kreet wierp hij zich op de wagen.
De gehele markt kwam in beroering: „Hassan heeft zijn gestolen paard gevonden!” De paardendief werd aangehouden, Hassan kreeg zijn paard terug.„Mikoela heeft het paard aan de eigenaar teruggegeven!”

Er bestaan veel legenden over Sint Nicolaas en zijn leven.

Toen hij vijf jaar oud was, wijdde hij zich geheel aan God. Van af die tijd at hij geen vlees en dronk hij geen wijn. Op de werkdagen at hij alleen brood en dronk alleen water. Zijn gezicht straalde — de Geest des Heren rustte op hem en engelen daalden uit de hemel en dienden hem. Zijn voeten staken in sandalen, in zijn hand had hij een kruis, zijn lippen zongen steeds een lofzang aan God. Van af de eerste jaren van zijn leven bestudeerde hij de Heilige Schrift. Overdag, in tegenwoordigheid van andere mensen, zweeg hij, ’s nachts, wanneer hij alléén was, bad hij.

Als een jongeling van veertien jaar verliet hij Lycië en trok zich in de woestijn terug. Daarna liep hij naar Caesarea en bracht daar drie jaar in gebed en vasten door, hij reinigde en versierde zijn ziel door de Goddelijke deugd.

En toen verrichtte hij het eerste wonder.

Daarvandaan trok hij naar Klein Armenië, waar hij een jaar en negen maanden rondzwierf. Uit Armenië begaf hij zich naar Syrië.

Overal verrichtte hij wonderen.

Toen Nicolaas dertig jaar werd, keerde hij naar Lycië terug. Als een onbekende zwerver trok hij de stad Myrae binnen; van zijn gezicht en handen druppelde mirre en de hele stad werd vervuld met zijn geur. Die geur verrichtte wonderen. Het gehele leven in de stad werd onherkenbaar: alle onenigheid hield op, iedereen dacht er nu alleen aan, zijn medemensen te helpen, iemand een dienst te bewijzen. En hij liep zwijgend door de straten van de stad, keek slechts om zich heen en raakte nu en dan de mensen aan; door zijn blik en aanraking werden de ontroostbaren getroost, de blinden werden ziende, de verlamden verhieven zich.
De patriarch vernam van die wonderen en begaf zich, aan het hoofd van de kerkvaderen, naar de stad, waar dat alles geschiedde. Dit werd Nicolaas geopenbaard en hij snelde de kerkvorst tegemoet. De patriarch omarmde Nicolaas als een apostel van Christus. Het gevolg van de patriarch was getroffen door het licht, dat het gezicht van Nicolaas uitstraalde, gelijk dat van een engel des Heren, en allen vielen voor hem op hun knieën. De patriarch leidde Nicolaas naar de kathedraal en benoemde hem daar tot bisschop van de stad en het gebied.

Toen zijn uur had geslagen om in het heer der heiligen opgenomen te worden, daalden uit de Hemel engelen des Heren. Nicolaas zag hen, glimlachte en zei:

„Mijn dagen zijn dus voltooid!”

Aartsengel Michaël trad naar voren en toonde hem het zegel Gods. Toen Nicolaas dat zegel zag, verhief hij zich voor zijn laatste gebed. Hij smeekte God:
Voor allen, die in nood zijn naam mochten aanroepen — dat de Heer hun wens moge vervullen!
Voor hen, die door de machtigen der aarde onderdrukt worden —  dat de Here hun ter wille van hem kracht voor de strijd moge geven!
Voor hen, die op de onstuimige zee tijdens een storm zijn hulp mochten inroepen — dat de Here de onstuimige golven moge doen bedaren!
Voor alle zieken, daklozen en vertwijfelden — moge de Here hen niet verlaten en hun kracht geven!
En voor alle schepselen des Heren, wier lot zo zwaar en wier levensduur zo kort is!
„Here, erbarm U onzer!” -— herhaalde hij drie keer en strekte zijn armen uit.
Bij het laatste woord vatte de engel des doods zijn ziel en de engelen droegen die weg naar de Hemel.
Zijn lichaam lag op zijn sterfbed en straalde als de zon.

Sint-Nicolaas werd de belangrijkste heilige van Rusland, de „Russische God”, zoals de heidenen hem noemden; het „Russische geloof” werd geheel doordrongen door de naam van Nikola. De verering van Nikola was zó groot, dat het tot de XVIIIe eeuw door het volk als zonde beschouwd werd een kind zijn naam te geven.
Vóór de invasie der Mongolen in de Xllle eeuw was er in Rusland één beeld van Nikola: hij was afgebeeld in een groen parament. Dat beeld stond te Kijew bij de heilige Sophia. Dat beeld verrichtte veel wonderen.
Na de Mongoolse invasie waren er in Rusland drie beroemde beelden, die wij reeds genoemd hebben: Nikola van Mozjajsk, Nikola van Zarajsk en Nikola van Welikoretsk.
Het meest vereerde beeld is dat van Mozjajsk, waar hij als aartsengel afgebeeld is: in één hand houdt hij een zwaard, in de andere een kerkje binnen een omheining. Vijf lampen branden dag en nacht voor dat beeld. De nacht vóór de bestorming van Kazan hebben de Russische kanonniers hem gezien; later verscheen hij aan Jermák, de veroveraar van Siberië. Hij staat te Moskou op de naar hem genoemde poort en bewaakt het Kreml, het hart van Rusland. Toen Napoleon Moskou verlaten moest, gaf hij bevel de poort op te blazen; de poorttoren werd veranderd in een hoop puin, maar het beeld van Nikola bleef ongedeerd. Alle Russische heersers, vanaf Iwan IV, trokken naar Mozjajsk om hem te vereren, zelfs Peter de Grote deed het.
Hetzelfde beeld komt in verschillende delen van Rusland onder verschillende namen voor. Nikola van Mozjajsk verscheen aan grootvorst Dmitrij Donskój vóór diens beslissende slag met de Tataren op het Koelikowo-Veld 3); dat beeld heet „Radonskij”.
Nikola verscheen voor Sergius van Radonezj 4); dat beeld heet „kelejnyj”. Op alle forten en steunpunten aan de rand van de Moskovische staat, in alle kloosters, die tevens vestingen waren, was er een beeld van Nikola van Mozjajsk, maar daar heette het „ratnyj”. Geheel Siberië vereerde hem, de Moskouse heilige; de inboorlingen brachten hem offers en noemden hem „de Russische God”.

Op het Achtste Oecumenische concilie werden alle gesneden of gebeeldhouwde beelden van heiligen verboden, zij werden met afgoden vergeleken. De Synode der Russische kerk beval in 1723 alle gesneden en „zittende” beelden uit de kerken te verwijderen. Er werden toen heel wat beelden uit de Russische kerken verwijderd, maar Nikola van Mozjajsk bleef.

De tweede beroemde afbeelding is die van Nikola van Zarajsk, op wonderbaarlijke wijze uit de kerk van de Apostel Jacobus te Chersonesos overgebracht: Nikola is afgebeeld staande en zegenende met het Evangelie; zijn armen zijn niet tegen zijn borst gedrukt, maar uitgestrekt; zijn parament valt in plooien van zijn armen en het lijkt, dat hij vleugels heeft. Om hem ziet ge op de icoon taferelen uit zijn leven en wonderen. Die icoon werd bijzonder beroemd na de invasie van de Mongoolse horden van Batu, als herinnering aan de vorstin van Rjazan Eupraxie: toen zij vernomen had, dat haar man omgekomen was, sprong zij samen met haar zoon van de tinne van haar kasteel. Het hoogst steeg de roem van die icoon tijdens de „Woelingen” (de Russische revolutie van het einde van de XVIe eeuw).

Een derde beroemde afbeelding van Nikola bevindt zich te Wjatka — Nikola van Welikoretsk (of van Chlvnow): een borstbeeld, met tegen de borst gedrukte armen; hij zegent en houdt een Evangelie vast. Hier is hij een mens met het gezicht van een eenvoudige man met wonderbaarlijke ogen, die al het leed en al de moeilijkheden der mensen in zich opnemen en een zacht licht van medelijden uitstralen — „Nikola de Barmhartige”. Tsaar Iwan de Verschrikkelijke hield veel van dat beeld en liet het vaak naar Moskou overbrengen. Een kopie van die icoon bevindt zich in de kathedraal van Wasilij de Gelukzalige te Moskou, de in het buitenland meest bekende Moskouse kerk.

Elk beeld van Nikola heeft zijn eigen genade voor de mensen, voor ieder der beelden is er een apart gebed: de gestrenge Nikola van Mozjajsk beschermt het Russische land, hij beloont de rechtvaardige en bestraft de schuldige; de gevleugelde wonderdoener van Zarajsk kan elk wonder verrichten; de goedertierende van Welikoretsk wijst niemand af, zelfs de armzaligste niet, hij troost iedereen, hoort iedereen aan.

[1] wie de artikelen leest die hier verschenen, zal wellicht de conclusie kunnen trekken dat deze bewering te absoluut is gesteld.
[2] geen afbeelding gevonden

1)Een icoon is een geschilderd beeld van Christus of een der heiligen. (De vert.)
2) Mikoelaj is een bijvorm van Nikolaj (Nicolaas); Mikoelaj Mikoelaïtsj betekent dus: Nicolaas zoon van Nicolaas. Mikoela is een bijvorm van Nikola. (De vert.)
3) Grootvorst Dmitrij Donskój (Demetrius van de Don) besloot het Mongoolse juk af te schudden en Rusland weer vrij te maken. In 1380 verzamelde hij een groot leger en trok de Tataren tegemoet. De ontmoeting vond plaats op het Koelikowo-Veld aan de Don. De Tataren werden verslagen, maar de Russen verloren zó veel mensen, dat zij een nieuwe invasie niet konden weerstaan, zodat het doel van de grootvorst niet bereikt werd. De Tataarse heerschappij was eerst veel later afgeschud. (De Vert.)
4) Sergius van Radonezj is de nationale heilige van Moskovië. Hij was een tijdgenoot van Dmitrij Donskoj en heeft de grootvorst voor de beslissende strijd tegen de Tataren gezegend. Sergius was de stichter van het beroemde Drievuldigheidsklooster, niet ver van Moskou, een der grootste heiligdommen van Rusland. „Kelejnyj” betekent „van de cel”, „cel-”. (De vert.).

Sint-Nicolaas: alle artikelen

jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Sint-Nicolaas 

1136

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Nicolaas (31)

 

Vijf december, ha dat is de blijde dag

Er kunnen boeken vol worden geschreven over het belangwekkendste, interessantste, merkwaardigste, oudste, bekendste feest op folkloristisch gebied. Wat men ook wil beweren, Sint-Nicolaas zal altijd hoge ogen gooien bij zo’n vergelijking. En er zullen ook nog mensen zijn die zich waarachtig en principieel keren tegen de goedheilig man.

Luister naar dit stukje proza.
‘Wat nu de St. Nicolaes- avonden belangt, die insonderheyt in deze onse Stadt Amstelredamme tot een blaem van onse Reformatie geviert ende jaerlijks onderhouden worden, het is niet ande’rs als een versiert en afgodisch werck.’

Zo foeterde dominee Wittewrongel in een oud boekje Christelicke Huyshouding. Na verteld te hebben dat de verhalen over Sint-Nicolaas ‘leugenachtige legenden’ zijn, vervolgt hij: ‘Wie en siet oock niet, dat de vruchten van de St. Nicolaesavonden, onvruchtbaer wercken der duysternisse zijn? Dat men sijne kinderen onderwesen heeft hare schoenen oock in de schouwe te hangen opdat desen Sint-Nicolaes oock daer iets goed in mochte bringen? Zijn het oock niet dagen van enckel weelde en wellust geweest, sal men nu noch geloove ende vertrouwen willen stellen op eenen Afgodt? Van eenen versierden Sant so veel wercks maken? Konnen versierde fabulen ende leugenen van een afghesette Sant noch goede vruchten geven? Wie en siet oock niet dat de vruchten van de St. Nicolaesavonden ongodsdienstige wercken der duysternisse zijn? En grouwelijcke afgoderijen? Voorwaar, sulcke vermaek ende apenspel moet nootsaekeleick op het eynde eene bitterheid sijn.’

De eerwaarde Wittewrongel stond niet alleen. In de zestiende eeuw werden in verschillende steden keuren uitgegeven om aan openbare Sinterklaasvieringen paal en perk te stellen en in de ‘gereformeerde’ kerken werd op de zondag voor 5 december met klem tegen de ‘Spaanse’ bisschop gepreekt. Het protestantse verzet tegen Sinterklaas is nooit helemaal verdwenen, al wordt het tegenwoordig weinig serieus genomen. Toch hoort men van tijd tot tijd nog van acties in streng calvinistische streken tegen ‘dit spotten met de heilige beginselen van de reformatie’, zoals een Staphorster raadslid dit in 1964 formuleerde.

Hoe vreemd het misschien mag lijken, toch werd een uit Klein Azië afkomstige, door de kerk nauwelijks erkende, heilige het middelpunt van Nederlands meest gevierde volksfeest. Om de verwarring nog groter te maken, komt hij ieder jaar uit Spanje per schip naar Nederland, waar hij te paard en omstuwd door Zwarte Pieten in vele steden en dorpen zijn glorieuze intocht houdt.

Hoewel 6 december de naamdag van Sint Nicolaas is, gaat het toch echt om 5 december; dat is de blijde dag.

De dag van pakjesavond, angst, beven, surprises, eten, snoepen, feest, pret, plezier. Daar is de nodige voorbereiding aan voorafgegaan. Dagen, soms reeds weken van tevoren, wordt door de kinderen voor het slapen gaan bij de schoorsteen gezongen. En waar geen schoorstenen meer zijn, wordt altijd wel een andere plaats gevonden waar de sinterklaasliedjes ten gehore worden gebracht. De schoen wordt gezet, gevuld met eten voor het paard en natuurlijk het verlanglijstje. Want daar gaat het om.

Piet komt alles hoogstpersoonlijk ophalen. De volgende dag ligt er een presentje in de schoen; een bewijs dat Sinterklaas bestaat en een voorproefje van wat nog komen gaat.

Sint Nicolaas 3

Op 5 december is de schoen te klein. Dan worden de pakjes vaak bij mandenvol, zakkenvol, krattenvol binnengedragen. Hier en daar verschijnt Sinterklaas in eigen persoon, spreekt een vermanend woord, prijst het kind dat goed zijn best deed, laat de Pieten pepernoten strooien, laat zijn cadeautjes achter en vertrekt snel naar het volgende adres. Want de goedheiligman heeft het, zoals iedereen, steeds drukker.

In de hoofdstad wordt het Sinterklaasfeest steeds zeer uitbundig gevierd. Dat is begrijpelijk want Sint- Nicolaas is niet alleen de schutspatroon van de zeevarenden, maar ook van Amsterdam. De eerste parochiekerk die hier in 1306 werd gesticht, werd opgedragen aan de bisschop van Myra en een van de bekendste kerken, recht tegenover de haven en het Centraal Station is nog steeds de Sint – Nicolaaskerk. Een oud liedje zegt heel terecht:

Sinterklaassie bisschop
Zet je hooge mutse op,
Trek je beste tabberd an,
Rij ermee naar Amsterdam.

Grote bekendheid kregen de Sinterklaasmarkten die van de zeventiende tot en met de negentiende eeuw op de Dam werden gehouden. Jos. Winkelmeyer heeft in zijn schetsen over oud-Amsterdam van zo’n markt – de laatste werd in 1836 gehouden – de volgende, levendige impressie gegeven.

’De Amsterdammers van elken stand stroomden daarheen, en onder het vroolijkste gewoel en gejoel kocht men de geschenken voor ouden en jongen. Men trakteerde elkaar op ‘Sinterclaeskoeck, amandel-broot, honincktaert en massepeyn’. Dan kwam de doedelzakblazer in de stad, en sprong op een ton, ergens in een hoekje op den Dam, bij een steegje en blies lustig zijn ’deuntgen’, terwijl de jeugd en de mannelijke leeftijd in uitgelaten vroolijkheid rondsprongen en dansten. Dan kwamen de reizende sprooksprekers of comedianten en sloegen hun schavot of plankier op, een stellaadje van planken op biertonnen of palen, en speelden hunne kluchten met een grappigheid, dat ’t volk het uitschaterde van het lachen. Dan vloog de komieke nar, met rinkelbellen behangen, links en rechts over den Dam, tot groot vermaak van iedereen.’

Sinds 1934 kent de hoofdstad het jaarlijks weerkerende feest van de ‘blijde inkomste’ van de goedheiligman. Gevolgd door praalwagens waarmee handel en industrie onderstrepen dat zij belang bij het Sinterklaasfeest hebben, rijdt Sint- Nicolaas dan door zijn stad. Aanvankelijk geschiedde de aankomst op de zaterdag voor de naamdag van Sinterklaas; de laatste jaren werd dit vervroegd, maar het blijft op zaterdag. Bij de Dam staat een beker bisschopswijn als traditionele begroetingsdronk te wachten. Vele Amsterdamse burgemeesters hebben in de loop der jaren de grijze maar vitale bisschop op plechtige en eerbiedige wijze welkom geheten, vroeger op het Stadhuis, daarna op de Dam.

Niet alleen Amsterdam weet wat Sinterklaasfeest is. Op de Waddeneilanden gebeurde en gebeurt er ook heel wat. Daar is Sinterklaas een heel apart feest. En daar gebeuren dan de gekste dingen.

Op Ameland heeft men in 1955 danig in het nauw gezeten of een zending buffelhorens wel op tijd zou aankomen. Die zending moest komen van missionaris De Jong in West-Afrika, een neef van wijlen kardinaal De Jong, die evenals zijn neef op Ameland werd geboren. Sinds eeuwen was er vrijwel in ieder huis van dit Waddeneiland ten minste één buffelhoren te vinden. Niemand scheen te weten waar die horens precies vandaan kwamen. Door het intensieve gebruik en het steeds toenemend aantal gebruikers moesten er nieuwe horens komen. Die horens zijn op tijd gekomen. Uit Afrika! Maar waarom? Om er op te blazen. Bij het feest van de Sunde- klazen. Inderdaad, niet te geloven. Maar absoluut waar. Want missionarissen laten wat Afrika en Sint Nicolaas betreft, niet met zich spotten. En zo konden dan de Amelanders op de oude en hun zo vertrouwde wijze Sinterklaas vieren: het feest van de Sundeklazen.

Ameland kent twee Sinterklaasavonden; de eerste op 4 december voor de jongens tot achttien jaar en de tweede of wel de grote Sundeklaasavond op 5 december, wanneer de mannen van boven de achttien jaar de straat op gaan. Let wel: het feest is een zuiver mannenfeest, waarbij een vermomming nodig is. Als een vrouw, zoals dat heet ‘in het pak’ kruipt, heeft zij een bijzonder slechte avond als de mannen dat merken. Mevrouw Van Brakel- Immink, de echtgenote van een Amelander predikant heeft in De Vrije Fries in 1929 beschreven wat er allemaal gebeurt.

‘Bij den echten Hollumer zit de onrust reeds de gehele dag in ’t huisgezin. Te ruim vier uur treft men op alle hoeken der straten, voornamelijk op ‘de Driesprong’ als centrum, troepjes jongemannen, omringd door kinderen, die angstig uitzien en bij elk verdacht witte aanblik uitroepen: ‘daar is er een’ en dan het bekende ba! ba! schreeuwen. Haastig lopend vrouwvolk, die je aan kunt zien dat ze anders zijn dan gewoon, haastig, onrustig, bang sommigen, vreugdevol, angstig. De spanning is er een van ‘vol verwachting klopt ons hart’ voor de te verwachten vreugdevolle avond. Van . . . zullen we ze kennen, wie wel en wie niet, hoe zullen ze zijn en hoeveel …’ Op 4 december, dus de kleine editie, gaan de jongens tegen de schemering de straat op. Zij zijn gehuld in lakens en kleden. Op 5 december komen de grote Sundeklazen, voorzien van de ons nu al bekende buffelhorens en onherkenbaar vermomd. De deuren van allerlei huizen staan voor de Sundeklazen open; in die huizen zit het vrouwvolk. De Sundeklazen kunnen nogal eens hardhandig en doortastend optreden, maar dat hoort er nu eenmaal bij. Het ideaal is onbekend te blijven. Wie dat bereikt, heeft de dag van zijn leven. Iedereen probeert door stemverdraaiing of anderszins zo min mogelijk op zichzelf te lijken. Wat de data 4 en 5 december betreft, nog wel één punt. Het kan vanwege zondagsheiliging ook op 7 en 8 december vallen. Dus vóór het verkleden wel informeren.

Op Terschelling kent men iets soortgelijks. Speciaal in Midsland trekken op 6 december verklede mannen en jongens met rammelende kettingen en veel getoeter door de straten. Vrouwen worden ook hier niet geduld. De deuren staan open en in de huizen worden de rondtrekkende personages getracteerd. ‘Sinterklaes koom krek as op de aest- en noardfriese eilânen in dei letter as op de feste wal, 6 December. Dà wy lyts wanen, ronne dir jongs op de borren grizige Sinterklazen mei grinzen foar, en mei swiere, izeren kettings. ’t Waes akelik om to sjean, mar tige lillike dingen dogen se toch net. It slimste hwat ik wit is, se trokken wol rys troch de krûme schorstienen binne in grette izeren pot fol koitsjende sikkelaet nei boppen: ’t koe dir boppen op sò’n dak eak sò tige kâld wèze.’

Zo vertelt Knop over zijn jeugd op het eiland; een verhaal dat vermoedelijk niet al te veel moeilijkheden bij het vertalen oplevert.

Sint - Nicolaas 4

Op Texel gaat het weer anders toe. Daar zijn ook twee data te vermelden. Op 5 december vindt het huiselijk feest plaats. Een week later wordt Oude Sunderklaas gevierd. Dat is een openbaar feest dat op straat plaats vindt. Als het op 12 december donker begint te worden, stromen verklede en mooi toegetakelde kinderen de straat op. Later op de avond komen de volwassenen. Met iedereen en met alles wordt de draak gestoken.

In De Cocksdorp trekken de Sunderklaasspelers van huis tot huis; daar staan alle deuren open. En zo wordt Oude Sunderklaas een feest van deinende, hossende mensen. De muziek schijnt nooit te stoppen en de feestvreugde lijkt nooit op te houden. Met slechts één doel: onbekend te blijven.

Een aardige variant op het sinterklaasfeest bestond in het Noord-Hollandse dorp Koedijk, waar op oudejaarsavond het feest van de Gouden Engel werd gevierd, dat in vele opzichten herinnert aan wat elders op 5 december gebeurt. Hier reed niet Sinterklaas maar de Gouden Engel rond om zijn geschenken te brengen. Over de oorsprong van deze verlate pakjesavond bestaan veel veronderstellingen. Een van de mooiste is wel dat Koedijk vroeger een vissersdorpje was en dat de vissers pas tegen het einde van het jaar thuiskwamen. Zij konden dus niet eerder het sintnicolaasfeest vieren. De benaming Gouden Engelfeest zou dan ontleend zijn aan het feit dat de mannen met goede vangsten in de thuishaven arriveerden. Zoals het hoort. Maar helaas. Oude Koedijkers weten er nog wel van mee te praten, maar ook in Koedijk komen mensen van elders wonen en dat nam die Gouden Engel niet. En zo is dit ook al weer een feest dat hard aan het verdwijnen is.

Sint Nicolaas is – dat kunnen wij uit de moderne psychologie leren – zo’n overheersende en dominerende persoonlijkheid dat wij er maar al te weinig bij stil staan dat hij – naar men zegt – ook nog een broer heeft gehad, die met hem op reis ging en meehielp bij de uitdeling van de geschenken en versnaperingen op zijn naamdag. Maar – hoe bestaat het? – zij kregen ruzie. Dat was in Friesland onder Irnsum bij de weg naar Grouw. Sint – Nicolaas wilde naar Leeuwarden, maar broerlief wilde eerst naar Grouw. De ruzie ging zover dat Sint-Nicolaas met alle geschenken naar Leeuwarden trok. Broer bleef achter in Irnsum. Wat mismoedig keerde hij terug naar Spanje om geschenken op te halen, omdat hij de kinderen van Grouw niet in de steek wilde laten. De vervoersmogelijkheden waren toen ook voor Sint – Nicolaas’ broer nog zeer beperkt en Sint – Pieter – dat was de naam van de broer – keerde pas op 21 februari in Grouw terug. Dat gebeurt nu nog. Op de vooravond van Sint- Pieter komt deze Sint nog steeds in Grouw aan; een figuur die verdacht veel op Sinterklaas lijkt. Hoe kan het ook anders. Natuurlijk wordt hij toegezongen en uiteraard in het Fries:

Sint Pietersdei,
Dan grienet de wei,
Dan keallet de kou,
Dan leit de hin,
Dan hat de hûsman
It nei syn sin.

Zij die de brave heilige Sinterklaas zo graag aan vruchtbaarheidsriten koppelen, krijgen ook hier hun zin. Het zit er bij Sint- Pieter dik in: de weilanden worden groen, de koe kalft, de kip legt een ei en de boer heeft het naar zijn zin.

Shell Journaal 1972

Vijf december, ha dat is de blijde dag: lied

Sint-Nicolaas: alle artikelen

905

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – seizoenen – herfst (5)

VERBORGEN LICHTJES

Sint Maarten staat niet op zichzelf. Het donkerte jaargetijde wordt ingeluid door Michael, om via Martinus en Sint-Nicolaas uiteindelijk tot het kerstlicht te komen.
Hoe het u vergaat weet ik niet, maar ik word elk jaar weer verrast door het Michaelsfeest. Nog nazinderend van de zomer lukt het me nog net om de voorbereidingen te treffen. Het is alsof je met een schok wakker wordt; ongeveer het gevoel dat je hebt als je na het aflopen van de wekker nog even blijft liggen en dan ineens ziet dat het kwart voor acht is in plaats van kwart voor zeven. Je bent nog net op tijd op je werk, maar vraag niet hoe. Soms nog tijdens de dag zelf, maar anders in ieder geval in de dagen erna hoor je om je heen dezelfde geluiden: de plannen die we voor de zomer hadden, moeten nu maar eens worden uitgevoerd.
Voor een Michaelsfeest op school kunnen spelen en opdrachten die moed en slagvaar­digheid oproepen, worden gemaakt en be­dacht. Met mikspelletjes, zoals in zijn een­voudigste vorm de spijker op de kop slaan, boogschieten of het moeilijke speerwerpen, wordt gericht op het gestelde doel. Ook op­drachten en speurtochten waarbij de rich­ting en de goede weg zelf moeten worden ge­vonden en waarbij moeilijkheden worden overwonnen, vormen een goed motief voor zo’n feest.
Moeilijkheden de baas worden en zuiver­heid van richting en doel te pakken krijgen, is nodig om de draak te bestrijden. Nauw verweven met Michael is namelijk het beeld van de draak die zieltogend het onderspit zal delven. In veel verhalen is het de jonkvrouw die ten offer valt aan de draak, als een moe­deloos, berustend volk de kracht niet bezit om zich tegen deze donkere onheilsmacht te verweren. De kracht om nieuw leven te ba­ren, ontwikkelingskrachten te schenken, droogt dan op, wat tot uitdrukking komt in de opgedroogde bron of de verdorrende
ap­pelbomen in deze legendes.

Metamorfose
Van 29 september naar 11 november, het Sint-Maartensfeest, lijkt een hele sprong. Tijdens de uitvoering van al die gerijpte plannen, komt een feest waarin een heel an­dere stemming ontstaat. Toch is er een rela­tie te ontdekken. Deze reikt echter verder en wordt zichtbaar door de daaropvolgende feesten Sint-Nicolaas, advent en Kerstmis erbij te betrekken.
We kennen het verhaal van Sint-Maarten: een groep Romeinse soldaten komt voor de poort van de stad Amiens. De soldaten heb­ben een lange rit achter de rug en verlangen ongetwijfeld naar eten en een bed. Naast de poort zit een man, een bedelaar, half naakt en hongerig. Hoewel de kans klein is dat hij wat krijgt, vraagt hij toch om een aalmoes. Maarten wordt getroffen door de aanblik van deze mens. Hij houdt zijn paard in en trekt zijn zwaard. Hij snijdt zijn mantel doormidden en reikt de helft aan de bede­laar. Die nacht verschijnt Christus in zijn droom. Hij draagt het afgesneden stuk van de man­tel om zijn schouder en spreekt tot de enge­len die bij hem zijn: ‘Martinus, de onge­doopte, heeft mij met een kleed omhult.’ Maarten laat zich hierna dopen en stelt zijn leven in dienst van Christus.
Zoals Maarten deelde, moeten wij ook de­len. Het is de kunst om onze ideeën en plan­nen met anderen te delen, niet om hen voor onze plannen te winnen, maar om daadwer­kelijk te delen. Ook al worden de plannen dan anders dan wij hadden gedacht, of mis­schien wel juist daarom.
De kleinsten doen het ons voor, uiteraard in het gebied waar zij zich thuis voelen: de na­tuur. Een knol of grote winterpeen wordt uit­gehold. Van deze vrucht, tot wasdom geko­men in de donkere aarde, wordt de buiten­kant, de huid of schil, bewerkt zodat de uit­gesneden zon, maan en sterren transparant oplichten door het licht van het kaarsje dat er binnenin is geplaatst.
Wie ooit zelf als kind met zo’n lichtje langs de deuren van het dorp of de hele stadswijk heeft gelopen, kan zich – naast de pret – het bedelaarsgevoel dat je kreeg zodra er werd aangebeld nog levendig herinneren. Lopen met zo’n lichtje over straat is spannend en feestelijk, maar jezelf als arme tentoonstellen en zingend vragen om een appel of een peer is wel een hele drastische metamorfose van moed en besluitkracht. Toch komt het bij Sint-Maarten daarop aan. Uiterlijke kracht werkt in het sociale leven al­leen maar vruchtbaar in samenhang met in­nerlijke moed. Het liedje heeft in al zijn een­voud ook een verborgen wijsheid:

Vriend van verre landen
Dat wij hier met lichtjes lopen
is geen schande

Hier woont een rijk man
Die ons heel wat geven kan
Geef een appel of een peer
Komen we ’t hele jaar niet meer*

De rijke man kan van zijn oogst schenken aan de kinderen; een appel die met zijn ster­vormig hart en ronde vorm de verbinding met de hemel representeert of een peer die door zijn zwaar uithangende vorm en over­rijpe smaak meer met de aardse krachten is  verbonden. Tegelijkertijd wijst dat nog verborgen lichtje ons op het grote licht dat gaat komen. In de steeds donker wordende tijd van het
jaar kan ons dat tot troost zijn.

Kindervriend
In de daarop volgende adventstijd beleven we het korter worden van de dagen en de steeds lager staande zon. Het lijkt of de maan aan invloed wint en de zon zich terugtrekt. De eerste adventzondag (dit jaar** op 2 decem­ber) wordt volgens oud gebruik de eerste kaars van de adventskrans aangestoken. In Nederland lijkt deze eerste week overvleu­geld te worden door het feest van Sint-Nico­laas.
Van deze goede bisschop van Myra, een arabische stad, geeft de geschiedenis weinig of geen feiten. Er wordt zelfs getwijfeld of hij in de vierde of de zesde eeuw leefde. Pas na het jaar 1000 komen de legendes en verhalen over de beschermheilige van zeevaarders, jonkvrouwen en kinderen ook in de streken ten noorden van de Alpen voor. De goedheilig man brengt degenen die in moeilijkheden verkeren tot nieuw leven. Zo­als in het verhaal van de kindertjes die bij een slager om onderdak vragen, maar wreed worden weggestuurd. De slagersvrouw is echter belust op het geld dat ze bij zich zou­den hebben en biedt hen toch een slaap­plaats aan. Als zij en haar man ’s nachts ont­dekken dat er niets van rijkdom bij de arme wichten is te bespeuren, brengen ze de kin­deren om, hakken ze in stukjes om ze vervol­gens in een pastei te verwerken. Nicolaas in een droom gewaarschuwd door een engel, gaat naar de markt waar de vlees­waren liggen, slaat een kruis boven hen en brengt ze terug in het leven. Dit is een legende die ver af staat van de wijze waarop we thans het Sinterklaasfeest bele­ven. Sinterklaas heeft in deze moderne tijd een aantal feestaspecten die zowel eigentijds zijn als hun wortels in het verleden hebben. Overgebleven is in elk geval de kindervriend. Met Sinterklaas verras je de ander. Door het delen, het samen werken en leven, hebben wij elkaar zo goed leren kennen dat er ruimte is gekomen om de ander te verrassen. Eerst met een gedicht waarin we de ander een spiegel voor mogen houden, hem of haar iets van zichzelf mogen laten zien. Goedmoedig, vriendelijk en met humor, maar wel duide­lijk, glashelder. Als pleister op de wonde volgt dan een geschenk, met zorg en liefde voor de ander uitgekozen. Het is altijd weer spannend of je het gevoel van gewaardeerd worden kunt oproepen.

Edelsteen
Met Sint-Maarten krijgt ieder een geschenk dat hetzelfde is. Met Sint-Nicolaas is het juist de kunst iets persoonlijks voor ieder apart te vinden. Het gebaar is bij Michael doelge­richt, bij het Sint-Maartensfeest ontvangend en bij Sint-Nicolaas schenkend. In de weg van het licht door deze drie feesten is waar te nemen dat waar de uiterlijke zon afneemt -en niet alleen in het kinderlied ‘Zie de maan schijnt door de bomen’ – de invloed van de nacht toeneemt en het licht binnen juist aan kracht wint.
Tijdens de adventstijd bereiden wij ons voor op de komst van het Zonnekind. Het is een tijd van bezinning; hoe werken de uitgevoer­de plannen, zijn ze in overeenstemming met onze idealen of moeten ze meer doorwarmd, meer doorlicht worden? Uiterlijk wordt die voorbereiding zichtbaar door de kerststal. Op de eerste adventzon­dag: wordt een tafel met behulp van mooie stenen en hout een landschap gemaakt met daarop het stalletje. De weg er naar toe voert langs edelstenen en Jozef en Maria komen met hun ezeltje elke dag een beetje dichterbij.
Op de tweede adventzondag wordt de tafel versierd met bloemen. Het is elk jaar weer een feest om te zien hoe kleurrijk het geheel daar van wordt.
Op de derde adventzondag verschijnen de schapen en de os in de stal; ook de dierenwe­reld bereidt zich voor. Tenslotte komen op de vierde adventzondag de herders. Als dan ook nog de kerstboom in huis wordt gehaald, versierd met kaarsen, tekens en dertig rode en drie witte rozen, is alles klaar om het Kind te ontvangen.

(Marcel de Leuw, Jonas 5, **02-11-1990)

*dit liedje begint zo: Sint Martinus Bisschop
roem van alle landen (vriend is een variatie geworden, evenals ‘komt uit verre’)