Tagarchief: Paradijsspel

VRIJESCHOOL – Paradijsspel- regie-aanwijzingen (3-5)

.

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

KERSTSPELEN UIT DE OUDE VOLKSCULTUUR

DE SPELEN UIT OBERUFER

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

Toen ik met dit spel in de jaren 1970 op de Haagse vrijeschool meespeelde, heb ik gedurende een aantal jaren allerlei aantekeningen gemaakt.
Vaak werd het spel geregisseerd door Noor Gerretsen. Haar ouders hadden het spel in het prille begin ook in Dornach gezien en vanuit een zekere herinnering volgde Noor allerlei  ‘oorspronkelijke’ regie-aanwijzingen. Een menigsverschil over het een of ander werd vaak beslecht met: ‘Ja, maar het is Angabe.’ Deze Angabe=aanwijzing=zou dan van Steiner zelf afkomstig zijn.

Nu de spelen ook al weer zo’n 100 jaar opgevoerd worden (vanaf 1915) – over de hele wereld – kan het niet anders of er doen zich veranderingen voor. Meestal geen grote, maar toch, die afwijken van wat hier gezegd wordt. Zolang deze het beeld niet verstoren of het juist ten goede komen, lijkt me dat geen probleem. 

Het kan bijna niet anders dan dat in zo’n lange tijd ‘toevallige vondsten’ een eigen leven zijn gaan leiden en ook in de ‘Angabesfeer’ terecht zijn gekomen.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET PARADIJSSPEL UIT OBERUFER

Deel 1: vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Deel 2:: na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.
Deel 3: Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’
Deel 4: de spot van de duivel over de verleiding; Adam en Eva worden door Godvader ter verantwoording geroepen; lied 7 ‘Toen joegh’; de engel Gabriël krijgt de opdracht ze uit het Paradijs te verdrijven. Lied 8 ‘Soo joech’, tot de duivel opkomt.
Dit deel (5) duivel met ketting, bestraffing door Godvader; nawoord engel en beëindiging van het spel.

Na de verdrijving uit het Paradijs is de toneelsituatie zo:

Adam en Eva wandelen langzaam links op het toneel; Godvader zit op zijn troon; duivel achter de boom. Engel zit. Boompjesdrager staat rechts vooraan.

Duivel komt op:
In DH rammelend met een ketting. Volgens wijlen Willem Bruning, destijds muziekleraar in Den Haag, komt de duivel springend, a.h.w. ‘golvend op.
In Dornach was hij al een keer met de ketting opgekomen (3-4) en die lag voor op het toneel. Er staat nergens dat hij die weer meeneemt en er opnieuw mee opkomt; ook is er geen melding van dat hij de ketting opraapt. Er staat alleen: de duivel (Schwarzengel! = zwarte engel) komt op en spreekt, dicht aan de rand van het toneel, fixeert het publiek:

Duyvel spreeckt:

GT:  lck heb die beyden sluw bedroghen.
se uyt het paradys geloghen:
maer nu wilc sien waer ickse oan vinden
omse met myn kettingh tsaem te binden.

Hij gaat op Adam en Eva af en legt de ketting op hun schouders, trekt hem samen en trekt ze beiden, terwijl ze zich hevig verzetten, voor de troon van God

DH: Hij gaat op Adam en Eva af en draait de ketting rond hun middel, waarbij Adam ongezien het begin van de ketting vasthoudt. Duivel komt met beide uiteinden van de ketting schuin rechts achter Adam en Eva te staan en begint te trekken, richting troon. 

Bij ‘Heer rechter’ steekt duivel zijn arm rechts omhoog (dus zijn eigen linker arm) en schreeuwt, terwijl hij aan de ketting rukt, maar ook Adem en Eva soms wat naar voren duwt. Adam en Eva reageren op deze bewegingen.
Dornach: hij trekt aan de ketting. Adam en Eva laten zich als zakken schudden, zakken door de knieën en beven als espenblad.

Heer rechter, heer rechter, eeuwiche schand
over Adam en Eva in kettingh en band.
lek weet ghy en scheltse de schuld niet kwyt.
sy sullen syn vermaeledyt.
In sondighe wereldt gestooten voor goet,
so my treffelyck gevallen doet.
Te daghe en te nacht sallic mit haer syn,
daer jammer is ende groote pyn.

Hij blaast heftig, voor en achter/idem

Daer blaes ick van agter en veuren int vuur;
In myn helle hebbense rust noch duur.
Ick poock er de vlammen vlytigh aen
datse mit my sweeten tsaem
en sullen eeuwelyc daer branden.

Zijn stem is gaandeweg schreeuweriger geworden met als hoogtepunt:

Niemand en rukte z’ uyt mynen handen!
D: trekt de kettingeinden weer bij elkaar en wil Adam en Eva meenemen

Godvader gaat energiek staan en wijst gebiedend naar de duivel/idem, met strenge (lage) stem:

God de Heer spreeckt:

GT: Pack u wegh satan, ghy helle hond!
D: duivel laat de ketting vallen, Adam en Eva luisteren nieuwsgierig met grote belangstelling. De duivel sluipt naar de boom en naast de troon van Godvader bij de woorden

welck schandelyck woordt quam uyt u mondt.
Stof ende aerde sy voortaen u spys,

In Den Haag heeft de duivel de ketting nog steeds vast, al trekt hij daar niet meer aan. Bij ‘op uw buyck’ laat de duivel de ketting los en valt plat voorover.

en tegen der creaturen wys,
wyl ghy dit quaade hebt gedaen,
sult ghe op u buyck al’ daghen gaen.

Siet hoe is Adam thans soo ryck,
geworden eenen god geiyck,
D: Adam en Eva kijken elkaar aan, ook bij de volgende woorden

daer hy het goed en quaadt beseft,
wanneer hy syne handen heft
D: hij houdt de ketting omhoog
DH: hij houdt zijn armen en handen omhoog. Dit zou een soort Grieks gebaar zijn, i.t.t. het christelijke gebaar waarbij de handen gevouwen zouden worden. Geen verdere info.

en leeve in alle eeuwicheidt.

Een kleine pauze. De duivel gaat weer staan. De kompany formeert zich met de boompjesdrager voorop, als ze het toneel verlaten; op het toneel is de volgorde: engel, Godvader, de duivel, Adam met de ketting en Eva achteraan.

DH: op het toneel: engel, Godvader, Eva, Adam, met ketting, en de duivel.
De plaats van Eva verschilt aanzienlijk. De uitleg is dat Eva na de zondeval als vrouwelijk element dichter bij God blijft. De man wordt dieper in de zondeval gestoten. Ook bij de appel gebeurt er pas wat als Adam erin bijt.

Kompany singht afgaende:

Lied 10:

O heilighe drievuldicheydt,
o goddelyck regiment,
aen doot, duyvel en oock de hel
quam nu voor goet een end.
Ghy hebt het eeuwich leven
ons allen weergegheven.
Nu syt gepresen alsoo seer!
die ons’ gedachten kent, de heer,
syn rijck wil hy ons gheven.

Dornach: de kompany is weer voor het toneel aangekomen en gaat zitten. De engel geeft het zwaard aan Godvader *, daarna gaat hij het toneel op. De boompjesdrager staat weer midden voor het toneel.
DH: kompany komt weer op toneel (links) en vormt een boog van links naar rechts, de engel komt naar voren:

Engel spreeckt:

Achtbaere, seer vroede goetgunstige heeren,
Hier is weer het groeten 3x: midden, rechts, links/DH groet 1x

oock deugtsame vrouwen ende jonckvrouwen in alle eere, idem/idem

wilt altegaer niet euvel duyden
dat wy ons spel vertoonden voor uluyden,

vriendelijk
van hoe god al dingen heyt gemaeckt
mitgaeder de menschen bloot ende naekt;
die schiep hy deur ’t goddelyck raetsbesluyt
nae syn gelyckenis, uyt eene aerdenkluyt
en gafse ‘t paradys tot woon,
den hof van Eeden alsoo schoon.
Maor de slangh mit haore listigheyt
heeft Adam ende Eva verleyd
datse overtraden gods gebod
en aten dat god verboden hadt.
So synse gecomen in angst ende noot,
ten leste geslaeghen mit eeuwiche doot,

dit zeer benadrukken
tot den barmhert’ gen god syn Soon liet nederdaelen
die veur ons menschen deed losgeld betaelen.
‘k Bid soo wy quamen veuls te cort
’t ons niet en aengerekend wordt.
Maar alles dat wy schuldich bleven
onze onkunde mach syn toegeschreven:
hiermee elckeen het alder best betracht’
soo wenschen me van god almachtich ‘n goede nacht.

Engel maakt nog 3x een diepe buiging. De boompjesdrager, met het boompje voor zich, doet deze mee. Ze gaan nu allen op het toneel, volgorde: engel (is daar al) Godvader, boompjesdrager, Adam, Eva, duivel; staand in rij maken zij nog een diepee buiging en gaan achter op het toneel weg.
Na ’n goede nacht’ zeggend ‘ buigt de kompany en loopt op het laatste lied, dit herhalend, door de zaaldeur van de hoofdingang de zaal uit.

*dit suggereert dat de engel tot nu toe het zwaard steeds heeft gedragen. Iik heb geen concrete aanwijzing waar het zwaard in DH bleef; ik dacht dat de engel het na gebruik aan Godvader teruggeeft die het op zijn beurt aan de duivel geeft die het weer achter de boom plaatst. 

einde

Deel 1: vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Deel 2:: na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.
Deel 3: Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’
Deel 4: de spot van de duivel over de verleiding; Adam en Eva worden door Godvader ter verantwoording geroepen; lied 7 ‘Toen joegh’; de engel Gabriël krijgt de opdracht ze uit het Paradijs te verdrijven. Lied 8 ‘Soo joech’, tot de duivel opkomt.
Dit deel (5) duivel met ketting, bestraffing door Godvader; nawoord engel en beëindging van het spel.

.

Verdere aanwijzingen voor het paradijsspel bij:

Kerstspelenalle artikelen

.

1943

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Paradijsspel – regie-aanwijzingen (3-2)

.

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

KERSTSPELEN UIT DE OUDE VOLKSCULTUUR

DE SPELEN UIT OBERUFER

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

Toen ik met dit spel in de jaren 1970 op de Haagse vrijeschool meespeelde, heb ik gedurende een aantal jaren allerlei aantekeningen gemaakt.
Vaak werd het spel geregisseerd door Noor Gerretsen. Haar ouders hadden het spel in het prille begin ook in Dornach gezien en vanuit een zekere herinnering volgde Noor allerlei  ‘oorspronkelijke’ regie-aanwijzingen. Een menigsverschil over het een of ander werd vaak beslecht met: ‘Ja, maar het is Angabe.’ Deze Angabe=aanwijzing=zou dan van Steiner zelf afkomstig zijn.

Nu de spelen ook al weer zo’n 100 jaar opgevoerd worden (vanaf 1915) – over de hele wereld – kan het niet anders of er doen zich veranderingen voor. Meestal geen grote, maar toch, die afwijken van wat hier gezegd wordt. Zolang deze het beeld niet verstoren of het juist ten goede komen, lijkt me dat geen probleem. 

Het kan bijna niet anders dan dat in zo’n lange tijd ‘toevallige vondsten’ een eigen leven zijn gaan leiden en ook in de ‘Angabesfeer’ terecht zijn gekomen.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET PARADIJSSPEL UIT OBERUFER

Deel 1: vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Dit deel (2): na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.
Deel 3: Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’

De aanwijzingen in [3-1] werden afgesloten met het weer op het toneel komen tijdens de laatste coupletten van lied nr. 2 ‘Hoe koel schijnt ons de morgen’.

Dornach

De spelers stonden opzij en nemen nu hun plaats in. De boompjesdrager is niet op het toneel, maar staat ‘beneden’.

Den Haag:

DH: Godvader loopt naar de troon en gaat zitten, Adam staat op en gaat schuin links voor de troon staan. God blijft zitten en maakt een gebaar van een wijde ademstroom in de richting van Adam:

GT:

God de Heer spreeckt:

Adam, nu neemt den adem des levens,
dien ghy ontfaet mit deuzen dach

Dornach en DHAdam haalt de zak van zijn gezicht en laat die schuin links achter zich vallen; de duivel komt snel tevoorschijn en vangt de zak op waarmee hij weer achter de boom verdwijnt

Bij de volgende tekst maakt god allerlei gebaren die Adam dromerig nadoet, ‘de mens in de nabootsingsfase’. (Hij ziet godvader niet, dus dit stukje moet goed gerepeteerd worden!)

neemt oock verstant waerdoor ghy leert
dattic u uyt stof heb geformeerd.

Dornach/DH: Op ‘verstant’ wijst Adam met zijn wijsvinger naar zijn voorhoofd en raakt dit aan.

Soo leef dan. En van stonde af aen
gaet steevast op uw voeten staen!

Dornach: leef dan: Adam beweegt krachtig zijn armen; DH: ademt diep in/uit
‘voeten’: loopt met vaste tred heen en weer; DH: eerst de linker, dan de rechter krachtig stampend op grond.

GT:
Spreeckt op, Adam, en segt my nu,
myn schepping, hoe behaegt sy u?
Verwondert u niet de aarde wyt?
der zonne glans en heerlyckheyt?

Dornach: zonneglans: O-gebaar

en myn gewelfden hemelsboogh?

Dornach: A met de armen:

kleine pauze

‘k Mocht weten, Adam, oft u oogh
mit lust op al dit schoone blickt.

De gemoedsstemming vanwaaruit Adam spreekt is ‘A’; hij heeft nog geen ‘Ik’, naïef, geen volwassenheid

Adam spreeckt:

O heer, hoe wys heeft ‘t al beschickt
u goddelycke majesteyt
Oock myn heeft u almogentheyt
geschaepen soo dat ick erken
hoeck nae u beelt geschaepen ben.
U wil mach volghen t’ allen tyt,
soals ghy myn int herten lyt.

Dornach: raakt zijn hart aan.
De vertaling heeft als volgorde ; erken, hart, volgen: daarin kun je een volgorde zien van denken, voelen, willen. Adam zou die drieledigheid kunnen benadrukken. Op ‘lyt’ buigt Adam.

Ook hier maakt God gebaren die Adam nabootst.

God de Heer spreeckt:

Siet, Adam, veulderhand gediert
dwelc u van myn geschonken wierd.
lck gheef het u in heerschappy,

Adam reageert bevestigend, knikt, trotse, fiere houding

en bergh’ en daelen noch daer by

De armen, weg kijkend, verwondering over vissen

oock het gevogelt van den hemel,
der visschen spartelend geweemel.

De armen, naar beneden kijken,

‘k Wil met u deelen het bestuur
over de gansche creatuur.

Adam knikt

U woonstee hebt ghy voor altyt
in myn geplanten hof so weydt.
Proef vryelyck van allen boomen
daer van de vrught u wel becoome.
Al wat daer groeyt int paradys
sy u tot kostelycke spys.

DH: over buik wrijven (bij becoome of spijs)

God gaat staan:

Doch wil ick, almachtich god
u gheven één gestrangh gebodt:
Aensiet den boom van goet en quaat,
die ginder in het midden staet.
(de allerbeste, moet ge weten),
daervan en sult ghy nimmer eten.

Adam maakt afwerend gebaar

Ten daghe dat ghy u vermeet
en de verboden boomvrught eet,
de doot voor eeuwich sult ghy smaeken,
ja int verderven plots geraeken.

God maakt daar een krachtig armgebaar en Adam bootst dit nu, zonder te beseffen wat het betekent.

Dornach: schrik in A verbazing

Merckt uyt hetgeen ick u geboot
dat hy, die ‘t leven en de doot u gaf,
het alsoo nemen can.

Adam buigt.

De kompany neemt de oude volgorde aan en gaat door de zaal.

DH: idem

Kompany singht:

Lied 3

1. Adam erkent die alles schiep|
hem selfs en elck dingh int aensyn riep.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

2. Hy schonk hem alde vrughten soet,
begeerlyck voor ‘t oogh, tot spyze goet.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

3. Eén boom des hofs sou hy vermyden
opdat hy niet mogt schaade leyden.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

4. Die boom sou kennen quaat en goet,
God spreeckt: Dit prent in u gemoet.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

5. God nu deet een slaep soo diep
op Adam vallen en hy sliep.
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.

6. Hy neemt, als Adam de ooghen sluyt,
syn ribbe en schept een vrouw daeruyt.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

In Dornach neemt men dan de plaatsen weer in: boompjesdrager blijft beneden, Eva staat achter de boom, evenals de duivel; godvader gaat op de troon zitten en Adam komt en knielt voor hem, het hoofd in de handen steunend alsof hij slaapt

DH: op het 4e couplet komt men weer op het toneel; bij het 5e: God nu deet: ieder staat stil; Adam knielt bij troon, op ‘Ja, alles’: kompany loopt verder en gaat naar de plaats, 6e couplet zingend.

Godt de Heer spreeckt:

Dornach: god trekt bij zijn woorden een rib uit Adams lichaan. Dan schrijdt hij achter de boom en neemt Eva bij de hand naar Adam.
Hij trekt een lange rib uit Adams kleding, d.w.z. hij geeft het aan. [markiert es]
De rib heeft vanaf het begin verborgen op de troon gelegen. God moet die nu ongemerkt in zijn handen zien te krijgen.
Eva kijkt nieuwsgierig naar alles.

Noor Gerretsen merkte op dat dit gegeven al heel oud is, dus al vroeg bij het opvoeren van het spel, werd gebruikt. Zij sprak over een grote koeienrib.
Ik heb alleen gezien dat ‘gedaan werd alsof’ (markieren).
Het aanduiden van de grootte van de rib, ging zeker de werkelijke grootte (ver) te boven.

Een ribbe uyt Adams lichaam bouw
ick, hem ter hulpe, tot een vrouw,

God, de rib ‘vasthoudend’ gaat achter de boom en komt met Eva terug:

God tikt Adam op de schouder bij ‘wordt wakker’, waarop Adam zich meteen opricht.

Adam wordt wacker, wilt opstaen,

Adam dromerig verrast.

Hier neemt u ghesellinne aen.

Adam springt op en drukt een grote verbazing uit als hij naar Eva kijkt. Ze staan tegenover elkaar, links en rechts van god.

Sy is geschaepen uyt u lyf,

Adam betast zich

mit u te deelen dit verblyf;
Adam knikt

Sy is temet uyt u gebeent,
Adam kijkt verbaasd naar zijn eigen lichaam.

God heft zegenend zijn handen

dies – hebt haer lief, weest trou vereend.
Adam knikt heftig bevestigend met het hoofd. 

Myn enghel behoede u allerweeghen.
Engel staat op en komt iets naar voren

U volghe staeg myn milde seeghen.
Weest vrugtbaer, u naecomelinghen
vervullen ‘t aerdtryck. Alle dingen
syn u, soo ghy gehoorsaeim syt.

langere pauze

Adam spreeckt:

met overtuiging

Van herten ben ick hiertoe bereydt
o heer, want ghy hebt my gegheven
al creatuur en oock myn leven.

GT Zij buigen tegen elkaar. God de Heer af

Ze buigen. God gaat langzaam naar de achtergrond en gaat bij de engel op de bank zitten. Adam en Eva staan tegenover elkaar en bekijken elkaar. Dan wenkt Adam Eva om naderbij te komen en slaat een arm om haar schouder.

DH: Eva moet alles a.h.w. in het lucht-waterige element houden. (Lemurië) Zeer dromerig en vloeiend.
Adam en Eva wandelen met arm om elkaar heen (om het ongeslachtelijke uit te drukken)
Adam spreekt de woorden van godvader na, zonder eigenlijk te weten wat er bedoeld wordt. Eva bootst hem na.

GT:

Hoe lieffelyck, Eva, op deuse wys
met u te wonen int paradys,
dwelc god de heer ons wilde gheven
om soo vernoegd daerin te leven
van lasten vry. Slechts één gebodt
gaf ons de goedertieren god.

Dornach: en DH kleine pauze; dan tikt Adam Eva op de schouder:

Ei, hoort de blye vogels quelen,
Houden de hand aan het oor en luisteren

siet alom het gedierte spelen;
ze wijzen elkaar beurtelings op de die dieren

tsyn boomen overal,
veulderhand vrughten sonder tal.
daervan te eten met syn beyden,
ze wijzen op de vruchten en wrijven over hun maag

en hoeven maer één boom te meyden.
de beste, die int midden staet.
Adam wijst hem aan

Daer van god niet en eten laet.
Eva schudt nee

Ten daghe dat wy ons vermeten
van de verboden boom te eten,
Eva weert met de hand af

de doot voor eeuwich sulle’me smaeken,
ja, int verderven plots geraeken.
Adam heft waarschuwend zijn vinger; Eva hoort hem geschrokken aan met wijd open mond

Merckt uyt hetgeen ons god geboot
dat hy, die ’t leven en de doot
ons gaf, het alsoo nemen can.
De laatste regel vol betekenis en met de vinger zoals god ook deed

Dornach en DH lied in 3 coupletten over het toneel

De Kompany singht:

Lied 4

1. Nu leefdense vol heerlyckheit;
elck dingh was tot haar dienst bereydt.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

2. Soo dra de duyvel sulcks vernam
hy heimelyck geslopen quam.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

3. Al nae der slanghe wyze
al in den paradyze.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

.

Deel 1: vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Dit deel (2): na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.
Deel 3: Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’

vervolg Paradijsspel nog niet oproepbaar

.

Verdere aanwijzingen voor het paradijsspel bij:

Kerstspelenalle artikelen

.

1938

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Paradijsspel

.

HET PARADIJSSPEL, EEN SPIEGEL VAN DE MENS

Al jarenlang speel ik in het paradijsspel. Een spel dat telkens grote indruk op mij maakt en mij ertoe aanzet om controversiële ideeën over ‘Adam en Eva’ op het toneel vorm te geven voor zowel volwassenen als kinderen. Het paradijsspel is voor mij sterk bepalend geweest in het vormen van gedachten over de positie van man en vrouw, in deze eeuw van emancipaties. Mijn intenties en de manier waarop ik mijn rol in het spel heb gespeeld, heeft – naar ik hoop – zijn uitstraling naar het publiek, dat nooit mijn mening heeft gehoord zo lang ik bij dit spel betrokken ben geweest.
Toch lijkt het me goed eens naar buiten te treden, om te proberen de vermeende rolbevestigende beelden over man- en vrouwverhoudingen in het paradijsspel weg te werken, die het karakter en de schoonheid van het spel te niet doen.

Wel geef ik direct toe dat er aanleiding genoeg is voor een rolbevestiging, en dus om terecht tot een negatief oordeel over de vrouwenrol te komen. Onze materieel ingestelde maatschappij wil graag de feiten kennen, zoals ze zich letterlijk aan ons voordoen. En ook ik voel dat aan als gerechtvaardigd en juist, doch dat zou nooit het enige mogen zijn dat tot een oordeel leidt. Een ieder weet, dat juist tussen en achter de ons gege­ven zintuiglijke verschijnselen het leven pas tot uit­drukking wordt gebracht. In dat wat tussen de regels door te lezen is, in de manieren waarop bij intermense­lijke contacten iets wordt gezegd, is vaak een grotere waarheid verborgen dan in de naakte, op feiten geba­seerde werkelijkheid. Daarom ook wordt er onbevan­genheid en openheid verlangd, die kinderen nog van nature bezitten en volwassenen zich steeds bewust eigen moeten maken, om te kunnen luisteren naar wat het paradijsspel zo tussen de regels door voor waarheid te verteilen heeft over het man- en vrouwzijn. Heel vaak hoort men de aanduiding dat de kerstspelen mysteriespelen zijn. Dit betekent naar mijn inzicht niets anders dan dat de spelers en de toeschouwers moeten zoeken naar het geheim, dat achter het verhaal verborgen is. Vooral zij, die de spelen voor het voet­licht brengen, zullen het geheim zo moeten kennen, dat het publiek het mysterie kan zien, beleven en onder­gaan, zoals het werk van een kunstenaar een herken­ning en een zielebeleving bij de beschouwer teweeg kan brengen. In een dergelijk spel ziet de toeschouwer iets van zijn ‘geschiedenis’ en een aanduiding waartoe de mens op aarde is. Het is als een oproep om naar de zin van dit bestaan te zoeken. Je bent nu eenmaal een mens om (als je wilt) een nog vollediger mens te wor­den.

Als ik met een materiële kijk op het leven de juiste sleutel tot het ontsluiten van een mysterie meen te kunnen vinden, dan maak ik het mij vaak erg moeilijk. Een feit is zo begrensd, afgebakend en gedefinieerd, dat het proces dat daaraan vooraf is gegaan, niet meer zichtbaar is. De liefde voor de naakte feiten maakt dat de personages in het spel door een naïef realistische bril worden bekeken, waardoor elk van hen als een afgezonderde, zelfstandig bestaande persoon wordt beschouwd: Godvader is de god die de wereld en de mens uit zijn almachtige hand laat ontstaan; Adam wordt de mens en uit zijn lijf mag Eva komen, die op haar beurt zich inlaat met de duivel Lucifer, waardoor Adam ook in het verderf wordt gestort. Rollen die zo gemakkelijk kunnen worden opgevat als bevestigend en in deze emanciperende cultuur ook terecht be- en veroordeeld worden.

Maar mist men zo niet het beste? Kan men niet beter net zo als bij de eredienst en bij een kunstwerk boven deze feitelijke werkelijkheid uit stijgen en zoeken naar de meerwaarde, die uit de figuren spreekt? Het gaat naar mijn mening in deze spelen niet om de almacht van God als schepper, om Adam die door zijn vrouw verleid wordt, of om Lucifer die het kwade sticht, maar meer om het verhaal van de wordende mens, die voorgehouden wordt in de toekomst nog volmaakter te worden. Een boer zaait toch geen volledige planten, maar wel het zaad en er zijn andere krachten nodig om tot groei te komen. Zo geeft God in de loop der tijden aan (de eerste) Adam, die als ‘evenbeeld’ manlijk-vrouwlijk werd geschapen[1], een bezield lichaam dat bij de aarde hoort. En deze aards bezielde mens ontwik­kelt zich tot een steeds volmaakter wezen, tot geest, die levend schept[2].

Het paradijsspel tilt het mensheidsverhaal boven het gewoon zichtbare uit. Voelde Vondel in zijn tijd dat de wereld een schouwtoneel was, voor de toeschouwer wordt het paradijsspel tot een spiegel, waar verschil­lende kwaliteiten van de menselijke ziel op het toneel zichtbaar worden gemaakt. En W. Kloos, een dichter, welbekend bij de Tachtigers, kon bijvoorbeeld zeggen:

“Ik ben een god in ’t diepst van mijn gedachten
En zit in ’t binnenst van mijn ziel ten troon
Over mij-zelf en ’t al, naar rijks geboôn
Van eigen strijd en zege, uit eigen krachten …”

Zou de mens begenadigd zijn met goddelijke schep­pingskrachten? Goethe, een beroemde Duitse dichter, ervoer het goddelijke in de mens in de hulpvaardig­heid, in zijn vermogen om te kunnen scheiden, verbin­den, beoordelen, straffen, vergeven, enz. [5]. R. Steiner kwam door zijn waarnemingen zover, dat hij de mens zelf als medeschepper ziet van de aarde en zijn eigen lichaam [3]. En dan F. Schurer, een Fries dichter, ont­dekte in zichzelf een Kaïn en een Abel-natuur en dat drukt hij uit in deze woorden:

“Twa bruorren stean nest elkaar
op bou en skieppeweide
de ien hjit Kaïn, Abel de oar
en ik bin ien fan beide”

Zou dat ook niet zo kunnen ten opzichte van de engel Gabriël, van Lucifer, Adam, Eva, Godvader, de Boompjesdrager:

“En ik, ik ben een van hen?”

Het laten varen van een naïef realistische voorstelling van zaken door over te durven stappen naar een meer innerlijk en kunstzinnig schouwen van de wereld, schenkt meer perspectieven om het paradijsspel te kunnen beleven en bezielen. Voor de spelers, de regis­seur, de muzikanten, de belichter, de decorbouwer en andere deelnemers aan het spel betekent dit een zich steeds weer bezinnen op de eigen inzichten omtrent het aardse en geestelijke menszijn, opdat het publiek kan voelen welke worsteling telkens nodig is bij de poging de bron van de mens ‘Adam’, ‘de uit aardse stof ge­vormde’ [4] te naderen.

En toch wordt dit paradijselijke beeld van de mens aan de ogen van het publiek in zo’n vorm geopenbaard, dat, ondanks de dramatiek van de uitdrijving uit het paradijs, het spel zelfs voor kinderen gespeeld kan worden al is het geen sprookje, geen gewoon schep­pingsverhaal, maar een echt menselijke ontwikkelings­weg. Telkens ervaar ik, als ik in dit spel meespeel, de grootsheid van de ingeving, die Rudolf Steiner destijds kreeg om dit spel als religieus leerproces voor de kinderen in het jaarfeestenprogramma van de school op te nemen. Ik hoop dat een ieder van dit spel kan genie­ten.

Noten:
1) Genesis 1: 27.
2)   Paulus de Apostel: 1, Corinthe: 15.
3)   Rudolf Steiner: ‘Wetenschap van de geheimen der ziel, blz. 201, Natuurwezens blz. 29.
4)   Emil Bock: ‘Urgeschichte’, blz. 29.
5)   J.W. Goethe: ‘Das Göttliche’ (een gedicht).

(Gerben van der Heide, nadere gegevens onbekend)

.

kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldkerstspel  Kerstmis    jaartafel

.

400-377

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Paradijsspel

.

HET OBERUFERER PARADIJSSPEL: EEN PLEIDOOI VOOR LIEFDE?

Een aspect, dat wij in deze statige, ja welhaast statische verbeelding van het scheppingsverhaal nu niet direct zullen verwachten. Te zeer ook is hierover vanuit een lange traditie de morele last van zonde, schuld en straf als een verstikkende deken uitgespreid.

Dit kan ons zicht op de oorspronkelijke kracht van de Genesisverhalen vertroebelen. We zien bijvoorbeeld in dit uitgelicht detail van Michelangelo hoe de vrouw zonder enige schroom de vrucht uit de hand van de slang aanneemt, terwijl Adam reeds beschuldigend zijn arm uitstrekt.

paradisspel
Een van de talloze taferelen, die het bekende schuld- en boetethema weergeven.
Het Oberufer Paradijsspel echter kan ons vanuit haar onbevangen eenvoud een verrassende wending opleveren in bovenstaande visie.

Hier klinkt het zuivere invoelingsvermogen van de vroege middeleeuwer met grote kracht, als wij het tenminste horen willen. Laten wij de tekst aan de hand van een aantal citaten op de voet volgen!

Soo het aen my lag, syde ick neen
soo ick eet, isset om u alleen’.

Gedenkwaardige woorden in het Paradijsspel op het moment vóórdat Adam in de appel bijt. Het wekt de suggestie, dat Adam zich bij voorbaat schoonpraat en de schuld omtrent de mogelijke gevolgen op Eva schuift. Eva, de vrouw, die hem even daarvoor de appel aanbiedt met de woorden: ‘Hier, neemt hem aen en proeft ereis als ghy my mint”.
Volgens de klassieke traditie haalt de verleidelijke Eva de onschuldige Adam over tot de zondeval. De vrouw als oorzaak van het verderf! Een thema, dat tot in onze tijd nog actueel is, zij het dan wellicht in een andere verschijningsvorm. Maar als we dit middeleeuws boerenspel eens goed op ons laten inwerken, stuiten we op onverwachte wijsheid. Adam had God goed verstaan, toen Deze hem gebood niet van de boom te eten. Hij zou gestraft worden met “de doot voor eeuwich” en “in ’t verderven plots geraken”.
Maar God had ook omtrent de vrouw tot hem gesproken:
“hebt haar lief weest trou vereend”.

Niet God zelf, maar Adam waarschuwt Eva voor het eten van de vrucht! Daarmee wordt in feite al ruimte geschapen voor het woord van de duivel, die als zodanig wel degelijk een hoogstaand wezen is.

In tegenstelling met het Driekoningenspel wordt de duivel hier dan ook veel meer met rood en geel uitgebeeld dan met zwart.

Als Eva hem dan de appel aanbiedt, staat Adam voor een onmogelijk dilemma. Kiest hij voor de overtreding van Gods gebod van de appel niet te eten, of laat hij Eva alleen staan met haar appel? Ook in het laatste geval gehoorzaamt hij niet aan Gods woorden……

Maar voor Adam bestaat dit dilemma helemaal niet. Hij heeft immers nog niet het besef van goed en kwaad! Dat is toch eigenlijk heel merkwaardig, dat wij hen die dramatische zondeval aanrekenen, terwijl zij zich van geen kwaad bewust konden zijn. Pas na het eten van de boom der kennis konden zij zich daarvan rekenschap geven.

Adam kiest niet! Hij doet wat hij moet doen: hij blijft Eva trouw. Hij heeft haar lief. Het is immers zijn wederhelft, een woord dat in dit verband een diepe betekenis heeft. Zij vraagt hem te eten om de liefde voor haar en hij eet “soo ick eet isset om u alleen”. Dan vallen hen de schellen van de ogen en zij beseffen plotseling het onherstelbare, dat de verwijdering uit de Hof van Eden ten gevolge zal hebben.
Eva beklaagt alle vrouwen die “om harentwille het moeten berouwen”, maar Adam kent geen wrok. Nu hij bewust kan kiezen, kiest hij opnieuw onvoorwaardelijk voor Eva:. “Comt maer by my, myn Eva soet”.
Zo vinden wij als rode draad door dit aloude spel een hartstochtelijk pleiten voor de liefde van mens tot mens en als zodanig is het een indrukwekkende voorbereiding op het kerstfeest, dat immers een feest van liefde is! Misschien kunt u zich voorstellen, dat vanuit dit gezichtspunt we Adam en Eva liever niet voorstellen zoals Michelangelo e.a. dat gewend waren, maar meer in de geest van deze afbeelding.

paradijsspel 2

 

(Harrie Vens, ouder – nadere gegevens onbekend)

.

Kerstspelenalle artikelen

Antrovista: archief V.O.K    over de kerstspelen

VRIJESCHOOL in beeldKerstspelen

.

389-367

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (9)

.

HET KERSTFEEST

Wat is het kerstfeest eigenlijk voor een feest? Is het een feest van herdenking? Een feest, waarbij wij willen terug­denken aan een gebeurtenis die bijna 2000 jaar geleden heeft plaatsgevonden en die vele mensen zo belangrijk vinden, dat zij hem graag  ieder jaar opnieuw in hun herinnering terugroepen om hem in eerbied, vreugde en dankbaarheid te gedenken? Natuurlijk is het kerstfeest eigenlijk het feest aller feesten, omdat er bovendien bij ieder mens die dat zou willen zoeken, iets gebeuren kan omdat er in hem zich iets voltrekken kan, waardoor hij niet meer helemaal dezelfde is die hij tevoren was, maar rijker is geworden?

In het Paradijsspel zien wij Adam staan tegenover God-vader. Hij beleeft de wereld van het goddelijke buiten zich, maar is er tegelijk zo in thuis, dat hij met God-vader kan spreken. En zo kan hij ook de goddelijke wil vernemen.

Maar dan komt de verdrijving uit het Paradijs en daardoor is Adam en met hem de mensheid, niet meer thuis in de wereld van God-vader en heeft hij de mogelijkheid om met God te spreken, verloren.

Alle voor-christelijke volkeren hebben de goddelijke wereld buiten zich beleefd, in de wonderen van de schepping en van de natuur. Zij beleefden het goddelijke in de sterrenhemel, in de afzonderlijke sterrenbeelden, de tekenen van de dierenriem of de planeten. Anderen beleefden het in de elementen: het water, de lucht, het vuur of de aarde. Weer anderen in de bossen of in de zee, in de meren of op de bergen. Of ook wel in bepaalde dieren of in bomen of planten.

Maar hoe groot die verscheidenheid ook geweest moge zijn, steeds was het in de wereld buiten hen, dat zij de ontmoeting met de goddelijke wereld zochten te vinden. En steeds ook beleefden zij in de loop der eeuwen, dat het moeilijker en moeilijker werd die goddelijke wereld te vinden en vandaaruit de stem te vernemen, die aan de mensen op aarde de goddelijke wil en de goddelijke leiding kon openbaren. Het was zeker niet zo, dat alle mensen de goddelijke stem konden horen. En op de duur waren het slechts weinigen, en hun aantal werd steeds kleiner in de loop van de eeuwen, die de goddelijke wil aan de mensen door konden geven. En deze koningen, pilas­ters of profeten hadden een langdurige en veelomvattende scholing doorgemaakt, voordat het hun mogelijk gemaakt was de stem uit de goddelijke wereld te vernemen.
En zo beleefden al deze volkeren steeds sterker, en bij ieder van hen heeft dat op hun wijze zijn neerslag gevonden in hun mythen, dat de wereld van de goden zich meer en meer van de mensen terugtrok, zich voor hen afsloot en ontoegankelijk dreigde te worden; dat ‘Adam uit het paradijs verdreven was’‘.
Deze Götterämmerung’ moest hen op de duur met angst en wanhoop vervullen. Maar al deze volkeren beleefden ook, ieder van hen weer op hun wijze, dat er voor een verre, maar toch langzaam naderbij komende toekomst een straal van hoop verkondigd werd.

Dit was de alomvattende verwachting, dat eens de Messias zou komen, als wij ons willen uitdrukken in de vorm, waarin deze toekomstbelofte bij het Joodse volk leefde. Maar daar dus niet alleen, ook bij alle voor-christelijke volkeren.
De ver­wachting dat, nadat de mensheid zijn verbinding met de god­delijke wereld steeds meer verloren had zien gaan, er een goddelijk wezen zou zijn, dat door zijn onmetelijke offerkracht de goddelijke wereld naar de mensen toe zou brengen. Daardoor zou de onverbiddellijk voortgaande ontwikkeling, die tenslotte tot het totaal verloren gaan van iedere ver­binding van de mensen met de goddelijke wereld zou leiden, omgebogen kunnen worden, waardoor aan de mensheid een nieuw toekomstperspectief geschonken zou zijn.

Deze “komst van de Messias” nu voltrok zich aan het begin van onze jaartelling. Het is de ver boven alle andere historische feiten uitstekende, alles beheersende gebeurtenis die het eenmalige middelpunt van de mensheidsgeschiedenis als geheel vormt. Het is eigenlijk een reeks van gebeur­tenissen, die staan als mijlpalen langs de weg van een onbeschrijfelijk groots proces: de geboorte van Jezus van Nazareth, de doop in de Jordaan, de kruisiging op Golgotha, de Opstanding op de morgen van het Paasfeest, de Hemelvaart en het Pinkstergebeuren, om de voornaamste ervan te noemen. Maar de geboorte van het Jezuskind in Bethlehem is de eerste daarvan; het teken, dat dat proces zijn aanvang heeft genomen en zich voltrekken zal; het teken, dat de verwachting veler volkeren nu begonnen is in vervulling te gaan.

Wijze mensen wisten dit ook. Mensen als de heilige Drie Koningen uit het Morgenland; maar ook de oude wijze herder uit het kerstspel, die het zo uitspreekt:

Hij quam hier op ter aerden erm
opdat hij onser hem ontferm
en maek’ ons in sijnen hemelrijck
even selfs d’enghelen gelijck.

Nu de mogelijkheid van een weg uit de diepte omhoog hierdoor voor de mensheid geschapen was, betekent dit niet, dat eens een toestand, zoals die in het Paradijs bestond, weer terug zal keren. Ten koste van de verjaging uit het Paradijs had de mens zich een vrijheid verworven en deze vrijheid moet behouden blijven. Niet meer zal de mens de goddelijke wereld buiten zich kunnen ontmoeten. Het offer van het hoge Christuswezen, dat om de mensheid te redden als goddelijk wezen in vrijheid het mensenlot van de dood heeft willen ondergaan, bracht tot stand dat ieder mens, wanneer hij dat wil en deze wil tot een daad wil maken, de Christus kan ontmoeten binnen in zich, in zijn eigen hart. Daarmee is de ontmoeting van de mens met de goddelijke wereld een fundamenteel andere geworden. En men hoeft geen christen in de gangbare betekenis van het woord te zijn om dit te mogen beleven.

De buitengewone betekenis van het kerstfeest is nu, dat deze heilige feesttijd meer dan welke andere dag of tijd van het jaar het voor de mensen mogelijk maakt de kiem voor deze ontmoeting met de Christus te ontvangen. Men kan in alle realiteit zeggen, dat in de kersttijd het Chistuskind elk jaar opnieuw geboren wil worden in de harten van al die mensen die het daar ontvangen willen. En zo kan het kerstfeest dus nog oneindig veel meer zijn dan een feest van herdenking.

Toen in een ver verleden, na de zondvloed, God met Noah en­ het Joodse volk zijn verbond sloot, schonk hij de mensheid ten teken daarvan het wonder van de aan de hemel verschijnende regenboog. Wanneer in een verre toekomst de mensheid de tocht omhoog, waartoe de mogelijkheid met het mysterie van Golgotha geschonken werd, misschien een groot eind weegs gegaan zal zijn, wat zal er dan, zo kan men zich vragen, langzamerhand met de kleurenboog gaan gebeuren?

Die zal dan ongetwijfeld, een andere vorm, een metamorfose gaan vinden. Wellicht kan men daar reeds nu met Kerstmis iets van beleven. Misschien kan men een herinnering aan de kleurenboog terugvinden in de glanzende ogen van de kleine kinderen. Zij immers kunnen het heilige kerstfeest, het feest van de geboorte van het Kind, nog zo in overgave en in werkelijkheid beleven, als het nu in onze tijd buiten hen nog aan vrijwel niemand mogelijk is.
.

(C.R.Klinkenberg, vrijeschool Den Haag, geen verdere gegevens)

.

Kerstmisalle artikelen

jaarfeestenalle artikelen

kerstspelenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld:  advent    jaartafel       Kerstmis    jaartafel

.

381-359

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – achtergronden

.

OVER DE KERSTSPELEN

Velen hebben de Kerstspelen in de afgelopen weken gezien.  In een vorig artikel trachtte ik iets over ontstaan en historie van kerstfeest en kerstspelen in het algemeen te schrijven. Dit keer wil ik het over de kerstspelen van Oberufer in het bijzonder hebben.

Rudolf Steiners leermeester in de Duitse taal- en letterkunde, professor Schröer, ontdekte deze spelen, gaf de tekst uit en schreef er een kostelijk boekje over. Schröer meende, dat hij iets zeer bijzonders ontdekt had. Sindsdien zijn er in Duitsland, Oostenrijk en Frankrijk zeer veel lekenspelen gevonden, veel meer dan Schröer er in zijn tijd kende. De literaire wetenschap heeft hem in het gelijk gesteld: de spelen van Oberufer zijn verreweg de mooiste!

Rudolf Steiners verdienste is zeker, dat hij deze Kerstspelen behoedde voor bij­zetting in de ijskast der filologische wetenschap. Ondanks bepaalde wijzigingen – waarover later – zijn het schilderachtige beeldkarakter en de natuurlijke eenvoud springlevend gebleven door de opvoeringen in vrijescholen.

In Schröers tijd werden de kerstspelen in Oberufer en omgeving opgevoerd vanaf de eerste adventszondag tot en met Driekoningen. Eerst werd het Kerstspel gespeeld, daarna het Paradijsspel en vervolgens een klucht. Het Kerstspel bestond uit drie gedeelten: Jozefs tocht met Maria naar Bethlehem en de blijde Geboorte, het Herderspel en het Drie Koningenspel.                                                    \

Schröer geeft een levendige beschrijving, hoe de spelerstroep onder aanvoering van de ‘meesterzanger’, die kerstboom en ster droeg, op de grote dag uit het huis van de leermeester (regisseur) te voorschijn kwam. Lang niet ieder jaar was het mogelijk de geschikte spelers te vinden, zodat de verwachtingen steeds hoog gespan­nen waren.

Er bestond een vaste volgorde en ook was er een vast aantal dubbelrollen. Zoals gezegd, werd een vrouwenrol door een boerenjongen gespeeld, aangezien vrouwspersonen niet op de planken mochten verschijnen.

Achter de meesterzanger liep de engel Gabriël, die in alle spelen optrad. Daarna kwamen Jozef en Maria, die ook de Eva speelde. Vervolgens verschenen de drie Koningen: voorop de rode Koning Melchior, die steeds ook voor God-Vader in het Paradijsspel speelde, dan de blauwe Balthasar, ten slotte Caspar, de
Morenkoning. Hij had een zwarte lap voor het gezicht, die snel verwijderd kon worden, wanneer hij voor Adam moest spelen. Dan volgde de zwartbaardige Koning Herodes, die ook de overspelige schoenlapper in de Carnavalsklucht moest voorstellen. Vervolgens kwam de duivel, geheel  in het zwart, met, horentjes en een staart.  In de hand hield hij een koehoorn, waarop hij lustig toeterde. Achter hem liepen de hogepriester en de schriftgeleerden. Vervolgens, kwam de hoofdman van Herodes. Deze moest een knappe kerel zijn, want in de klucht moest hij de even fraaie als ontrouwe kleermakersvrouw voorstellen. Maar hij had ook nog andere nevenfuncties. Volgens traditie moest hij de ster dragen en naar voren treden, wanneer de kerstspelers een concurrerende spelerstroep van een ander dorp ontmoetten, (men trok ook naar de naburige dorpen om te spelen).
Dan ontspon zich een wedstrijd tussen de twee hoofdmannen, wie de meeste vragen van de ander kon beantwoorden. De winnaar mocht dan met zijn troep in het dorp spelen, de verliezer trok af met zijn schare. Achter de hoofdman kwamen de lakei, de page en de soldaten, die ook de rollen van waarden en geburen vervulden. Geheel achteraan kwamen de herders: de groene Gallas, de blauwe Witok, de rode Stichl alsmede de ruige, stokoude Crispijn, zo dik in het bont, dat hij wel een kreupele beer geleek.

Wanneer de spelers zich gereed maakten, liep de duivel naar buiten. Luid toeterend nodigde hij ieder uit naar de spelen te komen, zelfs sprong hij op voorbij rijdende wagens, maakte ieder aan het schrikken en bracht het dorp in rep en roer.
Spoedig vulden de banken in de herberg zich met toehoorders. Men zat aan drie
kanten om de open toneelruimte heen, de vierde kant was afgesloten met een gordijn, waarachter de spelers zich konden verkleden. Daarna kon het spel beginnen.
De buitengewoon belangrijke rol van de duivel  in de spelen verdient alle aandacht.
Wat heeft dit vreeswekkend personage niet allemaal te doen! Weliswaar slaat hij Adam en Eva in boeien en zet Herodes aan tot de afschuwelijke kindermoord, maar ook bewaart hij met zijn knuppel de orde in de zaal, zet tronen en stoel en neer, stoft ze keurig af, schuift ze weer weg, nodigt de spelers uit om op te staan, laat hen weer zitten, geeft zwaard en mandaat aan, haalt Adams jutezak weg, maakt grappen, kortom, hij is behalve duivel ook potsenmaker en vooral toneelknecht.
In deze duivelsrol ligt een even belangrijk kunstzinnig moment als een diepzinnige achtergrondfilosofie. Het volmaakt-boze kan op het toneel eigenlijk niet worden uitgebeeld, het is alleen dragelijk door humor, waardoor – en vooral voor kinderen – ook ontspanning mogelijk wordt. Maar al is een geheel, serieuze en onafhankelijke duivel onverdraaglijk, hij is ook onmogelijk en ondenkbaar in het licht van Gods Almacht. Hij moet:dan ook een taak in bet goddelijke wereldplan hebben: de duivel is een dienaar Gods, die weliswaar steeds het boze wil, maar desondanks de goede gang van zaken bevordert; een diepe gedachte over het boze, die o.a. zeer duidelijk in Goethes Faust te vinden is. De duistere duivelsrol geeft bovendien de lichtende figuren extra reliëf. De engel mag steeds de proloog en de epiloog spreken, dus: in eenvoudige woorden aan­kondigen wat men te zien zal krijgen en na afloop als echte lekenspeler veront­schuldigingen aanbieden voor datgene wat men gezien heeft.

Tussen engel en duivel, rechts en links van het toneel, speelt alles zich af. Alleen in het Paradijsspel wordt een tipje van de sluier opgelicht om deze licht-duisterpolarteit  in zijn oorsprong te verklaren.

Het eigenlijke Kerstspel
De engel Gabriel en het Jezuskind beheersen dit warme en kleurrijke spel. Het boze komt alleen om de hoek kijken bij de ongastvrije waarden. Zeer mooi gevonden is de aan het spel voorafgaande Verkondiging of Annunciatie: Maria blijft alleen achter, de de engel komt haar de blijde boodschap brengen. Daarna begint pas het eigenlïjke spel met de proloog van de engel. Liederen van de ‘Kompanij’ sluiten elke scène af. Met uiterst sobere middelen wordt de moeizame tocht van Jozef en zijn jonge vrouw Maria naar Bethlehem uitgebeeld.

De drie waarden waren oorspronkelijk man, vrouw en dienstmaagd. Deze laatste verwijst Jozef en Maria naar de stal. Later werden het drie aparte waarden, van wie de namen Rufinus en Titus luiden. De boze waard heet volgens een Pressburgs manuscript Servilus.
Bijzonder mooi en indrukwekkend is in het Oberuferspel, dat de engel de ster laat neerdalen boven Maria die de armen omhoog strekt en zo het kind naar de geest ontvangt.
Jozef beleeft deze geboorte slapend mee. Er is geen pop of enig echt kind. Het kind moet men zich voorstellen. In de traditionele kerstspelen bleef Jozef wakker en trachtte onhandig licht te maken, dat steeds weer uitging. Daardoor werd de aandacht van Maria afgeleid, die dan ineens het kind had.

De middeleeuwse traditie, die Jozef vaak als een oude, kuchende stoethaspel voor­stelde, is historisch niet juist en vindt ook geen steun in de Bijbel (die in die tijd ook niet gelezen mocht worden).

We zullen meer van dergelijke dingen tegenkomen, die dan ook niet essentieel zijn voor de spirituele kracht en het beeldend vermogen van deze kerstspelen. Na de geboorte komen de herders aan de beurt. Zij behoorden tot de onaanzienlijksten in het land. Zij lopen in de stoet ook geheel achteraan in Oberufer. Maar bij deze sociaal misdeelden komt de engel het eerst. Hoe warm wordt de boodschap ontvangen en wat kost het hun weinig moeite om van hun armoetje nog iets te offeren.
Interessant is het, dat in het spel de blijde boodschap van de engel al wordt voor­bereid, doordat de oude Witok tijdens het eten over de verwachting van de Messias spreekt, hetgeen de herders al spoedig doet springen van vreugde. Meestal hadden de middeleeuwse herdersscènes grote uitvoerigheid: er waren eindeloos veel klachten over koude, wolven en slechte tijden.  In het spel van Oberufer is dit duidelijk be­kort. Wat wij bij de opvoering niet meer doen, is het rondlopen van de engel op de lichamen der slapende herders. In Oberufer mochten de herders niets laten merken. Zo maakten zij de toeschouwers duidelijk, dat een engel geen aards gewicht heeft. De tocht van de herders naar Bethlehem wordt door hun vrolijke dans ingeleid. Liederen en tekst bij de aanbidding en offering in de stal zijn van een grote schoonheid en innigheid.
Het Herdersspel besluit met de merkwaardige scène, waarin de oude herder Crispijn aankomt. Deze vierde herder is doof, half blind en een beetje simpel. Hij heeft het wonder gemist, een beeld voor de mens die in zijn leven de hogere impulsen niet kan vinden.

Het Driekoningenspel
Zoals reeds gezegd is, vormde het Drie Koningenspel het slot van het Kerstspel. Rudolf Steiner maakte het daarvan los, een gerechtvaardigde maatregel, want het Driekoningenspel was oorspronkelijk even zeer een apart spel als het dat nu is.
Dat het een deel van het Kerstspel was, is hier en daar nog te merken.

Het Driekoningenspel mist de inleiding door de Sterrenzanger en het heeft ook geen openingslied. Er is alleen een korte proloog van de engel. De spelers die ‘af’ zijn, zitten toch duidelijk zichtbaar op de achtergrond. Rechts, de goede helft, wordt geaccentueerd door de blinkende koningsgestalten en de engel; links zitten de duivel, soldaten, schriftgeleerden en Herodes. ‘Lichte’ en ‘donkere’ helft van het toneel geven sterke accenten aan de felle dramatiek van dit spel, dat voor de kleine kinderen ook ongeschikt wordt geacht.
In het eerste gedeelte ontdekken de Drie Koningen elk voor zich de ster, besluiten op reis te gaan en ontmoeten elkaar niet ver van Jeruzalem. Opvallend is het, dat Koning Melchior zelf het heilige Kind en de Moedermaagd in de ster waarneemt, ter­wijl de door hem geraadpleegde wijze en sterrenwichelaar Viligratia dat niet kan en slechts over dit fenomeen de boeken kan raadplegen. Hier wordt als beeld het hogere, schouwende bewustzijn gesteld tegenover het traditionele weten, het schriftgeleerdenschap. Later herhaalt deze tegenstelling zich op negatieve wijze in de scène van Herodes met de schriftgeleerden.

De aandacht wordt verplaatst naar de linkerhelft, waar Herodes, de ‘vierde koning’, heerst. Verontrust door de lichtglans der Driekoningen, laat hij de schriftgeleerden komen om hen te raadplegen over de ‘nieuwgeboren conink’. Hij die uit historie of traditie bekend is met de waardige houding, der échte joodse priester, kan grote moeite hebben met de drie trappelende en drukdoende nerveuzen uit het Oberuferspel. Men moet dan ook weten, dat deze schriftgeleerden duidelijk niet historisch zijn, maar een traditioneel middeleeuwse voorstelling uitbeelden. Het is eigenlijk verbluffend om uit de tekst te horen, dat deze schriftgeleerden weten: de geboorteplaats en het Messiaanse karakter van het heilige kind, het niet-wereldlijke van Christus’ Koninkrijk en de kruisdood. Toch worden zij er niet koud of warm van, het is “wetenschap”, geen ervaring van schouwend beleven. Daardoor krijgt ondanks het onhistorische deze scène als beeld een diepe betekenis: vanuit het intellect en de traditie kan men de levende Christus niet vinden. De brullende en dan weer vosachtige Koning Herodes is in het spel wel grotendeels historisch. Men leze er Flavius Jozefus’ biografie van Herodes maar eens na. Herodes was geen Jood, maar een Arabier, die zich als satelliet van de Romeinse Keizer tot Koning van Judea wist op te werpen. Bijzonder mooi is het lied na de duistere scène, waarin Herodes zich definitief met de duivel verbindt. Alles straalt van licht. De heilige familie komt op, niets kwaads vermoedend, en de drie Koningen brengen hun offer en aanbidden het kind, tot welks dood Herodes al besloten heeft. Na dit schone middengedeelte van het spel volgt dan de kindermoord en de duistere dood van Herodes en zijn hoofdman.

In Oberufer moest de duivel met groot geweld tussen de soldaten met getrokken zwaarden (echte) springen om Herodes te halen.

Een aantal soldaten stond met gekruiste zwaarden voor de troon om hun koning te beschermen. De duivel kreeg zo menig bloedige schram en hij mocht zich dan ook tevoren met een flinke slok moed indrinken! De duivel haalde ook de hoofdman tot slot.
Een prachtig lied ‘Wilt singhen en jubileren’, daterende uit 1328, sloot het spel af.

Het Paradijsspel
Dit korte felle drama van Adam en Eva tussen engel en duivel, met God-Vader op de achtergrond, behandelt de schepping en de zondeval van het eerste mensenpaar. In zijn soort is dit spel misschien wel het meest gave van de drie. Vooral de slotbeelden zijn zeer mooi en indrukwekkend.
De duivel slaat Adam en Eva in kettingen na hun uitdrijving uit het paradijs – geen Bijbels, wel een traditioneel gegeven.
Na het neerwerpen van de duivel vallen de kettingen van Adam en Eva af. Door het eten van de ‘Boom der Kennis’ zullen zij het goed en kwaad kunnen beseffen. De ‘Boom des Levens’ echter zal hun verborgen blijven. Daarin kan pas verandering komen, wanneer de Christus op aarde komt, gelijk de engel  in zijn epiloog aankondigt. Over de achtergronden van het Paradijsspel zou nog zeer veel meer te zeggen zijn, dat nu achterwege moet blijven.

Evenals na een trilogie van Griekse tragedies een zeer uitbundig en realistisch
Satyrspel werd opgevoerd, zo had men in Oberufer de Vastenavondklucht van de ontrouwe kleermakersvrouw. Haar minnaar, de schoenmaker, sluipt steeds het huis binnen en vermomt zich als spook, hetgeen allerhande primitieve grapjasserij met zich meebrengt.

Alleen op de eerste adventszondag werd dit kluchtige spel niet opgevoerd. Men zong onder aanvoering van de meesterzanger gewijde liederen. Dit werd zolang volgehouden totdat de laatste gast uit de herberg was verdwenen.

Men zou nog veel meer van de Kerstspelen kunnen zeggen. Voorlopig moge dit volstaan. Wie interesse voor hen opbrengt, kan ervaren, dat zij ieder jaar in waarde stijgen.

(P.C.Veltman, nadere gegevens onbekend)

.

kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: kerstspel  Kerstmis    jaartafel

.

380-358

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – achtergronden

.

ACHTERGRONDEN VAN DE KERSTSPELEN

Gaarne wil ik trachten te voldoen aan het verzoek om iets te vertellen over de kerstspelen, zoals wij die nu kennen en zoals ze in honderden vrijescholen over de hele wereld en in andere ‘antroposofische’ instituten en werkverbanden, in vele talen, over de hele wereld worden gespeeld. We spreken dan over de drie spelen: paradijsspel, kerstspel en driekoningenspel, waarvan het middelste ook een trilogie is. Het bestaat nl. uit een verkondiging (die zeer wel apart, bv. met advent zou kunnen worden gespeeld), een geboortespel en een herdersspel.

Zoals we de spelen nu kennen, zijn het noch typisch middel­eeuwse spelen, noch ‘primitieve’ spelen, in die zin dat men alleen met de juiste stemming ( ‘een vroom gemoed’) deze spe­len aankan. Men moet erop studeren, men moet met een zekere mate van kennis van zaken de spelen instuderen, en met name moet men de moeilijkheden die muziek en het zingen bieden, niet on­derschatten (vroeger werden de spelen helemaal gezongen).
Vooral moet men zich hoeden voor het gevaar van de routine, in de zin van: ‘de meeste spelers kennen hun rol nog van vorig jaar, dit maal zal het met een enkele repetitie ook wel gaan.’ Datgene waar het in de spelen om gaat, moet telkens weer nieuw ontstaan. Het laat zich  niet forceren.
Naast het zojuist genoemde ‘vroom gemoed’ is ook veel geduld, kennis van achtergronden en spirituele zin, alsmede een groeien naar een sociaal-kunstzinnig geheel in de groep waarin het wordt gespeeld, nodig. Eén ding moet van meet af aan duidelijk worden ge­steld: in oorsprong zijn de spelen niet voor kinderen bedoeld, maar voor volwassenen.
Het pedagogisch inzicht van Rudolf Steiner, de ver­anderde tijd waarin wij leven, (in geesteswetenschappelijke zin spreekt men van het ontwakende bewustzijnszielentijdperk) en zeker niet in het allerminst de bewerking die Rudolf Steiner zelf aan deze stukken heeft gegeven, maken het mogelijk en gewenst om ze regelmatig aan zoveel moge­lijk mensen te tonen. Men mag zeker stellen, dat hij ze van de grond af aan nieuw heeft willen schrijven en arrangeren, maar dat hij dit werk volgens eigen zeggen, niet helemaal heeft kunnen voltooien.
Als men de ons bekende versie vergelijkt met de teksten die Rudolf Steiner als student heeft gekregen van zijn leraar Karl Julius Schroër, dan vallen de verschillen duidelijk op (zie ‘Ansprachen zu den Weihnachtspielen aus altem Volkstum, gehalten in Dornach 1915 bis 1924, Rudolf Steiner Verlag, Dornach/Schweiz).
Rudolf Steiner over: de kerstspelen

Als nu de vraag gesteld wordt: hoe en waar zijn deze spelen ontstaan, dan moet men zeggen: in het verre verleden, met bepaalde wortels tot in de tradities van het Griekse drama. Als pogingen om elkaar als mensen onderling uiterlijk-fysieke gebeurtenissen, evengoed als innerlijke zielenbelevenissen in beelden te vertellen. Men leefde tot in het begin van onze jaartelling nog sterk in de sfeer van de ‘oerbeelden’, de platonische schouwingen, en minder in abstracte denkinhouden en gedachtegangen. Het ‘denkbeeld’ was nog heel levend. Op grond van in het begin van de vijftiger jaren en later, gevonden oude perkamenten rollen in de Dode Zee en in de Sinaï, heeft men kunnen vaststellen dat de gebeurte­nissen die in de spelen worden beschreven, ook uiterlijk op aarde heb­ben plaatsgevonden. Tegelijk echter waren het beelden voor ziele-ontwikkelingen en mensheidontwikkelingen (Paradijsspel !).
Men kan de spelen ook zo beleven, dat men ontdekt: iedereen is een beetje iedere uitgebeelde gestalte; het geheel zit in iedereen en iedereen is het geheel. De waard zit in ons, ook Adam c.q. Eva. We hebben de herders in ons, evenals de schriftgeleerde, enz. Men kan spreken van een beeldencanon, van apocalyptische beelden, van ‘runen’ in de wereldgeschiedenis, die men moet leren lezen.
Ook lag er later een poging aan ten grondslag om de Heilige Schrift, waarvan men in de kerk alleen in het Latijn vernam, in de eigen volks­taal in beelden te kunnen beleven.

Het werk dat Rudolf Steiner aan deze spelen heeft verricht, bestaat hoofdzakelijk uit het verwijderen van door tijd en plaats ontstane ‘aangroeisels’ en het terugzoeken van de oorspronkelijke oerbeelden.
Zo worden deze spelen verwant aan de mythe, sprookjes, sagen en legenden, die zo talrijk in de eerste duizend jaren van onze jaartelling zijn ontstaan. Door de bewerking van Rudolf Steiner werden ze als het ware ‘modern’, of beter nog: tijdloos.

Het Paradijsspel is voornamelijk episch van karakter. Het speelt zich duidelijk af in de sfeer van de Vader God. Het is het meest monumentale van de drie spelen. Wie regel voor regel overdenkt, ontdekt diep verborgen – soms maar even aangeduide – wetmatig­heden van mensheids- en wereldontwikkeling vanaf een oerverleden tot in een verre toekomst:
‘Tot ik U langzaam wederkeren heet!’
Het is het kortste spel, dat tegelijkertijd alles omvat. Het krijgt daardoor
boven­menselijke maatstaven. De oude Grieken zouden het zeker op kothurnen hebben gespeeld, hoge laarzen, waar­door de acteurs bovenmenselijk groot leken! Een spel dat om veel, maar sterk gevulde pauzes vraagt, om plechtigheid, om zeer duidelijk gearticuleerde taal, kortom om stijl. Geen woord mag er verloren gaan. Het is het verhaal van de grote belofte, waar Lucifer ingrijpt in een poging om het Goddelijke bestel te doorbreken. Lucifer is, in tegenstelling tot de Duivel uit het Drie Koningenspel : een vlammend verleidelijk licht-schaduwwezen, ijdel en hoogmoedig, overmoedig zelfs.

Het eigenlijke kerstspel is voornamelijk lyrisch van karakter. Hier staat de Zoon centraal. Eerst is er de Ver­kondiging (zie afbeelding, ets van Dürer):
kerst Dürer Verkondiging

die zoals onze kalen­ders ons leren, in het voor­jaar, nl. op 24 maart valt. De centrale zin, ja het oermotto, dat aan het opvoeren van alle kerstspelen ten grondslag ligt, zijn de woorden: “Ziet de dienstmaagd (de dienst­knecht) des Heren, mij ge­schiede naar uw woord!”
Wie zo een gesprek mocht voeren met de bode van de Heilige Geest, die kan niet meer zonder Godsvertrouwen zijn. Daarom is Maria altijd de opgewekte, troostende lichtgestalte. Nooit melancholisch. Zelfs de zwaarte van de aardse geboorte wordt overstraald door het licht, waarvan zij weet, omdat zij, zoals Rudolf Steiner eens uitlegde, kan schouwen in het rijk van de levenskrachten. Daarom beeldt Rafaël haar steeds uit met een glimlach, en vindt men in de kathedraal van Chartres een Madonna die in een boek leest, waar op de bladzijden duidelijk een alfa en een omega staan; een duidelijke rune is het gebaar van Josef, die zich afwendt bij de geboorte. Een oude legende zegt, dat Josef niet kon geloven dat Maria een kind zou krijgen van de Heilige Geest en niet vanuit de tradities van het Joodse volk. Hij wil haar verlaten, tot dat ook hem de Engel verschijnt (helaas niet in ons spel) en hij daarna haar volkomen kan aanvaarden.

Een rune is ook de tocht van de herders door het duister. Men kan niet
aan­nemen dat drie mannen die in hetzelfde dorp wonen, daar de weg niet zouden kennen. Het is een innerlijk licht dat zij zoeken, dat dan tenslotte in het ‘hardstikke donker’ in de verte voor hen verschijnt.

De waarden waren oorspronkelijk: een protserige waard, zijn gierige vrouw en zijn dienstmaagd. Men moet de teksten daar weer aan aanpassen. Een
spiri­tuele regie leert dat men het veld met de herders rechts* op het toneel moet zien (gezien vanuit de toeschouwers) en de boom met de rozen en de kribbe, links op het toneel. [dit is een soort tegenspraak met wat de auteur bij het driekoningenspel zegt]
Een oerbeeld is dat ook de herders, evenals de waarden en andere groepen van figuren in de spelen, in drievoud verschijnen. Het beeld van de drieledige mens. Drie leeftijden, drie temperamenten, drie geschenken, enz. Het is ook als een geheimzinnige rune te beschouwen dat men de herders, evenals de drie koningen, daar waar dat kan, in een gelijkzijdige driehoek opgesteld ziet, evenals het feit dat de herders liggend slapen en de openbaring van de Engel ontvangen, terwijl de Koningen daarbij geknield zijn.
Al is dit spel een lyrisch spel genoemd, het mag nooit sentimenteel worden. De humor komt een ruime plaats toe, evenals de echte vroomheid.

Terwijl het middelste spel de gebeurtenissen weergeeft volgens het evangelie van Lucas, beschrijft het driekoningenspel de gebeurtenissen zoals Mattheüs die overlevert. Het driekoningenspel is voornamelijk dramatisch van karakter. Het ingrijpen van de Heilige Geest wordt hier op meerdere plaatsen duidelijk: in de wijsheid van de Drie Koningen, in de waarschuwing van de engel die Jozef en Maria maant te vluchten voor Herodes’ geweld, maar vooral in de verschijning van Maria voor Herodes met de woorden: “Machtige koning, gedenk aan barmhartigheid”.
In overeenstemming met de traditie is dit ouderpaar heel anders dan bij Lucas. Het kind ligt niet op stro zoals bij Lucas, maar zit op de knie bij de moeder en neemt de geschenken in ontvangst. Dit is het spel van licht (rechts) en van duisternis (links) met het Kind in het midden.

Het getal vier speelt in dit spel een geheimzinnige rol. In het kerstspel verscheen naast de drie herders een vierde, een geheel andere dan zij.
Zo ziet men hier naast de drie koningen als vierde of het Kind, of Herodes.
Het is alsof het spel in deze beeldenopzet als het ware de keuze aan de
toeschouwer laat. Naast de drie schriftgeleerden zien we een vierde, nl.
Viligratia. Het element van de vrijheid komt in zekere zin ook nog op een ander moment naar voren. Maria met haar kind stelt Herodes als het ware voor de keuze: zal hij uit inzicht het goede doen, of zullen boze krachten in hem triomferen. Als de heilige stem van het geweten spreekt zij tot hem in hem. Maar er is een geweldige strijd in en om de ziel van Herodes gaande.
Boven staan de drie schriftgeleerden, het uiterste van menselijk intellect, intolerantie, fanatisme levensvreemde paragrafendienaren, Ik-loze figuren die hun wensen aan hun schriftrollen hebben verpand. Het zijn, zeker in het Jerusalem van die dagen, machtige figuren. Zou Herodes hun anders wel om raad vragen?

Onder Herodes, als het ware zijn onderste mens zijnde, zijn driftleven aansprekend, staan de drie boze trawanten, lakei, hoofdman en soldaat, tot elke misdaad in staat, eveneens Ik-loze wezens, gewillige uitvoerders van Herodes’ opwellingen.
We mogen denken aan hetgeen reeds Schiller schreef over Formtrieb en Stofftrieb. In het midden wilde hij de ‘Spieltrieb’ als de bron van Goddelijke fantasie en scheppingskracht, als de bron ook van het geweten zien. In het vrijeschoolonderwijs spelen deze beschouwingen van Schiller een grote rol. In het midden heeft Herodes nu juist ………..een groot gat! Tevergeefs doet Maria bij hem een beroep op dat midden, op die bron van moraliteit. Onwillekeurig rijst bij mij bij deze scène steeds het beeld op dat Zadkine voor de stad Rotterdam heeft gemaakt; een wanho­pig mens wiens hart uit het lichaam is gerukt.
Is dat niet het beeld van Herodes? Is dat niet het beeld van vele tijdsziekten? Hoe veel wordt er in onze antroposofische therapeutica gewerkt juist aan de versterking van de krachten van het midden! Dat zijn de krachten van Maria! De duivel in dit spel draagt, vergeleken met de duivel van het paradijsspel, meer satanische trekken. Deze duivel is meer de cynische intrigant, de som­bere Heer des Doods.
De drie schriftgeleerden zijn niet in de eerste plaats karikaturen van Joden. Ook andere figuren in deze spelen zijn Joden! Zij zijn karikaturen, oerbeelden van menselijke eenzijdigheden. Pathologische verschijnselen van ‘zieke’ mensen, verschijnselen die bij ieder van ons in meerdere of mindere mate kunnen voorkomen, zoals Schiller al beschreef. Juist de krachten van het midden moeten de pathologieën overwinnen.
Iets dergelijks geldt ook voor hetgeen de drie boze trawanten symboliseren, zeker als hun driften ongebreideld kunnen voortwoekeren. Toch is er in de ziel van Herodes nog één sprankje menselijkheid overgebleven. Het berouw, de wens om het vreselijke dat gedaan is, gedeeltelijk althans weer ongedaan te maken door een tegendaad te stellen. De hoofdman, die ook in Herodes is, spreekt berouw uit en brengt het offer van zijn leven. In dit gedeelte van onze spelen is, zoals u ziet, het runekarakter sterk aanwezig. De beelden willen gelezen en dan begrepen worden!
In deze grootse en grote beeldencanon die door de drie spelen voor ons wordt uitgerold ligt – zoals Rudolf Steiner eens zei – de hele mensheidsontwikkeling uitgebeeld. Het spelen van deze spelen brengt ons in het grensgebied tussen toneel en cultus, als ik dat zo mag zeggen. Maar is niet al het toneel uit de cultus ontstaan, in oorsprong?
In de veelheid van beelden lijkt mij voor velen van ons direct van toepassing: de wil van de herders om met zijn drieën op weg te gaan, om door het donker heen het huis te vinden waar een licht brandt, om daar te vragen of zij ons “daorgunder mogten wijsen, hoe dat me moeten gaen, om dra comen bij dat kinde aen!’

(Carel Eckhart, nov. 1987, nadere gegevens onbekend)

*In Den Haag spelen de herders – vanuit de zaal gezien – links op het toneel. Veltman motiveerde die kant op basis van aanwijzingen in Steiners  Dramatische Kurs.

.

Kerstspelen: alle artikelen

Antrovista: archief V.O.Kover de kerstspelen

VRIJESCHOOL in beeld: Kerstspelen

.

374-353
.