Tagarchief: paradijsspel regie-aanwijzingen

VRIJESCHOOL – Paradijsspel- regie-aanwijzingen (3-5)

.

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

KERSTSPELEN UIT DE OUDE VOLKSCULTUUR

DE SPELEN UIT OBERUFER

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

Toen ik met dit spel in de jaren 1970 op de Haagse vrijeschool meespeelde, heb ik gedurende een aantal jaren allerlei aantekeningen gemaakt.
Vaak werd het spel geregisseerd door Noor Gerretsen. Haar ouders hadden het spel in het prille begin ook in Dornach gezien en vanuit een zekere herinnering volgde Noor allerlei  ‘oorspronkelijke’ regie-aanwijzingen. Een menigsverschil over het een of ander werd vaak beslecht met: ‘Ja, maar het is Angabe.’ Deze Angabe=aanwijzing=zou dan van Steiner zelf afkomstig zijn.

Nu de spelen ook al weer zo’n 100 jaar opgevoerd worden (vanaf 1915) – over de hele wereld – kan het niet anders of er doen zich veranderingen voor. Meestal geen grote, maar toch, die afwijken van wat hier gezegd wordt. Zolang deze het beeld niet verstoren of het juist ten goede komen, lijkt me dat geen probleem. 

Het kan bijna niet anders dan dat in zo’n lange tijd ‘toevallige vondsten’ een eigen leven zijn gaan leiden en ook in de ‘Angabesfeer’ terecht zijn gekomen.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET PARADIJSSPEL UIT OBERUFER

Deel 1: vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Deel 2:: na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.
Deel 3: Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’
Deel 4: de spot van de duivel over de verleiding; Adam en Eva worden door Godvader ter verantwoording geroepen; lied 7 ‘Toen joegh’; de engel Gabriël krijgt de opdracht ze uit het Paradijs te verdrijven. Lied 8 ‘Soo joech’, tot de duivel opkomt.
Dit deel (5) duivel met ketting, bestraffing door Godvader; nawoord engel en beëindiging van het spel.

Na de verdrijving uit het Paradijs is de toneelsituatie zo:

Adam en Eva wandelen langzaam links op het toneel; Godvader zit op zijn troon; duivel achter de boom. Engel zit. Boompjesdrager staat rechts vooraan.

Duivel komt op:
In DH rammelend met een ketting. Volgens wijlen Willem Bruning, destijds muziekleraar in Den Haag, komt de duivel springend, a.h.w. ‘golvend op.
In Dornach was hij al een keer met de ketting opgekomen (3-4) en die lag voor op het toneel. Er staat nergens dat hij die weer meeneemt en er opnieuw mee opkomt; ook is er geen melding van dat hij de ketting opraapt. Er staat alleen: de duivel (Schwarzengel! = zwarte engel) komt op en spreekt, dicht aan de rand van het toneel, fixeert het publiek:

Duyvel spreeckt:

GT:  lck heb die beyden sluw bedroghen.
se uyt het paradys geloghen:
maer nu wilc sien waer ickse oan vinden
omse met myn kettingh tsaem te binden.

Hij gaat op Adam en Eva af en legt de ketting op hun schouders, trekt hem samen en trekt ze beiden, terwijl ze zich hevig verzetten, voor de troon van God

DH: Hij gaat op Adam en Eva af en draait de ketting rond hun middel, waarbij Adam ongezien het begin van de ketting vasthoudt. Duivel komt met beide uiteinden van de ketting schuin rechts achter Adam en Eva te staan en begint te trekken, richting troon. 

Bij ‘Heer rechter’ steekt duivel zijn arm rechts omhoog (dus zijn eigen linker arm) en schreeuwt, terwijl hij aan de ketting rukt, maar ook Adem en Eva soms wat naar voren duwt. Adam en Eva reageren op deze bewegingen.
Dornach: hij trekt aan de ketting. Adam en Eva laten zich als zakken schudden, zakken door de knieën en beven als espenblad.

Heer rechter, heer rechter, eeuwiche schand
over Adam en Eva in kettingh en band.
lek weet ghy en scheltse de schuld niet kwyt.
sy sullen syn vermaeledyt.
In sondighe wereldt gestooten voor goet,
so my treffelyck gevallen doet.
Te daghe en te nacht sallic mit haer syn,
daer jammer is ende groote pyn.

Hij blaast heftig, voor en achter/idem

Daer blaes ick van agter en veuren int vuur;
In myn helle hebbense rust noch duur.
Ick poock er de vlammen vlytigh aen
datse mit my sweeten tsaem
en sullen eeuwelyc daer branden.

Zijn stem is gaandeweg schreeuweriger geworden met als hoogtepunt:

Niemand en rukte z’ uyt mynen handen!
D: trekt de kettingeinden weer bij elkaar en wil Adam en Eva meenemen

Godvader gaat energiek staan en wijst gebiedend naar de duivel/idem, met strenge (lage) stem:

God de Heer spreeckt:

GT: Pack u wegh satan, ghy helle hond!
D: duivel laat de ketting vallen, Adam en Eva luisteren nieuwsgierig met grote belangstelling. De duivel sluipt naar de boom en naast de troon van Godvader bij de woorden

welck schandelyck woordt quam uyt u mondt.
Stof ende aerde sy voortaen u spys,

In Den Haag heeft de duivel de ketting nog steeds vast, al trekt hij daar niet meer aan. Bij ‘op uw buyck’ laat de duivel de ketting los en valt plat voorover.

en tegen der creaturen wys,
wyl ghy dit quaade hebt gedaen,
sult ghe op u buyck al’ daghen gaen.

Siet hoe is Adam thans soo ryck,
geworden eenen god geiyck,
D: Adam en Eva kijken elkaar aan, ook bij de volgende woorden

daer hy het goed en quaadt beseft,
wanneer hy syne handen heft
D: hij houdt de ketting omhoog
DH: hij houdt zijn armen en handen omhoog. Dit zou een soort Grieks gebaar zijn, i.t.t. het christelijke gebaar waarbij de handen gevouwen zouden worden. Geen verdere info.

en leeve in alle eeuwicheidt.

Een kleine pauze. De duivel gaat weer staan. De kompany formeert zich met de boompjesdrager voorop, als ze het toneel verlaten; op het toneel is de volgorde: engel, Godvader, de duivel, Adam met de ketting en Eva achteraan.

DH: op het toneel: engel, Godvader, Eva, Adam, met ketting, en de duivel.
De plaats van Eva verschilt aanzienlijk. De uitleg is dat Eva na de zondeval als vrouwelijk element dichter bij God blijft. De man wordt dieper in de zondeval gestoten. Ook bij de appel gebeurt er pas wat als Adam erin bijt.

Kompany singht afgaende:

Lied 10:

O heilighe drievuldicheydt,
o goddelyck regiment,
aen doot, duyvel en oock de hel
quam nu voor goet een end.
Ghy hebt het eeuwich leven
ons allen weergegheven.
Nu syt gepresen alsoo seer!
die ons’ gedachten kent, de heer,
syn rijck wil hy ons gheven.

Dornach: de kompany is weer voor het toneel aangekomen en gaat zitten. De engel geeft het zwaard aan Godvader *, daarna gaat hij het toneel op. De boompjesdrager staat weer midden voor het toneel.
DH: kompany komt weer op toneel (links) en vormt een boog van links naar rechts, de engel komt naar voren:

Engel spreeckt:

Achtbaere, seer vroede goetgunstige heeren,
Hier is weer het groeten 3x: midden, rechts, links/DH groet 1x

oock deugtsame vrouwen ende jonckvrouwen in alle eere, idem/idem

wilt altegaer niet euvel duyden
dat wy ons spel vertoonden voor uluyden,

vriendelijk
van hoe god al dingen heyt gemaeckt
mitgaeder de menschen bloot ende naekt;
die schiep hy deur ’t goddelyck raetsbesluyt
nae syn gelyckenis, uyt eene aerdenkluyt
en gafse ‘t paradys tot woon,
den hof van Eeden alsoo schoon.
Maor de slangh mit haore listigheyt
heeft Adam ende Eva verleyd
datse overtraden gods gebod
en aten dat god verboden hadt.
So synse gecomen in angst ende noot,
ten leste geslaeghen mit eeuwiche doot,

dit zeer benadrukken
tot den barmhert’ gen god syn Soon liet nederdaelen
die veur ons menschen deed losgeld betaelen.
‘k Bid soo wy quamen veuls te cort
’t ons niet en aengerekend wordt.
Maar alles dat wy schuldich bleven
onze onkunde mach syn toegeschreven:
hiermee elckeen het alder best betracht’
soo wenschen me van god almachtich ‘n goede nacht.

Engel maakt nog 3x een diepe buiging. De boompjesdrager, met het boompje voor zich, doet deze mee. Ze gaan nu allen op het toneel, volgorde: engel (is daar al) Godvader, boompjesdrager, Adam, Eva, duivel; staand in rij maken zij nog een diepee buiging en gaan achter op het toneel weg.
Na ’n goede nacht’ zeggend ‘ buigt de kompany en loopt op het laatste lied, dit herhalend, door de zaaldeur van de hoofdingang de zaal uit.

*dit suggereert dat de engel tot nu toe het zwaard steeds heeft gedragen. Iik heb geen concrete aanwijzing waar het zwaard in DH bleef; ik dacht dat de engel het na gebruik aan Godvader teruggeeft die het op zijn beurt aan de duivel geeft die het weer achter de boom plaatst. 

einde

Deel 1: vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Deel 2:: na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.
Deel 3: Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’
Deel 4: de spot van de duivel over de verleiding; Adam en Eva worden door Godvader ter verantwoording geroepen; lied 7 ‘Toen joegh’; de engel Gabriël krijgt de opdracht ze uit het Paradijs te verdrijven. Lied 8 ‘Soo joech’, tot de duivel opkomt.
Dit deel (5) duivel met ketting, bestraffing door Godvader; nawoord engel en beëindging van het spel.

.

Verdere aanwijzingen voor het paradijsspel bij:

Kerstspelenalle artikelen

.

1943

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Paradijsspel- regie-aanwijzingen (3-4)

.

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

KERSTSPELEN UIT DE OUDE VOLKSCULTUUR

DE SPELEN UIT OBERUFER

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

Toen ik met dit spel in de jaren 1970 op de Haagse vrijeschool meespeelde, heb ik gedurende een aantal jaren allerlei aantekeningen gemaakt.
Vaak werd het spel geregisseerd door Noor Gerretsen. Haar ouders hadden het spel in het prille begin ook in Dornach gezien en vanuit een zekere herinnering volgde Noor allerlei  ‘oorspronkelijke’ regie-aanwijzingen. Een menigsverschil over het een of ander werd vaak beslecht met: ‘Ja, maar het is Angabe.’ Deze Angabe=aanwijzing=zou dan van Steiner zelf afkomstig zijn.

Nu de spelen ook al weer zo’n 100 jaar opgevoerd worden (vanaf 1915) – over de hele wereld – kan het niet anders of er doen zich veranderingen voor. Meestal geen grote, maar toch, die afwijken van wat hier gezegd wordt. Zolang deze het beeld niet verstoren of het juist ten goede komen, lijkt me dat geen probleem. 

Het kan bijna niet anders dan dat in zo’n lange tijd ‘toevallige vondsten’ een eigen leven zijn gaan leiden en ook in de ‘Angabesfeer’ terecht zijn gekomen.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET PARADIJSSPEL UIT OBERUFER

Deel 1: vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Deel 2:: na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.
Deel 3: Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’
Dit deel (4): de spot van de duivel over de verleiding; Adam en Eva worden door Godvader ter verantwoording geroepen; lied 7 ‘Toen joegh’; de engel Gabriël krijgt de opdracht ze uit het Paradijs te verdrijven. Lied 8 ‘Soo joech’, tot de duivel opkomt.

De situatie na lied 6, 2e couplet ‘Sy gaf oock’:

DH: De Haagse muziekleraar Willem Bruning was van mening dat de duivel – die 3x verschijnt, de 2e keer, dus hier – opkomt in een soort hoekige vorm (zigzag)

Dornach: hier werd een ommegang gemaakt over het toneel, Adam en Eva blijven bij de boom. De duivel komt op met een ketting. Dat gebeurde in DH niet, daar kwam de duivel pas in zijn laatste optreden met de ketting.

Duyvel spreeckt:

Dornach: hij komt door het midden naar voren, werpt de ketting terzijde en op de rand van het toneel kijkt hij strak naar het publiek, wijzend op zichzelf

lck ben de duyvel van de echtelie’n
aldaer wort ick soo menichmael gesien.
Zet zijn handen in zijn zij en kijkt overtuigd

k Blaas haerluy int oor: waerom al’daghen
sichselven en malkander plaaghen?

De man can sich opknoopen,
maakt gebaar van een touw om de nek

de vrouw int water loopen
hij geeft een verstikking aan; e.e.a. komt overeen met DH. hier loopt de duivel al kleiner wordend vooruit alsof hij steeds dieper in het water loopt en rilt e.d.

dan synse van al haer plaaghen af,
by myn hebbense in de hell’ haer graf.
Adam en Eva heb ick oock bedroghen,
hebse listichlyck iet voorgelooghen,
datse overtraden gods gebodt
en aten dat god verboden hat.
‘t Is regt, ‘t is regt, sulcke fruyt
en gheef ick niet om een duyt;

D en DH: vals listig, en al naar achter lopend en omkijkend naar het publiek

hadden Adam en Eva pruymedanten genoomen,
‘t waerse duysent mael beter becomen!

Duivel weer achter boom/idem.
Alleen Dornach: hij pakt het zwaard en geeft dit aan God. Die staat opzij van de troon.
DH: God neemt plaats op de troon.

Adam komt met Eva hand in hand in gedrukte stemming van achter de boom naar voren. Adam en Eva komen langzaam wandelend links van de boom wat naar voren.

Adam spreeckt:

Ach, myn gemoet is gansch verwandelt!
O vrouw, seer qualyck heb ik gehandeld
Eva schrikt

deur dien ick volleghde u raet.
Het bloote swaert nu voor my staet;
DH: duivel staat met zwaard omhoog achter Adam, ook al staat er in de tekst ‘voor’ – het zou om een visioen gaan.

D: heft de handen en kijkt naar zichzelf; Eva kijkt verbaasd naar hem
ick sien my naekend en oock bloot,
o Eva, onse sonde is also groot.

Hij pakt Eva bij de schouder en wil met haar naar de boom – (die in Dornach veel meer naar links op het toneel staat.) DH: weer naar links van de boom terug. Ze moeten de indruk wekken te willen vluchten; dan roept God 

God de Heer spreeckt:

God staat opzij van de troon/DH: hij zit

Waer syt ghy Adam, coomt tot my.

Adam spreeckt:

D: Adam heeft zich angstig achter de boom verstopt en antwoordt aarzelend, bedeesd. Hij komt schoorvoetend aangelopen

Hier ben ick heer,
lek schaem my voor u ooghen seer.

God de Heer spreeckt:

Wat schaemt ghy u?

Adam spreeckt:

Omdat ik at
Wat ghy, o heer, verboden hadt.

God de Heer spreeckt:

En waent ghy Adam, durft ghy hopen
dat ghy u straffe sult ontloopen.
of dat ghy u vergryp niet boet?
wie gaf u, Adam, d’euvelen moet?

D: Adam komt tevoorschijn, bevend.

Adam spreeckt:

Adam wel schuldbewust, maar ook wel enigszins opgelucht:

Och heer, ick sweer u by myn trou,
Eva, die ghy my gaeft tot vrouw,
die gaf my van den boom te eten:
ick en hadde my waerlyck niet vermeten.
Een schoonen appel pluckte sy
en beet er in, – ick stond er by –
soo overtradt sy u gebodt
en met coomt ghy daer aen, heer god.

God de Heer spreeckt:

Waer is de vrouw die sulckx misdeed?

Adam wijst naar Eva die bij de boom staat/idem

Adam spreeckt:

Ginds by dien boom, heer, dattic weet.

Eva die zich nog meer verstoppen wil, wordt nu door Adam gehaald, haar naar voren ‘duwend’, terwijl zij hevig tegenstribbelt en begint te huilen.

God de Heer spreeckt:

GT (tot Eva) Wat is dit dat ghy hebt gedaen?

Eva spreeckt:

Snikkend

De boose slangh, heer, dreef my aen
met haer bedrogh, soolang tot dat
‘k van de verboden vrughten at.
Heer, voortaan doenme wat ghy seght.
Dornach heedt hier een ontkennende zin, waarbij Eva ‘nee’ schudt.

Ze loopt links naar voren, vóór Adam langs en komt links van hem te staan

Godt de Heer spreeckt:

Waer syt ghy Gabriël myn knegt?
Dornach: Eva huilt en Adam kijkt dom, verbaasd. De engel staat op. Engel loopt naar troon

Coomt haestelyck hier opdat ghy hoort
myn goddelycken wil en woordt:
Engel loopt naar troon en gaat links staan 

Adam en Eva sult ghy heden
verjaghen uyt den hof van Eden.
Op ‘Eden’ geeft de duivel het zwaard aan God

Dryft met myn blinkend swaert hen uyt,
de poort, die ick voor eeuwich sluyt.
Hij geeft het zwaard aan Gabriël.

Dornach: lied nr. 7 wordt 2x achter elkaar gezongen. Engel, God en duivel maken een ommegang over het toneel, Adam en Eva blijven staan en zingen niet mee. De engel houdt het zwaard schuin omhoog.

DH: de spelers blijven tijdens het zingen van lied 7 (1x) op hun plaats; de engel heeft het zwaard niet omhoog, maar voor zich staand, punt even boven de vloer.

Kompany singht:

Toen joegh de engel Gabriël
hen uyten hof nae gods bevel.
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.

Engel spreeckt:

Dornach: de engel spreekt tot het publiek met opgeheven zwaard:

DH: zwaard nog naar beneden

lck heb ontfangen een gebodt
al van den allerhoochsten god
dat ick Adam en Eva heden
verjaghe uyten hof van Eden.

GT De engel buigt met het swaert tot Adam en Eva

DH: het zwaard is nog iets schuin omhoog

Soo gaet dan henen voor altyt,
Adem en Eva buigen hoofd

bebouwt het veldt met noeste vlyt!
int zweet uws aanschyns eet u broot kleine pauze

De engel draait het zwaard van links schuin omhoog een kwartslag naar voren en loopt krachtig op Adam en Eva af, het zwaard vanuit het polsgewricht bewegend:
A.h.w. vanuiit de draai een prikkende beweging.

Adam
Hij kijkt op/hij hoort het geschrokken aan en wist het zweet van ziojn voorhoofd

– en kleine paueze Eva  idem, zwaard met zwaai boven het hoofd [ik denk A/B] zij kijkt op

ghy met noot

draegt uwe kinders ondert harte,
slag in de richting van Eva

vermenichvuldigt sy u smarte.
Engel neemt het zwaard terug:

 

Eva spreeckt:

Snikkend/stap naar voren, met armen omhoog in wanhoop, maar niet pathetisch

Wee ons, die arme vrouwen
moetent om my berouwen!

Wendt zich tot Adam

alsnu tmoet syn, soo sullenme ‘t waaghen
ons immer nae gods leer gedraaghen
en bidden dat hy ons behoed.

Adam spreeckt:

Coomt maer by my, myn Eva soet!
Adam legt een arm om Eva’s schouder/idem en leidt haar wat opzij/idem

Heel innig:
Myn god, wanneer roept ghy ons wéér?
och, laet ons niet lang wachten, heer!

Engel spreeckt:

Soo gaet en uyt den hove treet;
De  engel zet weer een ferme pas naar voren en brengt het zwaard horizontaal (E)

in de aanwijzing staat dat het zwaard tot die tijd zo schuin naar de grond wees en nu omhoog komt,

DH: met het naar voren gerichte zwaard loopt de engel rimisch schrijdend op de woorden naar links en drijft Adam en Eva weg die eveneens ritmisch schuin naar voren lopen, maar niet te ver, want de duivel moet er nog omheen kunnen.

tot ick u langsaem wederkeeren heet.

De engel neemt het zwaard terug en zet dit voor zich met de punt naar beneden:

Eva spreeckt:

lek bid, heer god, verlaet my niet nae desen.

Engel spreeckt:

Eva, wilt sonder twyfel wesen!
u man volght nae, sorght voor u kind daerneven,
Soo sal god u de sonden àl vergheven.

Nu schreidt de engel met afwerend gestrekt zwaard langzaam naar voren, God en de duivel sluiten aan en lopen over het toneel, zingen het couplet  van lied 82x , Adam en Eva blijven staan, zingend. DH: allen blijven op dezelfde plaats, Godvader is gaan staan, engel: zwaard naar beneden. Couplet 1x.

Kompany singht:

lied 8

Soo joegh de engel Gabriël
hen uyten hof nae gods bevel.
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.

DH:Daarna engel terug naar bank; Adam en Eva wandelen wat naar links.Godvader gaat weer zitten; Na de ommegang gaat Godvader weer op de troon zitten. De duivel komt naar voren.

Duyvel spreeckt:

zie 3-5 nog niet oproepbaar.

Deel 1: vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Deel 2:: na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.
Deel 3: Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’
Dit deel (4): de spot van de duivel over de verleiding; Adam en Eva worden door Godvader ter verantwoording geroepen; lied 7 ‘Toen joegh’; de engel Gabriël krijgt de opdracht ze uit het Paradijs te verdrijven. Lied 8 ‘Soo joech’, tot de duivel opkomt.

.

Verdere aanwijzingen voor het paradijsspel bij:

Kerstspelenalle artikelen

.

1942

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Paradijsspel- regie-aanwijzingen (3-3)

.

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

KERSTSPELEN UIT DE OUDE VOLKSCULTUUR

DE SPELEN UIT OBERUFER

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

Toen ik met dit spel in de jaren 1970 op de Haagse vrijeschool meespeelde, heb ik gedurende een aantal jaren allerlei aantekeningen gemaakt.
Vaak werd het spel geregisseerd door Noor Gerretsen. Haar ouders hadden het spel in het prille begin ook in Dornach gezien en vanuit een zekere herinnering volgde Noor allerlei  ‘oorspronkelijke’ regie-aanwijzingen. Een menigsverschil over het een of ander werd vaak beslecht met: ‘Ja, maar het is Angabe.’ Deze Angabe=aanwijzing=zou dan van Steiner zelf afkomstig zijn.

Nu de spelen ook al weer zo’n 100 jaar opgevoerd worden (vanaf 1915) – over de hele wereld – kan het niet anders of er doen zich veranderingen voor. Meestal geen grote, maar toch, die afwijken van wat hier gezegd wordt. Zolang deze het beeld niet verstoren of het juist ten goede komen, lijkt me dat geen probleem. 

Het kan bijna niet anders dan dat in zo’n lange tijd ‘toevallige vondsten’ een eigen leven zijn gaan leiden en ook in de ‘Angabesfeer’ terecht zijn gekomen.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET PARADIJSSPEL UIT OBERUFER

Deel 1: vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Deel 2:: na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.
Dit deel (3)Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’

Vanaf na lied 4 de verleidingsscène met de duivel tot aan Adam ‘Ach myn gemoet’

Na het laatste couplet van lied 4 – de 3 coupletten werden op het toneel gelopen, is de opstelling zo:

Dornach: na het 3e couplet gaan god en de engel naar hun plaats, de duivel helemaal naar voren. Adam en Eva wandelen hand in hand door het paradijs en laten elkaar de mooie vruchten en bomen zien.

DH. de duivel staat na het 3e couplet weer achter de boom, maar komt naar voren; Adam en Eva: zie Dornach

Duivel:
Kijkt voortdurend fel naar het publiek.
DH: De Haagse muziekleraar Willem Bruning was van mening dat de duivel – die 3x verschijnt, de 1e keer, dus hier – opkomt in een soort S-vorm.

Duyvel spreeckt:

lek come in het paradys
geslopen al nae der slanghe wys.
God schiep temet een menschenpaer,
hy cierde het soo wonderbaer
en settet in syn schoon plantsoen:

sluw:
maar ick sal sien of ‘k se daer uyt can doen
Dies coom ick in het paradys
en maek datse eten van de spys.
Hoe, sullense alle vrughten smaeken,
en aen die ééne boom niet raeken?

Duivel benadert Adam en Eva links en iets achter hen

In Dornach plukt de duivel hier geen appel, in DH wél

Adam, proeft van het sap soo ryck,
soo wort ghy aen u god gelyck.

Dornach en DH: Adam weert het verschrikt af

Ghy, rozige Eva, neemt gerust
dees appel, eet nae hartelust
en gheeft ervan aen Adam oock.

Idem Eva weer het af

God en de engel gaan staan; duivel weer achter boom
De kompany zingt. Dornach: Adam en Eva niet

Kompany singht:

Lied 5:

Toen pluckte sy den appel af
en Eva dien te eten gaf.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

Idem: Eva staat in gedachten verzonken naar de boom te kijken; dan richt ze zich tot Adam:

Eva spreeckt:

Eva spreekt zo vloeiend als maar kan, wat sanguinisch; ze constateert voor haar vreemde feiten.

Siet hier Adam, ick ben u vrouw
en ghy myn man. lek bid, beschouw
die schoonste daer van alle boomen
daervan ick gheen vrught noyt heb genoomen.
Het lust my, voort er van te eten.

Zij gaat naar de boom. Adam probeert haar met alle kracht tegen te houden. Ondertussen heeft de duivel aan de andere kant een appel geplukt en geeft deze op een listige manier aan Eva. Adam laat zijn afkeer blijken, Zij kijkt een ogenblik naar de appel, dan bijt ze er met graagte in, DH idem

Adam, wilt ghy de waarheidt weten,
dit is de allerbeste spys.

klopt op haar buik, heeft de appel in de linkerhand en biedt deze aan Adam aan; idem: die kijkt verschrikt

Hier, neemt hem aen en proeft ereis
idem: Adam weert af

als ghy my mint.
Adam strijkt over haar wang idem en knikt

Het is een lust
dit sap te smaeken. Eet gerust!

idem Adam kijkt lang twijfelend naar de appel die Eva aanbiedt

Adam spreeckt:

Soo het aen my lag, syde ick neen,
soo ick eet, isset om u alleen.

Adam bijt in de appel. Op hetzelfde ogenblik wordt de tot nog toe vriendelijk-heldere belichting donker. Adam laat de appel vallen – ook – smijt hem weg en zijn gezichtsuitdrukking toont dat er een heel bijzondere werking vanuit gaat. Hij houdt zijn maag vast. Eva kijkt verbaasd toe:
DH:zelfde, geen aanwijzing voor maagaanraking: op het ogenblik dast Adeam bijt, springt de duivel op.

Adam byt in den appel en smyt hem wegh

Ach, hoe dat ‘t myn gemoet verwandelt….

De kompany gaat in Dornach over het toneel; in DH blijft deze staan.

Kompany singht:

1. Sy gaf oock haeren man met haer,
geopend wird hem ‘t ooghenpaer.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

DH: tijdens 2e couplet gaan Adam en Eva achter de boom (tussen de bomen)

2. Sy aten en in de eigen stond
wierd heel de waerelt met verwond.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

.
Deel 1: vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Deel 2: na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 (Adam erkent); schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘(Nu leefden se’.)
Dit deel (3)Na lied nr 4: ‘Al nae der slanghe wijze’: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’

Vervolg Paradijsspel nog niet oproepbaar

.

Verdere aanwijzingen voor het paradijsspel bij:

Kerstspelenalle artikelen

.

1941

VRIJESCHOOL – Paradijsspel – regie-aanwijzingen (3-2)

.

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

KERSTSPELEN UIT DE OUDE VOLKSCULTUUR

DE SPELEN UIT OBERUFER

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

Toen ik met dit spel in de jaren 1970 op de Haagse vrijeschool meespeelde, heb ik gedurende een aantal jaren allerlei aantekeningen gemaakt.
Vaak werd het spel geregisseerd door Noor Gerretsen. Haar ouders hadden het spel in het prille begin ook in Dornach gezien en vanuit een zekere herinnering volgde Noor allerlei  ‘oorspronkelijke’ regie-aanwijzingen. Een menigsverschil over het een of ander werd vaak beslecht met: ‘Ja, maar het is Angabe.’ Deze Angabe=aanwijzing=zou dan van Steiner zelf afkomstig zijn.

Nu de spelen ook al weer zo’n 100 jaar opgevoerd worden (vanaf 1915) – over de hele wereld – kan het niet anders of er doen zich veranderingen voor. Meestal geen grote, maar toch, die afwijken van wat hier gezegd wordt. Zolang deze het beeld niet verstoren of het juist ten goede komen, lijkt me dat geen probleem. 

Het kan bijna niet anders dan dat in zo’n lange tijd ‘toevallige vondsten’ een eigen leven zijn gaan leiden en ook in de ‘Angabesfeer’ terecht zijn gekomen.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET PARADIJSSPEL UIT OBERUFER

Deel 1: vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Dit deel (2): na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.
Deel 3: Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’

De aanwijzingen in [3-1] werden afgesloten met het weer op het toneel komen tijdens de laatste coupletten van lied nr. 2 ‘Hoe koel schijnt ons de morgen’.

Dornach

De spelers stonden opzij en nemen nu hun plaats in. De boompjesdrager is niet op het toneel, maar staat ‘beneden’.

Den Haag:

DH: Godvader loopt naar de troon en gaat zitten, Adam staat op en gaat schuin links voor de troon staan. God blijft zitten en maakt een gebaar van een wijde ademstroom in de richting van Adam:

GT:

God de Heer spreeckt:

Adam, nu neemt den adem des levens,
dien ghy ontfaet mit deuzen dach

Dornach en DHAdam haalt de zak van zijn gezicht en laat die schuin links achter zich vallen; de duivel komt snel tevoorschijn en vangt de zak op waarmee hij weer achter de boom verdwijnt

Bij de volgende tekst maakt god allerlei gebaren die Adam dromerig nadoet, ‘de mens in de nabootsingsfase’. (Hij ziet godvader niet, dus dit stukje moet goed gerepeteerd worden!)

neemt oock verstant waerdoor ghy leert
dattic u uyt stof heb geformeerd.

Dornach/DH: Op ‘verstant’ wijst Adam met zijn wijsvinger naar zijn voorhoofd en raakt dit aan.

Soo leef dan. En van stonde af aen
gaet steevast op uw voeten staen!

Dornach: leef dan: Adam beweegt krachtig zijn armen; DH: ademt diep in/uit
‘voeten’: loopt met vaste tred heen en weer; DH: eerst de linker, dan de rechter krachtig stampend op grond.

GT:
Spreeckt op, Adam, en segt my nu,
myn schepping, hoe behaegt sy u?
Verwondert u niet de aarde wyt?
der zonne glans en heerlyckheyt?

Dornach: zonneglans: O-gebaar

en myn gewelfden hemelsboogh?

Dornach: A met de armen:

kleine pauze

‘k Mocht weten, Adam, oft u oogh
mit lust op al dit schoone blickt.

De gemoedsstemming vanwaaruit Adam spreekt is ‘A’; hij heeft nog geen ‘Ik’, naïef, geen volwassenheid

Adam spreeckt:

O heer, hoe wys heeft ‘t al beschickt
u goddelycke majesteyt
Oock myn heeft u almogentheyt
geschaepen soo dat ick erken
hoeck nae u beelt geschaepen ben.
U wil mach volghen t’ allen tyt,
soals ghy myn int herten lyt.

Dornach: raakt zijn hart aan.
De vertaling heeft als volgorde ; erken, hart, volgen: daarin kun je een volgorde zien van denken, voelen, willen. Adam zou die drieledigheid kunnen benadrukken. Op ‘lyt’ buigt Adam.

Ook hier maakt God gebaren die Adam nabootst.

God de Heer spreeckt:

Siet, Adam, veulderhand gediert
dwelc u van myn geschonken wierd.
lck gheef het u in heerschappy,

Adam reageert bevestigend, knikt, trotse, fiere houding

en bergh’ en daelen noch daer by

De armen, weg kijkend, verwondering over vissen

oock het gevogelt van den hemel,
der visschen spartelend geweemel.

De armen, naar beneden kijken,

‘k Wil met u deelen het bestuur
over de gansche creatuur.

Adam knikt

U woonstee hebt ghy voor altyt
in myn geplanten hof so weydt.
Proef vryelyck van allen boomen
daer van de vrught u wel becoome.
Al wat daer groeyt int paradys
sy u tot kostelycke spys.

DH: over buik wrijven (bij becoome of spijs)

God gaat staan:

Doch wil ick, almachtich god
u gheven één gestrangh gebodt:
Aensiet den boom van goet en quaat,
die ginder in het midden staet.
(de allerbeste, moet ge weten),
daervan en sult ghy nimmer eten.

Adam maakt afwerend gebaar

Ten daghe dat ghy u vermeet
en de verboden boomvrught eet,
de doot voor eeuwich sult ghy smaeken,
ja int verderven plots geraeken.

God maakt daar een krachtig armgebaar en Adam bootst dit nu, zonder te beseffen wat het betekent.

Dornach: schrik in A verbazing

Merckt uyt hetgeen ick u geboot
dat hy, die ‘t leven en de doot u gaf,
het alsoo nemen can.

Adam buigt.

De kompany neemt de oude volgorde aan en gaat door de zaal.

DH: idem

Kompany singht:

Lied 3

1. Adam erkent die alles schiep|
hem selfs en elck dingh int aensyn riep.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

2. Hy schonk hem alde vrughten soet,
begeerlyck voor ‘t oogh, tot spyze goet.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

3. Eén boom des hofs sou hy vermyden
opdat hy niet mogt schaade leyden.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

4. Die boom sou kennen quaat en goet,
God spreeckt: Dit prent in u gemoet.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

5. God nu deet een slaep soo diep
op Adam vallen en hy sliep.
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.

6. Hy neemt, als Adam de ooghen sluyt,
syn ribbe en schept een vrouw daeruyt.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

In Dornach neemt men dan de plaatsen weer in: boompjesdrager blijft beneden, Eva staat achter de boom, evenals de duivel; godvader gaat op de troon zitten en Adam komt en knielt voor hem, het hoofd in de handen steunend alsof hij slaapt

DH: op het 4e couplet komt men weer op het toneel; bij het 5e: God nu deet: ieder staat stil; Adam knielt bij troon, op ‘Ja, alles’: kompany loopt verder en gaat naar de plaats, 6e couplet zingend.

Godt de Heer spreeckt:

Dornach: god trekt bij zijn woorden een rib uit Adams lichaan. Dan schrijdt hij achter de boom en neemt Eva bij de hand naar Adam.
Hij trekt een lange rib uit Adams kleding, d.w.z. hij geeft het aan. [markiert es]
De rib heeft vanaf het begin verborgen op de troon gelegen. God moet die nu ongemerkt in zijn handen zien te krijgen.
Eva kijkt nieuwsgierig naar alles.

Noor Gerretsen merkte op dat dit gegeven al heel oud is, dus al vroeg bij het opvoeren van het spel, werd gebruikt. Zij sprak over een grote koeienrib.
Ik heb alleen gezien dat ‘gedaan werd alsof’ (markieren).
Het aanduiden van de grootte van de rib, ging zeker de werkelijke grootte (ver) te boven.

Een ribbe uyt Adams lichaam bouw
ick, hem ter hulpe, tot een vrouw,

God, de rib ‘vasthoudend’ gaat achter de boom en komt met Eva terug:

God tikt Adam op de schouder bij ‘wordt wakker’, waarop Adam zich meteen opricht.

Adam wordt wacker, wilt opstaen,

Adam dromerig verrast.

Hier neemt u ghesellinne aen.

Adam springt op en drukt een grote verbazing uit als hij naar Eva kijkt. Ze staan tegenover elkaar, links en rechts van god.

Sy is geschaepen uyt u lyf,

Adam betast zich

mit u te deelen dit verblyf;
Adam knikt

Sy is temet uyt u gebeent,
Adam kijkt verbaasd naar zijn eigen lichaam.

God heft zegenend zijn handen

dies – hebt haer lief, weest trou vereend.
Adam knikt heftig bevestigend met het hoofd. 

Myn enghel behoede u allerweeghen.
Engel staat op en komt iets naar voren

U volghe staeg myn milde seeghen.
Weest vrugtbaer, u naecomelinghen
vervullen ‘t aerdtryck. Alle dingen
syn u, soo ghy gehoorsaeim syt.

langere pauze

Adam spreeckt:

met overtuiging

Van herten ben ick hiertoe bereydt
o heer, want ghy hebt my gegheven
al creatuur en oock myn leven.

GT Zij buigen tegen elkaar. God de Heer af

Ze buigen. God gaat langzaam naar de achtergrond en gaat bij de engel op de bank zitten. Adam en Eva staan tegenover elkaar en bekijken elkaar. Dan wenkt Adam Eva om naderbij te komen en slaat een arm om haar schouder.

DH: Eva moet alles a.h.w. in het lucht-waterige element houden. (Lemurië) Zeer dromerig en vloeiend.
Adam en Eva wandelen met arm om elkaar heen (om het ongeslachtelijke uit te drukken)
Adam spreekt de woorden van godvader na, zonder eigenlijk te weten wat er bedoeld wordt. Eva bootst hem na.

GT:

Hoe lieffelyck, Eva, op deuse wys
met u te wonen int paradys,
dwelc god de heer ons wilde gheven
om soo vernoegd daerin te leven
van lasten vry. Slechts één gebodt
gaf ons de goedertieren god.

Dornach: en DH kleine pauze; dan tikt Adam Eva op de schouder:

Ei, hoort de blye vogels quelen,
Houden de hand aan het oor en luisteren

siet alom het gedierte spelen;
ze wijzen elkaar beurtelings op de die dieren

tsyn boomen overal,
veulderhand vrughten sonder tal.
daervan te eten met syn beyden,
ze wijzen op de vruchten en wrijven over hun maag

en hoeven maer één boom te meyden.
de beste, die int midden staet.
Adam wijst hem aan

Daer van god niet en eten laet.
Eva schudt nee

Ten daghe dat wy ons vermeten
van de verboden boom te eten,
Eva weert met de hand af

de doot voor eeuwich sulle’me smaeken,
ja, int verderven plots geraeken.
Adam heft waarschuwend zijn vinger; Eva hoort hem geschrokken aan met wijd open mond

Merckt uyt hetgeen ons god geboot
dat hy, die ’t leven en de doot
ons gaf, het alsoo nemen can.
De laatste regel vol betekenis en met de vinger zoals god ook deed

Dornach en DH lied in 3 coupletten over het toneel

De Kompany singht:

Lied 4

1. Nu leefdense vol heerlyckheit;
elck dingh was tot haar dienst bereydt.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

2. Soo dra de duyvel sulcks vernam
hy heimelyck geslopen quam.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

3. Al nae der slanghe wyze
al in den paradyze.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

.

Deel 1: vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Dit deel (2): na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.
Deel 3: Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’

vervolg Paradijsspel nog niet oproepbaar

.

Verdere aanwijzingen voor het paradijsspel bij:

Kerstspelenalle artikelen

.

1938

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Paradijsspel- regie-aanwijzingen (3-1)

.

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

KERSTSPELEN UIT DE OUDE VOLKSCULTUUR

DE SPELEN UIT OBERUFER

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

Toen ik met dit spel in de jaren 1970 op de Haagse vrijeschool meespeelde, heb ik gedurende een aantal jaren allerlei aantekeningen gemaakt.
Vaak werd het spel geregisseerd door Noor Gerretsen. Haar ouders hadden het spel in het prille begin ook in Dornach gezien en vanuit een zekere herinnering volgde Noor allerlei  ‘oorspronkelijke’ regie-aanwijzingen. Een menigsverschil over het een of ander werd vaak beslecht met: ‘Ja, maar het is Angabe.’ Deze Angabe=aanwijzing=zou dan van Steiner zelf afkomstig zijn.

Nu de spelen ook al weer zo’n 100 jaar opgevoerd worden (vanaf 1915) – over de hele wereld – kan het niet anders of er doen zich veranderingen voor. Meestal geen grote, maar toch, die afwijken van wat hier gezegd wordt. Zolang deze het beeld niet verstoren of het juist ten goede komen, lijkt me dat geen probleem. 

Het kan bijna niet anders dan dat in zo’n lange tijd ‘toevallige vondsten’ een eigen leven zijn gaan leiden en ook in de ‘Angabesfeer’ terecht zijn gekomen.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET PARADIJSSPEL UIT OBERUFER

Dit deel (1) vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Deel 2: na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.
Deel 3: Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’

 

De spelersgroep:
Volgorde: boompjesdrager, engel, godvader, Adam, Eva, duivel
Er wordt begonnen zonder zingen.

DH: zelfde volgorde, maar bij binnenkomst wordt lied nr. 1 gezongen:

De kompany singt binnengaande:

Lied 1:
1e couplet:

Singhen wilc uyter herten myn
alst leyt in myn gemoet,
heer, laet ‘t myn mond gegeven syn
dat het u preysen doet!
want ghy syt onsen god
– laet af van alle spot –
die alle dinc geschaepen heit
ent al bestiert nae syn beleyt,
geloofd, geloofd sy god!

DH: onder het zingen van couplet 1 wordt door de zaal naar het toneel gelopen in dezelfde volgorde als hierboven. Rechts het toneel op, zodat de beginvolgorde zo is:

Paradijsspel 1

 

Of er (veel) bomen kunnen staan, hangt natuurlijk af van de grootte van het toneel; de ‘grote’ boom kan ook meer naar links, de troon blijft er wel rechts voor.

Het boompje dat de boompjesdrager in zijn hand houdt, heeft vanuit de zaal gezien links sinaasappels, rechts citroenen.

DH: kleine appeltjes rondom

De boompjesdrager staat voor het toneel met zijn gezicht naar het publiek, de anderen staan tegenover hem met de rug naar het publiek. De duivel staat ‘gekronkeld als een slang’.

Boompjesdrager:

Goê sanghersluyden myn, coomt naederby en siet
wat grote vreught en eer u deusen dach geschiedt:
veul vollecks sit bijeene alhier in deusen sael,
groot ende kleyn, die syn gecomen al te mael
u spel te hooren. So wilt rontsomme staen

De spelers gaan nu in een boog om de boompjesdrager staan en keren hun gezicht naar het publiek
en neerstellic een wyl voor haerluy singhen gaen.

boompjesdrager
                                                 Adam                            godvader
                                              Eva
                                           engeol                                    duivel

DH: dus zeer afwijkend

Toont een betaamelyc en vroom gesicht,
Allen doen hun best zo vroom mogellijk te kijken, vooral de duivel

soodat ghyse allen oock van herten sticht;
merckt dat u stemme suver word’ gehoordt en hertelyck klinck’ u gesanck ende woord.
Alevel groeten me te voren
de goê gemeynt, so u wel vlytigh aen wilt hooren.
Maer laet ons teersten groeten god vader in synen troon,

Bij het groeten van godvader, de zoon en de Heilige Geest worden door alle spelers 3 buigingen gemaakt: 1x midden -1x  rechts – 1x links

DH: godvader in zijn synen troon: 3x midden
synen eenighen soon: 3x links
den heylighen geest ( ) waarhweyt leert: 3x rechts

Ook gezien: bij godvader, zoon en Heilige Geest bij ieder: 1x midden, 1x links, 1x rechts. In Dornach dus ook zo, maar volgorde m  r   l.

groeten me desgelyc synen eenighen soon, mitgaeder den heylighen geest hooch vereert,
die aen ons menschen den wegh ter waerheyt leert.
Groeten me tesamen heel de heilighe triniteit: vader, soon ende geest gedrieën in eenicheit.
Dornach 1x midden; 1x rechts; 1x links; DH: 1x midden; 1x links; 1x rechts

Adam en Eva gaan het toneel op.

Groeten me Adam en Eva in den hove,
daer me allen wel geern souden binnen moghen.

Adam en Eva groeten hierna niet uitbundig: ‘ze slapen a.h.w. nog’,
God en de engel niet overdreven.

Wat er gegroet wordt: steeds 3 buigingen: 1x midden, 1x rechts; 1x links

Groeten me oock alt geboomt ende gediert,
soo veul als in het paradys gevonden wierd.
Dornach groet weer 3x; DH wat willekeurig, naar alle kanten, soms 1x, soms meer.

En groeten me fyn neffens de andere dieren
idem; idem

Duivel fluit vogeltonen
de veughelkens die soo schone slaen ende tierelieren.
Eva wijst op de vogels (in de bo(o)m(en) 

Het andere groeten blijft idem  idem

Groeten me oock het gantsche firmament,
alsoo god heere heyt gheset aen swaerelts end.
Groeten me seer de edele overheydt;

Groeten me meester, nu als tallentyd.

‘Meester’ is de regisseur

Groeten me de eerwaerde geestlycken soo goet me connen,
Noyt en moghen me iet speulen, als sy ’t niet en gonnen.
Groeten me tsaem de schepenen en den schout,
De vroe raetheeren nae vermoghen, jong ende oud.
Want we sullense al gaeder gevoeghelyck eeren
Naerdien sy over ons ghestelt syn van god ons heere.
En nu, goê sanghersluyden myn, fanght vlytigh aen,

den boom, dwelc in het midden van den hof doet staen,
daer van en mach niemant de vrught niet en aenroeren,
soo hy nae gods ghebieden tleven wilt voeren;
die boom willen me oock groeten op syn best
met al syne vrughten, van de eerste tot de lest.
Ernaar wijzend, nog steeds 3 buigingen
Duivel uitbundig om boom springend en groetend

Die quaie Eva isser eenmael van gaen eten,
Ze keert zich af; idem

toen heyt Adam – die hals –

Adam is nog niet geboren en draagt daarom een zak over zijn hoofd.
Die tilt hij bij ‘hals’ omhoog zodat zijn gezicht zichtbaar wordt en weer omlaag.
(‘Angabe’ – zie boven)
Adam kijkt zeer dom en verbaasd ‘vanuit zijn zak = ‘aardekluit’.

er oock van gegeten.
Daervuur wirdense van god verstooten meteenen;
aen deuse saack willen me allen exempel nemen.
Allenich den duvel, die en willen me niet groeten,
veur dien de lieve heer ons mach behoeden,
Boompjesdrager gaat op duivel af
we willen den booserick in syne steerte knypen en in syne leul’cken haeren grypen.
Hij grijpt hem bij zijn staart en maakt trekkende bewegingen; de duivel kermt
Dornach idem, duivel sist, blaast als een kat

Alsoo, goê sanghersluyden myn, hebt ghe allen wel geheurt
van dat tonser schaede int paradys is gebeurt.
Laet ons tende groeten ons leermeester goet

De opvatting bestaat, dat net zoals in het kerstspel de sterrenzanger de leermeester is, ook de boompjesdrager de leermeester is en dat hij hier dus zichzelf groet.
Dornach 3x

en groeten me oock syne const en synen moet, met dwelck hy onse rauwe stemmen
In Dornach grijpt de boompjesdrager naar zijn keel – is dat niet toch een kleine aanwijzing dat hij niet zelf de ‘leermeester’ is, dat ook zijn stem eraan moest geloven? 

sonder als te veul slaegh heyt tomen kennen.
De spelers wrijven over hun achterste. DH idem.

Nu weet ghy wat van u begheert u oud compaan,
goê sanghersluyden myn. Soo fanghet aen.

Dornach: Adam en Eva komen van het toneel en sluiten zich bij de anderen aan. Ommegang door de zaal, boompjesdrager voorop. Het eerste couplet – zie boven – wordt gezongen, maar in de Duitse tekst is er geen duidelijke cesuur tussen couplet 1 en 2, dus worden die als 1 lied achterelkaar gezongen.

De tekst in het Nederlands begint met de kompany die 2 coupletten zingt van lied nr. 1.
Volgens Noor Gerretsen – zie boven  de opmerking over ‘Angabe’  – was het een aanwijzing van Steiner dat er maar 1 couplet werd gezongen aan het begin en dat nu het 2e couplet wordt gezongen (dus vóór de engel gaat spreken) en niet het 1e opnieuw zoals in de tekst staat.

En in het midden daer stond een boom,
met kostlycke vrugt belaen,
die haer van god verboden wierd: |
die soudense laeten staen.
Sy en mochten die niet smaeken,
sy en mochten daer aen niet raeken. Den boom sou syn het leven:
daer omme wil god niet en gheven
de vrught die hong daer aen.

Een ommegansbeweging is vaak afhankelijk van de ruimte waarin je speelt. In Dornach werd in de Schreinerei gespeeld en kennelijk was zo lopen als hier aangegeven, het meest voor de hand liggend.

In DH waar men dus op het toneel stond, gaat men links van het toneel af – daar is een trapje! en loopt voor de 1e rij publiek langs naar het rechtertrapje waarmee men weer op het toneel komt. Hierbij wordt dus couplet 2 gezongen!

Dornach: de spelersgroep gaat op de banken zitten die opzij staan. De engel betreedt het toneel. De boompjesdrager gaat – niet op het toneel, maar in de zaal – vóór de engel staan en doet mee met de buigingen die de engel maakt.

De opstelling in DH is dan zo:

De boompjesdrager blijft op het toneel bij het trapje staan. De engel blijft staan, de anderen gaan zitten. De duivel is onzichtbaar achter de boom.
De engel loopt nu naar voor midden van het toneel buigt 3x: midden, links, rechts. (Dornach rechts, links)

De engel Gabriël treet op:

k Treet voor uluyden sonder spot!
goên avond saamen gheve u god,
een goên avond ende geseeghende tyt
mooch ons van daerboven syn toegeseit.
Achtbaare, seer vroede, goetgunstige heeren,
3z buigen; 3x buigen

oock deugtsaame vrouwen ende jonckvrouwen in alle eere,
3z buigen; 3x buigen

wilt altegaer niet euvel duyden
dat wy ons spel gaen toonen voor uluyden,
en wel van Adam en Eva, ent verhael

hoese uytet paradys verdreeven syn eenmael.
Soo ghy bereyt syt om ons aen te hooren,
swycht stil en opent wyt u ooren.

De rechter wijsvinger naar boven bewegen, bij ‘stil’ de vinger nog hoger, het hoofd iets naar de rechter schouder. De hand ver van het lichaam houden bij het groeten.
De engel gaat van het toneel om de andere spelers op te halen.

DH: Omdat hiermee iets wordt afgesloten, ligt het voor de hand dat de engel weer teruggaat richting zitplaats bank. De muziek begint en de boompjesdrager loopt van rechts naar links over het otneel; engel en godvader voegen zich achter boompjesdrager, Adam en Eva en duivel eveneens en de ommegangen beginnen:
boompjesdrager, engel, godvader, Adam, Eva, duivel.

Dornach: overal waar de ommegang door de zaal gaat, loopt de boompjesdrager voorop.

Nu volgen de 8 coupletten van lied nr.2 waarbij de ommegangen zo moeten worden gekozen dat je weer goed ‘uitkomt’, d.w.z. wanneer het laatste couplet uit is, je op je plaats staat die je moet innemen. In DH op toneel, op de banken/krukken o.i.d met een blauwe lap.

Lied nr. 2

De kompany singht ommegaende:

1. Hoe koel schynt ons den morgen,
de sonne leyt verborgen,
en alles wat leeft
god eere gheeft.

2. Wy coomen van alsoo veer gegaen
uytet land van Babilon vandaen.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

3. Eens schiep de heer die boven troont
het wereldryck en wat daar woont.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

4. God schiep de gansche wyde aerdt,
met alle schepselen nae haer aerdt,
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

5. Als oock de hooghe hemelstent
met zon ende maan aent firmament.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

6. En maeckt, als ’t al geschaepen is,
de mensch nae syn gelyckenis.
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.

7. Wel heeft god alle werck volbraght:
den lighten dach en oock de nacht.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

8. Adam formeert hy uytet stof
en set hem in syn groenen hof.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

In Dornach:

Bij de laatste coupletten is de kompany op het toneel gekomen. De boompjesdrager blijft ‘beneden’. Alle spelers staan op een rij en maken een buiging, waarna ze op hun plaats gaan staan, langzaam schrijdend.

Den Haag, na het zingen van het 8e couplet:

Dit deel (1) vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Deel 2: na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.
Deel 3: Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’

vervolg nog niet oproepbaar

.

Verdere aanwijzingen voor het paradijsspel bij:

Kerstspelen: alle artikelen

.

1933

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.