VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Driekoningenspel regie-aanwijzingen

.

Op 8-9-1979 werden de volgende aantekeningen gemaakt:

Regie-opmerkingen Driekoningenspel in chronologische volgorde.

De Kompany komt op en blijft, vóór een witte achtergrond, voor de banken staan.
Mej. Noor Gerretsen*: de Duivel geeft dan aan wanneer je moet gaan zitten, zodat dat tegelijk gaat

De Engel komt naar voren om het voorwoord te zeggen en daarna gaat ze rechts voor staan met de ster, zodat die Koningen dáár komen te zitten.

regie-aanwijzingen driekoningenspel1

De Duivel,  de toneelknecht,  zet de (10-1-1976: blauwe) koningstroon neer en daar gaat eerst de rode Koning Melchior (10-1-1976: bruin haar) op zitten en die doet zijn woordje.(10-1-1976: hij kijkt door de verrekijker. De Duivel kijkt verkeerd om door de verrekijker, en neemt de verrekijker mee). Op het moment dat in de tekst gezegd wordt ‘oock doet sy nieuwers stille staon’, dan gaat de ster  bewegen en dan loopt de Engel over en dan bij “doch sneller ende sneller rontsomme gaon’,  gaat ze nog een beetje sneller, dan staat ze dus daar.

Dan is die Koning uitgesproken, die gaat weg, uitgenodigd door de Pagie (10-1-1976: lichtblauw met gele voorschoot, op witte kousevoeten). Je hebt dan eerst nog Viligratia, die is ook nog bij hem geweest, die gaan dus samen weg: dan is het toneel even leeg, behalve dat de troon er nog staat. De Engel gaat weer terug, zodat ze voor de volgende Koning weer op de goede plaats staat, ze blijft hier dus op en neer wandelen. Dan komt de volgende Koning, en die zegt ook: ‘Nae Betlehem doet het gestarnt ons wysen’, dus dan gaat de Engel weer en even éérder natuurlijk hê, zodat hij dat kan zeggen, en de Engel staat nu ook daar, totdat koning Balthasar is uitgesproken. De (10-1-1976: blauwe koning met wit haar) gaat niet direct zitten. Dat is ook wel interessant, dat  Balthasar eerst blijft staan, dan komt de zin ‘gelyck myn hofstoet my heeft an geseyt’, en dan pas gaat hij zitten (staande kan je niet zo goed nadenken, zeker als koning niet), en dan zegt hij: ‘O, nimmer en hoordic, veur ofte nae’. Goed. die is dan ook weg, de Pagie heeft hem daartoe uitgenodigd. De Engel gaat dan weer op haar oude plaats staan. En dan komt de derde Koning,  Kaspar (10-1-1976: groene Koning met zwart gezicht en rode lippen), en Kaspar zit helemaal niet, die doet alles staande.

Veltman*: weet je dat zeker, Noor. ik dacht dat hij ook op het eind nog even ging zitten.
G: bij: ‘Sy soeken alder weghen mit groot misbaer offet oock ieuwerinc te vinden waer’, ja, daar kán hij bij gaan zitten, ik meen dat dat wel eens gebeurd is (opmerking van de notulist: op 10-1-1976 ging hij inderdaad zitten), maar de laatste koning die we gehad hebben, deed dat niet.

G. schreef op 27-10-1979 aan de notulist:
De laatste jaren werd Kaspar steeds door dezelfde persoon gespeeld. Ik meen. dat het niet nodig is dat hij gaat zitten, maar er is volstrekt geen bezwaar tegen het wel te doen.
Hij moet dan gaan zitten bij:’ Wat efter salt geschenck end offer syn’ en weer opstaan bij: ‘Mit alsulck offer willic tot hem gaen.’

V.: maar de troon staat er dan voor noppes.
G: nou. dat hindert toch niet.
V: op het toneel mag nooit iets voor noppes staan.

G: hier verplaatst de Engel (zich) niet, want wat de Koning zegt, dat komt daarvoor niet in aanmerking. Zij gaat dus,  nadat de Koning naar de plaats is gebracht door de Pagie, ook terug. Dan haalt de Duivel de troon weg. Dan komt de 1ste ommegang (nr.1).
Die moet gelopen worden in de vorm van een lemniscaat en dat is niet zo gemakkelijk. De Engel voorop. ‘Der wysen starre blinckt ons claer’ .

regie-aanwijzingen driekoningenspel5

Vraag: komt er ook een kruising tot stand ?

V.: nee nèt niet, dat is te moeilijk voor leraren, dat kan niet. Advies uit de zaal: de Engel moet de eerste lus sterk uitbochten naar voren, dan komt het altijd goed, dan heb je geen kruising. Als je de lemniscaat plat maakt, loopt het mis. Het zou echt wel leuk zijn om eens zo’n kruising te proberen. V: daarvoor moet je eerst de leraren eens een paar jaren euritmie laten doen.

V: de Schriftgeleerden, die komen, en nu is het mooie dat het niet helemaal klopt, want als de goede afdeling op tijd is aangekomen, zijn de Schriftgeleerden er nog niet helemaal: die sloffen dan nog eventjes er achteraan naar hun plaats. Dit is dus bij de lemniscaat. De muziek is dan al klaar.

V: de Pagie haalt elke Koning af vóór deze opgaat: de Pagie staat op, maakt een buiging, maar niet dan nadat de vorige koning is gaan zitten G: dat kan ook bijna niet, want de Pagie staat naast de troon van die Koning: die Koning gaat weg en de Pagie gaat er achteraan, dan zijn ze terug, en dan beginnen ze met de volgende.

Jo Hass schreef op 16-11-1979 aan de notulist: De Koningen gaan langs de kortste weg van de troon naar hun plaats terug.

Vraag: en buigt de Pagie ook als die Koning daar weer zit, nog als groet ? Antwoord: nee, de Koning staat op, en de Pagie gaat daar weer direct achteraan. V: wat er werd gezegd (zie boven) over “daartoe uitgenodigd door de Pagie, dat geldt voor het opstaan dáár.

Vraag van de notulist: hoe lopen de Koningen hier ? Antwoord: alle drie Koningen links van de troon op rechts van de troon af:
regie-aanwijzingen driekoningenspel2

G: na deze ommegang nr.1 begint de Engel met dwars over het toneel nu links te gaan staan. Daar zijn achtergebleven, of achtergebleven ja, dat zijn altijd gewoon van die technische dingen: als je dus op een toneel blijft, dan moet er soms iemand van het toneel af om op te komen: dus na deze ommegang gaat de staart met Kaspar aan de linker kant af, Balthasar loopt achter het doek om en gaat rechts achter staan, zodat nu op het eind alleen Melchior nog over is, en die komt dus met de Pagie niet al te veel naar voren, en dan ziet de Pagie daar dus dat de beide anderen aankomen: Kaspar van links en Balthasar van rechts. Die naderen en dan hebben ze een gesprek.

En dan is het heel mooi, vind ik altijd, om op het moment dat Kaspar heeft gezegd:
‘Dit selve heeft my op de baen gebragt,
dat  hoochelyc een wonder wort geagt,
hier omme wy van herten seere –
mogtet so syn – het vinden begeren’

en dan staat er en dat staat in mijn tekst namelijk niet: de Engel gaat langzaam naar de achtergrond. Maar veel mooier is het en zo heb ik het ook altijd gezien  en daar kom je namelijk eerder toe als het er niet staat, om terwijl Kaspar dat zegt, de Engel al naar de achtergrond te laten gaan, want als zij daar namelijk is en dat antwoord van Melchior tegenkomt op wat Kaspar daar net gezegd heeft, dan is dat: ‘Doch, nu de starre schier verdween’ en dan is die ster namelijk helemaal weg, dan is de Engel inmiddels hier aangeland, en wanneer Koning Melchior dat zegt, doen de Koningen een stap naar voren toe, ze komen wat dichter bij elkaar en dan krijg je namelijk als beeld, prachtig, dat ze daar even volkomen in eenzaamheid staan. Eerst staan ze achter op het toneel niet te dicht bij elkaar, dan verdwijnt de ster, en dan is het zo, ik weet niet of U dat zich kan voorstellen zo, dat ze zo met zijn drieën dan wat dichter bij elkaar wat meer op de voorgrond komen. Vraag: de Engel, die gaat daar echt weer achterlangs ? Antwoord: nee, die gebruikt die hele tekst van de Koningen om in een langzame boog achterom te lopen en die moet dan zorgen – dat is altijd weer moeilijk voor die engelen – dat ze hier aangeland is, wanneer Melchior uitgesproken is en gezegd heeft: ‘of wy in gintser stede welligt niet en vernamen een naeder berigt’

regie-aanwijzingen driekoningenspel6

Engel

dat moet ze secuur uitknobbelen, want dan krijg je nu de muziek van nr.2

“Drie coninghen tyen, de starre veur an”, dan is ze er weer om vooraan te lopen.

Ja, zo duidelijk? Dan lopen ze hier in een driehoek. Dus de Engel loopt zó, en de Koningen voegen zich zó achter haar, en dan wordt de driehoek dus echt keurig zo afgewerkt, en dan kunt U dat pas op het toneel mooi vertonen wat hier netjes is, namelijk dat precies op de regels uitkienen, zodat ze aan het eind van het lied hier staan: “daer bleve de starre stil staen”.
regie-aanwijzingen driekoningenspel8

En dan komt de rest van de Kompany er bij voor nr.3.
De Engel moet dus wèl zorgen dat ze dan niet te ver is, want de rest van de Company moet dan gaan inhalen, want op dat ‘staan’, staat de Engel, maar staat ook de rest van de Kompany en gaat dan bij het volgende lied (nr.3)
Ter tyt Herodis regiment’  de zaal in.

Vraag: dat “Drie coninghen tyen”, wordt dat ook nog eens een keer gezongen nadat de Koningen in Jerusalem zijn geweest, en voordat Balthasar spreekt “Siet an, de sterre gaot veur ons uyt” ?
Antwoord: nee. Vervolg vraag: daar zit een beetje de vraag in: ik heb eens een keer in het spel gespeeld, waarin dit ene lied (nr.2) op die plaats is gezet, omdat natuurlijk vanuit de logica iets niet helemaal klopt: de ster ver­dwijnt, en dan zie je ze even later weer achter de ster aan lopen.

G: maar je moet deze dingen nooit logisch nemen (vraagsteller: nou, dat weet ik niet…), niet al te logisch. Kijk, die Koningen worden natuurlijk toch geleid door de ster en dit lied hoort hier (tekst: pag.5) dus echt, want nu waren ze dus alleen, maar toch, en nou is het mooie: ze zijn in de gesproken tekst de ster kwijt, maar in het lied komt hij weer te voorschijn. En het staat hier echt hoor, hier eerst, oorspronkelijk staat het eigenlijk op deze plaats.

V: het is natuurlijk de overweging, het is niet zo zeer een logische overweging, maar het is omdat natuurlijk toch duidelijk de ster niet naar Jerusalem leidt: de ster leidt naar Bethlehem en daarom kan ik begrijpen dat je dit zo doet, maar ja, het staat er sinds mensenheugenis echt op deze plek, en niet op een andere plaats. Vraag (vervolg): nu ja, het is ook volgens mij zo, dat de Koningen tegenover de Herders toch inderdaad wel de denkkrachten meer vertegenwoordigen en het is ook vanuit hun eigen denken, dat ze op een gegeven moment tot het besluit komen: kom, laten wij naar Jerusalem gaan.

G: ja, maar ze komen op die gedachte doordat ze de ster zien, want die ster zien ze dus alle drie.

V: ja, want je zit er dan trouwens nog mee: hoe krijg je de Koningen dan weg van het toneel als je dat niet met dat lied doet, want die moeten weg, want dan komt Herodes, hoe krijg je ze dan weg, als je dat lied (nr.2) daar overslaat ? G: ja, maar er komt nog een ommegang (nr.3), dus het is mogelijk om het zo te doen: ‘Ter tyt Herodis regiment’ komt er nog achteraan en dat is juist het moeilijke he, die aansluiting. V: ja, ik geloof dat het daar moet blijven, hoor, compositioneel gezien: hoe dat driekoningenlied aansluit met ‘Ter tyt Herodis regi­ment’, met die hele profety daar, dat is onverbreekbaar verbonden. Dat lied nr.2 wordt dan misschien nog eens herhaald, dat is een mogelijkheid, maar op die plaats horen nr.2 en nr.3 helemaal bij elkaar.

V: mag ik daar één opmerkinkje over de tekst van nr.3 maken. Omdat er meestal niet zo veel Latinisten onder de collega’s zijn, wordt dat vaak zó gezongen: ‘Ter tyt Herodes’ regiment’, maar er staat ‘Herodis regiment’, dat is de genitivus van Herodes. Het is juist wel leuk dat er nog op enkele plaatsen alleen in dit spelstukje te herkennen is, namelijk ook in dat ene lied, dat die spelen eigenlijk uit de liturgische Latijnse drama’s zijn ontstaan, al is het wel het laatste restje. De Koningen zingen op een goed moment in het Latijn, en dit is óók een stukje Latijn, maar goed, zoals je ook Christi geboorte zegt, dit is ook Latijn, dus: Herodis. Let maar eens op als u met Uw groep dit zingt: dus niet Herodes'(met komma), maar Herodis, Opmerking uit de zaal: die Latijnse resten vind ik toch beslist niet mooi in het Nederlands.
V: o, maar dat is een andere kwestie, maar dan ga je dus aan de vertaling van mej.Bruinier tasten: daar moeten we dan een andere bijeenkomst over houden. Zo lang we die tekst van haar nog gebruiken, G: en ik hoop dat we die nog heel lang mogen gebruiken…), is het Herodis.    (gelach)

G: dus die ommegang nr.3 is voorbij en iedereen zit op zijn plaats en de Duivel zet dan de (10-1-1976: rode) troon van Herodes klaar.

Mevr.v.d.Kroef: zouden we dan niet even noemen, dat nu tot dit stuk soms Viligratia ook de Lakei speelt en dus dan ook af moet bij die ommegang ? Zo niet, is het geen punt, als je spelers genoeg hebt.

G: maar dat is al eerder gebeurd dan: dan verdwijnt Viligratia bij de lemniscaat en die (speler) komt nu dan weer terug als Lakei.

V: is dat ook duidelijk voor iedereen, dit punt ? Ik weet niet hoe dat komt, het is waarschijnlijk ook uit die Oberuferer traditie, want daar hadden ze ook voor bepaalde rollen maar een beperkt aantal spelers: God-Vader speelde altijd de rode Koning, zodat dus de Lakei en Viligratia door dezelfde persoon wordt gespeeld. Het hoeft niet, natuurlijk niet, maar wij hebben het hier altijd wel gedaan. En dan moet  Viligratia, die moet al even eerder met de lemniscaat-doorgang weg en die moet zich verkleden, die moet een andere pruik op zijn hoofd en die moet een beetje anders geschminkt en dan voegt hij zich bij deze laatste ommegang (nr.3) weer in.
Vraag: alle spelers zijn zichtbaar, geeft dat geen spanning: Viligratia is er niet meer, vraagt de argeloze toeschouwer zich niet: heb ik Viligratia nou gezien ? Antwoord G: heb je hem ooit gemist ? Antwoord: nee.

Vraag Jo Hass: mag ik iets vragen dat met een trekje in het stuk heeft te maken: die muts of hoed, die Viligratia draagt, die heb ik al eens gezien met de planetentekens er op, is dat fout ?
G: ja, dat heb ik ook wel eens gezien. Die Sinterklaasmuts is wel aangegeven, maar die tekens, ik geloof eerlijk gezegd dat die er eens afgegaan zijn, want die zijn er dan opgeplakt (geweest), en toen heeft een welwillend iemand, die het zielig vond dat ik dat dan ook nog weer moest doen, die heeft er wat opge­plakten die heeft er wat anders opgeplakt, (gelach)

Jo Hass: ja, ik vraag het daarom, omdat ik het hier niet zag, ik dacht, hangt het samen met:    “Ghenadighe coninck, dit sy van my verre , .
Doch willic de profeten consamaneren                 (tekst pagina 2)

dus hij wil dat eigenlijk niet. Dus die achtergrond heb ik er achter gezocht.

Veltman: nee, hij is niet meer helderziend, hij kan het niet meer zelf zien, hij leest het uit de boeken. Tineke, weet jij daar iets over ?

Tineke Witvliet: in Stuttgart hebben ze ook die Sinterklaasmuts, die mijter, maar met een spiraal die naar binnen toe gaat, een inwikkelende spiraal. Volgens Frau Berthold is dat een “Angabe”.

G: schreef op 27-10-1979 aan de notulist: Over die tekens op de mijter ben ik niet zeker. De zogenaamde “Angaben” van Frau Berthold lijken mij soms wat  “fragwürdig” !

V: het lijkt me inderdaad zeer de vraag of die planetentekens juist zijn, ik geloof dat het niet moet.
G: we hebben wel eens zo’n spiraal opgeplakt, maar die is er afgegaan en toen hebben we er iets anders opgezet, maar dat lijkt niet op een planetenteken, dat is zo maar iets.

Tineke: in Stuttgart is het hele costuum van Viligratia anders. V: o, vertel eens, dat is leuk.
Tineke: het is zwart, het is net een schilderij van Rembrandt: een grote witte plooi­kraag, zwarte kuitbroek met zilverkleurige knopen en ook zwarte schoenen met zilver­kleurige gespen, dus echt een geleerde. En wel die muts.

G: in Stuttgart, daar waren heel wat vreemde dingen bij voor mij. Tineke: Jozef heeft een heel grote hoed op.
G: ja, bij voorbeeld En een zespuntige ster op de Madonna-ikoon. Daar moet er helemaal geen zijn:

Kleuren van de  Madonna-ikoon in Den Haag
Maria heeft een blauw boven­kleed met een lichtgele zoom ter hoogte van schouders, ellebogen en enkels. Haar onderkleed, zichtbaar boven de enkels en bij de linker pols, is lichtrood. Het kind heeft lichtblauwe ogen, en is gekleed in de zelfde kleur als het onder­kleed van Maria: lichtrood. Het heeft iets geels (boek?) in de linker hand. Beide hebben donkergeel haar.

V: je ziet het, zó zie je het, zo zie je maar eens: wij moeten dat gewoon alle­maal kiezen hè (Ruud Gersons: als je maar je eigen achtergrond hebt), maar het be­roerde is-: wij kunnen hier tenminste nog vrij duidelijk aangeven van wie we de dingen hebben, en dan kun je daar natuurlijk, aan die bron kun je gaan twijfelen, maar er zijn ook meningen van mensen, die beweren dat het van Herr Doktor komt, en dat gelóóf ik vaak helemaal niet hè, dus dat is het moeilijke hè, je kunt dat iemand niet in zijn gezicht zeggen.

V: goed, gaan we verder met de boze afdeling, met Herodes. Klopte de knots van Herodes (met Stuttgart) ?

G: die knots heb ik niet meegenomen. Tineke: die scepter ? Veltman: die scepter, met zo’n burchtje erop, met die kantelen. G: ja, dat klopt wel.    (gelach)

regie-aanwijzingen driekoningenspel3

V:  Herodes zit dus hier (10-1-1976: Herodes met rode mantel, zwart gewaad, zilveren ketting, gouden kroon, gaat zitten bij ‘ende op de hoochste plaats geset’. De Duivel heeft de (10-1-1976: rode) troon daar nu klaar gezet en die mag daar met die troon natuurlijk iets meer geintjes maken dan bij de Koningen.
Vraag: in het midden ? ik dacht dat die juist aan de zwarte kant moest staan.
V: nee, dat is ook gemakkelijker voor de souffleur, want   Herodes heeft een moeilijke rol.       (gelach)

Vraag: waarom staat de troon in het midden ? Krijgen de Koningen dan straks niet te weinig ruimte, als zij op bezoek komen ?

Antwoord G: je kunt eenvoudig het toneel in drie afdelingen verdelen, dus:

Jozef en Maria                             Herodes                                         drie Koningen

De plek van Herodes is in het midden gewoon, de plek van Jozef en Maria is links, de plek van de drie Koningen is rechts. Vraag: waarom ?

G: waarom, ja hoor eens, je moet mij nooit vragen waarom, ik heb dat zo 55 jaar lang gezien, en dat is genoeg.
Vraag: ja, maar waarom in het midden, ik vind het juist heel interessant, zijn daar gezichtspunten over ?
Antwoord uit de zaal: misschien moet je daarbij overwegen dat Herodes hier toch duidelijk in het middelpunt zit, hij kan naar de goede kant gaan, hij kan ook naar de slechte kant gaan.

V: ik heb nu gehoord de gedachten over hoe het met Herodes zit, maar het is toch duidelijk dat Herodes de tegenhanger is van dat kind dat geboren wordt, dus dat hele drama om zijn persoon gaat, dus dat hij in bepaald opzicht wel een middelpunt­figuur is. Maar zuiver technisch zou het ook niet erg mooi zijn om zó lang deze helft van het toneel leeg te laten.

Harry Polderman: probeer je eens voor te stellen dat je Herodes speelt, en dan daar (= links) moet gaan spelen: je beheerst het toneel niet meer. Als je in het midden zit, zoals nu, beheers je het hele toneel als beeld, maar als je daar gaat zitten…. Veltman (“daar” zittende nu): ‘Bin ick eerst regt op een verbolghen’ (gelach)

G: ik wou zeggen, dat, wat Harry daar zegt voor deze scène, is natuurlijk voor die laatste scène, waar hij dus door de Engel de hellekroon opgezet krijgt, dat is natuurlijk schitterend: dat je dat in het midden speelt, dat kan je niet in een hoekje stoppen.

V: er wordt geklopt en d e Lakei staat dus aan deze kant en die gaat dus kijken, die gaat kijken en die komt dan terug en die vertelt dan de Koning…    moeten we dat helemaal spelen ? Antwoord: nee.

regie-aanwijzingen driekoningenspel7

Vraag: wat is dat voor een man, die Lakei, is hij gewoon wat gek, of ? Mag hij soms wel in die richting geregisseerd worden ?

V: dat is altijd het moeilijke met die Lakei: die mag natuurlijk hier en daar wat, laat ik zeggen, caricaturaal worden aangezet en we hebben hier een soort traditie in die richting, omdat in Den Haag Henri Zagwijn de eerste Lakei was en dat was een koddig mannetje met een gnomig hoofd, zijn opvolger Laffree deed de scepter van Herodes na met zijn duim, Soetekouw maakte er een geniepige gek van, een rotventje, een slaaf met een lakeienziel. Het moeilijke van de Lakei is, dat hij niet gaat schmieren op de uitvoering, en dan daarmee het tragische van Herodes wegspeelt: dat mag niet. Dus niet te dik er boven op leggen, bijv. als hij schrikt van de zwarte Koning, hij moet met Herodes in evenwicht zijn. Zagwijn, Laffree en Soetekouw waren zó kunstzinnig, die schmierden niet.

Opmerking van de notulist: op 10-1-1976 bij Kaspar: ‘brenghenme u kondschap van het kinde’, komt de Engel naar voren. Na de Lackeye: ‘de overpriesters byeen vergaere’ klopt Herodes heftig op de leuning van de troon.

V: de goede, edele Pagie loopt mooi driedelig, maar als de Lakei met zijn mooie kostuum om de Schriftgeleerden roept, komen ze alle drie in hun grijze (10-1-1976: zwarte) kostuum en zij lopen zonder spieren, alleen met botten en pezen, geen enkele beweging mag soepel zijn, ze lopen op hun hakken. De Schriftgeleerden hebben geen ziel, alleen kennis en weten van de letters, het is een luguber stel. Als het grappig is, wordt het fout gespeeld. Als je het goed doet, lachen ze niet in het publiek. Het is echt geen demonstratie van antisemitisme. Ze spreken scherp consonantisch. ‘Heer’ heel   snel herhaald enz.
‘Joetse lant’ wordt uitgesproken als’ joodse land’

Er zijn een aantal uit de traditie overgeleverde dingen:
Bij Kaifas:       ‘Het saat der vroue ( = afstammelingen van Eva) sal der slanghe den kop vermorselen en alt verlorene sal hy weeromme bringhen.’ dan stampen ze op de grond bij ‘vermorselen’, en keren ze zich om bij ‘weeromme bringhen.’

Bij Herodes: ‘myn ryck staet hier in groot gevaor’, dan lachen ze schamper, en maken ze dienovereenkomstige gebaren en als antwoord daarop zegt Herodes: ‘wattic u segghe dat is waor.’
By Kaifas:’‘Heer, so en dorfment niet verstaen als soude u ryck te gronde gaen: een coninck sal hy worden geagt maor niet en heerschen mit conincklycke magt, verwesen sal hy syn ter doot, syn eygenst volleck tot een spot.’
dan steken ze alle drie hun tong uit.

Mevr.v.d.Kroef: speelde onder regie van Ernst Lehrs: hij liet Kajafas gebaren maken met de handen, het zogenaamde “kop afsnijden” (snelle draaiing van spaakbeen om ellepijp en terug !) ter hoogte van de hals: de buik was hem al te laag !

V: bij Herodes: ‘Twaor beter sulx te veure comen dat jonck hem tleven wier benomen,’ daar reageren de Schriftgeleerden niet zo op.
Bij Pilatus: ‘of syt aldus hebben bevonden’ spreken de Schriftgeleerden het laatste woord (steeds) drie maal uit.

Als de Schriftgeleerden in hun papierrollen gaan kijken, rollen ze die horizontaal (!) uit, en lezen ze van rechts naar links, ze houden ze Herodes voor zijn neus.
Als Jonas spreekt: ‘Sy doene allen eenparighlyc weten’, dan spreken alle drie Schriftgeleerden deze 5 regels tegelijk uit: ze schreeuwen ze in zijn oren.

Maar dan schreeuwt Herodes, dat de kinderen het in hun broek doen, z6 geweldig gaat hij te keer, hij eindigt met: ‘maekt u van hier’
(10-1-1976: Kaifas krijgt een schop na).

De Schriftgeleerden haasten zich naar hun bank links achter en vallen met bank en al om. Deze bank moet dus van te voren al los staan !

Na Herodes: ‘op dattic vergiete het kint syn bloet’ is er, achter het toneel (in rood licht) een lach van de Duivel.

Na Herodes: ‘O wee, is neymant soot vermogt ? is geen daor so my by wilt staon ?’ komt de Duivel (listig) binnen, en die houdt eerst een (consonantische !) alleen­spraak, springt om Herodes heen, tikt hem op de schouder als hij juist de andere kant uit kijkt, enzovoort.

Dan Herodes: ‘Van anghsten soudic vast versaeghen.’

Dan de Duivel weer, hij eindigt met ‘dies maekt u op, geen uur gewagt’  en doet dan twee of drie stappen naar links, waarna Herodes hem terugroept.

Als Herodes zegt: ‘Ghesel, op iet bin ick noch bedacht’, komt de Duivel weer dichter bij.

Als de Duivel zegt: ‘wilt ghy oock duyvel syn, so merckts, so merckts:’, dan zegt hij dat twee maal ‘so merckts’ met een hoge, (bijna) piepende stem.
De Duivel staat bij ‘ghy sult ombringhen alle knegtjes kleyn’ achter Herodes, en loopt daarna bij ‘dan doenic laghen in myne vuyst’ van rechts achter naar links voor, en gaat daar dan af.

Bij “Bix Bax” gaat het licht uit. De troon wordt weggenomen.
Bix Bax is een oude toverspreuk. Schroer S.57: Pix = Pech, Hölle ?(hel)

Nu komt de ommegang nr.4, met de Engel voorop.

V: de Koningen volgen de ster = Zarathustra. Het kind is al geboren. De Engel draagt die ster. Dit is het kosmische beeld van de Jonkvrouw met de Ster bekleed: de geest van Zarathustra, die de aarde bezoekt in de persoon van Jezus van Nazareth. Dat staat ook in Jesaja 7:1.

Het is mooi als iedereen bij de laatste regel van nr 4 ‘in Betlehem bleve de star stil staen’, nu ook werkelijk stil staat.

Dan de ommegang nr.5 (10-1-1976: in de zaal): Geboren is in Betlehem’. Daarna gaat de Engel naar links voor, de Koningen staan dan op. De Pagie haalt een krukje voor Maria met kind op arm.

Volgens v.Bemmelen heeft de Engel geen ster op het voorhoofd (zoals in het Kerstspel). Wel heeft Maria een sterrenkroon.

De Koningen zijn de ster nog steeds kwijt: ze zitten in de eenzaamheid.
Kaspar: ‘Verlaet o heer ons nemmermeer !’  is een gebed

Melchior: ‘Welc deuser twee paden macht regte syn ?’: dan zien ze de ster stille staan bij Jozef en Maria. Dan zingt Maria het eerste deel van nr.6.

Vraag Jo Hass: zijn er bij ‘Welc deuser twee paden macht regte syn ?’ vier heffingen met soms één soms twee korte lettergrepen ? Is het ‘Welc deuser twee paden (Den Haag), of  ‘Welc deuser paden’ (Rotterdam) ? antwoord: voor de vraagsteller onduidelijk.
Opmerking notulist: in de Duitse tekst: “Hier san zween weg, wölchs ist der recht ?’ Nu komt het ritueel van de offering.

De Pagie neemt van iedere koning de staf in ontvangst.
Opmerking uit de zaal: in Bergen is het een traditie, gekomen uit de heilpaedagogische instituten, dat de staven omgekeerd gebracht, en ook omgekeerd weggebracht worden.

V: als je een teken omdraait, is dat zwarte magie, ik zou het nooit doen. Tineke: in Stuttgart heeft de blauwe Koning de grootste staf, de staf van de rode Koning past erin, en die van de groene Koning weer daarin, en de knoppen van de staven verschillen ook: tesamen een lotos.

Opmerking notulist (10-1-1976): iedere koning knielt en zet de offergave voor zich neer, de andere twee koningen blijven geknield met handen tesaam.

rode K                                                  blauwe K                                                   groene K

Dan zingt Melchior ‘Psallite unigenito’ nr.6 tweede deel).

Bij het weggaan van de Koningen is drie maal buigen wel aangegeven (bij de Herders niet) . De drie Koningen buigen drie maal tegelijk en gaan achterwaarts. De Pagie komt drie maal met staf en wijst hen de plaats aan.

Mevr.d.Kroef: het bij elkaar zetten van de staven (Christengemeenschap Rotterdam) is mij niet bevallen.

V: dan valt slagschaduw op de Engel, dat is lelijk. Dus bovenlicht !

Na de offering gaan de drie Koningen langs Herodes, maar zij kijken niet naar hem.

Opmerking notulist (10-1-1976): als Jozef spreekt blijft hij achter Maria staan. Het wordt donkerder. Het wordt nacht. De drie Koningen knielen.

Dan komt de nocturne nr. 8. De Engel begint achterwaarts te lopen en als zij slapen (Ic laghe in eene nagt en sliep” ), dan spreekt zij: ‘Ghy heylghe coninghen van oriënt’, dit klinkt van verre. De Engel moet daar ‘etherisch’ spreken.
regie-aanwijzingen driekoningenspel4

Als de Koningen slapen, slaapt Jozef ook.

De Koningen vertellen hun droom en gaan weg met nr.9.

Dan komt de dialoog tussen de Engel en de geknielde Jozef. Jozef en Maria kijken naar voren.

G:   liet, als Maria nr.10 zingt, Jozef opstaan bij ‘Hier om staet op, syt wel gemeyt’ (= weest welgemeend), maar men vond dit destijds te intellectualistisch, je moest niet precies doen wat je zei, en zo..

De Pagie komt (10-1-1976: neemt de offergaven één voor één mee naar links), haalt tenslotte ook het krukje weg en gaat zitten.

Opmerking notulist (10-1-1976): de Duivel brengt de rode zetel van Herodes. Het toneel is verduisterd in rood.

V: de Duivel komt met 1.mandaat, 2.zakje met geld, 3. zwaard.

Bij Herodes (10-1-1976: steeds zeer consonantisch): ‘soo willic om gaon mittet kint.’ fluistert de Duivel hem iets in het oor.

Dan komt de moeilijke ommegang rondom de troon waarin Maria nr.11 zingt: Zij moet steeds frontaal blijven. Belichting: een spot recht van boven op Herodes en iets voetlicht. Als het lied uit is, is Maria achter op het toneel. Het is een vizioen,  dus Herodes fixeert Maria niet: hij kijkt recht vooruit en iets omhoog.

Opmerking notulist (10-1-1976): bij Herodes: ‘Wout ghy my dan verordineren? staat Herodes op, en het licht gaat aan.

V: dan spreekt de Hooftman het mandaat uit. Judas is er bij.

Flink stampen bij het wegmarcheren. Het gevaar is, dat daar om gelachen wordt, maar dat is niet zo erg, als het daarna maar stil wordt.

Opmerking notulist (10-1-1976): Judas protesteert, de Hooftman steekt hem met rood zwaard, brengt hem weg.

Herodes: ‘Siet hier, hooftman, neemter dit sweert’. Herodes geeft het zwaard. Opmerking notulist (10-1-1976): bij de Lackeye:’ ick laot my niet besteken’ (=omkopen) maakt hij het gebaar van geld tellen.

V: dan komen ze terug met in de rechter hand de gedode kinderen. Achteraan op­staan. Dit moeten echt wel popjes zijn, maar niet “naturalistisch op ware grootte’: het kunstzinnige gehoorzaamt aan andere wetmatigheden, het moeten aanduidingen zijn. Een stuk rauwheid zit hier in.

Tineke: Frau Berthold had de poppen in wit en zwart, absoluut niet realistisch. V: het rode tongetje moet uit het Duivelskind hangen.

De Duivel komt op van links, trapt tenslotte het kind dood, en strooit de inhoud als zaagsel over Herodes heen, dat deze natuurlijk niet mag afkloppen. Dan de Hooftman: ‘Coninclyc majesteyt, ic bid om verschoningh’. Herodes wil zelf in Bethlehem gaan kijken. Lackeye: ‘Een appel end een mes bringht haestiglyc dattic myn here laefenis reick.’

V: zie hiervoor Emil Bock: “Caesaren und Apostel” bladzijde 92:

In den Gärten von Jericho, wo der kranke Greis vergeblich nach Linderung seiner Qualen sucht, läßt er sich Apfel und Messer bringen mit der Absicht, seinem Leben ein Ende zu be­reiten. Der Selbstmord wird verhindert, aber bald darauf erliegt er seinen Qualen, während in Jerusalem bereits stürmische Unruhen ausbrechen: die strenggläubigen Juden gehen bilderstürmerisch gegen die Prunkschöpfungen des Herodes vor .
In de tuinen van Jericho, waar de zieke grijsaard tevergeefs naar vermildering van zijn kwalen zoekt, laat hij zich een appel en een mes brengen met de bedoeling zijn leven te be-eindigen. De zelfmoord wordt verhinderd, maar spoedig daarna sterft hij aan zijn kwalen, terwijl er in Jeruzalem al stormachtige onlusten uitbreken: de strenggelovige Joden gaan als beeldenstormers tekeer tegen de pracht en praal van Herodes.
 Schroer S.58  Hat der Apfel tiefere Bedeutung? der Tod bringende Apfel Adams? Heeft de appel een diepere betekenis? De dood brengende appel van Adam?

De Engel komt tegelijk op met de Hooftman ,en zingt nr.12:
‘Herodes, Herodes, ghy snoode tiran’
Zij staat daarbij op een kleine verhoging achter de troon.

Jo Hass schreef op 16-11-1979 aan de notulist: Daarvoor moet de Duivel zorgen, als hij Herodes’ troon voor de slotscène klaarzet.

Bij Herodes: “dies heeft den duyvel my ten val gebragt’: laat de Hooftman de geldzak vallen.

By Herodes: ‘nu vaer ic henen in Abrahams hof.’ valt zijn hoofd achterover en de kroon valt, hij grijpt naar zijn hart. Duisternis.

V: de Engel zet hem de “helle-croon”, de kroon met vlammen op: het oerbeeld van de clownsmuts. De Engel heeft deze kroon achter een bankje.

Opmerking: op de VPA niet: de Engel zegt het tegen de ‘hellegheesten’, en die doen het.

Opmerking Jo Hass: in Rotterdam geeft de Duivel de kroon aan de Engel.
G schreef op 27-10-1979 aan de notulist: Wanneer de Engel zelf de helle-croon meebrengt, moet deze gedurende het hele spel ergens onzichtbaar binnen haar bereik staan.

Dan spreken Hooftman, Lackeye en Krygsknecht tesamen: ‘Wat baet de hoghe troon, wat schepter ende croon, schepter en regiment,  tgaet alles ras ten end.’
Dan gaan ze weg.

De Duivel komt: ‘Buckt u Joostjen, buckt u,’, alsof hij tot een mede-duivel spreekt.
En later de Duivel: ‘Wagt, efkens sien of ghe oock swaor syt.’

De ziel van Herodes is héél licht, weegt bijna niets. Hij gaat jammerend af.

Dan komt de passage met de Hooftman: ‘Ach, wat heeft myn heer coninck bedreven.’ Deze tekst, met het zich ophangen en verdrinken, heeft eenzelfde inhoud als het tweede optreden van de Duivel in het Paradijsspel.

De Hooftman doorsteekt zich en valt in de troon van Herodes, dat wil zeggen hij neemt het karma van Herodes op zich, het is een zeer positieve zelfmoord. Deze Hooftman is zijn geweten nog niet kwijt.

De Romeinen deden de verschrikkelijkste dingen, maar er was ook een hoofdman over honderd (Marcus 15:39), die zei: ‘Waarlijk, deze Mens was Gods Zoon’. Zeer indrukwekkend.

De Duivel moet nu snel alle spullen opruimen.

In de ommegang nr.13 loopt Herodes als een slappe, uitgebluste veroordeelde er achteraan.

Opmerking notulist (10-1-1976): de Duivel houdt Herodes (zijn buit) in de kraag vast. Slotwoord van de Engel en buigen.

Vraag Jo Hass: waarom is het in nr.13 Jesu den Messias en niet Christus den Messias .Antwoord: voor de vraagsteller onduidelijk.

Opmerking notulist: in de Duitse tekst staat: ‘Seid fröli und jubilieret, Christus dem Messiä, (maar in de muziek van van der Pals staat  ‘Jesu den messias’

Vraag: over de kleding van de Koningen.
G: de Koningen zijn met niets zo aan te kleden, dat ze worden wat ze zijn. Crêpepapier met kleurige belichting is werkelijk erg mooi, anders wordt het niets.
V: het geestelijke wordt daardoor juist versterkt: van de Koningen gaat dan iets uit als van een andere wereld. Het is een mooie vondst, want hoe durf je zo iets te doen ?

Mevr.v.d.Kroef: volgens Ernst Lehrs waren de Hooftman en de Lackeye twee uitgetreden zielekrachten van Herodes in het extreem: Hooftman: het bloederige, brallerige.
Lackeye: het slaafse, onderdanige, strebe­rige.

V.: je kunt dit op verschillende niveaux bekijken.

Jo Hass schreef op 16-11-1979 aan de notulist: De ‘lichte” en de “zwarte’kant tellen beide acht spelers:
Licht: Engel, Melchior, Balthasar, Kaspar, Pagie, Viligratia, Maria, Jozef. Zwart: Herodes, Lakei, Hoofdman, Soldaat, drie Schriftgeleerden, Duivel.

Jo Hass schreef op 16-11-1979 aan de notulist: Na de aanbidding door de Koningen en het wegtrekken van Jozef en Maria naar Egypteland, komt de waanzinscène van Herodes gevolgd door diens ondergang. Dat is een lang stuk, waarbij men moet oppassen, dat dit deel niet gaat overheersen in het spel. Zowel de regisseur als de gehele Kompany moeten  hierop bedacht zijn. Het gaat om de aanbidding door de drie Koningen.

Heinz Muller citeert in “Spuren auf den Weg” op blz. 54 Karl Schubert:
In Erinnerung an diese herrliche Zeit und an meinen Freund Karl Schubert seien hier einige Worte aus seinem Aufsatz in den „Mitteilungen* Nr. 6/1948 angeführt:
‘Wer immer beim Erleben der Weihnachtsspiele Freude und inneren Reichtum ge­winnt, der möge daran denken, daß diese Spiele nur eine literarische Tatsache der wissenschaftlichen Welt geblieben wären, wenn sie nicht durch Rudolf Steiner, der in seinem Lehrer Karl Julius Schröer den literarischen, wissenschaftlichen, lie­bevollen Behüter der Spiele kennengelernt hatte, zu neuem Leben erweckt worden wären. – Wenn man sie spielt, so sollte man sie im Dialekt und ohne jede Pathetik schlicht, einfach und würdig spielen. Man bedenke, was es heißt und was es be­deutet, daß solch ein Mensch wie Dr. Steiner trotz der vielen Arbeit sich die Zeit nahm, die Spiele selbst einzustudieren. Daher gehe man als Spieler und als Zu­schauer so an die Spiele heran, daß man in Dankbarkeit an Dr. Steiner denkt, der etwas von seinem Wesen den Weihnachtsspielen gegeben hat.’
In herinnering aan deze heerlijke tijd en aan mijn vriend Karl Schubert laat ik hier een paar woorden uit zijn artikel in de ‘Mededelingen’nr.6 1948 volgen:
‘Wie steeds bij het meemaken van de kerstspelen vreugde en innerlijke rijkdom ten deel valt, zou daaraan kunnen denken, dat deze spelen slechts een literair feit van de wetenschappelijke wereld zouden zijn gebleven, wanneer Rudolf Steiner, die in zijn leraar Karl Julius Schröer de literaire, wetenschappeliijke, liefdevolle beschermer van de spelen had leren kennen, ze niet tot nieuw leven gewekt had. Wanneer men ze speelt, dan moet men ze in het dialect en zonder pathetisch te doen, heel eenvoudig en waardig spelen. Denk eens in wat het betekent dat een mens als Dr.Steiner die ondanks zijn vele werk, de tijd nam om de zelf spelen in te studeren. Vandaar dat men als speler en toeschouwer zo naar de spelen zou moeten kijken dat men in dankbaarheid aan Dr.Steiner denkt die iets van zijn wezen in deze Kerstspelen gelegd heeft.’

*Noor Gerretsen, in het verslag afgekort G
Wim Veltman, in het verslag afgekort V

Kerstspelen – Driekoningen: alle artikelen

Kerstspelen: alle artikelen

Jaarfeesten: Driekoningen: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Driekoningenalle beelden

 

76-73

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

5 Reacties op “VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Driekoningenspel regie-aanwijzingen

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – JAARFEESTEN – Advent (1) | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: VRIJESCHOOL – KERSTSPELEN – Alle artikelen | VRIJESCHOOL

  3. Pingback: WAT STAAT OP DEZE BLOG | VRIJESCHOOL

  4. Pingback: WAT STAAT OP DEZE BLOG | VRIJESCHOOL

  5. Pingback: KERSTSPELEN OP DE VRIJESCHOOL (aantekeningen) | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s