VRIJESCHOOL – Driekoningenspel- regie-aanwijzingen (3)

.

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

KERSTSPELEN UIT DE OUDE VOLKSCULTUUR

DE SPELEN UIT OBERUFER

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET DRIEKONINGENSPEL UIT OBERUFER

Het vorige artikel eindigde met de ommegang (nr.2) van de koningen.

Nu sluit de kompany aan

GT: De kompany singht ommegaende : (No. 3)

Deze ommegang gaat door de zaal. Het hangt van de zaal af hoe je moet lopen om weer ‘op tijd’ op de juiste plaats op het toneel te staan. Soms wordt het 2x gezongen.

Ter tyt Herodis regiment                      Herodis=dis=2e-naamvalsuitgang
syn wysen uyten orient
gecomen veur Hierusalem an
toen Christus reets op aerden quam,
en vraegden alder weghen snel
waer geboren sy die in Israël
nae de joetse profety’n
de nieuw coninck soude syn.

GT: nieuw=tikfout=nieuwe

DH: de koningen zijn niet gaan zitten maar doorgelopen tot achter de coulissen rechtsachter.

Wanneer de kompanij zit, springt de duivel op en draagt de koningsstoel het toneel op. Dan schuift hij met veel lawaai de troon op z’n plaats en poetst deze grondig. Herodes, de engel, de driekoningen gaan staan voor hun plaatsen. Extra: bij het slot van het lied, dat ook herhaald kan worden, is ieder weer op het toneel vóór zijn plaats aangekomen. Nu springt de duivel het toneel op, pakt de stoel van de koningen en sleept die weg. Dan komt hij weer tevoorschijn en brengt de koningstroon van Herodes, zet die op het voorste kwart van het toneel, maakt ook hier allerlei capriolen en wenkt met een handbeweging koning Herodes, plaats te nemen. Koning H komt naar voren en gaat zitten. Links van hem staat de lakei.

GT: Duivel brengt zetel ven Herodes

DH: als de troon staat, staat de lakei op en gaat voor Herodes staat, buigt, doet een stapje opzij en loopt achter Herodes aan, deze gaat zitten en de lakei staat links van hem.

GT: Herodes treet op mitgaeder lackeye en spreeckt:

Bin ick eerst regt op een verbolghen
hy wagte hem veur de gevolghen!
aerts ende gheestlyc hoochste hant
heeft myn hier in der joetsen lant
gemaakt tot coninck al temet

gemaakt=tikfout=gemaekt

ende op de hoochste plaets geset.
Wy willen huyden regtspraak houden,
spreecken mit jonghen ende mit ouden,
die sullen treden al te mael
tot myn in myne ccnineks sael

De blauwe koning klopt    DH: alle drie, ze staan nog in de coulissen
waorc nae se wagt.          ( er wordt geklopt)

Het klopt lackey,
gaot sien wie daor geccmen sy.

De drie koningen staan op. De lakei sprint na een buiging weg, tuurt met de hand boven de ogen in de richting van de koningen, komt terug en zegt:

DH: idem, de koningen staan nog in de coulissen

Lackeye spreeckt:

Gehenadighste coningh, vreemt volc schier sonder tal 

coningh=tikfout=coninck

welcs doeltwit onbekent, comt hende tot u sael,

doeltwit=tikfout=doelwit

veul heren ende eoninghen doense bringhen,
sy moghten ons wel gants omringhen.
Mit costlycke kleedingh synse an gedaon,
vol stacie doense daor henen gaon.

Coningh Herodes spreeckt:

Vraegt opterstont van waor sy comen
ende wat sy haor hebben veur genomen    (Lakei gaat)

Lakei met buiging weg, wendt zich tot de koningen. Buiging.

Lackeye spreeckt tot coningh Malchtor :

Ghy heren, conincklyc majesteyt
mogt weten waor veur ghy gecomen syt
in deuse stadt, alsoock het oort,
lant end geslaght daor toe ghy behoort.

oude tekst heeft ‘tot’

C. Melchior spreeckt:

Wy syn al tsaam van conincklycken standt,

oude tekst heeft coninclycken

twee onser uyt Scheba, eenen uyt morenlandt;

Het boek en de oude tekst hebbeb als aanwijzing – in DH zo gespeeld: lakei schrikt bij ’t zien van den zwarten koning.

Dat komt door zijn zwarte huid en in deze tijd is het m.i. beter deze niet tot aanleiding van ‘iets’ te maken.

isset coningh Herodi nae den sin,
so quamen wy gheern tot syn edelheyt in.

Het boek nu tekst van de lakei.

In oude tekst en GT ontbreekt de herhaling van deze woorden door de lakei. In DH:

Lakeye spreeckt:

Sy syn al tsaem van coninclyken standt,
twee hunner uyt Scheba, eenen uyt morenlandt
isset coningh Herodi nae den sin
so quamen sy gheern tot syn’ edelheyt in.

C. Herodes spreeckt:

Laotse in myn lcoament sonder verdrach
dattic haorlie an heuren mach.

Lackeye spreeckt totten drie coninghen:

Myn ghenadigst heer coninck begeert u precencie

precencie=drukfout=presencie

en dat ghy hem bloot leght u saek end intencie.

De drie koningen komen naar Herodes. Extra: de drie koningen komen naar Herodes en gaan rechts zijwaarts van hem staan, naast elkaar. Herodes gaat staan.

GT De drie coninghen comen voor Herodes, dese spreeckt:

DH: blijft zitten, wel meer rechtop.

Weest willecom heren, hoe dientet verstaon
dat ghy van veer tot mywaerts coomt gegaon ?

mywaerts=drukfout=mynwaerts

C. Kaspar spreeckt:

U edelheyt meughe ons verschenen
so wilc de oorsaek cortlyc ane toonen:
In Scheba onsen landen var
verscheen een sonderlycke star,
daor in eene maegt een kind doet draeghen,

Herodes kijk sceptisch

merckt wel waor van wy u gewaghen.
Hier deur wier ’t eerst ons openbaer
hoe dat den messias gecomen waer,
een coninck geboren over al
soot heir der joetsen dienen sal;

Herodes schrikt
oude tekst: Herodes kennelijk getroffen

hem soecken wy vlytigh uyt alle magt,
dit heeft ons op de reyse gebragt.

Koning Herodes heeft zich afgewend, spreekt tot in zichzelf, duister

C. Herodes spreeckt: (tot zichzelf)

DH: staat op, stapje naar voren

Hoe, hier te lande heyt sulx geschiet,
vreemden bekent, myn egter niet?

Hij wendt zich beleefd tot de koningen

GT: tot de koningen

so tyt me Betlem te deuser stonde,
so danich kint en wort hier niet gevonden.
Reyst henen ’t soecken. En daor ghy sult
hebben anbeden end seffens bedeelt,
bootschapt het myn, op dattic het weet,
dattic als eersten mach syn bereet,
dattic oock tottet kint mcgt reysen
hetzelve aanbidden gelycker wysen.

oude tekst: hetselve

Doet sulx ghy heren te mynen gerief,
’t kint met vereren waor’  my lief.

Hij buigt en gaat op de troon zitten met duister gezicht.

C. Kaspar spreeckt:

U edelheyt, soo wyt mogten vinden,
brenghemme u kondschap van het kinde.

De drie koningen buigen. De engel loopt voor hen over het toneel en gaat aan de andere kant, links staan. Extra: zij wenden zich na een diepe buiging voor Herodes iets naar opzij.

De Koningen gaan ter zijde

C. Melchior spreeckt:

Nu wel aan
wy tyen van Hierusalem van daen.

De engel loopt langzaam voor de koningen uit

oude tekst: De engel die tijdens het Herodestooneel op zijn bank heeft gezeten, is intussen opgestaan en leidt de koningen naar hun plaats terug. 

C. Balthasar spreeckt:

Siet an, de sterre gaot veur ons uyt
dwelc ons reets heeft geleyt
int ryc van orient
daor wy ’t kindeken hebben erkent.

De koningen gaan naar de engel; hij brengt hen naar hun plaats. Extra: de engel leidt de koningen weg – Allen op hun plaats

 

C. Herodes spreeckt: tot de lakei

Die maor en ontroert my niet weinigh den sin
wylc slechts een vreemden coningh bin
en geenen regten. Gaot lakey
roept ras de schriftgeleerden tot my
end overpriesters, op dattic hore
waor den nieuen coninck sal werden geboren,
soot heir der joetsen dienen sal.

Lackeye spreecktdiepe buiging

Ghenadighe soningh, ‘k verstae u wél,
wil sonder dralen end also snel
uytet gantse lant van hende en varre
de overpriesters byeen vergaeren.

Kaifas, Pilatus en Jonas springen naar voren. Hun uitspraak is Joods, hun gebaren buitengewoon levendig; alle drie bewegen ze steeds, kussen zichzelf, naar links en rechts springend, in de schouders krom gebogen, kussen elkaar, slaan de handen ineen en spreken van de koning met karikaturale gebaren die horen bij wat gezegd wordt, in koor zijn laatste woord na. Kaifas spreekt heel dichtbij Herodes onverstaanbaar snel: Extra: de lakei haast zich naar achteren en geeft met de Joden met ijverige gebaren aan dat ze naar koning Herodes moeten gaan. Dan gaat hij op zijn plaats zitten. DH: hij blijft erbij en schermt Herodes af en toe af voor hujn opdringerige gebaren.
Eerst komt Kaifas, kijkt om zich heen. Dan verschijnt Jonas, kijkt om zich heen. Kaifas en Jonas kijken naar elkaar en snellen naar elkaar toe, begroeten elkaar, waarbij ze elkaar omarmen, zich links en rechts op de schouder kussen, om elkaar heen springen, alles met snelle, levendige gebaren. Intussen is de derde Jood verschenen en nu is er weer een begroeting tot ze elkaar alle drie gekust hebben. Al hun gebaren zijn haastitg, veel bewegingen van de handen, vooral bij het spreken. Wanneer de ene spreekt, herhalen de anderen de laatste woorden. Herodes staat op, kruist zijn armen over zijn borst en begroet de Joden met een minzame handbeweging. 

GT: Lakei haalt Kaifas, Pilatus en Jonas met enig talmen en veel luidruchtigheid van hun banken. Hun uitspraak is joodsch, hun gebaren zeer levendig; alle drie zijn gestaag in beweging, kussen, zichzelf op de schouders, springend in gebukte houding (de Tefillim) vallen elkaar, bij Herodes gekomen, in de armen, slaan de handen in elkaar en spreken, met begeleidende gebaren, de laatste woorden van Horodes in koor na).

Kaifas spreeckt:

Wijst bij ieder gebrujik van ‘ik’ op zichzelf met zijn vinger.

GT: vlak bij den koning staande, luid en bijna onverstaanbaar snel

Heer, ic Kaifas, myn eygenste lief,
heer, ic en doen u geen ongerief,
ic wilt al segghen op een haor,
wen coninghlycke majesteyt
het geenderley wyse niet euvel en duydt.

Herodes spreeckt:  Herodes minzaam

Spreeckt heer, doet ongestraft gewagh
schoonet my grootlyc mishaegen mach,

Joden buigen     DH: lopen weg

ic en hout u niet ten quade

De Joden komen in hun handen wrijvend en bevestigend knikkend op hem af
mids ic my gheern van u liet raeden,
wesweghen toch ic om u sont. Wenden zich teleurgesteld af DH: komen terug
So seght my aen wat ghy bevont.

Kaifas, Pilatus ende Jonas spreken : (door elkaar)  consonantisch

Alle 3 de Joden lopen druk opdringerig rond Herodes en spreken tegelijk. Het gaat steeds vlugger en luider, zodat op het laatst de woorden bijna wordeen uitgeschreeuwd; ze moeten wel duidelijk blijven.

Ghenadighe coningh, tleyt claor veurder hant,
in de stadt Betlem int joetse lant,
so as de seriften wysenet uyt,
so asset veers vanden psalmmeester luyt:
de soon sal boven syne vianden gaan,
boven allen so teughen hem op sellen staon,
veul vollecke hem volghen sal op aarde!
sy sullen in hem geseghend worden!

Het volgende wordt zo geschreeuwd dat Herodes geschrokken zijn oren dichthoudt

Syn naom sal hieten Immanuel!     nog harder:
doet claorlyc vermelden Ezechiel:
want boter ende honingh sal hy eten
ent goejc verkiesen, het quaaje vergeten.

Coningh Herodes spreeckt: afwerend met de handen

Hoe cost ende mogt dit efter syn:
uyt de maegde geboren een kindekyn ?

Kaifas spreeckt:

Het staat der vroue sal der slanghe den kop vermorselen. De Joden stampen verschillende keren met hun hakken hard op de grond
GT: zij trappen met de voeten 

staat=tikfout=saat

en alt verlorene sal hy weeromme bringhen. De Joden geven met hun handen het gebaar van brengen aan.

Herodes spreeckt:

Een maghtich coningh sprack tot my
en sonder schroom vermonde hy:
in Betlehem wiert van haor vernomen
sy ons tot solaes een verlosser gecomen,
geregten heerscher en herder goet
welc ons algaeder regeren moet.

Hier is herodes harder gaan spreken, zodat de Joden verschrikt achteruit deinzen en met de handen afweren.

Nu mogtic seker syn ende gewis oft hiermet eene waorheyt is:
Myn ryck staet hier in groot gevaor
wattic u segghe dat is waor.

De Joden verdringen zich met bezwerende gebaren om Herodes

Kaifas spreeckt:

Heer, so en dorfment niet verstaen
als soude u ryck te gronde gaen:
een coninck sal hy worden geagt
maor niet en heerschen mit conincklycke magt,
verwesen sal hy syn ter doot,

De Joden ballen de hand tot vuist, de duimen naar onderen gestrekt.

syn eygenst volleek tot ‘een spot.

Ze steken lang de tong uit naar het publiek

GT: zij steken alle drie hun tong uit.

Herodes spreeckt: indringend

Twaor beter sulx te yeure comen
dat jonek hem tleven wier benomen,

De Joden wijken verschrikt uiteen, dan dringen ze zich weer aan Herodes op en proberen hem geruststellend te aaien.

eert volck hem schaerde an syne syde
ent ghaf ten lest een bloedigh stryden
so altemets een coningh quam tot myn.

Deze 3 regels heeft het boek niet.

Pilatus spreeckt:

Conincklyck majesteyt, wilt nog verduldich syn

Herodes laat zich daar de Joden op zijn stoel duwen, gaat zitten.

en blyft in uwen moet getroost
tot dat de coninghen van oost

Oudere tekst:  klopt hem staande, geruststellend op den schouder.

DH: Pilatus staat rechts van Herodes, Jonas links/ wisselen.

weder keeren en brenghen u konde
of syt aldus hebben bevonden.

Herodes spreeckt:

Int joetse lant – so staet te vresen –
mogtet te veuren ruchtbaor wesen.
Nog gisterdaegs wiert ons gemeld
hoe een engel quam totten schaepers opt veldt
en bootschapte haor dat geboren was
een nieucn coningh, Heer Kaifas,         Kaifas wijst trots op zichzelf                  seght waer geboren wort mit al
wient heir der joetsen dienen sal;

Herodes slaat met zijn scepter op de lening van de troon

wat segghen hier van U profeten ?

GT: de schriftgeleerden kijken in hun papierrollen
Oudere tekst: en wijzen met de vingers.

Het boek en de teksten hebben Jonas die hier gaat spreken; DH: alle drie tegelijk

Jonas spreeckt:

DH: een rol met bijbelteksten wordt horizontaal uitgerold en er wordt van redhts naar lijnks aanwijzend gelezen.

Sy doene allen een parighlyc weten:
Christus den coninck is uytvercoren
in Betlem sal hy worden geboren,
de stadt dwelc in Judea leyt.
Soc ist van profeten ane geseyt.

Bij de laatste regels gaan de andere Joden meespreken en schreeuwen de laatste zin in Herodes’ oren. Extra: bij de laatste regeld gaan de beide Joden meespreken. Ze dringen zich heel dicht aan Herodes op en schreeuwen de laatste zin dichtbij zijn oren uit.

Herodes springt op en duwt de Joden van zich af; de vliegen verschrikt weg.

Herodes spreeckt:

Algoet
laet af en swyght alsnu
ick heurde alree genogh van u;
maekt u van hier.

De Joden trekken zich met diep onderdanige buigingen snel terug en gaat zo haastig naar achteren, dat ze met veel lawaai hun bank omgooien, langzaam overeind komen en gaan zitten.

GT: zij gaan snel naar hun bank terug, gooien die om en vallen over elkaar heen.

ic will te deghen
en regts die saeke overweghen
en rigt myn sin en mynen moet
op dattic vcrgiete het kint syn bloet;

Bij vergieten hoort men achter het toneel de duivel lachen; hi, hi, hi! Tijdens de volgende woorden loopt Herodes opgewonden heen en weer.

(GT: duivel lacht achter het toneel
Oude tekst: de duivel is achter het tonneeel gegaan en lacht hardop.

des lacht den duyvel inder hel,
past het hem wel, den qua ghesel ?  geschokt
o mostic geraeken in sullicke noot
het waor my liever ic lagh er reets doot.
Wat staet te doen in deusen daghen
te spreken?

GT: vraagteken ontbreekt

laes, ic moet vertsaeghen
ende versincken in sulck ellend
al eer ick eone an myn end.
Hoe loonics als daor van myn hooft  pakt zich naar links bij het hoofd
de coninghscrone wort gerooft?

oude tekst: grijpt naar zijn croon

Is geen die my de hant wil reyken?

luistert   DH: Gaat staanduivel komt op
oft geesten syn of myns ghelycken
ic had my gheerne haor verkocht
ofc se veur immer volghen mogt.

boek en oude tekst achter mogt een dubbele punt

0 wee, is nyemant soot vermogt?
is geen daor so my by wilt staon?

DH: gaat zitten.

De duiverl komt op, gebogen, met kleine sprongen, draait achter de troon en gaat als een slang naar Herodes

Oude tekst: kijkt in de zaal, met armen uitgestrekt. GT: Duivel springt lustig binnen en – oude tekst – klopt Herodes op den schouder.

Duyvel spreekt:

Wie daor, wie hier? wat schort er an?

DH: Duivel staat op verhoging achter de troon van Herodens en tikt Herodes links op de schouder, deze kijkt om, maar de duivel heeft zich al naar rechts bewogen, zoadat H hem niet ziet; ook zo op andere schouder. De duivel wacht steeds vol spanning af en is steeds alert en fel.

ic en laet van u te ghener tyt!
seght aen, wat is u swaericheyt
dat ghe u noot so fel doet claeghen?

Herodes spreeckt:

Van anghsten soudic vast vertsaeghen,

heeft zich diep in zijn troon weg laten zakken

wyl een nieuen coninck geboren is
over ’t lant der joetsen vercoren is: pauze
waor heen ic armen duyvel, ach!  pakt met beide handen zijn hoofd vast

Duyvel spreeckt:

Legt de vinger op de mond. DH: duivel maakt groot stilzwijgend gebaar

Swyght stil, ic bin vant selfden slagh!

Herodes kijkt hem geschrokken aan en buigt ver voorover.

geen duyvel en laet oyt syns gelycken,

nog verder weg; tijdens de volgende woorden gaat Herodes steds beter luisteren.

ic hellep u oogmerck flucx bereycken,
op stel ende spronck isset gedaon:
den nieuen coninck sal ons niet ontgaon:
’ck bin hem so wel gesint als ghy,
volgeeren schaffic raet hier by!
dies maekt u op, geen uur gewagt.

DH: duivel gaat al weg

Herodes spreeckt:

Ghesel, op iet bin ‘ck noch bedacht;

DH: Duivel spring terug

so ic se alle ylinc doe deursteken,

Het boek heeft hier ‘een, twee, drie’ laten deursteken

oude tekst: soock se ylincs

men mogtet op my selven wreken;

Langzaam, met afgrijzen

sulck quat en wort wis niet verschoont
doch mit gelycker daet beloont.

Maakt het gebaar van onthoofd te worden.

Hoe mogtic my daor teughen keeren?

Duyvel spreeckt:

DH: gaat weer op verhoging staan.

Een oghenslach – en ‘ck salt u leren;
wilt ghy oock duyvel syn, so merckts, so merckts;

Oude tekst: met piepend geluid, wijzend

DH: deze inblazing moet altijd van achter Herodes, afwisselend het ene oor en het andere

in toren ende gramschap onvervaert
de ongeborenen selfs niet cn spaert,
noch wyf noch kints u niet ontferm,
sy meughen syn ryck, sy meughcn syn erm.

DH: hoog – inspirerend – achter hem, met priemende vinger.

ghy sult ombringhcn alle knegtjes kleyn
so tweujaorigh en daor onder syn;

Opzij en naar voren richting publiek, lacht met de vuist voor zijn mond

dan doenic laghen in myne vuyst
kreck of den vos een gansjen muyst.

Tot de koning:

Dies maekt u op, geen uer gewagt;
ic vaor in naeme Bix Bax
tot mynen ghesellen roek ende rat.

Bij de laatste regels verdwijnt de duivel met kleine sprongen en gebukt. Herodes zinkt helemaal in zijn troon weg. Op het toneel wordt het een ogenblik helemaal donker. Dan weer licht. Herodes is dan al op zijn plaats.

DH: op woord ‘rat’ ineens donker. Duivel haalt in donker zeer snel de troon weg, naar coulissen links.

GT: duivel af. Herodes sluit zich aan bij de kompany

Duivel geeft teken aan spelersgroep om te gaan staan.

De kompany singht ommegaande (No. 4)

Op de plaats staand. DH: De regel en face:

Mit God so willenme ons liedeken vrolyck doen klincken:

DH: draaien en lopen:  ommegang door de zaal; boek ook.

deet nu Herodes dit woort vernemen,
gedrieën synse gegaen,
de star blonck veurse henen,
in Betlehem bleve de star stil staen.

DH: op’ stil’ stilstaan en op ‘staen’ voet bijplaatsen.

Nr.5

  1. Geboren is in Betlehem
    al in den stal
    een kind dweles ryck niet en eynden sal,
    Dies juyght vant jaar Hierusalem,
    ja, Christus de heer vrj singhen hem,
    lof seyner moeder reyn. al met haor kindekyn.
    Christus de heer wy prysen hem
    met onsen vreuchdensanck,
    met onsen vreuchdensanck.

2. Het leyt vant jaer in Betlehem
in krebbe cleyn,
syns rycks en sal geen eynde syn.
Dies juyght vant jaer Hierusalem,
ja, Christus de heer wy singhen hem
lof seyner moeder reyn al met haer kindekyn.
Christus de heer wy prysen hem
met onsen vreuchdensanck,
met onsen vreuchdensanck.

Deze ommegang gaat door de zaal en moet weer zo op het toneel eindigen dat ieder bij zijn plaats komt.

 

Deel 1 – GT blz. 1 t/m 4: Kaspar: ‘En hope voor het kind..”

Deel 2 – GT blz. 4 beginnend met lied nr. 1 en ommegang t/m ‘daor bleve de starre stil staen, blz. 6

Deel 4 – GT blz. 13 beginnend met ‘Verlaet o heer’ t/m 17 Maria: ‘van hier en tot het veer Egyptenlant’

Deel 5 – GT blz. 17 beginnend met het opruimen van krukje en geschenken door page, het plaatsen van de troon van Herodes door duivel t/m einde

.

.

Kerstspelenalle artikelen

.

1683

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.