Maandelijks archief: april 2013

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (22)

.

‘VINGERHOED, VINGERHOED, HEB GOEDE MOED’

Vingerhoedje, een arm gebocheld mannetje dat ‘er nauwelijks als een mens uitzag’.

Else Tideman vond een Iers sprookje dat ons op weg kan helpen iets van het pinksterfeest te beleven.

‘Dat kan alleen maar gebeuren als men zich zo voorbereidt als Vingerhoedje’.

Er was eens een arme man. Hij had een grote bult op zijn rug, dat zag er net uit of zijn lijf naar boven geschoven en op zijn schouders gelegd was. Door de zwaarte werd zijn hoofd zó diep naar beneden gedrukt, dat hij ge­woon was zijn kin op zijn knieën te steunen, als hij zat.
De mensen uit de streek waren bang om hem op een eenzame plek tegen te komen, en toch was het arme mannetje zo onschuldig en vredelievend als een pasgebo­ren kind. Maar zijn mismaaktheid was zó groot, dat hij er nauwelijks als een mens uit­zag en daarom hadden boosaardige lieden vreemde verhalen over hem verspreid.
Er werd verteld dat hij veel van kruiden en tovermiddelen wist. Zeker was dat hij met vaardige hand hoeden en korven kon vlech­ten uit stro en biezen. Daarmee verdiende hij zijn brood.
Vingerhoedje was zijn bijnaam, omdat hij op zijn hoedje altijd een tak droeg van het elfenkapje of rode vingerhoedskruid.
Voor zijn vlechtwerk kreeg hij altijd een dubbeltje meer dan een ander; misschien hebben de mensen uit nijd daarover die won­derlijke verhalen over hem rondgestrooid.
Eens gebeurde het dat Vingerhoedje ’s avonds van de stad Cahir naar Cappagh ging. En om­dat hij door de lastige bult op zijn rug maar langzaam vooruit kwam, was het al donker toen hij het oude hunebed bereikte, dat rechts van de weg ligt. Moe en afgemat, teneergeslagen omdat hij wist dat er nog een lang stuk weg vóór hem lag en hij de hele nacht moest doorlopen, ging hij onderaan de grafheuvel zitten om een beetje uit te rusten en keek heel bedroefd naar de maan.
Opeens drong een wonderlijke, onderaardse muziek tot de oren van Vingerhoedje door. Hij luisterde en hij dacht dat hij nog nooit zoiets betoverends gehoord had. Het was als de klank van veel stemmen, waarvan de één zich naar de ander voegde en die zich zó wonderlijk vermengden, dat het er maar één scheen te zijn, terwijl toch ieder een eigen toon hield.
De woorden van het lied waren deze:

‘Da Luan, Da Mort,
Da Luan, Da Mort,
Da Luan, Da Mort’.

Daarna kwam een kleine pauze, waarop de muziek van voren af aan begon.

Vingerhoedje luisterde opmerkzaam en durfde nauwelijks adem te halen om geen toon te missen. Hij merkte nu duidelijk dat het ge­zang uit de grafheuvel kwam. En hoewel het hem in het begin erg verrukte, werd hij het eindelijk toch moe dezelfde rondzang aan één stuk door, zonder afwisseling aan te ho­ren. Toen opnieuw Da Luan, Da Mort drie­maal gezongen was, gebruikte hij de kleine pauze en nam de melodie op om verder te zin­gen met de woorden augus Da Cadine. Toen daarna de stemmen in de heuvel weer invie­len, zong hij met hen mee – Du Luan, Da Mort, maar eindigde bij de pauze weer met zijn toevoeging augus Da Cadine.
Toen de elfen in de heuvel de toevoeging tot hun geestesgezang hoorden, verlustigden zij er zich buitengewoon in en besloten meteen het mensenkind, wiens muzikale bekwaam­heid de hunne zó ver overtrof naar beneden te halen, en Vingerhoedje werd met de krin­gelende snelheid van een wervelwind naar hen toegedragen.

Dát was een pracht, die hem in de ogen blonk, toen hij beneden in de heuvel kwam, rondzwevend, licht als een strohalmpje. En de lieflijkste muziek hield keurig de maat bij zijn vaart. De grootste eer werd hem echter betoond toen zij hem boven alle zangers plaatsten. Hij had dienaren, die hem alles moesten geven wat zijn hart begeerde, en hij zag hoe de elfen van hem hielden. Kortom, hij werd behandeld alsof hij de eerste man in het land was.

Toen merkte Vingerhoedje, dat ze de kop­pen bij elkaar staken en met elkaar beraad­slaagden, en hoezeer hun hoffelijkheid hem ook beviel, begon hij toch bang te worden. Toen kwam een van de elfen voor hem staan en zei:

‘Vingerhoed! Vingerhoed!
Heb maar goede moed!
Wees lustig en tevreden,
Je bult valt naar beneden,
Zie hem liggen, ’t ga je goed,
Vingerhoed, Vingerhoed!’

Nauwelijks waren de woorden beëindigd, of Vingerhoedje voelde zich zó licht, zó zalig, alsof hij in één sprong wel over de maan kon wegspringen, zoals de koe in het sprookje van de kat en de viool. Hij zag met de groot­ste vreugde van de wereld de bult van zijn schouders op de grond vallen. Hij probeerde toen of hij zijn hoofd kon opheffen, maar hij deed het heel voorzichtig uit vrees tegen de zoldering van de grote hal te stoten. Daarna keek hij om zich heen met de grootste be­wondering en verlustigde zich in alle dingen, die hem steeds schoner voorkwamen. Ten­slotte werd hij zó overweldigd door de aan­blik van zijn glanzend verblijf, dat het hem duizelde, zijn ogen verblind werden en hij in een diepe slaap viel.

Toen hij wakker werd, was het klaarlichte dag. De zon scheen, de vogels zongen en hij lag weer aan de voet van de grafheuvel, ter­wijl koeien en schapen vredig om hem heen graasden. Nadat Vingerhoedje zijn gebed ge­zegd had, was zijn eerste daad naar zijn bult te grijpen, maar er was op zijn rug geen spoor meer van te vinden. Hij bekeek zichzelf niet zonder trots, want hij was een welgevormde jongeman geworden en – wat geen kleinig­heid was – hij zag zichzelf van top tot teen in nieuwe kleren. Hij begreep dat de elfen hem dit pak bezorgd hadden. Toen ging hij op weg naar Cappagh, hij liep zó dapper en sprong bij iedere pas, alsof hij zijn leven lang niet anders gewend was ge­weest. Niemand die hem ontmoette, herken­de hem zonder bult en hij had de grootste moeite de mensen ervan te overtuigen dat hij werkelijk Vingerhoedje was. En inder­daad, naar zijn uiterlijk was hij het ook niet meer.

Mijlenver in de omtrek sprak ieder, rijk of arm, over niets anders meer dan over de ge­schiedenis van Vingerhoedjes bult. Op een morgen zat Vingerhoedje tevreden voor zijn deur. Daar kwam een oude vrouw langs, die hem de weg naar Cappagh vroeg. ‘Je bent hier in Cappagh’, antwoordde hij, ‘naar wie wil je toe?’ ‘Ik kom van ver en zoek een man, die Vingerhoedje genoemd wordt en van wie wordt gezegd dat de elfen de bult van zijn schouders genomen hebben. De zoon van mijn vriendin, die heeft een bult die hem nog dóód drukken zal. Misschien kan hij net zo’n tovermiddel gebruiken als Vingerhoedje, om ervan verlost te worden. Daar wou ik zo graag van horen’.

Vingerhoedje vertelde haar uitvoerig hoe al­les gegaan was. De oude vrouw dankte hem duizendmaal en ging weer naar huis. Toen ze bij haar vriendin kwam, vertelde ze precies wat ze van Vingerhoedje te weten gekomen was. Daarna zetten ze het bultige kereltje op een wagen en trokken hem voort. Het was een verre tocht. ‘Maar wat hindert dat’, dachten ze, ‘als hij zijn bult maar kwijt raakt’. Juist toen de nacht begon, kwamen ze bij de grafheuvel aan. Zij legden hem daar neer en gingen weg.

Hans Madden, want dat was de naam van de gebochelde, was z’n leven lang een knorrig en sluw kereltje geweest. Hij zat nog maar kort bij de grafheuvel toen de muziek in de heu­vel begon, nog veel lieflijker dan eerst, want de elfen zongen hun lied met de toevoeging die ze van Vingerhoedje geleerd hadden. ‘Da Luan, Da Mort, Da Luan, Da Mort, Da Luan, Da Mort, augus Da Cadine’,  zonder onder­breking. Hans, die nu vlug zijn bult kwijt wilde, wachtte niet tot de elfen met hun ge­zang klaar waren. Ook lette hij niet op het geschikte ogenblik om net als Vingerhoedje de melodie met een eigen toevoeging voort te zetten. Toen ze hun lied meer dan zeven keer aan één stuk door gezongen hadden, schreeuwde hij zonder rekening te houden met maat en melodie en een passend ogen­blik om zijn woorden in te voegen, uit volle borst: ‘augus Da Dardine augus Da Hena’ en dacht, ‘was één toevoeging goed, dan zijn twee nog beter, en als Vingerhoedje één nieuw pak gekregen heeft, zullen ze mij er wel twee geven.’

Nauwelijks waren de woorden over zijn lip­pen gekomen, of hij werd opgenomen en met wonderbaarlijk geweld binnengedragen in de heuvel. Hier omringden de elfen hem. Ze waren heel boos en riepen schreeuwend en krijsend: ‘Wie heeft ons lied bedorven? Wie heeft ons lied bedorven?’ Eén kwam naar voren en zei:

‘Hans Madden! Hans Madden!
Slecht passen de woorden,
Die wij van je hoorden!
Nu ben je gevangen,
Wat zal aan je hangen?
Twee bulten voor éne! Hans Madden!’

En twintig van de sterkste elfen sleepten Vingerhoedjes bult aan en zetten hem boven­op de bochel van de ongelukkige Hans Mad­den. Daar zat hij zo vast alsof hij met twaalf­cents nagels door de beste timmerman die ooit nagels ingeslagen had, vastgespijkerd was. Daarna stootten zij hem uit hun woning.
’s Morgens toen Hans Maddens moeder en haar vriendin naar hem kwamen kijken, vonden ze hem aan de voet van de heuvel liggen, half dood met een tweede bult op zijn rug. Zij bekeken hem om beurten, maar daar bleef het bij. Tenslotte werden ze bang, dat hun óók een bult op de rug gezet kon wor­den en brachten Hans Madden weer naar huis.

Zo moest Hans Madden verder leven met het gewicht van twéé bulten op zijn rug. En dat was zó zwaar, dat hij niet lang daarna gestor­ven is. Vingerhoedje echter leefde nog lang en tevreden.

Pinksteren
Hoe kan dit sprookje ons op weg helpen iets van Pinksteren te beleven? We zien vóór ons een gebocheld mannetje. Hij is arm, verdient zijn brood met manden en hoeden vlechten. Allemaal omstandigheden die iemand hard en bitter kunnen maken. Het tegendeel is waar. Hij wordt ‘onschuldig en vredelie­vend’ genoemd. Hij kan buitengewoon goed vlechten. We kunnen ons voorstellen hoe hij daar zit: kin op de knieën, ‘zijn lichaam naar boven geschoven, zijn hoofd naar beneden gedrukt.’ Alles is ‘in het midden’ samenge­drukt. Je zou kunnen zeggen: hij denkt ‘heel dicht bij zijn hart’. Ook zijn oren en zijn omhooggeschoven lijf zijn ‘heel dicht bij zijn hart’. Al het mens-zijn is om zijn hart ge­groepeerd. Hij vlecht manden, voorwerpen, die gevuld kunnen worden, die iets kunnen dragen. Ze kunnen alle schatten bevatten, die de koper eraan toevertrouwt. Ze zijn mooi – hij krijgt immers een dubbeltje extra. Ook de hoeden zijn mooi en bruikbaar. Ze beschermen de koper tegen het ‘te veel’ aan regen en zonneschijn. Ze zijn samen – mand en hoed – als het ware een beeld van wat hij zélf is: al is hij nog zo mismaakt, hij weet zichzelf ‘te dragen’ en te beschermen tegen het ‘te veel’ van buiten af. Toch sluit hij zich niet af. Hij maakt gevlochten voorwerpen en weet zijn ervaringen positief te vervlechten. Zijn manden en hoeden zijn stevig en toch luchtig, niet zwaar, en van natuurmateriaal: stro en biezen. Ook dat is materiaal van ‘het midden’. Het stro is immers de korenhalm tussen de gedorste aar en de wortel waarmee de halm in de grond stond. Van de biezen kan men hetzelfde zeggen. Zelf heeft hij óók een hoedje van dit materiaal op, met een takje van het vingerhoedskruid. De Latijnse naam hiervan is digitalis purpurea. Deze plant wordt als geneesmiddel voor het hart ge­bruikt! In Ierland heet hij fairy-cap, elfen­kapje.

Het hele beeld spreekt van een geweldige concentratie van alle menselijke vermogens om het hart heen en een voortdurend bezig zijn en oefenen daarin. Zelfs als hij ’s avonds afgemat bij het hunebed zit: hij luistert ademloos. Hij verdiept zich zo in de elfenmuziek, dat hij er één mee wordt en van bin­nenuit ritme en melodie meebeleeft. Dan voelt hij ook het gemis en het verlangen dat zich in de stilte tussen de zich herhalende strofen uitdrukt. Daarin verdiept hij zich zó sterk, dat in hem ook een gemis ontstaat. (Hij werd moe van de niet eindigende rond­zang). En nú komt – wat je zou kunnen noe­men – een beeld van een pinksterbeleven. Dat kan alleen maar gebeuren, als men zich zó voorbereidt als Vingerhoedje.

In het Nieuwe Testament staat over Pinkste­ren: ‘En zij werden allen van Heilige Geest vervuld en begonnen te spreken in andere ta­len met de spraak, die de Geest hun gaf’.

Plotseling kan Vingerhoedje de taal van de elfen spreken en zingen en hij vindt een aan­vulling van hun lied. Iets volkomen nieuws ontstaat. De elfen voelen zich opgenomen, ze zijn méér dan ze waren, ze zijn héél ge­worden: ge-heeld.
Ook Vingerhoedje wordt ‘geheeld’ door zijn onbaatzuchtige daad. Hij wordt ook meer dan hij was: een welgevorm­de jongeman, van top tot teen in nieuwe kle­ren. En dat is een tweede aspect van het pinkstergebeuren.

Nu begrijpen we ook, dat Hans Madden met zijn egoïstische verlangen – twee nieuwe pakken en geen bult meer – heel ver van dit heilige en helende gebeuren afstond. Toch horen ze beiden in het beeld: Vingerhoedje en Hans Madden. Hans Madden is in dit sprookje de schaduw die het licht van Vin­gerhoedje helderder doet schijnen.

Else Tideman , ‘Jonas’ 20, 28 mei 1982

Dit Ierse sprookje is te vinden in ‘Celtic Fairy Tales, collected by Joseph Jacobs. Uitg. The Bodley Head London. Een goede vertaling in het Duits door de broeders Grimm staat in: Irische Elfenmarchen. Uitg. Freies Geistesleben.

.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

174-164

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren – alle artikelen

.

Pinksteren (1)
Paul Veltman over: Pinksteren in de natuur, Heilige Geest

Pinksteren (2)
Jacobus Knijpenga over: Pinksteren als feest van de menselijke individualiteit; Pasen, Hemelvaart; getal 40

Pinksteren (3)
knutsels:
Tine Geus en Annet Schukking: vogeltje, vlinder, vogeltjes op tak; meiboomkroon; bloemen: anjer, bloesem, roosje, dahlia, kelkje met blaadjes, steeltje

Nicole Karrèr: zijden pinksterbloem

Onbekend: duifjes; lentevrouwtje; mobile lente-elfjes;

Pinksteren (4)
Annet Schukking over: Kerstmis gaat nog wel, Pasen is al moeilijker, maar Pinksteren? vieren of  vrije dagen, Heilige Geest

Pinksteren (5)
Paul Veltman over: Pinksteren een moeilijk feest;  waar komt het woord vandaan, natuurfeest-geestfeest

Pinksteren (6)
Over: Pinksterfeest in de kleuterklas, symboliek van attributen

Pinksteren (7)
Paul Veltman over:Pinksteren een moeilijk feest;  waar komt het woord vandaan, natuurfeest-geestfeest (zie 5)

Pinksteren (8)
Kleuterleidsters over: Pinksteren in de kleuterklas; symboliek bruid/bruidegom, vogel

Pinksteren (9)
Recepten:
Frédérique Wedekind en Julio Wiertz over: 
brood, geschiedenis, waarde, tafelspreukje, zelf bakken; voorbeelden van feestbroden
M.Gerretsen: luilakbollen;
W.M.: pittabrood; gaspacho;
Griekse salade;

Pinksteren (10)
W.M. over: Pinksteren in de kleuterklas; symboliek van ‘fiere pinksterblom’

Pinksteren (11)
Michiel ter Horst over: Hemelvaart en Pinksteren: hoe kun je ze in de natuur beleven?

Pinksteren (12)
Over: Pinksteren een moeilijk feest; Hemelvaart; Jezus; Christus; duif; natuur; in de kleuterklas; symboliek van de attributen

Pinksteren (13)
Marijke Peeters over: Oude pinkstergebruiken; symboliek van de attributen; luilak

Pinksteren (14)
Over: Pinksteren een moeilijk feest; Heilige Geest; apostelen; voorjaar; Pinksteren in de natuur; Pinksteren in de kleuterklas; symboliek

Pinksteren (15)
J. van Dam over: De visie van Rudolf Steiner op Pasen, opstanding, Pinksteren; Pinksteren in de natuur

Pinksteren (16)
Anke over: Pinksteren: feest van de toekomst – van de het bewustzijn – van ons ware hogere Ik; Heilige Geest; oosters en westers politiek denken; fiere pinksterblom

Pinksteren (17)
Marijke Anschütz over: Heilige Geest, Juno, natuur, Pinksteren in Israël – feest van de eerstelingen; schutter, Schutter; feest van de toekomst

Pinkstern (18)
Henk Sweers
over: vrijheid en liefde; Zelf; feest van de toekomst; luilak; pinksterbruid; symboliek; pinkstergebruiken; feest van de geest

Pinksteren (19)
Tineke Geus over: waarom papieren bloemen, pinksterbruid, traditie, natuur; papierkunst; Johann Jacob Hauswirth

Pinksteren (20)
Over: een (zeer summiere) opsomming over Pinksteren; sprookjes voor de pinkstertijd; enkele boeken

Pinksteren (21)
M.Gerretsen over: luilak in Noord-Holland; Pinksteren in de kleuterklas; pinkstersymbolen

Pinksteren (22)
Else Tideman over: het Ierse sprookje ‘Vingerhoed’ i.v.m. Pinksteren

Pinksteren (23)
Annemieke Zwart over: idealen; inspiratie; pinksteren in de kleuterklas; moeilijker te vieren in basisschool

Pinksteren (24)
Hans ter Beek over: Pinksteren tegenover St-Maarten; natuur;  in de kleuterklas; meiboom; Germaanse mythologie; luilak

Pinksteren (25)
P.C.Veltman over: Pinksteren: een moeilijk ‘geestfeest’; het belang van een mensbeeld; vrije individualiteit, toekomst

Pinksteren (26)
Onbekend over: zomerimpressie; pinksterbruid- en bruidegom in de kleuterklas; Luilak

Pinksteren (27)
Joke Kuyt-Boersema over: Pinksteren in de kleuterklas

Pinksteren (28)
Luilak, dauwtrappen; folklore 

Hemelvaart (29)
Loïs Eijgenraam over: de maan mei, herkomst en gebruiken; Walpurgisnacht; meivuur; meibruid; meiboom; Hemelvaart

Dauwtrappen met Hemelvaart

.

Jaarfeesten: alle artikelen

 

173-163

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (21)

.

LUILAK EN PINKSTEREN 

In Noord-Holland wordt nog steeds op vrijdag voor Pinksteren luilak gevierd. In sommige plaatsen zijn er bloemenmarkten waar de hele nacht door planten en bloemen worden verkocht.
Voor de kinderen zijn er spelen en wedstrijden. ’s Nachts om 12 uur worden grote vuren gebrand, waarvoor de jeugd al een week van tevoren brand­stof verzamelt. Jong en oud gaat er naar toe. De volgende morgen trekken de jongeren in alle vroegte door de straten met een hels lawaai van pannendeksels, lege blikken enz., proberen ze luid bellend en zingend:

“Luilak, beddenzak,
Staat om negen uren op,
Negen uren half tien,
Nog is luilak niet te zien”.

de “langslapers” wakker te maken. Daarna wordt er ontbeten met luilakbollen.
Ik heb met  de kleuters ook wel luilak gevierd. De luilak wordt zittend op een stoeltje rond gedragen door twee kleuters. Alle kinderen zingen: “Luilak, beddezak”, enz. Dit duurt eindeloos, ieder kind wil een keer luilak zijn.

De volgende dag is het Pinksteren. In deze tijd bloeit de pinksterbloem volop.

In Amsterdam heb ik een pinksterfeest meegevierd in de kleuterklas. Van tevoren worden versierselen gemaakt. De meisjes krijgen een bloemenkransje, de jongens een bruiloftsstaf.
De meisjes die naar de 1e klas gaan krijgen een lange jurk, de jongens een hes, de overige kinderen een sterrenkraag. Ieder versiert zijn spulletjes zo mooi mogelijk met papier. Alleen de pinksterbruid krijgt een witte jurk met sluier en aan haar pols een bandje met belletjes. Middenin de klas hangt de pinksterkroon. Op het feest worden eerst de bruid en de bruidegom aangekleed. Zij zitten hoger dan de andere kinderen, precies onder de pinksterkroon. Dit is een zeer plechtig moment.
Daarna worden de andere kinderen aangekleed. Vanaf de oudste. Als iedereen klaar is rinkelen de bellen en de stoet, met een stralende bruid en bruidegom voorop, zet zich in beweging, zingend:

Hier is onze fiere Pinksterblom
Ik zou hem zo graag eens wezen,
met de mooie kransen in het haar,
En met de rinkelende bellen.
Recht is recht,krom is krom ,
Gelieve wat te geven voor de fiere pinksterblom,
Want de fiere pinksterblom moet voor”.

Zo trokken ze door het Vondelpark naar het huis van één van de kleuters. Daar werd in de tuin beschuit met aardbeien gegeten en limonade gedronken.
Het was een bijzondere ervaring.
.

M.Gerretsen, in ‘Vrijblijvend’- datum onbekend

.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

172-163

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rekenen (3-1)

.

TAFELS VANAF KLAS 2 EN HOGER

Welk kind heeft niet al eens gefascineerd voor het lopende telwerk van een gasmeter gestaan? Wat liepen die lagere cijfers flink door, dat was mooi! De tweede rij liep wat houterig. En dan de hogere plaatsen. Daar leek de beweging wel bevroren; dat die af en toe versprongen leek wel op een vage herinnering.

Iets van het wezen van de getallen is het kind aan dit telwerk wel duidelijk geworden. Zo is het echt: op de hoge plaatsen lijken de cijfers te stollen en daar worden ze tot een aanzienlijke hoeveelheid; hier voel je je in je hoofd aangesproken. Bij de lagere plaatsen – en pas goed bij de eenheden zelf – is het cijfer heel beweeglijk en grijpt je in de wil.

Als het ons lukt de brug van het ene naar het andere te slaan en innerlijke wetmatigheden zichtbaar te maken, dan hebben we veel voor een levendig begrijpen gewonnen.

Het ligt in de aard der zaak zelf, dat we bij de ‘levendige getallen’, bij de eenheden beginnen en eerst achter hun beweging zien te komen.

Zo’n weg werd al eens beschreven.*
[de auteur, Joachim Hein, heeft hier de cirkel van bv. de tafel van 3, zo verdeeld:

rekenen 7

Zichtbaar worden zo ook meteen de relaties van de cijfers: bij 4 staat 12, 4 x 3 = 12 enz.]

Dus: als eenmaal de ster is ontstaan in de cirkel met de cijfers, bovenaan beginnend: 0, naar rechts, 1, 2, 3 enz. worden nu op de sterpunten de cijfers van de tafel van 3 gezet: bovenaan beginnend: 0, naar rechts: 3, 6, 9 enz.

Zo ontstond bv. bij 1 x 3 de ster uit de verbindingslijnen 21 – 12 – 3 – 24 – 15 – 6 – 27 – 18 – 9 -30 (- 21)

Hoe komen we nu aan de ‘andere kant’ [de linker kant van het gastelwerk] van de getallen, bij de hogere plaatsing. We moeten hier in de gaten houden hoe de bewegingen van de eenheden enerzijds, anderzijds die van de tientallen (en honderdtallen) in elkaar grijpen.

Laten we eens kijken naar de rij van de kleine tafel en schrijf in ‘torenvorm’ onder elkaar:

rekenen 8

Dan is het makkelijk te zien: daar waar het tiental erbij komt, moeten de eenheden wat weggeven van hun groei! Dit kunnen we verduidelijken door een pijltje. De pijltjes wijzen naar voren met het groter worden en terug bij het minder worden ( het offer) van de cijfers.

Het is goed dat het aan de kinderen zeer duidelijk wordt: het kleinere moet wat weggeven, opdat het grotere verder kan. Op deze manier kunnen ze iets moreels aan de wereld van de getallen ervaren.
[voor de moraliteit zou je eerder denken dat wie meer heeft ook meer kan weggeven**]

Maar ook voor de praktijk van het rekenen is er veel gewonnen. De moeilijkheden bij het rekenen met de grotere tafels duikt op, omdat de verdeling in eenheden en tientallen niet bewust gemaakt wordt: wanneer je die eenmaal  begrepen hebt, wordt de overgang van de kleine naar de grote tafel makkelijk gevonden.

Want dezelfde wetmatigheid die we zagen bij de simpele rij geldt ook voor de grote tafel.

Om dit te laten zien schrijven we de twee rijen naast elkaar:

rekenen 9

Nu zie je de dubbele sprong van het tiental ook als enkele sprong bij de kleine tafel.
Wanneer je oefent om de beweging van de eenheid en van het tiental innerlijk van elkaar gescheiden te houden, in zekere zin ‘met twee handen  te spelen’ dan kan de anders wel eens zo verwarde grote tafel tot plezier worden.

Een groep van onze vierde klas raakte bij zo’n oefening met 1 x 6 en 1 x 16 zo enthousiast, dat die ook nog 1 x 26 wilde opzeggen en het kwam er zonder fouten in koor uit. Toen vroegen de kinderen nog met glinsterogen om 1 x 36 en dat ging ook. Toen vroegen ze de leerkracht om 1 x 46 – ook die adembenemende hindernis werd in keer genomen – tot ze het bij 1 x 66 wel genoeg was.

Het zijn wel de meest bevredigende uren, wanneer zo het enthousiasme voor de wereld van de getallen ontwaakt.

Ik wijs er nog op dat deze manier van met de tafels werken, de leerstof makkelijker kan maken. Wanneer de cijferrij van 1 x 3 en 1 x 4 goed in het geheugen verankerd zijn, dan heb je eigenlijk alles al, want de rij van 2 is in ieder geval gemeengoed en de rijen van 1 x 7 en 1 x 6 zijn simpelweg de omkeringen van 1 x 3 en 1 x 4.

rekenen 10

De rijen van de grote tafels sluiten zich hierbij aan, zoals boven getoond.

Onze oefenmethode deed ook een beroep op optellen en aftrekken:

Deze rekenbewerkingen moeten elkaar over en weer ondersteunen!

Vanzelfsprekend moet je ook van de ene rij naar de andere overstappen, eens kijken hoe de rij van 2 in die van 6 zit enz.

Het is ook goed om afsluitend de veelheid van de rijen in één beeld te kunnen overzien. Heel stimulerend kan het zijn om met een getallenvierkant te werken: het staat hier symmetrisch op een punt om tegemoet te komen aan het in het rekenen werkzame evenwichtszintuig, dat ook aangesproken wordt bij de vrij te vormen symmetrie-oefeningen (vormtekenen).

rekenen 11

Wanneer de tafelrijen er eenmaal samen staan, verlenen ze veel mooie inzichten. Zo, bv. de rij vertikaal in het midden, de getallen zijn het snijpunt van alle paarsgewijs lopende diagonale rijen: het zijn de kwadraten.

De middelste horizontale rij is gespiegeld. Vertikaal spiegelen de rijen zich ook. Vanuit de middenvertikaal spiegelen zich de getallen zich ook horizontaal.

Ga je uit van de midden-25 dan kun je eromheen getallenvierkanten vinden.

Die 4 hoekgetallen daarvan zijn opgeteld 100, evenals 4 x 25.

Nu komt het eropaan zakelijk verder te gaan om door het hele vierkant niet in de war te raken.

Met de klok mee zoeken we de getallen in het steeds groter wordende vierkant. De getallen ervan zijn samen steeds 100.

Het is aan te raden de getallen in het vierkant met een bepaalde kleur te kleuren en deze kleur ook te gebruiken voor het opschrijven van de getallen. Dan wordt alles ook nog helderder.

Nu kunnen de kinderen iets van de orakelspreuk ervaren: ‘Niets is binnen, niets is buiten. Want alles wat binnen is, is ook buiten’ en met eerbied en betrokkenheid opkijken.naar de wereld van de getallen.

Aanvulling:
Hieronder een paar voorbeelden van ‘in kleur’. Het kan heel mooi worden.

Je kunt hem ook op het bord tekenen en iedere dag een of meer vierkanten  ( de vier getallen die samen 100 zijn)  door een kind laten kleuren.

rekenen 12

rekenen 13

[de figuur met de lijnen  staat niet in het artikel van Hein;
die draagt het gevaar in zich te ‘rommelig’ te worden.

Wanneer je dit vierkant op een groot vel papier zou (laten) tekenen, is het minder chaotisch om aan te zien en voor de kinderen een hele uitdaging om het mooi te krijgen.]

Joachim Hein in ‘Erziehungskunst’ 19e jrg. nr.10 1955
*J.Hein: Aus dem Rechenunterricht der 2.Klasse. ‘Erziehungskunst’, nr 8. 1953.
.

[** Op de vrijeschool Den Haag werkte destijds toen ik er begon, Oscar Klinkenberg. Hij coachte jongere leerkrachten en wij discussieerden er eens over of het  ‘lenen bij het aftrekken’ wel een juiste benaming was.
Oscars mening was dat de kern van lenen is, dat je ook teruggeeft en bij het aftrekken is daarvan geen sprake.
In de som 35 – 8:  8 van de 5 gaat niet; eens vragen bij de buurman ( dus bij de 30), of die er geen wil missen. Jawel, die geeft er 1 (=10). Nu is 5 gegroeid tot 15 en nu kan de 8 er wèl af; de 30 is 20 geworden).
Ik heb het woord ‘lenen’ bij het aftrekken na verloop van tijd uit mijn ‘rekenwoordenboek’ geschrapt.]

tussen [ ] : opmerkingen van mij

2e klas: tafels

2e klas rekenen: alle artikelen

rekenen: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 2e klas

.

171-162

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (20)

.
.

PINKSTERFEEST
.

Bron onbekend

 

Pinksteren is het feest van de vrijheid en van de toekomst. Alles in de natuur werkt daaraan mee. Alles staat uitbundig in bloei.
Vruchtbaarheidsriten en godsdienstige gebruiken uit de vóór-christelijke tijd worden in de na-christelijke tijd mei- en pinkstergebruiken.

Sommige streken van ons land kennen nog de pinksterbruid, een huwbaar meisje, symbool van de groeikracht in de natuur.
Ze wordt versierd met bloemen, linten en bellen en al zingend rondgedragen.

Wie geïnteresseerd is in de achtergronden van pinkstergebruiken, leze het desbetreffende hoofdstuk uit het boek ‘Jaarfeestenvan Henk Sweers, uitgeverij Christofoor.
Er staat ook veel in de Prismapocket ‘Nederlandse volksgebruiken bij hoogtijdagen’ (nr. 1814)  Dr.v.d. Graft.

Sprookjes, geschikt voor de tijd rond Pinksteren:
Assepoester, De drie talen, De kristallen bol, De witte en de zwarte bruid

Het Ierse sprookje ‘Vingerhoed’

.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

170-161

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

VRIJESCHOOL – Rekenen – alle artikelen

.

1e klas – alle artikelen

2e klas – alle artikelen

3e klas – alle artikelen

4e klas – alle artikelen

5e klas – alle artikelen

6e klas – alle artikelen

7e/8e klas  algebra  en rekenen
alle artikelen

Rekenen (1)
De 4 bewerkingen door de jaren heen

Rekenen (2)
Magische vierkanten vanaf klas 3

Rekenen (6)
Schriftelijk rekenen met breuken met ‘mooie’, ‘bijzondere’, ‘verrassende ‘ uitkomsten

Rekenen (7-1)
Iets over getallen en grootte: het verschil. De één en de eenheid. Negatieve getallen; over breuken.

Rekenen: eenhedenstelsels
[8-1/1]
Drs.E.J.Harmsen over: vroeger, gebruik van het verboden woord ‘pond’; calorie/joule; S(ystmème) I(nternational; pound, ounce, troy-ounce;

[8-1/2]
Drs.E.J.Harmsen over: stap, pas, mijl, uur gaans, el, duim, voet, vadem, inch, yard; zie 4e klas [9]

[8-1/3]
Drs.E.J.Harmsen over: de meter, ontstaansgeschiedenis. Zie ook [8-2] hieronder

[8-1/4]
Drs.E.J.Harmsen over: kilo, mega, giga, milli, micro, centi, deci; oppervlakte; inhoud; tijd; zie 4e klas [9]

[8-1/5]
Drs.E.J.Harmsen over: massa, gewicht, kilo, gram, megagram

[8-1/6]
Drs. E.J.Harmsem over: massa, zwaartekracht; wegen

[8-1/7]
Drs.E.J.Harmsen over: krachten; Newton; relativiteit;

[8-1/8]
Drs. E.J.Harmsen over: arbeid; arbeidsvermogen; gewicht; zwaartekracht; energie; warmte; calorie/joule; pk; vermogen

[8-1/9]
Drs. E.J.Harmsen over: de geschiedenis van de eenhedenstelsels, ontstaan en ontwikkeling

[8-2]
J.M.Bierens de Haan over: de meter, ontstaansgeschiedenis – zie ook [8-1/3], hierboven

[9] Methodiek bij de opbouw van het rekenonderwijs
Herman von Baravalle over: getal, tellen; ordenen van getallen; ritmisch tellen; rekenen ontstaat uit tellen; van geheel naar delen; hoe vaak zit ‘iets’ in ‘iets’, i.p.v. het ene naast het andere; getalverhoudingen; breuken; 10-delige breuken; de waarde van schatten; formule; driehoek van Pascal; wortels; differentiaalrekenen;

[10] Over het kunstzinnig omgaan met het rekenen in de tweede zevenjaarsfase
Tobias Schaumann over: één als grootste getal; 4 rekenbeweringen tegerlijkertijd; verdelen; analyseren; bewegen en rust; rekenproblemen en muziek; incarneren en excarneren; schriftelijk rekenen; herinneren en vergeten.

Rekenraadsels

Breinbrekers

Het oudste rekenboekje in de geschiedenis van het Nederlandse onderwijs

Getallen:
Marisca Milikowski over: getal; lievelingsgetal; ‘goede’ en ‘slechte’, ‘zware’ en ‘lichte’, ‘opwindende’ en ‘kalme’ getallen; vijf, zeven; tien, elf, dertien, (zeventien); Pythagoras en het getal; wiskunde; getal in de christelijke leer; 

Rekenliedjes
Tineke Snel over: kun je met liedjes het rekenen ondersteunen?

.

169-160

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (19)

.

KRANSEN VAN GROEN EN PAPIEREN BLOEMEN

De Pinksterbruid, zo wil de oude volkstraditie, wordt opgesierd met papieren bloemen.

Op de vraag waarom die bloemen juist met Pinksteren van papier dienen te zijn probeert onderstaand stukje een antwoord te geven.

‘De pinksterbruid krijgt kransen om het hoofd van groen en papieren bloemen’.
Zo wil de oude volkstraditie. En ieder jaar is dit voor velen weer een raadsel. Want het doet ergens nogal absurd aan op een moment dat de natuur ons rijkelijk bloemen en bloesems schenkt, papieren bloemen te gaan maken, die natuurlijk lang niet zo mooi zijn als de echte. Is het puur nabootsingsdrang of is het omdat de versieringen die we maken beter houdbaar zijn?

Oude gebruiken zijn vaak ontstaan uit een soort instinct, een onbewust weten van de geheimen en de zin van het leven en van de ontwikkeling van de aarde en de mensheid. In de viering van de jaarfeesten wordt daar iets van zichtbaar. In onze tijd willen we we­ten waarom we iets doen, anders verliest het zijn waarde. Als je met zo’n raadsel rond­loopt kan het je gebeuren dat je op een keer iets tegenkomt: een gedachte of een uit­spraak van iemand die je op het spoor zet van een antwoord. Wat het maken van papieren bloemen met Pinksteren betreft kun je zo op het volgende komen.

Buiten in de natuur worden we in deze tijd overladen met bloemen. Het is een stuk god­delijk scheppingswerk, die hele plantenwe­reld, een geschenk uit de kracht van de ‘Hei­lige Geest’ zou je kunnen zeggen. De mens heeft daar niets aan gedaan. Maar de mens heeft zelf ook een vonkje van die scheppen­de geestkracht in zich en is daarmee creatief bezig – hij vormt van alles uit de materie, vormt voorwerpen: gebruiksvoorwerpen, ge­reedschap, machines, maar ook kunstvoor­werpen, bouwwerken, enzovoort. En door­dat hij dat doet, maakt hij zich een beetje vrij van die materie, want dat stukje materie dat hij omgevormd heeft, heeft dan zijn functie voor die creativiteit gehad, daar kan hij zich nu van distantiëren. Maar ook de materie zelf wordt door de menselijke bewerking in zekere zin bevrijd. Want het maakt toch een heel verschil of je bijvoorbeeld een brok steen voor je hebt of een beeldhouwwerk uit diezelfde steen. De materie wordt door onze creativiteit en ar­beid een beetje vermenselijkt, dat wil zeggen een beetje vergeestelijkt en daarmee bevrijd uit zijn toestand van vormloosheid en indifferentie. Natuurlijk gebeurt dit niet alleen met Pinksteren. Mensen zijn voortdurend vor­mend bezig. Maar door op een moment iets te doen dat absurd lijkt, merk je pas waar je eigenlijk mee bezig bent.

In het Jonasboekje ‘Jaarfeesten’ vertelt Henk Sweers over de traditionele versieringen rond het pinksterfeest. Het is interessant dat die versieringen bij alle pinkstergebruiken altijd gemaakt worden van ‘mooimakersgoed’ (ge­kleurd papier). Vroeger bewaarde men het hele jaar door gekleurde papiertjes, pakpa­pier en dergelijke.

Het pinksterfeest is het feest van het Ik van de mens dat zelf actief wordt. Behalve bloemen werden er ook pa­pieren waaiertjes gemaakt die werden opge­hangen aan de pinksterkroon waaronder de pinksterbruid plaats nam.

De papierkunst is trouwens een echte volks­kunst. Wie bijvoorbeeld wel eens iets gezien heeft van de kleurrijke knipsels van Johann Jacob Hauswirth zal hier zeker door gefasci­neerd zijn. Johann Jacob Hauswirth werkte in de bossen van het Pays d’Enhaut (Duits/ Frans grensgebied) als kolenbrander. Hij was een eenzaam, ongeletterd man, die in een eigenhandig gebouwde boshut woonde (hij stierf in 1871, hoe oud hij toen was, wist nie­mand). Zijn leven is een mysterie en er is weinig over bekend. Hij moet op latere leef­tijd de schaar ter hand hebben genomen en werd in korte tijd grandioos in de knipkunst. Hij was een schuwe zwijgzame man en ten gevolge van een ongeluk liep hij moeilijk. Zijn knipsels gaf hij aan de kinderen op straat in ruil voor hun snoeppapiertjes. Vaak verkocht hij grote geknipte taferelen bij de boerderijen. Met zijn grove vingers kon hij geen gewone schaar hanteren en hij had daartoe twee rondjes van ijzerdraad op maat van z’n vingers aan de schaar bevestigd. Hij moet een hele rijke binnenwereld gehad heb­ben om op zo’n manier de materie te kunnen overwinnen. Je vermoedt zeker niet zo’n mens achter de ragfijne huppelende herten en de kantachtige patronen van de alpenwei­den.

pinksteren 24

Een groot kunstenaar spreekt uit deze knip­sels. Hauswirth had weinig contacten, dus de beelden moesten uit een andere ervaringswe­reld stammen. Het geeft mij het gevoel of ze regelrecht uit zijn ziel in de schaar overgin­gen: oeroude symbolen verweven met het dagelijks leven in de gang der seizoenen. Hij was dan ook volledig weg uit de wereld als hij bezig was met z’n knipsels. Een oude vrouw vertelde, hoe zij als kind hem een hele middag op een steen had zien zitten knippen zonder te merken dat een geit één voor één de gekleurde knipsels opat!

pinksteren 31

Ter versiering van de pinksterbruid en de pinksterkroon volgen hier beschrij­vingen voor het maken van papieren bloe­men.
.

Tineke Geus en Annet Schukking, ‘Jonas’10, 13 mei 1983

.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

168-160

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (18)

.

HET PINKSTERFEEST

Het pinksterfeest is het feest van de vrijheid. Zolang de mens van zijn lichaam afhankelijk is, blijft hij slaaf van dat lichaam. Vrij wor­den kan hij alleen, als hij zichzelf terugvindt in de geest. Op het innerlijke paasfeest gaat hij beseffen, dat hij weliswaar in een uiterlijk lichaam woont, maar dat zijn ware wezen iets innerlijks, iets geestelijks is. Met Pinkste­ren kan hij de geest, die hij in zichzelf heeft gevonden, vrijwillig vullen met een inhoud, die niet tot de materiële wereld behoort. Als ik over ‘mij-zelf’ spreek, heb ik het dan niet over mijn geest? Ons ware ‘Zelf’ is een geestelijke werkelijkheid. Die wereld van de geest noemt men ‘de hemel’. Op aarde wordt de mens ik-zegger, ik-zoeker zelfs. Hij groeit er op tot een zekere zelfstandigheid, tot een individu, afgescheiden van de dingen buiten hem. Maar daar gaat hij dood. Zijn aardse ik was slechts een spiegel van zijn werkelijke wezen. Er is een kloof tussen dit Zelf en ons aardse ik. Tussen hemel en aarde ligt een af­grond. Een zelfde afgrond ontdek je tussen alle mensen op aarde en ook tussen de mens en God. Want voor wie is God nog een wer­kelijk levend begrip? ‘God is dood,’ schreef Nietzsche. Voor ons aardse wezen is God ver weg. En als iemand het gebed, dat Christus ons leerde, bidt, waar is dan de ‘hemel’ waar ‘onze Vader’ is?

De hemel is overal, in ons en buiten ons. De grote Spaanse mystica Theresia van Avila schreef eens in een’brief: ‘Men kan God in alle dingen vinden. Als ge in uw keuken zijt, is Hij u nabij tussen de potten en pannen.’ De apostel Paulus schreef hierover aan de Romeinen (Rom. 8:14-18): ‘Allen die han­delen in Gods geest, zijn Gods zonen, Ge hebt toch niet opnieuw de geest van slavernij in vrees aanvaard, maar ge hebt aanvaard de geest van adoptie, waardoor wij roepen: “Abba, Vader!” Want de geest zelf legt ge­tuigenis af met onze geest, dat wij kinderen van God zijn. Indien kinderen, dan ook erf­genamen: erfgenamen van God, mede-erfge­namen van Christus, wanneer wij inderdaad met hem lijden, zodat wij met hem worden geopenbaard. Want ik ben er van overtuigd, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de toekomstige heerlijkheid, die onthuld zal worden aan ons.’

Pinksteren, het feest van de vrijheid en de liefde, want liefde en vrijheid kunnen niet bui­ten elkaar. Het feest van de geest. Het feest van de toekomst. Een bewustzijnsfeest.

Als de hele natuur van de dood is opgestaan, als alles bloesemt en bloeit, dan vieren de christenen het feest van wat zij noemen de Trooster, de Levende Bron, het Vuur, de Liefde en de kracht schenkende Geest.

‘Plot­seling kwam er een geruis uit de hemel als van een hevige windvlaag en vulde het hele huis waar zij vergaderd waren. Vurige tongen zetten zich op ieder van hen neer. Allen werden vervuld van de Heilige Geest en begon­nen verschillende talen spreken.’ (Hand. 2, 24).

Het is vijftig dagen na Pasen, tien na Christus’ hemelvaart. Na zijn opstanding, totdat hij de hemel binnenging, was Chris­tus in een bepaalde gedaante nog zichtbaar voor zijn leerlingen. Toen ging hij in de gees­telijke wereld. Maar hij is niet onbereikbaar geworden. Integendeel, nu kunnen wij hem overal ontmoeten. Hij kan ons leiden, over de afgrond heen, tot elkaar en tot de Vader van al wat is.

In de gaven van de opnieuw ontwaakte natuur beleefden de christenen vroeger nog de gaven van Gods heilige Geest, de openbaring van zijn kracht. Zo kregen de talloze vrucht­baarheidsriten, de godsdienstige gebruiken uit de vóór- christelijke tijd een nieuwe in­houd. Zeer veel mei- en minneliederen wer­den tot geestelijke liederen, waarin Christus werd bezongen als de bruidegom van de ziel.

Luilak
Luilak is de zaterdag voor Pinksteren. Hij die dan ’t langste slaapt, is de ‘luilak’. Oorspron­kelijk was dat de nieuwe mysterie-ingewijde, die door de priesters in een doodsslaap was gebracht, na 3½ dag eruit was gewekt en daardoor helderziende was geworden. – Hij moet ons trakteren!

Mei- en pinkstergebruiken vallen in de na-christelijke tijd vrijwel samen. Zijn eigen lief, ‘sinen boel’, zijn betere helft ter ere plant iedere jonkman op de eerste meidag voor haar huis of op haar dak ‘den coelen mei’ (de objectieve mei?). Deze takken spreken een voor ieder verstaanbare taal: fijne sparrentak—goedheid; dennentak — gestadige liefde; berkentak — goed en schoon; maar: kersentak—veranderlijk;  hagedoorn – stekelig, katjes —niet zonder handschoenen aan te pakken; bosje biezen – houdt het met iedereen. Wat staan de meisjes op 1 mei vroeg op, om te kijken wat haar ‘mei’ is! Een goede tak laten ze natuurlijk zo lang mogelijk staan.

Maar er is ook één grote, gemeenschappelijke meiboom of ‘Pinksterboom’ van wel 10 me­ter lang. Die is opgesierd met bonte papieren en slingers en wordt midden op het dorps­plein geplant. Daar dansen gelieven en ge­huwden, jong en oud tot Cinxendag (Pink­sterdag) omheen. Tenslotte werpt men de boom in het stromende water.

Pinksterbruid
Ieder huwbaar meisje is meibruid. Maar met Pinksteren is er één pinksterbruid of ‘pinkster-bloem’. Heel vroeger werd de luilak de pinksterbloem. Het kon toen ook even­goed een man of jongen zijn. De pinkster­bruid is niet alleen de lentebruid, het sym­bool voor de groeikracht der natuur, zij is vooral het beeld van de gesluierde Isis, de on­zichtbare geest der aarde, de maagd, die be­vrucht wordt door de Heilige Geest. Natuurlijk waren de details in iedere streek, zelfs in ieder dorp, verschillend. De voor­naamste symbolen waren overal hetzelfde. Onder de ‘hemel’, die ook ‘pinksterkroon’ heet, soms zelfs in een ‘groen huisje’ neemt de pinksterbruid plaats. Plechtig wordt zij ‘gespeeld’ (versierd) en behangen met pinksterbloemen (die heten zo, omdat zij voor dit feest werden gebruikt, niet omdat zij pas met Pinksteren zouden bloeien), met vele sieraden, versierselen en met bellen. Om haar hoofd krijgt zij een of meer kransen van groen en papieren bloemen. Meestal wordt zij gesluierd. Zij is omgeven door vele bruids­meisjes en – jonkers. Enkele van de jonkers hadden in Drente een versierde stok, de ‘bru-loftstok’ in de hand. Dat waren de ‘wasschupneugers’ (uitnodigers voor het gast­maal).

Dan begint de plechtige ommegang door het dorp. Voorop wordt op een stoel gedragen of loopt de pinksterbruid. De uitnodigers liepen de stoet vooruit, klopten met hun stok op alle deuren en riepen:
‘Ziet, uw bruugom komt!’ Het lied dat bij de omme­gang gezongen wordt, luidt op Terschelling aldus:

Hier is onze fiere Pinksterblom
En ik wou hem zo graag eens wezen.
Met zijn groene kransen om het hoofd
En met zijn klinkende bellen.
Recht is recht.
Krom is krom.
Belief je wat te geven voor de fiere Pinkster­blom
?

Want de fiere Pinksterblom moet voort.

Enkele varianten doen ons misschien de afkomst van het ‘fiere’ begrijpen, want in Cuyk (Noord-Brabant) zong men bijvoorbeeld:
‘Vierge, vierge Pinksterblom’.
Komt dat van het Franse ‘vierge’ (maagd)?
De zegekrans om het hoofd is het beeld der ‘gloria’, in het Nieuwe Testament het Latijnse woord voor ‘verheerlijking, openbaring’.
Zilveren bellen zuiveren de atmosfeer (vgl. Psalm 150).
De duivel is voor dat gerin­kel even bang als voor klokgelui. In dit lied is de bloem mannelijk. Wat doet in de hemel het geslacht ertoe?
Mineralen, stoffen zonder leven, zijn recht en hoekig. Levende wezens, planten, dieren en mensen vertonen gebogen, kromme lij­nen. Zo is ‘recht’ ‘dood’ gaan betekenen en ‘krom’ ‘leven’. De weg naar de geestloze helledood is breed en lijnrecht, het pad naar de hemel van de geest krom en bochtig. Wilt u uw gedachten en daden ‘geven’ aan de mensheid? Want zij moet voort, het licht te­gemoet.

Het is interessant, dat de versieringen bij alle pinkstergebruiken – enkele bloemen, zoals pinkster- en boterbloem, uitgezonderd — al­tijd gemaakt worden van ‘mooimakersgoed’ (gekleurd papier). Vroeger jaren bewaarde men daartoe het hele jaar door kleurige pa­piertjes e.d.

In onze tijd, die bedolven is onder een pa­pierlawine, gebruikt men crêpepapier, sits, zijdevloe enz. Echte bloemen horen bij het Midzomerfeest, bij St.- Jan. Het pinksterfeest is nl. niet zozeer het feest van de scheppende aardekrachten, maar van de scheppende menselijke geest, die op aarde pelgrimeert naar Gods Geest. Daarom maakten allen tesamen zelf de zelf bedachte versieringen voor het pinksterfeest: slingers van papier of stof, allerlei fantastische papieren figuren en fictieve, exotische bloemen. – De meietak en de pinksterboom zijn één. Alle bruidjes versie­ren samen de pinksterbruid. Ik werk tesamen met alle mensen der aarde. Dat is een gevoel, dat sinds Christus’ verbin­ding met de aarde en sinds het eerste pink­sterfeest steeds actueler wordt. De volks­geest wordt steeds meer de geest der mens­heid. De kracht die in deze ontwikkeling werkt is afkomstig van wat het Christendom de ‘Heilige Geest’ noemt. En in het gezamen­lijk lijden en worstelen der mensheid om die Geest te verwerven, zal ieder zijn persoon­lijke taak, de opdracht van zijn eigen Zelf van leven tot leven vinden, dankzij de hevige windvlagen, die ruisen door ons huis en die vurige tongen, die vlammen boven ons hoofd.

Dan zullen u en ik een taal gaan spreken, die over heel de wereld wordt verstaan. Want ‘de fiere, vrije pinkstergeest moet voort.’

Henk Sweers, ‘Jonas”nr.20, 4 juni 1976

.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

167-159

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (17)

.

PINKSTEREN, TEGENWOORDIGHEID VAN GEEST

Het is al vele jaren geleden, maar ik herinner mij het voorval als de dag van gisteren. De weg door de bossen was niet erg breed. Er liep geen witte on­derbroken lijn over het midden, en er was nergens een aanduiding van hoofd-of zijwegen. Overal zwijgend bos om ons heen. Ik zat achter het stuur; naast mij een moeder, hoog zwanger van haar derde kind. Ze vertelde me iets, maar ik luisterde met een half oor. Het was of ik gespannen ergens op wachtte en ik wist niet waarop. Het zicht was zo slecht met al die bomen en zonder wegbakens. En toen was daar plotseling de krui­sing, geen waarschuwing, geen ver­keersbord. Ik keek naar rechts en zag de auto aankomen. ‘Waarom rijdt die man zo hard op een zijweg?’ schoot het door me heen, en vaag drong een driftig getoeter tot me door. Op dat­zelfde moment hadden mijn handen het stuur al omgegooid. We sloegen keurig rechtsaf en even later bracht ik de auto tot stilstand in de berm, vlak­bij een ANWB-bord. Ik slikte even en zei toen rustig: ‘Zullen we even kijken waar we heen moeten?’ De vrouw naast mij knikte, ze had niets gemerkt, dacht dat het zo hoorde. Maar ik voelde de wiekslag van de engel die over het ongeboren kind waakte, langs mijn verhitte gezicht strijken.

Van buitenaf gezien noemt men dat: tegenwoordigheid van geest. Maar wiens geest is er dan tegenwoordig? Het was niet mijn gewone aardse be­wustzijn, dat mij de reddende hande­ling deed verrichten. Mijn handen ge­hoorzaamden op dat moment heel duidelijk aan iets dat boven mij of om mij heen sterk voelbaar aanwezig was. Een handreiking uit het gebied van de geest? In ieder geval een moment van genade uit de wereld waar het ongebo­ren kind nog helemaal thuishoort. Maar ook ik heb er toegang toe, zo nu en dan, anders was de ingreep niet ge­lukt.

Een stille vreugde kan je vervul­len als je merkt, soms, en altijd onver­wacht, dat de verbinding met de we­reld van het onzichtbare niet geheel verbroken is. Het openhouden van de toegangspoort gaat niet vanzelf. Er groeit zoveel onkruid voor. Je moet eindeloos wieden en na korte tijd komt er weer ander onkruid op, dat alles dreigt te overwoekeren. Geen be­tere oefening voor het geduld dan het schoonhouden van de eigen, innerlijke tuin!

De tijd van het jaar
De maand juni is genoemd naar de go­din Juno, de gemalin van Jupiter, de oppergod der oude Romeinen. Konin­gin van het hemelgewelf was zij met de blanke lelie en de trotse pauw als kenteken naast zich. Als de pauw loopt te pronken met de fonkelend blauwe waaier van zijn prachtige staart, dan kijken de vele ‘ogen’ je aan als een sterrenhemel in het klein. En Juno was heerseres in het rijk van de sterren. Op vele oude schilderijen zie je pauwe­ogen geschilderd op de vleugel van en­gelen. Een stuk van de hemel dragen ze met zich mee, en waar zij komen, kijken al die sterre-ogen ons aan, kij­ken vol belangstelling naar wat er in de wereld der mensen gebeurt. Soms, als je de ernstige blik van een heel jong kind ontmoet, kun je dat ook ervaren: door het kind heen kijkt de wereld van de geest ons aan, kijkt naar ons doen en laten, naar ons vallen en op­staan.

Godin van de vruchtbaarheid, van alles wat groeit en bloeit, van wat ontkie­men wil – dat was Juno ook. Dat vin­den we nu nog terug in de pinkster­bruid met alle gebruiken die daar bij horen.

Vanaf het lentepunt in maart, de dag-­en-nachtevening, stijgt de zon in een versnelde beweging naar zijn hoogte­punt toe. De boog boven de aarde wordt steeds groter en hoger. De zon wordt steeds warmer en hij blijft steeds langer bij ons. De maand juni is misschien wel de moeilijkste tijd om je te concentreren op ‘denkwerk’. Het liefste zou iedereen van de warmte, van de zon, van het leven willen genie­ten zoals kinderen dat doen: lekker kledderen met water en zand, of ma­deliefjes plukken in het gras en kran­sen vlechten, of zomaar wat zitten dromen op een muurtje. Luchtig, speels, schijnbaar zonder doel, zonder aardezwaarte huppelt het kind door het leven. We zijn er jaloers op, want we zijn dat kind in ons kwijt geraakt. Maar eens in het jaar kunnen we weer iets proeven van die lichtheid, van die zonnigheid in de maand van de Twee­ling, de maand van het kind.

Het feest, toen en nu
Pinksteren is al een oeroud feest. Lang voor het begin van onze jaartelling vierden de Israëlieten, 7 weken na het Paschafeest, het feest van de eerste ga­ven van de opnieuw ontwaakte natuur, het feest van de eerstelingen. De rook steeg op van de brandoffers in de tem­pel en droeg de dankbare gebeden van de gelovigen mee omhoog naar de god­heid.

Er werd echter nog een andere gebeur­tenis herdacht met dit feest, een ge­beurtenis waarbij het fundament gege­ven werd voor de hele joodse samenle­ving door alle komende eeuwen heen: het ontvangen van de tien geboden door Mozes. De wetgeving ging ge­paard met donderend onweer en laaiend hemelvuur. De machtige, leidende en ordenende geest gaf op niet mis te verstane wijze blijk van zijn tegen­woordigheid, zodat de zwervende Is­raëlieten met ontzag werden vervuld. Onder bliksemend vuur werden zij tot een volk gesmeed, tot een ‘samen-ho­rend’ geheel. Onder dwang werden de rondzwervende zielen tot een eenheid samengevoegd, gehoorzaam aan één God en zijn gebod. Het antwoord op de vraag ‘waarom?’ lag enige eeuwen later, toen het kind van Maria geboren werd in Bethlehem, de stad Davids.

Hoe geheel anders beleven we Pinkste­ren in christelijke zin! Naar het tijd­stip komt het nog overeen met het ou­de feest der Joden: de vijftigste dag na Pasen of wel 7 weken later. Om een vermoeden te krijgen waar het verschil zit, moeten we de Handelingen der apostelen opslaan. Daarin wordt immers beschreven wat er op die ene bij­zondere pinksterdag gebeurde:
‘Toen dan de dag van het pinksterfeest aan­brak, waren zij allen bijeen. En plotse­ling klonk er uit de hemel een geluid als het waaien van een machtige wind en vulde het hele huis waar zij gezeten waren’.
Hier is reeds een eenheid aan­wezig, de discipelen en andere leerlin­gen die daar bij elkaar zijn in de zaal, voelen zich één door alles wat zij in de afgelopen drie jaar hebben meege­maakt en doorgemaakt. Die machtig waaiende wind is als een geweldige adem die op hen blaast. Het doet mij denken aan het verhaal van de schep­ping van de eerste mens, van Adam: God blies zijn adem op hem, zodat hij tot leven kwam. Het bloed ging stro­men, hij werd warm van een innerlijk vuur en hij kon spreken. Zo werden de leerlingen van Jezus gegrepen door een innerlijk vuur, dat zij bij elkaar schouwden als vurige tongen, die zich op hun hoofden neerzetten, op ieder van hen individueel.
De wolken van Hemelvaart klaarden op, stralend en helder stond een innerlijke ‘wetgeving’ voor hun geest. Buiten werd het feest gevierd van de eerstelingen van de na­tuur; binnen voltrok zich het mystiek gebeuren van de eerste gaven van de Heilige Geest, de Trooster waarover de Christus zo dikwijls gesproken had, toen hij nog op aarde rondwandelde. De discipelen wisten nu wat zij moes­ten doen. Er was een einde gekomen aan hun innerlijke onzekerheid. Ook zij waren enige tijd ‘zwervende zielen’ geweest. Maar nu brandde in hen dat vuur dat hen noopte tot spreken, en zij gingen naar buiten en begonnen te spreken over de machtige daden Gods.

Op dood spoor?
Zo werd het oeroude pinksterfeest van binnenuit vernieuwd, zoals ook het oude paschafeest van binnenuit ver­nieuwd werd door de inzetting van het heilig avondmaal. Pinksteren werd een feest van de toekomst. Het zoeken naar een gemeenschap van individuele zielen was begonnen. Het bleek een hele lange weg te worden. Zo zeker als de eerste discipelen zich voelden van zichzelf en van elkaar, zo onzeker gin­gen de mensen na hen zich gedragen met betrekking tot de heilige Geest en de innerlijke wetgeving. Hoe groter de onzekerheid werd, hoe meer de hoge kerkelijke autoriteiten vergaderden, en hoe meer zij trachtten vast te leggen in leerstellingen, in dogma’s. Zij waren niet meer zo direct bezield met een heilig weten, dat door ieder gedeeld werd, die op dezelfde wijze voorbereid was. De toegangspoort tot de wereld van de geest raakte verstopt met onkruid. Er ontstond een machtig bouwwerk van gedachten, neergelegd in dikke boeken, en toch blijkt nu in deze turbulente tijden dat we deze vastgelegde, kerkelijke  wetgeving steeds meer gaan loslaten op zoek naar het waarachtig levende woord. Er is weer een volk van zwervers ontstaan, van zwervende zielen, van een zoeken­de mensheid. We zoeken een houvast, en dat houvast is het doel waarop we heel ons denken willen richten.

In de roos
In de rozenmaand juni zijn er in onze zuidelijke provincies bepaalde festivi­teiten verbonden met Pinksteren, die ogenschijnlijk met deze christelijke feestdag niets te maken hebben. In Zeeland, in Brabant en Limburg wor­den dan ieder jaar de schuttersfeesten gehouden. Door het jaar heen wordt er geoefend, maar met Pinksteren vie­ren de schuttersgilden het koningsschieten. Met vanen en wapenen gaat men eerst ter kerke. Daarna trekt de stoet naar het veld, waar de hoge schutsboom staat opgesteld. Driemaal loopt de processie eromheen, zodat de plaats van het doel goed gemarkeerd is. Dan mag de ‘koning’ van het vorig jaar de eerste pijl afschieten. Is er raak geschoten, dan slaat de tamboer een roffel op zijn trom en de omstanders juichen. Er wordt veelal met de hand­boog geschoten, vooral in Zeeland. In Brabant komt er meer versiering bij door het ‘vlagvertoon’ van het vendelzwaaien, dat als een kunst beoefend wordt.

Wat heeft de schutter met Pinksteren te maken? We kunnen er een vermoe­den van krijgen, als we ons voorstellen wat de schutter doet. Hij spant zijn boog met de pijl erop en richt zijn oog op het doel, daar hoog in de lucht op de schutsboom. De schutter spant ech­ter niet alleen zijn boog, ook zijn arm, ja zijn hele lichaam spant hij en als hij de pijl laat schieten, ontspant hij zich weer, tegelijk met de boog. Als wij denkend, in de geest, een be­grip proberen te ‘vangen’ in woorden of als wij een bepaalde gedachte, een idee dat we duidelijk voor ons zien, een vorm willen geven, zodat het tast­baar wordt – dan doen we als de schut­ter. En als dan de vorm enigszins be­vredigend, de oorspronkelijke gedach­te tot uitdrukking brengt, dan beleven we daaraan vreugde, dan hebben we ‘in de roos’ geschoten.

Er is nog een ander verband tussen de maand juni en de schutter. Ieder die­renriemteken heeft zijn ‘contrabeeld’ dat een halfjaar later ligt. Nu blijkt het tegenbeeld van de maand juni – dat is de tweeling – in de maand de­cember te liggen, de tijd die staat on­der het teken van de Schutter. Dat kun je als gegeven zo laten staan, maar al denkend kom je tot verrassende ont­dekkingen. Ik kan me voorstellen dat de schutter zo sterk zijn doel voor ogen heeft, dat hij de weg die de pijl moet afleggen om er te komen, niet meer ziet, laat staan nog eventueel an­dere mogelijkheden om het doel te be­reiken, behalve langs de rechte lijn. Het lijkt mij dat de schutter dan veel kan leren van de beweeglijkheid van het kind, dat in zijn spelend leven nog geen doel kent.

Merkwaardig, dat de adventstijd, de weken van verlangend uitzien naar het Kerstkind, in de tijd van de Schutter valt. Zo worden we, als de zon bijna op zijn hoogste punt staat, op een ver­borgen manier gewezen op Kerstmis, het feest van de geboorte midden in de winternacht. Misschien wil Pinkste­ren ons dat zeggen: laat het kind in ons weer geboren worden, dat wat in ons worden wil, wat toekomstkracht in zich draagt. Want waar de openheid van het kind is, daar kan de geest wer­ken. Dan zal er evenwicht zijn tussen geest en materie, tussen hemel en aar­de, en de mens zal in het midden staan.

Marieke Anschütz, ‘Jonas’  1 juni 1979

.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

166-158

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (16)

.

PINKSTEREN, FEEST VAN HET GEHEIM

‘Iets schrijven over Pinksteren is geen eenvoudige opgave – wel een uitdaging’, de gedachten die ik hier wil proberen te verwoorden zijn – helaas – nog geen eigen gedachten, ik vond ze her en der en ze spraken mij erg aan. Daarom wil  ik ze doorgeven in de hoop dat ook jullie er iets in kunt beleven.

Het Pinksterfeest is een oeroud feest. Het behoort waarschijnlijk tot de oudste feesten die de mensheid kent. En toch is het voor ons een feest van de toekomst – waar we eerst nog in moeten groeien. De zin van Pinksteren is de vernieuwing van het bewustzijn, die door ons mensen zelf tot stand moet worden gebracht.

‘Heilig’ is wat heel is. In het paradijselijk oerbegin waren wereld en mens nog heel. De mensenziel – open als die van Maria – was nog een werktuig van het goddelijk denken en willen.

Toen ging die scheur van de afzondering door de schepping omdat de mens verlangde zelf te denken en te weten. De mens scheidde zich af van zijn eigen hogere zelf, dat -gedragen door de Heilige Geest (helende, weer verbindende geest) – boven hem bleef zweven en steeds minder kon inwerken op zijn wezen, dat zich steeds verder afsnoerde. Het langzaam ontwakende eigen denken en kennen nam (en neemt?) in toenemende mate het dode (het onbeweeglijke) en de dood in zich op. Het gewone denken gaat uit van de hersenen. Het glijdt langs de uiterlijke dingen en blijft aan het aardse hangen. Het innerlijk schep­pend zijn blijft de mens het eigen denken schuldig. Knapheid, geestig­heid, dingen kunnen uitrekenen, berekenen daarvoor is geen scheppend vermogen nodig. Het pinksterfeest geeft ons nieuwe mogelijkheden, het kan ons een begin helpen maken met een nieuw denken en zo kan ooit een nieuwe cultuur ontstaan. We moeten een aanvang maken met het heiligen (heel maken) van de samenleving, van dat wat tussen men­sen gebeurt, van het denken – tot op het gebied van de wetenschap, van de aarde.

Toen in de 9e eeuw door het grote schisma de kerk uiteen viel in de oosterse en westerse christenheid, lag de oorzaak daarvoor in het feit dat oost en west het niet langer eens konden zijn over het wezen van de ‘Heilige Geest’. Eigenlijk kwam toen aan het licht hoever de menselijke geest al afstond van de Heilige Geest.

En ongelukkigerwijs stak in diezelfde negende eeuw een andere onzekerheid de kop op omtrent de mens. De vraag of de mens uit lichaam, ziel en geest of alleen uit lichaam en ziel bestaat werd toen op het Conci­lie te Constantinopel gesteld. De mens werd toen een individueel gees­telijk wezen ontzegd. Ook al is het ware geestelijke zelf t.g.v. de zondeval niet in de mens maar zweeft deze er boven, hij is er wel, hoort wel bij de mens. Men ontkende dit toen.

In het uiteenvallen van de oosterse en westerse kerk naar aanleiding van de ‘onzekerheid over de Geest’ ligt de kiem voor het probleem van de oost-west politiek, dat als een nachtmerrie van gigantische afmetingen boven de mensheid hangt. Het begon op religieus-kerkelijke bodem, nu is het in de arena van de politieke machtsverhoudingen aan­gekomen. In het oosten wordt met uiterst raffinement het principe van de collectiviteit tegenover dat van de individualiteit gesteld. In het westen spreekt men over de vrijheid van het individu, maar begeeft zich daarmee op onveilig terrein, omdat men zich tot in de atoomfysica heeft uitgeleverd aan een onbezield denken dat weinig menselijks meer heeft.

Waar ligt het midden tussen die gevaarlijke machtsconcentraties in oost en west? Waar is het geestelijke Europa? Wat door geeste­lijke oorzaken uiteen gevallen is, ziek geworden is, kan ook alleen door geestelijke impulsen weer genezen worden. Pinksteren – doordat het het geheim van de oude Heilige Geest (Helende Geest) goed kent, en leeft met de nieuwe Christelijke Heilige Geest- kan ons helpen zoeken naar een fundamentele vernieuwing van denkwijze, wereldbe­schouwing en wetenschap, en deze impuls kan helpen de brug te slaan over de afgrond en manieren vinden om de wond te helen tussen oost en west.

Het pinksterfeest wordt ons niet – zoals de meeste andere jaar­feesten vanuit de natuur geschonken – maar het moet vanuit het binnen­ste van onze ziel geschapen worden. Dit scheppen is juist voor ons de moeilijkheid. Pinksteren is immers, zoals uit het voorafgaande ook blijkt, het feest van ons ware hogere ik, dat nu nog boven ons zweeft, en tegelijkertijd is het het feest van de gemeenschap. Een gemeenschap die ontstaat uit de harmonie van onze hogere ikken. Het pinksterfeest is het feest van het geheim dat nog in het verborgene rust.

Er is een weg gebaand die naar omhoog leidt en die kunnen wij gaan. Dan krijgen wij vleugels. Daartoe moeten we zorgen dat het warm is in het diepst van onze zielen. In de uiterlijke wereld stijgt de lucht alleen op wanneer zij verwarmd wordt, zo is het ook  in ons in­nerlijk. Een middel om de ziel  te verwarmen is de stilte te zoeken, vrede te vinden, en deze momenten bewust te willen. Dan wordt het hart warm en die warmte doet onze ziel opstijgen naar waar ons ware zelf is. Dan wordt het huwelijk voltrokken tussen de ziel en de geest. In oude liedjes kom je dan ook teksten tegen waarin men spreekt over pinksterbruid  (vieu pinksterblom, vieu = vierge = maagd). De lich­tende vlam van de Geest daalt neer op de warme vlam van ons vredige hart. Die warmte is onze zaak, daar moet aan gewerkt worden, de ver­lichting is dan het Antwoord van de Geest. Kunstenaars als Richard Wagner hebben dat veel beter begrepen en weergegeven dan de theologen. We denken dan aan het graalsverhaal. Op het menselijk hart dat begint op te lichten, daalt de duif van de Geest neer en de graal van het hart doet genezende, voedende en verlichtende krachten uitgaan in het eigen wezen van de mens en in de mensen en schepselen in de wereld om hem heen.

Wanneer door het graalvuur in de mens diens geestelijke deel in hem en in zijn denken zijn intrek neemt, begint een nieuwe levende cultuur te groeien en te bloeien, maar wij moeten het zelf tot stand willen brengen en misschien is er dan ooit vrede op aarde, als de vrede met ons is.

‘Hier is onze fiere Pinksterblom
En ik zou hem zo graag eens wezen’
.

 Anke, nadere gegevens onbekend

.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

165-157

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (15)

.

PINKSTEREN

In een week werd de winterse aanblik van een straat met bomen om getoverd in een teer voorjaarsbeeld. Ontelbaar vele knoppen zwellen, barsten open en de voor elke plant karakteristieke blaadjes vouwen zich naar buiten. Nog indrukwekkender zijn deze processen dan wij kunnen waarnemen: overal over een brede strook op het noordelijk halfrond van de aarde van zuid naar noord voortschuivend voltrekt zich dit smelten van de plantensappen uit een starre wintertoestand, door licht en warmte van de elke dag hoger klimmende zon. Dit is een uitbarsting van vitaliteit,  ja een demonstratie van het leven zelf, die zich ieder jaar herhaalt.

De meeste mensen zullen daarbij er niet aan denken dat over enkele weken het tere groen al weer danig kan zijn aangetast door de mede ontwakende rupsen (wel de tuinders natuurlijk), en evenmin dat in oktober en november de herfststormen deze bladeren verdord weer van de bomen zullen blazen. Toch is ook dat een jaarlijks terugkerend gebeuren en ook nu aan de gang in de gematigde streken van het zuidelijk halfrond. Overigens behoeft dat niet somber te stemmen, want zonder deze schoonmaak zou het bladerdek zich niet kunnen vernieuwen. ‘De dood is de kunstgreep van de natuur om veel leven te kunnen voortbrengen’, zegt Goethe.

In deze tijd vallen, elk jaar op een telkens verspringende datum, Pasen en Pinksteren, die geheimzinnige christelijke feesten die wel met twee zondagen elk worden geëerd, maar die ons gevoel toch veel minder aanspreken dan Kerstmis. Om leven en dood gaat het ook hier: de kruisdood van Christus op Goede Vrijdag en de opstanding op Pasen; de eenzaamheid van de discipelen en andere volgelingen na de hemelvaart en het doorbreken van de door Christus beloofde trooster, de Heilige Geest, met Pinksteren. Hoe komt het dat deze voor het christelijk geloof toch wel zeer fundamentele gebeurtenissen nog zo weinig in onze cultuur een rol spelen?

Nu heeft met name onze tijd met zijn verstandscultuur al heel weinig begrip of zelfs gevoel voor deze diepe geheimen. Zonder meer zijn deze geheimen niet te ver­binden met onze voorstellingswereld, die sterk bepaald wordt door de inzichten die de natuurwetenschap in de ruimste zin ons heeft opgeleverd.

Voor een inzicht in de betekenis van deze gebeurtenissen in het jaar 33 voor de ontwikkeling van mensheid en aarde is een diepere blik nodig dan onze oppervlakte-waarneming van de uiterlijke wereld. Die blik had Rudolf Steiner, en in talloze voordrachten en geschriften heeft hij, wat zich hem openbaarde, trachten te ver­woorden. Iets daarvan zal ik proberen samen te vatten.

De gehele mensheid, te zien als een stroom van generaties, telkens uitbottend en weer stervend, zoals de planten ons jaarlijks laten zien, moet men zich voorstellen als geleidelijk veranderend. Heel vroeger waren de mensen minder zelfbewust en minder vertrouwd met de wereld die zich aan de zintuigen openbaarde. De mensen waren vitaler en veel meer open voor openbaringen van wezens die als goden werden vereerd en die de culturen ordenden en leidden. Dat is uit talloze geschriften te lezen, niet in de laatste plaats uit het Oude Testament. Langzamerhand echter werden deze wezens moeilijker bereikbaar, ook voor de hoogst ontwikkelde mensen die met grote kracht naar deze openbaringen streefden, de ingewijden. Dat was een gevolg van de zgn.  zondeval, waardoor de mensen steeds meer de geestelijke wereld gingen vergeten en steeds wakkerder werden voor zin­tuigopenbaringen. Daarmee trad echter een zeer schokkend en beangstigend verschijnsel op: de dood.
Ook eerder stierven de mensen, maar dat werd niet zozeer als een tragedie beleefd omdat men met het bewustzijn nog voor de geboorte en na de dood kon reiken, waardoor de stervensdrempel niet zo absoluut was.

In de Egyptische cultuur begon dit beangstigende raadsel een steeds grotere rol te spelen. De mens verloor steeds meer de geestelijke wereld, kwam in de ban van het aardse.

De mensheidsstroom verloor aan leven, maar won aan zelf­bewustzijn. Dat bewustzijn is de basis voor de menselijke vrijheid, maar wordt bekocht met een steeds absoluter schijnende dood, waarachter het ‘niets’ of hoogstens een schimmenrijk wordt vermoed, zoals bij de Grieken nog het geval was.

Op de duur zou deze ontwikkeling hebben moeten leiden tot een steeds grotere isolatie van de geestelijke wereld, een steeds grotere verzwakking van het mensenras, daar de levenbrengende voeding uit de geest steeds moeizamer werd; de mens die ook zelf steeds meer af moest wijzen vanuit zijn aardse zelfbewustzijn. Met de mens sterft geleidelijk ook de aardeplaneet, een gedachte die de natuurkundigen allang vertrouwd is.

Dan komt Christus op aarde, een kosmisch wezen volgens Rudolf Steiner, het “scheppende woord”volgens de evangelist Johannes, beschikkend over de krachten die aan de gehele aarde- en mensheidsontwikkeling ten grondslag liggen. Met de doop in de Jordaan trekt hij in het lichaam van Jezus van Nazareth, doordringt dat geleidelijk waardoor zijn openbaringsmogelijkheden steeds toenemen en een hoogtepunt vinden in de opwekking van Lazarus. Opvallend is dat hij veel spreekt over het licht en het leven dat hij de mensen brengt, ja dat hij het leven zelf is, waardoor ze nimmermeer zullen sterven. Daartoe moet hij echter eerst de dood doormaken opdat hij die kan overwinnen. Dat gebeurt tussen Goede Vrijdag en Pasen. Met de opstanding vindt eigenlijk een geboorte plaats: de krachten van Christus stromen in de aardewereld binnen. Daardoor verandert de “stervende planeet” in een “kiemende zon”, die zich pas zeer geleide­lijk zal gaan manifesteren,  zoals ook het sterven een zeer langdurig proces is geweest!

Aan deze opstanding heeft ook de mens deel, hij moet zich­zelf echter met deze kiemkrachten verbinden; opgeroepen wordt hij daartoe doordat de stervende krachten het hem steeds moeilijker zullen maken in het oude spoor verder te leven. Ook de  mens moet door de dood tot opstanding komen!

Onze cultuur vertoont maar al te duidelijk ondergangs­symptomen, ook de natuur wordt door de mens met ondergang bedreigd. Alleen de kiemende krachten van Christus, zich individueel aan elk mens openbarend als inspiratie van de Heilige Geest, kunnen hier uitkomst brengen en weer een toekomst openen. Deze krachten moeten door lijden individueel worden veroverd. Daarop slaat de mooie uitdrukking: kracht naar kruis. Met Pinksteren geschiedt dat voor de eerste keer. In onze tijd nemen de moeilijk­heden voor de mensheid snel toe en daarmee de behoefde aan steun. De geschriften van Rudolf Steiner kunnen voor vele mensen deze steun betekenen;  zijn ideeën voor landbouw, geneeskunde, onderwijs, kunst en religie zijn ook werkzaam buiten de eigenlijke kring van zijn aan­hangers. Anderen zoeken langs andere wegen.

Eens zullen zo Pasen en Pinksteren voor iedere mens een betekenis kunnen krijgen die ver uitgaat boven de huidige betekenis van Kerstmis. Nu zijn deze feesten voor velen nog bijna zonder gevoelswaarde, dan zullen ze algemeen worden gevierd en beleefd. Dat zal niet gaan voordat zware stormen de oude, verdorde bladeren van onze cultuur hebben opgeruimd!

In deze beschouwing werd te veel misschien te kort samengevat. Dat kan bezwaren of vragen oproepen. Als ze worden geuit is het misschien mogelijk daarop in te gaan in een volgende aflevering van Vrijblijvend.

 J.  van Dam, in Vrijbklijvend, schoolblad van de Haagse vrijeschool, jaartal onbekend

.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

164-156

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (14)

.

PINKSTEREN

Pinksteren is het feest van de toekomst, een bewustzijnsfeest, zo lees
je in vele boeken. Misschien dat het juist daarom zo moelijk is er over te schrijven. Met Pasen kun je nog veel zeggen over de natuur, overal om je heen zie je dan immers de opstanding geopenbaard.
Maar hoe zit dat met pinksteren? Het prille voorjaarsgroen is verdwenen. De bloesem is al een tijdje aan de bomen, en hier en daar zelfs al weer verdwenen. Het hele nieuwe is er af en je aandacht voor de wonderlijke processen in de natuur dreigt te verslappen.
Juist in deze tijd valt het pinksterfeest. Er wordt een appèl gedaan op ons bewustzijn. Als wij er voor open staan kunnen wij nieuwe geestkracht ont­vangen.
Zon 2000 jaar geleden raakten de apostelen vervuld van de Heilige Geest. Daarvoor zweefde de Heilige Geest als het ware boven hen. Met Pinksteren verbindt hij zich met de mensen, de apostelen raakten er van vervuld.

“Plotseling kwam uit de hemel een gedruis alsof er een hevige wind opstak en heel het huis waar zij gezeten waren, was er vol van. Er verscheen hun iets dat op vuur geleek, en zich in tongen verdeeld op ieder van hen neerzette.” (Hand. 2,1-13)
In deze woorden uit de Bijbel zien we de elementen lucht en vuur duidelijk naar voren komen. De lucht, de hevige wind, brengt het vuur, de geestkracht, bij de mens.
Plaatsen wij dit nu eens in het lentegebeuren.
In de winter is de aarde in zich zelf teruggetrokken.
Als het voorjaar wordt, wekt de zon het nieuwe leven.
In de maand mei zijn de levenssappen volop aan het stromen.
De zon wordt nu zo warm dat het water verdampt en opstijgt.
In de vorm van een wolk verschijnt dit nu aan de hemel. Dit is de Hemelvaart in de natuur, het zonlicht verwarmt nu verder. Hoe hoger de zon aan de hemel staat, hoe beter hij kan verwarmen.

Met het Sint-Jansfeest staat de zon op zijn hoogst en is de natuur uitbundig. Er brandt dan een groot vuur; met Pinksteren wordt in de mensenharten een klein vuur ontstoken, de vurige kracht van de Heilige Geest.
Of liever gezegd: Wij mensen moeten proberen onze harten te verwarmen met geestdrift zodat de warmte kan opstijgen als vuur (denk aan vurige liefde, een vurig pleidooi enz). Dan zullen wij het stralende licht van de geest ontvangen.
Pinksteren is het feest van de scheppende menselijke geest.
Zo worden er voor het pinksterfeest dan ook geen echte bloemen gebruikt, maar papieren, door mensenhanden gemaakte bloemen.
In de klas zingen en spelen we eindeloos van de fiere pinksterbloem. De pinksterblom, ook wel pinksterbruid genaamd, is het symbool van de nieuwe groei en bloeikracht van de natuur. Het oudste meisje van de klas mag de pinksterbruid zijn en de oudste jongen de bruidegom, alle andere kinderen zijn bruidsjonkers en meisjes. De laatste krijgen papieren bloemenkransen om het hoofd.
In het lied zingen we: ‘recht is recht, krom is krom’.
Recht is de weg van de dode, levenloze materie; krom (ronde vormen) is de weg naar de hemel.
Krom is ook de weg naar de vrijheid. Pinksteren is niet in de laatste plaats een feest van de (geestelijke ) vrijheid, het is het zoeken naar je eigen hogere zelf, naar dat wat diep in je verborgen is, dus niet dat wat de uiterlijke wereld van je maakt.
Heden ten dage wordt er veel gesproken over vrijheid. Maar wat is werkelijke vrijheid? We weten het vaak niet meer. De vrijheid die ons heden ten dage geboden wordt, is vaak alleen uiterlijk. Vrijheid ligt echter in het gebied van het geestesleven. Nu, in de pinkstertijd worden wij in ons bewustzijn aangesproken. Wij moeten een vuurtje in onze harten aansteken, zodat wij het licht van de geest kunnen ontvangen.
.

geen bron bekend
.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

163-155

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (13)

.

DE PINKSTERBRUID 

Op grond van oude pinkstergebruiken, gaan we nu in het Speelschooltje voor het eerst de “pinksterbruid” vieren.

Pinksteren, is een, naar de zomer opgeschoven, voorjaarsfeest en heeft dus voorjaarsgebruiken. De herlevende natuur werd voorgesteld door een jong meisje, de pinksterbruid of-blom, door haar rond te dragen voerde men de lente binnen. Zij was mooi versierd met bloemen en groen en behangen met zilveren sieraden die de burgerij afstond.Hoe rijker tooi, des te groter uitzicht op overvloedige oogst.

Oorspronkelijk voerde men een bruidspaar rond, tenslotte bleef alleen de bruid over, want van de bruid stroomt de vruchtbaarheidskracht uit. Zo’n lieflijk bruidspaartje liep onder een kroon,waarvan vier kinderen de afhangende slingers droegen en werd gevolgd door kinderen, allen met bloemen versierd. Ook de pinksterliedjes daarbij gezongen, raken in vergetelheid zoals:

Daar komt de vurige pinksterblom,
Daar komt zij aangegangen,
Met een schoon rozenhoedje op,
Al met twee bloeiende wangen.

De pinksterkronen zijn nu ook verdwenen. Kransen, versierd met bloemen, kleurig papier en uitgeblazen eieren hing men over weg en straat. Daaronder zat de pinksterkroon; wie onder de kroon doorging moest iets offeren. Soms hing men ook een bosje brem op.
In een ander dorp kende men in plaats van de pinksterkroon een meiboom: een 6 à 10 meter hoge paal, versierd met horizontaal aangebrachte hoepels, alle behangen met papieren netjes, slingers en lampions, en deze staat midden op straat, of plein. De kinderen dansen ( rozen ) hand aan hand om de kroon en zingen op de wijze van “Wie in januari geboren is “.

De pinksterkroon is weer in het land, hoezee!
De vlaggen die waaien van allen kant, hoezee!
Wij rozen  naar de oude trant;
Weer allen samen hand in hand,
Hoezee, hoezee, hoezee! (bis)

‘s Avonds komen de volwassenen om de kroon dansen en zingen. Bij deze pinksterkroon zit geen pinksterbruid, maar een harmonicaspeler. Evenals de meiboom wordt de pinksterkroon tenslotte verbrand of verdronken.

Enkele volksvermaken zijn: pinksterkermis, het ringrijden , het gooischieten, zeilwedstrijd.

Op sommige plaatsen had ook een broodbedeling plaats aan de armen. Zó kende iedere streek zijn eigen gebruiken. De pinksterblom werd niet altijd toegejuicht als de blij ont­waakte lente, zij werd ook gehoond als de langslaapster, het voorjaar dat te lang op zich had laten wachten. Dan zong men:

De pinksterblom is opgestaan,
ze mocht wel weer te bedde gaan.

Een willekeurige luilak werd op vrijdag en zaterdag voor pink­sterdag rondgeleid. Zij kreeg een krans van gras en brandnetels op het hoofd en werd bespot.
Er wordt ook op horrie gereden. Dit zijn eigengemaakte kleine wagentjes, beladen met groene takken en brandnetel (vruchtbaar­heidssymbool) en voorzien van een lange sliert van blikken en deksels, die over de keien een hels lawaai maken (zeer geschikt om de slapers te wekken). Waar men een langslaper vermoedt, wordt aan de bel getrokken, waaraan men een bos brandnetels of een dode rat hangt onder het zingen van:

De looie bak,
de slaperige zak,
vanmorgen niet vroeg opgestaan.
je kan wel weer naar bed toe gaan

Hoe gaan wij nu in het Speelschooltje de pinksterbruid vieren?

In onze klasjes maken we een pinksterboog, allerlei versieringen, belleboompjes en sieraden voor de pinksterbruid. Twee van de oudste kinderen vormen het bruidspaar, en worden ook zo aangekleed.

Marijke Peters, nadere gegevens onbekend

 

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

162-154

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – alle artikelen

.
Onderwijskundigen van de 20e eeuw
Dick Crum
over: Rudolf Steiner, diens leven en werk

Rudolf Steiner als pedagoog
alle artikelen

Rudolf Steiner als didacticus
alle artikelen

Rudolf Steiner over aardrijkskunde
alle artikelen

Rudolf Steiner over ‘antroposofisch onderwijs’
de door mij tot nog toe gevonden uitspraken over ‘antroposofie in het vrijeschoolonderwijs’

Rudolf Steiner over dierkunde
de voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293-311

Rudolf Steiner over euritmie 
de voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293-311

Rudolf Steiner over getuigschriften
de voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293-311

Rudolf Steiner over gezondmakend onderwijs
de voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293-311

Rudolf Steiner over de kerstspelen
vertaling van GA 274

Rudolf Steiner over kinderbespreking
de voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293 – 311

Rudolf Steiner over ontwikkelingsfasen   [niet compleet]
De voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293 – 311.
En uit andere voordrachten: GA 94; GA 96

Rudolf Steiner over peuter- en kleuteropvang

Rudolf Steiner over mineralogie
de voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293-311

Rudolf Steiner over de ochtendspreuk
uit GA 300A/63; 96/97

Rudolf Steiner over ontwikkelingsfasen
van de mensheid en van het kind uit GA 55, GA 297 [1], GA 297 [2], GA 301 [1] en GA 301 [2]

Rudolf Steiner over periodeonderwijs
de voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293-311

Rudolf Steiner over schrijven en lezen
de voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293-311

Rudolf Steiner over spel
de voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293-311

Rudolf Steiner over taal
het opstel

Rudolf Steiner over vertellen
de voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293-311
Sinnige Geschichte: ‘Het grote en het kleine viooltje’
Sinnige Geschichte: ‘De ruiker’

Rudolf Steiner over vormtekenen
de voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293-311

Rudolf Steiner: wegwijzers
Uitspraken van Steiner die je een weg kunnen wijzen

Rudolf Steiner over de 1e klas
Het allereerste uur op school

Rudolf Steiner over pedagogie(k)
de in de Gesamtausgabe (GA) voorkomende pedagogische geschriften; de betreffende vertalingen in boeken of op deze blog.

Rudolf Steiner over carnaval

Driekoningen
Rudolf Steiner over: wie waren deze Magiërs; hun geschenken: goud, wierook, mirre; de ster; de grot

.

160-152

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over getuigschriften

.

In verschillende voordrachten heeft Steiner aandacht besteed aan het rapporteren van de vorderingen van de leerlingen aan hun ouders.

In de GA-delen 300A, -B, -C, het meest, omdat daar direct vanuit de praktijk gesproken werd.

Hieronder volgen de m.i.de  belangrijkste passages:
Die Mitteilung an die Eltern ist ja unter Umständen auch etwas wie eine Zensur, aber das wird sich nicht ganz vermeiden lassen. Wie es auch zum Beispiel als notwendig sich herausstellen kann – was wir natürlich mit einer gewissen anderen Note behandeln würden, als es gewöhnlich behandelt wird -, daß ein Schüler länger auf einer Stufe bleiben muß; das müssen wir natürlich dann auch machen. Wir wer­den es ja tunlichst vermeiden können durch unsere Methode. Denn wenn wir den praktischen Grundsatz verfolgen, womöglich so zu ver­bessern, daß der Schüler durch die Verbesserung etwas hat – also wenn wir ihn rechnen lassen, weniger Wert darauf legen, daß er etwas nicht kann im Rechnen, sondern darauf, daß wir ihn dazu bringen, daß er es nachher kann -, wenn wir also das dem bisherigen ganz entgegenge­setzte Prinzip verfolgen, dann wird das Nichtkönnen nicht mehr eine so große Rolle spielen, als es jetzt spielt. Es würde also im ganzen Un­terricht die Beurteilungssucht, die der Lehrer sich dadurch anerzieht, daß er jeden Tag Noten ins Notizbuch notiert, umgedreht werden in den Versuch, in jedem Momente dem Schüler immer wieder und wie­derum zu helfen und gar keine Beurteilung an die Stelle zu setzen. Der Lehrer müßte sich ebenso eine schlechte Note geben wie dem Schüler, wenn der Schüler etwas nicht kann, weil es ihm dann nur noch nicht gelungen ist, es ihm beizubringen.

Als Mitteilung an die Eltern und als von der Außenwelt Gefordertes können wir, wie gesagt, Zeugnisse figurieren lassen. Da müssen wir uns schon an das halten, was üblich ist. Aber in der Schule müssen wir durchaus die Stimmung geltend machen, daß das eben für uns – das brauchen wir ja nicht besonders auseinanderzusetzen – nicht in erster Linie eine Bedeutung hat. Diese Stimmung müssen wir verbreiten wie eine moralische Atmosphäre.

De mededeling aan de ouders is in zekere zin ook iets als een rap­port, maar dat zal men niet geheel kunnen vermijden. Zoals het bij­voorbeeld ook nodig kan blijken – wat we natuurlijk met een ander accent zouden behandelen dan gewoonlijk gedaan wordt – dat een leerling een klas overdoet; dat moeten wij dan natuurlijk ook doen. Met onze methode zullen we het natuurlijk zo veel mogelijk kunnen vermijden. Want wanneer we het praktische principe volgen om fou­ten zo te verbeteren dat de leerling iets heeft aan de verbetering – dus bijvoorbeeld bij het rekenen niet zozeer benadrukken dat hij iets niet kan, maar hem zo ver brengen dat hij het later wél kan – wanneer we dus dit principe volgen dat volledig tegengesteld is aan wat tot nu toe wordt gehanteerd, dan zal het niet-kunnen niet meer zo’n grote rol spelen als het nu doet. In het hele onderwijs zou de beoordelingsdrang, die de leraar bij zichzelf aankweekt doordat hij iedere dag cijfers noteert in zijn notitieboekje, dus omgedraaid worden tot de poging om de leerling op ieder moment steeds opnieuw te helpen in plaats van hem te beoordelen. De leraar zou zichzelf evenzeer een onvoldoende moeten geven als de leerling wanneer deze iets niet kan, omdat het hem dan nog steeds niet gelukt is om het hem bij te bren­gen.

Zoals gezegd kunnen we de rapporten dienst laten doen als mede­deling aan de ouders en als iets wat door de buitenwereld geëist wordt. En dan moeten we ons natuurlijk houden aan hetgeen gebrui­kelijk is. Maar in de school moeten we in ieder geval de stemming creëren dat dat voor ons niet in eerste instantie belangrijk is – en dat hoeven we niet speciaal uit te leggen. Die stemming moeten we uit­stralen als een morele sfeer.
GA 295/183
vertaald/167

=

Ich möchte nur kurz charakterisieren, wie wir in der
Waldorfschule nach und nach jedes Kind, trotzdem wir auch große Klassen haben, seiner Individualität nach genau kennenler­nen. Wir geben ihm nicht Zensuren mit, Zeugnisse, in denen steht «fast befriedigend», «kaum genügend» – das ist ja alles Unsinn. Man kann nicht so zensieren. Sondern wir geben den Kindern tatsächlich eine Beschreibung ihres Wesens, die ihnen einen Spiegel das ganze nächste Jahr vorhält, und einen Spruch, der aus tiefster Seele heraus gewählt war. Wir haben es auch erlebt, welchen Wert für die Waldorfschulkinder gerade diese Zeugnisse bekommen haben. Wir haben also das erlebt, was als anthroposophischer Geist in diese Waldorfschule eingezogen ist.

Ik zou nu in het kort willen karakteriseren hoe wij in de vrijeschool langzamerhand ieder kind,  wat zijn individualiteit betreft, leren kennen, hoewel we ook grote klassen hebben. We geven het geen beoordelingen mee, rapporten waarin staat ‘bijna naar tevredenheid’, ‘nauwelijks voldoende’, dat is allemaal onzin. Zo kun je niet beoordelen. Maar wij geven de kinderen daadwerkelijk een beschrijving van hun wezen, die hun ’t volgende jaar als een spiegel voorgehouden wordt en een spreuk, die uit het diepst van de ziel gekozen is. We hebben het meegemaakt welke waarde juist deze getuigschriften voor de vrijeschoolkinderen gekregen hebben. We hebben dus meegemaakt wat als antroposofische mentaliteit in de school gekomen is.
GA297A/65
Niet vertaald

=

Sie wissen, wir geben nicht solche Zeugnisse mit den üblichen Noten wie an öffentlichen Schulen. Wir versuchen, das Kind zu charakterisie­ren, auf die Individualität einzugehen.Erstens: Sitzt ein Lehrer über der Gestaltung der Zeugnisse und ist sich seiner Verantwortung bewußt, so tritt ihm Rätsel über Rätsel vor das seelische Auge, und er wägt jedes Wort, das er prägen soll. Eine große Erleichterung ist es ihm dabei, wenn er den Eltern gegenübergestanden hat, nicht wegen der Vererbungsver­hältnisse, um die sich heute allein der Materialismus kümmert, sondern er sieht die Umgebung, und alles erscheint dann erst im rechten Lichte. Dabei hat man nicht nötig, in indiskreter Weise die Eltern selbst zu beurteilen, sondern er will eben in freundschaftlicher Weise sich den Eltern gegenüberstellen.

Zweitens sollte der Lehrer eigentlich sicher sein, daß ein liebevolles Interesse im Elternhause ruhen würde auf solchen Zeugnissen, und ich glaube, wenn die Eltern fertig brächten, eine kleine Antwort zu schrei­ben auf das, was der Lehrer im Zeugnis beschrieben hat, daß das ungeheuer helfen würde. Wird das als Regel eingeführt, so hat es keine Bedeutung; wird es Bedürfnis von den Eltern aus, so ist es pädagogisch ungeheuer wichtig.

( )  Der Waldorfschullehrer erzieht aus einer Menschenkenntnis heraus, die nicht auf dem heute üblichen Wege zustande kommt. Aber aus dem, was in hingebungsvoller Weise Eltern dem Lehrer mitteilen könnten, würde starke Menschenerkenntnis flie­ßen, und ich übertreibe gar nicht, wenn ich sage, fast noch wichtiger als für das Kind das Zeugnis wäre für den Lehrer das Gegenzeugnis.

U weet, wij geven niet zulke rapporten met de gebruikelijke cijfers, zoals aan openbare scholen. We proberen het kind te karakteriseren, op zijn individualiteit in te gaan.

Ten eerste: Als een leerkracht bezig is met het getuigschrift en hij is zich zijn verantwoordelijkheid bewust, dan verschijnt voor zijn geestesoog raadsel na raadsel en hij weegt ieder woord dat hij kiest. Een grote hulp is het voor hem, wanneer hij de ouders ontmoet heeft. Niet vanwege de erfelijkheidsfactoren waar tegenwoordig zich alleen het materialisme om bekommert, maar hij ziet het milieu en alles komt zo in het juiste licht te staan. Daarbij is het niet nodig de ouders op een indiscrete manier te beoordelen, maar hij wil de ouders op een vriendschappelijke manier ontmoeten.

Ten tweede zou de leerkracht er eigenlijk zeker van moeten zijn, dat er thuis een liefdevolle interesse is voor het getuigschrift en ik geloof, dat wanneer de ouders het op zouden kunnen brengen, een klein antwoord te geven op wat de leerkracht in het getuigschrift heeft geschreven, dat heel erg zou helpen. Als het als regel ingevoerd zou worden, heeft het geen betekenis; als het een behoefte vanuit de ouders zou zijn, dan is het pedagogisch van buitengewoon belang.

De vrijeschoolleerkracht voedt op vanuit een menskunde die niet tot stand komt langs de tegenwoordig gebruikelijke weg. Maar uit hetgeen wat de ouders op een betrokken wijze de leerkracht kunnen meedelen, zou een gedegen menskunde kunnen voortkomen en ik overdrijf echt niet, wanneer ik zeg, dat bijna nog belangrijker dan het getuigschrift voor het kind, het getuigschrift van de ouders voor de leerkracht is.GA298/193
Niet vertaald

=

Es wird nach den Zeugnissen gefragt.Dr. Steiner: Wir sprachen schon einmal darüber. Man müßte schon einzelnes hervorzuheben versuchen, aber nicht in pedantischer Weise. Man müßte versuchen, vielleicht doch am Anfang nur die Personalien zu haben, und dann für jedes Kind zu individualisieren. Daß man zum Beispiel schreibt: ,,E. liest gut, erzählt anregend”, und so, daß man sich selbst den Text bildet. (  )
 Jeder wird nach seinem Genius den Schüler charakterisieren. Wenn mehr Lehrer in Betracht kommen, muß jeder einschreiben. Aber es wäre wünschenswert, daß sich die einzelnen Aussagen nicht allzu stark widersprechen; wenn der eine sagt: ,,Er liest ausgezeichnet”, der andere auch etwas sagt, was dem entspricht. Nicht wahr, es fängt einer an, den Schüler zu charakterisieren, derjenige, der sein Klassen­lehrer ist. Die anderen schließen sich an. Es kann nicht gut der Klassenlehrer schreiben: ,,Es ist ein ausgezeichneter Junge”, und dann schreibt jemand anderes: ,,Das ist ein kleines Scheusal.” Das muß man schon verschmelzen.

Er wordt een vraag gesteld over getuigschriften:
Steiner: We hadden het er al eens over (blz.116). Je zou details naar voren moeten halen, maar niet pedant. Je zou moeten proberen, misschien aan het begin, de personalia te hebben en dan voor ieder kind te individualiseren. Dat je bv. schrijft: ‘E. leest goed, vertelt geanimeerd’, zo dat men zelf de tekst maakt.
Ieder kan naar zijn aard de leerling karakteriseren. Als er meer leerkrachten in aanmerking komen, moet ieder schrijven. Maar het is wel aan te bevelen dat de verschillende verwoordingen elkaar niet al te veel tegenspreken. De klassenleerkracht begint de leerling te karakteriseren; de anderen sluiten aan. De klassenleerkracht kan niet schrijven: ‘Hij is een  voortreffelijke jongen’ en dat iemand anders dan schrijft: ‘Dat is een boefje’. Dat moet je toch bij elkaar zien te krijgen.
GA300A/147
Niet vertaald

=

(  )  man kann es schon so fassen, indem man, ohne zu zensieren, charakterisiert, wie weit das Kind im Schrei­ben ist. Bei dieser kleinen M., da würde ich schreiben: ,,Hat es noch nicht weiter gebracht, als zum mühsamen Nachschreiben einfacher Worte, wobei das Kind sehr häufig unnötige Striche an die Buch­staben anfügt.” Die Kinder charakterisieren!

(   )  je kunt het zo opvatten dat je zonder cijfers te geven, karakteriseert, hoe ver het kind met schrijven is. Bij deze kleine M (kind) zou ik schrijven: ‘heeft het nog niet verder gebracht dan het overschrijven van eenvoudige woorden, waarbij het kind erg vaak onnodige strepen toevoegt aan de letters.’ De kinderen karakteriseren!
GA300A/148
Niet vertaald

=

Dr. Steiner: Es handelt sich darum, daß man die Sätze richtig faßt. Wenn man nicht gut individualisiert, was schwierig ist, dann wird man, wenn man die Sätze zu streng formuliert, sehr viele zurück­stoßen. Es würde sich schon darum handeln, wenn jemand ein großer Nichtsnutz ist, daß man schreibt es wäre dringend zu wünschen, daß er im nächsten Jahr sich zusammennähme. In der Formulierung würde manches liegen. Auch Mängel positiv ausdrücken, aber in bezug auf die Formulierung streng sein.

Da sind wir einig, daß wir die Zeugnisse ausstellen wie im vorigen Jahr. Ein möglichst treues Bild. Unten wiederum für jedes Kind einen Spruch ins Zeugnis, der für die Individualität des Kindes rich­tunggebend sein kann, als Leitmotiv für die Zukunft. Nun würde ich doch gerne haben, da das Kind dieses Zeugnis behält, daß auf jedem Zeugnis alle Lehrer unterschreiben, die tätig waren an dem Kinde. Gerne würde ich haben wollen, daß jedes Kind alle Unterschriften hat. Es ist nicht unbedeutend, daß die Kinder alle Unterschriften haben von den Lehrern, die an dem Kinde gearbeitet haben. Es soll der Name des Klassenlehrers daraufstehen und dabei auch stehen ,,Klassenlehrer”, so daß das Kind weiß: zu dem gehört es; und die anderen stehen darunter. Es wäre gut, wenn der Lehrer selbst den Text schreibt, der Klassenlehrer den längsten, und jeder andere Leh­rer eine kurze Bemerkung.

Het gaat erom dat de zinnen juist geformuleerd worden. Wanneer je niet goed individualiseert, wat moeilijk is, dan zul je, wanneer je de zinnen te streng formuleert, velen voor de borst stoten. Het gaat erom, wanneer iemand een grote nietsnut is, dat je schrijft, dat het te wensen is, dat hij zich het volgend jaar gaat concentreren. Aan het formuleren ligt heel veel.
Ook tekorten positief uitdrukken, maar streng zijn voor jezelf wat het formuleren betreft.

Een zo getrouw mogelijk beeld. Onderaan voor ieder kind weer een spreuk in het getuigschrift die voor de individualiteit van het kind richtinggevend kan zijn als motief  voor de toekomst.

Nu zou ik het ook graag zo zien dat ieder kind het getuigschrift houdt en dat iedere leerkracht die met het kind heeft gewerkt, zijn handtekening erop zet. De naam van de klassenleerkracht staat erop, als klassenleerkracht, zodat het kind weet bij wie het hoort en de anderen staan eronder. Het zou goed zijn, wanneer de klassenleerkracht zelf de tekst schrijft; de klassenleerkracht de langste en iedere andere leerkracht een korte opmerking.
GA300A/285
Niet vertaald

=

Dr. Steiner: Schreiben Sie ins Zeugnis hinein, was wahr ist. Motivie­ren Sie genau, warum er zurück ist. Sie können das alles hineinschreiben.

Schrijf in het getuigschrift wat waar is. Motiveer  precies waarom hij (een leerling) achter is. Dat kun je er allemaal inschrijven.
GA300B/63
Niet vertaald

=

Es waren beim Ausschreiben der Zeugnisse Irrtümer unterlaufen.

Dr. Steiner: Das ist ein Mangel an Ernst in der Behandlung der Zeugnisangelegenheit. Das ist eine unerhörte Schlamperei, die mit Ernst behandelt werden muß. Die Sucht, die Sachen zu entschul­digen, macht es noch schlimmer. Es ist etwas Unerhörtes. Wenn solche Dinge vorkommen können, da sind wir wirklich nicht im Betrieb der Waldorfschule darin. Wir haben kein Recht, von Zeug­nissen zu reden, wenn wir mit einer solchen schlampigen Weise vor die Welt hintreten. Das ist wirklich unglaublich. Wir kommen all­mählich hinein in einen Betrieb, der überhaupt nicht ernst zu nehmen ist. Ein Zeugnis, das ist ein Dokument! Wenn man sich so verschreibt – ich möchte wissen, in welchen Betrieb wir hinein­kommen.

Bij het schrijven van de getuigschriften waren er fouten ingeslopen.

Steiner: Dat is een gebrek aan ernst in de omgang met de getuigschriften. Het is een ongehoord geklungel dat serieus genomen moet worden. En de neiging de dingen te verontschuldigen, maken het nog erger. Het is ongehoord. Wanneer dit voorkomt zijn we echt niet in dienst van de vrijeschool. Wij hebben geen recht om over getuigschriften te spreken als we met zulk geklungel in de wereld verschijnen. Het is echt ongelooflijk. Zo komen we langzamerhand bij een zaak die niet ernstig genomen kan worden. Een getuigschrift is een document! Als men zich zo verschrijft, dan zou ik wel eens willen weten waar we terecht komen.
GA300B/110
Niet vertaald

=

Eine Frage wegen der Zeugnisse.

Dr. Steiner: Über Zeugnisse ist nicht gar soviel zu sagen. Wie wir das erste Schuljahr hatten in der Waldorfschule, war es so, daß die Zeug­nisse wirklich reizend waren. Es war neu, einmal nicht mit Noten, sondern mit eigener Ausführung die Schüler zu bewerten. Von vielen Seiten wurde das als ungeheuer wohltätig empfunden. Die Sätze sind mit ungeheurer Liebe formuliert. Wenn Sie diese Zeugnisse heute vornehmen, sie sind aus Liebe formuliert.
Als ich aus Anlaß der einen Beschwerde die Zeugnisse anschaute, fand ich, daß nach und nach die Sache so gekommen ist, daß für eine große Zahl der Lehrer die Zeugnisse ebenso eine solche Last gewor­den sind, wie draußen in den Schulen, daß man froh ist, wenn man das hinschreibt. Es ist so, daß man sieht, daß keine Liebe mehr darauf verwendet ist. In der trockensten Prosa sind die Dinge formu­liert worden. Da ist es schon besser, wir führen 4, 3, 2, 1 ein. Wir müssen mehr Sorgfalt darauf verwenden, in die Formulierung mehr Phantasie hineinzulegen. Mehr Fleiß und Liebe sind anzuwenden, sonst artet es aus, so daß jemand zum Beispiel schreibt: ,,Kann zwar  noch nichts, wird aber schließlich besser gehen”, ,,benimmt sich ziemlich mangelhaft”, und so weiter. Das hat keinen Sinn mehr. Ich habe ja nichts dagegen; wenn es als eine zu große Last empfunden wird, so müssen wir in den sauren Apfel beißen und schulmäßige Zeugnisse ausstellen. Das wäre aber schade. 

Een vraag m.b.t. de getuigschriften:
Steiner: Over de getuigschriften is niet zo veel meer te zeggen. Zoals  wij het in het eerste jaar in de vrijeschool hadden, waren de getuigschriften werkelijk prachtig. Het was nieuw, nu eens niet met cijfers, maar met een eigen uitwerking van het waarderen van de leerlingen. Dat werd van vele kanten als buitengewoon weldadig ervaren. De zinnen zijn met enorme liefde geformuleerd. Als je die getuigschriften nu voor je neemt:  ze zijn met  liefde geformuleerd.

Toen ik naar een aanleiding van een klacht de getuigschriften bekeek, zag ik dat langzamerhand voor een groot aantal leerkrachten de getuigschriften tot net zo’n last  geworden zijn als elders in de scholen. Dat men blij is dat het opgeschreven is. Het is zo, dat je ziet dat er geen liefde meer bij komt kijken. In het droogste proza zijn de dingen geformuleerd. Dan is het maar beter dat we 10, 9, 8, 7 enz. invoeren. We moeten zorgvuldiger zijn, in de formulering meer fantasie toepassen. Meer vlijt en liefde, anders ontspoort het, zodat iemand bv. schrijft: ‘kan weliswaar nog niets, maar uiteindelijk zal het wel beter gaan’,  ‘gedraagt zich tamelijk onvoldoende’ , enz. Dat heeft geen zin meer. Ik heb er niets op tegen wanneer het als een te grote last wordt ervaren; dan moeten we door de zure appel heen bijten en schoolse rapporten uitreiken. Dat zou jammer zijn.
GA300C/167
Niet vertaald

=

Man hat es ja nötig, dasjenige, was man mit dem Kinde in einem Schuljahre erarbeitet, festzustellen, wenn das Schuljahr abgeschlossen ist. Man nennt das heute: Zeugnis darüber ausstellen, ob und inwiefern das Kind das Lehrziel erreicht hat. In manchen Ländern wird die Art und Weise, wie das Lehrziel von dem Kinde erreicht worden ist in einem Jahre oder manchmal sogar in Zwischenpausen, den Eltern und den für das Kind verantwortlichen Menschen so mitgeteilt, daß man Zahlen aufgestellt hat: 1, 2, 3, 4; jede Zahl bedeutet, daß das Kind in bezug auf gewisse Gegenstände eine gewisse Fähigkeit erlangt hat. Manchmal, wenn man nicht weiß, ob eine 3 oder eine 4 das richtige Maß ausdrückt, wie das Kind diese Fähigkeit erreicht hat, so schreibt man 31/2 und manche Lehrer haben es gar zu der großen Kalkulationskunst gebracht, 31/4 zu schreiben. Ich gestehe Ihnen, daß ich diese Kunst, in solchen Zahlen die menschlichen Fähigkeiten auszudrücken, mir nie aneignen konnte.

Das Zeugniswesen in der Waldorfschule wird in einer anderen Weise gehandhabt. Gerade wenn der Lehrkörper, das Lehrerkollegium eine solche Einheit ist, daß jedes Kind in der Schule von jedem Lehrer in einem gewissen Sinne gekannt ist, dann ist es auch möglich, aus dem Ganzen des Kindes heraus ein Urteil über das Kind abzugeben. Daher sieht ein Zeugnis, das wir am Ende eines Schuljahres dem Kinde aus­stellen, so wie eine kleine Biographie aus, wie Aperçus aus, über die Erfahrungen, die man mit dem Kinde in und außer der Klasse während des Jahres gemacht hat.
Das Kind hat dann, und die Eltern, die verantwortlichen Vor-münder haben vor sich ein Spiegelbild desjenigen, wie das Kind in diesem Lebensalter ist. Und wir haben sogar in der Waldorfschule die Erfahrung gemacht, daß man herben Tadel in dieses Spiegelzeugnis hineinschreiben kann, die Kinder nehmen das mit Zufriedenheit auf.

Und dann schreiben wir in das Zeugnis noch etwas anderes hinein. Wir verbinden Vergangenheit mit Zukunft. Wir kennen das Kind, wissen, ob es in der Willenstätigkeit, im Gefühlsleben, in der Denkaktivität fehlt, wissen, ob die oder jene Emotionen prädominieren. Darnach for­men wir für jede einzelne Kindesindividualität in der Waldorfschule einen Kernspruch. Den schreiben wir in das Zeugnis hinein. Der soll eine Richtschnur für das ganze nächste Schuljahr sein. Das Kind nimmt diesen Kernspruch so auf, daß es immer daran denken muß. Und dieser Kernspruch hat dann die Eigenschaft, auf den Willen oder auf die Affekte oder Gemütseigenschaften in entsprechender Weise aus­gleichend, kontrollierend einzuwirken.
So hat das Zeugnis nicht nur einen intellektuellen Ausdruck dafür, was das Kind geleistet hat, sondern es hat eine Kraft in sich, es wirkt, bis das Kind wiederum ein neues Zeugnis bekommt. Aber gerade dar­aus können Sie entnehmen, wie genau man eindringen muß in die kind­liche Individualität, um bis zu einem gewissen Grade das Kind mit einem solchen tatkräftigen Zeugnisse zu entlassen.

Het is nodig datgene wat men met het kind in een schooljaar gedaan heeft, vast te stellen, wanneer het schooljaar afgesloten is. Men noemt dat tegenwoordig: een rapport daarover opstellen of en in welke mate het kind het leerdoel heeft bereikt. In veel landen wordt de manier waarop het kind het leerdoel in een jaar heeft bereikt, of soms in tussenrapporten aan de ouders en/of verzorgers zo medegedeeld dat men cijfers genomen heeft van 1 t/m/ 10; ieder getal betekent dat het kind m.b.t. bepaalde onderwerpen een zekere vaardigheid heeft verworven. Soms weet men niet of een 6 of een 7 het juiste niveau weergeeft van wat het kind aan vaardigheid heeft verworven, dan schrijft men 6  1/2 en sommige leerkrachten hebben het al tot de berekeningskunst gebracht om 6  1/4 te schrijven. Ik verzeker u dat ik mij deze manier om de menselijke vaardigheden uit te drukken nooit eigen heb kunnen maken.

Op de vrijeschool doen we het met de getuigschriften anders.
Juist wanneer de leerkrachtengroep zo’n eenheid vormt dat ieder kind op school door iedere leerkracht in zekere zin gekend wordt, dan is het ook mogelijk, vanuit het totale kind een oordeel over dit kind te geven. Daarom ziet het getuigschrift dat wij aan het einde van een schooljaar met het kind meegeven eruit als een kleine biografie, een kort overzicht, over de ervaringen die men met het kind in en buiten de klas gedurende het schooljaar heeft opgedaan.
Het kind heeft dan en de ouders en verzorgers hebben dan voor zich een soort spiegel van hoe het kind op deze leeftijd is. En we hebben op de vrijeschool ervaren dat je zelfs een milde terechtwijzing in dit spiegelgetuigschrift schrijven kan, de kinderen nemen dat tevreden aan.

En dan schrijven we in het getuigschrift nog iets anders.
We verbinden het verleden met de toekomst. We kennen het kind, weten of het op wils-, gevoels- of denkgebied iets tekort komt, of deze of gene gevoelens overheersen. Op basis daarvan maken we voor ieder individueel kind op de vrijeschool een kernspreuk. Die schrijven we in het getuigschrift. Die zou een richtingwijzer voor heel het volgende schooljaar moeten zijn. Het kind neemt deze spreuk zo in zich op, dat het er steeds aan moet denken. En deze spreuk heeft dan de eigenschap op de wil of op de gemoeds- of gevoelseigenschappen te werken.
Daarmee wordt in het getuigschrift niet alleen intellectueel uitgedrukt wat het kind gepresteerd heeft, maar het heeft ook een kracht in zich, het werkt, tot het kind weer een nieuw getuigschrift krijgt.
GA 305/152
Vertaald/164-165

=

Das versuchen wir in allen Einzelheiten, zum Beispiel auch durch das Zeugniswesen. Ich habe niemals im Leben mir einen Begriff ver­schaffen können davon, was das heißt, die Fähigkeiten eines Kindes entsprechen 2 oder 3 oder 2 1/2. Ich weiß nicht, ob man das auch in England macht, daß man bei den Zeugnissen Zahlen oder Buchstaben gibt, die andeuten sollen, was das Kind kann. In Mitteleuropa gibt man 3 oder 4. Solche Zeugnisse geben wir nicht, sondern bei uns kennt jeder Lehrer jedes Kind und beschreibt es im Zeugnis, be­schreibt, was es in seinen Fähigkeiten wirklich leistet, mit seinen eigenen Worten, mit seinen Fähigkeiten und mit seinem Fortschritt. Und dann geben wir jedem Kinde jedes Jahr in das Zeugnis hinein einen Lebensspruch, der ihm im nächsten Jahr ein Geleitwort sein kann. So sieht das Zeugnis aus: Zunächst steht da der Name des Kin­des und dann ein Lebensspruch; dann charakterisiert der Lehrer, ohne stereotype Buchstaben oder Zahlen, einfach wie das Kind be­schaffen ist, wie es in den einzelnen Lehrgegenständen vorwärts­gekommen ist. So daß das Zeugnis immer eine Darstellung ist. An diesen Zeugnissen haben die Kinder immer eine große Freude, und es bekommen auch die Eltern eine richtige Vorstellung von dem, wie das Kind sich in der Schule verhält.

Dat [de kinderen met het leven verbinden] proberen we  bv. ook door de rapportage. Ik heb van mijn leven nooit begrepen wat het betekent dat de vaardigheden van een kind overeenkomen met een 6 of een 6   1/2.  Ik weet niet of men dit ook in Engeland doet [de voordrachten werden gehouden in Torquay] cijfers of letters geven die moeten aangeven wat het kind kan. In Midden-Europa geeft men een 6 of een 7. Zulke rapporten geven wij niet, echter bij ons kent iedere leerkracht ieder kind en beschrijft het in het getuigschrift, beschrijft wat het werkelijk presteert; met eigen woorden de vaardigheden en de vooruitgang.

En dan geven wij ieder kind ieder jaar op het getuigschrift een levensspreuk die voor hem het jaar daarop een leidende gedachte kan zijn.
Zo ziet het getuigschrift eruit: eerst de naam van het kind en dan de spreuk; dan karakteriseert iedere leerkracht, zonder stereotype letters of cijfers,  simpelweg hoe het kind is, hoe het in de verschillende leergebieden verder gekomen is. Zodat het getuigschrift steeds een schets is. Aan de getuigschriften beleven de kinderen veel vreugde en ook de ouders krijgen er  een juiste voorstelling van hoe het kind in de school is.
GA 311/126

Getuigschriften: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

 

159-152

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.