Maandelijks archief: april 2013

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (22)

.

‘VINGERHOED, VINGERHOED, HEB GOEDE MOED’

Vingerhoedje, een arm gebocheld mannetje dat ‘er nauwelijks als een mens uitzag’.

Else Tideman vond een Iers sprookje dat ons op weg kan helpen iets van het pinksterfeest te beleven.

‘Dat kan alleen maar gebeuren als men zich zo voorbereidt als Vingerhoedje’.

Er was eens een arme man. Hij had een grote bult op zijn rug, dat zag er net uit of zijn lijf naar boven geschoven en op zijn schouders gelegd was. Door de zwaarte werd zijn hoofd zó diep naar beneden gedrukt, dat hij ge­woon was zijn kin op zijn knieën te steunen, als hij zat.
De mensen uit de streek waren bang om hem op een eenzame plek tegen te komen, en toch was het arme mannetje zo onschuldig en vredelievend als een pasgebo­ren kind. Maar zijn mismaaktheid was zó groot, dat hij er nauwelijks als een mens uit­zag en daarom hadden boosaardige lieden vreemde verhalen over hem verspreid.
Er werd verteld dat hij veel van kruiden en tovermiddelen wist. Zeker was dat hij met vaardige hand hoeden en korven kon vlech­ten uit stro en biezen. Daarmee verdiende hij zijn brood.
Vingerhoedje was zijn bijnaam, omdat hij op zijn hoedje altijd een tak droeg van het elfenkapje of rode vingerhoedskruid.
Voor zijn vlechtwerk kreeg hij altijd een dubbeltje meer dan een ander; misschien hebben de mensen uit nijd daarover die won­derlijke verhalen over hem rondgestrooid.
Eens gebeurde het dat Vingerhoedje ’s avonds van de stad Cahir naar Cappagh ging. En om­dat hij door de lastige bult op zijn rug maar langzaam vooruit kwam, was het al donker toen hij het oude hunebed bereikte, dat rechts van de weg ligt. Moe en afgemat, teneergeslagen omdat hij wist dat er nog een lang stuk weg vóór hem lag en hij de hele nacht moest doorlopen, ging hij onderaan de grafheuvel zitten om een beetje uit te rusten en keek heel bedroefd naar de maan.
Opeens drong een wonderlijke, onderaardse muziek tot de oren van Vingerhoedje door. Hij luisterde en hij dacht dat hij nog nooit zoiets betoverends gehoord had. Het was als de klank van veel stemmen, waarvan de één zich naar de ander voegde en die zich zó wonderlijk vermengden, dat het er maar één scheen te zijn, terwijl toch ieder een eigen toon hield.
De woorden van het lied waren deze:

‘Da Luan, Da Mort,
Da Luan, Da Mort,
Da Luan, Da Mort’.

Daarna kwam een kleine pauze, waarop de muziek van voren af aan begon.

Vingerhoedje luisterde opmerkzaam en durfde nauwelijks adem te halen om geen toon te missen. Hij merkte nu duidelijk dat het ge­zang uit de grafheuvel kwam. En hoewel het hem in het begin erg verrukte, werd hij het eindelijk toch moe dezelfde rondzang aan één stuk door, zonder afwisseling aan te ho­ren. Toen opnieuw Da Luan, Da Mort drie­maal gezongen was, gebruikte hij de kleine pauze en nam de melodie op om verder te zin­gen met de woorden augus Da Cadine. Toen daarna de stemmen in de heuvel weer invie­len, zong hij met hen mee – Du Luan, Da Mort, maar eindigde bij de pauze weer met zijn toevoeging augus Da Cadine.
Toen de elfen in de heuvel de toevoeging tot hun geestesgezang hoorden, verlustigden zij er zich buitengewoon in en besloten meteen het mensenkind, wiens muzikale bekwaam­heid de hunne zó ver overtrof naar beneden te halen, en Vingerhoedje werd met de krin­gelende snelheid van een wervelwind naar hen toegedragen.

Dát was een pracht, die hem in de ogen blonk, toen hij beneden in de heuvel kwam, rondzwevend, licht als een strohalmpje. En de lieflijkste muziek hield keurig de maat bij zijn vaart. De grootste eer werd hem echter betoond toen zij hem boven alle zangers plaatsten. Hij had dienaren, die hem alles moesten geven wat zijn hart begeerde, en hij zag hoe de elfen van hem hielden. Kortom, hij werd behandeld alsof hij de eerste man in het land was.

Toen merkte Vingerhoedje, dat ze de kop­pen bij elkaar staken en met elkaar beraad­slaagden, en hoezeer hun hoffelijkheid hem ook beviel, begon hij toch bang te worden. Toen kwam een van de elfen voor hem staan en zei:

‘Vingerhoed! Vingerhoed!
Heb maar goede moed!
Wees lustig en tevreden,
Je bult valt naar beneden,
Zie hem liggen, ’t ga je goed,
Vingerhoed, Vingerhoed!’

Nauwelijks waren de woorden beëindigd, of Vingerhoedje voelde zich zó licht, zó zalig, alsof hij in één sprong wel over de maan kon wegspringen, zoals de koe in het sprookje van de kat en de viool. Hij zag met de groot­ste vreugde van de wereld de bult van zijn schouders op de grond vallen. Hij probeerde toen of hij zijn hoofd kon opheffen, maar hij deed het heel voorzichtig uit vrees tegen de zoldering van de grote hal te stoten. Daarna keek hij om zich heen met de grootste be­wondering en verlustigde zich in alle dingen, die hem steeds schoner voorkwamen. Ten­slotte werd hij zó overweldigd door de aan­blik van zijn glanzend verblijf, dat het hem duizelde, zijn ogen verblind werden en hij in een diepe slaap viel.

Toen hij wakker werd, was het klaarlichte dag. De zon scheen, de vogels zongen en hij lag weer aan de voet van de grafheuvel, ter­wijl koeien en schapen vredig om hem heen graasden. Nadat Vingerhoedje zijn gebed ge­zegd had, was zijn eerste daad naar zijn bult te grijpen, maar er was op zijn rug geen spoor meer van te vinden. Hij bekeek zichzelf niet zonder trots, want hij was een welgevormde jongeman geworden en – wat geen kleinig­heid was – hij zag zichzelf van top tot teen in nieuwe kleren. Hij begreep dat de elfen hem dit pak bezorgd hadden. Toen ging hij op weg naar Cappagh, hij liep zó dapper en sprong bij iedere pas, alsof hij zijn leven lang niet anders gewend was ge­weest. Niemand die hem ontmoette, herken­de hem zonder bult en hij had de grootste moeite de mensen ervan te overtuigen dat hij werkelijk Vingerhoedje was. En inder­daad, naar zijn uiterlijk was hij het ook niet meer.

Mijlenver in de omtrek sprak ieder, rijk of arm, over niets anders meer dan over de ge­schiedenis van Vingerhoedjes bult. Op een morgen zat Vingerhoedje tevreden voor zijn deur. Daar kwam een oude vrouw langs, die hem de weg naar Cappagh vroeg. ‘Je bent hier in Cappagh’, antwoordde hij, ‘naar wie wil je toe?’ ‘Ik kom van ver en zoek een man, die Vingerhoedje genoemd wordt en van wie wordt gezegd dat de elfen de bult van zijn schouders genomen hebben. De zoon van mijn vriendin, die heeft een bult die hem nog dóód drukken zal. Misschien kan hij net zo’n tovermiddel gebruiken als Vingerhoedje, om ervan verlost te worden. Daar wou ik zo graag van horen’.

Vingerhoedje vertelde haar uitvoerig hoe al­les gegaan was. De oude vrouw dankte hem duizendmaal en ging weer naar huis. Toen ze bij haar vriendin kwam, vertelde ze precies wat ze van Vingerhoedje te weten gekomen was. Daarna zetten ze het bultige kereltje op een wagen en trokken hem voort. Het was een verre tocht. ‘Maar wat hindert dat’, dachten ze, ‘als hij zijn bult maar kwijt raakt’. Juist toen de nacht begon, kwamen ze bij de grafheuvel aan. Zij legden hem daar neer en gingen weg.

Hans Madden, want dat was de naam van de gebochelde, was z’n leven lang een knorrig en sluw kereltje geweest. Hij zat nog maar kort bij de grafheuvel toen de muziek in de heu­vel begon, nog veel lieflijker dan eerst, want de elfen zongen hun lied met de toevoeging die ze van Vingerhoedje geleerd hadden. ‘Da Luan, Da Mort, Da Luan, Da Mort, Da Luan, Da Mort, augus Da Cadine’,  zonder onder­breking. Hans, die nu vlug zijn bult kwijt wilde, wachtte niet tot de elfen met hun ge­zang klaar waren. Ook lette hij niet op het geschikte ogenblik om net als Vingerhoedje de melodie met een eigen toevoeging voort te zetten. Toen ze hun lied meer dan zeven keer aan één stuk door gezongen hadden, schreeuwde hij zonder rekening te houden met maat en melodie en een passend ogen­blik om zijn woorden in te voegen, uit volle borst: ‘augus Da Dardine augus Da Hena’ en dacht, ‘was één toevoeging goed, dan zijn twee nog beter, en als Vingerhoedje één nieuw pak gekregen heeft, zullen ze mij er wel twee geven.’

Nauwelijks waren de woorden over zijn lip­pen gekomen, of hij werd opgenomen en met wonderbaarlijk geweld binnengedragen in de heuvel. Hier omringden de elfen hem. Ze waren heel boos en riepen schreeuwend en krijsend: ‘Wie heeft ons lied bedorven? Wie heeft ons lied bedorven?’ Eén kwam naar voren en zei:

‘Hans Madden! Hans Madden!
Slecht passen de woorden,
Die wij van je hoorden!
Nu ben je gevangen,
Wat zal aan je hangen?
Twee bulten voor éne! Hans Madden!’

En twintig van de sterkste elfen sleepten Vingerhoedjes bult aan en zetten hem boven­op de bochel van de ongelukkige Hans Mad­den. Daar zat hij zo vast alsof hij met twaalf­cents nagels door de beste timmerman die ooit nagels ingeslagen had, vastgespijkerd was. Daarna stootten zij hem uit hun woning.
’s Morgens toen Hans Maddens moeder en haar vriendin naar hem kwamen kijken, vonden ze hem aan de voet van de heuvel liggen, half dood met een tweede bult op zijn rug. Zij bekeken hem om beurten, maar daar bleef het bij. Tenslotte werden ze bang, dat hun óók een bult op de rug gezet kon wor­den en brachten Hans Madden weer naar huis.

Zo moest Hans Madden verder leven met het gewicht van twéé bulten op zijn rug. En dat was zó zwaar, dat hij niet lang daarna gestor­ven is. Vingerhoedje echter leefde nog lang en tevreden.

Pinksteren
Hoe kan dit sprookje ons op weg helpen iets van Pinksteren te beleven? We zien vóór ons een gebocheld mannetje. Hij is arm, verdient zijn brood met manden en hoeden vlechten. Allemaal omstandigheden die iemand hard en bitter kunnen maken. Het tegendeel is waar. Hij wordt ‘onschuldig en vredelie­vend’ genoemd. Hij kan buitengewoon goed vlechten. We kunnen ons voorstellen hoe hij daar zit: kin op de knieën, ‘zijn lichaam naar boven geschoven, zijn hoofd naar beneden gedrukt.’ Alles is ‘in het midden’ samenge­drukt. Je zou kunnen zeggen: hij denkt ‘heel dicht bij zijn hart’. Ook zijn oren en zijn omhooggeschoven lijf zijn ‘heel dicht bij zijn hart’. Al het mens-zijn is om zijn hart ge­groepeerd. Hij vlecht manden, voorwerpen, die gevuld kunnen worden, die iets kunnen dragen. Ze kunnen alle schatten bevatten, die de koper eraan toevertrouwt. Ze zijn mooi – hij krijgt immers een dubbeltje extra. Ook de hoeden zijn mooi en bruikbaar. Ze beschermen de koper tegen het ‘te veel’ aan regen en zonneschijn. Ze zijn samen – mand en hoed – als het ware een beeld van wat hij zélf is: al is hij nog zo mismaakt, hij weet zichzelf ‘te dragen’ en te beschermen tegen het ‘te veel’ van buiten af. Toch sluit hij zich niet af. Hij maakt gevlochten voorwerpen en weet zijn ervaringen positief te vervlechten. Zijn manden en hoeden zijn stevig en toch luchtig, niet zwaar, en van natuurmateriaal: stro en biezen. Ook dat is materiaal van ‘het midden’. Het stro is immers de korenhalm tussen de gedorste aar en de wortel waarmee de halm in de grond stond. Van de biezen kan men hetzelfde zeggen. Zelf heeft hij óók een hoedje van dit materiaal op, met een takje van het vingerhoedskruid. De Latijnse naam hiervan is digitalis purpurea. Deze plant wordt als geneesmiddel voor het hart ge­bruikt! In Ierland heet hij fairy-cap, elfen­kapje.

Het hele beeld spreekt van een geweldige concentratie van alle menselijke vermogens om het hart heen en een voortdurend bezig zijn en oefenen daarin. Zelfs als hij ’s avonds afgemat bij het hunebed zit: hij luistert ademloos. Hij verdiept zich zo in de elfenmuziek, dat hij er één mee wordt en van bin­nenuit ritme en melodie meebeleeft. Dan voelt hij ook het gemis en het verlangen dat zich in de stilte tussen de zich herhalende strofen uitdrukt. Daarin verdiept hij zich zó sterk, dat in hem ook een gemis ontstaat. (Hij werd moe van de niet eindigende rond­zang). En nú komt – wat je zou kunnen noe­men – een beeld van een pinksterbeleven. Dat kan alleen maar gebeuren, als men zich zó voorbereidt als Vingerhoedje.

In het Nieuwe Testament staat over Pinkste­ren: ‘En zij werden allen van Heilige Geest vervuld en begonnen te spreken in andere ta­len met de spraak, die de Geest hun gaf’.

Plotseling kan Vingerhoedje de taal van de elfen spreken en zingen en hij vindt een aan­vulling van hun lied. Iets volkomen nieuws ontstaat. De elfen voelen zich opgenomen, ze zijn méér dan ze waren, ze zijn héél ge­worden: ge-heeld.
Ook Vingerhoedje wordt ‘geheeld’ door zijn onbaatzuchtige daad. Hij wordt ook meer dan hij was: een welgevorm­de jongeman, van top tot teen in nieuwe kle­ren. En dat is een tweede aspect van het pinkstergebeuren.

Nu begrijpen we ook, dat Hans Madden met zijn egoïstische verlangen – twee nieuwe pakken en geen bult meer – heel ver van dit heilige en helende gebeuren afstond. Toch horen ze beiden in het beeld: Vingerhoedje en Hans Madden. Hans Madden is in dit sprookje de schaduw die het licht van Vin­gerhoedje helderder doet schijnen.

Else Tideman , ‘Jonas’ 20, 28 mei 1982

Dit Ierse sprookje is te vinden in ‘Celtic Fairy Tales, collected by Joseph Jacobs. Uitg. The Bodley Head London. Een goede vertaling in het Duits door de broeders Grimm staat in: Irische Elfenmarchen. Uitg. Freies Geistesleben.

.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

174-164

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren – alle artikelen

.

Pinksteren (1)
Paul Veltman over: Pinksteren in de natuur, Heilige Geest

Pinksteren (2)
Jacobus Knijpenga over: Pinksteren als feest van de menselijke individualiteit; Pasen, Hemelvaart; getal 40

Pinksteren (3)
knutsels:
Tine Geus en Annet Schukking: vogeltje, vlinder, vogeltjes op tak; meiboomkroon; bloemen: anjer, bloesem, roosje, dahlia, kelkje met blaadjes, steeltje

Nicole Karrèr: zijden pinksterbloem

Onbekend: duifjes; lentevrouwtje; mobile lente-elfjes;

Pinksteren (4)
Annet Schukking over: Kerstmis gaat nog wel, Pasen is al moeilijker, maar Pinksteren? vieren of  vrije dagen, Heilige Geest

Pinksteren (5)
Paul Veltman over: Pinksteren een moeilijk feest;  waar komt het woord vandaan, natuurfeest-geestfeest

Pinksteren (6)
Pinksterfeest in de kleuterklas, symboliek van attributen

Pinksteren (7)
Paul Veltman over:Pinksteren een moeilijk feest;  waar komt het woord vandaan, natuurfeest-geestfeest (zie 5)

Pinksteren (8)
Kleuterleidsters over: Pinksteren in de kleuterklas; symboliek bruid/bruidegom, vogel

Pinksteren (9)
Recepten:
Frédérique Wedekind en Julio Wiertz over: 
brood, geschiedenis, waarde, tafelspreukje, zelf bakken; voorbeelden van feestbroden
M.Gerretsen: luilakbollen;
W.M.: pittabrood; gaspacho;
Griekse salade;

Pinksteren (10)
W.M. over: Pinksteren in de kleuterklas; symboliek van ‘fiere pinksterblom’

Pinksteren (11)
Michiel ter Horst over: Hemelvaart en Pinksteren: hoe kun je ze in de natuur beleven?

Pinksteren (12)
Over: Pinksteren een moeilijk feest; Hemelvaart; Jezus; Christus; duif; natuur; in de kleuterklas; symboliek van de attributen

Pinksteren (13)
Marijke Peeters over: Oude pinkstergebruiken; symboliek van de attributen; luilak

Pinksteren (14)
Over: Pinksteren een moeilijk feest; Heilige Geest; apostelen; voorjaar; Pinksteren in de natuur; Pinksteren in de kleuterklas; symboliek

Pinksteren (15)
J. van Dam over: De visie van Rudolf Steiner op Pasen, opstanding, Pinksteren; Pinksteren in de natuur

Pinksteren (16)
Anke over: Pinksteren: feest van de toekomst – van de het bewustzijn – van ons ware hogere Ik; Heilige Geest; oosters en westers politiek denken; fiere pinksterblom

Pinksteren (17)
Marijke Anschütz over: Heilige Geest, Juno, natuur, Pinksteren in Israël – feest van de eerstelingen; schutter, Schutter; feest van de toekomst

Pinkstern (18)
Henk Sweers over: vrijheid en liefde; Zelf; feest van de toekomst; luilak; pinksterbruid; symboliek; pinkstergebruiken; feest van de geest

Pinksteren (19)
Tineke Geus over: waarom papieren bloemen, pinksterbruid, traditie, natuur; papierkunst; Johann Jacob Hauswirth

Pinksteren (20)
Over: een (zeer summiere) opsomming over Pinksteren; sprookjes voor de pinkstertijd; enkele boeken

Pinksteren (21)
M.Gerretsen over: luilak in Noord-Holland; Pinksteren in de kleuterklas; pinkstersymbolen

Pinksteren (22)
Else Tideman over: het Ierse sprookje ‘Vingerhoed’ i.v.m. Pinksteren

Pinksteren (23)
Idealen; inspiratie; kleuterklas
Pinksteren (24)
Pinksteren tegenover St.Maarten; natuur;  in de kleuterklas; Germaanse mythologie; luilak
Pinksteren (25)
Een moeilijk ‘geestfeest’
Pinksteren (26)
In de kleuterklas
Pinksteren (27)
In de kleuterklas
Pinksteren (28)
Luilak, dauwtrappen; folklore 

.

Jaarfeesten: alle artikelen

 

173-163

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (21)

.

LUILAK EN PINKSTEREN 

In Noord-Holland wordt nog steeds op vrijdag voor Pinksteren luilak gevierd. In sommige plaatsen zijn er bloemenmarkten waar de hele nacht door planten en bloemen worden verkocht.
Voor de kinderen zijn er spelen en wedstrijden. ’s Nachts om 12 uur worden grote vuren gebrand, waarvoor de jeugd al een week van tevoren brand­stof verzamelt. Jong en oud gaat er naar toe. De volgende morgen trekken de jongeren in alle vroegte door de straten met een hels lawaai van pannendeksels, lege blikken enz., proberen ze luid bellend en zingend:

“Luilak, beddenzak,
Staat om negen uren op,
Negen uren half tien,
Nog is luilak niet te zien”.

de “langslapers” wakker te maken. Daarna wordt er ontbeten met luilakbollen.
Ik heb met  de kleuters ook wel luilak gevierd. De luilak wordt zittend op een stoeltje rond gedragen door twee kleuters. Alle kinderen zingen: “Luilak, beddezak”, enz. Dit duurt eindeloos, ieder kind wil een keer luilak zijn.

De volgende dag is het Pinksteren. In deze tijd bloeit de pinksterbloem volop.

In Amsterdam heb ik een pinksterfeest meegevierd in de kleuterklas. Van tevoren worden versierselen gemaakt. De meisjes krijgen een bloemenkransje, de jongens een bruiloftsstaf.
De meisjes die naar de 1e klas gaan krijgen een lange jurk, de jongens een hes, de overige kinderen een sterrenkraag. Ieder versiert zijn spulletjes zo mooi mogelijk met papier. Alleen de pinksterbruid krijgt een witte jurk met sluier en aan haar pols een bandje met belletjes. Middenin de klas hangt de pinksterkroon. Op het feest worden eerst de bruid en de bruidegom aangekleed. Zij zitten hoger dan de andere kinderen, precies onder de pinksterkroon. Dit is een zeer plechtig moment.
Daarna worden de andere kinderen aangekleed. Vanaf de oudste. Als iedereen klaar is rinkelen de bellen en de stoet, met een stralende bruid en bruidegom voorop, zet zich in beweging, zingend:

Hier is onze fiere Pinksterblom
Ik zou hem zo graag eens wezen,
met de mooie kransen in het haar,
En met de rinkelende bellen.
Recht is recht,krom is krom ,
Gelieve wat te geven voor de fiere pinksterblom,
Want de fiere pinksterblom moet voor”.

Zo trokken ze door het Vondelpark naar het huis van één van de kleuters. Daar werd in de tuin beschuit met aardbeien gegeten en limonade gedronken.
Het was een bijzondere ervaring.
.

M.Gerretsen, in ‘Vrijblijvend’- datum onbekend

.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

172-163

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rekenen (3-1)

.

TAFELS VANAF KLAS 2 EN HOGER

Welk kind heeft niet al eens gefascineerd voor het lopende telwerk van een gasmeter gestaan? Wat liepen die lagere cijfers flink door, dat was mooi! De tweede rij liep wat houterig. En dan de hogere plaatsen. Daar leek de beweging wel bevroren; dat die af en toe versprongen leek wel op een vage herinnering.

Iets van het wezen van de getallen is het kind aan dit telwerk wel duidelijk geworden. Zo is het echt: op de hoge plaatsen lijken de cijfers te stollen en daar worden ze tot een aanzienlijke hoeveelheid; hier voel je je in je hoofd aangesproken. Bij de lagere plaatsen – en pas goed bij de eenheden zelf – is het cijfer heel beweeglijk en grijpt je in de wil.

Als het ons lukt de brug van het ene naar het andere te slaan en innerlijke wetmatigheden zichtbaar te maken, dan hebben we veel voor een levendig begrijpen gewonnen.

Het ligt in de aard der zaak zelf, dat we bij de ‘levendige getallen’, bij de eenheden beginnen en eerst achter hun beweging zien te komen.

Zo’n weg werd al eens beschreven.*
[de auteur, Joachim Hein, heeft hier de cirkel van bv. de tafel van 3, zo verdeeld:

rekenen 7

Zichtbaar worden zo ook meteen de relaties van de cijfers: bij 4 staat 12, 4 x 3 = 12 enz.]

Dus: als eenmaal de ster is ontstaan in de cirkel met de cijfers, bovenaan beginnend: 0, naar rechts, 1, 2, 3 enz. worden nu op de sterpunten de cijfers van de tafel van 3 gezet: bovenaan beginnend: 0, naar rechts: 3, 6, 9 enz.

Zo ontstond bv. bij 1 x 3 de ster uit de verbindingslijnen 21 – 12 – 3 – 24 – 15 – 6 – 27 – 18 – 9 -30 (- 21)

Hoe komen we nu aan de ‘andere kant’ [de linker kant van het gastelwerk] van de getallen, bij de hogere plaatsing. We moeten hier in de gaten houden hoe de bewegingen van de eenheden enerzijds, anderzijds die van de tientallen (en honderdtallen) in elkaar grijpen.

Laten we eens kijken naar de rij van de kleine tafel en schrijf in ‘torenvorm’ onder elkaar:

rekenen 8

Dan is het makkelijk te zien: daar waar het tiental erbij komt, moeten de eenheden wat weggeven van hun groei! Dit kunnen we verduidelijken door een pijltje. De pijltjes wijzen naar voren met het groter worden en terug bij het minder worden ( het offer) van de cijfers.

Het is goed dat het aan de kinderen zeer duidelijk wordt: het kleinere moet wat weggeven, opdat het grotere verder kan. Op deze manier kunnen ze iets moreels aan de wereld van de getallen ervaren.
[voor de moraliteit zou je eerder denken dat wie meer heeft ook meer kan weggeven**]

Maar ook voor de praktijk van het rekenen is er veel gewonnen. De moeilijkheden bij het rekenen met de grotere tafels duikt op, omdat de verdeling in eenheden en tientallen niet bewust gemaakt wordt: wanneer je die eenmaal  begrepen hebt, wordt de overgang van de kleine naar de grote tafel makkelijk gevonden.

Want dezelfde wetmatigheid die we zagen bij de simpele rij geldt ook voor de grote tafel.

Om dit te laten zien schrijven we de twee rijen naast elkaar:

rekenen 9

Nu zie je de dubbele sprong van het tiental ook als enkele sprong bij de kleine tafel.
Wanneer je oefent om de beweging van de eenheid en van het tiental innerlijk van elkaar gescheiden te houden, in zekere zin ‘met twee handen  te spelen’ dan kan de anders wel eens zo verwarde grote tafel tot plezier worden.

Een groep van onze vierde klas raakte bij zo’n oefening met 1 x 6 en 1 x 16 zo enthousiast, dat die ook nog 1 x 26 wilde opzeggen en het kwam er zonder fouten in koor uit. Toen vroegen de kinderen nog met glinsterogen om 1 x 36 en dat ging ook. Toen vroegen ze de leerkracht om 1 x 46 – ook die adembenemende hindernis werd in keer genomen – tot ze het bij 1 x 66 wel genoeg was.

Het zijn wel de meest bevredigende uren, wanneer zo het enthousiasme voor de wereld van de getallen ontwaakt.

Ik wijs er nog op dat deze manier van met de tafels werken, de leerstof makkelijker kan maken. Wanneer de cijferrij van 1 x 3 en 1 x 4 goed in het geheugen verankerd zijn, dan heb je eigenlijk alles al, want de rij van 2 is in ieder geval gemeengoed en de rijen van 1 x 7 en 1 x 6 zijn simpelweg de omkeringen van 1 x 3 en 1 x 4.

rekenen 10

De rijen van de grote tafels sluiten zich hierbij aan, zoals boven getoond.

Onze oefenmethode deed ook een beroep op optellen en aftrekken:

Deze rekenbewerkingen moeten elkaar over en weer ondersteunen!

Vanzelfsprekend moet je ook van de ene rij naar de andere overstappen, eens kijken hoe de rij van 2 in die van 6 zit enz.

Het is ook goed om afsluitend de veelheid van de rijen in één beeld te kunnen overzien. Heel stimulerend kan het zijn om met een getallenvierkant te werken: het staat hier symmetrisch op een punt om tegemoet te komen aan het in het rekenen werkzame evenwichtszintuig, dat ook aangesproken wordt bij de vrij te vormen symmetrie-oefeningen (vormtekenen).

rekenen 11

Wanneer de tafelrijen er eenmaal samen staan, verlenen ze veel mooie inzichten. Zo, bv. de rij vertikaal in het midden, de getallen zijn het snijpunt van alle paarsgewijs lopende diagonale rijen: het zijn de kwadraten.

De middelste horizontale rij is gespiegeld. Vertikaal spiegelen de rijen zich ook. Vanuit de middenvertikaal spiegelen zich de getallen zich ook horizontaal.

Ga je uit van de midden-25 dan kun je eromheen getallenvierkanten vinden.

Die 4 hoekgetallen daarvan zijn opgeteld 100, evenals 4 x 25.

Nu komt het eropaan zakelijk verder te gaan om door het hele vierkant niet in de war te raken.

Met de klok mee zoeken we de getallen in het steeds groter wordende vierkant. De getallen ervan zijn samen steeds 100.

Het is aan te raden de getallen in het vierkant met een bepaalde kleur te kleuren en deze kleur ook te gebruiken voor het opschrijven van de getallen. Dan wordt alles ook nog helderder.

Nu kunnen de kinderen iets van de orakelspreuk ervaren: ‘Niets is binnen, niets is buiten. Want alles wat binnen is, is ook buiten’ en met eerbied en betrokkenheid opkijken.naar de wereld van de getallen.

Aanvulling:
Hieronder een paar voorbeelden van ‘in kleur’. Het kan heel mooi worden.

Je kunt hem ook op het bord tekenen en iedere dag een of meer vierkanten  ( de vier getallen die samen 100 zijn)  door een kind laten kleuren.

rekenen 12

rekenen 13

[de figuur met de lijnen  staat niet in het artikel van Hein;
die draagt het gevaar in zich te ‘rommelig’ te worden.

Wanneer je dit vierkant op een groot vel papier zou (laten) tekenen, is het minder chaotisch om aan te zien en voor de kinderen een hele uitdaging om het mooi te krijgen.]

Joachim Hein in ‘Erziehungskunst’ 19e jrg. nr.10 1955
*J.Hein: Aus dem Rechenunterricht der 2.Klasse. ‘Erziehungskunst’, nr 8. 1953.
.

[** Op de vrijeschool Den Haag werkte destijds toen ik er begon, Oscar Klinkenberg. Hij coachte jongere leerkrachten en wij discussieerden er eens over of het  ‘lenen bij het aftrekken’ wel een juiste benaming was.
Oscars mening was dat de kern van lenen is, dat je ook teruggeeft en bij het aftrekken is daarvan geen sprake.
In de som 35 – 8:  8 van de 5 gaat niet; eens vragen bij de buurman ( dus bij de 30), of die er geen wil missen. Jawel, die geeft er 1 (=10). Nu is 5 gegroeid tot 15 en nu kan de 8 er wèl af; de 30 is 20 geworden).
Ik heb het woord ‘lenen’ bij het aftrekken na verloop van tijd uit mijn ‘rekenwoordenboek’ geschrapt.]

tussen [ ] : opmerkingen van mij

2e klas: tafels

2e klas rekenen: alle artikelen

rekenen: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 2e klas

.

171-162

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (20)

.

PINKSTERFEEST

Pinksteren is het feest van de vrijheid en van de toekomst. Alles in de natuur werkt daaraan mee. Alles staat uitbundig in bloei.
Vruchtbaarheidsriten en godsdienstige gebruiken uit de vóór-christelijke tijd worden in de na-christelijke tijd mei- en pinkstergebruiken.

Sommige streken van ons land kennen nog de pinksterbruid, een huwbaar meisje, symbool van de groeikracht in de natuur.
Ze wordt versierd met bloemen, linten en bellen en al zingend rondgedragen.

Wie geïnteresseerd is in de achtergronden van pinkstergebruiken, leze het desbetreffende hoofdstuk uit het boek ‘Jaarfeesten‘ van Henk Sweers, uitgeverij Christofoor.
Er staat ook veel in de Prismapocket ‘Nederlandse volksgebruiken bij hoogtijdagen’ (nr. 1814)  Dr.v.d. Graft.

Sprookjes, geschikt voor de tijd rond Pinksteren:
Assepoester, De drie talen, De kristallen bol, De witte en de zwarte bruid

Bron onbekend

Het Ierse sprookje ‘Vingerhoed’

.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

170-161

.

VRIJESCHOOL – Rekenen – alle artikelen

.

1e klas – alle artikelen

2e klas – alle artikelen

3e klas – alle artikelen

4e klas – alle artikelen

5e klas – alle artikelen

6e klas – alle artikelen

7e/8e klas  algebra  en rekenen
alle artikelen

Rekenen (1)
De 4 bewerkingen door de jaren heen

Rekenen (2)
Magische vierkanten vanaf klas 3

Rekenen (6)
Schriftelijk rekenen met breuken met ‘mooie’, ‘bijzondere’, ‘verrassende ‘ uitkomsten

Rekenen (7-1)
Iets over getallen en grootte: het verschil. De één en de eenheid. Negatieve getallen; over breuken.

Rekenraadsels

Breinbrekers

Het oudste rekenboekje in de geschiedenis van het Nederlandse onderwijs

Getallen:
Marisca Milikowski over: getal; lievelingsgetal; ‘goede’ en ‘slechte’, ‘zware’ en ‘lichte’, ‘opwindende’ en ‘kalme’ getallen; vijf, zeven; tien, elf, dertien, (zeventien); Pythagoras en het getal; wiskunde; getal in de christelijke leer; 

Rekenliedjes
Tineke Snel over: kun je met liedjes het rekenen ondersteunen?

.

169-160

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (19)

.

KRANSEN VAN GROEN EN PAPIEREN BLOEMEN

De Pinksterbruid, zo wil de oude volkstraditie, wordt opgesierd met papieren bloemen.

Op de vraag waarom die bloemen juist met Pinksteren van papier dienen te zijn probeert onderstaand stukje een antwoord te geven.

‘De pinksterbruid krijgt kransen om het hoofd van groen en papieren bloemen’.
Zo wil de oude volkstraditie. En ieder jaar is dit voor velen weer een raadsel. Want het doet ergens nogal absurd aan op een moment dat de natuur ons rijkelijk bloemen en bloesems schenkt, papieren bloemen te gaan maken, die natuurlijk lang niet zo mooi zijn als de echte. Is het puur nabootsingsdrang of is het omdat de versieringen die we maken beter houdbaar zijn?

Oude gebruiken zijn vaak ontstaan uit een soort instinct, een onbewust weten van de geheimen en de zin van het leven en van de ontwikkeling van de aarde en de mensheid. In de viering van de jaarfeesten wordt daar iets van zichtbaar. In onze tijd willen we we­ten waarom we iets doen, anders verliest het zijn waarde. Als je met zo’n raadsel rond­loopt kan het je gebeuren dat je op een keer iets tegenkomt: een gedachte of een uit­spraak van iemand die je op het spoor zet van een antwoord. Wat het maken van papieren bloemen met Pinksteren betreft kun je zo op het volgende komen.

Buiten in de natuur worden we in deze tijd overladen met bloemen. Het is een stuk god­delijk scheppingswerk, die hele plantenwe­reld, een geschenk uit de kracht van de ‘Hei­lige Geest’ zou je kunnen zeggen. De mens heeft daar niets aan gedaan. Maar de mens heeft zelf ook een vonkje van die scheppen­de geestkracht in zich en is daarmee creatief bezig – hij vormt van alles uit de materie, vormt voorwerpen: gebruiksvoorwerpen, ge­reedschap, machines, maar ook kunstvoor­werpen, bouwwerken, enzovoort. En door­dat hij dat doet, maakt hij zich een beetje vrij van die materie, want dat stukje materie dat hij omgevormd heeft, heeft dan zijn functie voor die creativiteit gehad, daar kan hij zich nu van distantiëren. Maar ook de materie zelf wordt door de menselijke bewerking in zekere zin bevrijd. Want het maakt toch een heel verschil of je bijvoorbeeld een brok steen voor je hebt of een beeldhouwwerk uit diezelfde steen. De materie wordt door onze creativiteit en ar­beid een beetje vermenselijkt, dat wil zeggen een beetje vergeestelijkt en daarmee bevrijd uit zijn toestand van vormloosheid en indifferentie. Natuurlijk gebeurt dit niet alleen met Pinksteren. Mensen zijn voortdurend vor­mend bezig. Maar door op een moment iets te doen dat absurd lijkt, merk je pas waar je eigenlijk mee bezig bent.

In het Jonasboekje ‘Jaarfeesten’ vertelt Henk Sweers over de traditionele versieringen rond het pinksterfeest. Het is interessant dat die versieringen bij alle pinkstergebruiken altijd gemaakt worden van ‘mooimakersgoed’ (ge­kleurd papier). Vroeger bewaarde men het hele jaar door gekleurde papiertjes, pakpa­pier en dergelijke.

Het pinksterfeest is het feest van het Ik van de mens dat zelf actief wordt. Behalve bloemen werden er ook pa­pieren waaiertjes gemaakt die werden opge­hangen aan de pinksterkroon waaronder de pinksterbruid plaats nam.

De papierkunst is trouwens een echte volks­kunst. Wie bijvoorbeeld wel eens iets gezien heeft van de kleurrijke knipsels van Johann Jacob Hauswirth zal hier zeker door gefasci­neerd zijn. Johann Jacob Hauswirth werkte in de bossen van het Pays d’Enhaut (Duits/ Frans grensgebied) als kolenbrander. Hij was een eenzaam, ongeletterd man, die in een eigenhandig gebouwde boshut woonde (hij stierf in 1871, hoe oud hij toen was, wist nie­mand). Zijn leven is een mysterie en er is weinig over bekend. Hij moet op latere leef­tijd de schaar ter hand hebben genomen en werd in korte tijd grandioos in de knipkunst. Hij was een schuwe zwijgzame man en ten gevolge van een ongeluk liep hij moeilijk. Zijn knipsels gaf hij aan de kinderen op straat in ruil voor hun snoeppapiertjes. Vaak verkocht hij grote geknipte taferelen bij de boerderijen. Met zijn grove vingers kon hij geen gewone schaar hanteren en hij had daartoe twee rondjes van ijzerdraad op maat van z’n vingers aan de schaar bevestigd. Hij moet een hele rijke binnenwereld gehad heb­ben om op zo’n manier de materie te kunnen overwinnen. Je vermoedt zeker niet zo’n mens achter de ragfijne huppelende herten en de kantachtige patronen van de alpenwei­den.

pinksteren 24

Een groot kunstenaar spreekt uit deze knip­sels. Hauswirth had weinig contacten, dus de beelden moesten uit een andere ervaringswe­reld stammen. Het geeft mij het gevoel of ze regelrecht uit zijn ziel in de schaar overgin­gen: oeroude symbolen verweven met het dagelijks leven in de gang der seizoenen. Hij was dan ook volledig weg uit de wereld als hij bezig was met z’n knipsels. Een oude vrouw vertelde, hoe zij als kind hem een hele middag op een steen had zien zitten knippen zonder te merken dat een geit één voor één de gekleurde knipsels opat!

pinksteren 31

Ter versiering van de pinksterbruid en de pinksterkroon volgen hier beschrij­vingen voor het maken van papieren bloe­men.
.

Tineke Geus en Annet Schukking, ‘Jonas’10, 13 mei 1983

.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

168-160

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.