Tagarchief: Pinksteren feest van de toekomst

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (18)

.

HET PINKSTERFEEST

Het pinksterfeest is het feest van de vrijheid. Zolang de mens van zijn lichaam afhankelijk is, blijft hij slaaf van dat lichaam. Vrij wor­den kan hij alleen, als hij zichzelf terugvindt in de geest. Op het innerlijke paasfeest gaat hij beseffen, dat hij weliswaar in een uiterlijk lichaam woont, maar dat zijn ware wezen iets innerlijks, iets geestelijks is. Met Pinkste­ren kan hij de geest, die hij in zichzelf heeft gevonden, vrijwillig vullen met een inhoud, die niet tot de materiële wereld behoort. Als ik over ‘mij-zelf’ spreek, heb ik het dan niet over mijn geest? Ons ware ‘Zelf’ is een geestelijke werkelijkheid. Die wereld van de geest noemt men ‘de hemel’. Op aarde wordt de mens ik-zegger, ik-zoeker zelfs. Hij groeit er op tot een zekere zelfstandigheid, tot een individu, afgescheiden van de dingen buiten hem. Maar daar gaat hij dood. Zijn aardse ik was slechts een spiegel van zijn werkelijke wezen. Er is een kloof tussen dit Zelf en ons aardse ik. Tussen hemel en aarde ligt een af­grond. Een zelfde afgrond ontdek je tussen alle mensen op aarde en ook tussen de mens en God. Want voor wie is God nog een wer­kelijk levend begrip? ‘God is dood,’ schreef Nietzsche. Voor ons aardse wezen is God ver weg. En als iemand het gebed, dat Christus ons leerde, bidt, waar is dan de ‘hemel’ waar ‘onze Vader’ is?

De hemel is overal, in ons en buiten ons. De grote Spaanse mystica Theresia van Avila schreef eens in een’brief: ‘Men kan God in alle dingen vinden. Als ge in uw keuken zijt, is Hij u nabij tussen de potten en pannen.’ De apostel Paulus schreef hierover aan de Romeinen (Rom. 8:14-18): ‘Allen die han­delen in Gods geest, zijn Gods zonen, Ge hebt toch niet opnieuw de geest van slavernij in vrees aanvaard, maar ge hebt aanvaard de geest van adoptie, waardoor wij roepen: “Abba, Vader!” Want de geest zelf legt ge­tuigenis af met onze geest, dat wij kinderen van God zijn. Indien kinderen, dan ook erf­genamen: erfgenamen van God, mede-erfge­namen van Christus, wanneer wij inderdaad met hem lijden, zodat wij met hem worden geopenbaard. Want ik ben er van overtuigd, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de toekomstige heerlijkheid, die onthuld zal worden aan ons.’

Pinksteren, het feest van de vrijheid en de liefde, want liefde en vrijheid kunnen niet bui­ten elkaar. Het feest van de geest. Het feest van de toekomst. Een bewustzijnsfeest.

Als de hele natuur van de dood is opgestaan, als alles bloesemt en bloeit, dan vieren de christenen het feest van wat zij noemen de Trooster, de Levende Bron, het Vuur, de Liefde en de kracht schenkende Geest.

‘Plot­seling kwam er een geruis uit de hemel als van een hevige windvlaag en vulde het hele huis waar zij vergaderd waren. Vurige tongen zetten zich op ieder van hen neer. Allen werden vervuld van de Heilige Geest en begon­nen verschillende talen spreken.’ (Hand. 2, 24).

Het is vijftig dagen na Pasen, tien na Christus’ hemelvaart. Na zijn opstanding, totdat hij de hemel binnenging, was Chris­tus in een bepaalde gedaante nog zichtbaar voor zijn leerlingen. Toen ging hij in de gees­telijke wereld. Maar hij is niet onbereikbaar geworden. Integendeel, nu kunnen wij hem overal ontmoeten. Hij kan ons leiden, over de afgrond heen, tot elkaar en tot de Vader van al wat is.

In de gaven van de opnieuw ontwaakte natuur beleefden de christenen vroeger nog de gaven van Gods heilige Geest, de openbaring van zijn kracht. Zo kregen de talloze vrucht­baarheidsriten, de godsdienstige gebruiken uit de vóór- christelijke tijd een nieuwe in­houd. Zeer veel mei- en minneliederen wer­den tot geestelijke liederen, waarin Christus werd bezongen als de bruidegom van de ziel.

Luilak
Luilak is de zaterdag voor Pinksteren. Hij die dan ’t langste slaapt, is de ‘luilak’. Oorspron­kelijk was dat de nieuwe mysterie-ingewijde, die door de priesters in een doodsslaap was gebracht, na 3½ dag eruit was gewekt en daardoor helderziende was geworden. – Hij moet ons trakteren!

Mei- en pinkstergebruiken vallen in de na-christelijke tijd vrijwel samen. Zijn eigen lief, ‘sinen boel’, zijn betere helft ter ere plant iedere jonkman op de eerste meidag voor haar huis of op haar dak ‘den coelen mei’ (de objectieve mei?). Deze takken spreken een voor ieder verstaanbare taal: fijne sparrentak—goedheid; dennentak — gestadige liefde; berkentak — goed en schoon; maar: kersentak—veranderlijk;  hagedoorn – stekelig, katjes —niet zonder handschoenen aan te pakken; bosje biezen – houdt het met iedereen. Wat staan de meisjes op 1 mei vroeg op, om te kijken wat haar ‘mei’ is! Een goede tak laten ze natuurlijk zo lang mogelijk staan.

Maar er is ook één grote, gemeenschappelijke meiboom of ‘Pinksterboom’ van wel 10 me­ter lang. Die is opgesierd met bonte papieren en slingers en wordt midden op het dorps­plein geplant. Daar dansen gelieven en ge­huwden, jong en oud tot Cinxendag (Pink­sterdag) omheen. Tenslotte werpt men de boom in het stromende water.

Pinksterbruid
Ieder huwbaar meisje is meibruid. Maar met Pinksteren is er één pinksterbruid of ‘pinkster-bloem’. Heel vroeger werd de luilak de pinksterbloem. Het kon toen ook even­goed een man of jongen zijn. De pinkster­bruid is niet alleen de lentebruid, het sym­bool voor de groeikracht der natuur, zij is vooral het beeld van de gesluierde Isis, de on­zichtbare geest der aarde, de maagd, die be­vrucht wordt door de Heilige Geest. Natuurlijk waren de details in iedere streek, zelfs in ieder dorp, verschillend. De voor­naamste symbolen waren overal hetzelfde. Onder de ‘hemel’, die ook ‘pinksterkroon’ heet, soms zelfs in een ‘groen huisje’ neemt de pinksterbruid plaats. Plechtig wordt zij ‘gespeeld’ (versierd) en behangen met pinksterbloemen (die heten zo, omdat zij voor dit feest werden gebruikt, niet omdat zij pas met Pinksteren zouden bloeien), met vele sieraden, versierselen en met bellen. Om haar hoofd krijgt zij een of meer kransen van groen en papieren bloemen. Meestal wordt zij gesluierd. Zij is omgeven door vele bruids­meisjes en – jonkers. Enkele van de jonkers hadden in Drente een versierde stok, de ‘bru-loftstok’ in de hand. Dat waren de ‘wasschupneugers’ (uitnodigers voor het gast­maal).

Dan begint de plechtige ommegang door het dorp. Voorop wordt op een stoel gedragen of loopt de pinksterbruid. De uitnodigers liepen de stoet vooruit, klopten met hun stok op alle deuren en riepen:
‘Ziet, uw bruugom komt!’ Het lied dat bij de omme­gang gezongen wordt, luidt op Terschelling aldus:

Hier is onze fiere Pinksterblom
En ik wou hem zo graag eens wezen.
Met zijn groene kransen om het hoofd
En met zijn klinkende bellen.
Recht is recht.
Krom is krom.
Belief je wat te geven voor de fiere Pinkster­blom
?

Want de fiere Pinksterblom moet voort.

Enkele varianten doen ons misschien de afkomst van het ‘fiere’ begrijpen, want in Cuyk (Noord-Brabant) zong men bijvoorbeeld:
‘Vierge, vierge Pinksterblom’.
Komt dat van het Franse ‘vierge’ (maagd)?
De zegekrans om het hoofd is het beeld der ‘gloria’, in het Nieuwe Testament het Latijnse woord voor ‘verheerlijking, openbaring’.
Zilveren bellen zuiveren de atmosfeer (vgl. Psalm 150).
De duivel is voor dat gerin­kel even bang als voor klokgelui. In dit lied is de bloem mannelijk. Wat doet in de hemel het geslacht ertoe?
Mineralen, stoffen zonder leven, zijn recht en hoekig. Levende wezens, planten, dieren en mensen vertonen gebogen, kromme lij­nen. Zo is ‘recht’ ‘dood’ gaan betekenen en ‘krom’ ‘leven’. De weg naar de geestloze helledood is breed en lijnrecht, het pad naar de hemel van de geest krom en bochtig. Wilt u uw gedachten en daden ‘geven’ aan de mensheid? Want zij moet voort, het licht te­gemoet.

Het is interessant, dat de versieringen bij alle pinkstergebruiken – enkele bloemen, zoals pinkster- en boterbloem, uitgezonderd — al­tijd gemaakt worden van ‘mooimakersgoed’ (gekleurd papier). Vroeger jaren bewaarde men daartoe het hele jaar door kleurige pa­piertjes e.d.

In onze tijd, die bedolven is onder een pa­pierlawine, gebruikt men crêpepapier, sits, zijdevloe enz. Echte bloemen horen bij het Midzomerfeest, bij St.- Jan. Het pinksterfeest is nl. niet zozeer het feest van de scheppende aardekrachten, maar van de scheppende menselijke geest, die op aarde pelgrimeert naar Gods Geest. Daarom maakten allen tesamen zelf de zelf bedachte versieringen voor het pinksterfeest: slingers van papier of stof, allerlei fantastische papieren figuren en fictieve, exotische bloemen. – De meietak en de pinksterboom zijn één. Alle bruidjes versie­ren samen de pinksterbruid. Ik werk tesamen met alle mensen der aarde. Dat is een gevoel, dat sinds Christus’ verbin­ding met de aarde en sinds het eerste pink­sterfeest steeds actueler wordt. De volks­geest wordt steeds meer de geest der mens­heid. De kracht die in deze ontwikkeling werkt is afkomstig van wat het Christendom de ‘Heilige Geest’ noemt. En in het gezamen­lijk lijden en worstelen der mensheid om die Geest te verwerven, zal ieder zijn persoon­lijke taak, de opdracht van zijn eigen Zelf van leven tot leven vinden, dankzij de hevige windvlagen, die ruisen door ons huis en die vurige tongen, die vlammen boven ons hoofd.

Dan zullen u en ik een taal gaan spreken, die over heel de wereld wordt verstaan. Want ‘de fiere, vrije pinkstergeest moet voort.’

Henk Sweers, ‘Jonas”nr.20, 4 juni 1976

.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

167-159

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (17)

.

PINKSTEREN, TEGENWOORDIGHEID VAN GEEST

Het is al vele jaren geleden, maar ik herinner mij het voorval als de dag van gisteren. De weg door de bossen was niet erg breed. Er liep geen witte on­derbroken lijn over het midden, en er was nergens een aanduiding van hoofd-of zijwegen. Overal zwijgend bos om ons heen. Ik zat achter het stuur; naast mij een moeder, hoog zwanger van haar derde kind. Ze vertelde me iets, maar ik luisterde met een half oor. Het was of ik gespannen ergens op wachtte en ik wist niet waarop. Het zicht was zo slecht met al die bomen en zonder wegbakens. En toen was daar plotseling de krui­sing, geen waarschuwing, geen ver­keersbord. Ik keek naar rechts en zag de auto aankomen. ‘Waarom rijdt die man zo hard op een zijweg?’ schoot het door me heen, en vaag drong een driftig getoeter tot me door. Op dat­zelfde moment hadden mijn handen het stuur al omgegooid. We sloegen keurig rechtsaf en even later bracht ik de auto tot stilstand in de berm, vlak­bij een ANWB-bord. Ik slikte even en zei toen rustig: ‘Zullen we even kijken waar we heen moeten?’ De vrouw naast mij knikte, ze had niets gemerkt, dacht dat het zo hoorde. Maar ik voelde de wiekslag van de engel die over het ongeboren kind waakte, langs mijn verhitte gezicht strijken.

Van buitenaf gezien noemt men dat: tegenwoordigheid van geest. Maar wiens geest is er dan tegenwoordig? Het was niet mijn gewone aardse be­wustzijn, dat mij de reddende hande­ling deed verrichten. Mijn handen ge­hoorzaamden op dat moment heel duidelijk aan iets dat boven mij of om mij heen sterk voelbaar aanwezig was. Een handreiking uit het gebied van de geest? In ieder geval een moment van genade uit de wereld waar het ongebo­ren kind nog helemaal thuishoort. Maar ook ik heb er toegang toe, zo nu en dan, anders was de ingreep niet ge­lukt.

Een stille vreugde kan je vervul­len als je merkt, soms, en altijd onver­wacht, dat de verbinding met de we­reld van het onzichtbare niet geheel verbroken is. Het openhouden van de toegangspoort gaat niet vanzelf. Er groeit zoveel onkruid voor. Je moet eindeloos wieden en na korte tijd komt er weer ander onkruid op, dat alles dreigt te overwoekeren. Geen be­tere oefening voor het geduld dan het schoonhouden van de eigen, innerlijke tuin!

De tijd van het jaar
De maand juni is genoemd naar de go­din Juno, de gemalin van Jupiter, de oppergod der oude Romeinen. Konin­gin van het hemelgewelf was zij met de blanke lelie en de trotse pauw als kenteken naast zich. Als de pauw loopt te pronken met de fonkelend blauwe waaier van zijn prachtige staart, dan kijken de vele ‘ogen’ je aan als een sterrenhemel in het klein. En Juno was heerseres in het rijk van de sterren. Op vele oude schilderijen zie je pauwe­ogen geschilderd op de vleugel van en­gelen. Een stuk van de hemel dragen ze met zich mee, en waar zij komen, kijken al die sterre-ogen ons aan, kij­ken vol belangstelling naar wat er in de wereld der mensen gebeurt. Soms, als je de ernstige blik van een heel jong kind ontmoet, kun je dat ook ervaren: door het kind heen kijkt de wereld van de geest ons aan, kijkt naar ons doen en laten, naar ons vallen en op­staan.

Godin van de vruchtbaarheid, van alles wat groeit en bloeit, van wat ontkie­men wil – dat was Juno ook. Dat vin­den we nu nog terug in de pinkster­bruid met alle gebruiken die daar bij horen.

Vanaf het lentepunt in maart, de dag-­en-nachtevening, stijgt de zon in een versnelde beweging naar zijn hoogte­punt toe. De boog boven de aarde wordt steeds groter en hoger. De zon wordt steeds warmer en hij blijft steeds langer bij ons. De maand juni is misschien wel de moeilijkste tijd om je te concentreren op ‘denkwerk’. Het liefste zou iedereen van de warmte, van de zon, van het leven willen genie­ten zoals kinderen dat doen: lekker kledderen met water en zand, of ma­deliefjes plukken in het gras en kran­sen vlechten, of zomaar wat zitten dromen op een muurtje. Luchtig, speels, schijnbaar zonder doel, zonder aardezwaarte huppelt het kind door het leven. We zijn er jaloers op, want we zijn dat kind in ons kwijt geraakt. Maar eens in het jaar kunnen we weer iets proeven van die lichtheid, van die zonnigheid in de maand van de Twee­ling, de maand van het kind.

Het feest, toen en nu
Pinksteren is al een oeroud feest. Lang voor het begin van onze jaartelling vierden de Israëlieten, 7 weken na het Paschafeest, het feest van de eerste ga­ven van de opnieuw ontwaakte natuur, het feest van de eerstelingen. De rook steeg op van de brandoffers in de tem­pel en droeg de dankbare gebeden van de gelovigen mee omhoog naar de god­heid.

Er werd echter nog een andere gebeur­tenis herdacht met dit feest, een ge­beurtenis waarbij het fundament gege­ven werd voor de hele joodse samenle­ving door alle komende eeuwen heen: het ontvangen van de tien geboden door Mozes. De wetgeving ging ge­paard met donderend onweer en laaiend hemelvuur. De machtige, leidende en ordenende geest gaf op niet mis te verstane wijze blijk van zijn tegen­woordigheid, zodat de zwervende Is­raëlieten met ontzag werden vervuld. Onder bliksemend vuur werden zij tot een volk gesmeed, tot een ‘samen-ho­rend’ geheel. Onder dwang werden de rondzwervende zielen tot een eenheid samengevoegd, gehoorzaam aan één God en zijn gebod. Het antwoord op de vraag ‘waarom?’ lag enige eeuwen later, toen het kind van Maria geboren werd in Bethlehem, de stad Davids.

Hoe geheel anders beleven we Pinkste­ren in christelijke zin! Naar het tijd­stip komt het nog overeen met het ou­de feest der Joden: de vijftigste dag na Pasen of wel 7 weken later. Om een vermoeden te krijgen waar het verschil zit, moeten we de Handelingen der apostelen opslaan. Daarin wordt immers beschreven wat er op die ene bij­zondere pinksterdag gebeurde:
‘Toen dan de dag van het pinksterfeest aan­brak, waren zij allen bijeen. En plotse­ling klonk er uit de hemel een geluid als het waaien van een machtige wind en vulde het hele huis waar zij gezeten waren’.
Hier is reeds een eenheid aan­wezig, de discipelen en andere leerlin­gen die daar bij elkaar zijn in de zaal, voelen zich één door alles wat zij in de afgelopen drie jaar hebben meege­maakt en doorgemaakt. Die machtig waaiende wind is als een geweldige adem die op hen blaast. Het doet mij denken aan het verhaal van de schep­ping van de eerste mens, van Adam: God blies zijn adem op hem, zodat hij tot leven kwam. Het bloed ging stro­men, hij werd warm van een innerlijk vuur en hij kon spreken. Zo werden de leerlingen van Jezus gegrepen door een innerlijk vuur, dat zij bij elkaar schouwden als vurige tongen, die zich op hun hoofden neerzetten, op ieder van hen individueel.
De wolken van Hemelvaart klaarden op, stralend en helder stond een innerlijke ‘wetgeving’ voor hun geest. Buiten werd het feest gevierd van de eerstelingen van de na­tuur; binnen voltrok zich het mystiek gebeuren van de eerste gaven van de Heilige Geest, de Trooster waarover de Christus zo dikwijls gesproken had, toen hij nog op aarde rondwandelde. De discipelen wisten nu wat zij moes­ten doen. Er was een einde gekomen aan hun innerlijke onzekerheid. Ook zij waren enige tijd ‘zwervende zielen’ geweest. Maar nu brandde in hen dat vuur dat hen noopte tot spreken, en zij gingen naar buiten en begonnen te spreken over de machtige daden Gods.

Op dood spoor?
Zo werd het oeroude pinksterfeest van binnenuit vernieuwd, zoals ook het oude paschafeest van binnenuit ver­nieuwd werd door de inzetting van het heilig avondmaal. Pinksteren werd een feest van de toekomst. Het zoeken naar een gemeenschap van individuele zielen was begonnen. Het bleek een hele lange weg te worden. Zo zeker als de eerste discipelen zich voelden van zichzelf en van elkaar, zo onzeker gin­gen de mensen na hen zich gedragen met betrekking tot de heilige Geest en de innerlijke wetgeving. Hoe groter de onzekerheid werd, hoe meer de hoge kerkelijke autoriteiten vergaderden, en hoe meer zij trachtten vast te leggen in leerstellingen, in dogma’s. Zij waren niet meer zo direct bezield met een heilig weten, dat door ieder gedeeld werd, die op dezelfde wijze voorbereid was. De toegangspoort tot de wereld van de geest raakte verstopt met onkruid. Er ontstond een machtig bouwwerk van gedachten, neergelegd in dikke boeken, en toch blijkt nu in deze turbulente tijden dat we deze vastgelegde, kerkelijke  wetgeving steeds meer gaan loslaten op zoek naar het waarachtig levende woord. Er is weer een volk van zwervers ontstaan, van zwervende zielen, van een zoeken­de mensheid. We zoeken een houvast, en dat houvast is het doel waarop we heel ons denken willen richten.

In de roos
In de rozenmaand juni zijn er in onze zuidelijke provincies bepaalde festivi­teiten verbonden met Pinksteren, die ogenschijnlijk met deze christelijke feestdag niets te maken hebben. In Zeeland, in Brabant en Limburg wor­den dan ieder jaar de schuttersfeesten gehouden. Door het jaar heen wordt er geoefend, maar met Pinksteren vie­ren de schuttersgilden het koningsschieten. Met vanen en wapenen gaat men eerst ter kerke. Daarna trekt de stoet naar het veld, waar de hoge schutsboom staat opgesteld. Driemaal loopt de processie eromheen, zodat de plaats van het doel goed gemarkeerd is. Dan mag de ‘koning’ van het vorig jaar de eerste pijl afschieten. Is er raak geschoten, dan slaat de tamboer een roffel op zijn trom en de omstanders juichen. Er wordt veelal met de hand­boog geschoten, vooral in Zeeland. In Brabant komt er meer versiering bij door het ‘vlagvertoon’ van het vendelzwaaien, dat als een kunst beoefend wordt.

Wat heeft de schutter met Pinksteren te maken? We kunnen er een vermoe­den van krijgen, als we ons voorstellen wat de schutter doet. Hij spant zijn boog met de pijl erop en richt zijn oog op het doel, daar hoog in de lucht op de schutsboom. De schutter spant ech­ter niet alleen zijn boog, ook zijn arm, ja zijn hele lichaam spant hij en als hij de pijl laat schieten, ontspant hij zich weer, tegelijk met de boog. Als wij denkend, in de geest, een be­grip proberen te ‘vangen’ in woorden of als wij een bepaalde gedachte, een idee dat we duidelijk voor ons zien, een vorm willen geven, zodat het tast­baar wordt – dan doen we als de schut­ter. En als dan de vorm enigszins be­vredigend, de oorspronkelijke gedach­te tot uitdrukking brengt, dan beleven we daaraan vreugde, dan hebben we ‘in de roos’ geschoten.

Er is nog een ander verband tussen de maand juni en de schutter. Ieder die­renriemteken heeft zijn ‘contrabeeld’ dat een halfjaar later ligt. Nu blijkt het tegenbeeld van de maand juni – dat is de tweeling – in de maand de­cember te liggen, de tijd die staat on­der het teken van de Schutter. Dat kun je als gegeven zo laten staan, maar al denkend kom je tot verrassende ont­dekkingen. Ik kan me voorstellen dat de schutter zo sterk zijn doel voor ogen heeft, dat hij de weg die de pijl moet afleggen om er te komen, niet meer ziet, laat staan nog eventueel an­dere mogelijkheden om het doel te be­reiken, behalve langs de rechte lijn. Het lijkt mij dat de schutter dan veel kan leren van de beweeglijkheid van het kind, dat in zijn spelend leven nog geen doel kent.

Merkwaardig, dat de adventstijd, de weken van verlangend uitzien naar het Kerstkind, in de tijd van de Schutter valt. Zo worden we, als de zon bijna op zijn hoogste punt staat, op een ver­borgen manier gewezen op Kerstmis, het feest van de geboorte midden in de winternacht. Misschien wil Pinkste­ren ons dat zeggen: laat het kind in ons weer geboren worden, dat wat in ons worden wil, wat toekomstkracht in zich draagt. Want waar de openheid van het kind is, daar kan de geest wer­ken. Dan zal er evenwicht zijn tussen geest en materie, tussen hemel en aar­de, en de mens zal in het midden staan.

Marieke Anschütz, ‘Jonas’  1 juni 1979

.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

166-158

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (16)

.

PINKSTEREN, FEEST VAN HET GEHEIM

‘Iets schrijven over Pinksteren is geen eenvoudige opgave – wel een uitdaging’, de gedachten die ik hier wil proberen te verwoorden zijn – helaas – nog geen eigen gedachten, ik vond ze her en der en ze spraken mij erg aan. Daarom wil  ik ze doorgeven in de hoop dat ook jullie er iets in kunt beleven.

Het Pinksterfeest is een oeroud feest. Het behoort waarschijnlijk tot de oudste feesten die de mensheid kent. En toch is het voor ons een feest van de toekomst – waar we eerst nog in moeten groeien. De zin van Pinksteren is de vernieuwing van het bewustzijn, die door ons mensen zelf tot stand moet worden gebracht.

‘Heilig’ is wat heel is. In het paradijselijk oerbegin waren wereld en mens nog heel. De mensenziel – open als die van Maria – was nog een werktuig van het goddelijk denken en willen.

Toen ging die scheur van de afzondering door de schepping omdat de mens verlangde zelf te denken en te weten. De mens scheidde zich af van zijn eigen hogere zelf, dat -gedragen door de Heilige Geest (helende, weer verbindende geest) – boven hem bleef zweven en steeds minder kon inwerken op zijn wezen, dat zich steeds verder afsnoerde. Het langzaam ontwakende eigen denken en kennen nam (en neemt?) in toenemende mate het dode (het onbeweeglijke) en de dood in zich op. Het gewone denken gaat uit van de hersenen. Het glijdt langs de uiterlijke dingen en blijft aan het aardse hangen. Het innerlijk schep­pend zijn blijft de mens het eigen denken schuldig. Knapheid, geestig­heid, dingen kunnen uitrekenen, berekenen daarvoor is geen scheppend vermogen nodig. Het pinksterfeest geeft ons nieuwe mogelijkheden, het kan ons een begin helpen maken met een nieuw denken en zo kan ooit een nieuwe cultuur ontstaan. We moeten een aanvang maken met het heiligen (heel maken) van de samenleving, van dat wat tussen men­sen gebeurt, van het denken – tot op het gebied van de wetenschap, van de aarde.

Toen in de 9e eeuw door het grote schisma de kerk uiteen viel in de oosterse en westerse christenheid, lag de oorzaak daarvoor in het feit dat oost en west het niet langer eens konden zijn over het wezen van de ‘Heilige Geest’. Eigenlijk kwam toen aan het licht hoever de menselijke geest al afstond van de Heilige Geest.

En ongelukkigerwijs stak in diezelfde negende eeuw een andere onzekerheid de kop op omtrent de mens. De vraag of de mens uit lichaam, ziel en geest of alleen uit lichaam en ziel bestaat werd toen op het Conci­lie te Constantinopel gesteld. De mens werd toen een individueel gees­telijk wezen ontzegd. Ook al is het ware geestelijke zelf t.g.v. de zondeval niet in de mens maar zweeft deze er boven, hij is er wel, hoort wel bij de mens. Men ontkende dit toen.

In het uiteenvallen van de oosterse en westerse kerk naar aanleiding van de ‘onzekerheid over de Geest’ ligt de kiem voor het probleem van de oost-west politiek, dat als een nachtmerrie van gigantische afmetingen boven de mensheid hangt. Het begon op religieus-kerkelijke bodem, nu is het in de arena van de politieke machtsverhoudingen aan­gekomen. In het oosten wordt met uiterst raffinement het principe van de collectiviteit tegenover dat van de individualiteit gesteld. In het westen spreekt men over de vrijheid van het individu, maar begeeft zich daarmee op onveilig terrein, omdat men zich tot in de atoomfysica heeft uitgeleverd aan een onbezield denken dat weinig menselijks meer heeft.

Waar ligt het midden tussen die gevaarlijke machtsconcentraties in oost en west? Waar is het geestelijke Europa? Wat door geeste­lijke oorzaken uiteen gevallen is, ziek geworden is, kan ook alleen door geestelijke impulsen weer genezen worden. Pinksteren – doordat het het geheim van de oude Heilige Geest (Helende Geest) goed kent, en leeft met de nieuwe Christelijke Heilige Geest- kan ons helpen zoeken naar een fundamentele vernieuwing van denkwijze, wereldbe­schouwing en wetenschap, en deze impuls kan helpen de brug te slaan over de afgrond en manieren vinden om de wond te helen tussen oost en west.

Het pinksterfeest wordt ons niet – zoals de meeste andere jaar­feesten vanuit de natuur geschonken – maar het moet vanuit het binnen­ste van onze ziel geschapen worden. Dit scheppen is juist voor ons de moeilijkheid. Pinksteren is immers, zoals uit het voorafgaande ook blijkt, het feest van ons ware hogere ik, dat nu nog boven ons zweeft, en tegelijkertijd is het het feest van de gemeenschap. Een gemeenschap die ontstaat uit de harmonie van onze hogere ikken. Het pinksterfeest is het feest van het geheim dat nog in het verborgene rust.

Er is een weg gebaand die naar omhoog leidt en die kunnen wij gaan. Dan krijgen wij vleugels. Daartoe moeten we zorgen dat het warm is in het diepst van onze zielen. In de uiterlijke wereld stijgt de lucht alleen op wanneer zij verwarmd wordt, zo is het ook  in ons in­nerlijk. Een middel om de ziel  te verwarmen is de stilte te zoeken, vrede te vinden, en deze momenten bewust te willen. Dan wordt het hart warm en die warmte doet onze ziel opstijgen naar waar ons ware zelf is. Dan wordt het huwelijk voltrokken tussen de ziel en de geest. In oude liedjes kom je dan ook teksten tegen waarin men spreekt over pinksterbruid  (vieu pinksterblom, vieu = vierge = maagd). De lich­tende vlam van de Geest daalt neer op de warme vlam van ons vredige hart. Die warmte is onze zaak, daar moet aan gewerkt worden, de ver­lichting is dan het Antwoord van de Geest. Kunstenaars als Richard Wagner hebben dat veel beter begrepen en weergegeven dan de theologen. We denken dan aan het graalsverhaal. Op het menselijk hart dat begint op te lichten, daalt de duif van de Geest neer en de graal van het hart doet genezende, voedende en verlichtende krachten uitgaan in het eigen wezen van de mens en in de mensen en schepselen in de wereld om hem heen.

Wanneer door het graalvuur in de mens diens geestelijke deel in hem en in zijn denken zijn intrek neemt, begint een nieuwe levende cultuur te groeien en te bloeien, maar wij moeten het zelf tot stand willen brengen en misschien is er dan ooit vrede op aarde, als de vrede met ons is.

‘Hier is onze fiere Pinksterblom
En ik zou hem zo graag eens wezen’
.

 Anke, nadere gegevens onbekend

.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

165-157

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.