Maandelijks archief: juli 2019

VRIJESCHOOL – Vertellen – Is het echt gebeurd? (5)

.

Inleiding
.

G.Blankensteijn, Vacature, precieze datum onbekend, maar uit 1977
.

„IS DAT NU ECHT GEBEURD?”

.

Tijl Uilenspiegel 

De hoofdpersonen uit de vier voorgaande artikelen leefden (of werden geacht geleefd te hebben) op Nederlandse bodem. Met Tijl Uilenspiegel verlaten we het vaderlandse erf. Op zijn best heeft deze sinjeur in Vlaanderen van zich laten zien en horen, maar ook dat is allerminst zeker.

Er is een tijd geweest, waarin men hem gemakshalve indeelde bij de Hans Brinker-categorie. Bij die van de fantasiefiguren dus. Maar daarvan zijn de meesten nu toch wel teruggekomen. Algemeen wordt tegenwoordig aangenomen dat er in elk geval wel „een” Tijl Uilenspiegel heeft bestaan en dat van de in omloop zijnde verhalen ook wel een overigens onbekend aantal op diens rekening kan geschreven worden.

Een en ander kan dan zelfs met jaartallen en topografische gegevens min of meer bevestigd worden.

De historie spreekt

Plm. 1335 komt de naam „Tijl Uilenspiegel” voor het eerst voor, en wel in het Brunswijkse. (Natuurlijk hier en nu, elders en later, met afwijkingen in de schrijfwijze: Till Ulenspegel, Ulenspiegel, enz.) Door velen wordt daar de stad Kneitlingen als zijn geboorteplaats aangemerkt.

Ten aanzien van zijn overlijden staat het jaar 1350 te boek. „Aan de pest” wordt er soms bijgevoegd. Om de „eer” van dat overlijden beconcurreren elkaar het Vlaamse Damme en het aardige Noordduitse stadje Mölln, 30 kilometer ten zuiden van Lübeck, aan de Alte Salzstrasse gelegen. Het is grotendeels omsloten door water. Het middelpunt ervan is een heuvel, waarop de oude kerk staat. Op een verhoogd voetstuk tegen de opgang naar de kerk zit daar- ik meen in metaal – Uilenspiegel in een narrenpak en in een losse, leutige houding. Zijn linkervoet rust tegen de uitmonding van een bronnetje, zodat de dorstige Möllner jeugd steeds naar hem moet opkijken. Dat modern aandoende beeld bewijst natuurlijk niets. Dan heeft t.a.v. de historiciteit vlak daarbij de tegen de kerkmuur rechtopstaande smalle grafsteen meer waarde. In tien korte, onder elkaar geplaatste, zinnetjes wordt daar vermeld:

Anno 1350 is düsse Steen up gehaven/
Till Ulenspiegel lenet under begraven/
Market wol und dencket dran was ick gewest si up Eren/
Alle di hir vorüber gan moten mi glick weren.”

Dat deze steen rechtop staat heeft nog een echte Uilenspiegelse verklaring. Bij de begrafenis braken de touwen om de kist, zodat Tijl onbedoeld rechtop in zijn graf kwam te staan. En zo heeft men hem daar maar gelaten.

Voor dat u nu voor stellig houdt dat Uilenspiegel in 1350 in het Möllner gasthuis het veelbesproken leven beëindigd heeft, moet u wel weten dat deze grafsteen daar pas in de 16de eeuw een plaats heeft gekregen, waarmee dus de bijna verkregen zekerheid weer dreigt weg te ebben

En verder? In Kneitlingen en in Schöppenstedt (even te z.o. van Brunswijk) worden veel van zijn snakerijen gesitueerd. De laatste plaats heeft er zelfs een Uilenspiegel-museum aan over gehouden.

Maar…. Rüpelmonde aan de Schelde heeft ook een Uilenspiegel-gedenkteken. En Turnhout viert elk jaar z’n Tijlfeesten, enkele dagen lang, en ook allicht dat is niet voor niets. Terwijl misschien zelfs het Walcherense Veere nog méé kan doen. De bekende Charles de Coster laat Uilenspiegel in zijn boek daar tenminste torenwachter wezen ….

En dan heeft de echte Tijl wellicht eenmaal in zijn leven bovendien een pelgrimstocht naar Rome ondernomen, terwijl hij ook iets te maken gehad lijkt te hebben met het koninklijke hof in Polen.

Maar de meeste van zijn grappen en grollen heeft hij uitgehaald ergens tussen Lübeck en Brugge. Sommigen trekken zelfs een grenslijn, als zij vaststellen: ze spelen allemaaal ten noorden van de vlaams-waalse taalgrens, die dan weer naar het oosten aan zou sluiten bij de scheiding tussen het neder- en het hoogduits, de z.g. Benrather-lijn.

Het spotvogelfenomeen is evenwel niet door die eventuele grenslijn bepaald. Heeft Frankrijk niet zijn Francois Villon gekend – een wat fijner besnaarde Uilenspiegel? Heeft het Franse „espiègle” (guit, schalk) taalkundig nog verwantschap met „uilenspiegel”?

Wat die naam betreft: wil men daarmee zeggen, dat hij de uilen (de dommen) de spiegel hunner domheid voorhoudt, opdat ze zich daarin herkennen zullen? — Het is in onze tijd daarentegen een hele eer de titel „Ere-Uilenspiegel” te ontvangen. De burgemeester van Mölln reikt die sporadisch uit aan zeer prominente, spitse lieden. Zo zijn bijvoorbeeld Konrad Adenauer en Bernhard Shaw eenmaal Ere-Uilenspiegels geweest. Camille Huysmans genoot eens diezelfde eer, maar die werd hem nu weer toegebracht in Damme.

(deel 2)

Er is over deze Tijl – dat blijkt al uit het eerste artikel – weinig met volkomen zekerheid te zeggen. In zijn „historie” breekt als het ware spot en humor door. Hij is niet exact, in feiten en jaartallen, te vangen.

Vrij zeker is wel dat hij als 16-jarige zijn „loopbaan” als koorddanser is begonnen. Maar verder? Verder spéélt hij bij voorkeur het leven door. Hij vermomt zich als student, als arts, als pelgrim. Hij is koster, smid, marskramer, barbier, schaapherder, paardenkoper, schoenmakersknecht …. Terwijl hij tot amusement, en mogelijk tot lering, zijn „spiegel” duchtig hanteerde En daarop hebben, al eeuwen geleden, allerlei auteurs zich gestort.

Over Tijl Uilenspiegel

Waarschijnlijk is al in 1478 een nedersaksisch volksboek over deze volksheld verschenen. Jammer genoeg is dat sindsdien weer volkomen verdwenen.

De oudste wél bekende uitgave is er een in het hoog-duits uit 1515. „Getruckt vö Johanes, Grieninger in der freien stat Straszburg / off sant Adólffo tag lm iar Mccccc …. (on-ontcijferbaar)”. Met op het titelblad een uil op een ronde steen en de woorden: „Dissen stein sol niemans erhaben – Ulenspiegel stat hie begraben”. Dat boek is nog in Straatsburg aanwezig.

In 1519 is er sprake van een nederduitse uitgave in Keulen. En tussen 1518 en
1520 krijgen ook de Nederlanden hun oudste Nederlandse volksboek over Tijl. „Gheprint Thantwerpen in die Rape by my Michiel van Hoochstraten”. Van die uitgave is nog één exemplaar uit de vernietiging der historie gered. Het bevindt zich in de Koninklijke Bibliotheek te Kopenhagen!!!).

Juist in die tijd

Al die in die oude boeken geschreven Uilenspiegels waren kinderen van hun tijd. Een tijd van geestelijk en sociaal ontwaken. Van aanschoppen tegen Kerk en gevestigde machten. Van nationaal verzet tegen Frankrijk of Spanje. Van het loskomen uit oude banden, „oude vormen en gedachten” en van zoeken naar nieuwe wegen.

In de volgende eeuwen zakt die kritiek, dat rammelen aan het hogere gezag weer weg. Renaissance, Barok en Rococo hebben geen plaats voor Tijl Uilenspiegels gehad.

Maar dan komt de 19de eeuw. Opnieuw bruist in een aantal volken het verlangen omhoog naar meer vrijheid, betere sociale omstandigheden, maatschappelijke en politieke hervormingen. En zie – dan duikt Tijl Uilenspiegel opnieuw op. Ditmaal door de hand van Charles de Coster. Op 31 december 1867 komt zijn „La légende et les aventures héroïques, joyeuses et glorieuses d’Ylenspiegel et de Lamme Goedzak, au pays de Flandres et ailleurs” van de pers.
En opnieuw slaan dan zijn spotternijen en zijn minachting voor wat zich hoog en wijs voordoet, geweldig in.

De Coster heeft aan dit boek – en aan andere – een standbeeld in Brussel verdiend. Een eeuw daarna in 1968, heeft men zijn werk extra herdacht. In dat „Uilenspiegeljaar” is bij de uitgeverij Heideland te Hasselt en het Zuiderboekcentrum te Heerlen „In het spoor van Uilenspiegel” uitgekomen. Een monumentale bloemlezing uit de Uilenspiegel-literatuur, die dat jaar zelfs, heel modern, de stoot heeft gegeven tot een echte rally „in het spoor van Uilenspiegel” van 13 tot en met 16 september. Langs Brunswijk – Kneitlingen – Schöppenstedt – Mölln – Bremen (de „Bremer Stadtmusikanten”) – Oldenburg – Kampen – Antwerpen.

Revolutionair?

Door het bovenstaande zou het er wat op kunnen lijken: Uilenspiegel, de beeldenstormer. De man op de barricade. De revolutionair…. Dat is inderdaad wel lang in hem gezien. De Uilenspiegel-schrifturen hebben dan ook op de „index” van de R. K. Kerk gestaan. En in de tijd van de reformatie waren ze eveneens verboden lectuur. Maar de deskundigen lezen dat nu in zijn historie niet meer.

Of „zijn” historie? Is hem niet veel op de hals geschoven, waaraan hij volkomen onschuldig is geweest?

Hij paste in de rijen van de z.g. „Aernoutsbroeders”, een tijdsverschijnsel uit de 15e eeuw. Zwervende studenten en handwerksgezellen, mislukte en uitgetreden geestelijken, kermisklanten zwierven in hun opvallende kleding toen door West-Europa rond. Tussen die lieden moet hij zich wonderwel gevoeld hebben. Vermoedelijk heeft men veel van hun streken op zijn naam geschreven. Wat een persoon leek te zijn, werd zodoende een personificatie. Een vrije vogel die zich van niets of niemand wat aantrok, een spotter en vagebond. Die met zijn scherpe tong en rappe geest door alle uiterlijke schijn heenprikte. Maar…. een felle revolutiemaker was hij zeker niet.

Hij is – zeggen wij nu – als het ware weggestapt uit een middeleeuwse „sotternij”, een luimig potsenstuk. Hij heeft iets in zich van een Pallieter, een Flierefluiter en een Reinaard de Vos. Hij spot wel, maar ’t is een goedmoedige soort spot. Op den duur – als het gezegd mag worden – worden veel van zijn snakerijen zelfs wat, of erg, flauw, eentonig, plat…. Maar in dat laatste kon hij niet anders zijn dan hij was: een kind van zijn tijd. Een tijd die zich uitstrekte tot nog eeuwen nadien.
Wat was hij precies? Wie was hij? We weten het niet.
In elk geval ánders en méér dan: hoofdpersoon uit een kinderverhaaltje.

.

Vertelstofalle artikelen

.

1855

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – Vertellen – Is het echt gebeurd? (4)

.

Inleiding
.

G.Blankensteijn, Vacature, precieze datum onbekend, maar uit 1977
.

„IS DAT NU ECHT GEBEURD?”

.

Dik Trom

Echt gebeurd – Dik Trom? Ja. Dat wil zeggen: de hoofdpersonen in dat beroemde jongensboek hebben werkelijk geleefd. En veel van het kattekwaad en van de goede streken – waarover de auteur, Johan Kieviet (1858-1931) rapporteert, zal ook wel in werkelijkheid hebben plaatsgevonden. Door de jongere Johan destijds van dichtbij meebeleefd. En zo ontstond later een boek, naar het leven geschreven.

Johans vader was als timmerman-aannemer een van de pioniers van de in 1853 droogverklaarde Haarlemmermeerpolder. En de in Hoofddorp geboren schrijver – nummer tien in de rij van elf kinderen – heeft van jongsaf daar dus wel de nodige indrukken kunnen opdoen.

Johan, hoewel eerst bestemd voor de bloembollenhandel, werd onderwijzer. Hij werkte in Delft, Hoofddorp(l), Lisse, Den Haag, Etersheim en Zaandam, waar hij hoofd van een school was.

Het boek „Dik Trom” werd in 1892 te Etersheim, ten zuiden van Hoorn, aan de Zuiderzeekust, geboren. Een voorspoedige jeugd had het niet. Tot zesmaal toe stuurde een uitgever het manuscript aan Kieviet terug. Pas de zevende nam het in zijn fonds op, en dan nog alleen na veel aarzeling en op voorspraak van een vriend.

Waarvan deze zevende uitgever, Kluitman, vermoedelijk eerst nog spijt genoeg heeft gehad. Het boek „wilde” namelijk niet. De eerste oplage had acht jaar nodig voordat de planken leeg waren. Geen wonder dat de uitgever zich tegenover Kieviet weinig royaal betoonde: hij beloonde hem met een honorarium van ƒ 75,—!! En voor de tweede druk had hij maar ƒ 37,50! over.

In het uiteindelijk toch doorgebroken succes heeft de illustrator een groot aandeel gehad. Dat was niemand minder dan de grote Johan Braakensiek, die ten tijde van Kluitmans bezoek juist door een gebroken been aan huis gebonden was. De lezing van het manuscript gaf hem zoveel plezier, dat hij met evenveel genoegen de onder ons bekende tekeningen op papier bracht.

Geleidelijk viel het verhaal over de dikke jongen meer in de smaak bij het lezend publiek. Zozeer dat er op het ogenblik meer dan een miljoen „Dik Troms” in kinderhanden zijn overgegaan. En van de 40 boeken die Johan Kieviet in zijn leven op de markt bracht, zijn er niet minder dan zes aan Dik Trom en zijn omgeving gewijd geweest.

Maar nu de vraag over de hoofdpersonen.

Voor de oubollige Dik heeft waarschijnlijk een gezellige krullejongen uit de werkplaats van Kieviet Sr. model gestaan. Hij heette in werkelijkheid Dirk David Buurman. De families Kieviet en Buurman waren onderling bevriend bovendien.

Ook de vriendenschaar is vermoedelijk uit het leven gegrepen. Er komt in het boek bijv. een Piet van Dril voor, zoontje van de dorpssmid. En Hoofddorp kende later een familie Van Driel, die daar een garage en autowerkplaats bezat. Enz.

In 1973 is op het Marktplein van Hoofddorp een beeldhouwwerk onthuld als eerbewijs aan de auteur Johan Kieviet. Het stelt DikTrom voor, achterstevoren op een ezel gezeten (een bekende episode uit het boek).

De onthulling werd verricht door een kleinzoon van de schrijver, die óók de naam Johan Kieviet draagt (maar geen kinderboekenschrijver is geworden. Hij is tandarts in Slikkerveer).

Bij die onthulling waren bovendien nog aanwezig vier dochters van de reeds genoemde Dirk David Buurman. En als extra een „Bromsnor” (Lou Geels), om veldwachter Flipsen te vertegenwoordigen – al was dat dan alleen maar als collega, niet als familielid. Toch een pracht van een feestnummer voor de ongeveer duizend schoolkinderen, die de onthulling bijwoonden!

Veel van de hierboven gebruikte gegevens werden me al in 1968 verschaft door de heer P. Maaskant te Amstelveen. Hij vestigde mijn aandacht op het feit, dat zoveel – hij schreef: de meeste – jongensboekenauteurs uit kringen van het onderwijs zijn voortgekomen: Kieviet, De Vletter, Kuijk, Louwerse, Van Abcoude …. En dat daarnaast nog zo ontzaglijk veel anderen bij het onderwijs zijn begonnen die in alle geledingen van de maatschappij een vooraanstaande en eervolle plaats hebben ingenomen. (Men vraagt zich af: hoe is het mogelijk: uit dat verstarde en verouderde onderwijs? – naar nu wat denigrerend wordt gezegd). Ook over al degenen die uit het onderwijsgelid in het grote leven naar voren gestapt en gehaald zijn, zou een boek te schrijven zijn. Maar dan wel anders dan „Dik Trom”. „Van meestershuis naar. . . .”bijvoorbeeld.

.

Vertelstofalle artikelen

.

1854

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Vertellen – Is het echt gebeurd? (3)

.
Inleiding
.

G.Blankensteijn, Vacature, 29-03-1977
.

„IS DAT NU ECHT GEBEURD?” 

 

Ot en Sien

Of de vele kleine gebeurtenissen uit het kinderleven van Ot en Sien werkelijk allemaal, en werkelijk zó, hebben plaatsgehad als het onder ons beroemd geworden boek van Jan Ligthart en H. Scheepstra ze beschrijft, dat zal wel sterk betwijfeld moeten worden. Die zullen wel grotendeels aan de fantasie van de beide auteurs ontsproten zijn. In werkelijkheid kwamen ze destijds natuurlijk in het leven van alle opgroeiende kleuters zo voor. Wat omrommelen met de poes, huisje-spelen onder het wasgoed, het groot gebeuren van langstrekkende straatmuzikanten, de ontdekking van griezeldieren als een spin of een worm, ziek zijn en weer beter worden dat alles heeft een stukje gevuld van ieder normaal kinderbestaan in het begin van deze eeuw. Onze 70-plussers zullen hun vroegere omgeving er nog grotendeels in herkennen.

De vraag of dé Ot en dé Sien van Jetses’ illustraties echt, en echt zó, hebben bestaan, die vraag kan met een volstrekt „ja” beantwoord worden. We weten wie in verschillende situaties daarvoor model hebben gestaan” (zonder dat ze zich dat toen bewust waren). Want Jetses tekende, als dat kon, altijd naar levende modellen en tegen werkelijk bestaande achtergronden.

„Sien” was de eigen dochter van Cornelis Jetses. Ten tijde van de verschijning van het boek (1908) moet ze ongeveer vier jaar zijn geweest. Mevrouw D. Kalsbeek-Jetses, in de 60’er jaren in Wassenaar woonachtig, wist zich toen tegenover een journalist nog van alles uit die „Sien”-tijd te herinneren. De kam in het haar, die zeventig jaar geleden in de mode was, heeft bijvoorbeeld een onuitwisbare indruk bij haar achtergelaten. Ze wist nog best hoe haar vader, als het er voor zijn schetstekening op aan kwam, aan het vertellen sloeg om de hoofdrolspelers in de gewenste, goede situatie te houden.

Ze zal dus ook van haar jeugdspeelvriendje „Ot” een meer of minder scherp herinneringsbeeld hebben overgehouden.

In dat verband sprak ze over een buurjongetje, een Fidi Dammann (hoewel het ook kan zijn dat verschillende knaapjes voor „Ot” model hebben gestaan). „Dammann” komt als een Duitse naam naar ons over. Datkan ook wel, want omstreeks die tijd was de familie Jetses naar een plaatsje bij Bremen verhuisd.

Jetses heeft met tussenpozen verschillende jaren in Duitsland doorgebracht. Als 21-jarige kwam hij te Bremen in huis bij zijn tante Trientje. Hij heeft er tekenlessen kunnen nemen, kunstvrienden en beschermers gevonden. Later – van 1897 tot 1900 – heeft hij mooie opdrachten gekregen in Hamburg en in Thüringen, waar hij bij de hertog van Saksen-Meiningen waarlijk een „vorstelijke” tijd beleefde. In 1900 is hij weer naar Nederland gekomen, waarna zijn relatie met de firma Wolters ontstond. Maar volgens Mevrouw Kalsbeek-Jetses heeft het gezin Jetses later tóch weer korter of langer in Duitsland gewoond. En zo kan die Fidi Dammann – alias „Ot” – toch werkelijk wel een Duits knaapje zijn geweest.

Dat klopt niet met een ander verhaal, dat van dr. C. Lindenburg, leraar-musicoloog te Voorburg. Een verhaal dat deze trouwens tientallen jaren later, zelf volwassen dus, pas van zijn moeder had vernomen. Dit namelijk, dat hij in zijn jonge jaren door Jetses geschetst zou zijn. Vader Lindenburg, die leraar was aan de Groningse rijkskweekschool, ging wel eens met zijn zoontje bij Scheepstra op bezoek, waar ze dan soms ook Jetses aantroffen. —Zo kan het natuurlijk zijn, dat Jetses in de kleine Lindenburg een goed model heeft gezien voor een van zijn vele illustraties, maar of hij daarom juist „Ot” is geweest? Als ik de gegeven jaartallen vergelijk, moet hij destijds ’n jaar of negen ouder zijn geweest dan „Sien” en dat haal je er op de tekeningen en in de verhalen toch niet uit.

Ot en Sien staan al sinds 1930 in steen vereeuwigd in het Haagse Zuiderpark – als hommage aan Jan Ligthart. In een gedenkraam in de Cornelis Jetsesschool aan de Jacob de Graaflaan, eveneens in Den Haag. En tenslotte nog eens in het Drentse Roden.

Afke en haar tiental

Hier liggen de zaken juist andersom. Of de afbeeldingen van dat stel geloofwaardig zijn is mij onbekend. Maar het verhaél dat Nienke van Hichtum in 1903 onder de titel „Afke’s tiental” deed uitkomen, dat is van het begin tot het einde levensecht.

De schrijfster heette in werkelijkheid Sjoukje Maria Diderika Troelstra-Bokma de Boer. Ze was de echtgenote van mr. Pieter Jelles Troelstra, die toen juist zijn grote opgang en die van zijn in 1894 gestichte SDAP beleefde. Zij had een dienstmeisje, de oudste dochter van Harmke en Sjoerd Feenstra, die in het boek Afke en Marten heten. Dit meiske vertelde haar „mevrouw” over het leven en bestaan in het ploeterende en armoe lijdende landarbeidersgezin Feenstra, in een doodarme buurt in het dorpje Warga bij Leeuwarden. Ze droeg daarmee zo de bouwstoffen aan voor de sociale kinderroman, die „Afke’s tiental” is geworden. Niet voor niets bruiste juist in die tijd in Friesland, en eigenlijk in het hele noorden, de ontevredenheid en het socialisme op. (Pieter Jelles had in 1897 zijn intrede in de Tweede Kamer gedaan).

Toch is het boek geen oproep tot verzet geworden, geen „Negerhut van oom Tom”, geen „J’accuse”. Het tekent alleen sober en gevoelig de schrijnende omstandigheden waaronder in die tijd de mindere man leven en werken moest. En Jetses, die van jongsaf diezelfde schrijnende omstandigheden aan den lijve ondervonden had, wist vanuit die eigen ervaringen aan zijn uitbeelding ervan een treffende en gevoelige diepte te geven.

Nienke van Hichtums pen en Jetses’ tekenschrift hebben iets geschapen, dat tot de onsterfelijke kinderlectuur is gaan behoren. „Afke’s tiental” is later zelfs in verschillende andere talen gedrukt, en beleefde in 1976 in ons land z’n 33ste druk. —De Vara-tv en een tentoonstelling in het Fries Literair Museum hebben het in 1976 nog eens extra onder de aandacht van het Nederlandse volk willen brengen. In Warga staat een monument van ‘Afke’s tiental’.

.

Vertelstofalle artikelen

.

1853

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertellen – is het echt gebeurd? (2)

.
Inleiding
.

G. Blankesteijn, Vacature, precieze datum onbekend, maar uit 1977
.

„Is dat nu echt gebeurd?” 

Jan Klaassen

In elk geval heeft het poppenspel – in meer veredelde taal: het marionettentheater – al heel lang bestaan. In het oude Griekenland en Rome heeft het zijn humor en vrolijkheid, zijn spot en kritiek gespuid. Spelemannen, die met de Romeinse legers meetrokken, hebben deze vorm van vermaak en volksbeïnvloeding naar onze streken overgebracht.

In het Rijksarchief in Den Haag liggen nog rekeningen uit de Middeleeuwen als stille getuigen van de bedragen, die bijvoorbeeld graaf Jan van Bloys in het midden van de 14de eeuw daarvoor heeft uitbetaald. Prof. dr. G. Kalff gaat in zijn „Bijdragen tot de geschiedenis van ons middeleeuws drama” dieper daarop in. Eén zo’n rekening, uit 1363/’64, zegt: „Item Tordrecht, daer men een dockenspul speelde, dat mijn here was gaen sien, voir minen here ende voir syn ghesinde, 18 s. 6 d.”

Maar nu – Jan Klaassen. Volgens een laat 18de-eeuwse overlevering was deze Jan eenmaal trompetter bij de lijfwacht van stadhouder Willem II. In 1650 werd het stadhouderschap in Holland en Zeeland afgeschaft en zodoende kwam onze Jan zonder middel van bestaan. Om daarin te voorzien is hij toen met zijn vrouw Katrijn en met wat poppen de straat opgegaan om vertoningen te geven. Verder wordt dan ook Amsterdam vermeld als terrein van zijn werkzaamheid.

Daarbij sluit een bericht aan uit een heel andere hoek. In 1706 is een zekere Jan Claasz. met zijn vrouw Trijn voor de Amsterdamse kerkeraad gedaagd wegens openbare dronkenschap en overspel. (Maar dan moeten beiden al wel uitgesproken bejaard geweest zijn, als we deze twee tips combineren).

En dan speelt me nog een derde verhaaltje door het hoofd, dat deze in 1650 ontslagen Jan later moeilijkheden met de overheid heeft gehad, omdat hij zijn poppen dingen liet zeggen en doen, die als pro-Oranje propaganda uitgelegd konden worden.

Tenslotte: in 1969 is bij De Bussy in Amsterdam een boek verschenen van de hand van Wim Meilink, zelf poppenspeler. Het heette „Doopceel van Jan Claes-zen” en kostte ƒ 19,50. De auteur geeft daarin een kroniek van het traditionele poppenspel in Nederland.

Ook hij zoekt de naamgever van dit spel in de 17de eeuw, zij het meer in het begin daarvan. Om dan tenslotte terecht te komen bij Janus Cabalt, die meer dan veertig jaar Jan Claeszen en Katrijn in zijn poppenkast op de Amsterdamse Dam leven heeft ingeblazen. Die zo, wie weet, in hoeveel jonge – en oude? – harten vreugde heeft gebracht. Voor de oorlog, een traditie: Jan Klaassen op de Dam.

In elk geval zijn er wel wat aanwijzingen die doen vermoeden, dat Jan Klaassen in Nederland een historisch persoonlijke verschijning is geweest.

Daarnaast is het spel internationaal gebleven. Frankrijk heeft zijn „Guignol”, Engeland zijn „Punch” en Duitsland zijn „Hanswurst” (ook wel „Kasperl”). En wie weet, hoe ver dit spelen-met-poppen is verbreid? Waar het verschenen is, daar zal het ingeslagen hebben. Omdat elk mensenhart dat voor humor vatbaar is, ook voor zulk spelen een gevoelig plekje heeft. Zolang een ouder wordend mens nog iets van het kind in zich bewaard heeft.

Hans Brinker

Hier hebben we een voorbeeld van een volkomen gefantaseerde figuur. Nog wel – ondanks het toch zeer reële beeldje aan de Harlinger haven bij de afvaartplaats van de veerboten. En ondanks – als mijn inlichtingen juist zijn – een soortgelijk monumentje aan het Spaarne bij Spaarndam.

Deze Hans Brinker nu – speelt een hoofdrol in een kinderboek, dat in Amerika grote opgang heeft gemaakt.
Het werd in 1865 gepubliceerd door een autrice van gedeeltelijk Nederlandse afkomst en heette: „Hans Brinker or the Silver skates”. In 1867 werd het door de toen heel bekende kinderschrijver P. J. Andriesen in het Nederlands vertaald.

In dat boek komt een knaapje voor, onze Hans dus, dat bij een tocht langs de dijk bemerkt dat het water in deze waterkering een gaatje heeft geboord. Er komt eerst nog een miniem klein straaltje door, maar dat wordt al maar groter doordat er telkens opnieuw grond wegspoelt. Hans weet niet beter te doen dan zijn vinger in de gevaarlijke opening te stoppen. Later zijn vuist, zijn hele arm, en wie weet wat nog meer. Al zijn geroep om hulp is vergeefs. Pas uren later wordt Hans door zijn ongerust geworden familie gevonden. Juist nog op tijd ook om het grote gat in de dijk te dichten.

Hans Brinker heeft de polder gered…..

Het Amerikaanse publiek heeft dit boek prachtig gevonden. En toen het Amerikaanse toerisme zich ook op Nederland richtte, toen hebben talrijke Amerikanen de plek willen zien waar hun held Hans, waarover ze met rode konen en rode oren vroeger gelezen hadden, zijn grote daad eenmaal had bedreven.

Om aan die behoefte tegemoet te komen hebben de beelden in Harlingen en in Spaarndam(?) hun plaats gekregen.

.

Vertelstofalle artikelen

.

1852

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Vertellen – is het echt gebeurd? (1)

.
Vele jaren geleden bestond het blad ‘Vacature”, uitgegeven door Thieme in Zutphen. Uiteraard gevuld met onderwijsvacatures, maar ook met veel interessante artikelen, waarvan er verschillende op deze blog staan.

Een onderwijzer verhaalt hier over zijn verleden als onderwijzer en over het vak vertellen. Hij vroeg zich van sommige verhalen af:

 

G.Blankensteijn, Vacature, precieze datum onbekend, maar uit 1977
.

„Is dat nu echt gebeurd?” 

Dat heerlijke voorlezen en vertellen

Straks krijg ik drie vijfde-klassertjes op bezoek. Mij verder onbekende kinderen van een mij weinig bekende school. Ze hebben een opdracht in het kader van het tegenwoordige groepswerk. Ze zijn op zoek naar een antwoord op vragen als: Wat is een berg precies? Hoe ontstaat een berg? Uit wat voor materiaal bestaat een berg? Hun onderwijzer is blijkbaar een man van déze tijd. Uit de tijd van doe-het-zelf. Van zoek-het-zelf-op. Niet van de gedekte-tafel eten, maar je geestelijk voedsel zélf opdiepen.

Dat zal natuurlijk wel allerlei goede kanten hebben. Maar toch denk ik, in afwachting van de aangevraagde kindervisite: „Man, dat je je zo’n prachtkans nu laat ontglippen. Om een lekkere les te geven over die bergen en over alles wat daarmee te maken heeft!! – In plaats van naar school te fietsen met de prettige gedachte: Fijn, vanmiddag een les over de bergen!”

Vroeger op de kweekschool – o, al heel lang geleden -werd ons, aankomende broekjes, voorgehouden: „Vertellen, dat is machtig belangrijk. Wie boeiend vertellen kan, die heeft daardoor al een beste kans om een goed onderwijzer te worden”. En op de leerschool werden we aan het vertellen gezet. Tot je van jezelf ging denken dat je er al een aankomende „piet” in was.

Een illusie die vernietigd werd op de dorpsschool, ver in het Achterhoekse land, waar ik als 18-jarige in het diepe bad gegooid werd. —De bovenmeester kwam een paar keer luisteren. Die fijne bovenmeester met het witte haar onder zijn kalotje uit. Een wijs en eerbiedwaardig man, waarvan je als jongste knechtje veel kon leren. Hij zei: „Nee, zo is het toch niet goed. Zal ik het eens een keer of wat doen?”— En toen heb ik wéér een leerschool doorlopen. Zoals die meester vertellen kon! De hele klas van 53 blonde en blauwogige saksertjes leefde daarin mee. Niet een die zat te draaien of het nodig vond z’n neus een goede beurt te geven………

Dat vertellen, dat is sindsdien het ideaal gebleven waarnaar ik heb getracht in de bijna vijftig jaar die ik tussen de opgroeiende jeugd heb doorgebracht. En ik heb ervaren dat vertellen, ook zakelijk vertellen – overdragen van kennis dus – heerlijk is. De ene keer lukt dat natuurlijk beter dan de andere. Maar als het dan lukt een vonk over te laten springen, dan beleven verteller en luisteraars een rijk moment uit het leven van „een gelukkige klas”. Of het nu over de orchideeënjagers langs de Amazone gaat, of over Scotts laatste tocht, of over Robinson of over wezen en ontstaan der bergen er is op zo’n moment een band bezig te groeien tussen de luisteraars in de banken en de verteller voor de lessenaar, of zittend op het schrijfvlak van de voorste bank.

M’n volgende IJmuider volksschool-6e-klassers bijvoorbeeld waren te vangen met stukken uit de Griekse mythologie; even de laatste tien minuten na een dag pittig werken. En later was het fijn in de hoogste mulo-klas een week van ouderwets hard werken te kunnen besluiten met een hele voorleesles: uit „Kampvuren langs de evenaar” van Paul Julien. Uit Schweitzers „Aan de zoom van het oerwoud” of uit „Christuslegenden” van Selma Lagerlöff – om er maar enkele te noemen.

Wellicht zijn de klassen daar nu niet meer gelukkig mee.

Mogelijk zijn de jonge luisteraars al overvoerd met wat radio en televisie en Asterix te bieden vermogen. ’t Zou toch verschrikkelijk jammer zijn als de meester-van-nu zijn toverstaf onwerkzaam geworden zag ….

Maar – als het nog lukt, dan wordt de verteller, als het laatste woord is gezegd en de laatste diepe zucht is opgestegen, zeker meer dan eens geconfronteerd met de kritische vraag: „Is dat nu echt gebeurd?”

Heeft Robinson echt op dat eenzame eiland geleefd? Heeft Tijl Uilenspiegel werkelijk al die streken uitgehaald? Was Buffalo Bill zo’n geweldige jager? Hebben Ot en Sien en Dik Trom en Afke werkelijk bestaan?
Is het allemaal fantasie? Of is er een sprank waarheid in het verhaal over Gulliver, Hans Brinker, Don Quichotte, Jan Klaassen, Oom Tom, Von Münchhausen ?
En dan moet er toch een antwoord komen.

Telkens als ik in de loop van vele jaren van zo’n „onsterfelijk” verhaal, dat op de grens van waarheid en verdichting wankelt, een draadje of een dikke draad te pakken kon krijgen, dan heb ik dat bewaard. Te gelegener tijd gebruikt. Er zijn misschien meer van die draadjes dan men denkt. (Nog pas hoorde ik bijvoorbeeld, dat zelfs een sprookje als dat van „Hans en Grietje” een historische ondergrond zou kunnen hebben in lang vervlogen dagen. Ergens in het verre zuidwest-Duitslandl).

Soms zullen we stuiten op pure schrijversfantasie.

Soms op een „kleine waarheid”, die in enkele regels verteld is. Soms op een zo dik kluwen, dat er de schaar in moet.

Uiteraard is van wat nu volgt veel aan andere publicaties ontleend. In je eentje kan je maar niet zo van alles gloednieuw ontdekken. Maar het kan zijn nut hebben de resultaten van allerlei onderzoekingen nu eens aaneengesloten bij elkaar te hebben. Vandaar hier de aanbieding van de oogst van vele jaren. Eerst wat Nederland betreft. Daarna over enkele buitenlandse boeken.

.

Vertelstof: alle artikelen

.

1851

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Breinbreker (nieuw)

.

Zo tegen de leeftijd van ruwweg 12 jaar begint in de meeste kinderen het nieuwe vermogen te rijpen om te kunnen denken in een ‘oorzaak – gevolg’- verband.

Er is een bepaald abstraherend vermogen voor nodig dat een mens ‘van nature’ ontwikkelt en als dat er dan is, kun je het gebruiken en dan kun je het ook inzetten om problemen op te lossen. Door met die problemen bezig te zijn, is daar soms plotseling het ‘aha-beleven’.

.

 

Oplossing later

.

Alle rekenraadsels

Alle breinbrekers

Alle ‘gewone’ raadsels

Taalraadsels

VRIJESCHOOL – 4e klas – actueel

.

Verzamel de granen, als het nog kan!

(Op veel plaatsen is het oogsten in volle gang of al klaar!)

Rudolf Steiner:
U weet, hoe ik dikwijls over zo‘n beschou­wing van de natuur heb gesproken, en hoe ik verschillende besprekingen besloot met woorden als deze: er zijn tegenwoordig onder de stedelingen helaas heel wat mensen, die, wan­neer ze buiten op het platteland komen, geen tarwe van rogge kunnen onderscheiden. Het komt daarbij niet op de naam aan, maar op een levende verhouding tot die dingen. Wie de menselijke natuur kent, weet dat er iets zeer belangrijks voor de mens verloren gaat, als hij niet op het juiste ogenblik  — en de ontwikkeling van de menselijke vermogens moet steeds op het juiste ogenblik plaatsvinden — als hij niet op het juiste ogenblik leert te onderscheiden, als hij niet leert – (u weet, het is slechts als symptoom bedoeld) – rogge van tarwe te onderscheiden; wat hier bedoeld wordt omvat natuurlijk nog zeer, zeer veel meer.
GA 192/95
Vertaald

Over het waarom

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.