Maandelijks archief: december 2013

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (13)

Hoe de Driekoningen hun namen kregen 

Net als met het bepalen van het aantal driekoningen, heeft het geven van een naam veel gesteggel opgeleverd. In de loop der tijden hebben ze onder anderen Magala, Galgalat en Sarachim geheten en Apellinus, Amerus en Damasus. De namen waaronder ze nu optreden aan het slot van het kerstverhaal zijn voor het eerst genoemd eind vijfde eeuw.

De evangelist Mattheus is de enige die ooit in sobere be­woordingen over het illustere gezelschap heeft geschreven. Maar hij heeft het nooit over koningen gehad, laat staan over een aantal, over kame­len, over grote aantallen hel­pers en noem maar op.
‘In die dagen’, staat in het Nieuwe Testament, ‘kwamen er wij­zen uit het oosten.’ Ondanks deze vaagheid wist de Engelse heilige Beda in de zevende eeuw als eerste enke­le biografische gegevens op te lepelen. Aan de hand daarvan kan worden gecontroleerd of de Driekoningen in het thuisstalleke wel goed van kleur zijn.

‘De eerste moet Melchior zijn geweest’, aldus de benedictijn Beda. ‘Een oude man met grijs haar, lange baard en hoofdharen. Met purperrode tunica, korte groene mantel. De tweede was Caspar, een baardeloze jongeling met roodachtig haar, groene tuni­ca, rode korte mantel en pur­perrode schoenen. De derde met donkere tint en haren en volle baard, Balthasar gehe­ten, had een rode tunica, wit­te korte mantel en groene schoenen.’

Een legende uit de twaalfde eeuw gaf ze een leeftijd: Caspar 20, Balthasar 40 en Melchior 60. Vanaf het einde van de dertiende eeuw werd een vast schema gehanteerd voor de opstelling: grijsaard Melchior voorop, Balthasar als deugd in het midden en daarachter benjamin Caspar.

(Paul Sapens, nadere gegevens onbekend)

Beda laat Melchior  goud geven, Balthasar mirre en Caspar wierook.

In het Oberuferer Driekoningenspel geeft Balthasar wierook, en Caspar mirre. De kleuren van de koningen zijn daarin: Melchior: rood; Balthasar: blauw; Caspar: groen.

Advertenties

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (12)

Over de gaven van de drie wijzen uit het Oosten

‘Zij traden het huis binnen en zagen het kind met Maria, zijn moeder, en nedervallend vereerden zij hem. En zij openden hun schatkisten en brachten hem hun gaven: Goud en wierook en mirre. (Mattheüs 2, 11) [1]

In de heilige schrift van het Mattheüsevangelie worden ze ‘wijzen’ genoemd; andere bronnen spreken over magiërs. Het is zeker dat ze – gezien de tijd waarin ze leefden – èn wijzen èn  magiers waren,  alsook koningen, priesterkoningen. En ze waren sterrenkundigen:

‘Waar is de geboren Koning der Joden? Wij hebben zijn ster zien opgaan en zijn gekomen om voor hem te knielen’. (Mattheüs 2, 2) [1]

In de 6e eeuw begon de legende die de wijzen uit het Morgenland in koningen veranderde. De 9e eeuw gaf hun dan de algemeen gebruikelijke namen: Caspar, Melchior en Balthasar.

De ‘driekoningendag’, die jaarlijks op 6 januari als ‘Epifanie’ gevierd wordt, ontstond rond 1164, nadat het gebeente van deze drie heiligen van Milaan naar de dom in Keulen was overgebracht. Tot de volksverering droeg in de tweede helft van de 14e eeuw de ontstane ‘Legenda trium regum’ van Johannes von Hildesheim bij.

Richten we ons nu op de in Mattheüs genoemde gaven van de drie wijzen: goud, wierook en mirre, dan noemen we ze als stoffen met een bijzondere religieuze en symbolische betekenis.

Goud werd van oudsher als diepste geheim van de aarde en als een sacraal element gezien, dat welbewust slechts in deze betekenis gebruikt werd.
‘Maar al het zilver en goud, en de koperen en ijzeren vaten zullen den Heere heilig zijn; tot de schat des Heeren zullen zij komen.’ (Jozua 6,19) [2]

Goud is in de Heilige Schrift van het Oude en Nieuwe Testament het meestgenoemde metaal. Het wordt in gelijkenissen gebruikt en als aardse rijkdom, alsmede in zijn bijzondere betekenis voor de tempelbouw in de tijd van Mozes en Salomo en de bouw van het nieuwe Jeruzalem in de Openbaringen:
‘De straat van de stad is louter goud als doorschijnend glas’.(Openbaringen 21, 18) [2]

En bij Job staat er in een gelijkenis:
‘Ja, de Almachtige zal uw overvloedig goud zijn’. (22, 25) [2]

Wanneer later de alchemie, op zoek naar de ‘materia prima’, het goddelijk oerelement, probeerde, rekening houdend met de trillingsfrequenties van alle elementen, goud te maken, dan zag men in dat streven en het proces de aardse creatie van het volmaakte, godkennende bewustzijn.

Was in vroeger tijden het goud alleen bestemd voor de religieuze cultus, al in de tijd van David en Salomo is het ook in bezit van koningen:
‘en zij (de schepen) kwamen te Ofir, en haalden van daar, aan goud vierhonderd en twintig talenten, en brachten het tot de koning Salomo. (1 Koningen 9, 28) [2]

Onmetelijk waren de goudschatten van de heersers in Babylon, Nineve en Persepolis, in India en de voor-Oriënt. India en Lydië (een klein-Aziatisch land aan de westkukst, maar ook Arabië – in de tijd van Rome, Spanje, behoorden tot de beroemde goudlanden van de oudheid.

In de symboliek gold goud als zinnebeeld van de standvastigheid en volmaaktheid. In de veronderstelling van zijn bijzondere, verborgen krachten werd het in het Morgen- en Avondland vaak tot amuletten verwerkt. Gedachten van gelijke strekking lagen ten grondslag aan de steeds uit goud vervaardigde insignes van de koningen.

Het goud is steeds in verband gebracht met de zon en wat de organen betreft met het menselijke hart. In het verre oosten gelooft men dat het goud – als ziel van de aarde – deze levend houdt. Ook in het zeewater bevinden zich sporen van goud.

Bij de kribbe in Bethlehem schonken de aanbiddende koningen goud als teken van de eens priester-koninklijke macht van het heilige kind.

De tweede genoemde gift van de drie koningen is wierook; dit werd – aanbiddend – als teken van goddelijke macht geschonken. Vanaf de tijd van Mozes tot de tijd waarin het de uitdrukking van een cultische handeling wordt genoemd, werd en wordt wierook tot op de dag van vandaag daarvoor aangestoken.

De welriekende geur van de wierook steeg in Babylon al op en in de tempelplaatsen van het Oude Egypte. Zoals de naam al aangeeft, werd het gebruikt voor wijding (Duits Weih-rauch), om te offeren, voor de loutering en voor de vergeestelijking van het gebed. Zo beleefd deed het ca 500 jaar na de christelijke jaartelling zijn intrrede in de christelijke godsdienst. In de geneeskunde gold wierook ooit als goddelijk medicijn. Vanuit magische voorstellingen geloofde men dat het goede geesten kon aantrekken en slechte verdrijven. Net als het goud, is de wierook met zijn onvergankelijke hars een symbool voor de eeuwigheid en onsterfelijkheid. In onze tijd vinden we het in de christelijke, boeddhistische en islamtische godsdienst, maar ook in het Shintoïsme, om maar een paar wereldreligies te noemen.

Bij Sjatt-al-Arab is een kleine religieuze gemeenschap, de Mandaeërs (gnostici, ‘wetenden’) wier leer en heilige geschriften waarschijnlijk teruggaan tot die van Zarathustra (Perzië, 7e eeuw voor Christus). Zij zien in de wierook zelfs het opstijgen van een goddelijk wezen, van wie zij, in de gedaante van de hoogste godheid van het ‘eerste leven’, verlossing verwachten.

Mirre, als naam afkomstig uit het Arabische murr, dat bitter betekent, is een geelbruine, kruimelig aardse substantie met een aromatische geur en bittere smaak. Het wordt gewonnen uit de hars van rubberachtige, welriekende struiken en bomen uit de Arabische en Afrikaans-Abessinische landstreken. De Griekse geschiedschrijver Herodotos (5e eeuw v. Chr.) bericht: ‘Het verst weg liggen de bewoonde landen in het zuiden van Arabië. Van alle landen groeit daar alleen wierook, mirre, casia, kinamomon (?) en ladanon(?). De Arabieren winnen al deze dingen, behalve de mirre, echt met moeite…’ En Diodor van Sicilië (1e eeuw v. Chr.) zegt o.a.: ‘Het binnenland echter wordt door aaneensluitende bossen bedekt, waarin grote wierook- en mirrebomen staan; bovendien palmen en kalmoes en kaneel en andere planten, die net zo lekker ruiken. Het is echt niet mogelijk om van iedere plant de bijzondere natuurlijke eigenaardigheden op te schrijven en  de intensiteit en de overmaat aan geuren die allemaal tegelijk door elkaar uitstromen. Wanneer de wind landafwaarts waait, gebeurt het dat de welriekende geur die de mirrebomen en andere gelijksoortige gewassen uitademen tot over de aangrenzende zee meegedragen wordt…’

Mirre, herhaaldelijk genoemd in het Oude en Nieuwe Testament wordt hier in de gelijkenis tot geschenk en geneesmiddel alsmede als kostbare en heilige stof genoemd.

‘Gij nu, neem u de voornaamste specerijen, de zuiverste mirre….En maak daarvan eene olie der heilige zalving….En met dezelve zult gij zalven de tent der samenkomst…’
(Exodus 30, 23-25-26)[2]

In de evangeliën wordt mirre driemaal genoemd: de eerste keer bij de geboorte  van Christus – als derde gave van de wijzen uit het Oosten. Hier symboliseert het de macht zieken te genezen. Al in de oudheid gold mirre als een geneesmiddel en was in Egypte al medicinaal bekend.

De tweede keer spreekt Marcus in zijn bericht over de kruisiging van Christus over de mirre:
‘Daar gaven ze hem ( de gekruisigde) wijn met mirre vermengd te drinken, maar hij nam het niet aan.’ (Marcus 15, 23) [1]

Johannes noemt de mirre bij de graflegging van Christus: ‘Ook kwam Nikodemus, hij die voor het eerst in de nacht tot hem gekomen was, en bracht een mengsel van mirre en aloë…’
(Johannes 19, 38) [1]

Mirre nam men in de oudheid, voornamelijk in Egypte, naast de andere stoffen  voor het mummificeren. In de Middeleeuwen werd dit hars – met het oog op de evangelieteksten over het lijden van Christus en zijn dood in verband gebracht. Om zijn aromatische geur en de genezende werking speelde de mirre zowel in Joodse en Indisch-Oriëntaalse, alsmede de in christelijke cultus een wezenlijke rol.

Zeker hebben de drie wijzen uit het oosten – zoals de koningin van Sa’aba die duizend jaar eerder met dezelfde schatten naar Jeruzalem trok, hun doel waarnaar de ster hen leidde op dezelfde weg van de oude wierookstraat bereikt – over Mekka en Medina en Petra, de eens zo beroemde stad van de Nabatanen…..

Ruth Kaeselitz, Der Elternbrief, jrg.onbekend)

[1] Het nieuwe testament, H.Ogilvie 1975
[2] Bijbel, Statenvertaling

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (11)

Mirre

Magie en mirre horen bij elkaar. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de offergaven van de Drie Koningen, die goud, wierook en mirre schonken aan het kind Jezus. Deze magiërs, priester-koningen uit het woestijnachtige thuisland van de mirreplant, kwamen aan met het meest kostbare van hun cultuur. Dat waren, naast het koningsmetaal goud, de aromatische harsen van wierook en mirre. Misschien brachten ze zelfs helemaal geen goud mee, zoals sommige onderzoekers beweren, maar balsem, want in het Arabisch hebben deze twee woorden dezelfde schrijfwijze: dhb. Als dat waar is dan waren het louter plantaardige producten die de koningen schonken.

Hoe dan ook, wierook gaven ze vanwege de heiligheid en mirre vanwege het lijden van het kind, want mirre en lijden horen ook bij elkaar. Het rituele zalven van de doden door de Hebreeërs was in die tijd heel ge­bruikelijk en mirre werd dan ook als symbool gezien voor lijden en dood. Ook toen Christus aan het kruis hing gaven ze hem mirre opgelost in wijn. En nadat hij van het kruis was genomen, werd hij door Jozef van Arimathea en Nicodemus met honderd pond mirre en aloë bedekt.

De jonkvrouw Myrrha
Hoe sterk mirre met lijden is verbonden bewijst ook het verhaal van de prachtige jonge vrouw met de naam Myrrha, beschreven door de Romeinse dichter Ovidius (43 v. Chr. tot 17 na Chr.). In het tiende hoofdstuk van zijn Metamorphosen beschrijft hij hoe het meisje
hope­loos verliefd wordt op haar eigen vader en niets liever wil dan met hem de liefde bedrijven. Verteerd door schuldgevoel wil ze zelfmoord plegen, maar haar voed­ster verijdelt op het laatste moment de zelfmoord door vader en dochter door een list bij elkaar te brengen. Zij weet vader Cinyras met wijn te benevelen en als hij die nacht alleen in bed ligt brengt zij het meisje naar hem toe, zonder haar identiteit te onthullen. Vele nachten brengen ze met elkaar door en uiteindelijk is Cinyras zo nieuwsgierig naar die heerlijke jonge vrouw, dat hij een toorts aansteekt om haar te kunnen zien. Dan schrikt hij zich een ongeluk en gaat met getrokken zwaard achter het vluchtende meisje aan om haar te vermoorden. Myrrha weet te ontsnappen naar een ver land waar het droog en woestijnachtig is. Daar brengt ze negen maanden door. Hoogzwanger is ze van haar vader en ze wil niet langer als mens door het leven gaan. Daarom smeekt ze de goden om haar een andere gedaante te geven en die wens wordt verhoord. Myrrha verandert in een doornige struik die voortaan haar naam zal dragen en ze huilt bittere tranen. Die druipen van haar takken in de vorm van kleine glins­terende bolletjes hars die opwellen uit de diepten van haar hout. Na vreselijke pijnen, geholpen door de maangodin, scheurt zij overlangs open en komt er het mooiste kind uit dat de wereld ooit heeft gekend: Adonis. Zijn schoonheid heeft hij mede te danken aan de gewoonte om zich met mirre in te zalven en zo mooi is hij dat zelfs de godin van de liefde op hem verliefd wordt. Myrrha kan haar zoon niet vasthouden en ze moet voorgoed afscheid van hem nemen. Vanwege dat verdriet blijft ze altijd bittere tranen wenen.

Tranen
Tot zover dit verhaal, waarin enkele opmerkelijke waarheden over de mirreplant worden verteld. Inder­daad lijken de harsdruppels op tranen. Ze ontstaan in harsgangen in het hout en druppen door kleine poriën in de schors naar buiten. Ook gebeurt het regelmatig dat de stam of de dikke takken van de struik overlangs open scheuren waarbij er veel hars naar buiten loopt. Deze kostbare hars zag men in de oudheid als de schone jongeling Adonis en dat geeft wel aan hoeveel belang er aan deze hars werd gehecht. In de Zuid-Arabische landen bracht mirrehars zeer veel geld op. Overal was behoefte aan deze hars, in erediensten van tempels in Egypte tot in Griekenland, waar de mirre tijdens het bewind van Alexander de Grote rond 330 voor Christus is aangekomen. Talrijk waren de rookoffers met zowel mirre als wierook, haar familielid waarmee de plant vaak in één adem wordt genoemd. Het ging om offers voor de goden, om boze geesten te verdrijven en om de doden te eren. Verder werden in profane diensten ook rookoffers opgedra­gen aan levende mensen en was de verfrissende en prikkelende geur van de hars welkom op feesten. De Egyptenaren gebruikten mirre bovendien voor het balsemen van hun mummies, voor gebruik in schoon­heidsmiddelen en parfums en voor het verzorgen van het gebit.

Iemand die veel waarde hechtte aan mirre en haar schoonheid ermee in stand hield, was de oogverblin­dende Nefertete, vrouw van de farao Echnaton (rond 1570 v. Chr.). Zij bewaarde de mirreharsen in stenen kastjes die later zijn gevonden. Als er gasten kwamen in het paleis kregen die een zalfkegel op het hoofd. Dat was een mengsel van dierlijk vet met mirrehars en andere geurende kruiden. Door de warmte van het hoofd smolt de hars en liep druppelsgewijs door het haar en over de schouders van de gasten. Op die manier wandelden er van geur druipende mensen door het paleis…

Mummies
Mirre had ook een religieuze betekenis, gezien het veelvuldige gebruik van de hars in de oude Egyptische zonnestad Heliopolis, op de plek waar nu Caïro ligt. Daar werd dagelijks mirre verbrand op het hoogtepunt van de middag als de zonnegod zijn hoogste kracht had bereikt. Daarbij gebruikten de priesters een speciaal mengsel van kruiden, dat ze ‘kyphi’ noemden. In de zuidelijker gelegen plaats Karnak, aldus de inscripties op de tempelmuren aldaar, was het gebrui­kelijk deze rookoffers te brengen tijdens de zons­opkomst.

Zoveel mirre gebruikten de Egyptenaren dat de lucht langs de Nijl zwanger was van deze geur. Niet alleen de hars, ook complete bomen werden geïmporteerd en in de tempeltuinen geplant. Daarmee kon de hars worden gewonnen die in grote hoeveelheden nodig was om de doden mee te mummificeren. Kilo’s mirre gebruikten de balsemers om de buik-, borst- en schedelholtes van de overleden farao’s en hogepriesters te vullen. Toen in 1922 het graf van Toetanchamon werd geopend kwa­men er verzegelde stenen kruiken en potten te voor­schijn die bij opening nog steeds sterk geurende mengsels bezaten van mirre en andere harsachtige stoffen. En dat tweeëndertig eeuwen later! Deze sub­stanties bleken voor 90 procent uit dierlijk vet en voor 10 procent uit mirrehars en andere kruiden te bestaan. Zelfs heilige dieren werden gebalsemd met mirre en rozemarijn, vanwege de conserverende werking van deze planten. Dat was ook aan de middeleeuwers bekend, want daar schreven de geneesheren soms mummie-extracten als medicijn voor tegen de meest uiteenlopende kwalen. Dat waren aftreksels van de zwachtels van mummies, die ooit waren gedrenkt in een waterige oplossing van mirreharsen. Bij het medicinaal voorschrijven van deze ‘mummie-lappen’ hadden de middeleeuwers de magie van de mummie op het oog, maar het is ongetwijfeld de gunstige werking van de mirre geweest die de geneeskracht veroorzaakte.

Kromme struik
De struik van de Commiphora myrrha is zeer doornig vanwege de scherpe takdorens (takken in de vorm van een doren) die haaks op de stengel staan en de plant een grillig uiterlijk verlenen. De gehele plant kan zo’n twee meter hoog worden en vertakt zich zeer sterk. Soms, afhankelijk van de groeiplaats, komen er ook boomvormen voor die vijf meter hoog kunnen worden. Bij de struikvormen is de hoofdstam meestal gebogen en ziet de plant er uit als een ‘vrouw die krom staat van de barensweeën’ (Ovidius). Aan de takdorens zit­ten de kleine, tot twee centimeter lange blaadjes, die aan de voet nog twee kleine zijblaadjes dragen en vaak met zijn drieën voorkomen.

De bloemen zijn klein en groenig-wit van kleur, al­thans bij deze soort, want er zijn ook mirresoorten met rode of gele bloemen. Ook zijn er doornloze soorten. Het geslacht mirre bevat maar liefst 250 soorten en de systematiek daarvan is zelfs voor de kenners inge­wikkeld. Van Zuid-Afrika, via de oostkust van Afrika, Saoedi-Arabië en het Midden-Oosten tot in India komt de mirre voor, en tot in de jaren tachtig van de twintigste eeuw werden er nog nieuwe soorten ont­dekt. De geslachtsnaam Commiphora bestaat uit twee delen: het Griekse woord ‘kommi’ (denk aan gom en gummi) betekent kleefstof en ‘phoros’ betekent ‘dragen’.

De ‘kleefstofdrager die myrrha heet’ (Commiphora myrrha) groeit in de droge woestijngebieden als wilde plant en heeft waarschijnlijk Somalië als land van herkomst. Daar is ‘molmol’ de plaatselijke naam voor zowel het gewas als de hars. Tegenwoordig zijn het vooral Ethiopië en Zuid-Arabië die de struiken op com­merciële basis in plantages kweken. Voor het winnen van de hars, die bij de zeer hoge woestijntemperaturen zacht wordt en vanzelf naar buiten sijpelt, worden niet alleen de ‘parels’ van de takken gehaald, ookde stam wordt aangesneden. Dat gebeurt vooral in het heetst van het jaar, in juli en augustus. Net als bij de rubberbomen lopen de harsgangen langzaam leeg. Is de boom eenmaal aangesneden, dan moet hij zes tot vierentwintig maanden met rust worden gelaten.  Zo niet, dan droogt de plant uit en sterft.

Verschillende tranen
De harsdruppels uit het hout, die in de mythologie zo mooi tranen heten, komen in twee soorten voor en die dragen in de handel de inheemse Arabische namen.
De ‘heerabol’ is een ruwe, roodbruine en grote klont hars, terwijl de ‘bisabol’ zachter is, geler en helderder.
Meer als barnsteen. In een handjevol mirrehars zitten deze twee soorten door elkaar en je kunt ook allerlei tussenvormen ontdekken. Van deze hars bestaat ongeveer 3 tot 10 procent uit de vloeibare mirreolie, die steeds stroperiger wordt bij veroudering. Deze etherische olie  is de geurcomponent die wordt gewonnen door de hars op te lossen in vet. Het harsige deel, ongeveer 35 pro­cent, kan in alcohol worden opgelost en de rest (60 procent gom) is oplosbaar in water. Dat laatste is goed te merken als je een klontje mirre in de mond steekt, want meteen lost er iets van de hars op en dat geeft de scherpe en bittere smaak, die de Arabieren ‘myr’ (is ‘bitter’) noemen. Deze bittere looistoffen trekken de slijmhuid van het tandvlees en de mondholte samen en gaan ontstekingen tegen.

Medicinale plant
Mirre is al in de oudheid als geneesplant gebruikt voor een veelheid aan kwalen. Mondinfecties, kiespijn, hoofdpijn en ontstekingen van de slijmvliezen worden daarbij regelmatig genoemd. Verder zijn vooral ook de desinfecterende en wondgenezende werking bekend, die is toe te schrijven aan de looistoffen in de hars, maar ook aan de wondafdichtende werking die niets met de looistoffen te maken heeft. Als de hars namelijk over de wond is gewreven blijft er een dun laagje als een soort vernis op de huid achter. Hierdoor is de rand van de wond extra beschermd en afgedekt waardoor de genezing vlotter verloopt. In de Afrikaanse volks­geneeskunde vindt deze desinfecterende werking van mirre nog steeds toepassing. Ook als gorgelwater en tandverzorgingsmiddel is de mirre een gewaardeerd medicijn.

Waarschijnlijk hebben geiten in de woestijn de mirre als mondmedicijn niet nodig, maar ze zijn dol op de blaadjes ervan. Tijdens het vreten druipt de hars in hun vacht en als de dieren genoeg hebben komen ze met sijpelende baarden uit de struiken te voorschijn. Geiten hebben ook op een andere manier iets met mirre te maken. In de oudheid werd namelijk hun huid ge­bruikt om er de mirre in te persen. Daardoor bleef de geurende olie in de hars aanwezig, omdat het niet kon verdampen door de huid heen.

Hooglied
Tot slot enkele fragmenten van het bekendste loflied op de mirre en wel het Hooglied van Salomo, uit de bijbel. Telkens grijpen de twee geliefden uit dit lied naar de mirre, als zinnebeeld voor eikaars schoonheid waaraan de plant ook een bijdrage levert. Het zalven van hoofd en handen met mirre verhoogt immers de schoonheid en daarom zijn de liefdesscènes doorsijpeld van deze hars:

‘Mijn geliefde is mij een bundeltje mirre, rustend tussen mijn borsten’ (1:13)

‘Ik stond op om mijn geliefde open te doen, mijn handen dropen van de mirre, mijn vingers van vloeiende mirre op de greep van de grendel1 (5:5)

‘Zijn wangen zijn als balsembedden, perken van kruiden, zijn lippen zijn leliën, druipend van vloeiende mirre’ (5:13)

Gebruik bij Weleda
De mirre die Weleda gebruikt komt uit het zuid­oosten van Ethiopië. Mirre groeit hier in boomvorm in het wild op vlaktes, in heuvels en in de ber­gen. Het is een droog gebied waar weinig andere gewassen groeien. Mensen uit de omgeving hebben gezamenlijk een bedrijf opgezet om de hars te ver­zamelen. Dat gebeurt vanaf november tot februari door met een mes in de boom te kerven, zodat de hars eruit loopt. Daarna gaat de hars naar een sorteerstation waar vrouwen in een hal mirregom naar grootte en zuiverheid sorteren. Het zijn de grote bruine brokken die Weleda ontvangt. Op de productieafdeling voegt een medewerker alcohol bij de klompen waardoor de hars vloeibaar wordt. Weleda gebruikt alleen de hars om tinctuur van te maken. De gom en etherische olie worden niet ge­bruikt. Mirretinctuur werkt desinfecterend, ontstekingsremmend en weefselversterkend in Weleda ’s Tandvleesbalsem, Ratanhia Mondwater, Ratanhia Tandpasta, Calendula Tandpasta, Planten Tand­pasta, Saline Tandpasta, Voetbalsem, Aftershave Balsem en Aftershave Lotion.

mirre1

mrre 2

(Uit ‘Flora’s kus’ , Weleda Zoetermeer, 2000.)

Het gebruik van myrrhe* gaat tot ver in de oudheid terug. Zij wordt in Oud-Indische, Perzische,  Egyptische en Griekse bronnen genoemd, eveneens in de Bijbel en de Koran. Uit al die over­leveringen blijkt, dat myrrhe steeds iets zeldzaams en kostbaars was wat nooit voor profane doeleinden werd gebruikt. Het rookoffer met myrrhe was even gebruikelijk als dat met wierook. Men maakte genezende zalven en pleisters met myrrhe. Ook bij de vervaardiging van zalfoliën en kosmetische preparaten werd zij gebruikt.

Wat is dat voor een geheimzinnige substantie, die zo hoog in aanzien stond dat zij naast goud en wierook tot de offerrande van de priesterkoningen in Bethlehem behoorde en toch tegenwoor­dig bijna is vergeten?

In de droge, hete kustgebieden aan weerszijden van de zuidelijke Rode Zee groeien de myrrhe voort­brengende planten, op karige bodem verspreid, op matige hoogte. Het zijn maar een paar meter hoge, met sterke dorens bezette struiken of kleine bomen. Deze hebben krachtige, korte gekrom­de takken. Zij vertonen wat kleine, eenvoudige of drietallig gestelde bladeren en hebben slechts onaanzienlijke bloempjes. Uit de gladde, dunne bast van de takken druipt vanzelf of na een inker­ving een stroperig sap, dat in de open lucht hard wordt. Sinds onheugelijke tijden wordt dit met grote moeite geoogst. Het is duidelijk, dat het steeds maar om kleine hoeveelheden ging. De myrrhe als handelswaar werd vroeger door karavanen over lange trajecten getransporteerd. Myrrhe bestaat uit gele tot roodbruine, doorschijnende brokken met een typische geur en bitter-aromatische smaak. Onderzoek toont aan dat de myrrhe een emulsie is, die voor een groot deel uit plantengel (gom) en een klein gedeelte hars bestaat, dat etherische oliën en bitterstoffen bevat. Tengevolge hiervan is myrrhe zowel in water als in alcohol oplosbaar. Daardoor wordt dan wel de bijzondere compositie teniet gedaan.
Het is gebleken, dat de myrrhe een desinfecterende, samentrekkende werking heeft, waarvan in allerlei farmaceutische bereidingen gebruik is gemaakt.

Van de toepassing daarvan in vroegere tijden is alleen nog hier en daar myrrhetinctuur bij de be­handeling van ziekten van het tandvlees en de slijmvliezen in de mond en keel overgebleven. Het vermoeden bestaat, dat de myrrhe op den duur in de vergetelheid raakte omdat ze op een heel bij­zondere manier met de constructie van de mens in vroegere tijden in relatie stond. Want wat is het typische van de werking van de myrrhe? Die is consoliderend duurzaam en aards makend, conserverend van aard.

Myrrhepoeder was in het oude Egypte een belangrijke substantie voor het balsemen van de gestor­venen. Dat heeft de moderne mens niet meer nodig; hij is meer dan genoeg een aards wezen geworden. Alleen waar ontstekingen de tendens tot oplossing te sterk laten worden, zijn ook nu nog werkingen, zoals hierboven beschreven, op hun plaats.

De myrrhe, die in de Kerstgeschiedenis een rol speelt, herinnert ons eraan, dat de mens liefdevol kan ingaan op de taak van zijn aardse bestaan, maar daarbij niet zijn geestelijke oorsprong moet vergeten om daardoor aan het materialisme ten prooi te vallen.

(Dr Rainer Muller, bioloog, Weledaberichten nr. 149, dec. 1989)

*Mirre staat hier nog in de oude, niet meer gangbare spelling.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Alle artikelen

.

Inleiding

Algemene aanwijzingen
over de spelen; uit Steiner ‘dramatische cursus’; uit Müller “Spuren auf dem Weg”; over het ‘dialect’, muziek, op het toneel: links/rechts; voor/achter; achtergrond van bepaalde scènes uit alle 3 de spelen

Algemene aanwijzingen
waarschijnlijk Willem Veltman over: mysteriespel; plaats boom; bank schriftgeleerden; plaats Eva in de company; dramatische gebaren en bijbehorende spraak; episch, lyrisch, dramatisch; voorbeelden bij figuren uit de 3 spelen

 

Aanwijzingen voor het paradijsspel 
regie-aanwijzingen hele spel

zie ook ‘algemene aanwijzingen’

[2] scène Eva en appel
Th.Onnes van Nyenrode-Smits over: oorspronkelijke regie-aanwijzingen van Steiner; kleine verschillen door de vertaling van S.Bruinier

Aanwijzingen voor het herdersspel
regie-aanwijzingen hele spel:
Veel regieaanwijzingen van Willem Veltman m.n. voor Maria en Jozef en de 3 herders. ‘hun’ driehoek, de geschenken

zie ook ‘algemene aanwijzingen’

Chrispijn

Baas Titus – vrouw Titia; over de ‘waarden’.
Carel Eckhart over: waarom kan de ‘3e’ waard ook een vrouw zijn; de waarden;
Michiel ter Horst over hetzelfde


Op welk ogenblik vindt de verkondiging plaats?
L.Gerretsen en E.Knottenbelt over: wanneer de verkondiging van de engel aan Maria in het herdersspel plaatsvindt; over afwijkende opvattingen.
Een opmerking over de zgn. ‘oude muziek’.

Aanwijzingen voor het driekoningenspel

zie ook ‘algemene aanwijzingen’
regie-aanwijzingen hele spel

Literatuurlijst

Achtergronden
Paradijsspel, kerstspel, driekoningenspel; het getal 3 en 4

Paradijsspel: een pleidooi voor de liefde?

Het Paradijsspel: een spiegel van de mens

Achtergronden
Een korte karakteristiek van veel rollen

Kerstspelen en kerstmis
Ontstaan van lekespelen en van het spel uit Oberufer

De kerstspelen (1)
Korte achtergrondenschets

De kerstspelen (2)
Korte achtergrondschets

De kerstspelen (3)
Korte achtergrondenschets

De kerstspelen (4)
Korte achtergrondschets

Drie koningen
Wie zijn ze. Hun geschenken.
Over gatter, kompas en heemlen gloria

Herders en koningen
Tegenstellingen – overeenkomsten; hun geschenken; de koningen in het sprookje van Goethe

Leopold van der Pals
C.Rens-Portielje over Van der Pals die de muziek schreef bij de kerstspelen.
Van der Pals zelf aan het woord.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (10)

Goud

Als laatste in de rij metalen die Weleda om hun bijzondere kwaliteiten in haar medicijnen verwerkt, komt goud aan de orde. Goud is vooraf een metaal met grote tegenstellingen. De vorige metalen kun je rangschikken in paren die telkens twee tegengestelde principes vertegenwoordigen.
Heeft lood met de dood en veroudering te maken, zo is zilver met leven en opbouw verbonden. Op dezelfde wijze kun je fenomenen vinden voor de tegenstelling tussen ijzer en koper en tussen kwik en tin.
Goud heeft in die zin geen ander metaal tegenover zich, maar draagt louter tegenstellingen in zichzelf.

De duidelijkste innerlijke tegenstelling van goud komt tot uitdrukking in de polariteit licht-zwaarte. De lichtkracht toont zich in de stralende glans die van goud uitgaat.
Zo laat het goud van de torenspits van de Walburgiskerk in Zutphen het licht tot kilometers ver in de omtrek schijnen. En bladgoud laat een levendig groen licht door, terwijl in de vensters van de oude kathedralen het rood en het purper te danken is aan de minieme hoeveelheden goud die bij de vervaardiging van het glas zijn opge­nomen.
Tegenover deze lichtkwaliteit staat zwaarte: goud heeft het hoogste soortelijk gewicht van de behandelde metalen. Een goudstaaf is moeilijk te verplaatsen, je neemt hem niet zo maar mee!

Hemel en  aarde
Het gebruik van goud in de loop van de geschiedenis laat dezelfde tegenstelling zien. In de oude culturen had goud een cultisch-religieuze functie. Alleen de vertegenwoordiger van de goden, zoals de farao of de opperpriester, mocht zich met goud tooien. Goud was een teken van de werkzaamheid van de hemelse wereld van de goden. De beeltenis van goden werd dan ook op goud gedrukt. Bij het toenemen van de persoonlijk­heidscultuur vervingen koningen de goden als afbeelding op de munten, die tevens betaalmiddel werden.
Tegen­woordig is het bezit van goud een teken van aardse macht.

Goud overtreft niet alleen in zwaarte de andere metalen. Het is ook het edelste metaal in de zin dat het niet roest (dat wil zeggen: wordt aangetast door
zuur­stof). Verder gaat het ook met bijna geen enkele andere aardse stof een che­mische verbinding aan. Het is smeed­baarder dan zilver, erg plooibaar en kan tot één duizendste milimeter worden geplet, zonder dat het uit elkaar valt! 1 gram puur goud kan tot een ononder­broken draad van 2 kilometer lengte worden getrokken. De kracht van het goud uit zich dus enerzijds in het bij elkaar blijven en anderzijds in het zich ver kunnen uitbreiden.

Hart
In het menselijke organisme vervult het hart een middelpuntfunctie. Het bloed uit het hele lichaam stroomt daar samen en vindt vervolgens via het bloedvatsysteem de weg weer terug naar de wijdste periferie. In het hart is de mens het meest bij zich zelf. Hij wijst op het hart als hij ik zegt. Moed, oftewel de kracht om overeind te blij­ven als de hele wereld je dreigt te over­weldigen, heeft zijn fysiologische basis in het hart. Je ervaart jezelf dan hele­maal in je middelpunt. Een andere kwa­liteit is empathie: het vermogen om helemaal op te gaan in de ander en toch niet jezelf te verliezen. Ook dat is een
hartenkracht.
Goud als geneesmiddel kan deze har­tenkrachten ondersteunen als ze op de proef worden gesteld. Het gepotentieerde goud biedt daarnaast ook steun
wan­neer het hart meer lichamelijke proble­men heeft; dus bij een te sterke samen­trekking (kramp), die zelfs tot een infarct kan voeren of een te ver gaande ontspanning die tot een te geringe wer­king van het hart leidt. Goud brengt de tegenstellingen in een harmonische wisselwerking. Daarom kan het, in verschillende potenties, aan de twee poorten van het leven werk­zaam zijn. Bij de geboorte (bij drei­gende abortus: goud in lage poten­tie) en bij het sterven: als de ziel moeite heeft het lichaam te laten kan goud in hoge poten­tie dit proces harmonise­ren.
In een mens kunnen op grond van zijn constitutie depressieve, zwaarmoedige perioden zich afwisselen met opgewon­den perioden en overmoedige fasen. Ook bij deze polaire toestanden kan goud har­moniserend werken.

Innerlijk goud
In het hart zijn samentrekken en uitbrei­den als tegengestelde bewegingen in de tijd met elkaar verbonden. De ene beweging maakt de andere mogelijk.
Op een soortgelijke manier kan de mens tegengestelde activiteiten harmo­nisch samenbrengen. Hij doet dan het­zelfde als wat goud en het hart doen. Hij maakt als het ware ‘innerlijk goud’.
In de Middeleeuwen zei men: ora et labora (bid en werk). Dat hield in: afwisselend binnen en buiten actief zijn, hemel en aarde beide aan bod laten komen en tegelijkertijd harmo­nisch met elkaar verbinden.
Elke tijd heeft voor dit ‘goud-gebaar’ zijn eigen woorden en werkwijzen.

In onze tijd wisselen studie en het in de praktijk staan elkaar af. Waarneming en gedachte (over het waargenomene) hebben elkaar nodig om beide
vrucht­baar te blijven. Het alleen en op jezelf zijn wordt gevolgd door het weer deel van de gemeenschap zijn. Hoe meer je op deze wijze tegen­stellingen op een harmonische wijze kunt verbinden, hoe meer je innerlijk goud maakt, en hoe minder je het goud als medicijn nodig zult hebben.

(Joop van Dam, arts. Weledaberichten 178, najaar 1998)

illustratie bij het artikel:

goud 1

Goud (Aurum)

is met zijn stralende kleur, zijn immuniteit tegenover alle uiterlijke invloeden en door zijn wonderbaarlijke glans het edelste metaal.
Reeds in de oudste tijden kenden de mensen het goud. Het was voor hen materie geworden zonneglans van het goddelijke op aarde. Men ging er met diepe eerbied mee om. In de loop der tijden kwam er echter een verandering. Eens een cultisch element werd het een machtssymbool. De mens streefde ernaar – dikwijls in een soort van bezetenheid – dit edele metaal te bezitten.

Omdat goud in de aarde bijna alleen maar gedegen voorkomt, zeer zwaar is en niet verweert, kan men in rivierbeddingen, die door gesteente stromen waarin goud voorkomt dikwijls kleine goud­korrels vinden. In Europa werd sinds oudsher goud uit de Rijn en de Rhone gewassen. In mijnen gedolven goud wordt ‘ ‘mijngoud’ ‘genoemd.

Bekende vindplaatsen waren de Hohe Tauern (Oostenrijk, oostelijke Alpen). In de Middeleeuwen waren ook veel plaatsen in Silezië, zoals Goldberg, Löwenberg en Reichenstein van betekenis. In het midden van de vorige eeuw werden de grote goudvelden in Californië en Australië en onge­veer 100 jaar geleden het grootste exploratiegebied, Witwatersrand in Zuid-Afrika ontdekt. Goed gevormde kristallen – kleine octaëders – zijn bij goud hoogst zeldzaam. Meestal zijn de vlakken gekromd en de vormen veranderd. Net zoals bij koper en zilver bestaan er ook fijne boom-en veerachtige vormen, die bijna organisch lijken.

De meest bekende stukken zijn de onregelmatige, ten dele met gaten voorkomende brokken, de zogenaamde nuggets, die soms meer dan 100 kg zwaar zijn.

Goud wordt in gepotentieerde vorm in de antroposofische geneeskunst toegepast. Het stimu­leert de hartfunctie en bemiddelt tussen opbouwende processen en afbrekende zenuw-zintuigprocessen.

Het activeert de ziel en brengt de zielsprocessen in evenwicht. Door zijn evenwicht-scheppende functie is het goud ook de drager van de ik-organisatie in de mens.
Twee uitspraken van Paracelsus, de grote arts en genezer, kunnen het wezen van het goud verduidelijken: “Het goud heeft de natuur van het vuur. Het draagt de zonne-energie, spoort de levensgeest aan, versterkt hart en bloed, bevordert de groei en schenkt lichamelijke kracht. Goud draagt ook de warmte die alles laat rijpen.”

“Het hart is de zon van de microkosmos, een vrucht van het goud, waardoor het wordt gevoed. Net zoals de zon invloed heeft op de aarde, zo werkt het hart op het lichaam.”

goud 2

(Eckehard Wagner, Weledaberichten 143, dec. 1987)

Goud (lat. aurum)

komt in de natuur bijna uitsluitend gedegen voor. Het edele karakter ervan verdraagt ook slechts het edele als partner. Het bevat dikwijls ook wat zilver, dat dezelfde kristalvorm heeft. Heel fijn verdeeld is het in kwarts te vinden, ook in arsenkies en in enkele andere zwavelertsen.
Door zijn hoge soortelijk gewicht en zijn chemische onaantastbaarheid kan het bij de erosie van goudhoudend gesteente in rivieren als wasgoud voorkomen. Berggoud wordt het edele metaal genoemd dat gedolven wordt in de mijnen. In de Oudheid, toen nog een groot kosmisch verband beleefd kon worden, zag men in het wonderbaarlijke, altijd zuivere en glanzende metaal het aardse beeld van de zonnekrachten. Men beleefde het ook als gestold licht en gaf het een plaats in de mysteriën en de cultus, waar de mens zich eerbiedig naar de goddelijke wereld richtte.
In de loop van de ontwikkeling degradeerden de mensen het goud tot een symbool van rijkdom en aardse macht.
Zelden vindt men duidelijk gevormde kristallen. De octaëder-, kubus- of dodecaëdervormen zijn meestal ietwat veranderd en hebben afgeronde zijden. Maar juist deze kristalvormige verschijningen, waarin het vormgevende element zwakker wordt, kunnen de ware aard van het goud duidelijker openbaren.
In de therapie wordt het goud in gepotentieerde vorm voornamelijk als geneesmiddel voor het hart toegepast.

goud 3

(Weledaberichten 122, dec. 1980)

Zie voor ‘goud’ (en andere metalen) het boek ‘Levende metalen’ van L.F.C. Mees, hier te downloaden.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Oudjaar

Hoewel ‘oudjaar’ geen jaarfeest is dat op de vrijescholen wordt gevierd, horen onderstaande activiteiten voor sommige gezinnen en in sommige streken van het land tot de activiteiten in de gang van het jaar.

Toekomstkijken

Loodgieten op oudejaarsavond

Oudejaarsmiddag zet in met één grote bedrijvigheid: de laatste ingrediënten voor de maaltijden worden, in karton­nen en manden, binnengehaald – mor­gen is immers ‘zondag’ – de lucht van  oliebollen en kaarsen hangt in het huis, gemengd met dennengeur. Blokken voor het haardvuur worden aange­sleept en opgestapeld, een zakje
antracietnootjes ernaast, de grote grijze zinken teil uit de schuur gewrikt, een stevige soeplepel (aluminium) bij de haard gelegd, lood-brokken pakklaar. We gaan toch lood gieten? Een oud stuk kleed voor de haard zal geen overbodige voorzorgsmaatregel blij­ken.
In afwachting van de gasten wordt de haard al aangestoken, als het zover is, zal een laag rood-smeulend vuur nodig zijn. Uit de andere kamers worden half opgebrande kaarsen in veelvormige kandelaars aangedragen en evenals de kerstboom, van nieuwe kaarsen voorzien. Na een ‘makkelijke’ maaltijd wordt in de keuken de laatste hand gelegd aan allerlei lekkers voor het middernachtelijk souper, ’t Huis vibreert van activiteit! Als de gasten met spannende pakjes ter opluistering van deze avond gearriveerd zijn, wordt een ‘heiligen’ legende of iets anders, ons dierbaar, voorgelezen bij het licht van de kerstboom.

We duimen dat bel en telefoon dit rus­tige uur niet zullen verstoren. Het doet goed samen stil te luisteren, de kring van gasten en familieleden gade te slaan bij het kaarslicht, de beelden uit het verhaal voor je te zien. Napra­ten over het voorgelezene komt aan de orde, de kinderen popelen om hun ge­luk te gaan beproeven met het lood gieten.
Wie mag het eerst? We tellen af en de uitverkorene mag de soeplepel, waar hij een loodbrok in legt, boven het vuur houden. Tal van goede raad begeleidt deze eersteling: ‘Kijk uit, ’t is levensgevaarlijk als je morst, pak die handschoen, ezel, je brandt zo je vingers. Is er genoeg water in de teil en de weg tussen haard en teil niet ver­sperd door op de grond staande kopjes en glazen, kandelaars die haast omval­len, ledematen van gezinsleden, die juist een goed plekje vlakbij de teil kozen om alles van de eerste rang af te volgen? Niet zo lang in ’t vuur, de le­pel smelt straks nog!’ Snel smelt het lood, een zware brij ligt in de lepel. Nu flink en doortastend naar de teil lopen – goed kijken – mikken – gooien -sschwt – ’t is gebeurd. Wat zal het zijn? Onmiddellijk stolt het lood in het koude water en de eerste gooier vist voorzichtig met z’n hand zijn creatie uit het water. Ooo’s en aaa’s vullen de ruimte, ’t lijkt wel een boot – ach wel nee, beneden lijkt het op een kip. Net iets voor jou, een soort vliegtuig! Snelheid en richting gaven vorm aan het gesmolten lood, in één handomdraai werd een persoonlijk karakter aan de egale vloeistof gegeven. – Nu de bijbel – waar ligt ie nou? De ‘gieter’ krijgt de grote statenbijbel in de hand, wordt geblinddoekt en slaat dan de bijbel open. Met een potlood zonder punt, zo makkelijk te vinden in een groot gezin, wordt een regel aangewezen in de tekst. Soms ver­dwaalt een hand zó erg dat bijsturen geboden wordt. Blinddoek af en nu hardop lezen!

De ouderen van ’t gezelschap moeten soms helpen om de tekst voor te lezen en de netelige situatie’s, die het Oude Testament beschrijft, wat te omzeilen. ‘Dat slaat op jou – ‘k snap er niks van -goed onthouden hoor!’ Dan is de vol­gende al aan de beurt. Met verhitte ge­zichten, waar spanning op te lezen staat, geven de gieters de lepel aan de volgende ‘afgetelde’ speler door tot iedereen aan de beurt is geweest. Na verloop van tijd staat van allen een kunstwerk op de schoorsteenmantel. Ja, ze zijn echt allemaal anders, dat is zeker. Er zijn een paar favoriete scheppingen die duidelijk de vorm hebben van boot, hoofd, vleugel, bloemkool. ‘Jij wou toch zo graag varen. Jij houdt toch zo van lekker eten!’ Het vuur hoeft niet meer aange­wakkerd te worden, de stemming is warm genoeg. De schade van ’t lood gieten valt mee – wat kaarsvet op tafel, ja, kijk uit, ook op de grond, wat meer schroeiplekken op ’t oude kleed voor de haard, een enkeling die aan z’n hand likt (‘toch niet echt verbrand, hé?’).

“k Hoor al knallen, laten we de ramen open zetten, straks gaan de klokken luiden’. Vuurpijlen trekken een spoor naar de ‘hemel, lichtballen spatten boven de huizen uiteen – de torenklok­ken luiden – goede wensen – omhel­zingen – dan horen we, zo echt Rotter­dams, de boten in de havens met hun gefluit het nieuwe jaar welkom heten. Veel later vertrekken de gasten met hun loodprodukt en wij kijken nog even naar onze eigen maaksels – dan slapen en dromen op deze
nieuw­jaarsmorgen.

Terugkijkend op zo’n viering, nu vele jaren geleden, vraag ik me af, of we zwaar tilden aan onze loodgietsels met bijbehorende bijbeltekst – ik dacht ’t niet, ’t was een heerlijk gedoe, vol spanning en plagerijen. Wel komen associatie’s met lood – lekkende goten door de loodgieter bijgelapt met lood, de oude loden buizen in onze keuken die tenslotte toch vervangen werden door buizen van plastic – bij mij boven. In de Winkler Prins staat te lezen dat de loden buizen door de Romeinen aangelegd, de eeuwen trotseerden. Oude houten kisten voor theeverpak­king gevoerd met dun-loden-voering om de smaak te garanderen. Een lood­lijn construeren – zekerheid gevend voor de verdere tekening. Uit ’t lood geslagen – dan slinger je maar heen en weer. Steeds duidt lood op het behou­dende, wars van elke verandering. Lood voor kogels, (stukjes hagel op je bord uit een stuk haas, patrijs enz.) met als doel ’t bewegende doelwit voor altijd te verstijven. Ook lood in de ‘haute couture’, in dunne schijfjes ge­naaid in plooien van de zijde of het fluweel om de diepte van een décol­leté te garanderen, dan wel als kleine kralen in de zoom van een wijde rok genaaid om bij het walsen de rokken wel te laten zwieren maar té speelse vlucht van de meters stof in te tomen.

Lood in ’t taalgebruik – een loodzware slaap, de eigenlijke verkwikking
ont­breekt – met lood in de schoenen er­gens heengaan – de fantasie, de leuke invallen zijn spoorloos. Van een lood­zware maaltijd heb je zelfs ’s nachts nog last.

Als in de natuur de onweerswolken zich opstapelen en een loodgroen-grijze kleur de hemel voor ons oog af­sluit, dan is zwaar weer op komst. Onheilspellend – de vogels, zoeken dekking in en onder de struiken, tot de loodgrijze wolken zich ontladen in een wolkbreuk.

Willen we bij het oudejaars-loodgieten niet een geheim ontfutselen aan dat lood, dat zelf zo iets behoudend, ja onontkoombaar vaststaands heeft? Willen we niet een stukje zelf – zeggingsschap hebben in onze eigen toe­komst, een ‘eigen hand’ in het lot? We nemen de kans waar, we gooien het door toevoeging van hitte gesmolten lood, richting en vaart met eigen hand bepalend, in ’t water en weten met het weer gestolde resultaat weinig te
be­ginnen. Vervangt de bijbeltekst wel­licht de verklaring van de oude zieners die onze gietsels konden duiden en een sluier konden oplichten voor onze lotgevallen in het nieuwe jaar?

(Wendela van Mansvelt, Jonas 8/9, 15-12-1978)

loodgieten

Nodig:
tweedehands lood
een grote pan of emmer
een stevig oud pannetje of pollepel

Werkwijze:
smelt een stukje lood in het pannetje of de pollepel – het zal niet lang duren voor het vloeibaar is.
Daarna ieder op zijn beurt wat lood in de emmer met water gieten.
In het water zullen dan vormen ontstaan die je fantasie  aan het werk kunnen zetten: ze doen je ergens aan denken, wijzen op iets wat in de toekomst verborgen ligt.

heksverbranding

is zeker zo spectaculair als vuurwerk

maak een heks – zoals je een vogelverschrikker maakt:
oude kleren gevuld met stro.
Deze heks krijgt een schort voor en in haar schortenzakken stopt ieder die aanwezig is een briefje – anoniem – met zijn of haar slechte eigenschappen.

Om 24.oo u wordt de heks verbrand en de slechte eigenschappen verbranden mee!

(bron onbekend)

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (9)

Driekoningen

Achtergronden

Drie Koningen worden de wijzen (of magiërs) uit het Oosten genoemd, die volgens het verhaal van Mattheüs 2:1-12 een ster volgden tot in Betlehem, om Jezus te begroeten als de pasgeboren koning der joden en hem hun geschenken, goud, wierook en mirre, aan te bieden.

Op grond van het feit dat er sprake is van drie gaven, concludeerde men dat er drie koningen zouden zijn geweest. Sedert de 9de eeuw vindt men hun namen vermeld: Kaspar, Melchior en Balthasar. Volgens middeleeuwse commentaren vertegenwoordigen zij de drie bijbelse mensenrassen der Semieten, Chamieten en Jafetieten en een van hen (Kaspar) wordt door middeleeuwse kunstenaars als neger afgebeeld. Volgens een legende uit de 12de eeuw zouden hun relieken door de Heilige Helena naar Constantinopel zijn overgebracht en na diverse omzwervingen in Milaan terecht zijn gekomen. In 1164 vond een plechtige overbrenging (translatio) plaats naar de Dom van Keulen (Driekoningenschrijn). Het Drie Koningenfeest wordt gevierd op 6 januari (Epifanie) als onderdeel van het feest van de Verschijning des Heren. In de volksmond wordt het feest Dertiendag (dertien dagen na Kerstmis) genoemd. De Germanen waren bevreesd voor de dertien nachten tussen Kerstmis en Drie Koningen omdat dan geesten zouden rondwaren. Vandaar het gebruik van het slaan met zwepen om de geesten te verdrijven en vruchtbaarheid op te wekken, waaraan het lopen met fakkels en lantaarns herinnert, waarbij de kinderen ter herinnering aan de Drie Koningen papieren kronen opzetten en een verlichte ster aan een stok dragen en een sterrelied zingen.

In het zuiden bestaat nog de gewoonte het Driekoningenbrood of de bonenkoek te eten. Wie de boon aantreft is die dag koning.
In Italië wordt Drie Koningen gevierd als ons Sinterklaasfeest.
Drie Koningen en de Vrije School
Met het feest van Drie Koningen is aan de meest intensieve tijd van feesten in de jaarkring een einde gekomen.
We maken ons evenals de natuur op voor een nieuwe ordening. De geboorte van het Christuskind geeft de aanzet daartoe. De invulling ervan is aan onszelf voorbehouden.

Het zijn de herders die de herder eren in het kind. Het zijn de koningen die de koning eren in hetzelfde kind. Het goud symboliseert de koninklijke macht, de wierook de vluchtigheid van de wereldse macht en de mirre, de balsem die bij begrafenisrituelen wordt gebruikt, staat voor het sterfelijk zijn. Immers God neemt de gedaante aan van de sterfelijke mens. In een andere gedachtengang kunnen we de mirre zien als symbool van het terugdringen van het zintuigelijke leven, de wierook als het scheppen van innerlijke ruimte voor het zich ontwikkelende zieleleven en het goud als symbool van de innerlijke liefde.

Een verhaal
De kinderen kennen ongetwijfeld het verhaal van de drie wijzen, de koningen uit het oosten, die de ster volgen naar Bethlehem en uiteindelijk de kribbe aantreffen met daarin het kind Jezus.

We zouden u willen voorstellen als aanvulling hierop het verhaal ‘De vierde wijze uit het Oosten’ voor te lezen. In boekvorm wordt het uitgegeven door East-West Publications in Den Haag. Eerder verschenen bij Holkema en Warendorf in 1905 en oorspronkelijk uitgegeven door Harper & Bros in 1895 onder de titel The story of the other wise man1.

DE VIERDE WIJZE UIT HET OOSTEN
Dit bekende en geliefde verhaal vertelt van de zoektocht van de Zoroastrische hogepriester Artaban, die het teken aan de hemel heeft gezien dat er in het land van Judea een koning geboren zal worden, die een groot licht zal brengen voor de zoekende wereld. Hoewel hij behoort tot de Zoroastrische religie, beseft hij de grote betekenis van dit teken aan de hemel. Daar geen van zijn vrienden hem durft te vergezellen, besluit hij alleen te gaan naar dat verre land, dat onder Romeinse overheersing zucht, om er de koning, die geboren zal worden, zijn eer te bewijzen. Wel hoopt hij zich onderweg te kunnen voegen bij de wijze magiërs Kaspar, Melchior en Balthazar, die de reis eveneens maken, maar dat zal helaas niet lukken.

Hij verkoopt zijn bezittingen en koopt er drie kostbare juwelen voor om aan de jonge koning te schenken. Zo gaat hij op reis. Hoe zal hij op de proef gesteld worden en hoe zal hij uiteindelijk, aan het eind van zijn krachten en op onverwachte wijze, toch de koning vinden en het Licht ontvangen, waarnaar hij zijn hele leven heeft gezocht.

Daarover vertelt dit prachtige verhaal, dat terecht in de Engelstalige wereld reeds sedert vele tientallen jaren een van de meest geliefde kerstverhalen is.

Hij verkoopt zijn bezittingen en koopt er drie kostbare juwelen voor om aan de jonge koning te schenken. Zo gaat hij op reis. Hoe zal hij op de proef gesteld worden en hoe zal hij uiteindelijk, aan het eind van zijn krachten en op onverwachte wijze, toch de koning vinden en het Licht ontvangen, waarnaar hij zijn hele leven heeft gezocht.

(bron onbekend)

Daarover vertelt dit prachtige verhaal, dat terecht in de Engelstalige wereld reeds sedert vele tientallen jaren een van de meest geliefde kerstverhalen is.