Tagarchief: Giotto

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie (18-4)

.

Het geheugen van de mens is nog altijd een moeilijk te doorgronden fenomeen.
Onthouden, vergeten – soms net niet helemaal: ‘het (woord, de naam) ligt me op de lippen’; ‘ik kan er (even) niet (meer) opkomen’ en andere uitdrukkingen; het drie- vierjarige kind dat vrijwel altijd van oma of opa wint met ‘memory’; de dementerende die niet weet dat hij dezelfde vraag twee minuten geleden ook stelde: we weten nog altijd niet hoe dat precies komt, m.a.w. wat geheugen, zich herinneren enz. is, is nog altijd om over na te denken en te onderzoeken. 
Dat is gebeurd en gebeurt nog steeds, dus zijn er ook vele gezichtspunten.
Hoe was het in het verleden?

wandelen door geheugengebouwen

EEUWENLANG ZOCHTEN GELEERDEN NAAR SYSTEMEN OM ALLE KENNIS IN TE PRENTEN

„Thee… boter… hondebrokken…” Veel verder kwam minister Ruding van Financiën niet, toen hij in een televisieprogramma grutterswaren op een lopende band moest onthouden.

Zelfs in een simpel spelletje gaat het hem en veel andere mensen niet gemakkelijk af. Waarom zou je ook dingen moeten onthouden? Zolang je maar weet waar je het moet opzoeken: op een bloknootvelletje, in een boek of in de computer.
Ook op school wordt het niet zo belangrijk gevonden om veel feiten en feitjes te onthouden. Om een leerling die alles in zijn of haar hoofd stampt, wordt meewarig gelachen. Het gaat tegenwoordig immers meer om inzicht dan om feitenkennis?
In onze tijd van kranten, vaktijdschriften, naslagwerken en computers kunnen we ons nauwelijks indenken hoe belangrijk het vroeger was om dingen te kunnen onthouden. Eeuwenlang stond het geheugen hoog aangeschreven. Beter een goed geheugen en een iets minder goed verstand dan een goed verstand en een slecht geheugen, meende de Nederlandse pedagoog Murmellius bijna vijf eeuwen geleden. Over de tijd waarin het onthouden van dingen nog wel hoog werd geschat, ja zelfs tot een kunst was verheven, en hoe de geheugentechniek een eigen plaats kreeg in de Europese traditie, schreef de Britse geschiedkundige Frances A. Yates The Art of Memory. Deze in 1966 verschenen ‘klassieker’ is nu* in Nederlandse vertaling uitgebracht, onder de titel De geheugenkunst.

In Victor Hugo’s Notre Dame de Paris staart een geleerde in zijn studeerkamer naar het eerste gedrukte boek dat zijn collectie manuscripten is komen verstoren. Hij opent het raam en kijkt naar de enorme kathedraal, die zich aftekent tegen de sterrenhemel. „Ceci tuera cela”, zegt hij. Het gedrukte boek zal het gebouw vernietigen.

Hugo’s verhaal illustreert de gevolgen van de boekdrukkunst voor de religie en de macht van de kerkelijke elite. Maar het verhaal is ook op te vatten als parabel voor het effect van de verspreiding van het gedrukte woord op de onzichtbare geheugenkathedralen van het verleden.
In oude tijden was men vooral op het geheugen aangewezen. Manuscripten waren schaars, en veel mensen konden lezen noch schrijven. Iets in het geheugen prenten gebeurde dan ook letterlijk. En deze methodebeelden voor dingen gebruiken, als een soort innerlijk schrift- werd tot geheugenkunst verheven.

De Griek Simonides van Keos (omtrent 556-468 voor Christus) gaat door voor de uitvinder van de geheugenkunst. Over hem vertelt Cicero in De Oratore (Over de redenaar) een levendig verhaal. Tijdens een feestmaal dat de edelman Scopas uit Thessalië gaf, droeg Simonides op bestelling een lyrisch gedicht voor ter ere van de gastheer. Het gedicht bevatte echter ook een passage waarin hij de goden Castor en Pollux prees. Nogal onbehouwen deelde Scopas de dichter mee, dat hij slechts de helft van de afgesproken gage zou ontvangen, en dat hij de rest maar van de twee goden moest zien te krijgen.
Even later kreeg Simonides de boodschap dat twee mannen hem buiten wilden spreken. Hij stond van tafel op, ging naar buiten, maar zag niemand. Achter hem stortte het dak van de feestzaal in, waarbij Scopas en alle gasten verpletterd werden onder de puinhopen.
Hun lijken waren zo verminkt, dat hun familieleden hen niet konden identificeren. Maar Simonides wist nog precies op welke plaatsen ze aan tafel hadden gezeten, zodat hij de familieleden kon aanwijzen wie hun doden waren. Deze gebeurtenis deed de dichter de principes van de geheugenkunst aan de hand. Hij realiseerde zich dat een ordelijke rangschikking van wezenlijk belang is om iets goed te onthouden.

Redenaars
De Romeinen, aan wie de kunst werd doorgegeven, bedachten regels om het geheugen beter te laten werken. Met name voor redenaars was dit heel belangrijk. Het geheugen was een centraal onderdeel van de welsprekendheidsleer of retorica.
Quintilianus beschrijft de techniek als volgt: om een reeks plaatsen in het geheugen te formeren, moeten we ons een gebouw in gedachten nemen, met een voorhof, een huiskamer, slaapkamers en zitkamers, en niet te vergeten standbeelden en andere ornamenten waarmee de kamers zijn gedecoreerd. De beelden waarmee de redevoering moet worden onthouden, zetten we vervolgens in onze verbeelding op de plaatsen die we ons in het gebouw in het geheugen hebben geprent. Zodra we ons de feiten weer voor de geest willen roepen, bezoeken we al deze plaatsen om beurten.
We moeten de klassieke redenaar voorstellen als iemand die in zijn verbeelding door zijn geheugengebouw loopt terwijl hij zijn redevoering houdt, en van de in zijn geheugen geprente plaatsen de beelden wegneemt die hij daar heeft neergezet. Zo onthoudt hij de verschillende punten van zijn betoog in de juiste volgorde.
Deze innerlijke gymnastiek leidde tot opmerkelijke geheugenprestaties. De vader van Seneca, een leraar in de retorica, wist tweeduizend namen te herhalen in dezelfde volgorde als waarin ze waren gegeven. De kerkvader Augustinus, eveneens opgeleid tot leraar retorica, vertelt over een vriend die Simplicius heette, en Vergilius achterstevoren kon opzeggen. Hoe zinloos we zulke prestaties ook vinden, ze laten wel zien dat iemand met een geoefend geheugen destijds in hoog aanzien stond.
In de klassieke oudheid zag men een geoefend geheugen niet louter als iets praktisch; men kende er een bijna goddelijke betekenis aan toe. De Griekse wijsgeer Plato zag de volmaakte redenaar als iemand die de waarheid en de aard van de ziel kent, en die daardoor in staat is de mensen van de waarheid te overtuigen. Volgens Cicero was het geheugen een onderdeel van de wijsheid. Augustinus beschouwde het geheugen als een van de drie vermogens van de ziel. De kennis van het goddelijke zou de mens in het geheugen aangeboren zijn.
Een sterk religieus stempel kreeg de geheugenkunst in de middeleeuwen, vooral onder invloed van de scholastici; Thomas van Aquino voorop. De kennis nam enorm toe, en men ging op zoek naar beelden om de nieuw verworven kennis te kunnen onthouden.
Wat wilde men in de vrome middeleeuwen vooral onthouden? Dingen die met verlossing of verdoemenis te maken hadden, de geloofsartikelen, de deugdzame paden naar de hemel en de paden via de ondeugden naar de heL De middeleeuwer die goed wilde leven, moest meer in het geheugen prenten dan vroeger het geval was geweest, toen alles zoveel eenvoudiger had geleken.
Zo ontstond een uitgebreid systeem van deugden en ondeugden, dat werd verbeeld en verwoord door grote kunstenaars als Dante, Giotto en Petrarca. Talloze afbeeldingen verschenen, van Wellust en Kuisheid. Matigheid en Vraatzucht, Grootmoedigheid en Gierigheid.
Yates beschouwt zelfs Dante’s Inferno als een geheugensysteem om de hel en haar straffen te onthouden. Kan het geheugen een verklaring zijn voor de middeleeuwse liefde voor het groteske, het eigenzinnige, vraagt zij zich af.

Spinnewebben
Je zou verwachten dat de tot grote bloei gekomen geheugenkunst haar einde beleefde toen de boekdrukkunst de verspreiding van teksten op grote schaal mogelijk maakte. Victor Hugo’s parabel van de Parijzer kardinaal wijst in die richting.
In elk geval rekende Erasmus de geheugenkunst tot de barbaarse middeleeuwen. Haar gedateerde methoden vergeleek hij met spinnewebben in monnikenhoofden, die nodig door nieuwe bezems moesten worden vervangen. In werkelijkheid stierf de geheugenkunst in de renaissancetijd niet uit, maar ging ze een nieuwe, zij het nogal duistere levensfase in. De renaissance was namelijk niet louter redelijk en proefondervindelijk ingesteld, zoals we wel eens denken. Daarnaast ontstond een occulte, mystieke stroming. Haar beoefenaren gingen op zoek naar een geheugen waarin de wereldharmonie zich weerspiegelde; een systeem dat de mens in staat stelde alle bestaande kennis binnen handbereik te hebben. Een soort universele geheugenmachine.

Giulio Camillo kreeg in het zestiende eeuwse Italië en Frankrijk grote faam met een houten bouwsel dat een geheugentheater moest voorstellen. Het was volgepropt met beelden en kistjes. Volgens Camillo kon de toeschouwer in een oogopslag zien wat anders verborgen blijft in de diepten van de menselijke geest.
Zijn theater werd nooit voltooid, en van zijn grote levenswerk dat hij had willen schrijven, kwam niets.

Bij de Italiaanse filosoof en ex-monnik Giordano Bruno – kort na de dood van Camillo geboren – nam de geheugenkunst het karakter aan van zwarte magie. Hij was uit op een encyclopedisch geheugensysteem, dat alles zou bevatten wat de mens kan weten.
Dwangmatig zocht hij naar methoden om de kennis van zijn tijd te ordenen. Daarbij ontwierp hij vaak raadselachtige constructies. Maar vanwege dit koortsachtig zoeken naar methoden zijn z’n nauwelijks begrijpelijke systemen niet louter het werk van een gek, aldus Yates’ verdediging van de man die zijn leven na veel Europese omzwervingen in Venetië eindigde op de brandstapel.

Een groot deel van Yates’ boek is aan het werk van Bruno gewijd. In feite is de rest van haar boek een lange aanloop naar Bruno, en na hem een vrij korte afsluiting. Voor de lezer vormen de hoofdstukken over Bruno het meest duistere deel. De schrijfster geeft overigens toe, dat ook zij niet alles van zijn geheugenkunst begrepen heeft. Een schrale troost.

Een eeuw na Bruno was de geheugenkunst nog altijd niet uitgewerkt. Bacon en Leibnitz, voorvechters van de rationalistische wetenschapsbeoefening, werden door de traditie van geheugensystemen beïnvloed. Zo hingen Leibnitz’ wiskundige symbolen, die zouden leiden tot de uitvinding van de integraal- en differentiaalrekening, nauw samen met zijn onderneming voor een encyclopedie, waarin alle aan de mens bekende kunsten en wetenschappen zouden worden samengebracht.
Wanneer hij alle kennis systematisch zou hebben opgeslagen, en hij aan alle begrippen karakters had toegekend, zou dat een soort universele rekenwijze (calculus) voor de oplossing van alle kennisproblemen betekenen, dacht hij. Zelfs religieuze geschillen konden er volgens Leibnitz door worden beslecht. Degenen wie bijvoorbeeld van mening verschilden over de uitleg van het concilie van Trente, hoefden dan niet langer te bekvechten. Ze konden om de tafel gaan zitten en zeggen: laten we het uitrekenen.
Ook deze universele rekenwijze en de alomvattende encyclopedie kwamen nooit van de grond Vroeg of laat eindigden trouwens alle ambitieuze geheugensystemen in mislukkingen.
Hoort hun geschiedenis daarom tot de terecht vergeten en onder het stof geraakte curiosa? Zeker niet, vindt Yates aan het inde van haar ontdekkingstocht.

„De geschiedenis van de organisatie van het geheugen raakt op wezenlijke punten de geschiedenis van de religie en de ethiek, de filosofie en de psychologie, de beeldende kunst en de literatuur, en die van de wetenschappelijke methode”, schrijft zij.

Frances Yates, geboren in 1899, was van 1941 tot haar dood in 1981 verbonden aan de universiteit van Londen, waar zij de geschiedenis van de renaissance onderwees, haar werk getuigt van een welhaast onvoorstelbare belezenheid. Zelf schrijft ze dat ze slechts een klein deel van het door haar verzamelde feitenmateriaal voor het boek heeft kunnen gebruiken. Maar wat voor haar een klein deel is, is voor de lezer toch nog een berg waar nu en dan maar noeilijk overheen te komen is.

De hel als geheugenplaatssysteem.
Uit Cosmas Rosellius, Venetië 1579
.

Yances A. Yates: De Geheugenkunst.    (Amsterdam, Bert Bakker, ƒ 59,50.)
In het Engels

Kees Buijs in De Gelderlander, *23-01-1989
.

Over het geheugen: menskunde en pedagogie nr 18

.

1263

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (5)

.

DE PLANETENSTAND VAN BETHLEHEM

‘Waar is de koning der Joden, die geboren is? Want wij hebben zijn ster in het oosten gezien’

‘Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem in Judea, in de dagen van koning Herodes, zie, wijzen uit het Oosten kwamen te Jeruzalem en vroegen: ‘Waar is de koning der Joden die geboren is? Want wij hebben zijn Ster in het Oosten gezien en wij zijn gekomen om Hem hulde te bewijzen’.
Toen koning Herodes dit hoorde maakte hij zich zorgen en heel Jeruzalem met hem. (-) Toen riep Herodes de wijzen in het geheim en deed bij hen nauwkeurig navraag naar de tijd, dat de Ster geschenen had. En hij liet hen naar Bethlehem gaan (-). Zij hoorden de koning aan en reisden weg en zie, de Ster die zij hadden gezien in het Oosten, ging hun voor, totdat zij kwam en stond boven de plaats, waar het kind was.’

De evangelist Mattheüs is de enige van de vier evangelisten die melding maakt van een ster, die de wijzen uit het Oosten de weg zou hebben gewezen naar de pasgebo­ren ‘koning der Joden’, ofschoon ook andere oude geschriften in dit verband spreken van een heldere ster. Wat was die ster?

We kunnen beweren dat de ster een bo­vennatuurlijk verschijnsel was. Een wonder dus. In dat geval is alle verdere discussie overbodig.

Maar er is alle aanleiding te denken aan een verklaarbaar hemelverschijnsel. De wijzen uit het Oosten waren hoogstwaar­schijnlijk afkomstig uit Babylon. Gezien hun belangstelling voor sterrenkundige ver­schijnselen moeten het welhaast priester-astrologen zijn geweest, geleerde mensen die de hemel nacht na nacht bestudeerden om daarin tekenen te zien die van invloed konden zijn op het bestaan van de mens op aarde. In die tijd waren astronomie (weten­schap) en astrologie (bijgeloof) nog sterk met elkaar verweven.

Mogelijkheden
Er zijn in principe drie serieuze sterrenkundige mogelijkheden:

□   De ster was een ster die plotseling zeer opvallend werd;

□   De ster was een komeet, ook wel ‘staart­ster’ genoemd; en

□   De ster was een uitzonderlijke samenstand van planeten.

Om te kunnen onderzoeken of een van deze verschijnselen zich rond Christus’ ge­boorte heeft voorgedaan, moeten we eerst weten wanneer Christus werd geboren.

De Bijbel geeft daar geen uitsluitsel over. Mattheüs zegt dat Christus werd geboren ten tijde van Herodes’ heerschappij. Maar wanneer precies?

Onze huidige christelijke tijdrekening werd ingevoerd door Dionysius Exiguus, een monnik die in de zesde eeuw in Rome werkte. Tot die tijd werden jaren geteld vanaf 17 september 284 (volgens onze hui­dige kalender), toen Diocletian us door zijn troepen tot keizer van Rome werd uitgeroe­pen.

In 525 brak Dionysius met deze gewoonte toen hij nieuwe paastabellen samenstelde. Hij begon het jaar 1, uitgaande van 25 de­cember- (wat toen al de datum van kerstmis was), zes dagen later: 1 januari van het jaar 1 AD (Anno Domini).

Uit de Bijbel weten wij dat Herodes stierf tussen een maansverduistering en de vol­gende (joodse) Pasen. Het lijkt het meest waarschijnlijk dat het hier gaat om de maansverduistering in de nacht van 9 op 10 januari van het jaar 1. Negentig dagen later vond het joodse Paasfeest in dat jaar plaats.

Supernova
Dit alles betekent dat Christus voor het jaar 1 geboren moet zijn. Het meest waar­schijnlijk lijkt – op basis van de huidige in­formatie – 3 of 2 voor Christus (al klinkt dat wat vreemd in dit verband).

We weten nu dus, dat we goede gronden hebben te zoeken naar bijzondere hemel­verschijnselen die zich voltrokken twee of drie jaar voor het begin van onze jaartel­ling.
Was de Ster van Bethehem een ‘nieuwe’ ster die plotseling opvlamde en zo een op­vallend verschijnsel aan de hemel werd? In dit geval spreken we van een nova of super­nova (latijn: nova is nieuw).

In werkelijkheid gaat het niet om een nieuwe ster, maar juist om een ster die een heel leven van miljoenen of miljarden jaren achter zich heeft en met een reusachtige ex­plosie aan haar einde komt.

Het lijkt onwaarschijnlijk dat de ster een nova geweest is, Er zijn namelijk geen su­pernovae van rond het begin van de jaartelling bekend. Maar er is nog een reden waarom een supernova onwaarschijnlijk is als verklaring voor de Ster van Bethlehem: de ster was niet door Herodes gezien. Het ging dus mogelijk om een verschijnsel dat alleen voor ingewijden duidelijk was.

In 1302 schilderde de Italiaanse kunste­naar Giotto di Bondone een fresco in de Are­nakapel te Padua: de Aanbidding der Wij­zen. Op dat schilderij is de Ster van Bethle­hem te zien als staartster.

Giotto was geïnspireerd door de verschij­ning van de komeet van Halley een jaar eer­der, dezelfde komeet die ons in 1986 met een bezoek vereerde. (De komeet werd overi­gens pas eeuwen later genoemd naar de En­gelse astronoom die ontdekte dat het hier om een periodiek verschijnsel ging).
Kan de Ster van Bethlehem een komeet geweest zijn?
Kometen, brokken van stof en ijs, draaien om de zon – net als de aarde en de andere planeten. Maar een komeet heeft meestal een zeer langgerekte baan die hem tot ver buiten het rijk van de negen planeten voert. De meeste kometen hebben zelfs zulke lange banen dat ze als eenmalig worden be­schouwd.
De komeet van Halley vereert ons elke 76 jaar met een bezoek. Hij wordt dan ook al sinds voor het begin van onze jaartelling gevolgd.

Opgeblazen
Gezien het feit dat kometen ons toch nog altijd op miljoenen kilometers afstand pas­seren, zouden we ze nooit zien, ware het niet dat ze zich geweldig opblazen als ze in de buurt van de zon komen. De komeetkern wordt daar opgewarmd, het ijs verdampt tot gas en de kop omringt zich met een uiterst dunne maar zeer uitgebreide gassluier. Die weerkaatst het licht van de zon en zo kunnen we de komeet zien, terwijl hij zich richting zon spoedt.
Door de druk van deeltjes die van de zon af vliegen (de zogenaamde zonnewind) wordt het gasomhulsel naar achteren uitge­rekt. Daarom is de staart van een komeet altijd van de zon afgericht.

Zijn er kometen zichtbaar geweest rond 2 voor Christus? Daar zijn geen
overtui­gende aanwijzingen voor. De heldere ko­meet van Halley verscheen in augustus van het jaar 12 voor Christus. Maar dat is veel te vroeg om in het kader van dit verhaal van betekenis te kunnen zijn.
En er is nog een belangrijke reden waarom de Ster van Bethlehem zeer
waar­schijnlijk géén komeet is geweest: kometen werden door verschillende culturen altijd gezien als onheilsbrengers. Ze verkondigden de dood van vorsten of de komst van ram­pen, en dus niet de geboorte van koningen.

Samenstand
Blijft over de laatste mogelijkheid: een bijzondere samenstand van (heldere) planeten.
Astrologen in het tweestromenland die beroepshalve de bewegingen van de plane­ten nauwkeurig in de gaten hielden, zou dat zeker zijn opgevallen. Is er derhalve rond het begin van onze jaartelling een samenstand geweest waaraan een bijzondere be­tekenis kon worden gehecht?
Samenstanden treden regelmatig op, maar ze zijn lang niet altijd spectaculair. Ze worden veroorzaakt door het feit dat de planeten om de zon lopen, weliswaar in dezelfde richting, maar met verschillende snelheden.
Omdat ook de aarde zelf om de zon draait, lijken voor ons de bewegingen van de planeten aan de hemel tamelijk grillig. Soms bewegen ze in oostelijke richting om dan plotseling stil te gaan staan en weer naar het westen te bewegen. De situatie is dan te vergelijken met die van raceauto’s op concentrische banen.
Wanneer de aarde (op de binnenbaan) een planeet als Mars of Jupiter (op een bui­tenbaan) passeert, lijkt het alsof Mars en Jupiter niet meer naar voren, maar naar achteren bewegen ten opzichte van de achtergrond (de vaste sterren).

Planetarium
Vroeger, toen men nog dacht dat de aarde het onwrikbare middelpunt van het heelal was, had men geen goede verklaring voor dit merkwaardige gedrag van de pla­neten, hetgeen hun eigengereide ‘goddelij­ke’ karakter alleen maar leek te onderstre­pen.

Was er een bijzondere samenstand van planeten rond Christus’ geboorte? Met be­hulp van de wetten van de hemelmechanica kunnen we terugrekenen naar die tijd. Com­puters doen dat razendsnel. En tegenwoor­dig beschikken we ook nog over een unieke tijdmachine: het planetarium.
In een planetarium (zoals het Zeiss Pla­netarium Artis in Amsterdam) kunnen we niet alleen de sterrenhemel, maar ook de bewegingen van zon, maan en planeten nauwkeurig nabootsen. En dat, in principe, voor elk willekeurig tijdstip.

We kunnen onze ‘tijdmachine’ dus laten terugdraaien naar het jaar 2 voor Christus en dan zien we inderdaad een heel opval­lende samenloop van planeten optreden. In feite gaat het om een reeks samenstanden, zo uniek dat die zich in onze twintigste eeuw niet een keer voordoen.

Koningsplaneet
Wat gebeurde er precies?
Ons verhaal begint op 12 augustus van het jaar 3 voor Christus. Toen kwamen de hel­dere planeten Jupiter en Venus zeer dicht elkaar aan de hemel: op maar eenzevende van de schijnbare middellijn van de maan.
Gezien vanuit Babylon stonden de plane­ten zij aan zij, laag in het oosten, voor zons­opkomst. Zo’n samenstand is zo bijzonder dat de priester-astrologen in Babylon zich ongetwijfeld onmiddellijk gingen afvragen wat dit te betekenen had.

Daar kwam nog bij dat de samenstand plaatsvond in het sterrenbeeld de Leeuw en de leeuw was het symbool van Juda. Jupiter en Venus stonden vlakbij de helderste ster van de Leeuw, Regulus, de Koningsster. En Jupiter werd door de Babyloniërs als de Koningsplaneet beschouwd.  Maar de symboliek werd nog dramatischer, toen Jupiter in de volgende weken richting Regulus ging bewegen: de Konings­planeet naderde de Koningsster. Later passeerde Jupiter Regulus en bewoog lang­zaam verder naar het oosten. Maar toen het winter was geworden leek Jupiter zich te bedenken en begon weer westwaarts te be­wegen richting Regulus. Op 17 februari van het jaar 2 voor Christus vond opnieuw een passage op korte afstand plaats.
De wijzen moeten perplex zijn geweest bij het zien van deze voor hen volslagen on­verklaarde hemelse manoeuvres. Een paar weken later draaide Jupiter opnieuw om.
De wijzen wisten al dat er een derde samenstand op komst was en die gebeurde op 8 mei 2 voor Christus.
Zo’n drievoudige Jupiter-Regulussamenstand is een tamelijk uitzonderlijk iets. In onze tijd vond er een plaats in 1979/80, maar de volgende zullen we pas weer in 2039 kun­nen zien.

Rakelings
Maar het beste moest nog komen. Nadat Jupiter dus al drie keer rakelings langs Regulus was gegaan, kwam in juni Venus ach­ter de zon te voorschijn om langzaam richting Jupiter te gaan bewegen.
De wijzen moeten zich in een sfeer van gespannen verwachting hebben afgevraagd hoe dicht de planeten elkaar zouden naderen.
Ze werden niet teleurgesteld. Op 17 juni kwamen Jupiter en Venus zo dicht bij elkaar dat ze vanuit Babylon niet meer als afzonderlijke hemellichamen konden worden gezien.
Ze waren het dichtst bij elkaar om 20.51 uur, toen het al donker was en de indruk­kende combinatie als een stralend licht bo­ven de westelijke horizon schitterde. Tot een uur later – toen ze ondergingen – ston­den de planeten als een hemelse briljant aan het uitspansel, richting Jeruzalem van­uit Babylon gezien.

Al met al was het een even opvallend als zeldzaam hemelverschijnsel dat in de ogen van de wijzen wel iets zeer bijzonders moest betekenen. In onze tijd kwam de laat­ste bedekking van twee planeten voor in 1818 en pas in 2065 zullen onze nazaten weer zoiets kunnen zien. De priester-astrologen waren waarschijnlijk op de hoogte met de joodse profetieën, gezien het feit dat de jo­den tijdens hun ballingschap in Babylon ver­keerd hadden.

De wijzen trokken daarop naar het acht­honderd kilometer verderop gelegen Jeru­zalem om navraag te doen en door Herodus te worden doorgestuurd naar Bethlehem (tien kilometer ten zuiden van Jeruzalem), de plaats die in de
profetieën was genoemd.

Hypothese
Als de hypothese correct is ligt de waar­schijnlijke datum van Christus’ geboorte in de zomer van het jaar 2 voor Christus.
Sinds de Duitse astronoom Johannes Kepler zich in de zeventiende eeuw afvroeg wat de Ster van Bethlehem was, hebben legio astronomen dat na hem gedaan. En onze generatie zal waarschijnlijk niet de laatste zijn die zich over deze kwestie het hoofd breekt.
Maar wat de Ster ook in natuurkundige zin is geweest: zij blijft een teken van licht en hoop in een duistere wereld.

Altijd maar weer.

Jaar in jaar uit.

giotto di bondone123471-004-51DDA81F

De aanbidding van de wijzen – Giotto di Bondone

(Piet Smolders, De Gelderlander, 16-12-1989)

.

Driekoningenalle artikelen

Kerstspelenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldDriekoningen

 

.

415-389

 

 

 

 

 

 

 

.