Tagarchief: Thomas van Aquino

VRIJESCHOOL – De ochtendspreuk op de vrijeschool (2)

.

de ochtendspreuk op de vrijeschool

BLIKRICHTING VOOR DE LEERLING OF INDOCTRINATIE?

Iedere morgen bij het begin van de ochtendlessen wordt er op de vrijescholen door de leerlingen en hun leraar gezamenlijk een ochtendspreuk gezegd. Er is er een voor de klassen 1 t/m 4, die past bij de belevingswereld van deze jonge leeftijd vóór het 10e levensjaar en een tweede* voor de klassen 5 t/m 12, waarover het hier zal gaan.
De eerste is bestemd voor de leeftijd van het schoolkind waarop het kind zich nog heel verbonden beleeft met zijn natuurlijke en sociale omgeving waarin voor hem een geestelijke achtergrond van de wereld nog heel vanzelfsprekend is. In dit opzicht vertoont het tiende levensjaar menskundig een bepaalde belangrijke cesuur in het leven waarin de verhouding van de jonge mens t.o.v. de wereld verandert. De wereld wordt duidelijker als feitelijk gegeven – als zintuigwereld – beleefd, in toenemende mate wordt het eigen zielenleven ervaren, de jonge mens bereidt zich voor om in het leven zijn individuele doelen te stellen en zijn eigen lot ter hand te nemen. Bij deze beginnende levensfase past de ochtendspreuk voor de klassen 5 t/m 12 waar we het nu over gaan hebben.
De laatste tijd zien bij gelegenheid tegenstanders die de vrijeschool als een instrument van wereldbeschouwelijke indoctrinatie beschouwen – in het bijzonder vertegenwoordigers van de twee toonaangevende kerken, maar ook door individuele pedagogiewetenschappers of juristen [1]; de laatste citeren dan meestal de eerste; je merkt aan veel van die betogen dat ze de tekst van de ochtendspreuk zelf niet kennen; zo nemen liever zonder eigen onderbouwing aan, wat ze als opvatting bij anderen gelezen of gehoord hebben.
Hoe juist of verkeerd de 
‘waarheid’ met betrekking tot de school die via opgeklopt citeren of simpelweg maar wat beweren, ook mag zijn: voor ons kan het aanleiding zijn er onszelf nieuw en misschien nog gedegener dan tot nog toe mee bezig te houden. Voor deze aanleiding moet je de tegenstanders eigenlijk dankbaar zijn.
Want de ouders van onze leerlingen zal het toch wel interesseren of zo’n antroposofische ‘indoctrinatie’ nu plaatsvindt of niet, of de kinderen nu tot vrijheid opgevoed worden, op weg geholpen worden hun individuele zelf te vinden of dat een of ander iemand ze hoe dan ook zou willen beïnvloeden met wat niet met de levensopvatting van de ouders of met hun eigen toekomstige levensweg volledig overeen zou komen.
Laten we daarom, wat in de al genoemde kritische uiteenzettingen in de regel niet gedaan wordt, naar de spreuk en de inhoud kijken en proberen ons een eigen oordeel te vormen. Wat wil deze spreuk? Is deze iets wat van buitenaf bij de ‘normale=neutrale) inhoud van het onderwijs komt – of ondersteunt deze dit nu net en gaat het hiermee juist, om wat inhoud en doel van het onderwijs zou moeten zijn?
In het laatste geval zou deze dus wat het ‘normale’ onderwijs wil en moet bereiken, versterken, ondersteunen, bewust maken. In het andere geval is er sprake van indoctrinatie.
Kijken we eens naar de spreuk voor de klassen 5-12:

Ik zie rond in de wereld;
Waarin de zon haar licht zendt,
Waarin de sterren fonkelen;
Waarin de stenen rusten,
De planten levend groeien,
De dieren voelend leven,
Waarin de mens bezield
De geest een woning geeft;
Ik schouw diep in de ziel,
Die binnen in mij leeft.
De godesgeest, hij weeft
In zon- en zielelicht,
In wereldruimten, buiten,
In zielediepten, binnen
Tot u, o godesgeest,
Wil ik mij vragend wenden,
Dat kracht en zegening
Voor leren en voor arbeid
Tot wasdom moge komen.

De spreuk richt de blik van de leerling, wanneer we de tekst volgen, in drie richtingen: naar de wereld, in de eigen ziel, op de eigen levensweg, op de zin en het doel daarvan.
Ook al is de tekst zelf niet nadrukkelijk in drie delen verdeeld, je kan toch – in ieder geval voor ons doel – over drie ‘strofen’ spreken waarvan de beide eerste ieder met het ‘ik zie’ beginnen, terwijl de laatste het heeft over ‘ik wil’, naar ‘ik vraag, dat ….(in het Duits) mij…tot wasdom komt (kome)’. Terwille van de duidelijkheid zal in wat nu volgt sprake zijn van drie strofen.

Het motief van de eerste strofe is het waarnemen van de wereld, ontmoeting met de wereld, kennen van de wereld: de zon, de sterren, de aardewereld (stenen) waar je zo naar kijkt; dat brengt de mens tot bewustzijn: ‘Je bent een burger van de kosmos; die geeft je zijn schoonheid, zijn rijkdom, zijn grootsheid: het licht is er, de fonkeling, de rust.’
Goed te onderscheiden kwaliteiten van ‘wat er daar in de wereld is’, worden in ons opgeroepen. De aardewereld hebben we niet alleen door de stenen en de afzettingslagen (het Duits heeft ‘lagern’) we leven bovenop hen ook samen met de plantenwereld, die voor zichzelf en voor ons – ‘levend groeien’.
We worden er iedere dag tegenwoordig op gewezen, dat wij verantwoording voor hun – onze – leefwereld moeten nemen, zodat er geen bossen uitsterven, het water niet vergiftigd wordt, geen algenpest, geen ozongat, is, geen houtkap van de regenwouden en wat het leven nog meer bedreigd of zelfs vernietigd.
We moeten na het kijken naar de plantenwereld de blik ook richten op de dieren: zoals zij ‘voelend leven’, hoe zij ons en ons leven ten dienste staan, hoe wij verantwoordelijk voor hen zijn en hun leven dienen te beschermen. Het nieuws dat ons dagelijks bereikt over zeehondensterfte, soortverdwijning, dieren in de bio-industrie, dierproeven enz. maken ons dát elke dag opnieuw bewust. Iedere dag moeten we eraan denken, dat de dieren – zoals wij – ‘voelend leven.’
En ten slotte moet het duidelijk voor ons zijn dat de mens een bijzonder wezen is in dit samen leven, omdat hij niet alleen leeft en voelt, maar daarbovenuit verantwoordelijkheid kan nemen, de ‘geest een woning’ kan geven. Aan de mens wordt nu een nieuw wereldprincipe duidelijk, de mens is een kennend wezen: hij verschilt van de andere levende en voelende wezens van deze wereld doordat in hem de andere wezens, het leven of het zijn in zijn voelen als kennis kan leven. Door een wetend wezen te zijn, is de mens op de hele wereld betrokken, is hij als gevoelswezen een microkosmos in de macrokosmos van het geestelijke en fysieke aspect van de wereld, hij is ‘het evenbeeld van God’. Wat geestwereld is, waarin de dingen niet naast elkaar staan en elkaar raken, maar waarin ‘het ene het andere doordríngt en doorlééft’, begint in hem ‘aanwezig’ te zijn en werkzaam te worden. De waardigheid van de mens, waarvan ook de Grondwet uitgaat, wordt daarin bijv. door onze rechtsorde gezien en gerespecteerd.

Nadat in de eerste strofe de wereld, wat zij als inhoud heeft, haar rijkdom, haar toestand ons als een ontmoeting met de zintuigwereld en de zintuigkennis bewust is geworden, wordt in de tweede strofe een nieuwe blikrichting gegeven, mogelijk en nodig: de waarneming van het eigen zielenrijk in ons innerlijk. Dit nieuwe ‘rijk’  staat als een tweede rijk tegenover het eerste; de aanwezigheid van een binnenleven, brengt het leven buiten ons pas tot bewustzijn; nu begint de mens de relaties tussen Ik en wereld beter te kennen en te doorgronden. Het zonlicht verlicht de uiterlijke wereld; daardoor wordt die voor ons zichtbaar en beleefbaar. Wat verheldert, licht brengt leeft echter – reëel in de ziel – ook in ons zelf. Hierbij gaat het niet om uiterlijk, ‘meetbaar’ licht, maar: wanneer wij over ons denken, over ons kennen spreken, moeten we uitdrukkingen uit de ervaring van de wereld van de zintuigen beeldend voor onze innerlijke zielenervaring plaatsen en  voor deze nieuwe (binnen)wereld leren gebruiken. De menselijke ziel leren kennen, lijkt op een (innerlijke) ervaring van licht. Wanneer we iets begrijpen, zeggen we, ‘dat ons een licht opgaat’, dat voor ons iets ‘helder’ wordt, ‘een lampje gaat branden’. Dat licht in onze ziel dat ons opgaat, dat ‘alle mensen opgaat’, maakt het licht in ons; het maakt dat we de wereld gaan begrijpen; we ‘doorzien’, zien door de uiterlijke schijn heen.

Stap voor stap gaan we de dingen zien die eerst zo onbereikbaar voor ons waren: hun wetmatigheid leeft in ons denken, in de activiteit van onze ziel en wordt daardoor ook als kennis in ons bewust. De wijsheid van de wereld die je kan leren kennen en al kent, de kracht die in de wereld leeft en werkzaam is, kan in ons bewustzijn tot een eigen beleving in de ziel worden; de ochtendspreuk wijst daarop met de woorden: ‘de godesgeest, hij weeft in zon- en zielelicht’. De pendelslag tussen Ik en wereld, het ritmische overgaan van ‘wereldruimten buiten’ naar ‘zielediepten binnen’ wordt bewust.
In de taal van het Johannesevangelie zou je kunnen zeggen: het licht dat alle dingen geschapen heeft, dat alle mensnen – ook ons – verlicht, wordt ons stap voor stap bewust; daar worden we op gewezen; misschien eerst door een getuige – zoals Johannes ( de Doper) – die een levensgetuigenis (‘martyrium’) voor het licht aflegt en zo de weg naar het eigen kennen van God of geest, naar de waarheid wijst; hijzelf is door Jezus Christus ‘geworden’ – als de wereld.
Tegenover enkel de wereld van de zintuigen of het ervaren van de buitenwereld wordt zo in de eigen ervaring van de ziel een ruimer levensterrein van de mens ontsloten. Hij kan zowel van de zintuigwereld – als ook van de geesteswereld in zijn ziel wat ervaren en t.o.v. beide werelden met zijn oordeel in het denken – zelfstandig – worden.

Waar staan we met deze stap op onze weg van oriënteren in het leven?
Eerst zijn we begonnen de wereld te leren kennen, toen hebben we onszelf gevonden in het gevoelsbeleven: nu moeten we onze eigen levensweg opgaan en deze doelgericht met onze wereld- en zelfervaring bepalen. Wat willen we? Waarheen gaan we? Een antwoord daarop moet ieder voor zichzelf geven. Maar voor allen kan één ding duidelijk zijn: dat wij op deze weg hulp nodig hebben, omdat binnen en buiten niet zo maar met elkaar in harmonie zijn. Deze hulp verwachten we en vragen erom wanneer we de wereld rondom ons en in onszelf wat beter hebben leren kennen: aan de godesgeest die we in ‘zon- en zielelicht’ als iets wat in onze ziel tot kennis wordt al ontmoet hebben. Met hem samen, mogen we hopen, zal het ook op onze levensweg goed komen.

Langs deze weg ontwikkelen we kracht – en deze kracht kan in het leven op weerstand stuiten; ze kan ook zegenrijk in het leven en voor het leven blijken te zijn. De ontwikkeling van de eigen zielenkracht en zegenrijke vervulling van ons leven door het antwoord van de wereld, van het levenslot, horen samen. Voor de kracht die we ontwikkelen zijn we zeer zeker zelf verantwoordelijk; op de zegen die op onze kracht kan volgen, moeten we wachten, die kunnen we vragen. Deze vraag zal des te zinvoller zijn, wanneer deze past bij de omstandigheden van het leven, de wetmatigheden van de wereld die ons in ons kennen fundamenteel toegankelijk zijn geworden. We moeten onze kracht in overeenstemming kunnen brengen met de wetmatigheid van de wereld, met hoe het in onze ziel gesteld is, met wat we als kennend wereldlicht in onze ziel kunnen vinden en die vandaaruit leren inzetten en ontwikkelen. We moeten in onszelf de kracht van de zelfopvoeding ontwikkelen, kracht om wat we als mens geworden zijn, óm te vormen – en daarmee kracht om de wereld te veranderen. Wie zichzelf in de hand heeft, kan in de wereld werkzaam zijn; natuurlijk mislukt er ook veel – maar andere dingen lukken misschien wel.
Maar de grondregel blijft: ik moet leren met mezelf overweg te kunnen, ik moet zelf  een andere richting op kunnen gaan. Wanneer ik dit doe bij leren en werken, bij het verwerven van competenties en bij het inzetten van mijn verworven kracht voor de wereld, zal ik een individueler mens worden, meer vervuld van de zin van zijn leven en van het leven überhaupt en een daaruit werkende mens worden. Dan zullen voor mij ‘kracht en zegen’ samenkomen, dan zullen ‘leren en arbeid’ mij en de wereld vooruit helpen. Dan zal ik tenslotte het leven ‘kostbaar’ vinden, omdat het ‘moeite en arbeid is geweest’ [hier wordt verwezen naar psalm 90 vers 10, die in het Duits ‘Mühe und Arbeit heeft – waar het Nederlands ‘moeite en verdriet’vheeft].
Uit de individueel geworden mens, die een kennende en een wilsverhouding tot de wereld van de geest ontwikkeld heeft, ontstaat zoiets zegenrijks voor de wereld als geheel.
De spreuk brengt je tot het bewustzijn van deze weg van wereldervaring, van wereldkennis tot zelfkennis en van deze dan tot zelfopvoeding en daarmee tot wereldverandering leidt. Hij richt de blik van de mens in drie richtingen van het leven – zijn leven – en spoort hem aan de wereld bewust te gaan kennen en zichzelf. Deze leidt niet tot bepaalde geloofsinhoud [2] of zelfs dwingende verplichtingen voor het handelen; hij kent geen indoctrinatie. Hij spreekt levenswetmatigheden uit. Hij maakt bewust wat de mens om vrij in het leven te kunnen handelen, nodig heeft: kennis van de wereld en allereerst, wat is je plaats, een realistisch inschatten van je eigen mogelijkheden, de eigen vermogens ook, en tenslotte: wil en moed voor het besluit dat daaruit volgt om in de wereld te handelen – door zelfopvoeding te bereiken.
De ochtendspreuk schetst daarmee beknopt de weg en de zin van de weg die wij met onze leerlingen op school als een weg naar zichzelf en naar hun eigen leven willen gaan. Wie zo zichzelf vindt, vindt ook de weg naar de geest, naar God. Deze weg wordt als een individuele weg – ‘ik zie’ (niet wij zien), “ik wil’ – naar een persoonlijke God – tot u, o godesgeest’ geschetst.
Kan er op school iets zinvollers zijn dan zich deze samenhang in het leven iedere morgen bewust te maken, vandaaruit het onderwijs binnen te gaan – dat vanuit deze geest vorm te geven?

Wie – overigens – de gedachten en geschriften kent van de heilige Thomas van Aquino – zijn schets over de opbouw van de wereld [3] en haar wezens (ongeveer in het 11e hoofdstuk van boek IV van Summa (publicatie) tegen de heidenen) of zijn commentaar op de proloog van het Johannesevangelie [4]- kent, kan snel opmerken dat er niet alleen geen tegenstelling bestaat met de opvatting van deze ‘algemene kerkleraar ‘(tenminste van de katholieke christenen), maar dat er nauwelijks een meer pregnante uitdrukking van een levende thomistische geest in de taal van nu gegeven wordt – op het terrein van school en opvoeding – als juist de besproken ochtendspreuk van de vrijeschool. Die is geheel uit de spirituele stroom gevormd die ook in het levende thomisme van de middeleeuwen tot uitdrukking komt – hij volgt daar eerder direct op. [5]
Juist op dit ppunt zouden we ons niet moeten laten irriteren door onkundige critici.

Benediktus Hardorp, Erziehungskunst 53e jrg., nr.10-1989

[1] Als kerkvertegenwoordiger: J.Baldwin: Anthroposophie, Konstanz 1986, S.152
Als pedagogiewetenschapper: K.Prange: Erziehung zur Anthroposphie, 1985;
voor de juridische literatuur: G.Eiselt: Art.7 Abs. 5GG im System des Privatschulrechts, DÖV 1988,S.211 ff., insbes.S.216
[2] Deze blikrichting kent de catechismus van de protestantse kerk (in Baden) ook, in het eerste geloofsartikel dat luidt: ‘Wij leren God kennen door zijn openbaring in de natuur, in de geschiedenis van de mens en in ons in nerlijk; heel in het bijzonder in de Heilige Schrift.’
[3] Vgl.Josef Pieper: Kurze Auskunft über Thomas von Aquin. München 1963, S.44ff.
[4] Vgl. Thomas von Aquin: der Prolog des JohannespEvangeliums. Übersetzt und erläutert von W.-U.Klïnker, Stuttgart 1986, S.93ff.
[5] Elementen van deze samenhang vind je bij R.Steiner: Die Philosophie des Thomas von Auino (GA 74) en in het artikel van de schrijver: De kennisstijl van Tjhomas van Aquino en de methode van de antroposofische geesteswetenschap van Rudolf Steiner. DIE DREI, bijlage 1 van mei 1989, blz. 31 ff.

*Zie voor het ontstaan van deze spreuken: Rudolf Steiner over de ochtendspreuk.

Religieus onderwijs        vensteruur

1289

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie (18-4)

.

Het geheugen van de mens is nog altijd een moeilijk te doorgronden fenomeen.
Onthouden, vergeten – soms net niet helemaal: ‘het (woord, de naam) ligt me op de lippen’; ‘ik kan er (even) niet (meer) opkomen’ en andere uitdrukkingen; het drie- vierjarige kind dat vrijwel altijd van oma of opa wint met ‘memory’; de dementerende die niet weet dat hij dezelfde vraag twee minuten geleden ook stelde: we weten nog altijd niet hoe dat precies komt, m.a.w. wat geheugen, zich herinneren enz. is, is nog altijd om over na te denken en te onderzoeken. 
Dat is gebeurd en gebeurt nog steeds, dus zijn er ook vele gezichtspunten.
Hoe was het in het verleden?

wandelen door geheugengebouwen

EEUWENLANG ZOCHTEN GELEERDEN NAAR SYSTEMEN OM ALLE KENNIS IN TE PRENTEN

„Thee… boter… hondebrokken…” Veel verder kwam minister Ruding van Financiën niet, toen hij in een televisieprogramma grutterswaren op een lopende band moest onthouden.

Zelfs in een simpel spelletje gaat het hem en veel andere mensen niet gemakkelijk af. Waarom zou je ook dingen moeten onthouden? Zolang je maar weet waar je het moet opzoeken: op een bloknootvelletje, in een boek of in de computer.
Ook op school wordt het niet zo belangrijk gevonden om veel feiten en feitjes te onthouden. Om een leerling die alles in zijn of haar hoofd stampt, wordt meewarig gelachen. Het gaat tegenwoordig immers meer om inzicht dan om feitenkennis?
In onze tijd van kranten, vaktijdschriften, naslagwerken en computers kunnen we ons nauwelijks indenken hoe belangrijk het vroeger was om dingen te kunnen onthouden. Eeuwenlang stond het geheugen hoog aangeschreven. Beter een goed geheugen en een iets minder goed verstand dan een goed verstand en een slecht geheugen, meende de Nederlandse pedagoog Murmellius bijna vijf eeuwen geleden. Over de tijd waarin het onthouden van dingen nog wel hoog werd geschat, ja zelfs tot een kunst was verheven, en hoe de geheugentechniek een eigen plaats kreeg in de Europese traditie, schreef de Britse geschiedkundige Frances A. Yates The Art of Memory. Deze in 1966 verschenen ‘klassieker’ is nu* in Nederlandse vertaling uitgebracht, onder de titel De geheugenkunst.

In Victor Hugo’s Notre Dame de Paris staart een geleerde in zijn studeerkamer naar het eerste gedrukte boek dat zijn collectie manuscripten is komen verstoren. Hij opent het raam en kijkt naar de enorme kathedraal, die zich aftekent tegen de sterrenhemel. „Ceci tuera cela”, zegt hij. Het gedrukte boek zal het gebouw vernietigen.

Hugo’s verhaal illustreert de gevolgen van de boekdrukkunst voor de religie en de macht van de kerkelijke elite. Maar het verhaal is ook op te vatten als parabel voor het effect van de verspreiding van het gedrukte woord op de onzichtbare geheugenkathedralen van het verleden.
In oude tijden was men vooral op het geheugen aangewezen. Manuscripten waren schaars, en veel mensen konden lezen noch schrijven. Iets in het geheugen prenten gebeurde dan ook letterlijk. En deze methodebeelden voor dingen gebruiken, als een soort innerlijk schrift- werd tot geheugenkunst verheven.

De Griek Simonides van Keos (omtrent 556-468 voor Christus) gaat door voor de uitvinder van de geheugenkunst. Over hem vertelt Cicero in De Oratore (Over de redenaar) een levendig verhaal. Tijdens een feestmaal dat de edelman Scopas uit Thessalië gaf, droeg Simonides op bestelling een lyrisch gedicht voor ter ere van de gastheer. Het gedicht bevatte echter ook een passage waarin hij de goden Castor en Pollux prees. Nogal onbehouwen deelde Scopas de dichter mee, dat hij slechts de helft van de afgesproken gage zou ontvangen, en dat hij de rest maar van de twee goden moest zien te krijgen.
Even later kreeg Simonides de boodschap dat twee mannen hem buiten wilden spreken. Hij stond van tafel op, ging naar buiten, maar zag niemand. Achter hem stortte het dak van de feestzaal in, waarbij Scopas en alle gasten verpletterd werden onder de puinhopen.
Hun lijken waren zo verminkt, dat hun familieleden hen niet konden identificeren. Maar Simonides wist nog precies op welke plaatsen ze aan tafel hadden gezeten, zodat hij de familieleden kon aanwijzen wie hun doden waren. Deze gebeurtenis deed de dichter de principes van de geheugenkunst aan de hand. Hij realiseerde zich dat een ordelijke rangschikking van wezenlijk belang is om iets goed te onthouden.

Redenaars
De Romeinen, aan wie de kunst werd doorgegeven, bedachten regels om het geheugen beter te laten werken. Met name voor redenaars was dit heel belangrijk. Het geheugen was een centraal onderdeel van de welsprekendheidsleer of retorica.
Quintilianus beschrijft de techniek als volgt: om een reeks plaatsen in het geheugen te formeren, moeten we ons een gebouw in gedachten nemen, met een voorhof, een huiskamer, slaapkamers en zitkamers, en niet te vergeten standbeelden en andere ornamenten waarmee de kamers zijn gedecoreerd. De beelden waarmee de redevoering moet worden onthouden, zetten we vervolgens in onze verbeelding op de plaatsen die we ons in het gebouw in het geheugen hebben geprent. Zodra we ons de feiten weer voor de geest willen roepen, bezoeken we al deze plaatsen om beurten.
We moeten de klassieke redenaar voorstellen als iemand die in zijn verbeelding door zijn geheugengebouw loopt terwijl hij zijn redevoering houdt, en van de in zijn geheugen geprente plaatsen de beelden wegneemt die hij daar heeft neergezet. Zo onthoudt hij de verschillende punten van zijn betoog in de juiste volgorde.
Deze innerlijke gymnastiek leidde tot opmerkelijke geheugenprestaties. De vader van Seneca, een leraar in de retorica, wist tweeduizend namen te herhalen in dezelfde volgorde als waarin ze waren gegeven. De kerkvader Augustinus, eveneens opgeleid tot leraar retorica, vertelt over een vriend die Simplicius heette, en Vergilius achterstevoren kon opzeggen. Hoe zinloos we zulke prestaties ook vinden, ze laten wel zien dat iemand met een geoefend geheugen destijds in hoog aanzien stond.
In de klassieke oudheid zag men een geoefend geheugen niet louter als iets praktisch; men kende er een bijna goddelijke betekenis aan toe. De Griekse wijsgeer Plato zag de volmaakte redenaar als iemand die de waarheid en de aard van de ziel kent, en die daardoor in staat is de mensen van de waarheid te overtuigen. Volgens Cicero was het geheugen een onderdeel van de wijsheid. Augustinus beschouwde het geheugen als een van de drie vermogens van de ziel. De kennis van het goddelijke zou de mens in het geheugen aangeboren zijn.
Een sterk religieus stempel kreeg de geheugenkunst in de middeleeuwen, vooral onder invloed van de scholastici; Thomas van Aquino voorop. De kennis nam enorm toe, en men ging op zoek naar beelden om de nieuw verworven kennis te kunnen onthouden.
Wat wilde men in de vrome middeleeuwen vooral onthouden? Dingen die met verlossing of verdoemenis te maken hadden, de geloofsartikelen, de deugdzame paden naar de hemel en de paden via de ondeugden naar de heL De middeleeuwer die goed wilde leven, moest meer in het geheugen prenten dan vroeger het geval was geweest, toen alles zoveel eenvoudiger had geleken.
Zo ontstond een uitgebreid systeem van deugden en ondeugden, dat werd verbeeld en verwoord door grote kunstenaars als Dante, Giotto en Petrarca. Talloze afbeeldingen verschenen, van Wellust en Kuisheid. Matigheid en Vraatzucht, Grootmoedigheid en Gierigheid.
Yates beschouwt zelfs Dante’s Inferno als een geheugensysteem om de hel en haar straffen te onthouden. Kan het geheugen een verklaring zijn voor de middeleeuwse liefde voor het groteske, het eigenzinnige, vraagt zij zich af.

Spinnewebben
Je zou verwachten dat de tot grote bloei gekomen geheugenkunst haar einde beleefde toen de boekdrukkunst de verspreiding van teksten op grote schaal mogelijk maakte. Victor Hugo’s parabel van de Parijzer kardinaal wijst in die richting.
In elk geval rekende Erasmus de geheugenkunst tot de barbaarse middeleeuwen. Haar gedateerde methoden vergeleek hij met spinnewebben in monnikenhoofden, die nodig door nieuwe bezems moesten worden vervangen. In werkelijkheid stierf de geheugenkunst in de renaissancetijd niet uit, maar ging ze een nieuwe, zij het nogal duistere levensfase in. De renaissance was namelijk niet louter redelijk en proefondervindelijk ingesteld, zoals we wel eens denken. Daarnaast ontstond een occulte, mystieke stroming. Haar beoefenaren gingen op zoek naar een geheugen waarin de wereldharmonie zich weerspiegelde; een systeem dat de mens in staat stelde alle bestaande kennis binnen handbereik te hebben. Een soort universele geheugenmachine.

Giulio Camillo kreeg in het zestiende eeuwse Italië en Frankrijk grote faam met een houten bouwsel dat een geheugentheater moest voorstellen. Het was volgepropt met beelden en kistjes. Volgens Camillo kon de toeschouwer in een oogopslag zien wat anders verborgen blijft in de diepten van de menselijke geest.
Zijn theater werd nooit voltooid, en van zijn grote levenswerk dat hij had willen schrijven, kwam niets.

Bij de Italiaanse filosoof en ex-monnik Giordano Bruno – kort na de dood van Camillo geboren – nam de geheugenkunst het karakter aan van zwarte magie. Hij was uit op een encyclopedisch geheugensysteem, dat alles zou bevatten wat de mens kan weten.
Dwangmatig zocht hij naar methoden om de kennis van zijn tijd te ordenen. Daarbij ontwierp hij vaak raadselachtige constructies. Maar vanwege dit koortsachtig zoeken naar methoden zijn z’n nauwelijks begrijpelijke systemen niet louter het werk van een gek, aldus Yates’ verdediging van de man die zijn leven na veel Europese omzwervingen in Venetië eindigde op de brandstapel.

Een groot deel van Yates’ boek is aan het werk van Bruno gewijd. In feite is de rest van haar boek een lange aanloop naar Bruno, en na hem een vrij korte afsluiting. Voor de lezer vormen de hoofdstukken over Bruno het meest duistere deel. De schrijfster geeft overigens toe, dat ook zij niet alles van zijn geheugenkunst begrepen heeft. Een schrale troost.

Een eeuw na Bruno was de geheugenkunst nog altijd niet uitgewerkt. Bacon en Leibnitz, voorvechters van de rationalistische wetenschapsbeoefening, werden door de traditie van geheugensystemen beïnvloed. Zo hingen Leibnitz’ wiskundige symbolen, die zouden leiden tot de uitvinding van de integraal- en differentiaalrekening, nauw samen met zijn onderneming voor een encyclopedie, waarin alle aan de mens bekende kunsten en wetenschappen zouden worden samengebracht.
Wanneer hij alle kennis systematisch zou hebben opgeslagen, en hij aan alle begrippen karakters had toegekend, zou dat een soort universele rekenwijze (calculus) voor de oplossing van alle kennisproblemen betekenen, dacht hij. Zelfs religieuze geschillen konden er volgens Leibnitz door worden beslecht. Degenen wie bijvoorbeeld van mening verschilden over de uitleg van het concilie van Trente, hoefden dan niet langer te bekvechten. Ze konden om de tafel gaan zitten en zeggen: laten we het uitrekenen.
Ook deze universele rekenwijze en de alomvattende encyclopedie kwamen nooit van de grond Vroeg of laat eindigden trouwens alle ambitieuze geheugensystemen in mislukkingen.
Hoort hun geschiedenis daarom tot de terecht vergeten en onder het stof geraakte curiosa? Zeker niet, vindt Yates aan het inde van haar ontdekkingstocht.

„De geschiedenis van de organisatie van het geheugen raakt op wezenlijke punten de geschiedenis van de religie en de ethiek, de filosofie en de psychologie, de beeldende kunst en de literatuur, en die van de wetenschappelijke methode”, schrijft zij.

Frances Yates, geboren in 1899, was van 1941 tot haar dood in 1981 verbonden aan de universiteit van Londen, waar zij de geschiedenis van de renaissance onderwees, haar werk getuigt van een welhaast onvoorstelbare belezenheid. Zelf schrijft ze dat ze slechts een klein deel van het door haar verzamelde feitenmateriaal voor het boek heeft kunnen gebruiken. Maar wat voor haar een klein deel is, is voor de lezer toch nog een berg waar nu en dan maar noeilijk overheen te komen is.

De hel als geheugenplaatssysteem.
Uit Cosmas Rosellius, Venetië 1579
.

Yances A. Yates: De Geheugenkunst.    (Amsterdam, Bert Bakker, ƒ 59,50.)
In het Engels

Kees Buijs in De Gelderlander, *23-01-1989
.

Over het geheugen: menskunde en pedagogie nr 18

.

1263

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.