Maandelijks archief: september 2015

VRIJESCHOOL – 5e klas – geschiedenis (2-1)

tekst in blauw van mij

Toen ik in de jaren zeventig van de vorige eeuw voor het eerst in de 5e klas geschiedenis moest geven, was er niet zoveel achtergrondinformatie om binnen niet al te lange tijd de periode(n) te kunnen voorbereiden.

Er circuleerde wel een soort periodenschrift dat door de Leidense vrijeschoolleraar Paul Veltman was samengesteld.
Daarvan maakten veel jongere leerkrachten gebruik en ik vormde daarop op een bepaald ogenblik geen uitzondering.

Paul Veltman genoot aanzien binnen de vrijeschoolbeweging en dan ligt het mede voor de hand dat je – ook al omdat hij veel vrijeschoolonderwijservaring had – op zijn kennis en aanwijzingen voortborduurt.

Nu – zoveel jaren later – moet ik toch enige kanttekeningen plaatsen bij Veltmans werk ‘OUDE GESCHIEDENIS’ deel 1.

OUDE GESCHIEDENIS.

Deel I.

OERTIJD

VOOR-INDIË

PERZIE

EGYPTE

BABYLONIE

ASSYRIE.

De inhoud wordt voorafgegaan door dit voorwoord:

De inhoud van dit geschrift is een samenvoeging van dictaat voor de kinderen in de klas èn informatie voor de leraar, zoals dat eens in een geschiedenisperiode van de heer Veltman is ontstaan.
De vraag naar vermenigvuldiging van dit werk is ontstaan op een landelijke vergadering van vijfdeklasleraren in de cursus 1974-1975, toen het niet mogelijk bleek het oorspronkelijke geschrift binnen de tijd van één cursusjaar alle betreffende leraren ter oriëntatie ter beschikking te stellen.

Door medewerking van Rotterdamse vrijeschoolleraren kon het geschrift langere tijd ter beschikking gesteld worden aan een werkgroep van de Geert Groote School te Amsterdam, die het stencilwerk verzorgde.

Hopelijk biedt het die oriëntatie, die het met name voor nieuwe leraren mogclijk maakt om binnen de korte tijd van enkele periodenweken in een jaar, met enthousiasme tot een eigen verwerking van deze uitgebreide leerstof met zijn klas te kunnen komen.

Namens de werkgroepen,
Geert Grooteschool, Amsterdam

De inhoud van dit geschrift is een samenvoeging van dictaat voor de kinderen.
Vooral in het begin valt op dat Veltman veel aandacht besteedt aan ‘Atlantis’.
Hij beroept zich op Steiner en geeft vervolgens zijn antroposofische gezichtspunten over Atlantis aan de kinderen door.
Wie echter Steiner volgt in diens opmerkingen over ‘antroposofie in het onderwijs’ moet tot de conclusie komen dat Veltman daarmee geen rekening heeft gehouden, wellicht (mede) veroorzaakt door een interpretatie van een opmerking van Steiner, waarover zo dadelijk meer.

LEGENDA.

Dr. Steiner:
Theosophie des Rozenkreuzers.
Geheimwissenschaft
Akashachronik
Unsere atl.Vorfahren
Welt,Erde,Mensch
Bhagavad-Gita.

Pfeiffer; In Gaia Sophia I

Wachsmuth: Entw.der Erde, Werdegang der Menschheit

Uehli; Aegyptische Kultur, ein Isisgeheimnis.

Breasted; Ancient times ,

Lewis Spence; Atlantis

Scott-Elliot; History of Atlantis.

Jan Romein: Wereldgeschiedenis

Het moge duidelijk zijn dat deze achtergrondliteratuur voor het grootste gedeelte bestaat uit antroposofie. Dat kan voor de leerkracht buitengewoon verdiepend zijn, maar niets van de inhoud ervan hoort thuis in het geschiedenisonderwijs van de 5e (en andere!) klas(sen).

Algemeen
Na het Polaire en Hyperboraeïsche tijdperk, het Lemurische- en het Atlantische tijdperk, begint onze Na-Atlantische tijd, die 5 cultuurperioden tot op heden, heeft opgeleverd. (oer-Indische,oer-Perzische, Babylonische, Egyptische, Grieks Romeinse en onze eigen Westerse).

Deze cultuurperioden zijn een neersleg van de kosmische, menselijke ontwikkeling. De zon doorloopt alle tekens van de Dierenriem in 25920 jaren,(een wereldjaar). Wanneer de zon op 21 maart in een bepaald teken staat, is een cultuurperiode op zijn hoogtepunt. In onze cultuurperiode komt de zon langzamerhand op 21. maart in de Vissen te staan.

In de- 4e cultuurperiode was hii in de Ram, in de 5e in de Stier, in de 2e in Tweelingen, in de 1e in de Kreeft. Elke cultuurperiode duurt ongeveer 2160 jaar. Men ziet in zo’n periode sterk de invloed van het dierenriemteken. v.b. Stiercultus van de Egyptenaren, Perzen en Kretensers. Ramsoffers van Mozes en Abraham, Grieken en Romeinen. Aan de dualiteit van Iran en Turan, Ormuzd en Ahriman(tweelingen).

Veltman blz. 1

 

Het Atlantische tijdperk
Dr. Steiner heeft uitdrukkelijk aangegeven om onbeschroomd over Atlantis te spreken tegenover de kinderen.

In al zijn pedagogische voordrachten (GA 293-311) spreekt Steiner met geen woord over Atlantis. In GA 300, de notulen van de pedagogische vergaderingen van de vrijeschool Stuttgart waarbij Steiner aanwezig was, is slechts op 1 plaats iets te vinden, waar Veltman wellicht aan refereert:

=

(  ) aber wir dürfen nicht davor zurückschrecken, bei den Kindern von dem atlantischen Land zu sprechen. Wir dürfen das nicht überspringen.’
GA 300A/86

Maar we mogen er niet voor terugschrikken bij de kinderen over het Atlantische Land te spreken. Dat mogen we niet overslaan.

=

Dit antwoord volgt op een vraag hoe je voor de geologie een verbinding legt naar de Akasha-Kroniek.
Het is opmerkelijk dat Steiner hier de verbinding van de lesstof naar de antroposofie niet afwijst, terwijl hij 5 dagen eerder  heeft gezegd:

=

Wir wollen keine anthroposophische Dogmatik lehren. Anthroposophie ist kein Lehrinhalt, aber wir streben hin auf praktische Handhabung der Anthroposophie. Wir wollen umsetzen dasjenige, was auf anthroposofischem Gebiet gewonnen werden kann, in wirkliche Unterrichtspraxis.
GA 293/15
Niet opgenomen in de websiteversie

‘Wij zullen in onze lessen geen antroposofische dogma’s onderwijzen. Antroposofie is geen lesinhoud – we streven ernaar de antroposofie in de praktijk te brengen. We zullen de inzichten die de antroposofie ons schenkt, omzetten in werkelijke lespraktijk.
vertaald/15

=

De leraar die dit vraagt moet geologie geven. In de verdere leerplanaanwijzingen zien we dat het geologie-onderwijs een vaste plaats krijgt in klas 9, maar die was er in 1919 nog niet; de conclusie ligt voor de hand dat deze vraag dan gesteld is door een 8e-klasleraar. De geologie van klas 6 had een heel andere inhoud en daaronder kwam er helemaal geen geologie aan bod, dus voor klas 5 kan deze opmerking al helemaal niet gegolden hebben.

Dan kan de opmerking, volgend op blz.86 van GA 300A:

=

Auch im geschichtlichen Zusammenhang können wir daran anknüpfen.

Ook in geschiedkundige samenhang kunnen we eraan vastknopen.

=

geleid hebben tot Veltmans opmerking.
Maar in alle verdere aanwijzingen voor het leerplan, noch in klas 8 en noch in klas 5, niet bij geologie en niet bij geschiedenis en verder in geen enkele pedagogische voordracht is ooit meer sprake van ‘Atlantis’.

Dat wil niet zeggen dat Atlantis in de 5e klas niet ter sprake mag komen; maar alles gaat om de manier waarop.

Veltman vervolgt:
Niet alleen in de geesteswetenschap is Atlantis een feit. Wiskundige bewijzen bestaan in de archeologie niet, maar vele geleerden . (Spence, Dacqne, Braghine, Wachsmuth, Donnelly, Frobenius) hebben zich met het Atlantisprobleem beziggehouden, Interessant is het, dat men in vele hypothesen Atlantis plaatst in IJsland, Noorwegen,Tunis, Sahara, Midden-Afrika ,N-Amerika, Groenland, Midden-Amerika, Zuid-Amerika, dus in alle streken die aan het werkelijke Atlantis geraakt hebben. Combinatie van feiten, bekend geworden in geologie, oceanografie, biologie, archeologie, filosofie, etnologie, antropologie, kosmografie, plantengeografie, geven reeds vele aanwijzingen dat de bakermat van de huidige culturen gelegen moet hebben op een continent, gelegen tussen Amerika, Europa, en Afrika.
In Atlantis zijn voor het eerst mensenrassen met verschillende huidskleur tot ontwikkeling gekomen. (Rmoahals,Tlavatli,Tolteken,Turaniërs, Semiten, Akkadiërs, Mongolen).
Het 4e wereldras begon misbruik te maken van de etherische krachten, door hen aan te wenden voor persoonlijke doeleinden. Zwarte magie trad op, met het gevolg, dat de elementen in hun structuur werden aangetast. Enorme natuurrampen waren opgeroepen, die het grote continent deden afbrokkelen en verzinken. De laatste nagalm van dit proces vindt men in Plato!s beschrijving van het eiland Poseidonis, gelegen ter hoogte van de huidige Azoren. Ook de verdwijning van dit laatste fragment van Atlantis wordt door Plato in verband gebracht met de goddeloosheid der bewoners. In de periode van verval leidt de Manu uittochten van ‘t Atlantische continent naar Centraal Azië. De kleine groep kolonisten moest zuiver bewaren, wat dc vrucht van de Atlantische mensheidsontwikkeling was geweest.
Een groep ging langs een noordelijke route, via Schotland, Midden Europa, Rusland. Een 2e groep ging langs de kusten van de Middellandse zee. Vanuit het nieuwe centrum van de Manu (in ’t beschermde Tarimbekken) gaan de impulsen voor de cultuurperioden uit. Zendboden met spirituele opdrachten gaan naar Voor-Indie, Iran, later ook naar Mesopotamië en Egypte. Geologisch valt deze tijd samen met de ijstijd.

Tot zover Veltmans tekst voor de leerkracht.

Waar ik zelf twijfel of de tekst in een periodenschrift hoort, heb ik gecursiveerd.

Oude Geschiedenis

inleiding

Waarom leren wij geschiedenis?

Met alle mensen en volken, die nu op aarde wonen, zijn wij verbonden. Zij ademen dezelfde lucht in als wij, dezelfde zon beschijnt allen; wij hebben hen en zij ons nodig.

Het is das goed te leren van andere landen on volkeren.

Wij zijn met hen verbonden in de RUIMTE.

Hoo? Dat leert ons de AARDRIJKSKUNDE.

Maar in vroeger tijd hebben op aarde mensen geleefd en gewerkt, waarmee wij óók verbonden zijn. Zij hebben ons iets geschonken, waardoor wij nu kunnen leven, zoals wij leven.

Zonder de BOUWKUNST van Egypte en Babylon, van Griekenland en Rome zouden wij niet kunnen bouwen zoals wij nu doen.

Zonder de landbouw van de oude Perzen zouden wij nu niet zoveel groenten en vruchten, hebben. Zelfs ons alledaagse brood zou ons ontbreken.

Niet in de RUIMTE zijn wij met vroegere mensen en volken verbonden, maar in de TIJD.

Hoe? Dat leert ons de GESCHIEDENIS.

De oudste overleveringen van de mensheid bestaan uit MYTHEN, SPROOKJES,

SAGEN on LIEDEREN, (HYMNEN) ter ere van de goddelijke wezens.

In vroeger tijd hadden de mensen geen gedachten en begrippen zoals wij die nu hebben, maar zij leefden en spraken in beelden.(??)

De grote en rijke fantasie, die de beelden opriep is meer en meer verloren gegaan ,Het denken in vaste begrippen is ervoor in de plaats gekomen. Door dit denken heeft de mens de aarde leren beheersen met wetenschap en techniek. De beeldenwereld is nog wel aanwezig in de dromen, die wij hebben. Ook kleine kinderen, zieken en krankzinnigen hebben de beeldenwereld in zich.

Wanneer in ons midden plotseling een Indiër uit de oertijd zou verschijnen en in zijn beeldentaal zou gaan spreken, zou men hem niet begrijpen, (ook al sprak hij in onze taal). Ja men zou hem waarschijnlijk in een krankzinnigengesticht brengen. ….

En omgekeerd; een mens uit de huidige tijd zou voor de Indiërs uit de oertijd een raadsel zijn. Snel zou hij aan de goden geofferd worden, omdat hij God noch mens, dier noch.duivel was.

Alleen de mens is van alle levende wezens in staat steeds nieuwe vermogens te verwerven in zijn ontwikkeling.,,

De geschiedenis laat ons die ontwikkeling zien.

Als een grote stroom, met voortdurende veranderingen, gaat de mensheid voort. De innerlijke en uiterlijke krachten van de mens zijn in de loop van duizenden jaren geheel anders geworden.

Deze krachten noemt men het BEWUSTZIJN van de mens.

Het begin van de cultuurperioden

Wanneer een volk een bepaalde ontwikkeling v.h. menselijk bewustzijn heeft doorgemaakt en onder grote, door de goden geïnspireerde, leiders een taak volbrengt, die voor de gehele mensheid van betekenis is spreken wij van een CULTUURVOLK.

De oudste cultuur die wij kennen is de Oud-Indische cultuur.

Het begin van deze cultuur valt samen met een ongehoorde ramp, die zich op aarde voltrekt. Een heel werelddeel met een oeroude beschaving, bewoond door zwarte, rode, gele, bruine en blanke rassen, verzonk in de woeste golven van de oceaan. Prachtige steden met tempels en havens,burchten en torens werden weggevaagd. Aardbevingen en stormvloeden vernietigden het ATLANTIS-CONTINENT. In deze tijd verstarde tevens een groot deel van de aarde in de greep van het landijs, dat in massieve kilometerdikke plakken vanuit de Noordpool kwam aanschuiven, mens en dier en plant verjagend of verdelgend: de IJSTIJD is in volle gang. De ondergang van ATLANTIS door de vreselijke vloedgolven is bewaard in de ZONDVLOEDSAGEN van vijftig volkeren.

Het meest uitvoerige verhaal vindt men bij de Griekse filosoof PLATO.

In alle sagen is het duidelijk dat de ramp een gevolg was van de slechte daden der Atlantiërs, die zich niet aan de orde der Goden stoorden. Voor de ondergang van Atlantis waren echter groepen van kolonisten naar andere werelddelen getrokken. De grootste leider van hen, die een groep naar Centraal-Azië bracht, wordt door de Indiërs MANU genoemd.

De Oud-Indische cultuurperiode begon omstraaks 8000.jaar vóór de geboorte van Christus.
In de Indische sagen wordt de stichter van de Indische cultuur  Manu,  de “Vader der Mensheid” genoemd.

Hoe Plato over Atlantis schrijft (Kritias en Timaios)

“De mijnen schonken edele metalen en smeltbare ertsen, waaronder een soort koper, die nu nog enkel in naam bekend is en na ’t goud als ’t kostbaarste metaal gold. De bossen verschaften hout voor allerlei bouwwerken en voedsel voor wilde en tamme dieren in grote kudden. Zo waren er talrijke olifanten, want er groeide rijkelijk voedsel in moerassen, vijvers en stromen, op de bergen en in de vlakten, niet alleen voor vele kleine diersoorten, maar ook voor de grootste en vraatzuchtigste. De gehele natuur was van welriekende geuren vervuld, die de aarde door haar planten, bloemen en vruchten uitademde, en ook bloeide daar een heerlijke veldvrucht, een boom die spijs, drank en kostelijke olie voortbracht, ooft en zoete versnapering, die de maag van de verzadigde tot lokkende verkwikking dient. Dat alles werd in rijke overvloed voortgebracht door het eiland, dat toenmaals in het koesterende zonlicht baadde. Daar de aarde de mensen alles schonk, bouwden zij tempels en paleizen, havens en schepen, doch tevens bebouwden zij het ganse land……Doch toen de van de godheid afstammende verheven eigenschappen door de voortdurende menging met de kinderen der sterfelijken begonnen te verminderen en de al te menselijke eigenschappen boven kwamen en op de karakters der mensen de overhand kregen, toen waren zij niet meer bij machte hun geluk te dragen en zij ontaardden……
Doch de over allen regerende Godenvader zag in hun verstokte harten en zijn toorn werd opgewekt, toen hij hun verheven geslacht zo ontaard bevond; hij wilde hen laten boeten……

VOOR-INDIE

Voor-Indië is een groots land met enorme vruchtbaarheid en levenskrachten. Een weelderige plantengroei overdekt ’t land. Machtige oerwouden wisselen af met vruchtbare vlakten, begroeid met allerlei soorten bomen, heesters en bloemen. Alle klimaten van pool-tot woestijnklimaat zijn in Indië te vinden, alle belangrijke plant- en diersoorten, alle huidskleuren onder de bevolking komen daar voor. Indië is als het ware één gehele aarde in ’t klein. Krachtige olifanten, ranke herten en glanzende tijgers bevolken ’t oerwoud. Veelkleurige slangen, metaal-blauwe pauwen, bonte vlinders en manenloze woestijnleeuwen leven er. In ’t noorden sluit een duizelingwekkend hoog gebergte de horizon af. De Himalaya met zijn 8000m. hoge toppen wordt ’t “dak der wereld” genoemd.
In ’t zuiden, gevormd als een puntig olifantsoor, woonde een donkerkleurige bevolking.Tussen ’t hoge noorden en ’t bergachtige zuiden liggen de grote vlakten van de rivieren Indus en Ganges.

De scharen van Manu kwamen uit ’t noorden in Indië binnen. De oer-Indiërs behoorden tot het ras der Ariërs. Zij waren rijzig en schoon van gestalte blank van huid, blond van haar en blauwogig. Het Sanskrit heeft ‘nobel’, ‘rein’, ‘puur’. Zij leidden een zwervend leven en trokken met hun kudden in het land rond.

’s Zomers zochten zij de koele bergen en ’s winters de zoele vlakten op. De zomer kan in Voor-Indië een kwelling zijn: de verschroeiende zon en stofregens doen de mens smachten naar het koele licht van de maan. De regentijd brengt nieuwe groeikracht en de zware donderslagen die deze tijd inluiden worden met vreugde begroet. De dondergod Indra is een van de meest geliefde goden geweest bij de oude Indiërs.
De Indiërs waren eenvoudig gekleed in katoen en linnen. Zij woonden in ronde katoenen tenten met een paal in het midden. Iedere dag offerden zij op hun huisaltaar aan de god Agni, de gcd van het reinigende vuur, die bemiddelaar was tussen goden en mensen. Het voedsel dat zij tot zich namen, bestond uit melk en melkgerechten, wortels en vruchten. Nooit doodden zij een dier; zij beschouwden het als hun vriend.

De taal van de Indiërs heet SANSKRIT en is aan de onze verwant. Nog steeds is deze taal in gebruik bij de priesters en alle heilige liederen, hymnen en gedichten zijn in ’t Sanskriet opgetekend. Vele woorden in ’t Sanskrit kan men terugvinden in Grieks en Latijn en in onze eigen taal.

Veltman blz. 2

Langs de rivier de Indus trokken de oer-Indiërs steeds meer naar ’t zuiden. Zij kwamen daar in aanraking met de zwarte bevolking die in versterkte steden woonde.
De steden der zwarten werden veroverd, de Indiërs begonnen de grond te bebouwen en leidden geen zwervend leven meer…Manu had de leiding overgedragen aan de zeven Wijzen, de heilige Rishi’s geheten. Het volk werd zeer streng gescheiden in 4 kasten of standen die zelfs verschillend van huidskleur waren

1.BRAHMAN      (priesters)                 blank
2.KSHATRIJA’S (ridders)                    rood
3.VAISIJA-S        (handwerkslieden) bruin
4.SUDRA-S          (boeren)                    zwart
het is mij niet bekend of dit klopt

Buiten de kasten stonden de PARIA’S (onreinen), de nakomelingen van de donkere oerbevolking. Het was de leden van een kaste streng verboden om met een lid van een andere kaste te trouwen of mee om te gaan. Een lid van een kaste voelde zich zelfs verontreinigd wanneer hij werd geraakt door de schaduw van een Paria.

De oudste geschriften der Indiërs zijn heilige boeken en heten VEDA’S (heilig woord). Zij bestaan uit een verzameling heilige liederen, gebeden en offerspreuken. Later zijn boeken met geheime priesterwijsheid (UPANISHADS) opgeschreven.
Later zijn zeer grote dichtwerken ontstaan in de z.g. heldentijd, een verzameling godensagen en lotgevallen van Indische helden.

Het RAMAIJNA behandelt de geschiedenis van de held RAMA, die zijn schone vrouw moest terugveroveren op een boze demon. Het MAHABHARATA behandelt in hoofdzaak de strijd van de held ARDJHUNA en zijn 4 broers tegen de 100 Korawa’s.

Het schoonste deel van dit heldendicht, dat meer dan 100.000 SHIOKA’S ( = 2-regelig vers) telt heet het BHAGAVAD-GITA (het lied van God) en handelt over een tweegesprek tussen de held ARDJHUNA en KRISHHA, een als koningszoon vermomde god, aan de vooravond van de geweldige 18-daagse veldslag. Behalve de strijd van de PANDU’s en KURU’s zijn er nog andere prachtige verhalen in het Mahabharata te vinden, bv. dat van NALA EN DAMAlJANTI, SJIWA en PARVATI, SAVITRI en IJAMA.

De belangrijkste goden der Indiërs waren

BRAHMA, de Schepper
VISHNU, de Behoeder en
SHIVA, de Vernietiger van het Heelal

Later werden deze goden als een Drie-eenheid beschouwd. Maar ook vereerden de Indiërs vele lagere goden:

AGNI , de god van het vuur
INDRA, de dondergod
VARUNA, de god der wateren
VAIJU, de god der winden
IJAMA , de god des doods
SURIJA, de zonnegod
SOMA , de maangod
KALI, god van de duisternis en boosheid.

Verder was hun hemel gevuld met een onnoemlijk aantal lagere goden, demonen en andere wezens.

In Indië is alles ruim, breed, groot en ingewikkeld: de tempels gelijken een opeenstapeling van beelden en ornamenten, de gedichten zijn honderdduizend regels lang, een koning heeft soms zestigduizend zonen, een held leeft elfduizend jaar.
Alle kunst, alle maatschappelijke verschijnselen, zijn echter doortrokken van één machtig beginsel: het goddelijke.

In de lange geschiedenis van de Indiërs is er één mens geweest, die zo hoog in zijn ontwikkeling was gestegen, dat hij na zijn leven niet terug behoefde te komen.
Deze mens is de Buddha geweest. In zijn laatste leven werd hij geboren als prins in een vorstelijk geslacht; hij leerde bijtijds zijn taak kennen, zei het hofleven vaarwel en zocht de eenzaamheid.
Na grote beproevingen en vele moeiten, werd hem de “Grote Verlichting” ten deel (d.i. de hoogste wijsheid, die een mens met hulp van de goden op aarde kan verwerven). Hierdoor werd hij tot Buddha. Na zijn dood steeg hij op naar het NIRVANA, d.w.z. hij was van zijn levens op aarde verlost en rustte in de schoot van Brahma. De leer die hij predikte wordt Buddhisme genoemd.

Van Buddha
De mens die men in de geschiedenis de Buddha noemt, heeft ongeveer van 550-470 v.Chr. in Indië geleefd. Naar de overlevering verteld, is hij in de stad Kapilarasthu geboren, als zoon van koning Suddhodana en koningin Maya. Prins Siddharta groeide op in weelde en pracht (zijn vader trachtte alles, wat zijn zoon aan het denken kon brengen, van hem weg te houden).Vergeefs!
Op enige tochten in de zorgvuldig gereinigde stad zag hij een oude, een  zieke, een.dode en een bedelmonnik. Zijn wagenmenner lichtte hem in. Prins Siddharta ging nadenken over het leven en hij herkende zich als een Bodhisatwa(=hij,die een Buddha moet worden). Hij liet rijk, ouders en zijn vrouw Gopa en zijn bezittingen achter, trok de bergen in als bedelmonnik en bereikte door grote krachtsontplooing de staat van “Verlichting”. Nadien predikte hij zijn leer met zijn leerlingen van stad tot stad trekkend. Zijn lievelingsleerling heette Ananda. Op tachtigjarige leeftijd stierf Buddha. Zijn preken en spreuken zijn later opgetekend.
Buddha’s leer heeft zich verbreid over geheel Voor-Indië; men werd zijn volgeling tot in het verre China, Japan en Tibet, zelfs tot in Maleise eilanden. De leer van Buddha was niet vijandig aan de oude godsdienst der Brahmanen, maar de verschillen in Kaste werden opgeheven.

Ieder mens, koning of knecht, priester of boer, kon het ‘pad des heils’ betreden.

De Indiërs hebben de wereld niet veroverd, maar Buddha’s leer drong zonder geweld tot ver over de grenzen. Onderling voerden de Indische koninkrijken wel strijd. Zij waren zwak en geraakten onder de heerschappij van Perzen, Grieken en Mongolen, ten laatste onder de Engelsen.

De grote Gandhi heeft Indië vrij van Engeland trachten te maken zonder geweld. Door de geestkracht van zijn werk werd Indië na de 2e wereldoorlog inderdaad vrij.

Veltman blz. 3

Voor de leerkracht:

Het is interessant dat India niet slechts in de ruimte een afspiegeling van de gehele aarde is, maar ook in de tijd spiegelt de Indische geschiedenis de andere cultuurperioden.

Veltman blz. 4Dan komen de Engelsen in het etherisch rijke Indië. Het is niet toevallig dat zij als dragers van het 5e cultuurtijdperk zich zo diep met India verbonden hebben!

HYMNE AAN AGNI (rig-veda)

O AGNI, HEILIG VUUR,
STRALEND IN REINE GLANS,
GIJ ZUIVERT ONS LEVEN.
GEEF  ONS VOEDSEL EN KRACHT.
BESCHERM ONS EN WEER HET ONGELUK AF!
GIJ OMVAT ALLE GODEN
ALS EEN RAD DE SPAKEN
GIJ ZIJT ONZE PRIESTER!
WIJ LOVEN U, AGNI,
GIJ GLANZENDE, STRALENDE!
HOOR ONZE BEDE…..

TEKST UIT DE UPANISHADS.

“GIJ, BRAHMA, ZIJT VROUW, GIJ ZIJT MAN
GIJ ZIJT DE DONKERBLAUWE BIJ EN DE GROENE PAPEGAAI
MET RODE OGEN. UW KIND IS DE BLIKSEM. GIJ ZIJT DE SEIZOENEN EN DE ZEEËN. GIJ HEBT GEEN BEGIN, GIJ DOORDRINGT ALLES, EN ALLES IS GEBOREN UIT U!”

BRAHMAANS GEBED (bij ’t opstaan)

BHUMA KSHAMAMI (aarde vergeef mij).

Veltman blz. 5HET HEILIGE WOORD ‘OM’ (AUM)

UIT HET BHAGAVAD-GITA , 11e zang

“Heer” sprak ARJHUNA, “indien gij meent, dat ik het verdragen kan, openbaar dan Uw eeuwige zelf aan mij!”
“Aanschouw dan, o prins, mijn duizenden vormen, aanschouw het heelal, dat in mij besloten is. Ik zal U het hemelse gezicht verlenen”, sprak KRISHNA.

Toen openbaarde VISHNU zich aan KUNTI’s zoon, met vele monden en ogen, vele wonderbaarlijke gezichten, vele hemelse versierselen en wapenen, bloemen en gewaden, gezalfd met zalven van hemelse geur, vol wonderbaarlijkheid, glanzend en eindeloos, met vele gelaten naar alle kanten gewend. Zijn schittering was als de schittering van duizend zonnen. En in dat lichaam zag Arjhuna het ganse heelal in al zijn onderdelen tot één verenigd. Zijn haren rezen te berge, hij boog het hoofd en sprak met gevouwen handen vol verbazing:

“Mijn God ik aanschouw U en alle goden zie ik in uw lichaam, elk naar zijn rang en alle schepselen; ik zie BRAHMA, tronend op zijn lotosbloem, en alle wijzen en de heilige slangen, oneindige vorm, ik vind aan u geen grenzen; ontelbaar zijn uw armen, magen, monden, ogen. Aan U is geen begin, geen midden en geen einde!
Gij zijt onverwoestbaar en onvergankelijk. Zon en maan zijn uw ogen, het vlammende vuur is uw mond. Gij vervult de vier hoeken des hemels en de ruimte tussen hemel en aarde. In u treden de scharen der DEVA’s binnen met gevouwen handen, vrede roepend. De RISHI’S en de heiligen zingen Uw lof met heilige zang.
Nu zie ik u, o VISHNU,  alomtegenwoordig, de hemel steunend in duizend kleuren, met opengesperde monden en vlammende ogen, nu beeft mijn hart, mijn rust is heengegaan.Vreselijk zijn uw monden met knarsende slagtanden, gloeiend als vuren op de dag des oordeels.
Wees mij genadig god der goden, toevlucht van het heelal! De zonen van DHRITARASHTRA, en menig koning; BHISMA, DRONA, KARNA, en ook vele vrienden zie ik uw vreselijke monden binnengaan, als motten die zich haasten naar het vuur tot hun vernietiging, zo zwermen deze helden uw monden binnen. Zeg mij, wie gij zijt, o vreselijke, o god der goden. Genade! Heer, uw wegen zijn voor mij verborgen!”

BUDDHA VERTELDE OVER ZICHZELF:

Ik groeide op, door zorgen omringd.
In de tuin van mijn vader waren vijvers met blauwe, witte en rode lotosbloemen – slechts voor mij bestemd. De fijnste reukwerken uit Benares, de fijnste zijden stoffen, alles was voor mij. Dag en nacht werd een wit scherm boven mij gehouden, opdat ik geen last zou hebben van hitte en stof. Ik had drie paleizen voor mij alleen: een voor de winter, een voor de zomer en een voor de regentijd en de bajaderen dansten voor mij. Zo levend in rijkdom, pracht en praal, kwam de gedachte bij mij op: Ook ik ben overgeleverd aan ouderdom, ziekte en dood! Moet ik daar nu van schrikken? Toen week de glans der jeugd, de schijn van gezondheid en kracht van mij en zo trok ik na korte tijd heen; ondanks mijn krachtig lichaam, mijn schone donkere lokken ging ik heen, tegen de wil van mijn vader en ondanks de smart van mijn vrouw. Met geschoren hoofd en in het gele kleed van de boetvaardige, verliet ik alles en zocht de eenzaamheid.

UIT BUDDHA1S LEVEN ZOALS DE INDIËRS HET VERTELLEN.

Van de goden kreeg de Bodhisatwa voor zijn geboorte deze opdracht:

“HET IS TIJD NEDER TE DALEN EN BUDDHA TE WORDEN TENEINDE OUDERDOM, ZIEKTE EN DOOD TE OVERWINNEN. EN DE DORSTIGE WEZENS DER WERELD HET WATER VAN DE ONSTERFELIJKE ZALIGHEID TE BRENGEN”!”

De pasgeboren Buddha deed zeven passen naar alle windstreken en sprake

“IK BEN DE EERSTE IN DE WERELD.  IK BEN DE GROOTSTE IN DE WERELD. DIT IS MIJN LAATSTE GEBOORTE. IK ZAL EEN EIND MAKEN AAN HET LEED VAN ZIEKTE’, OUDERDOM EN DOOD!”

Uit het snarenspel der Bajaderen klonk Prins Siddharta tegen:

“DE TIJD IS VOOR U GEKOMEN, O.HEER! LAAT NEERDALEN HET WATER VAN DE ONSTERFELIJKE ZALIGHEID, OM DE DORSTIGE WEZENS DER WERELD TE VERKWIKKEN! SNEL ONTVLIEDEN DE MENS DE VREUGDE DER JEUGD, ALS EEN SNELLE BERGRIVIER. ZIJ VERDWIJNEN ALS EEN WOLK IN DE HERFST, WEZENLOOS ALS EEN LUCHTSPIEGELING IN DE WOESTIJN, ALS SCHUIM, ALS EEN ECHO, ALS EEN DROOM!”

Toen de heilige Buddha was heengegaan, beefde de aarde, de donder rolde en Brahma sprak:

“AFLEGGEN ZULLEN ALLE WEZENS DEZER WERELD HUN LICHAAM, ZOALS DEZE GROTE MEESTER, DE ONVERGELIJKELIJKE, DIE DE WEG VAN BUDDHA GING,DE HEER DER KRACHTEN, DIE VOLLEDIG ONTWAAKT HET NIRWANA INGING.”

Toen de heilige in het Nirwana binnenging, sprak de eerbiedwaardige ANANDA:

“ER WAS EEN HEILIGE SCHRIK, EEN HEILIGE HUIVERING BEEFDE DOOR DE WERELD, TOEN DE ONTWAAKTE, DIE VOOR ONS HET OERBEELD VAN HET HOOGSTE EN SCHOONSTE WAS, HET-NIRWANA BINNENGING!”

 

Veltman blz. 9

Veltman blz. 7

Veltman blz. 6

Veltman blz. 8

 

Veltman blz. 10Dit kaartje niet!

Veltman blz. 11Ook dit lijkt me niet zinvol

En deze ook niet:

Veltman blz. 12

5e klas: geschiedenis: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas – geschiedenis India

5e klas: alle artikelen

878

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over schrijven en lezen (4)

.

tekst in blauw van mij; in groen van Steiner; in zwart de vertaling daarvan. ‘Niet vertaald’ wil zeggen: er is geen officiële vertaling; deze vertaling is dan van mij. Verbetersuggesties welkom: pieterhawitvlietatgmailpuntcom

.

Waldorf ~ 1st grade ~ Letter: T ~ Table:

Tafel = T
.
Deze en onderste illustratie zijn niet van Steiner
.

tekst in blauw van mij; in groen van Steiner; in zwart de vertaling daarvan. ‘Niet vertaald’ wil zeggen: er is geen officiële vertaling; deze vertaling is dan van mij. Verbetersuggesties welkom: pieterhawitvlietatgmailpuntcom

HOOFDLETTER/KLEINE LETTER


In de vertaling van GA 294, de uitgave van 1987, is een voetnoot (nr 2) opgenomen:=
=In het Duits wordt als voorbeeld de f van Fisch gebruikt. Rudolf Steiner ging dus uitdrukkelijk uit van geschreven of kleine letters. Pas later kwam de ommezwaai naar hoofdletters.=

De Duitse uitgave van 1966 heeft deze voetnoot niet.

Ik weet niet waarop de vaststelling ‘ging uitdrukkelijk van geschreven of kleine letters uit’ is gebaseerd. De f op blz.9, lijkt een kleine letter te zijn;

GA 294 blz. 9

maar in de andere voordrachten waarin Steiner de F als voorbeeld neemt, zie je toch een hoofdletter.
Als de voetnoot hierop duidt, is er sprake van ‘pas later’, maar in dezelfde GA 294 is een paar dagen later de B als voorbeeld een duidelijke hoofdletter.

GA 294 blz.69En in de 1e voordracht hierin is ook sprake van het lezen van het woord KOPF, duidelijk met hoofdletters, op blz. 13 al; dat noopt niet tot een opmerking: ‘pas later kwam de ommezwaai naar hoofdletters’.

GA 303/165

GA 303 blz.165

 


GA 304a/175

GA 304A blz 175


GA 305/98

blz. 98


GA 306/81

GA 306 blz.81

 


GA 307/156

blz. 156a


GA 309/57

GA 309 blz. 57 1


GA 310/58

GA 310 blz. 58 2

 


GA 311/32

GA 311 blz. 32 2

Het ligt niet voor de hand dat Steiner eerst ‘uitdrukkelijk’ de kleine letter in gedachten had. Nadat hij heeft laten zien hoe je uit het beeld (van de Fisch) de klank = f = hebt aangeleerd (in Steiner over schrijven en lezen 5 – nog niet oproepbaar) zegt hij:


Du lernst also kennen das Zeichen für das Fischsprechen im Anfange.

Je leert dus kennen het teken voor het begin van het woord Fisch.’ wanneer je dat uitspreekt
GA 294/10
vertaald/11 (1)

Je leert dus het teken voor het begin van het woord. Het teken is niet de klank, – dan is dat dus het letterteken – aan het begin van het woord. Dat is in het Duits een hoofdletter.

Op blz. 59 van de vertaling spreekt Steiner over ‘BAD’ en op blz.62 over ‘OVEN’ en ‘VOGEL’ (vert. voor het voorbeeld REBE, BÄR) waarbij de letters in hoofdletters in de voordracht worden weergegeven, waarbij  Steiner de B ook in het midden van een woord laat verschijnen.
Een duidelijker bewijs dat het hem om de hoofdletter gaat, is er niet!

En dit wordt nog versterkt door het voorbeeld van de A die overduidelijk een hoofdletter is:

GA 294 blz.73

GA 294/63
vertaald/63 (1)

De keus voor de hoofdletter is logisch vanuit het Duits, waar de zelfstandige naamwoorden met een hoofdletter worden geschreven.

Maar dat is het niet alleen. Op veel plaatsen wijst Steiner op het ontstaan van het schrift en de vormen zoals wij die nu kennen. Die komen uit het oorspronkelijke Latijnse schrift.
De vraag naar het uitgangspunt voor de lettervormen beantwoordt Steiner met:

 Ja, die lateinische Schrift ist der Ausgangspunkt, weil diese die charakteristischen Formen enthält.Und dann erst, wenn es nötig wird, geht man über auf die deutsche, die gotische Schrift, die eigentlich ganz verschwinden sollte.


Ja, het Latijnse schrift is het uitgangspunt, omdat dit de karakteristieke vormen bevat. En pas als het nodig is gaat men over op het Duitse, het Gotische schrift, dat eigenlijk helemaal zou moeten verdwijnen.
GA 295/20
vertaald/20 (3)

=

Het Latijnse schrift bevatte eerst alleen hoofdletters. Kleine letters bestonden nog niet.

Het eerste schrijfonderwijs ziet Steiner nog niet zo als ‘schrijven’. (Zie opm. GA 297/25). Hij wil het kind laten kennis maken met een beeld. Een beeld dat een letter gaat worden. En waarbij een klank hoort.
Op verschillende plaatsen onderbouwt hij het waarom daarvan met menskundige gezichtspunten. (nog niet oproepbaar).

Hier volgen de belangrijkste opmerkingen van Rudolf Steiner over het begin van het schrijfonderwijs:

So werden wir herausholen aus dem zeichnerischen Element zuerst die Schreibformen der Buchstaben, dann die Druckformen. Wir wer­den das Lesen aufbauen auf dem Zeichnen.

.

Zo zullen we uit het tekenen eerst de geschreven vormen van de letters ontwikkelen, dan de gedrukte. We zullen het lezen daaraan vastknopen.
GA 294/11
vertaald/12 (1)

=

(  ) Wir erteilen den Schreibunterricht so, daß wir ihn vom Zeichenunterricht ausgehen lassen, daß wir zunachst nicht auf Buchstaben Rücksicht nehmen, sondern Formen zeichnen lassen.

 

We geven de schrijfles zo, dat we deze vanuit het tekenonderwijs beginnen, dat we niet meteen rekening houden met letters, maar vormen laten tekenen.
GA 297/108
Niet vertaald

=

Wir beginnen nicht etwa damit, daß wir dem Kinde das Schreiben so beibringen, daß wir es die Buchstaben lehren. Wir lehren daher schreiben, indem wir ausgehen vom Zeichnen oder gar vom Malen von anschaubaren Formen. Wir bringen zunächst etwas, was ein künstlerisches Element ist, an das Kind heran und entwickeln dann aus dem Künstlerischen heraus, aus dem Zeichnen, aus dem Malen, die Formen der Buchstaben

.

We beginnen er niet mee, als we het kind leren schrijven, om het letters aan te leren. We leren het schrijven aan door uit te gaan van het tekenen of zelfs het schilderen van aanschouwelijke vormen. We geven het kind eerst iets kunstzinnigs en uit dit kunstzinnige, uit het tekenen, uit het schilderen, ontwikkelen we dan de vormen van de letters.
GA 297/258
Niet vertaald

=

(  )  Wir lehren nicht das Lesen und Schreiben, wie man das gewöhnlich tut, sondern wir gehen bei unserer Methode von dem Kindlich-Künstlerischen aus. Wir beginnen überhaupt nicht mit dem Lesen, nicht einmal mit dem Schreiben im gewöhnlichen Sinne des Wortes, sondern mit einer Art malendem Zeichnen, zeichnendem Malen. ( ) Dann führen wir all­mählich das, was aus dem Künstlerischen herausgeholt ist, über in die Buchstabenformen zuerst durch das Schreiben, und vom Schrei­ben aus gehen wir erst zum Lesen über. Das ist unser Ideal.

 

Wij leren het lezen en schrijven niet aan, zoals dat gewoonlijk gedaan wordt, maar we gaan bij onze methode uit van wat kinderlijk-kunstzinnig is. We beginnen helemaal niet met lezen, niet eens met schrijven in de gewone zin van het woord, maar met een soort schilderend tekenen of tekenend schilderen. ( ) Dan leiden we, wat we uit het kunstzinnige gehaald hebben, over naar de lettervormen, eerst door ze te schrijven  en van het schrijven gaan we pas naar het lezen. Dat is ons ideaal.
GA 297a/25
Niet vertaald

=

Aus dem Künstlerischen gehen wir vor, aus dem Künstlerischen holen wir zuerst das Schreiben, dann das Lesen heraus. Dadurch entsprechen wir wirklich dem, was im Kind liegt.

Wij beginnen met het kunstzinnige; uit het kunstzinnige halen we eerst het schrijven, dan het lezen. Daarmee doen we overeenkomstig met wat in het kind besloten ligt.
GA 297a/57
Niet vertaald

=

So gehen wir in der Stuttgarter Waldorfschule nicht vom Lesen-lernen oder gewöhnlichen Schreibenlernen aus, sondern künst­lerisch von einem Malerischen, von einem Zeichnerischen. Wir ent­wickeln die Buchstabenformen erst aus diesem Zeichnerischen heraus, entwickeln überhaupt zuerst auf diese Weise aus dem Künstlerischen heraus. Wir lassen das Kind auch mit Farben hantie­ren – wenn das auch schwieriger ist und erst aus dem Schmutzigen heraus entwickelt werden muß. So beginnen wir mit dem Künst­lerischen und entwickeln daraus das Schreiben und dann erst das Lesen. Und so soll überhaupt ein Künstlerisches über den ganzen Unterricht ausgegossen werden.


Zo gaan we op de vrijeschool niet uit van het leren lezen of op de gebruikelijke manier leren schrijven, maar vanuit het kunstzinnige, vanuit het schilderen, vanuit het tekenen. We ontwikkelen de lettervormen pas uit dit kunstzinnige element, dus eerst op deze manier, uit het kunstzinnige. We laten het kind ook verfkleuren gebruiken – ook als dat moeilijker is en eerst het morsen* overwonnen moet worden. Dus we beginnen met het kunstzinnige en ontwikkelen daaruit het schrijven en dan pas het lezen. En zo moet er dus over heel het onderwijs iets kunstzinnigs gegoten worden.
GA 297a/148
Niet vertaald

=

Man kann nicht mit dem Lesen beginnen und nicht mit den Buchstabenformen, die in ihrer heutigen Gestalt dem inne­ren Erleben des Menschen fremd sind. Man muß mit einer Art malendem Zeichnen beginnen. Das Kind muß Formen malen und zeichnen, die so ähnlich gewissen Vorgängen und Dingen sind, wie die Zeichen in der Bilderschrift vorzeitiger Völker waren. Bild muß zuerst sein, was das Kind von den Dingen und Vorgängen der Welt fixiert. Dann sollte man vom Bilde zum Buchstabenformen überge­hen, wie die Bilderschrift sich in die abstrakte Zeichenschrift hinein entwickelt hat. Erst wenn das Kind auf diese Art vom malenden Zeichnen zum Schreiben gekommen ist, sollte man zum Lesen übergehen.

.

Je kunt niet met lezen beginnen en niet met de lettervormen die in hun tegenwoordige gedaante vreemd zijn voor de innerlijke beleving van de mens. Je moet met een soort schilderend tekenen beginnen. Het kind moet vormen schilderen en tekenen die nog lijken op bepaalde processen en dingen zoals de tekens in het beeldenschrift van vroegere volkeren. Eerst moet het beeld er zijn van wat het kind van de dingen en processen in de wereld vasthoudt. Dan moet je vanuit dit beeld overgaan naar de lettervorm, zoals het beeldschrift zich tot het abstracte symboolschrift heeft ontwikkeld. Pas wanneer het kind op deze manier vanuit het schilderende tekenen tot schrijven is gekomen, moet je overgaan op het lezen.
297a/168
Niet vertaald

=

Im kindlichen Zeichnen, ja selbst im primitiven Malen kommt der ganze Mensch zur Entfaltung eines Interesses an dem, was er tut. Man sollte deshalb das Schreiben aus dem Zeichnen heraus entstehen lassen. Aus Formen, an denen der kindlich-künstlerische Sinn des Kindes zur Geltung kommt, entwickle man die Buchstabenformen. Aus einer Beschäftigung, die als künstle­risch den ganzen Menschen zu sich heranzieht, entwickle man das Schreiben, das zum Sinnvoll-Intellektuellen hinführt. Und erst aus dem Schreiben heraus lasse man das Lesen erstehen, das die Aufmerksamkeit stark in das Gebiet des Intellektuellen zusammenzieht.


(bovenstaand citaat is ook te vinden in GA 300b/13)

In het kinderlijk tekenen, ja zelfs in het onbeholpen schilderen, ontplooit de hele mens zijn interesse bij wat hij doet. Daarom zou je het schrijven uit het tekenen moeten laten ontstaan. Uit vormen waarbij de kinderlijke kunstzin tot zijn recht kan komen, ontwikkel je de vormen van de letters. Uit een bezigzijn dat als iets kunstzinnigs de hele mens erbij betrekt, zou je het schrijven moeten ontwikkelen, dat tot iets zinvol intellectueels leidt. En pas vanuit het schrijven laat je het lezen ontstaan, waarbij de aandacht sterk op het intellectuele komt te liggen.
GA 298/13
Niet vertaald

=

Wir gehen – ich will das nur erwähnen – davon aus, daß wir das Kind zuerst gewisse Formen zeichnen lassen, damit sich aus diesen Formen diejenigen entwickeln, die in den Buchstaben liegen. Wir lassen das Kind vom Schreiben ausgehen, um ins Lesen hineinzukommen. Denn je mehr man ausgeht von dem, was im ganzen Menschen begründet ist, desto besser ist es für die Entwicklung des Kindes.

.

We gaan – dat wil ik slechts opmerken – ervan uit dat wij het kind eerst bepaalde vormen laten tekenen, opdat zich uit deze vormen ook die vormen kunnen ontwikkelen die in de letters zitten. Wij laten het kind van het schrijven uitgaan om zo bij het lezen te komen. Want hoe meer je uitgaat van wat de hele mens als aanleg heeft, des te beter het voor de ontwikkeling van het kind is.
GA 298/73
Niet vertaald

=

Von dem, was das Kind gerne hinzeichnet, was es aus seinem ganzen Wesen heraus macht, muß man es vernünftig, verständig hinüberführen zu den Buchstabenformen. Dann erst kann man das Lesen daraus entwickeln.
GA 298/74
.

Van wat het kind graag tekent, wat het vanuit zijn hele wezen graag doet, moet je met tact, verstandig overleiden naar de lettervormen. Dan pas kun je daaruit het lezen ontwikkelen.
GA 298/73
Niet vertaald

=

Sie wissen ja, wir beginnen nicht so mit dem Lesen- und Schreibenlernen, wie das heute vielfach geschieht. Wir entwickeln, indem wir mit dem Schreibenlernen beginnen, die Buchstabenformen, die sonst dem Kinde fremd sind, aus dem heraus, zu dem das Kind mit in­nerem Behagen sich hinwendet aus einer Art künstlerischer Tätigkeit, künstlerischem Formensinn.

.

U weet wel dat wij niet op die manier met lees- en schrijflessen beginnen, zoals dat tegenwoordig veel gebeurt. Wij ontwikkelen, wanneer we met leren schrijven beginnen, de lettervormen die anders een kind vreemd blijven, uit iets waar een kind zich met voldoening op richt, uit een soort kunstzinnig werken, uit een kunstzinnig vormgevoel.
GA 298/129
niet vertaald

=

Man sollte das Lesen sehr stark aus dem malenden Schreiben herausarbeiten. Die Formen müßte man aus dem Künstle­rischen heraus ableiten.    

.

Je zou het lezen zeer sterk uit het schilderende schrijven moeten ontwikkelen. De vormen zou je uit het kunstzinnige moeten afleiden.
GA 300a/96
Niet vertaald

=

Bringen wir deshalb an das Kind, so wie es heute ist, das heran, was nun schon unsere konventionelle Schrift geworden ist, so wirken wir doch nur auf den Intellekt. Deshalb sollen wir ausgehen nicht vom eigentlichen Schreibenlehren, sondern ausgehen von einem gewissen künstlerischen Erfassen derjenigen Formen, die dann in der Schrift, auch in der Druckschrift, zum Ausdrucke kommen.


Brengen we aldus het kind zoals het nu is, bij, wat nu dan ons conventionele schrift geworden is, dan werken we toch alleen maar op het intellect. Daarom moeten we niet uitgaan van het feitelijk leren schrijven, maar van een zeker kunstzinnig pakken van die vormen die dan in het schrift, ook in het drukschrift tot uitdrukking komen.
GA 301/79
Niet vertaald

=

( ) es ist durchaus notwendig, gerade um das siebente, achte Lebensjahr nicht von einer intellektuellen Erziehung auszugehen, sondern von einer mehr ins Künstlerische hineingehenden Erziehung. So daß man zum Beispiel nicht das Schreiben auf intellektuelle Weise beibringt aus den Buchstabenformen heraus, sondern beibringt nach und nach aus einer Art primitiven Zeichnens.

.

( ) het is beslist nodig, juist rondom het zevende, achtste jaar, niet van een intellectuele opvoeding uit te gaan, maar van een die meer naar de kunstzinnige kant gaat. Zodat je bv. het schrijven niet op een intellectuele manier uit de lettervormen haalt, maar stap voor stap uit een soort eenvoudig tekenen.
GA 301/234
Niet vertaald

=

 Und wenn wir dann nicht zum abstrakten Zeichen, sondern zum Bild gehen im Schreiben- und Lesenlernen, so entfernen wir uns dadurch, daß es sein Wesen betätigen muß, nicht von seinem Wesen; wir lassen es nicht sich ganz entfernen von dem, was sein Wesen ist. Wir bringen übend und anstrengend das dem ganzen Menschen bei.

.

Als we dan niet naar abstracte tekens toe gaan, maar naar het bééld bij het leren schrijven en lezen, dan verwijderen we ons door het feit dat hij (het kind) zijn wezen actief moet inzetten, niet van zijn wezen; we laten hem (het kind) zich niet geheel en al verwijderen van wat zijn wezen is. Oefenend en door inspanning brengen we hem de gehele mens bij.
GA 302/129
vertaald/127

=

Erst auf künstlerische Weise das Schreiben beibringen, und dann übergehen zuerst zum Lesen von Geschriebenem und dann allmählich zum Lesen, da es schon sein muß, von Gedrucktem.
GA 303/170

.

Eerst op kunst­zinnige wijze het schrijven aanleren, dan allereerst overgaan tot het lezen van het geschreven woord, en vervolgens langza­merhand tot het lezen — als dat dan zo nodig moet — van het gedrukte woord.
vertaald/185

=

Das führt dazu, wenn wir die Kinder hereinbekommen in die Wal­dorfschule, daß wir alles zunächst, was wir an die Kinder heranbringen, aus dem Künstlerischen heraus arbeiten. Konkret gesprochen : wir beginnen nun nicht beim Lesen, sondern beim Schreiben; allein das Schreiben darf nicht in irgendein intellektuelles Verhältnis zum Kinde gebracht werden, sondern wir beginnen zunächst damit, daß wir das Kind Formen malen und zeichnen lassen, die eigentlich aus seinem menschlichen Wollen wie von selbst hervorgehen.

.

Dat leidt ertoe, dat wanneer we de kinderen bij ons op de vrijeschool krijgen, we eerst alles wat we het kind aanreiken, uit het kunstzinnige halen; concreet: we beginnen nu niet bij het lezen, maar bij het schrijven; alleen, het schrijven mag niet in een of andere intellectuele verhouding tot het kind komen te staan, maar wij beginnen eerst het kind vormen te laten schilderen en tekenen, die in wezen van zelf uit zijn menselijke wil tevoorschijn komen.
GA 304/152
Niet vertaald

 

=

Wir müssen wieder dazu zurückkehren, dem Kinde zunächst dasjenige, was es auszudrücken hat, im Bilde auszudrücken. Das können wir nur, wenn wir nicht beim Schreiben beginnen, und auch nicht beim Lesen, sondern wenn wir beim Malen beginnen. Und so unterrichten wir so, daß wenn das Kind in die Volksschule hereinkommt, wir es zunächst an die Farben heranbringen. Es ist unbequem, die Kinder machen alles schmierig, aber dem muß man sich fügen. Das Kind lernt die Farben behandeln, und man kann es über die Farbe hin zu den Formen bringen. Es kommen, wenn der Lehrer dazu die Fähigkeit hat, allmählich aus den Formen, die die Gegenstände bedeuten, allmählich die Formen der Buchstaben heraus. Dann bekommt das Kind dazu ein Verhältnis.

.

We moeten er weer naar terugkeren om voor het kind dat wat het moet gaan uiten, in een beeld te brengen. Dat kunnen we alleen, wanneer we niet met schrijven beginnen en ook niet met lezen, maar wanneer we met schilderen beginnen. En dus geven we zo les, dat we als het kind op de basisschool komt, het kennis laten maken met de kleuren. Het is wat lastig, de kinderen maken alles vuil*, maar dat moet je maar op de koop toe nemen. Het kind leert met kleur om te gaan en met de kleur kun je het ook bij de vormen brengen. En uit de vormen ontstaan, wanneer de leerkracht bekwaam is, langzamerhand de dingen, waaruit langzamerhand de lettervormen tevoorschijn komen. Dan verbindt het kind zich daarmee.
GA 304a/157
Niet vertaald

=

Zuerst kommt das malende Zeichnen, zeichnende Malen. Aus dem malenden Zeichnen, zeichnenden Malen wird das Schreiben hervorgeholt, aus dem Schreiben erst das Lesen.

Eerst komt het schilderende tekenen, tekenende schilderen. Uit dit schilderende tekenen, tekenende schilderen komt het schrijven; uit het schrijven pas het lezen.
GA 304a/158
Niet vertaald

=

Nun führen wir das Kind an die heutigen abstrakten Buchstaben heran, zu denen es gar kein Verhältnis hat! Was hat man zu tun? Das hat man zu tun, daß man das Kind zunächst gar nicht mit Schreiben und Lesen plagt, sondern malendes Zeichnen, zeichnendes Malen an das Kind heranbringt. Es betätigt dabei den ganzen Leib, wenn man es anfangen läßt zu malen, es an die Farben und Formen heranbringt. Man lasse es in den einzelnen Formen nachahmen dasjenige, was es schaut, was es sieht; dann führt man hinüber dasjenige, was im Bilde ist, in dem Laut.

.

Nu laten we het kind kennis maken met de huidige abstracte letters, waarmee het helemaal geen verbinding heeft. Wat moet je doen? Je moet om te beginnen het niet  plagen met schrijven en lezen, maar je moet het kind schilderend laten tekenen of tekenend laten schilderen. Wanneer je het laat beginnen met schilderen, het met kleur en vorm in aanraking brengt, dan gebruikt het z’n hele lijf. Je moet het, wat het waarneemt, wat het ziet, in aparte vormen laten nabootsen; dan ga je vandaaruit, wat in het beeld zit, naar de klank.
GA 304a/173
Niet vertaald

=

Auf diese Weise lernen die Kinder vom siebenten, achten Lebensjahre ab malendes Zeichnen, zeichnendes Malen. Man muß allerdings mehr achtgeben; es ist nicht so bequem, man muß nachher aufräumen; die Kinder machen alles schmutzig mit den Farben, es muß gereinigt wer­den; aber diese Dinge werden eben hingenommen werden müssen. Und man lernt zuerst aus der Farbe und Form heraus Ähnlichkeiten schaffen mit den Dingen draußen. Dann geht man über auf das Schreiben. Zunächst lernt das Kind schreiben, weil es damit den ganzen Körper in Bewegung bringt, nicht einen Teil bloß. Und dann geht man über zu dem Lesen. Das Kind gelangt im neunten Jahre etwa dazu, aus dem Schreiben heraus, das es aus dem Malen gebildet hat, das Lesen zu lernen.

.

Op deze manier leren de kinderen vanaf zeven, acht jaar schilderend tekenen, tekenend schilderen. Je moet zeker beter opletten; het is niet zo gemakkelijk, je moet naderhand opruimen: de kinderen maken met de verf alles vies*, het moet schoongemaakt worden; maar deze dingen moeten we voor lief nemen. En met kleur en vorm schep je eerst wat op dingen in de buitenwereld lijkt. Dan ga je naar het schrijven. Eerst leert het kind schrijven, omdat het daarmee met zijn hele lichaam kan bewegen en niet alleen een gedeelte. En dan ga je over op het lezen. Het kind kan op z’n negende, vanuit het schrijven dat uit het schilderen gevormd is, leren lezen.
GA 304a/174
Niet vertaald

=

Erziehungskunst, die auf Menschenerkenntnis beruht, geht so vor, daß sie wirklich alles aus dem Kinde heraus entwickelt, nicht bloß sagt, es soll die Individualität entwickelt werden, sondern es auch wirklich tut. Das erreicht man dadurch, daß man zunächst überhaupt nicht vom Lesen ausgeht. Das Kind geht auch vom Zappeln aus, von Willensäußerungen, nicht vom Anschauen. Das Anschauen kommt erst später. Und so ist es nötig, nicht vom Lesen auszugehen, sondern vom Schreiben, aber das Schreiben auch so zu betreiben, daß es aus der gan­zen Menschenwesenheit als etwas Selbstverständliches herauskommt. Daher beginnen wir mit dem Schreibunterricht, nicht mit dem Lese-unterricht, und versuchen allmählich dasjenige, was das Kind in der 305/98 Nachahmung selber entwickeln will durch seinen Willen, durch seine Hände, auch hinzuleiten zum Schreiben.

.

Opvoedkunst die berust op kennis omtrent de mens werkt zo dat werkelijk alles vanuit het kind ontwikkeld wordt. Ze zegt niet alleen dat de individualiteit ontwikkeld moet worden, ze doet het ook echt. Dat bereikt men alleen doordat men om te beginnen al volstrekt niet van het lezen uitgaat. Het kind begint ook met te spartelen, met uitingen van de wil, niet met die te beschouwen. Het beschouwen komt pas later. Evenzo is het noodzakelijk niet van het lezen uit te gaan, maar van het schrijven. Schrijven echter op een zodanige wijze dat het als iets vanzelfsprekends tevoorschijn komt vanuit het menselijk wezen. Daarom beginnen wij met het schrijfonderricht, niet met het leesonderricht en proberen langzamerhand hetgeen het kind in de nabootsing zelf gaamoett ontwikkelen door middel van zijn wil, door middel van zijn handen, tot schrijven te laten worden.
GA 305/97
vertaald/102 (2)

=

So sind wir in der Waldorfschule in der Lage, aus dem Künstlerischen heraus dasSchreiben zu lehren. Dann läßt sich das Lesen nachher wie von selbst lernen. Es kommt etwas später als gewöhnlich, aber es läßt sich wie von selbst lernen.

Zo zijn wij op de vrijeschool in de gelegenheid het schrijven aan te leren vanuit het kunstzinnige. Het leren lezen gaat daarna als vanzelf.
GA 305/101
Vertaald/106 (2)

=

So wenden wir uns an dasjenige, was das Kind will gerade im Zahnwechselalter und unmit­telbar darnach. Und schon daraus ergibt sich für Sie, daß man zuerst aus dem zeichnenden Malen und dem malenden Zeichnen – denn für das Kind ist es gut, wenn es gleich Farben verwendet, es lebt ja in der Farbe, das weiß jeder, der das Kind kennt -, wenn man aus dem malenden Zeichnen zum Schreiben übergeht und erst aus dem Schrei­ben das Lesen gewinnt.

.

Dus richten we ons op datgene wat het kind met name in de tijd van de tandenwisseling en meteen daarna wil. En daaruit volgt voor u dat u eerst uit het tekenende schilderen en het schilderende tekenen – want voor het kind is het goed, wanneer het meteen kleur gebruikt, het leeft met kleur, dat weet iedereen die het kind kent, wanneer je uit het schilderende tekenen naar het schrijven overgaat en pas dan uit het schrijven het lezen haalt.
GA 306/81
Niet vertaald

=

(  ) Der Unterricht für unsere Kinder soll auch im Schreiben und Lesen aus dem Künstlerischen hervorgeholt werden.

Het onderwijs voor onze kinderen moet ook voor schrijven en lezen uit het kunstzinnige gehaald worden.
GA 307/263
Vertaald (4)

=

So kann ich das Ganze der Schrift hervorgehen lassen nicht aus abstraktem Nachahmen der Zeichen, wie sie heute sind, sondern aus dem Erfassen der Dinge selber, die im zeichnenden Malen, im malenden Zeichnen der Kinder entstehen. So kann ich die Schrift hervorholen aus dem zeichnenden Malen, aus dem malenden Zeichnen. Dann stehe ich in der lebendigen Bildhaftigkeit darinnen.

Zo kan ik alles van het schrift laten ontstaan niet door een abstract nabootsen van de tekens zoals ze nu zijn, maar door de dingen zelf te doorgronden, die in het tekenende schilderen, in het schilderende tekenen van de kinderen ontstaan. Zo kan ik het schrift tevoorschijn halen uit het tekenende schilderen, uit het schilderende tekenen. Dan bevind ik mij in de levende verbeelding.
GA 308/58
Niet vertaald

=

Daher wird ein Lehrer, der in dieser Weise mit Menscheneinsicht sich verbindet,darauf achten, aus dem zeichnenden Malen und malenden Zeichnen, wie ich es angedeutet habe, das Schreiben zu entwickeln, bis das Kind so weit ist, daß es dasjenige, was es innerlich als Wort, als Satz empfindet, aufschreiben kann.

.

Vandaar dat een leraar die op deze manier inzicht in de mens heeft, erop letten moet uit het tekende schilderen en het schilderende tekenen zoals ik het aangegeven heb, het schrijven te ontwikkelen, tot het kind zo ver is, dat het wat het innerlijk als woord, als zin ervaart, op kan schrijven.
GA 308/59
niet vertaald

=

Dann habe ich auseinandergesetzt, wie das Schreiben bildhaft an das Kind herangebracht werden muß, wie aus dem zeichnenden Malen, aus dem malenden Zeichnen die Buchstabenformen herausgeholt wer­den müssen. Dies malende Zeichnen und zeichnende Malen muß von all den Künsten, die das Kind in die Zivilisation hineinführen, zualler­erst gepflegt werden. Alles was schon von vornherein auf die dem Kinde ja ganz fremden Buchstabenformen hinweist, ist eigentlich päd­agogisch ein Unfug; denn die fertigen Buchstabenformen einer heutigen Zivilisation wirken wie kleine Dämonen auf das Kind.

.

Verder heb ik uiteengezet hoe het kind het schrijven beeldend moet krijgen aangeleerd, hoe uit het tekenend-schilderen, uit het schilderend-tekenen de lettervormen moeten worden gehaald. Dit schilderend-tekenen en tekenend-schilderen is van al de kun­sten die het kind in de civilisatie binnenvoeren, het allereerste dat moet worden gedaan. Alles wat al bij voorbaat verwijst naar de voor het kind volkomen vreemde lettervormen, is pedagogisch gezien ongepast; want de kant en klare lettervormen van de huidige civilisatie werken als kleine demonen op het kind.
GA 310/68
vertaald/71-72

=

Das Schreiben, das ein abstrakt gewordenes Zeichnen ist, soll sich aus dem malenden Zeichnen oder dem zeichnenden Malen heraus entwickeln.

.

Schrijven, dat abstract geworden tekenen is, moet zich ontwikkelen uit het schilderend tekenen of het tekenend schilderen.
GA 310/113
vertaald/119

=

Künstlerische Gestaltung des Schreibunterrichts, so daß er aus dem Malen hervorgeht – ich werde das morgen noch ausführlicher beschreiben -, künstlerische Gestal­tung in der Überführung des Schreibens, das aus dem Malen herauskommt  zum Lesen, künstlerische Gestaltung des Lesens und Schrei­bens

.

Kunstzinnig gegeven schrijfonderwijs, zo, dat het uit het schilderen ontstaat – ik zal dat morgen nog uitgebreider beschrijven – kunstzinnig vormgegeven het schrijven dat uit het schilderen ontstaat, en overgaat in lezen, kunstzinnige vormgeving van lezen en schrijven, van wat het kind op simpele wijze moet leren uitrekenen -het moet allemaal één zijn.
GA 311/22-23
Vertaald/22-23

=

Dagegen hat das Kind von vornherein künstlerischen Sinn, sinn-bildende Phantasie. An diese muß man appellieren, an diese muß man sich wenden. Und man muß versuchen, zunächst gar nicht an diese konventionellen Buchstaben heranzurücken, die in der Schrift und im Druck der zivilisierten Menschheit gegeben sind, sondern man muß zunächst versuchen, ich möchte sagen, in einer geistvollen Weise – verzeihen Sie, daß ich das Wort anwende – die Kulturent­wicklung der Menschheit mit dem Kinde durchzumachen.

Het kind heeft daarentegen van begin af aan een kunstzinnig gevoel, zingevende fantasie. Hieraan moet je appelleren; hierop moet je je richten. En je moet proberen eerst helemaal niet met die conventionele letters bezig te zijn die in schrift en druk van de geciviliseerde mensheid gegeven zijn, maar je moet eerst proberen, ik zou willen zeggen, op een geestrijke manier – neem me niet kwalijk dat ik het woord gebruik – de cultuurontwikkeling met het kind te doorlópen.
GA 311/31
Vertaald/31

=

*Dat hoeft helemaal niet. Wanneer je vanaf de eerste schilderles goede gewoonten aanleert, je les goed voorbereidt, zodat je weet wat van alles de volgorde is, kan er weinig misgaan. Wie eerst de waterpotten of de verf uitdeelt, vraagt om moeilijkheden, natuurlijk: die komen het allerlaatste en moeten zo worden neergezet dat ze niet van het tafeltje kunnen vallen of gestoten kunnen worden. Schilderkieltjes beschermen de kleding; echt nodig zijn ze niet: de verf gaat met het wassen makkelijk uit de kleren, behalve Pruisisch blauw, dat je ook snel van de vloer moet halen, want vlekken laten zich moeilijk(er) verwijderen.

 

(1) blz. in uitgave 1987
(2) blz. in uitgave 1977
(3) blz. in uitgave 1989

Rudolf Steiner over schrijven:

[1]   onze huidige lettervormen zijn ontstaan in het verleden; de vormen staan niet meer in verband met hun oorsprong; voor kinderen zijn het (wezens-)vreemde tekens

[2] om aan kinderen de lettertekens aan te leren, daarbij uitgaand van een beeld, is het niet nodig om de historische beelden te gebruiken. Eigen fantasie is voldoende.

[3] om de beelden te kiezen die voor het kind een letter gaan worden, is het van het grootste belang het wezenlijke verschil tussen klinker en medeklinker in acht te nemen.

[5] de conventionele letter wordt aangeleerd vanuit een beeld, eerst schilderend/tekenend of tekenend/schilderend; Steiners voorbeelden daarvan uit alle pedagogische voordrachten.

[6] de menskundige achtergronden van de schrijf- en leesmethode. Kunstzinnig werken: schilderen/tekenen; maar ook: vanuit de wil; totale mens – deel mens:hoofd; abstractie en intellect(ualisme); allerfysieks-halffysiek-bovenfysiek

[7] over de manier van leren lezen: van het geheel naar de delen – maar niet fanatiek; over leesmethodes (uit zijn tijd): spelmethode, klankmethode, normaalwoordenmethode; deze in verband gezien met het verschil klinker-medeklinker (zie [3])

[8] Steiners methode, mits consciëntieus gevolgd, kost meer tijd dan reguliere methodes. Dat wordt heden ten dage nog steeds schromelijk verward met ‘achter lopen’.

schrijven/lezen: alle artikelen

Rudolf Steiner over…..: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: letterbeelden

Waldorf ~ 1st grade ~ Letter: R ~ Little Red Riding Hood ~ chalkboard drawing:

Roodkapje = R

Deze en bovenste illustratie zijn niet van Steiner
877

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – een fabel

Meestal, soms wel eerder, maar in het algemeen in de 2e klas, doen zich voor het eerst ‘streken’ voor, die we met gemak herkennen in de fabels.

En het is een gouden greep van Rudolf Steiner geweest om de vertelstof voor de 2e klas te laten bestaan uit de fabels. [1]

Zo was er eens een kind dat een ander kind dat ruim in het snoep zat, naar de mond begon te praten met het duidelijke doel wat zoets los te peuteren. De ‘aanbedene’ kreeg, toen er zich meer vleiers meldden, wel enig argwaan, maar schonk toch gul van de rijke voorraad.
Aan de ogen van de ‘aanbidders’ was heel goed te zien, dat ze er niet veel van meenden.

De andere dag begon ik een klassengesprekje over of de kinderen weleens geprobeerd hadden thuis of ergens anders iets voor elkaar te krijgen met mooie woorden. Er kwamen genoeg voorbeelden. ‘In het gevlij komen, naar de mond praten, flemen, huichelen’ waren woorden die aan de woordenschat konden worden toegevoegd.

Na een poosje was het genoeg en ik zei: ‘Luister eens naar dit verhaal’ en vertelde de fabel van de raaf en de vos.

Om er later nog iets mee te kunnen doen, zette ik hem op rijm, zo een dialoog makend, die door alle kinderen, of in de rol van de raaf, dan wel die van de vos, gespeeld  zou kunnen worden.

DE VOS EN DE RAAF*

Een raaf op zijn gemak gezeten,
wilde van de kaas gaan eten.
Daar kwam een vos over het pad
die wel zin in iets lekkers had.
Toen zag hij meneer raaf en zei: (zacht bij zichzelf:)
‘Dat hapje is wel wat voor mij.

(Zich tot de raaf richtend:)

‘Welke vogel is zo gaaf,
O, bent u het, meneer raaf.
Wat zit u sierlijk op uw tak,
hoe schoon is toch uw verenpak,
wat zijn uw poten slank,
en dan….uw hals zo rank.
En uw vleugels zijn voorwaar
nog sterker dan van de adelaar.
Nooit zag ik zo’n mooi dier,
zo prachtig en zo fier.”

Zo sprak de vos, met zijn gevlei**
maakte hij de raaf heel blij.

‘Als uw stem zo mooi is als uw veren<
moet men u als koning wel vereren.’

‘kra, kra,’ kraste de raaf –
de kaas viel naar beneden,
recht in de vossenbek.
Hij riep tevreden:
‘Een stem heb je, zoals ik hoor,
maar hersens niet!’

En ging er met de kaas vandoor.

[1] in GA 295/19 is nog geen sprake van legenden]
vertaald/20

*i.p.v. de raaf, komt ook ‘kraai’ voor; in sommige bewerkingen is er sprake van ‘mevrouw, of juffrouw’ raaf/kraai.

**gevlij of gevlei

vertelstof: alle artikelen

2e klas: alle artikelen

876

VRIJESCHOOL – 2e klas – een ouderavond

Een moeder doet verslag van een ouderavond:

Ouderavond van de 2e klas, periode aug. 82- jan.83.

Van de angstige “ie”, de deftige “eu”, en nog veel meer.

Gezeten achter de tafeltjes, beladen met periodeschriften, schildermap en niet meer zulke bloemrijke plantjes; ramen voorzien van prachtige transparanten en een bord vol “stralende” en “glanzende” letters; hoorden we hoe hard de klas had gewerkt.

Onze tweede klas, die inmiddels 16 leerlingen telt, heeft het goed voor zijn kiezen gehad, zowel qua stof als qua ruimte geven aan elkaar.

Juffie Marianne lacht nog stralend en vindt dat met alle “instappers” de klas een fijne gemeenschap is gebleven. Goed gedaan Mensjes!

Nu even het rekenen. Juffie gaat ervan uit dat je bij het rekenen plezier moet hebben. En plezier hebben ze wanneer een eigenwijs stokje langs de getallen van 1 tot 100 danst en zo juffie tot stilstand of tot hollen brengt, want zij zit aan het stokje vast. Klappend en stampend bukkend, springend, lopend worden de tafels van 1 -2-3-4—5 — en 10 ingeoefend.

Bij het getallendictee doen de koning (de tientallen) en de knechten ( de eenheden) hun werk, geen enkel kind keert de getallen nog om en dat is behoorlijk knap.

De vier hoofdbewerkingen + , – , : , x , worden iedere dag gedaan.

Om dit steeds gezellig en inspirerend te houden, worden er heel wat verhalen verzonnen.

Hoe alles schriftelijk verwerkt wordt, is te zien in de periodeschriften.

De vertelstof in de tweede klas zijn fabels en legenden.De taalperiode was vooral rond het feest van St.-Maarten geplooid. De kinderen hebben toen ook een spel gespeeld, eerst voor de 1e klas, later voor de ouders.

De legendarische muizen op juffies zolder hebben heel wat werk gehad om van de grote letters net zoveel af te knabbelen tot er kleine letters over bleven. Op het einde van deze periode werden voor het eerst kleine letters geschreven. Hiervoor werden ze getekend, geknipt en geplakt.

Als je de periodeschriften ziet, vallen de gekleurde letters erg op en – er blijkt een systeem in te zitten. De blauwe letters zijn de vormletters (de medeklinkers) en de rode letters zijn de klank of engelenletters (de klinkers).

En dan nog de tweeklanken: de ie – ou – au – eu – ei .

Bij iedere tweeklank hoort een verhaal. In het kort het verhaal van de “ie”. De “i” liep in een donker bos en de “e” liep ook in datzelfde enge bos. Ze waren beiden nogal angstig en liepen dus uiterst behoedzaam. Plotseling botsten ze tegen elkaar op en slaakten gezamenlijk de angstkreet ..ie…ie…; ziehier de geboorte van de “ie”.

Het a-b-c wordt veel gesprongen. Twee kinderen aan het touw en de rest maar springen: langzaam, snel, alleen, samen; ook wordt het a-b-c van achteren naar voren geoefend.

De versjes op het bord worden vaak uit de fabels gehaald en gebruikt voor het leesonderwijs. Zinnen worden in stukken geknipt, worden veranderd, worden langer of korter gemaakt. Woorden worden opgezocht.

Er wordt hard gewerkt aan de “stralende” en “glanzende” letters.

Stralend zijn de aa – oo – ee – uu b.v. in: naam.

Glanzend zijn dea-o-e-u b.v. in: nam.

Stralende letters klinken en schijnen heel ver, het gebaar erbij is ook groot en open. Glanzende letters klinken en schijnen dichterbij, het gebaar is ook kleiner. En zo komen we terecht bij eurythmie.

Gesteund door de begeleiding van Madeline neemt juffie Sofie de kinderen mee in de allesomvattende bewegingswereld van woord – klank en gebaar.

De blokfluit wordt iedere dag ter hand genomen en de kinderen spelen op het gehoor.Hele liederen komen al uit de instrumenten vloeien, nou ja, soms is het meer een riviertje vol met stenen, maar ze halen de overkant.

Verder haak ik nog even in op de bordenkwast, die in de klas hing.

Er wordt wat afgehaakt, meterslange kleurige gehaakte koorden; het voorwerk voor een echte heuse ouderwetse kwast. Je moet er maar op komen.

De Engelse juf komt nog trouw en de Franse columbine is pas gearriveerd, we wensen haar une grande succes. Vormtekenen wordt steeds moeilijker en vooral dat “spiegelen” is niet mis.

Nu nog even schilderen en dan ben ik klaar. Vergeet het maar, even schilderen is en niet bij, met volle aandacht worden de kleuren naast elkaar gezet. Het ziet er prachtig uit en straalt de werkintensiteit uit.

Ga maar lekker door met z’n allen en deze moeder nu naar bed, want ik ben voldaan en dan mag je slapen gaan.

Marlies van Oers, vrijeschool Alphen aan den Rijn, jan. 1983

2e klas: alle artikelen

875

VRIJESCHOOL – 7e klas – geschiedenis

 

Jeanne d’Are,
In het laatste kwart van de 100-jarige oorlog tussen Frankrijk en Engeland leefde Jeanne d’Arc. Ze woonde en werkte in Domrémy, waar de heuvels aan de voet van de Vogezen boven de Maas uitrijzen.

Tussen die lieflijke heuvels hoorde Jeanne  stemmen van de heilige Catharina, de heilige Margareta en de aartsengel Michaël – haar opdracht Orléans te ontzetten en te zorgen, dat Karel VII, de verachte dauphin, in Reims gekroond werd.

Als ze toestemming krijgt een oudere man, een aangetrouwde neef, te bezoeken, haalt ze hem over haar mee te nemen naar een ambtenaar des konings in
Vancouleurs, 20 km. van Domrémy. Na een eerste brute weigering, waarbij de ambtenaar schertsend zegt, dat hij haar aan de soldaten zal geven te hunner vermaak, weet zij haar zin door te drijven, trekt mannenkleren aan, krijgt een paard van de hertog van Lotharingen.
Met een gewapend escorte gaat zij op weg naar Chinon, bijna 500 km ver, naar Karels hof. “Ik had zo’n respect voor haar, dat ik haar nooit ongepaste voorstellen had durven doen”, verklaarde een lid van het escorte, dat iedere nacht naast haar sliep. Ze liet de soldaten op hun taal letten, zei tegen een oudere officier, dat hij moest zweren bij zijn wandelstok inplaats van driftig tegen iedereen te vloeken.
Toen zij het kasteel van Chinon betrad, trachtte Karel haar te misleiden, door van plaats te wisselen met een hoveling. Maar Jeanne negeerde de
pseudo-koning op de troon, liep recht op de dauphin af, half verborgen tussen de hofhouding, en boog. “Geliefde dauphin, ik ben Jeanne, de Maagd. De Koning des Hemels zendt mij met de boodschap dat gij gezalfd en gekroond zult worden in de stad Reims”.

Toen Jeanne verscheen voor het sterkste Engelse bolwerk bij Orléans, de twee bruggetorens, Les Tourelles, keken de Engelsen verbaasd neer op de jongensachtige figuur in eenvoudige wapenrusting, schrijlings op een paard gezeten, met meisjesstem omhoog schreeuwend en onmiddellijke overgave eisend. Zij riepen terug, dat ze een hoer was, een boerenmeid, dat ze haar zouden verbranden als ze haar te pakken kregen. Ze schreeuwde terug, dat ze een bende leugenaars waren.

Vlak voor de eindstrijd bracht men Jeanne vis als ontbijt. “Neen”, zei ze, “bewaar het voor vanavond als we de brug over zijn en een ‘godon‘ hebben meegenomen om zijn deel ervan te eten”.

Godon was het meest vergaande, dat ze over haar lippen kon krijgen om de geliefkoosde Engelse vloek aan te geven.

Na een dag strijd vielen Les Tourelles; het beleg werd opgeheven. Jeanne werd de Maagd van Orléans genoemd en mannen drongen om haar heen. Ze achtervolgden de Engelsen noordwaarts, veroverden liefelijke stadjes aan de Loire, tot Jeanne bij Patay een grote overwinning behaalde, en weende, toen zij met het hoofd van een stervende Engelse soldaat in haar schoot zijn biecht hoorde.

Geschiedenis en biografie
Het bovenstaande is een van de biografieën, die voorkomen in de geschiedenisperiode van de 7e klas. Vol aandacht luisteren ze naar deze verhalen, zich maar moeilijk realiserend, dat dit waar gebeurd is, niet begrijpend, dat een meisje van amper 17 jaar zoveel moed en vertrouwen kan bezitten. Vol afschuw luisteren ze naar de beschrijving van de terechtstelling op de brandstapel .

Anderen zijn meer geboeid door de ontdekkingsreizigers. De moeilijkheden, die Magelhaes moet overwinnen zijn voor velen soms onvoorstelbaar.

“Ja maar meester, het is toch logisch, dat je rond de wereld kunt zeilen” en “Hoe kunnen ze nu zo’n vreemde kaart tekenen”. “Waarom zijn ze nu zo bang om verder te varen”. “Dat is toch logisch”.

Steeds weer vragen naar verklaringen. Vragen naar het hoe en waarom.

In de 7e klas wordt het abstracte, nuchtere denken ontwikkeld en dat blijkt niet alleen uit de vragen, maar ook uit de kritiek, die ze op alles en iedereen hebben. Ook op zichzelf. Alleen, dat zullen ze niet vaak hardop zeggen. Ze komen volop in de puberteit; armen en benen worden lang en onhandelbaar, jongensstemmen rauw en zwaar. Meisjes worden jongedames.

De leerstof wil op dit alles antwoord geven. Uitbreiding van de wiskunde, en de natuurkunde. Uit elkaar peuteren en in elkaar zetten, verklaren en beredeneren. Uitvindingen en ontdekkingen.

De wereld wordt groter: sterrenkunde. Hemellichamen worden besproken, verschijnselen verklaard. Zelfs de stoffen worden nader bekeken en in contact met de elementen vuur, aarde, lucht en water gebracht: scheikunde.

En als een zekere afsluiting volgt dan de menskunde, waar de dierkunde, de plantkunde, de mineralogie en de sterrekunde in hun relaties met de mens worden behandeld.

Als leerkracht hoop je dan, dat er een gevoel van verbazing en dankbaarheid bij de kinderen ontstaat, zoals dat zo prachtig naar voren komt in het gedicht van Christian Morgenstern, waarmee de menskundeperiode begon.

Sj.Adema, nadere gegevens onbekend

Het gedicht van Morgenstern werd niet weergegeven, wel van Goethe – uit de natuuurkundeles:

Und was des Feuers macht erfasst,
Bleibt weder Urform noch Erdenlast.
Verflüchtigt wird es unsichtbar,
Eilt hinauf, wo einst sein Anfang einmal war.

Meer over Jeanne d’Arc

Klas 7: alle artikelen

 

874

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Fokker

 

Anthony Fokker

De beroemde vliegtuigbouwer

In 1890 werd te Kediri op Java een jongen geboren, Anthony Herman Gérard Fokker. Zijn vader had in Indië een koffieplantage, maar keerde toen Anthony vier jaar oud was naar zijn vaderland terug en vestigde zich in Haarlem. Hier bezocht de jonge Fokker de lagere en daarna de middelbare school. Op school blonk hij in het geheel niet uit, met het gevolg dat zijn vader hem maar van school nam. Nu kwam het grote levensprobleem voor Fokker Sr., het probleem waar zovele ouders mee te kampen hebben: op school gaat het niet met mijn zoon, wat moet ik toch met hem beginnen en wat zal ervan terecht komen.
Maar voor Anthony was het helemaal geen probleem, want vanaf zijn prilste jeugd had hij zich altijd sterk aangetrokken gevoeld tot knutselen. Hij bedacht en maakte allerlei speelgoed en toen hij wat ouder was ging zijn interesse vooral uit naar alles wat mechanisch voortbewogen werd, hoewel natuurlijk op dit gebied alles nog in zijn kinderschoenen stond. Hij maakte al spelend papieren vliegtuigmodellen en liet die van boven uit het huis naar beneden vliegen. Hoeveel kinderen spelen heden ten dage nog altijd ditzelfde spelletje? Fokker was zich op zulke momenten zeker niet bewust dat hij al bouwde aan de grondslagen van zijn carrière.
Toen hij van school afging, stond zijn plan voor de toekomst volkomen vast, hij zou wat er ook gebeuren mocht in de vliegerij gaan. Zijn vader was hier tegen en wilde dat hij een vak leerde, hij stuurde hem daarom naar een der grootste fabrieken in Duitsland. In plaats van hieraan te voldoen, ging Anthony op eigen risico naar een school voor auto- en vliegtuigbouw in Salbach bij Mainz. Fokker Sr., die er eerst niets van wilde weten, gaf later zijn toestemming. Door zijn handigheid en kennis der aviatiek werd op deze school spoedig de aandacht op hem gevestigd. In 1910 kwam de eerste grote mijlpaal in zijn leven, hij bouwde een geheel volgens eigen plannen ontworpen en een totaal van de bestaande modellen afwijkend vliegtuig. Het was een bouwwerk van hout en doek, voorzien van één motor. Deze eerste door hem gebouwde machine doopte hij de Spin.

Met dit vliegtuig maakte hij zijn eerste vlucht en het was ook dit vliegtuig waarin hij op 7 juli 1911 zijn brevet voor piloot van een eendekker verwierf. Verder heeft hij er nog vaak demonstraties mee gegeven, zo ook zijn eerste succesvolle optreden in zijn vroegere woonplaats Haarlem, waarbij hij om de toren van de St. Bavo heen vloog. Fokker ontwierp, bouwde en vloog, om daarna weer opnieuw te beginnen nadat hij de nodige verbeteringen aangebracht had. Zo had Pégoud in 1911 te Johannesburg een demonstratie van ‘loopings’ gegeven, Fokker deed hem dit na, maar begreep terstond dat de automatische stabiliteit, waarvan hij tot op dat ogenblik gebruik had gemaakt, een groot bezwaar was voor de snelle wendingen, en de manoeuvreerbaarheid van zijn machine sterk verminderde. Het gevolg was dat hij dwarsbesturing invoerde. Om de hechtheid der constructie te verbeteren, stapte hij allengs af van zijn houten latten en spanten en ging er toe over een romp te construeren, geheel bestaande uit gelaste metalen buizen. Al deze experimenten kostten schatten geld, langzamerhand waren reeds een deel der reserves van zijn ouders er aangegaan, maar tot zijn geluk werden hem door enige vooraanstaande Nederlanders grote geldmiddelen ter beschikking gesteld. Het leek echter een bodemloze put en in 1914 zag het er somber voor de geniale constructeur uit. Toen kwam eensklaps een verandering: de wereldoorlog 1914-1918 brak uit en in Duitsland, waar hij altijd gewerkt en gevlogen had, maakte men gretig van zijn aanbod gebruik om oorlogsvliegtuigen te gaan bouwen. Hierbij werd Fokkers grote roem gevestigd. Want zijn aangeboren uitvindersgave liet hem ook bij het bouwen van legervliegtuigen niet in de steek. In het begin was het niet mogelijk door de schroef heen te schieten. Hierop vond hij iets, door een gesynchroniseerde mitrailleur in het vliegtuig te bouwen, waarbij de kogel juist op dat moment de loop verliet waarop het schroefblad de loop gepasseerd was.

Volgens officieuze gegevens moeten door Fokker tijdens de wereldoorlog 7600 vliegmachines zijn gebouwd. In 1918 kwam het einde van de oorlog, de volkeren waren oorlogsmoe en hadden voorlopig weinig belangstelling meer voor gevechtsvliegtuigen.

Op dit moment voelde Fokker dat hij zich moest omschakelen op de burgerluchtvaart en niet ten onrechte zag hij hierin een grote toekomst. Hij verhuisde daartoe naar Nederland, waar hij zijn fabrieken vestigde in de gebouwen van de E.L.T.A., waarin voor kort een luchtvaarttentoonstelling had plaats gevonden. Hier begint hij verkeersvliegtuigen te bouwen, het eerst de F II, deze kon. vier personen vervoeren. In deze periode ontstaat het contact met Plesman, de directeur der K.L.M. Het gevolg van dit contact is eensdeels het ontstaan van grote botsingen tussen deze twee krachtige figuren, anderzijds echter de bloei van het Nederlandse vliegtuigwezen, met in het bijzonder de K.L.M. aan het hoofd.

De fabrieken breidden zich steeds uit, de F-serie kreeg steeds hogere nummers, enkele dezer nummers zullen voor altijd in de annalen bewaard blijven, zoals de F VII, waarmee in 1924 Van der Hoop de eerste Indiëtocht volbracht. Over de hele wereld werd zijn naam bekend, waartoe niet in het minst bijgedragen hebben de oceaanvlucht van Sir Kingsford Smith en van de Nederlandse vlieger Evert van Dijk, die beide uitgevoerd werden in fokkermachines. Ook van Lear Black, de grote Amerikaanse krantenmagnaat, maakte zijn wereldvluchten met een fokkertoestel en de K.L.M. begon zijn geregelde Indiëvluchten eveneens met fokkertoestellen. Nederland was voor Fokker te klein, zijn zwerversgeest bracht hem naar de overkant van de oceaan; daar in Amerika zag hij grotere commerciële mogelijkheden, want Fokker was niet alleen een bekwaam constructeur, maar ook een knap en handig zakenman. De laatste jaren van zijn leven vertoefde hij veel in Amerika, afgewisseld door kortere en langere perioden in St. Moritz.

In Amerika is hij op 23 december 1939 gestorven. Later is zijn stoffelijk overschot overgebracht naar Nederland en vindt thans een laatste rustplaats te Westerveld, dicht bij Duin en Kruidberg, het grote buiten waar hij in zijn jeugd veel vertoefd heeft.

Ook anderen heeft hij willen laten delen in zijn liefde voor de aviatiek. Hij stichtte het Fokkerfonds, waarvan de baten ten goede komen aan de opleiding van jonge Nederlanders tot vliegtuigbestuurder.

(geschreven omstreeks 1950)

Alle biografieën

 

 

873

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Organische bouw (2-2)

grondslagen voor een levende bouwkunst (2)

In Jonas 22 liet Prof. B.C.J. Lievegoed in het eerste deel van een door de redactie van Futura bewerkte voordracht zien hoe in onze westerse bouwkunst de kristallijne vormen overheersen en er nog weinig gebruik gemaakt wordt van organische vormen, dat zijn vormen die ontstaan wanneer we het element van de beweging in de ruimte laten binnentreden. Prof. Lievegoed ziet dit als een kwestie van ontwikkeling van de cultuur: vanuit een oorspronkelijke mythologisch bewustzijn ontstond de behoefte aan het ontwikkelen van het ‘kristallijne’ denken. Naar de toekomst toe zal echter de behoefte aan beweeglijkheid ontstaan, nu we in de kristallijne vormen aan een eindpunt gekomen zijn.

Prof. Lievegoed gaf voorts een beeld van de invloed die ruimtelijke vormen op het innerlijk beleven van de mens hebben. Dit gaat via de waarneming, dus via de zintuigen. Rudolf Steiner onderscheidde twaalf zintuigen, waarvan de zogenaamde haptische, dat zijn zintuigen die de waarnemingen voornamelijk via het onderbewustzijn op de mens laten in­werken, in dit geval het belangrijkst zijn. Het is dan natuurlijk interessant om na te gaan wat bepaalde vormen aan ons doen en waar­om.

Wat bepaalt nu de werking van een bouwwerk? Hoe komt het dat bepaalde vormen een bepaalde invloed hebben op de mens? Er zijn twee begrippen die hier een belangrijke rol in spelen en waar ik nog wat nader op in zou willen gaan. Dat zijn de begrippen ritme en metamorfose.

Ritme
Ritme ontstaat daar waar twee polariteiten elkaar ontmoeten. Bijvoorbeeld: wind, die beweegt en water, dat een grotere traagheid heeft ontmoeten elkaar; de wind strijkt over het water en er ontstaat een golf. Overal waar beweging en traagheid elkaar ontmoeten, ontstaat ritme. Ritme is de grote scheppende kracht in het universum; het is een van de belangrijkste verschijnselen van het leven. Alle processen van opbouw en afbraak immers, zijn ritmische processen.

Sinds een jaar of twintig bestaat er een ‘Internationale Gesellschaft für Rythmusforschung’, waarin juist die samenhang van levensverschijnselen van ziekte, gezondheid en ritme worden onderzocht. Daar is inmiddels al belangrijke literatuur over. Verschijnselen als ritme in de arbeid, ritmische processen in de mens gedurende het etmaal, zijn overigens voldoende bekend.

Ritme is ook een van de belangrijkste organisaties van de ruimte. Overal waar ruimte en tegenruimte elkaar ontmoeten, ontstaan ritmische vormen.

Ritme is iets anders dan maat. Maat is een herhaling van een element, is een repetitie. Maat in muzikale zin wordt bijvoorbeeld aangegeven door de metronoom, een puur mechanisch ding. Maat nemen we ook waar, wanneer we een lange gevel zien met daarin dertig ramen, allemaal precies op gelijke afstand van elkaar. Ook dan nemen we een mechanische gebeurtenis waar.

Ritme daarentegen is levend, heeft versnellingen en vertragingen; ritme vertoont telkens kleine afwijkingen. Dat zien we zelfs in de omloop van ons planetenstelsel: geen jaar is precies even lang als een ander.

De hele kosmos zit vol ritme en het hele leven bestaat uit ritme. Maat, de zuiver wiskundige maat, werkt negatief op het leven, omdat het ritme gedwongen wordt zich er aan aan te passen.

Een van de vermoeiende dingen van een lopende band is, dat men voortdurend gedwongen wordt z’n eigen ritme te doorbreken en aan de machinemaat aan te passen. Daarom is werken aan de lopende band oneindig veel vermoeiender dan werk wat op zichzelf misschien wel veel inspannender is, maar waarbij men z’n eigen tempo, z’n eigen  ritme kan volgen.

Dit geldt ook voor gebouwen: wanneer we een gebouw zien of een ruimte beleven, dan zouden we een ritmisch evenwicht moeten ervaren, dat in overeenstemming is met onze eigen levensprocessen. Hier kom ik op het begrip van de metamorfose.

Metamorfose
De metamorfoseleer, reeds ontwikkeld door Goethe, zou men kunnen karakteriseren als een beschrijving van de procesmatige ontwikkeling van het leven. De ene vorm komt uit de andere voort, er is als het ware een beweging van de ene vorm naar de andere.
We kennen dat proces ook uit de plantenwereld, een proces dat uitgaat van het kiemblad, zich terugtrekt, steeds kleiner wordt en dan weer in de bloem tevoorschijn komt. De bloem trekt zich dan tenslotte in de zaadkorrel weer samen. Goethe sprak hierbij over ‘Metamorfose und Steigerung’. Een opeenvolging van verschijningsvormen, waarbij elk volgend blad een verdere uitwerking is van het vormprincipe van de plant.

Metamorfose zelf is een muzikaal principe. Wanneer we in de muziek een interval horen, bijvoorbeeld de drieklank c-e-g, dan beleven we de spanning tussen die verschillende tonen, nemen als het ware de beweging waar van de ene toon naar de andere.

In de bouwkunst hebben we met datzelfde principe van intervallen te maken. Wanneer je met het oog langs een gebouw gaat, van beneden naar boven langs de ramen op de verschillende verdiepingen of langs een rij of een groep ramen, dan ben je met je tastzin bezig dat af te tasten. Dat heeft innerlijk een enorme invloed, zoals ik reeds heb uiteengezet.

Het kan zijn, dat je alleen maar een repetitie ziet van steeds dezelfde elementen; dan is er geen ritme en geen metamorfose. Maar het kan ook zijn dat de ramen naar boven toe steeds iets veranderen, zodat je een gebeuren krijgt van beneden naar boven toe. Een gebeuren dat kan werken alsof je een drieklank aanslaat. Dat is een metamorfose, waarin de vormen zich uit elkaar ontwikkelen, met net als in de drieklank, intervallen of spanningsvelden tussen de verschillende vormen.

Zodra je een bouwwerk ziet dat voor je gevoel een zekere kunstzinnigheid heeft, dan is vanuit het kunstzinnig aanvoelend vermogen van de architect een dergelijk muzikaal element in het geheel ingebouwd. Soortgelijke metamorfosen kennen we ook uit de natuur, denk bijvoorbeeld aan de zogenaamde wervelstraat, die men vindt in stromend water waar een stok in staat, of wanneer men rook door een ruimte laat stromen. De eerste vormen daarin zijn nog vaag en elke vorm is een verandering ten opzichte van de vorige. Hier toont de natuur ons een metamorfose van vormen, die echter op zich mog mathematisch zijn. Ze zijn nog volkomen te berekenen, behalve dan dat ze in de natuur nooit zuiver in hun mathematische vorm voorkomen, maar altijd met kleine afwijkingen. Rationeel denkend zeggen wij: er zijn altijd storingen. Maar die storingen zijn essentieel voor het leven!

Wanneer men een bouwwerk wil maken voor mensen, dan moet men bedenken dat het om levende mensen gaat, die in beweging zijn. Wanneer we door een lange gang lopen, kunnen we verschillende dingen ondergaan.
Er zijn gangen die een verschrikking zijn om doorheen te gaan. De mens die daar doorheen loopt, wordt gestoord in zijn levensritme en dat beleeft hij, al dan niet bewust, als onaangenaam.
Diezelfde gang kan zonder veel meerkosten zo worden gebouwd, dat er kleine verschillen in ontstaan, dat er verschuivingen plaatsvinden. Die verschuiving moet natuurlijk niet willekeurig zijn, die moet zinvol zijn en voldoen aan muzikale eisen. Als je muzikaal bent en je loopt door een gang die werkelijk organisch gebouwd is, dan is het alsof je een stuk muziek hoort; dan maak je hetzelfde door als wanneer iemand muziek gemaakt zou hebben.

Ook een mens maakt in z’n leven een aantal metamorfosen door. Het is daarom voor hem van zeer groot belang, dat hij vormen om zich heen heeft die hem daarin, in dat proces van z’n leven, begeleiden.

Het oog dat langs de gevel van een gebouw gaat, zou eigenlijk, wanneer het gebouw werkelijk interessant, levensvriendelijk is, een zeker ritme, een zekere metamorfose moeten beleven, zou er ook een stuk intervallenreeks in moeten vinden, zodat het geheel wordt tot iets wat hem wat zegt. Wanneer een gebouw daar aan voldoet, kan het werken op de menselijke ontwikkeling. Als je vaak door een bepaalde ruimte moet, kun je iets ondergaan waardoor je beweeglijk wordt, creatief of, in het tegenovergestelde geval, je ondergaat een zekere verstarring die je creativiteit kapot maakt.

Wanneer men in het eerste Goetheanum kwam, dan kwam men in een ruimte met een aantal zuilen en een aantal vensters. De motieven van de sokkels werden begeleid door die van de architraven erboven. Elke zuilvorm ontwikkelde zich in een metamorfose uit de vorige zuil. Daarboven werd de spanning ertussen in een vorm gebracht die als het ware die metamorfose zichtbaar maakte. De ruimte was een muzikaal gebeuren, als men daarbinnen kwam, dan had men het gevoel in een machtige orgeltoon te komen, een orgeltoon die ontstond wanneer men van de ene zuil naar de andere ging. Langzamerhand werd de klankfiguur dan steeds rijker en geweldiger. De bedoeling van Steiner was, dat de mens door deze ruimte heen zou lopen, in de richting van een groot beeld dat aan het einde van de dubbelkoepel stond. Dit was de beeldengroep van de
‘Mensheidsrepresentant’, die worstelt om het evenwicht te bewerkstelligen tussen de machten van licht en duisternis. Op weg naar dat beeld, maakte men een bepaalde ontwikkeling, een metamorfose door, ook wanneer men zich dat niet bewust was.

Het organisch-functionele
Nog een laatste punt wil ik in dit kader bespreken en dat is het functionele, het organisch -functionele van een gebouw.

Kijken we eerst naar de elementen afzonderlijk, bijvoorbeeld een raam. Datgene wat men van de buitenwereld ziet wanneer men door dat raam kijkt, wordt bepaald door de vorm ervan. Moet dat nu altijd de vorm van een zoutkristal zijn, een rechthoek of een vierkant?
Lijsten om iets heen, en dat geldt ook voor schilderijen, zouden zo gemaakt moeten worden dat datgene wat ze omlijsten als een levend iets naar voren komt. Er zou altijd gezocht moeten worden naar een evenwicht tussen omlijsting en datgene wat er doorheen gezien wordt. Eigenlijk zou je voor ieder uizicht een eigen venster moeten maken! Dat kan natuurlijk niet, want we hebben ook te maken met het gebouw als totaliteit, zoals we er van de buitenkant tegenaan kijken. Zo betekent elk venster een compromis. Een compromis tussen wat we van binnenuit zouden willen en wat van buitenaf mogelijk is. Natuurlijk moet het niet een maniertje worden, in de trant van: ‘als ik maar ergens een schuine lijn aanbreng, of een afgeronde hoek maak, dan bouw ik organisch’. Het is ook niet de bedoeling dat je organische vormen uit de natuur nabootst, zoals een eiken-of lindenblad of iets dergelijks, nee, zelf creatief zijn, zelf nieuwe organische vormen scheppen.

Wat bedoelt men te zeggen met een bepaald gebouw? Moet een gebouw – als conceptie – aan de buitenkant uitdrukken wat er binnen gebeurt? Over het algemeen wil de opdrachtgever een gebouw hebben dat een bepaalde kwaliteit uitdrukt. Tegenwoordig maakt men vaak gebouwen waarvan men dat aan de buitenkant niet meer kan zien. Die gebouwen zijn niet functioneel in de zin die ik daaraan geef, ze zijn niet organisch-functioneel. Het is bijzonder moeilijk om gebouwen zo te ontwerpen. Want niet alleen hebben we altijd te maken met een geheel van gebouwen, ofwel met een ‘architectonische ecologie’, maar ook is het zoeken naar de vorm zelf geen geringe zaak en kunnen we wederom vervallen tot het ‘maniertje’. Zoals ook de Jugendstil aan het maniertje ten gronde is gegaan, aan de overwoekering van zichzelf. Wat men meestal als tegenwerping naar voren brengt, is het argument: het is veel te duur. Dat wil ik bestrijden.

Maar dan moeten we niet ons wonen en bouwen als een apart aspect bezien met een aparte kostenfactor, dan moeten we kijken naar de totaliteit van ons bezig zijn in de samenleving. En daarin vormen bouwen, wonen, gezondheid, medische verzorging en levensgeluk – en de kosten daaraan verbonden – één geheel. Wat je aan het één toevoegt spaar je uit op het ander. Maar is het ook werkelijk zoveel duurder?

Ik wil hierbij een voorbeeld aanhalen van het antroposofische ziekenhuis in Herdecke, Duitsland; een ziekenhuis met eerst 250, thans* 500 bedden. Men heeft geprobeerd dit enorme complex te bouwen in een organische vorm, en toen bleek dat de ruimte van binnen veel meer leefmogelijkheden ging bieden, veel meer variatie, veel meer mogelijkheden om ruimtes die normaal ongebruikt bleven (en dit soort ‘loze’ ruimtes zijn er vele!) werkelijk te gebruiken.

En de bouwkosten van de eerste fase van dit ziekenhuis bleken 40 procent lager te zijn dan de kosten van een dergelijk ziekenhuis wanneer men het zou bouwen naar de gebruikelijke maatstaven van ziekenhuisbouw. De uitbreiding echter van het ziekenhuis werd aanvankelijk afgewezen, omdat men meende dat voor zo’n prijs niet behoorlijk gebouwd kon worden en dat meer moest worden geïnvesteerd. Het bouwplan moest opnieuw worden ingediend, met
opschroeving van de bouwkosten. Wat zat daarachter? Natuurlijk, de andere ziekenhuizen, die anders hun dure ‘utilitaire’ bouw niet meer konden rechtvaardigen.

Wanneer we bouwen, bieden we de vormen die we ontwerpen en maken aan aan onze medemensen. Dat is een grote verantwoordelijkheid.

Een gebouw kan een levend wezen zijn, waar je bevriend mee raakt, zoals met een vriend die je helpt, die je trooost, een vriend die je vreugde brengt. De bouw van de toekomst zie ik als de bouw die de mens begeleidt op zijn levensweg van geboorte naar ouderdom. Een bouw waarin kinderen kunnen opgroeien en zich ontwikkelen, die jonge mensen fris en gezond maakt, dat zie ik als opdracht van de architekt van de toekomst, die wil proberen te bouwen in vormen die weer menselijke vormen zijn.

Geen ‘dode’ materie. Geen symbolisme. Geen nabootsen van voorbeelden uit de natuur. Maar wel een besef van hoe een natuurlijk organisme tot stand komt; een besef van de eigen levenssituatie en de levensprocessen in zichzelf.

Dan kan men zover komen dat uit een zuiver inzicht zelfstandig en oorspronkelijk deze bouwvormen ontstaan. De mate waarin men in deze vorm van ‘vermenselijking’ van het bouwen slaagt, bepaalt mijns inziens tevens de mate van kunstenaarschap van de architect.

B.C.J.Lievegoed, Jonas 23 11-07-1980

Organische bouw

The Little Yarra Steiner School, Australië.

Het lijkt erop of de architect de vormen van het dak in een zekere relatie tot het achterliggende gebergte heeft willen brengen.

872