Maandelijks archief: maart 2016

VRIJESCHOOL – 7e klas – leerplan

 

Er was een tijd dat een vrijeschool de klassen kleuters t/m  12 onder één dak had. Deze scholen stonden alle in grote steden.

Toen het aantal basisscholen – vanaf 1975 – fors groeide in kleinere plaatsen, waren de leerlingen voor de middelbare afdeling aangewezen op bestaande scholen in de grotere stad.

De basisschool bestond toen uit kleuters t/m klas 7.

Maar ook klas 7 – die de wet niet kent – werd op zeker ogenblik bij de basisschool weggehaald en als een soort middenklas (samen met klas 8) opgenomen door de bovenbouw (de klassen 9 t/m 12).

Hoe zag het leerplan van de 7e klas eruit toen het nog een basisschoolklas was. 
Dat is hieronder te zien. 
Het wil niet zeggen dat de 7e klas anno 2016 dit leerplan heeft.

Waarom ik het dan toch hier weergeef?

Zie hiervoor:  ‘Verslag Informatiebijeenkomst Anders Verantwoorden 20 januari 2016 door Yvonne van Oorsouw en Saar Frieling’ in ‘Antroposofie in de pers’ 

voor scholen die na periodes van inspectiestress hun eigen concept willen terugveroveren

 

LEERPLAN KLAS VII

NEDERLANDSE TAAL

a. Vertelstof:
Land- en volkenkunde,
Middeleeuwse riddersagen,
het Finse Kalevala-epos
Geschiedenis van de 15e en 16e eeuw

b.Spreken:
Spraakoefeningen,
klassengesprek,
spreekbeurt,
temperamentsoefeningen,
reciteren van gedichten,
voordragen van prozastukken.

c.Schrijven:
Zuiver schrijven,
goed gestelde zakenbrieven,

d.Lezen:
Moeilijker stukken door stillezen opnemen en inhoud in vragende vorm weergeven

e. Spelling en interpunctie:
Moeilijke dictees.
Vervolmaking interpunctie,

f.Grammatica:
Behandeling van de samengestelde zin.
Nauwkeuriger behandeling van voornaamwoorden en voegwoorden.
Het kind moet door de taal de goede uitdrukkingen kunnen hanteren, die een wens, een verwondering, een gevoel van verbazing, ook van bewondering, kortom een hele configuratie van gevoelens uitdrukken. Vergelijken van een wenszin met een bewonderzin om de plastiek van de taal te beleven.

g. Opstellen:
Onderwerpen uit natuurkunde en biologie nauwkeurig weergegeven

h. Stijloefeningen:
In vier temperamentstijlen kunnen spreken en schrijven. In de Nederlandse literatuur voorbeelden bestuderen.

Middelen: Papier in verschillende soorten, schriften, periodeschriften, pennen, kleurkrijt, kleurpotloden, leesboeken, toneelattributen, toneel-kleding, hout, klei.

Werkvorm: Individueel, groep, temperamentsgroep, klassikaal.

FRANS OF DUITS EN ENGELS

Grammaticale regels worden uit het hoofd geleerd.
Grotere gedichten en balladen worden behandeld.
Brieven en korte opstellen gemaakt.
Globale vertalingen geoefend.
De onderwerpen komen uit land- en volkenkunde.

Middelen: Papier, schriften, leesboeken.

Werkvorm: Klassikaal, groep, temperamentsgroepen, individueel.

REKENEN/ ALGEBRA

Aan de orde komen:
Machtsverheffen,
worteltrekken,
de negatieve getallen,
vergelijkingen,
algebra in de vier hoofdbewerkingen.
Ook inhouds- en oppervlaktematen en vreemd geld.
E.e.a. aan de hand van praktische vraagstukken.

MEETKUNDE

De meetkunde wordt voortgezet tot en met de stelling van Pythagoras.

Dit is een van de kernstukken van de zevende klas.

Verder nog: Vermenigvuldigen van figuren,
gelijkvormigheid en congruentie.
Verhouding en evenredigheid van lijnstukken.
Eenvoudige bewijzen i.v.m. congruentie en gelijkvormige driehoeken.

Middelen:Papier, potloden, karton,passers,driehoeken, gradenbogen,klei.

Werkvorm: Klassikaal en individueel

VORMTEKENEN

Do meetkundige constructies met passer, liniaal en driehoek worden voortgezet.

Middelen: Papier, potloden, krijt.

Werkvorm: Klassikaal, in temperamentsgroepen, individueel.

SCHILDEREN EN TEKENEN

Voortzetting en herhaling van onderwerpen uit de vorige klassen.
Spiegeling (in water);
stemmingen in chemische processen (kristalliseren, verbranden e.d.); architectuur; coulissen. [1]

Middelen: Papier, waterverf, sponzen, penselen, waskrijt, kleurkrijt, kleurpotloden, karton, houtskool, waterbakjes.

werkvorm: Klassikaal, in temperamentsgroepen, individueel.

HANDENARBEID

De zevende klas staat in het teken van het beweeglijke speelgoed.

Het maken daarvan loopt parallel met de intrede van het vak mechanica, waarin de takels, de weegschaal, het hellende vlak, etc. worden behandeld.

Dat is op de leeftijd van 12 a 13 jaar, waarin het lichaam hoekiger gaat worden en de aanhechting van de spieren met het skelet vaster wordt (mechanischer) .

Rijdende en waggelende eenden verschijnen, voorzien van ingebouwde krukassen, apen die langs een stok klimmen, houthakkers die tot activiteit kunnen komen etc.

Nu moet de fantasie omgezet worden in denkend voorstellen en daarna met de realiteit laten wedijveren.

Het wordt een zeer bedrijvig jaar, vooral voor de leraar, die mede gestalte moet geven aan al die uitvindingen, waarvan de toepassingen veel denkkracht vereisen.

HANDWERKEN

De leerlingen naaien en versieren eenvoudige kledingstukken voor zichzelf

Middelen:Verschillende soorten natuurlijk materiaal.

Werkvorm: Klassikaal, in temperamentsgroepen, individueel

EURITIIMIE

In aansluiting’ op het taalonderwijs worden de uitdrukkingsvormen van wensen, bewonderen, zich verwonderen, e.d. door het gehele lichaam in bewegingen gedaan.

Er worden moeilijker geometrische vormen gelopen, begeleid door muziek.

De oefeningen, die de leerlingen helpen hun groeiende ledematen te beheersen, worden voortgezet. Bij de tooneuritmie treedt het mineurelement weer op de voorgrond. Er worden nu muziekstukken ingestudeerd, waarbij enkele kinderen uit deze klas op hun instrumenten spelen en de rest van de klas daarbij euritmiseert.

MUZIEK

Het behandelen van het octaaf krijgt een aparte betekenis door het begin van de stemwisseling van de jongens. Hun stem zakt nl. een octaaf, zodat in het bijzonder de negro-spirituals hun volle klank krijgen.

Laat men aan de ene kant de muziek der grote meesters horen, het is voor opgroeiende kinderen aantrekkelijk en op deze leeftijd zelfs noodzakelijk de grondbegrippen van de jazzmuziek te leren kennen. Daarbij vooral biografieën behandelen. Een eigen bandje naast het schoolorkest valt te overdenken.

BIOLOGIE/TUINBOUW

Gebaseerd op de plantkunde, dierkunde en mineralogie, wordt nu de menskunde behandeld i.v.m. voedings- en gezondheidsleer. Verschillende gezichtspunten worden besproken. Ook de stofwisseling, spijsvertering en ademhaling komen aan de orde.

In de tuinbouwlessen komt de kwaliteitsvraag naar voren: Hoe verzorg je de grond, de plant en hoe bewaart men en bereidt men hem. Dit wordt alles zoveel mogelijk in praktijk gebracht.

Middelen:Boeken, werkboeken en tuingereedschap.

Werkvorm: Klassikaal, in temperamentgroepen, individueel.

VOEDINGSLEER

Op deze jonge leeftijd kan het kind op niet-egoïstische wijze begrip krijgen voor voeding en gezondheid. Behalve theoretisch zijn de leerlingen ook praktisch bezig. Ook komt aan de orde hoe de voedingswijze in de loop der tijden is veranderd.

Middelen: Werkboekjes, kookgerei, boeken.

Werkvorm: Klassikaal, in temperamentsgroepen, individueel.

 

GESCHIEDENIS/VOLKENKUNDE

De periode in de zevende klas concentreert zich op de 14e, 15e en 16e eeuw. Van groot belang kan het worden geacht, dat de kinderen die nu in een zo andere ontwikkelingsfase van hun wezen komen, in aanraking worden gebracht met die ontwikkelingsfase van de West-Europese mens die wij Renaissance noemen. Evenals bij onze ongeveer 13-jarigen kenmerkt zich deze tijd door het zoeken naar een ontplooiing van het individu.

Het denken gaat een zelfstandige plaats eisen, en maakt zich daarbij vrij van oude waarden. Aan de hand van biografieën kunnen in kleurrijke beelden de levens geschilderd worden van de grote vernieuwers uit die tijd; de ontdekkingsreizen n.a.v.Hendrik de Zeevaarder, Columbus e.a.; de veranderde ideeën op het gebied van de godsdienst n.a.v. Johannes Hus, Maarten Luther e.a.

Schilders, beeldhouwers, uitvinders kunnen behandeld worden. Het ontstaan van nieuwe staatkundige ideeën vanuit de oude gildemaatschappij en de feodale overheersers wordt meebeleefd.

Centraal staat steeds dat de leerlingen innerlijk déél kunnen nemen aan het denken en worstelen van de mensen, die aan het begin van een nieuwe bewustzijnsstroom stonden, die uitmondt in onze huidige technocratische maatschappij waar kinderen nu met hun eigen, zich ontplooiende bewustzijn, in staan.

Middelen: Schriften, Boeken en Werkboeken.

Werkvorm: Klassikaal, in temperamentsgroepen, individueel.

AARDRIJKSKUNDE/STERRENKUNDE

De werelddelen en oceanen worden behandeld. Metalen en hun economische betekenis voor de mensen. Belangrijke volkeren en hun culturen worden behandeld voor wat betreft hun samenhang met materiële, economische en spirituele factoren.

Voorts worden de astronomische verschijnselen aan de hemel besproken: zon, maan, de zeven planeten en de twaalf sterrenbeelden van de dierenriem .

Middelen: Schriften, papier, atlassen, wandkaarten, sterrenkaart, telescoop.

Werkvorm: Klassikaal, in temperamentgroepen, individueel.

NATUURKUNDE

Geluidsleer, licht- en kleurenleer, warmteleer, magnetisme en elektriciteit worden uitgebreid; de belangrijkste mechanische elementen komen erbij: hefboom, katrol, takel, hellend vlak, schroef e.d.

Middelen: Materiaal voor het nemen van proeven, schriften, werkboeken.

SCHEIKUNDE

Uitgaande van de verbranding leren de kinderen de eenvoudigste chemische voorstellingen kennen: Zuren, basen, zouten in hun onderlinge verhouding en karakter, in hun gebruik en voorkomen in het dagelijkse leven en de techniek, worden aan de hand van de belangrijkste voorbeelden geleerd.

Middelen: Schriften, werkboekjes, materiaal voor het nemen van proeven.

GYMNASTIEK

Voor kinderen in de zevende klas geeft het ervaren van de zwaartekracht en de eigen kracht daar tegenin veel voldoening.

De vrije val in de ruimte wordt gepraktiseerd( vallen en opstaan): het springen over allerlei hindernissen.
Verschillende teamspelen.

VERKEER

Het verkeersonderwijs moet zo worden ingericht, dat het kind zich dusdanig leert gedragen, dat hij uit eigen verantwoordelijkheidsgevoel en uit eerbied voor het leven in de omgang met anderen speciaal in het verkeer zo weinig mogelijk zijn medemens en zichzelf in gevaar brengt. Het verkeersonderwijs omvat de volgende aspecten:

1. De praktische oefening van de verkeersregels.
2. De oefening in het waarnemen, oriënteren, concentreren en reageren.
3. Goede gewoontevorming t.a.v. de gestelde gedragsregels. Het gaat daarbij ook vooral om het aanleren van goede “verkeersregels” in en om de school.

In de midden- en hogere klassen komen de verkeersregels aan de orde, die bestemd zijn voor de fietser en voor de automobilist, voorzover deze tevens betrekking hebben op de fietser.

In de klassen kan worden gewezen op de verscheidenheid aan vervoersmiddelen en de daarmee samenhangende problemen.

nadere gegevens ontbreken

[1] (eind) 7e klas: zwart/wit arceren 

zie ook: Opspattend grind (21)

Van veel onderwerpen is op deze blog achtergrondinformatie gegeven; ook voorbeelden uit de praktijk.

7e klas: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL  in beeld:  7e klas: alle beelden

 

996

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het OudeTestament (10)

.

TORENS, BURCHTEN, HUIZEN

 

leven O.T. 521. Israëlitische vestingtoren in Samaria
Samaria was gebouwd op een heuvel (1 Kon. 16 : 24) op „het hoofd der zeer vette vallei” (Jes. 28 : 1). Aan alle zijden geïsoleerd, leende de plaats zich voor vesting. Condor beweerde dat deze vesting voor de uitvinding van het buskruit onneembaar moet zijn geweest. — De versterking geschiedde door muren, en torens of burchten. Kenmerkend voor deze na-Salomonische bouwwijze is de stapelligging van grote rechthoekige steenblokken (a) die aan de voorzijde (b) zijn gladgeslepen; de zware goed gehouwen stenen sluiten precies op elkaar, het zijn „drie rijen van gehouwen steen”. Dit stuk vestingwerk is zo indrukwekkend, dat het als een nationaal-monument zal bewaard blijven en ter bezichtiging gesteld is door de regering van Palestina.

2. Reconstructie van de vesting Sichem
tussen Ebal en Gerizim. De stad Sichem (c) was niet, gelijk de meeste andere plaatsen van Palestina gebouwd op de top van een natuurlijke heuvel, maar in de dalweg tussen de Gerizim (a) en de Ebal (b). De oudste nederzetting lag op een haast vlakke uitloper van de Ebal, op een terras gelijk een schouder (want dat betekent de naam Sichem) tegen het hoofd van de hoge berg Ebal aan (Prof. Böhl).
Vermoedelijk is hier opgegraven „de sterkte (c) in het huis van de god Berith” (Richt. 9 : 46); de Sichemtoren met de verschansing.

 

leven O.T. 533. De Westburcht van Thanach
(reconstructie van Prof. Thiersch). De muur op de achtergrond is de stadsmuur (a); de burcht lag aan de binnenzijde. Deze burcht b-b) was een groot, bijna vierkant gebouw; 20 bij 21,80 m. Voor ons zien wij rechts een binnenhof (c). In het midden daarvan is een cisterne (d), een gegraven waterbak; in de Statenvert. van het O. T. bakken genoemd (Spr. 5 : 15), in de Statenvert. van het N. T. gracht (Matth. 12 : 11). Om de hof liggen kamers; deze worden gestut door houten balken; de muren zijn opgetrokken van leemtegels (e). Van de hof liep een trap, die recht naar de bovenverdieping en het dak van de burcht voerde; daarboven was dan de plaats voor den wachter op de muur (ƒ).

 

leven O.T. 544. Huizen met platte daken binnen de stadsmuur
De meeste huizen in de stad waren klein; met één verdieping; vier wanden op een onderbouw van keien en veldstenen, opgebouwd van leemtegels, gemaakt in tichelvorm (e). De deur was ter zijden begrensd door stenen zijposten (d), een bovendorpel (e) genoemd in Exodus 12 ; 7 en beneden (ƒ) een dorpel (1 Kon. 14 : 17). Wanneer men al een venster (g) had, stelde men zich met één tevreden (Jozua 2 : 18). Een trap (a) leidde naar het platte dak (b). Omdat de huizen dikwijls dezelfde hoogte hebben en tegen elkaar zijn gebouwd, is het gemakkelijk om van het ene dak op het andere te komen (Matth. 24 : 17).

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

 

995

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Cortez

.

Cortez

Een portret van Hernan Cortez te paard. Het is afkomstig uit een boek van de Tlaxcalan-indianen, dat handelt over zijn verovering van Mexico. De Indiaanse kunstenaar beeldde Cortez af met een hoed, zoals die werd gedragen door hun god Quetzalcoatl. De verschijning van Cortez was voor de Indianen zeer vreemd. Het versterkte hun overtuiging, dat Cortez een god was, die uit ballingschap terugkeerde

HERNÀN CORTEZ  1485-1547

Hoe Hernàn Cortez erin slaagde om met niet meer dan 500 soldaten een rijk met verscheidene miljoenen inwoners te veroveren, zal wel altijd een raadsel blijven.

Hernàn Cortez was afkomstig uit de arme Spaanse provincie Estremadura, waar zijn ouders tot de lagere Castiliaanse adel behoorden. Hij nam deel aan de verovering van Cuba en was al op negentienjarige leeftijd een vooraanstaand lid van de koloniale samenleving daar. In 1517 kreeg hij van gouverneur-generaal Velazquez van Cuba opdracht, naar het westen te varen om gegevens te verzamelen over nieuwe gebieden. Cortez vertrok met 500 manschappen, 16 paarden, 10 kleine kanonnen en 48 geweren. Toen Velazquez, die spijt had gekregen van zijn opdracht, hem terug wilde roepen, waren Cortez en zijn mannen al op weg. Voor de kust van Yucatan werden ze verwelkomd door de plaatselijke Maya-bevolking. Eén van de vrouwen sprak een Azteekse taal en samen met een Spanjaard, die slaaf bij de Maya’s was geweest en die hun taal sprak, trad ze voor Cortez op als tolk. In april 1519 landden de Spanjaarden bij Cempoalla aan de Mexicaanse kust.

Nog geen honderd jaar tevoren hadden de Azteken enkele wrede oorlogen gevoerd, waarbij ze schatting, slaven en mensenoffers van de Maya’s geëist hadden. Het verslagen volk was ervan overtuigd, dat hun god Quetzalcoatl eens zou terugkeren om de vijand te verslaan. Toen Cortez met zijn ‘gevleugelde kano’s met hun donderstemmen’ (de kanonnen) aankwam, meende men dan ook dat de dag van de bevrijding was gekomen.

Voor velen was hij de god, wiens komst was voorspeld, de god van de winden, de goedheid en het licht.

Vlakbij Cempoalla bouwde Cortez een versterking, die hij Vera Cruz noemde. Vervolgens stuurde hij een van zijn schepen terug naar Spanje met een verslag over de gebeurtenissen, op de vijand veroverde voorwerpen en een geschilderd boek over de legende van Quetzalcoatl.

Het was augustus 1519, toen hij met 400 van zijn mannen, duizenden inlandse dragers en 7 kanonnen landinwaarts trok om zich te voegen bij de Tlaxcala, een bergvolk dat in oorlog was met de Azteken. De grote hoofdstad Tenochtitlan telde bijna een miljoen inwoners. Deze stad was gebouwd op een aantal eilanden in een meer dat was omgeven door bergen en vulkanen. Montezuma, de Azteekse keizer, die er niet in slaagde Cortez tegen te houden of hem uit de weg te ruimen, schonk hem een paleis binnen de stad.

Intussen waren in Vera Cruz manschappen vanuit Cuba aangekomen, met de opdracht van de jaloerse gouverneur-generaal, Cortez gevangen te nemen. Razendsnel keerde Cortez terug naar de kust, waar hij zijn tegenstanders versloeg en de overlevenden overhaalde, zich bij hem aan te sluiten.

In Tenochtitlan hadden de achtergebleven mannen inmiddels een groot aantal burgers vermoord, uit angst overvallen te worden. Toen Cortez terugkwam, begonnen de Azteken een beleg. Tijdens de gevechten die volgden werd Montezuma gedood, maar de Spanjaarden werden op de vlucht gedreven. Op de terugweg, die via een
verbindingsdam leidde, vonden vele Spanjaarden de dood in het meer.

Ondanks het grote verlies dat ze hadden geleden, wisten Cortez en zijn mannen een groot Azteeks leger bij Otumba te verslaan. Samen met de Tlaxcala en duizenden Azteekse opstandelingen, vereerden ze Tenochtitlan. Het beleg duurde drie maanden en na afloop stond er vrijwel geen gebouw meer overeind. De Spaanse soldaten maakten zich schuldig aan afschuwelijke wreedheden, hoewel een dergelijk gedrag bepaald niet paste bij Cortez’ godsdienstige opvattingen.

Hoewel er verschillende theorieën over bestaan, zal het waarschijnlijk altijd een raadsel blijven, hoe de 500 conquistadores (veroveraars) van Cortez erin slaagden een miljoenenvolk te verslaan. Sommige deskundigen menen dat er sprake moet zijn geweest van een ziekte die, meegebracht door de Europeanen, onder de Azteken een epidemie veroorzaakte. De ontevredenheid onder de bevolking die herhaaldelijk tot opstanden leidde, zal wellicht ook een rol hebben gespeeld. Cortez, die van de Spaanse regering de titel ‘Marquis de Valle des Oaxaca’ kreeg, zag zijn grootste wens, gouverneur van de nieuwe provincie te worden, niet in vervulling gaan. Hij ondervond voortdurend tegenstand van de koloniale regering en de onderkoning en hij stierf in 1547 als een verbitterd man.

Cortez

Cortez met de Indiaanse prinses Malinche, die zijn tolk werd. Zij vertaalt de woorden van een Azteek om Cortez van dienst te zijn.

alle biografieën

7e klas geschiedenis

 

VRIJESCHOOL in beeld:  7e klas alle beelden

 

994

VRIJESCHOOL – 1e klas – impressie (3)

.

DE EERSTE KLAS

Nu ik een stukje wil gaan schrijven voor de Triangel over mijn klas, gaat er veel door mij heen.We zijn driekwart jaar bezig en ik moet onwillekeurig weer aan de eerste dag denken.
De helft van de kinderen kende elkaar van de kleuterschool, maar de andere helft kwam vanheinde en ver.
Daar komen ze binnen; de één vol bravoure, de ander verlegen, maar allemaal vol verwachting, want- dit is me toch even een ogenblik: we gaan naar de grote school. En dan gaat zo’n klas aan ‘t werk.

Het zijn allemaal individuutjes, die hun weg proberen te zoeken; sommige met veel vallen en opstaan. Ze leven nog allemaal voor zichzelf. ”Dat is van mij en daar mag je niet aankomen”. Of: tegen een tafeltje van een ander kind aanlopen, zodat de krijtjes eraf  vallen en dan gewoon doorlopen alsof er niets aan de hand is.
Of als ze iets niet kunnen, dan moet meneer helpen.
Maar na driekwart jaar zie je opeens dat ze een beetje ”klas” beginnen te worden. Enkele voorbeelden hiervan zijn: er komt een nieuw kindje in de klas en wordt door de anderen “ingewijd”. Je merkt dan zoiets van: ”wij zijn er al enne…… wil je erbij horen dan zo en zo….. ”
Of er valt een doosje met krijtjes op de vloer en twee kinderen gaan het samen oprapen.
Of ” Meneer, wil je m’n veters wel vast knopen?”, ”0, laat maar, meneer, ik zal dat wel even doen”. En daar sta je dan een beetje overbodig te zijn, maar zielsgelukkig, dat zoveel knokken en zwoegen zulke dingen tot resultaat hebben.

Eigenlijk is zo’n eerste jaar voor de kinderen een wennen aan het naar school gaan. In het begin zie je, dat er nog geen werkhouding is; ze zijn gauw afgeleid en kunnen zichzelf nog geen taak stellen.
Nu zie je dat de meeste kinderen proberen hun werk zo goed en zo mooi mogelijk te maken. Dat lukt echter niet altijd, want de boog kan niet altijd gespannen zijn.

Een van de mooiste thema’s in de eerste klas is het letterbeeld.

Het is m’n allereerste jaar dat ik vrijeschoolleraar mag zijn; de letterbeelden zijn voor mij net zo’n grote beleving als voor de kinderen. Ik vermoed dat enkele dingen me altijd bij zullen blijven.

Een voorbeeld is de “vogelletter”. Deze is voortgekomen uit.het sprookje “De gouden vogel” uit de Gebr.Grimm.

Ze hebben het fragment getekend, waarin de gouden vogel één van de gouden appels steelt, daarna de vogel alleen, waarna de kinderen spoedig ontdekten dat hier een letter uit moest komen. En jawel hoor, daar kwam de vogelletter. We zijn een heel eind gaan wandelen om te kijken, hoe mooi de vogels zelf de vogelletter maken.

We hebben veel vogels gezien en ze werden allemaal met gejuich begroet. Uiteindelijk liepen we over een bruggetje en we zagen drie eendjes zwemmen, die ook een vogelletter maakten. Daar werden we met z’n dertigen wel even stil van. Of dat nu toeval is weet ik niet.

Op bijgaande tekeningen kunt U het ontstaan van de F aflezen. Via de fakkeldrager en de fakkel zelf naar de fakkelletter.

schrijven klas 1 14

 

 

schrijven klas 1 15

 

 

 

 

 

Jammer genoeg zal de schoonheid van het werk voor een groot gedeelte wegvallen, omdat de kleur die toch zo belangrijk is, door het reproduceren verdwijnt. Het gaat er echter om, u een indruk te geven.

Toen een groot aantal letters bekend waren, zijn we overgegaan tot het oefenen van het schrijven van de letters. Eindeloos kan dat variëren: door er steeds een ander figuurtje tussen te zetten, door met kleuren te werken van rood naar blauw enzovoort.

De overgangsfase van het letterbeeld naar de abstracte letter is ook nog te zien. De reuzenletter heeft z’n hoed nog op en z’n laarzen nog aan.*

De klinkers (a-e-i-o-oe-u) hebben bij ons in de klas maar één kleur, namelijk geel. Ze worden engelen-letters genoemd. Ze zijn ook niet als beeld gegeven.

De medeklinkers komen uit een beeld; de klinkers komen uit de mens zelf: bijvoorbeeld de A als verwondering, de 0 als omhulling. Het zijn gebaren, die van binnen uit komen.

Tot slot wil ik nog enkele namen van letterbeelden geven: de Bontepelsletter, de Torenletter, de Waterletter en de Koningsletter.

 

schrijven klas 1 16

 

*die vond ik bij het artikel niet terug

schrijven: alle artikelen

1e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: letterbeelden

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas: alle beelden

 

P.Brouwer, vrijeschool Zutphen, Trinagel 7e jrg. nr 7. april (geen jaar)

 

993

VRIJESCHOOL – Computer

.

Achter ‘computer’ hadden ook nog meer woorden kunnen staan: tablet, i-phone e.d.

Ze zijn er en kinderen krijgen ermee te maken.

Wat wil je als opvoeder, thuis en op school.

En voor de vrijeschool geldt: ‘We moeten ons tot in de details bewust zijn van wat we doen’.[1]

Geen wonder dat er veel gediscussieerd wordt en werd.

Ik vond nog een artikel van een jaar of vijftien geleden. Met waardevolle gezichtspunten.
De visie kan m.i. ook nu een bijdrage zijn aan ‘tot in de details bewust zijn van wat we doen’.
.

Gebruik van de computer op onze* school

Onderstaand stuk is naar de ouders van onze school gegaan in april 2002. Het is het resultaat van een aantal gesprekken in onze pedagogische vergadering en van een oriëntatie mijnerzijds buiten de school: met een collega heb ik de ICT-dag bezocht van Helicon in november 2000 en ben ik op bezoek geweest bij een bevriende vrijeschool. Hiervan heb ik verslag gedaan in onze pedagogische vergadering.

Daarnaast hebben we relevante informatie verzameld over dit onderwerp; zowel “vrijeschool-literatuur” als berichten uit de landelijke pers, zowel “voor” als “tegen”. Deze informatie was beschikbaar voor iedereen op school, die dat wilde.

Ook hebben we in maart 2001 een deel van de jaarlijkse algemene ouderavond gewijd aan het wel of niet introduceren van computeronderwijs.

Alle medewerkers van onze school die dat wilden, hebben maximaal drie modules van het Digitaal Rijbewijs gehaald.

Naar aanleiding van dit bericht hebben we de ouders uitgenodigd voor een extra algemene ouderavond om ons standpunt nader toe te lichten. Deze avond is niet doorgegaan wegens gebrek aan belangstelling. Uit de “wandelgangen” bleek, dat het overgrote deel van de ouders tevreden was met het besluit dat we genomen hadden.

De aanleiding was dat zowel de ouders als de inspectie de school om een standpunt vroegen inzake het gebruik van computers door de kinderen op onze school.

Conform de afspraken met de inspectie en de belofte aan de ouders zouden we in de loop van afgelopen schooljaar een besluit nemen.

In verschillende pedagogische vergaderingen hebben wij – de pedagogische medewerkers – onze ideeën en meningen uitgewisseld. Uiteindelijk kwamen we tot de conclusie, dat geen van ons een meerwaarde zag in het structureel gebruik van de computer door de kinderen tijdens de lessen.

Argumenten

Argumenten die daarbij als heel belangrijk genoemd zijn:

In de onderbouw is het trefwoord: beleven. Dat wil zeggen: we spreken bij de kinderen het denken, voelen en willen aan, zowel bij het individuele kind als bij de groep. Er zijn vakken, waarbij het gezamenlijke beleven voorop staat, zoals toneel, zang, fluit, euritmie. Daarnaast zijn er vakken waarbij het individuele beleven meer de nadruk krijgt, zoals bij de verwerking van de periodestof, de handvaardigheid, het creatieve in de taal.

• We spreken het totale wezen van het kind aan. Het gebruik van de computer nodigt in de eerste plaats uit tot heel individueel werken, alleen of met zijn tweeën, innerlijk afgesloten van de omgeving.

• Leerstof zien wij als ontwikkelstof, dus als een van de mogelijkheden waaraan het kind zich kan ontwikkelen. Daarvoor is de relatie tussen kind(eren) en de volwassene, in dit geval de leraar, die vertelt, op het bord tekent, met de klas nieuwe vaardigheden oefent, van groot belang.

• Als je de wil van het kind wilt aanspreken, is het nodig dat het zich de dingen verwerft door er moeite voor te doen; zelf op zoek gaan naar boeken voor een spreekbeurt, zelf schrijven en tekenen als het om een werkstuk gaat. Wij hechten er veel waarde aan, dat de kinderen leren breien en bijv. houtbewerken, dat ze daarbij leren om het juiste gereedschap goed en zorgvuldig te gebruiken. Ze bouwen zelf de fluiten, waarop ze gaan spelen, ze leren broodbakken en tuinieren. Dit zijn allemaal vaardigheden, waarbij het kind zelf de dingen ziet ontstaan en daarin kan meebewegen. Zeker tot en met de tweede levensfase is dit een heel belangrijk uitgangspunt van ons onderwijs. Een computer zou in dit proces geen goede bijdrage leveren.

Ook kunnen we de volgende zaken in overweging nemen.

• Inzichten omtrent didactiek en pedagogie zijn – terecht – voortdurend aan verandering onderhevig.

• Het gaat daarbij enerzijds om inhoudelijke standpunten, zoals: hoe ga je om met kinderen die bepaalde problemen hebben op cognitief gebied of gedragsmatig, hoe leer je de kinderen lezen en rekenen. Voorbeelden daarvan: officieel hebben we sinds 1984 geen kleuterklassen meer, maar groep 1 tot en met 8. Of: er wordt de laatste jaren verwacht dat we vanaf de lagere klassen bezig zijn met begrijpend lezen; ook dit is iets waarvan we zeggen: op deze manier met “informatie omgaan” verstoort het beeldende en fantasievolle dat we nu juist zo belangrijk vinden in ons aanbod. Liever besteden we aandacht aan het terugvertellen en de eigen wijze van verwerking, dan komt de reflectie uit het kind zelf, namelijk: wat heeft hem aangesproken?

• Anderzijds, gekeken naar de wijze waarop lesstof wordt aangeboden: al jaren was er het gebruik van audiovisuele middelen, zoals school-tv, diaprojector, werkboeken e.d., die wij nooit geïntroduceerd hebben omdat we deze wijze van aanbieden niet vonden passen in onze filosofie.

• Tegelijkertijd hebben we een aantal zaken wel degelijk veranderd: we spreken de kinderen directer aan, rapporteren veel concreter en gebruiken volop oefenstof uit bepaalde methodes. We hebben een beperkte toetskalender en zorgen voor een dossier zoals bedoeld wordt vanuit WSNS. We gebruiken echter voor geen enkel vak een “reguliere” methode in zijn geheel. Wel zijn vanuit de Bond** boeken verschenen over de verschillende vakken, die dienen ter ondersteuning van de periodes en vaklessen, waarvan ook wij dankbaar gebruik maken.

• De vrijescholen maken zoveel mogelijk gebruik van de mogelijkheden die de vrijheid van onderwijs in ons land biedt; uiteindelijk bepaalt de school de koers die ze volgt, welke pedagogische en didactische uitgangspunten ze hanteert. De teneur van de politiek van de laatste jaren is echter ook: invloed op het onderwijs krijgen, denk aan de kerndoelen en het pleidooi vanuit de Tweede Kamer voor een meer sturende rol van de inspectie.

Vervolgens gaat het bijzonder onderwijs weer wrikken waar de ruimte zit; vandaar ons overleg op landelijk niveau met de hoofdinspectie.

Enkele maanden geleden is het commentaar van de Bond verschenen op de herziene kerndoelen, die per 1-8-2003 van kracht zullen zijn. In dit stuk beschrijft Helmut van Renesse, bureaumedewerker van de Bond en verantwoordelijk voor de contacten met de inspectie, onze bedenkingen tegen kerndoel 15:

de leerling leert een tekst maken en bewerken met een tekstverwerkingsprogramma op de computer.

Het commentaar vanuit de Bond (door mij samengevat):

“Dit hoort zonder twijfel tot de vaardigheden die een leerling onder andere op school moet worden geleerd. Het is beter dit te leren in de onderbouw van het voortgezet onderwijs opdat leerlingen een voldoende aantal jaren de tijd krijgen om hun handschrift te ontwikkelen tot een leesbare en verzorgde stijl. Dit laatste krijgt onvoldoende kans als leerlingen vroegtijdig, in de basisschoolleeftijd, schrijven met de computer.”

Voor het eerst wordt er zo’n duidelijk appèl aan de scholen gedaan; het gebruik van de computer in onderwijstijd is zeer breed gepropageerd; misschien heeft niet eerder een technisch hulpmiddel zo’n grote impact gehad op onze samenleving. De indruk wordt gewekt, dat het onderwijs door het gebruik van de computer ingrijpend zal veranderen, zowel de wijze van aanbieden als de inhoud.

Voor ons als pedagogisch verantwoordelijken geldt als belangrijke vraag: hoe kunnen we het beste werken volgens onze uitgangspunten, d.w.z. vanuit het mensbeeld dat we voorstaan voor de kinderen in de leeftijdsfasen waarmee wij te maken hebben? Zoals uit het bovenstaande duidelijk wordt, zien wij daarin op dit moment geen plaats voor het gebruik van de computer.
In de vergadering van onze schoolcommissie hebben we daarom besloten, de komende drie schooljaren geen gebruik te maken van de computer in ons onderwijs.

Dat betekent dat we ruim vóór het schooljaar 2005-2006 het punt opnieuw agenderen.

We realiseerden ons ook, dat het ministerie mogelijk geoormerkte gelden zou kunnen terugvorderen. Aangezien er echter veel geld is uitgegeven voor de cursussen van de medewerkers en computers op de administratie, bleek dat niet het geval te zijn.

*Maria Duif,vrijeschool De Driestroom, ‘s-Hertogenbosch
**nu: vereniging van vrijescholen

[1] Rudolf Steiner:
GA 293/27
vertaald/27                         Rudolf Steiner: wegwijzer (3)

Met nadruk wijs ik erop dat bovenstaande standpunten niet voor alle vrijescholen (hoeven te) gelden; er zijn vrijebasisscholen die wèl computers gebruiken.

Er is, ook nu, volop discussie en standpuntbepaling:

o.a. vrijeschool en media:

mediawijs: in dit artikel verwijzingen naar andere artikelen; samenvatting van ‘Digitale dementie’

Schoorel:  Beeldschermbeelden

 

 

992

VRIJESCHOOL – 4e klas – ‘bericht uit de 4e klas’

.

Zo af en toe vind ik nog een artikel van wel heel lang geleden.
Telkens blijkt dat – afgezien van de spelling – de inhoud voor een groot gedeelte nog actueel is, vooral waar het de menskundige visie betreft.

Zoals het toen verscheen in de schoolkrant “Ostara’ van de vrijeschool in Den Haag:
.
OVER DE 4E KLAS 

In het vorige nummer van „Ostara” schreef ik al over den overgang, dien het kind doormaakt in ’t 10de levensjaar en over het dierkunde-onderwijs in de 4e klas in verband hiermede. Deze overgang maakt het mogelijk op de andere vakken ook dieper in te gaan. Het spreekt echter vanzelf, dat de leerstof, die nu meer van het intellect vraagt, zoo behandeld moet worden, dat het kind er geheel in op kan gaan, zoodat het doen (willen) en het plezier of de moeite (voelen) het opnemen met het intellect te hulp komen.

Het 4e leerjaar bracht den kinderen naast de herhaling van de cijferoefeningen het werken met de breuken. We begonnen aan de hand van munten, maten en gewichten met de tiendeelige. De klas, de gang, de school werden gemeten, er werd winkeltje gespeeld, waarbij ponden en onsen okkernoten guldens, dubbeltjes en centen opbrachten. In de tweede rekenperiode kwamen de gewone breuken. In de eurhythmiezaal werd een groote cirkel in halven, vierden en zesden verdeeld. In de klas knipten we tienden en twaalfden uit „geheelen” van teekenpapier, waarmee al spoedig gerekend werd. De eenvoudige gelijkwaardige breuken, zooals ½  =  2/4  =   4/8  enz. en ½  =   3/6     =   6/12  reciteerden we in koor om ze vast in het geheugen te prenten.

In de Ned. taal-periode zetten we het onderscheiden der werkwoorden voort. Met de ontleding van eenvoudige zinnetjes, door de kinderen zelf verzonnen en voor de klas gespeeld, werd begonnen. Werkwoorden, zwakke en sterke, leerden we vervoegen in tegenwoordigen en verleden tijd. De stof tot vertellen en navertellen omvatte de verhalen der Germaansche mythologie. Wodan, zittend op zijn troon, de adelaar op zijn helm, de ‘kraaien op zijn schouders, de wolven aan zijn voeten werden in klei geboetseerd, „Hoe Thor zijn hamer haalde”, „Balder’s dood” en enkele andere episoden klonken als koorrecitaties door de klas. Het lezen oefenden we aan „Niels Holgerson’s wonderbare reizen”. Dit boek biedt den kinderen, doordat het zoo boeiend en levendig verteld is en doordat het vrij klein gedrukt is, geen geringe moeilijkheden, maar ook is het voor hen een bron van vreugde.

De dierkunde nam een belangrijke plaats in dit leerjaar in. Van de meest verschillende diersoorten leerden we eenige kennen. Onze naaste vrienden: het paard en de koe, verschillende soorten vogels, den adelaar, den zwaan, den reiger, enkele amphibieën en reptielen. Allen genoten dezelfde aandacht en belangstelling van de kinderen. Met toewijding luisterden zij naar wat er over de dieren verteld werd en graag vulden zij, dit uit hun eigen ervaring aan, met liefde en zorg werd alles geteekend en gekleid.

In het onderwijs der moderne talen namen grammatica en schrijven een iets grootere plaats in. Ook hierbij werden werkwoorden vervoegd, meervoudsvormen geoefend, enz. De kinderliedjes maakten plaats voor schoonere (lyrische) gedichten.

Uit de eerste drie jaren werd veel gerepeteerd, zooals bijv. de tafels van vermenigvuldiging, maar in dit leerjaar werd de grondslag gelegd voor de leerstof, die in de volgende twee jaren steeds meer de ontwikkeling van het verstand vraagt.

H.Janssen van Raay, Ostara 3e jrg 5/6, oct.1930

 

4e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas alle beelden

 

 

991

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (21)

 

opspattend grind

Toen ik op de vrijeschool Den Haag mijn werk voor de klas begon, zaten alle klassen van 1 t/m 12 onder één dak. Ook de kleuters waren heel dichtbij.

Leerkrachten van de bovenbouw (de middelbare school) gaven ook les in de lagere klassen en zo leerde je als 1e-klasser je ‘muziekmeneer’ kennen bij wie je later in het bovenbouwkoor zong.

Dat ‘later’ was voor de kleinere kinderen iets om eerbiedig naar te kijken: in de 10e klas mocht je bij een maandfeest op het grote podium salto’s maken en met advent stonden de ‘grote meisjes en jongens’ (11e, 12e klas) langs de trap en zongen zacht prachtige liederen, terwijl de ‘kleintjes’ stilletjes aan hen voorbij liepen naar de grote zaal.

De leerlingen van de bovenbouw kregen de vrijeschoolvakken optimaal; er werd laat gesplitst naar mavo/havo/vwo; vroege keuzes voor een ‘pakket’ hoefden niet te worden gemaakt; de examendruk was mild: er was een ’13e klas’ waarin je eindexamen deed.

Maar het spook van de onderwijsvernieuwing (die steeds maar bleek geen echte vernieuwing te zijn) ging ook niet aan de vrijescholen voorbij: in Den Haag bijv. verdween het ‘alles-onder-één-dak’ principe.

En wat vermeldt Trouw op 27-02-2016:

amsterdam wil school voor 0 – 18-jarigen

“Amsterdam wil meer experimenteren met nieuwe schoolvormen. De onderwijsplannen van het kabinet gaan niet ver genoeg, zei het gemeentebestuur gisteren. Zo wil Amsterdam kijken of een school kan worden opgezet voor nul tot achttien jaar.
‘Dat is een behoefte van ouders en schoolmakers. Geen scheiding tussen kinderopvang en basisschool en tussen basisschool en middelbaar onderwijs. Kinderen hoeven geen vroege keuze te maken. Ze hebben hun hele jeugd dezelfde leraren in dezelfde omgeving’, zegt een woordvoerder.”

 

alle grindjes

 

990