Maandelijks archief: november 2012

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (47)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.173, hoofdstuk 47                                                                             alle hoofdstukken

 

WAT WE UIT ANDERE LANDEN BETREKKEN
Er moet nu eens aandacht aan die planten worden besteed die de uitheemse specerijen en genotmiddelen aan ons leveren of het nu bladeren, bloemen of vruchten, zaden, bast of wortels zijn. Dikwijls is het niet meer te zien welk deel van de plant gebruikt wordt, omdat we de specerij gesneden, fijn gehakt of zelfs gemalen kopen.

Het drogen alleen al maakt ze onherkenbaar.

Daarom zou niemand specerijen moeten gebruiken en ervan genieten, zonder zich af te vragen, waar ze vandaan komen en wat het zijn!

Van sommige weet tegenwoordig niemand meer, waar hun moederland is, omdat ze al zo lang door de mens verbouwd worden. Van andere weet men het precies en altijd is het weer interessant het te weten. Al voor de ontdekking van Amerika werden specerijen over de landweg van Indië naar Europa gebracht. De weg was lang en gevaarlijk en daarom waren de specerijen duur. Daarom werden er vele pogingen ondernomen om over zee naar het wonderland Indië te komen. Iedereen weet dat daardoor Amerika is ontdekt. Sindsdien zijn er bij de specerijen en de genotmiddelen van de oude wereld, ook nog die van de nieuwe wereld gekomen, waarvan de tabak het allereerst genoemd moet worden. Je zou ook cacao en tomaten kunnen noemen. Zoals bekend komt ook de aardappel – die we noch een specerij, noch een genotmiddel kunnen noemen, want het is een voedingsmiddel – uit Amerika. Toch zijn ook veel specerijen, voedings– en genotmiddelen die tegenwoordig in Amerika verbouwd worden, pas later daar ingevoerd.

Want ieder mens die specerijen of genotmiddelen uit andere landen gebruikt, zou moeten weten, wordt nu verteld. (hoofdstuk 48)

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

53-51

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rekenen – 1e klas ( 1) -Temperament (1)

.
1e klas: rekenen: alle artikelen;  1e klas: alle artikelen

 

optellen:
flegmatisch en cholerisch

 

PEDAGOGIEK
De pedagogiek is de wetenschap van de ontwikkeling van een kind tot aan zijn volwassenheid. Pedagogiek is afgeleid van het Griekse woord paidagoogia, wat letterlijk ‘kinderleiding’ betekent. De wetenschap bestudeert de opvoeding, de ontwikkelingsfasen, en ook de relatie tussen het kind en zijn omgeving: familieleden, school, vriendjes en vriendinnetjes, de gebouwde omgeving, media, etc. De nadruk ligt vooral op het handelen. Onder pedagogie wordt de praktijk van het opvoeden verstaan. Ook wordt de opvoeding van moeilijk opvoedbare kinderen onderzocht. Ze leven in een moeilijke situatie of het dreigt verkeerd te lopen.

TEMPERAMENT EN REKENEN
(Er wordt ook wel gesproken over “rekenen IN, of MET temperamenten”.)

Het gaat in ieder geval over de 4 rekenbewerkingen:
optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen
en over “de” 4 temperamenten: het flegmatische, melancholische, sanguinische en het cholerische.

Ik ga hier voorbij aan de vraag of de kinderen van vandaag de dag zich nog net zo in hun temperament uiten als in Steiners tijd.

Ik ga er bij de volgende bespreking vanuit dat er in een klas voldoende te onderscheiden temperamentstypen zijn om ermee te rekenen op de manier waarop Steiner dat uiteenzette.

Het is met veel van Steiners pedagogische aanwijzingen zo, dat je ze wel kunt “leren” achter je bureau, maar dat ze in de praktijk van het lesgeven pas duidelijk worden.

HET FLEGMATISCHE EN CHOLERISCHE TEMPERAMENT

OPTELLEN

Wie zich verdiept in de opmerkingen van Steiner, zoals die vanuit een stenogram zijn vastgelegd in GA 295, zoekend naar aanwijzingen over het rekenen, ziet ook verschillende vormtekeningen staan.

VORMTEKENINGEN
De bestudering van deze tekeningen biedt een onverwachte sleutel tot het begrijpen van de rekenopgaven zoals die aan de verschillende temperamenten worden gesteld.

de vormtekening voor het flegmatische temperament

Deze b.v.

vormtekening flegmaticus1

Steiner:
Durch Zeichnen und Auslöschen ist das phleg­matische Kind aus seinem Phlegma herauszu­reißen.
“(..)Door tekenen en uitvegen kan men het flegmatische kind uit zijn flegma losrukken”.
GA 295/36
vertaald/36

Met dit gegeven kun je er heel wat zelf bedenken. Het gaat er telkens om dat er iets uit te gummen valt.

Uiteraard kun je ook op een grote plaat werken die geverfd is met schoolbordenverf, zodat er met bordkrijt gewerkt kan worden en een doekje om weg te vegen.

(Dit geeft wel wat meer stof en als er een of meerdere astmatische kinderen in je klas zitten, is het af te raden). De ouderwetse lei met de griffel is ook heel geschikt.

Deze heb ik ooit zelf eens gebruikt:
Het kind krijgt de opdracht een cirkel te tekenen:

tekening flegmaticus A

Nu moet het 4 puntjes zetten: midden boven, midden onder, midden links en midden rechts:

tekening flegmaticus B

Vervolgens probeer je het kind zich te laten voorstellen wat er gebeurt als dit een bal zou zijn die je aan alle kanten gaat indrukken. (C)
En nog eens (D) en weer (E) enz., totdat F uiteindelijk overblijft.
tekening flegmaticus C tm F

Het wil wel eens voorkomen dat dit nog lukt:

tekening flegmaticus G

Wanneer je naar deze vormtekening kijkt met in je achterhoofd “rekenen”, valt meteen op:

VAN HET GEHEEL NAAR DE DELEN:

de rekenopgave voor het flegmatische temperament:

Steiner:
Wir gehen aus von der Summe, nicht von den Addenden! ( )  Diese Summe teilen wir jetzt ab in Addenden, in Teile oder in Häufchen.
We gaan uit van de som, niet van de delen. De som verdelen we nu in delen, in hoopjes die bij elkaar opgeteld moeten worden.
GA 295/41
vertaald/41

Zoals in de tekening het geheel verdeeld wordt in delen, zo in het rekenen. Het geheel is: de som.

Die moet verdeeld worden in aparte brokjes.

Steiner neemt het getal 27 als som. En verdeelt die in 12 + 7 + 3 + 5

Als vormtekening zou dit er zo uitzien:
tekening flegmaticus 2

Steiner gebruikt bessen of vlierbessen om mee te rekenen.

Ik heb dat nooit een erg geslaagde keuze gevonden. Bessen gaan stuk ( of als ze lekker zijn, worden ze opgegeten).

Ik heb ze dan ook nooit gebruikt. Wel brachten de kinderen allerlei dingen mee om mee te rekenen: steentjes, damschijven enz. Zo lang het niet van de tafeltjes rolt en kapot gaat, kan er veel.

MET LEERLINGEN VOOR DE KLAS
Een levendig tafereel wordt het, wanneer je een groepje kinderen voor de klas laat komen en deze in een kring zet.
Het flegmatische kind moet het aantal tellen.
(Doordat de kinderen in een kring staan, moet hij goed wakker zijn voor waar hij begint, anders telt hij een kind dubbel.)
Wanneer dat gelukt is, mag hij de klasgenoten in groepjes ergens in het lokaal neerzetten.
Stel dat er 13 kinderen voor de klas staan. En dat die na een poosje ergens in groepjes door het lokaal zijn verdeeld.
Dan moet het kind zeggen wat hij heeft gedaan. Welk(e) kind(eren) het eerst zijn weggebracht, welke daarna enz. Hierbij moet het kind dus a.h.w. zijn eigen handelen beschouwen.
Hij moet “in de wereld” kijken. Daar staan die kinderen.
Uit zijn wat introverte levenshouding nu “eruit”.
Ik: “hoeveel kinderen stonden hier (als groep)?” Kind: “13″.
Ik: “In welke groepjes heb je die weggebracht-hoeveel zaten er in elk groepje?”
Kind: “In 2 en 3 en 5 en 3″.
Ik”: “Ja, deze 13 zijn 2 en 3 en 5 en 3. Nu jij: die 13 zijn: “kind wijst naar de groepjes in de hoeken van de klas:” 2 en 3 en 5 en 3.”

Ik vind het nog steeds een geniale vondst van Steiner dat dan het cholerische kind moet komen.
Maar even terug naar het vormtekenen.

de vormtekening voor het cholerische temperament
Heeft deze voor het cholerische kind, als een soort gebaar in zich, wat het cholerische kind rekenend moet doen?

In GA 295 op blz. 35 en in de vertaling op blz. 35 staan 2 oefeningen:

tekening cholericus 1

Over deze tekeningen zegt Steiner niets, maar het lijkt mij een zinvolle tekening: de cholericus is als extravert type intens in de wereld aanwezig.
Je hoeft als leerkracht maar te zeggen: “vandaag gaan we…” en hij of zij staat al naast de stoel. Je wenst je weleens dat zo’n kind wat “meer bij zichzelf blijft”. zich weet te beheersen in zijn impulsen. Dat kun je wel zeggen, maar daar heeft het kind geen boodschap aan: daar kan het niets mee.

Geheel tegengesteld aan het flegmatische kind, dat, volgens de ouders “niet vooruit te branden” is, hoor je over de cholericus: :”die wil altijd wat doen!”

Als “gebaar” zie je hem “in de wereld”.
Of, zoals dit tekeningetje:

tekening cholericus 2

waarbij dit “verdeeld in de wereld” moet worden “omhuld”. Het moet in het midden komen.
tekening cholericus 3

Maar: dit tekeningetje:

tekening cholericus 2

is ook:
tekening cholericus 4

En dat is:

tekening cholericus 5

Dus: voor het flegmatische kind: 13=2 + 3 + 5 + 3.

Voor het cholerische kind komt nu het omgekeerde.

de rekenopgave voor het cholerische temperament

Nu vervolgt Steiner:
Dann werde ich mir, weil ja der Vorgang zurückverfolgt werden kann, cholerische Kin­der aufrufen und werde die Holunderkügelchen wieder zusammen­werfen lassen, aber so, daß es geordnet ist gleich 5 und 3 und 7 und 12 sind 27. Also das cholerische Kind macht den umgekehrten Vorgang.
En omdat dit procedé immers omgedraaid kan worden, zal ik cholerische kinderen een beurt geven en ik zal de vlierbesjes weer op een hoop laten gooien, maar wel zo dat het geordend* verloopt: (Steiner werkt dus met 27: 5 en 3 en 7 en 12=27).

*in het Duits staat hier ‘geordnet-wat ook wil zeggen: gerangschikt. Een vertaling met (omgekeerde) volgorde was m.i. iets nauwkeuriger geweest)

In mijn eigen voorbeeld:  13 = 2 + 3 + 5 + 3, staan de groepjes dus verdeeld in de klas.
Ik roep een cholerisch kind.   “Je hebt gezien dat zij/hij  (het fleg­matische kind) de kinderen van dit groepje dat hier stond,  in de klas heeft weggebracht, jij mag ze weer hier brengen.”

Het is altijd weer verrassend om te zien hoe de cholericus weg wil stormen! Dat zal hij wel even klaren! En dan: de nog grotere verrassing wanneer hij hoort:   “Stop, kom terug! Je mag ze weer hier brengen, maar zo, dat die het laatst zijn weggebracht, nu het eerst worden teruggebracht en zo verder.” Eens zei een meisje, een echte doorzetster:
”Maar dan moet ik eerst nadenken!”
En dan, wat een cholericus zo slecht lukt: hij denkt, voor hij gaat doen! Een grandioos ogenblik. Hier voltrekt zich iets unieks – hij vervult de woorden van Gezelle:   ‘Denkt aleer gij doende zijt…’

Dat, wat als vermaning vaak zou kunnen klinken: “Denk toch eens na, voor je wat doet!”, komt hier uit het kind zelf.

Het cholerische kind brengt nu eerst het groepje van 3 terug-(dat het flegmatische kind als laatste had weggebracht); vervolgens het groepje van 5, van 3 en als laatste van 2, (dat is dus het groepje dat het flegmatische kind als eerste had weggebracht.)

Het cholerische kind doet dus precies het tegenovergestelde: hij maakt van de delen weer een geheel.
Als dat klaar is, vraag ik: “Wat heb je gedaan?”.
Kind: “groepje van 3, 5, 3, 2.”
Ik: “Hoeveel zijn dat er.”
Kind: “3 + 5 + 3 + 2 = 13”

Als je denkt dat die groepjes in de 4 hoeken van het lokaal stonden en je laat de cholericus de kinderen  weer in een kring zetten, dan heb je de vormtekening gedaan.

We kunnen zeggen dat het flegmatische en cholerische kind de andere klas­genoten leren optellen;  beide vormen komen van  ‘t begin af aan voor: 10=..+..+.. enz. en ..+..+..+..=10.

Nu doet zich de vraag voor: maken alle kinderen de flegmatische vormtekening – dus bieden we deze klassikaal aan?

TEMPERAMENTSVORMTEKENINGEN ZIJN ‘THERAPEUTISCHE’ OEFENINGEN
Mijn antwoord luidt: Nee! Temperamentsvormtekeningen zijn ‘therapeutische’ oefeningen.  Ze zijn specifiek voor dit temperament.

Wanneer ik de cholericus wil helpen zijn ongebreidelde drang om zich in de wereld te manifesteren, te beheersen, moet ik hem geen oefening geven die dit manifesteren juist ondersteunt: van het geheel naar de delen – vanuit jezelf de wereld in.

En de flegmaticus die ik juist zo graag  ‘in de wereld’ wil brengen, geef ik geen voedsel met als gevolg een groter vermogen zich in zichzelf op te sluiten: van de delen naar het geheel – een nog sterkere verdichting,  af­sluiting voor de wereld.

Geldt dit ook voor de rekenopgave(n)?

Zoals ik deze voor de klas uitvoerde in mijn voorbeeld,  laat ik geen ander temperament aan de beurt komen dan het flegmatische en het cholerische.

Maar wanneer we aan onze tafeltjes gaan oefenen met kastanjes o.i.d.  (als de voorwerpjes maar niet te klein zijn of weg kunnen rollen),  doen alle kinderen mee-iedereen moet tenslotte leren rekenen en alle bewerkingen kunnen maken. De beurten geef ik wel speciaal aan de  flegmatische en cholerische kinderen: zij voeren zo veel mogelijk hun eigen ‘beweging’ uit .
Alle kinderen doen dus mee, maar ik accentueer per temperament de opdracht.

Dat Steiner de ontwikkeling van het morele besef koppelde aan het rekenen van het ” geheel naar de delen”, laat ik hier voorlopig buiten beschouwing.
Het werken vanuit het geheel: 10  =    geeft heel veel mogelijke antwoorden. En zo is het mooi te zien hoe de jonge kinderen die voor het eerst kennis maken met “rekenen” naar hartelust kunnen fantaseren, wanneer ze hun eigen sommen maken.

Zo was er een meisje die dit maakte van de damstenen op haar tafeltje:
tekening cholericus 6

Gevraagd welke som dit was, antwoordde ze: 12=6 + 4 +2.

Toen de kinderen aan het eind van de les hun “mooiste” som in hun schrift mochten schrijven en tekenen, deed zij dit:
tekening cholericus 7
Wanneer de opdrachten zonder voorwerpen gemaakt kunnen worden, dus uit het hoofd, ga ik er langzaam, maar zeker toe over alle kinderen beide optelsommen te vragen:  9=..+.. en ..+..= 9, waarbij  ik langzaam van de meer-dan-twee-antwoorden overga naar …=..+..,  om dat tenslotte te laten uitmonden in het uit het hoofd leren (als een tafel) van
5 = 1 + 4
2 + 3
3 + 2
1 + 4

waarbij  ik opnieuw het fleg­matische kind extra beurten geef en het cholerische, als een soort echo laat herhalen:  1 + 4 = 5.  2 + 3 = 5,  enz.

1e klas rekenen: alle artikelen

1e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas: alle beelden

Menskunde: Over temperamenten   nr.15

 

52-50

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (46)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.171, hoofdstuk 46                                                                          alle hoofdstukken

 

OVER DE GENEESKRACHTIGE PLANTEN
Al lang voor de mens geleerd had, de planten in te delen in families of het zelfs al belangrijk vond hun overeenkomsten te ontdekken, bestond er al een wetenschap van de geneeskrachtige werking van planten. Veel van wat we nu over de genezende werking van planten weten, danken we aan de overgeleverde wijsheid uit oude tijden. Veel van deze wijsheid is echter in de loop van de tijd ook vergeten en die moet daarom eerst weer ontdekt worden.

Dat planten kunnen genezen, komt omdat ze op een zeer wonderlijke manier met de mens verwant zijn, iedere geneesplant met een bepaald deel of orgaan van de mens. De geneeskunst bestaat eruit, deze verwantschappen te ontdekken en goed toe te passen. Alleen dan kunnen de krachten van de planten zegenrijk op de mens werken en weer orde in het organisme brengen. Zelfs vergif kan een goed geneesmiddel zijn. De geneeskunst bestaat in het kennen van de samenhang van menselijke ziekten  en de geneesplanten.

Wonderbaarlijk is het dat zelfs de dieren een goed gebruik kunnen maken van de geneeskruiden, ja, ze hebben, wanneer hun iets ontbreekt, zelfs een nog beter gevoel, welke plant helpen kan, dan de mens. Niemand heeft hun dat geleerd, maar wanneer ze ziek worden, ontwaakt in hen het juiste verlangen en zij zoeken zelf hun medicijn. Men noemt deze wijsheid, waarvan de dieren zelf niet weten dat ze die bezitten, instinct.

Weidedieren laten ook die planten staan die vergiftig zijn en hun schade zouden kunnen berokkenen. Hooguit huisdieren die al lang door mensen verzorgd worden, kunnen deze wonderlijke vermogens verliezen; wilde dieren laten het voor hen schadelijke voedsel staan.

De mens heeft dat zekere gevoel voor wat hem kan helpen, als hij ziek is, niet meer. Daarom heeft hij in de loop van de tijd veel ervaringen opgedaan en daarmee zijn wetenschap van de geneeskrachtige planten gevormd. Die middelen die je ook zonder arts gebruiken kan, noem je huismiddelen. In ieder gezin zou je een kleine apotheek met deze goede helpers moeten hebben, want zij brengen de zegen van de natuur in de huizen van de mens.

Iedere moeder weet bv. dat thee van de venkelzaden de buikpijn verdrijft bij kleine kinderen en hoeveel andere zaden, kruiden, wortels en vruchten heeft de natuur niet voor de zieke klaargemaakt!

De goede lindebloesem kun je zelf verzamelen. Wat geeft het een diepe voldoening wanneer je er in de winter iemand mee kan helpen. Je geeft hem lindebloesemthee en hij begint meteen te zweten.

Wie op het platteland woont, weet dat er overal kruidenverzamelaars zijn. Dikwijls zijn het oude mensen die hun kruiden echter precies kennen; ze zorgvuldig drogen in de schaduw, zodat de zon met haar felle licht de genezende stoffen niet vermindert en ze daarna in de apotheek brengen. Een kruidenverzamelaar moet ook precies weten wanneer de planten verzameld moeten worden. Wanneer het om de bladeren gaat, moet er al voor de bloeitijd geplukt worden, omdat anders de krachten door de bloem worden verbruikt.

Wortels worden gewoonlijk in de winter of het vroege voorjaar gedolven. Bloemen moeten soms geplukt worden, als ze nog gesloten zijn en de wonderbaarlijk fijne stoffen nog niet vervlogen zijn.

Sommige geneesplanten, zoals bv. de salie en de pepermunt worden ook in tuinen en zelfs op velden gekweekt.

Wat ruikt het toch lekker als je met je hand over die planten strijkt. En nog veel lekkerder ruikt het, wanneer je in de bergen, waar veel geneeskruiden groeien, gaat wandelen. Ieder kruid geurt anders, zodat je je er heel goed door gaat voelen en ieder kruid kan de mens helpen, als je het maar goed weet toe te passen. Zouden we niet dankbaar moeten zijn voor zoveel goede gaven?

Het is wel zo, dat er ook veel gifplanten onder zijn. Een arts verstaat de kunst juist daaruit de meest werkzame medicijnen te bereiden.

Je moet ook niet vergeten dat veel geneeskrachtige planten uit andere landen komen.

Hoe oud de wijsheid van de geneeskrachtige planten al is, kun je aflezen aan het feit dat veel planten naar menselijke organen zijn genoemd, bv. longkruid, levermos, ogentroost, pestwortel (groot hoefblad). Ook smeerwortel duidt op een geneesmiddel.

We leren de natuur van een heel andere kant waarderen en van haar houden, wanneer we dit allemaal weten en het goed overdenken!

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

51-49

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (45)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde

‘blz.168, hoofdstuk 45                                                                             alle hoofdstukken

 

OVER DE HERFSTTIJLOOS
Wanneer de zomer al sterk ten einde loopt en de zon alleen nog schuin op de aarde valt, omdat ze een veel kleinere baan langs de hemel bestrijkt, dan bloeien de bleek-lilagekleurde herfsttijlozen op de weiden. Je ziet het de bevallige bloemkelken aan, dat ze het laatste zijn wat de zon uit de aarde weet te lokken. Bleek en zwak als ze zijn, kunnen ze door de wind makkelijk geknikt worden.

Wil je een herfsttijloos plukken, dan trek je vaak de lange bloemenbuis, waarin de bloem naar onderen toe overgaat, er ook uit. Diep beneden in de grond zit de knol en wanneer je die uit wil graven, merk je pas, hoe diep die zit en hoe kouder de winter in een streek is, des te dieper zitten de knollen van de herfsttijloos, zodat je ze wel als thermometer voor de gemiddelde  winterkoude kan beschouwen.

Wat iemand het meest merkwaardig mag lijken is, dat je geen groene bladeren kan vinden, wanneer de herfsttijlozen bloeien. Alleen de vale bloemen flakkeren als koude vlammetjes op de herfstige weiden.

Loop je echter het volgende voorjaar over diezelfde weide, dan vind je sappige groene planten met grote bladeren die er als tulpen uitzien en vele mensen weten niet dat dit de bladeren van de herfsttijloos zijn en ze zijn verbaasd dat er zoveel tulpen op een weiland groeien. Je wordt in je vergissing nog versterkt wanneer je de sappige groene hulsels opmerkt die erg op een  tulpenknop lijken. Tevergeefs zou je echter wachten tot ze opengaan, want het zijn geen bloesemknoppen, maar de zaaddozen van de herfsttijloos, die uit de bloemen van vorig jaar ontstaan zijn en die nu rijp worden.

Bij de herfsttijloos gaat namelijk alles veel langzamer, omdat ze in een tijd bloeit, waarin de zon bijna geen kracht meer heeft.

Tussen de bloeitijd en het rijp worden van de zaden komt de winter, zodat de plant daardoor in twee helften uit elkaar wordt getrokken. Daarom heet ze ook tijloos=tijdloos.

Al wanneer je de matte herfsttijloos met de stralende crocus vergelijkt, waarop ze uiterlijk zo lijkt, kun je het verschil waarnemen. De krokus bloeit in het voorjaar, wanneer de zon krachtiger wordt; de herfsttijloos daarentegen, wanneer de zon sterk afneemt. Zo is de krokus krachtig en stralend, de herfsttijloos bleek en vemoeid.

Wanneer je de herfsttijloos met de tulp vergelijkt, kom je nog op een andere tegenstelling, die ook met de bloeitijd samenhangt. Bij de in het voorjaar bloeiende tulp gaat alles te snel, want die haast zich om in bloei te komen; bij de herfsttijloos daarentegen gaat alles veel te langzaam. Ze strekt in de herfst alleen haar langgerekte bloemkelk uit de knol de hoogte in. De bloemkelk is zesdelig, precies zoals bij de tulp en de zes meeldraden zitten binnen in de bloem aan de bloemkroontop vast.

Met de stempel van de herfsttijloos is wat merkwaardigs. Er zijn er drie. Ze hebben de vorm van een draad; ze lopen door de dunne, ondergrondse bloembuis naast elkaar omhoog en pas boven in het licht ontstaat er een vertakking. Terwijl bovenaan de bloemkroon en de meeldraden al bloeien, zit het vruchtbeginsel nog beneden in de knol, dat is in zijn ontwikkeling ver achter gebleven en pas in deze tijd ontstaat het. Daarom kan het nog niet meekomen. Je moet wel goed in de gaten houden dat het lange, bijna draadvormige gedeelte, wat de bloem boven de aarde met de knol onder de aarde verbindt, geen bloemsteel is, maar veel eerder de geweldig in de lengte getrokken en aan het ondereind vastgehouden bloembuis is.

Zo diep zit de herfsttijloos in de grond en zo lang is de bloembuis, tot deze in de knol eindigt.

Ook blad en stengel zijn tijdens de bloeitijd nog zeer onderontwikkeld. Pas na de winterrust worden ze in de hoogte gestuwd, door de zon gegrepen en volledig in de hoogte getrokken. Met hen samen komt ook het vruchtbeginsel mee omhoog, zodat dat vanaf nu tot de grote, uit de drie hulsels bestaande zaaddoos, kan uitgroeien. Bovenop deze zaaddoos zie je zelfs nog de verdroogde resten van de drie stempeldraden hangen en vaak herken je ook de resten van de bloem. Omdat het vruchtbeginsel van de herfsttijloos bovenstandig is, hangen deze natuurlijk onder de zaaddoos.

Je kunt goed begrijpen dat de herfsttijloos giftig moet zijn en het voer bederft als deze veel voorkomt. Zoals de paddenstoel laat ze zich ook te weinig door de zon doorstralen. Ze zou wel een tulp willen zijn, maar ze blijft halverwege steken, omdat alles veel te langzaam gaat.

Met de herfsttijloos eindigt het bloemenjaar. Weliswaar vind je nog asters en dahlia’s in de tuinen; op de weiden bloeit hier en daar het laatste duizendblad; op de hellingen nog wat wilde cichorei, maar de herfsttijlozen zijn toch de enige bloemen die met hun ontwikkeling pas beginnen. Daarvan kun je wel treurig worden, want spoedig zullen we geen bijen meer horen zoemen, geen vlinder die meer van bloem naar bloem dartelt. Maar de aarde heeft een goed geheugen. Het volgend jaar zal ze ons weer opnieuw blij maken en geen enkele van de talrijke schepsels vergeten zijn. In zaden, in ondergrondse wortelstokken, bollen en knollen bewaart ze onzichtbaar, wat uiterlijk verwelkt. Na de winterrust zal het de herfsttijloos weer te binnenschieten dat ze nog geen bladeren en stengels gevormd heeft en dat in het vruchtbeginsel geen zaden kunnen ontstaan, wanneer dat onafgemaakt onder de grond in de knol blijft. Haastig haalt ze alles in, waar ze in de herfst niet meer aan toegekomen is. En omdat het dan lente is, verschijnt ze op de aarde als haar zuster, de tulp.

Terug naar de inhoud

 

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

50-48

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (44)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.164, hoofdstuk 44                                                                         alle hoofdstukken

 

OVER DE PAARDENBLOEM

Habt ihr von dem lustige Ding gehört?
Kaum hat er die Sonne ausgelöscht,
da schickt er schon die Sterne fort.
Und nun – o weh – ist ihm die Milch
bitter geworden!

Deze plant is alle kinderen goed bekend; niet alleen door de heerlijk stralende zonnebloem, maar ook, omdat je van de holle stelen veel kan maken: kettingen, waterleidingen enz. De bloemen van de paardenbloem verschijnen al in mei, waardoor de plant ook wel meibloem genoemd wordt. Iets later hebben ze zich dan in de witte lantaarns, of zoals sommigen ook wel zeggen, in blaasbloemen veranderd, want wanneer je er tegen blaast, vliegen de vele vruchtjes van de paardenbloem. Aan ieder parachuutje hangt een klein zaadje.

De tuinlieden houden veel minder van de paardenbloem dan de kinderen, want hij groeit snel en vaak op plaatsen waar hij niet gewild wordt; hij verbreidt zich in de wijde omtrek, zodat je niet te weten komt waar ze eigenlijk vandaan komen. Dat doet broeder wind natuurlijk, want hij draagt het parapluutje verder. Wanneer je een paardenbloem uit de grond wil trekken, houd je gewoonlijk alleen de bladeren in je hand en de lange penwortel die erg diep in de grond zit, blijft steken. Dus heb je er niets aan gehad; dat heb je alleen als je de schop te hulp neemt. Iedereen weet dat de paardenbloemsteel, maar ook de bladeren en de wortel een wit melksap bevatten. Wanneer je een bloem afplukt, druppelt het eruit. Het smaakt bitter en je krijgt er vlekkerige vingers van.

De paardenbloem behoort tot de samengesteldbloemigen. Die naam betekent dat het bloemknopje uit vele aparte bloempjes is samengesteld, zoals bv. een boeket. Eerst zie je niet dat de bloem bestaat uit allemaal kleine bloempjes. Je denkt dat het allemaal kleine bloemblaadjes van die stralende zonnebol zijn. Maar dat is niet zo, want als je een zogenaamd bloemblaadje losmaakt, zie je dat het van onderen een klein buisje vormt. Van boven is het buisje opengespleten en tot een soort tong of straal geworden. Omdat er in het buisje meeldraden, stijl en stempel te vinden zijn en er aan de onderkant zelfs een klein vruchtbeginsel zit, moet je het geheel toch als een, zij het heel kleine, maar volledige bloem beschouwen. Onopvallende kelkbladeren hebben deze aparte bloempjes niet. Hun kelk hebben ze gemeenschappelijk, zodat de bloem als geheel een grote kelk heeft gekregen. Die is groen en heet de gemeenschappelijke kelk van het bloemhoofdje. Zo is het bij alle samengesteldbloemigen. Bij de paardenbloem zitten op de plaats waar de aparte bloempjes zitten en waar eigenlijk de kelk had moeten zijn, fijne haarkroontjes. Die worden later groter en ontwikkelen zich tot de parachuutjes.

Hoe komt zo’n bloemenhoofdje nu eigenlijk tot stand.

Rechts een lintbloempje van het paardenbloemhoofdje. In het midden het hoofdje, nadat het zich gesloten heeft. Bovenaan komen de samengevouwen veerkroontjes van de parachuutjes er al uit. Links op het plaatje is getekend hoe het hoofdje er uitziet, wanneer het omgestulpt is en wanneer de groene kelkblaadejs teruggslagen zijn. Nog één parachuutje staat op de kale bloembodem. De andere zijn al door de wind weggeblazen.

Daarbij moet de zon krachtig meehelpen anders gaat het niet. Maar de aarde begint, daar zwelt het op alsof er een boomstammetje gevormd moet worden. Maar zover komt het niet, want nauwelijks is de aarde begonnen of de zon komt ook al en vormt snel een bloem. Zo wordt het geen boomstam, maar een grote bloembodem, waarop vele kleine aparte bloemen kunnen groeien. Eigenlijk is het net een klein weiland, zo’n bloemhoofdje van een paardenbloem; omdat de zon deze van de aarde afgesneden heeft, hoeven er niet eerst groene blaadjes gevormd te worden-er kunnen meteen bloemen op groeien.

Een groot blad en een klein paardenbloempje dat op een karige bodem gegroeid is. Beide in dezelfde verhouding.

Wanneer de bloeitijd voorbij is, sluiten de paardenbloemhoofdjes zich. Dat doen ze ook wel daarvóór, bv. ’s avonds of bij slecht weer, nu blijven ze echter langere tijd dicht, omdat zich een innerlijke verandering voltrekt. Vanboven steekt er alleen nog maar een verwelkte kuif uit, die je eruit kunt trekken. Die valt er later vanzelf af. In deze toestand zijn de paardenbloemkopjes meestal naar de aarde gericht, alsof ze helemaal aan het vergaan zijn, maar een nieuwe kracht, namelijk die de zaden laat rijpen, doet ze weer oprichten. Spoedig schuiven de veerkroontjes van de parachute van boven uit de bloem naar buiten en wanneer ze zich uitbreiden als de gemeenschappelijke kelk teruggeslagen wordt en de hele bloem zich uitstulpt, zijn de blaasbloempjes klaar.

De bloembodem is nu een kleine aardbol geworden en daarboven welft zich een kleine sterrenhemel met talrijke fijnste sterretjes. Dat zijn de parachuutjes. Zolang hij bloeit doet de paardenbloem de zon na, want de zon heeft hem uit de aarde gehaald; wanneer hij echter vrucht draagt en het al warmer is, dan wordt hij een spiegelbeeld van de sterrenhemel en zo dat het niet mooier en regelmatiger kan.

In de lente, wanneer de paardenbloem zijn blaadjes vormt, is er in de bodem nog veel vochtigheid voorhanden. Dus worden ook de blaadjes week en buigzaam en de zon kan er naar hartelust aan plukken. Zij snijdt er de grotere en kleinere punten aan, die zo scherp zijn als leeuwentanden. Maar nergens heeft de paardenbloem stengels. Hij laat zijn bladeren op de aarde. Niet eens zijn bloemen zet hij op echte stengels of stelen. Wat er als een bloemsteel uitziet, wat is dat dan? Een gat, een holte met een huidje eromheen. Die holte vergeet de paardenbloem te vullen, zoals hij ook de middennerven van z’n bladeren vergeet te vullen, want ook die zijn hol. Zo komt het dat de paardenbloem over het algemeen een weke plant is, die slechts uit bladeren opgebouwd is, tot in de bloem toe.

Je kunt je goed voorstellen wat de paardenbloem moet overkomen, wanneer hij vergeet stengels te vormen: hij moet gewoon blijven zitten. Wanneer de zon niet te hulp kwam om de bloemknop uit de aarde los te maken, dan leverde hij maar een treurige aanblik; want wanneer je de grote penwortel ziet, zou je toch denken dat er een grote omhoogstrevende plant zou moeten groeien. Maar nee, het wordt alleen een paardenbloem.

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

49-47

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (43)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.154, hoofdstuk 43                                                                         alle hoofdstukken

 

EEN FAMILIE VAN SPECERIJKRUIDEN EN GIFPLANTEN
Niet aan alle planten die familie van elkaar zijn, kun je dit aan de buitenkant zien; maar aan die we nu bespreken, de schermbloemigen, zie je het duidelijk. Peterselie, venkel, anijs, koriander, kervel, kummel, dille, lavas en selderij zijn kruiden waarvan iedereen de naam weleens gehoord heeft. Dille en venkel bv. maken de sla pittig en lekker van smaak; ook om augurken in te maken worden ze gebruikt. Nu eens zijn het de bladeren die men neemt, dan weer de droge vruchtjes, zoals bv. bij de kummel en koriander. Maar ook kunnen sommige wortels gegeten worden, bv. die van selderij en pastinaak. Zelfs van de peterselie kan men de wortels als groente gebruiken. De belangrijkste groente echter, uit de familie van de schermbloemigen is de wortel of peen. Wanneer je eenmaal weet tot welke plantenfamilie deze behoort, dan proef je ook, dat deze verwant moet zijn met de bovengenoemde kruiden, zelfs wanneer je nog niet hebt gezien hoe de gele peen bloeit en de andere genoemde planten dat doen.

Wanneer je de bladeren met elkaar vergelijkt, zie je dat de overeenkomst zo opvallend is, dat je je niet kunt vergissen. Sommige lijken zo op elkaar dat je eerst moet leren ze van elkaar te onderscheiden. Dat ze familie van elkaar zijn, zie je bij de eerste oogopslag; ook als je nog geen groot plantkundige bent. Tot de familie van de schermbloemigen behoren ook vele giftige planten.

Sommige zijn heel gevaarlijk, zoals de scheerling; andere zijn weliswaar minder giftig, maar toch altijd nog zo schadelijk, dat ze als voedsel voor de mens niet gebruikt kunnen worden. De scheerling, ook wel gevlekte scheerling genoemd, omdat ook de zeer giftige waterscheerling bestaat, kun je aan de holle bladstelen herkennen, de roodgevlekte stengels die er bijna zo uitzien, alsof die met bloed besprenkeld zijn en aan de geur die aan muizen doet denken. De eivormige vruchten hebben golvende ribben. Natuurlijk kunnen hier niet alle giftige schermbloemigen beschreven worden, alleen de honds- of wilde peterselie moet op z’n minst genoemd worden, omdat deze overal voorkomt.

De giftige hondspeterselie.

Zolang de schermbloemigen nog geen bloemen, maar alleen bladeren hebben, kun je ze makkelijk met varens verwisselen, want allebei de planten doen zich kennen als dragers van grote, in eindeloos vele punten verdeelde bladeren. Zo gauw er echter bloemen tevoorschijn komen, kan er geen twijfel meer bestaan over welke bladeren bij een varen en welke bij een schermbloem horen, want een varen bloeit, zoals we al weten, helemaal niet.

Bladeren van de adelaarsvaren

Blad van het knolribzaad, een schermbloemige

Een overbekende schermbloem is het zevenblad. Hij groeit in de tuin als een moeilijk uit te roeien onkruid, omdat hij niet zoals de meeste schermbloemen een penwortel, maar een kruipende wortelstok heeft. Zijn bladeren die een erg goede wilde groente vormen, als ze jong geplukt worden, zijn niet zo fijn geleed en gesplitst als bij de meeste andere schermbloemigen.

Zevenblad.

De schermbloemen heten naar hun bloemen, de schermen. Een scherm is het, wanneer veel bloemstelen vanuit één punt wegstralen, ja, de schermbloemigen hebben zelfs meestal samengestelde schermen, wat betekent dat iedere schermbloemstraal aan de top nogeens een kleine schermbloem vormt. Het is duidelijk dat een samengestelde scherm dan erg veel stralen moet hebben en daarom ook erg veel kleine bloemen en vruchten. Ze spreiden zich uit als een paraplu en daarom worden ze schermbloemen genoemd. Elk bloempje apart heeft vijf blaadjes, vijf meeldraden en twee stijlen in het midden. De groene kelk is meestal zo klein dat je hem eerst moet zoeken. Onder het bloembekleedsel bevindt zich het vruchtbeginsel. Dit  springt of valt bij het rijpworden in twee droge zaden uiteen. Nooit kan een schermbloem een vlezige vrucht voortbrengen, al is het nog zo’n kleine. Bij sommige schermbloemen zijn de bloemen zo klein, dat je in het begin helemaal niet merkt, dat ze al open zijn. Dat is zo bv. bij de dille en de lavas. Alleen omdat er in een scherm zoveel bij elkaar staan, maakt dat ze opvallen. Maar de insecten hebben het wel door. Dat komt omdat de bloemen geuren en ook zoete nectar afscheiden. Alle mogelijke kervertjes, maar ook vliegen kruipen rond op de schermen en lurken en nippen. Niemand wordt van deze gedekte tafel buitengesloten, omdat het ook helemaal geen kunst is, er te komen en het honingpotje te vinden. De schermbloemen doen het dus anders dan de narcissen, rozen en lelies. Zij maken uit zeer veel heel kleine aparte bloempjes, één grote bloemschaal, die er dan uitziet als één grote bloem.

Dikwijls zijn de aparte bloempjes net schijfjes, soms is het schijfje gebogen, naar boven of naar beneden. Bij de lavas, waarbij het bloempje bovendien opvallend klein is, wanneer je het afmeet aan de manshoge plant, is het scherm net een hoepel. Iedere schermbloem doet het net weer even anders en toch zijn alle schermbloemen  naar één patroon opgebouwd.

Bij de wilde peen die ’s zomers bijna overal op de weilanden groeit, kun je nog iets bijzonders waarnemen. Om te beginnen zit er precies in het midden een aparte zwarte bloem, die echter nooit opengaat en ten tweede sluit het scherm zich, zodra de bloeitijd voorbij is en de zaden rijpen, doordat de stelen van de schermbloem boven het midden van het scherm zich samenbuigen.
Dus doet de wilde peen het net zo met zijn scherm als vele andere planten het met hun bloemen doen, wanneer die zich na de bloeitijd weer sluiten. Je kunt daaraan zien, dat hoewel een schermbloem uit vele keine bloemen bestaat, deze toch eigenlijk net één grote bloem is. De insecten die ernaar toe komen denken dat ook.

En toch-ook al komen er in een schermbloem zeer veel bloempjes voor, het is toch geen echte bloem. Ja, veel schermbloemen  zien er zelfs verkommerd uit.

Pastinaak.

Een botanicus moet zich wel afvragen of een bloeiplant die zulke mooie bladeren kan vormen, dan toch niet ergens wat verborgen heeft, wat aan de bloemen ontbreekt. De bloemkleuren van de schermbloemen zijn ook al niet zo mooi, zo opvallend en stralend of zelfs verblindend zoals bij veel andere planten. Meestal zijn ze eenvoudigweg witachtig; ze kunnen ook wel roodachtig, geelgroen of groenachtig zijn. Soms zijn de bloempjes die aan de rand staan wat groter. Dat is bv. al heel goed te zien bij de berenklauw, die tot in de herfst op de weiden te vinden is. Je denkt dan dat zo’n schermbloem het liefst uit de vele bloempjes een bloem zou willen vormen, maar dat lukt de schermbloemen toch niet en steeds dringt de vraag zich op, waar hebben de schermbloemigen hun bloeikracht verstopt. Je kunt er niets van zien; maar wanneer je bedenkt dat de kruidige geur minder in de bloemen, dan wel in de bladeren, in de stengel, ja, zelfs  zoals bv. bij de selderij, bij de peen en de peterselie, tot in de penwortel terechtkomt, dan kom je erop dat deze kruidige geur of smaak misschien toch niet anders is dan de omgevormde bloeikracht. Hoe verder het kruidige naar beneden tot in de wortel doordringt, des te zoutachtiger wordt het, omdat in de aarde het zout thuis is.

Chaerophyllum hirsutum (geen Nederlandse naam)

Nu voelen we ook aan, waarom de schermbloemen weliswaar kruidig geuren, waarom ze echter geen bloemgeuren hebben. De kracht van het geuren is naar beneden getrokken, daarom is er van boven te weinig van en daarom zijn ook de kleuren zwakker. De stoffen die in de zaadvruchten, in de bladeren, stengels en wortelstokken van de schermbloemige verborgen zijn, worden etherische olie genoemd; ook hars en balsemstoffen zitten in de schermbloemige.

Men moet de planten eerst fijnwrijven, kauwen, koken of ze eenvoudig als kruid gebruiken, wanneer je de krachtige geur tevoorschijn wil laten komen. Het is bij sommige planten net als bij sommige mensen: hoe dikwijls denk je niet dat iemand weinig in zich heeft en dan merk je dat hij met de allerbeste eigenschappen bedeeld is; alleen zitten die wat dieper verborgen en daarom vallen ze niet zo op.

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

48-46

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (42)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.149, hoofdstuk 42                                                                  alle hoofdstukken

OVER DE KOOL EN DE PLANTENFAMILIE VAN DE KRUISBLOEMIGEN
De kool moet toch wel een merkwaardige plant zijn die zich zo kan veranderen, dat ze ons in zoveel verschillende gedaanten tegemoet kan treden. De mens heeft met zijn kunnen, haar ertoe gebracht dat ze dan eens dit deel, dan dat weer uitbundig vorm geeft, want uit zichzelf zou de koolplant niet die gedaante aannemen die je op het land of in de tuin aantreft. Maar aan de andere kant zou de mens met zijn pogingen tot telen geen succes hebben gehad, wanneer de kool niet de aanleg om te kunnen veranderen al in zich droeg.

Ze laat zich vet mesten, die koolplant. Als ze een zekere grootte bereikt heeft, groeit ze plots niet meer zo verder als een gewone plant.

Bij de koolrabi, bv.wordt de groei opgestuwd tot in de stengel, zodat deze zwelt tot een kogel, i.p.v., zoals het eigenlijk hoort, lang te worden. Weliswaar komt het ook bij andere planten voor, dat ze dik en rond worden, bv. bij de pompoen, wanneer echter een plant het klaarspeelt op alle mogelijke plaatsen dik te worden, maar niet daar, waar je het verwachten zou, namelijk in de vrucht, dan moet je dat toch al als een hoogst merkwaardige zaak beschouwen.

Je hoeft alleen maar op te sommen, welke plantendelen er zijn en dan eens na te denken wat voor plant het wel worden moet, wanneer de groeikracht daarheen gestuurd wordt; dan krijg je steeds een andere koolsoort. Het is dus een echte duivelskunstenaar, deze kool. Wanneer de penwortel groot en machtig wordt, ontstaat de koolraap; wordt de stengel dikker, dan krijg je de koddige koolrabi, waaraan blaadjes zitten, precies zoals aan een steel, ja, je herkent zelfs dat ze in een spiraalvorm geordend zijn. Gaat de woekerende kracht in de bladeren zitten, zodat deze zich krullen, omdat het gladde, rechte oppervlak niet meer voldoende is, dan ontstaat de boerenkool, waarover eerst de vorst gegaan moet zijn, wil ze lekker smaken. Ontwikkelt de knop aan het eind van de stengel zich tot geweldige grootte, dan wordt die tot kool: de witte of rodekool of tot savooiekool. Maar daarmee zijn alle mogelijkheden nog niet uitgeput. De koolplant heeft in de oksels van het stengelblad ogen, waaruit weer zijscheuten spruiten, wanneer de plant die wil vormen. Deze ogen kunnen groot en overdadig worden, als roosjes. Daar hebben we dan de spruitjes. Nu denk je misschien dat er geen verdere mogelijkheid tot verandering is, maar je kunt er nog een noemen: de bloemkool.
Die ontstaat wanneer de bloeiwijze dik en vlezig wordt, i.p.v. zich te strekken. Breek je stukjes van de bloemkool af, dan zie je de vertakkingen, en ook de ontelbare bloemknopjes zijn aan de oppervlakte duidelijk te herkennen. Wanneer de bloemkool niet op tijd afgesneden wordt, dan kan het gebeuren dat hij in de hoogte schiet, in het licht komt en zich omvormt tot een bloemstruik die op een bezem lijkt. Om dit te voorkomen, moet men de groene koolbladen naar binnen buigen, zodat deze de bloemkool toedekken en geen zonneschijn doorlaten. Zo blijft hij wit en vlezig.

In ieder deel van de koolplant kan de groeikracht zich stuwen. Iedere keer komt er een andere koolsoort uit tevoorschijn en dan kun je geen andere mogelijkheid meer bedenken.

bloeiwijze                                                                 bloemkool
stengel                                                                       koolrabi
bladeren                                                                   boerenkool
ogen                                                                           spruitjes
stengelknoppen                                                    rode, witte, savooiekool
penwortel                                                                koolraap

In tuinen bij boerderijen waar ze voor de zaadvorming blijven doorgroeien, kun je de koolplanten, bv. de koolrabi, dikwijls bloeiend aantreffen, want in het tweede jaar breekt de bloemsteel door. Die draagt zwavelgele kruisbloemen. En aan de bloemen en ook aan de typische bloeiwijze kun je de kool en zijn bijna ontelbare familieleden makkelijk herkennen. Men noemt deze plantenfamilie de kruisbloemigen, want ze hebben alle, vier in een kruis staande bloemblaadjes, bovendien een kelk van vier blaadjes en een eenvoudig bovenstandig vruchtbeginsel. Wie de bloeiwijze en de stand van de vrucht van een koolplant eens goed heeft bekeken, die zal ook gemakkelijk andere kruisbloemigen aan de manier waarop ze bloeien herkennen, want ze zijn allemaal gelijk. Ze bloeien van boven verder, terwijl eronder de vruchten, de peulen namelijk, al rijp worden. Ze komen naar alle kanten te staan, zoals de kaarsen op een luchter. Of ze nu lang en als een rolletje gevormd zijn, zoals bij de kool of bladvormig, zoals bij de judaspenning of klein en hartvormig zoals bij het herderstasje, de plaatsing bij deze manier van bloeien is steeds dezelfde. Een volgroeide stengel is er vanonder tot boven mee bezet. Wanneer je nu bedenkt dat in iedere peul heel veel zaden zitten, dan kun je wel uitrekenen, hoe ontzettend veel zaden een enkele plant kan voortbrengen. Sommige kruisbloemigen vormen zaden als zand aan de zee. Zo is bv. van het herderstasje uitgerekend, dat één plant wel 60.000 zaden kan voortbrengen. Daarom kunnen de kruisbloemigen zich zo geweldig uitbreiden en als akkeronkruid zo lastig worden, zoals bv. de knopherik en de herik.

Grohmann 151 kruisbloemige

Links bloei en vruchten zoals ze bij veel kruisbloemigen voorkomen. De stengel bloeit boven door, terwijl onder de vruchten al rijp worden. Rechts de vruchtjes van het herderstasje; daaronder van de witte krodde.

Vlezige vruchten vormen de kruisbloemigen in hun bloemen niet. De kool wordt al eerder vrucht, in de stengel, in het blad, in de wortel of in de onontwikkelde bloeiwijze. Daardoor wordt hij groente. Al naar gelang over welke koolsoort het gaat, is de plaats waar het tot vruchtvorming komt, een andere.

Ook al zijn nu alle koolsoorten opgenoemd dan zijn daarom lang niet alle nuttige planten uit de familie van de kruisbloemigen met name genoemd. We zouden de rammenas en het radijsje als broertjes van de koolraap ten tonele kunnen voeren; want zoals bij de koolraap, is ook bij deze de penwortel verdikt. Je proeft gelijk dat ze iets met de kool hebben te maken, want die wat bijtende, scherpe smaak, kennen we, zij het veel zwakker, ook van de koolbladeren. Dezelfde scherpte hebben ook de bladeren van de waterkers, die eveneens tot de kruisbloemigen behoort. Bij andere kruisbloemigen is het de mens om de olie te doen; zo wordt het koolzaad verbouwd omdat er in zijn zaden een waardevolle olie zit. Ook het mosterdplantje levert ons waardevolle zaden. We stellen ze op prijs wegens de scherpe smaak, niet wegens de vette olie.

Het is de kracht van de zwavel die aan veel kruisbloemigen de scherpe smaak geeft, al komt deze bij de rammenas dus het meest in de wortel tevoorschijn of zoals bij de waterkers in de blaadjes of bij de mosterd in het zaad. De chemici hebben aangetoond dat in alle scherp smakende kruisbloemstoffen zwavel zit. Bij het koolzaad komt het zwavelachtige heel zuiver en prachtig licht in het zwavelgele bloeien te voorschijn, terwijl de rammenas en het radijsje wat witachtig bloeien, omdat deze alle zwavelkracht samengebald hebben in de penwortel. Bij de plomp woekerende, waterige koolplant is de kracht van de zwavel alleen zwak aanwezig. Het is net of je gloeiend ijzer in koud water dompelt. Dan brandt het niet meer. Toch kun je de zwavelstof steeds wel proeven en je neemt het altijd waar wanneer je kool kookt. Wanneer er kool in de kelder ligt te vergaan, zodat die begint te rotten, kan er zo’n stank ontstaan dat je die bijna niet verdragen kan. Ook deze stank komt alleen door de zwavel die de koolbladeren bevat.

Een paar kruisbloemigen tenslotte, doen het toch weer anders dan de hier genoemde voedingsgewassen. Zij willen i.p.v. de naar binnen werkende zwavelkracht liever lekker ruikende bloemen hebben. Zo behoren de muurbloem en de violier, twee van onze mooiste sierplanten, tot de familie van de kruisbloemigen. Geen mens die het niet van tevoren al weet, zou op het idee komen dat ze familie van de kool en de rammenas zijn, als je ze niet aan de bouw van de bloem of aan de plaats van de vrucht zou herkennen. Zo heeft iedere plant haar eigenaard en haar bijzondere voordelen.De een wil die van de buitenkant laten zien, de ander laat die in haar stoffen werkzaam worden; maar geen van tweeën is daarom minder dan de ander, omdat die het niet precies zoals die ander doet.

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

47-45

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.