Maandelijks archief: februari 2015

VRIJESCHOOL – De eerste zeven jaar (1)

DE EERSTE ZEVEN JAAR

Een kind is geboren. Het ligt in zijn wieg en slaapt. Voor de eerste keer kijk ik, zijn moeder, naar hem en het gevoel, dat in me opkomt is er een van diepe verwondering. Is dit wezen mijn pasgeboren kind, mijn baby? Het lijkt zo oud, zo „groot”, zo „ver weg”. Pas na een paar dagen gaat het een beetje meer op een baby lijken, lijkt het aardser, reëler te worden. Toch reageert hij nog totaal niet op zijn omgeving en lijkt hij ingebed in zijn eigen wereld, de wereld waar hij vandaan is gekomen.

Het eerste contact met hem is via de voeding. Als hij honger heeft, is hij van top tot teen honger, en zijn gehele wezen schreeuwt dan om voeding. Vol begeerte klokt hij de melk naar binnen, zo snel, dat zijn mondje „overloopt”. Is zijn eerste honger gestild, dan ligt hij, een en al zoete heerlijkheid, verzaligd aan de borst te sabbelen. Totale verzadiging is hij, wanneer hij, na de voeding, met een droge broek aan, weer in zijn wieg ligt.

Meer en meer gaat hij een echte babygestalte krijgen: Een enorm hoofd, 1/4 van zijn lichaamslengte, met groot voorhoofd, met ogen, die in de onderste helft van het gezichtje zitten, met lipjes, de bovenste groter dan de onderste, die een klein zuigmondje omsluiten. Zijn hoofd gaat vrijwel zonder nek over in de romp. Aan zijn armpjes en beentjes komen ‘negatieve’gewrichten, om zijn polsen en enkels „elastiekjes”. Zijn armen en benen zijn nog ontroerend kort en maaien volkomen
on­gecontroleerd door de ruimte. Hij groeit en groeit en wordt steeds dikker. Dan, op een dag, lacht hij tegen me. Een schok gaat door mij heen: hij heeft me aangekeken, me herkend. Ook tegen ande­ren gaat hij lachen en hij gaat „praten”, vooral als hij in mijn armen ligt. Zijn taal kan ik niet goed begrijpen, maar ieder lachje, ieder geluidje vertelt me iets over hem, over de mens, die hij eens zal worden. Plotseling ontdek ik, dat hij af en toe gewoon wakker is, ook als hij geen honger heeft. Hij gaat mijn bewegingen volgen met zijn ogen, en begint belangstelling te tonen voor alles wat zich om hem heen afspeelt. Als iemand hard praat, schrikt hij, en hij is onrustig als ik gehaast of zenuwachtig ben. Zijn hart klopt even iets sneller, zijn ademhaling wordt even onregelmatig. Zijn hele stofwisseling „merkt” a.h.w. of de sfeer in huis kalm en vredig is of onrustig en vervelend. Maar zijn stofwisseling niet al­leen, maar al zijn organen, die immers via de stofwisseling gevormd worden, merken dat. Hij kan zich niet afsluiten voor zijn omgeving, maar is daaraan totaal overge­leverd.

In de eerste twee jaar van zijn leven gaat hij de belangrijkste dingen van zijn leven leren: lopen, spreken en (een begin van) denken. Ook dat leert hij van de mensen om hem heen. Als hij een maand of vier is, begint hij zijn bewegingen een beetje te beheersen. Hij speelt met zijn vingers en met zijn voeten en kan al even iets vasthou­den. Toch hebben zijn bewegingen nog niets met zwaarte te maken. Hij spartelt, houdt eindeloos zijn hoofd omhoog, ter­wijl een volwassene al na een paar minuten moe zou worden. Hij probeert ook al van zijn rug op zijn buik te komen en als hij een maand of zes is, lukt hem dit plotseling. Het terugdraaien kost nog veel moeite, maar ook dat kan hij na korte tijd. Het lijkt nu alsof hij zijn ledematen gaat ‘oefenen’. Hij gaat op armen en knieën zitten, alsof hij wil gaan kruipen en ‘traint’. Hij doet ook zitpogingen en wanneer hij plm. tien maanden is, kan hij kruipen en zitten. Wat een geweldig moment, als hij voor het eerst op de nieuwe kinderstoel zit! Met zijn handjes kan hij nu van alles pakken en zijn spel begint te veranderen. Hij gaat blokjes op elkaar zetten en tegen elkaar slaan. Dan gaat hij staan. Het is een triomf, het straalt van zijn gezichtje, en als hij valt, staat hij onmiddellijk weer op. Hij is een rechtop­staand mens geworden! Het leren lopen begint. Vlijtig loopt hij rond in de box en, los in de kamer, kruipt hij hele einden. Soms staat hij midden in de kamer op en probeert, zwaaiend op zijn benen, zonder steun rechtop te blijven. Na een paar maanden loopt hij los. Hij geniet er intens van, rent steeds heen en weer en loopt van het ene uiteinde van het huis naar het andere. Hij komt nu ook overal aan, de zgn. „handenbindertjes”periode begint. Hij roert in ieder kopje, keert elke asbak om, eet aarde van de planten, gebruikt de boeken als blokken. Voortdurend is hij bezig, de wereld te verkennen, nieuwe ervaringen op te doen. Er gaat veel kapot, maar ook dat is voor hem ervaring. Het is nu van belang, of de dingen, die hij in handen krijgt, lelijk of mooi zijn, en of het materiaal waarvan ze zijn gemaakt uit de natuur stamt of uit de fabriek. Een tijdlang houdt hij zich vooral bezig met „lopen”, al zijn energie lijkt daarin te gaan zitten. Een paar woordjes kon hij al zeggen, pas, als hij genoeg heeft gerend, gaat zijn spreken zich verder ontwikkelen. Als hij bijna twee is, zegt hij kleine zinnetjes als: „vin niet leuk, zee” of „vin niet lekker spin azie”. De woorden „nee” en „niet” duiken op. „Wil niet jas aan”, „wil buiten, niet bin­nen”. Hij gaat zich verzetten, zich afzetten tegen zijn omgeving. Door nabootsing leert hij praten. Hoe je spreekt als moeder is daarom van belang, meer nog dan wat je zegt. Ook de eerlijkheid van wat je zegt wordt onbewust waargenomen, in alles ben je voorbeeld. Het praten in kindertaal verwart hem dan ook, hij kan zich niet daaraan optrekken. Zijn woordenschat breidt zich nu van dag tot dag uit, en hij is al aardig in staat in taal uit te drukken, wat in hemzelf leeft: het begin van „denken”. Heerst er chaos om hem heen, is er gebrek aan consequentie in het doen en laten van zijn omgeving, hoe zal hij orde kunnen scheppen in zijn gedachtewereld, waar voorlopig ook nog de woorden door elkaar heen buitelen?

De manier waarop een kind leert praten en later denken, is heel verschillend, heel persoonlijk. Het ene kind stort zich gretig op de taal, bootst niet alleen na, maar schept ook eigen woorden, verzint nieuwe namen voor de dingen om hem heen, namen, die vaak veel beeldender zijn dan onze abstracte grote-mensennamen. Gevonden klanken worden vaak eindeloos herhaald, geproefd, met een groot genot. Het is alsof het kind met de taal omgaat als een brok klei, scheppend, creatief. Het andere kind blijft lang kindertaal spreken, alleen nabootsend. Voor hem leeft de taal minder, misschien is hij meer ingesteld op wat zijn ogen waarnemen.
Maar bij alle kinderen is het leren spreken een wonder. Vaak lijkt het alsof ze het begrip, meer nog de idee, die zich uitdrukt in de materiële voorwerpen en in de levende wezens, al lang kennen, alleen nog de naam moeten leren uitspreken. Zegt een kind „boom” of „bloem” dan zijn alle bomen, alle bloemen voor hem daarin vervat.

De derde verjaardag nadert. Uiterlijk ver­andert het kind nu vrij snel. Zijn hoofd lijkt wat kleiner, zijn romp is langer geworden. Hij krijgt een opvallende buik waarmee hij lekker pronkt, zijn beentjes zijn ook een stuk gegroeid. Hij lijkt nu eigenlijk één grote borst-buik. Een taille heeft hij nog niet en iedere moeder kent de ellende van afzakkende broeken. Hij heeft een heel klein beetje hals gekregen en hij heeft nu echte gewrichtsknobbeltjes. Ook zijn de elastiekjes om zijn polsen en enkels ver­dwenen. Zijn kinnetje steekt wat meer naar voren en verraadt zijn willetje. Ook in zijn gestalte toont hij duidelijk „ik ben een kleuter geworden, ik ben geen baby meer”. Het is duidelijk te zien, dat de krachten die in de eerste jaren van boven, van het hoofd naar beneden, vormend hebben gewerkt, nu uit het hoofd wegtrekken. De organi­sche structuur is a.h.w. klaar, de ontwikke­ling van het gevoelsleven gaat meer op de voorgrond treden. In het begin van het leven zijn de gevoelens totaal afhankelijk van de lichamelijke toestand. Huilt een baby, dan heeft hij honger of een natte of vieze broek; voelt zijn lichaam lekker, dan is hij tevreden. Het is ook goed voor hem, beide soorten van gevoel te leren kennen; door het direct stillen van zijn honger ontnemen we hem de kans het „niet lekker” te ervaren.
Wordt hij een kleuter, dan ontstaan lust en onlust ook als reactie op aangename of onaangename situaties in de wereld om hem heen. Een echt, per­soonlijk gevoelsleven kan zich echter pas ontwikkelen als er ook invloeden komen van binnenuit, van geestelijke aard en dit is pas mogelijk, als het kind zichzelf als „ik” herkent. Dat ogenblik komt, wanneer hij ongeveer drie is. Plotseling zegt hij: „nee, ik wil geen pap”, terwijl hij eigenlijk vreselijk graag pap wil. Hij leert zijn „ik” kennen, vooral door tegen de wereld in te gaan. Gunnen we hem een tijdlang de kans, dan is het besef van zijn „ik” zo sterk geworden, dat hij niet meer „nee” hoeft te zeggen, om het te beleven. Dan ontstaat langzamerhand een echt gevoelsleven. Hij gaat nu ook anders spelen. Speelde hij eerst met alles, wat zich toevallig binnen zijn horizon bevond, nu gaat hij met zijn fantasie de hele wereld om hem heen vormen naar zijn eigen behoefte. De blok­ken worden huizen, auto’s, bergen en de tafel een huis, het vloerkleed de zee. Het is alsof hij de wereld ziet door een toverbril, waardoor die wereld voor hem een sprook­jeswereld wordt. In de herinnering blijven de struiken in de tuin voortleven als bos, een grasveldje als een eindeloze weide. Het is dan ook vaak een verschrikkelijke teleur­stelling, wanneer je als volwassene het bos van je kinderdromen probeert terug te vinden. Alles wat het kind om zich heen vindt, wordt nu in dit fantasiespel betrok­ken. En wee de moeder, die de oude tramkaarten, van straat opgeraapte papier­tjes, stukjes glas, spijkers en houtsplinters durft weg te gooien! Is de ruimte thuis klein, dan is echt fantasiespel soms moei­lijk. Op de kleuterschool zijn er echter mogelijkheden te over, met banken en lappen huizen te bouwen, met tafels een kasteel of boot. Daar worden ook de sprookjes verteld, waar de kleuter verschrikkelijk van geniet. Hij herkent er zichzelf in, als mens met deugden en ondeugden, hij hoort over leven en dood, over goed en kwaad.
Nog maakt hij niets om het resultaat, het gaat om het doen, om het maken op zichzelf. Steeds hetzelfde versje moet gezongen worden, steeds weer hetzelfde verhaal verteld en tekeningen worden als aan een lopende band geproduceerd. Door dit eindeloos herhalen leert het kind heel snel de tekst van liedjes, ook in vreemde talen, ook met moeilijke woor­den. Moe is de kleuter eigenlijk nooit, als hij maar ritmisch mag blijven doorgaan. Alleen de „wetertjes”, de vragertjes, die steeds op zoek zijn naar wat nieuws, worden moe. Zij ook vervelen zich soms. Steeds wordt nagebootst, wat moeder en vader doen. Schoonmaken, ramen lappen, boodschappen in een supermark wagentje doen zijn heerlijke bezigheden. Soms lijkt het alsof het kind jokt, maar het jokt uit fantasie, een „fantasietje” noemen wij dat thuis. Bijna alles wordt dromend gedaan, allerlei dingen gaan „zomaar” kapot of verdwijnen helemaal vanzelf. Somd vind je ze later terug tussen het speelgoed, ze zijn in het spel betrokken geraakt. Bewust wilde het kind ze niet hebben, in zijn fantasie heeft het eenvoudig weggepakt, wat het nodig had.
Als de kleuter dan plm. 5 1/2  is, gaat hij ook spelen met een doel voor ogen, vanuit de innerlijke wil iets heel bepaalds te maken. De papieren bootjes moeten plotseling echt kunnen varen en het verdriet is groot, wanneer ze dan toch zinken. Iets niet kunnen betekent een vaak schrijnende ervaring. Maar vader of een oudere broer of zus kunnen helpen en naarmate ze meer kunnen, handiger zijn, stijgen ze in de achting. Hij begint te beseffen, dat anderen, ouderen, iets wel kunnen, wat hij nog niet kan en er ontwaakt eerbied in hem voor hun prestaties. Vader wordt vereerd als de grote, handige, sterke man en juffie heeft het altijd bij het rechte eind.
Soms groeit de eerbied uit tot adoratie en het doet er weinig toe, wie de persoon is die vereerd wordt, als hij maar wat kan.
Er is 
afstand gekomen tussen het kind en zijn omgeving en dat is eigenlijk al een aanduiding, dat de kleutertijd ten einde loopt. Er komt een eerste gevoel van eenzaamheid, van hulpeloosheid om alles wat nog niet lukken wil. Alleen in het gevoel blijft het kind gelukkig verbonden met alle mensen om hem heen, vooral met de door hem als ‘autoriteit’ erkende personen. Het wil nu van binnenuit zich kunnen richten naar iemand die meer kan en weet dan hij, het wil leren. Het moment is aangebroken, dat hij naar de lagere school kan, hij is schoolrijp“. Kunnen we dit uiterlijk ook aan het kind zien? Heeft het een klein hoofdje, is het dun met tamelijk lange armen en benen dan ziet het er als vijfjarige vaal al schoolrijp uit, terwijl het dat niet is.
Maar heeft het nog een groot hoofd, wisselt het nog geen tanden, kan het zijn linker oor nog niet pakken met zijn rechter hand over zijn hoofd heen, speelt het nog zonder doel, dan kunnen we er bijna zeker van zijn, dat het nog beter een jaartje op de kleuterschool kan blijven. Soms zien we een kind in één week van kleuter tot schoolkind worden en we kunnen dan beleven, dat er krachten tot zijn beschikking komen, die het tot dat moment nog nodig had om te groeien. Zijn deze krachten niet meer nodig voor de groei, dan helpen ze het kind te leren. Het is dan blij, naar de eerste klas te kunnen, te leren rekenen en schrijven, in de loop van de eerste klas worden langzamerhand alle kinderen echte schoolkinderen, ook uiterlijk: hun lijf wordt dunner, hun benen langer, de lippen zijn gesloten en vol verwachting kijken hun ogen de wereld in.
Het is te hopen, dat die wereld waar ze zo moedig uitgestapt zijn, uit hun vertrouwde omgeving, uit hun droomwereld, aan deze hooggestemde verwachtingen zal kunnen beantwoorden – juiste voeding zal kunnen bieden aan hun wil om te leren.

(Nelle Amons, Jonas 29-09-?)

peuter en kleuter: alle artikelen

Dit artikel verscheen in het kader van de rubriek “Het kind op weg”.
Daarover werd in de genoemde Jonas gezegd:

De rubriek „Het kind op weg” heeft tot nu toe artikelen gebracht, die op een of andere manier te maken hadden met het kind, met het gezin en met de relatie tussen gezins­leden.
Wat ons, als redactie hierbij voor ogen stond, was: ervaringen en ideeën opgedaan uit ervaringen te publiceren. Om elkaar als ouders als opvoeders te stimuleren, te helpen. Het kind, van welke leeftijd ook, vraagt van ons, begeleid te worden op zijn weg naar de volwassenheid. Deze vraag stelt ons voor heel grote problemen.
Te­meer omdat de maatstaven, waarnaar vroe­ger ook in de opvoeding werd gehandeld, komend uit de familieband, uit de stroom 
van de erfelijkheid, uit de traditie, de groep, de stand waarin men leefde, de kerkelijke groepering waar men toe hoorde voor een groot deel verdwenen zijn. Wij moeten nieuwe eigen normen van de op­voeding van onze kinderen vinden. Zo kan er een nieuw gezin ontstaan, van waaruit impulsen de maatschappij kunnen binnen­stromen. Bij dit zoeken naar nieuwe opvoe­dingsnormen kunnen wij elkaar steunen door met elkaar te praten erover, door gezamenlijk oefeningen te doen, door de eigen normen met die van de anderen te confronteren, voor dit doel willen wij komen tot een Centrum voor Gezinsleven. Vanuit dit Centrum zullen gezinsdagen en misschien in de toekomst gezinsweekends en weken georganiseerd kunnen worden, waar we elkaar als ouders en opvoeders kunnen ontmoeten.

Ik weet niet hoe lang het centrum heeft gefunctioneerd.
Tegenwoordig echter, is er een soort gelijk platvorm:

‘antroposofie en het kind’

 745

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (37)

 

DE TWEE BOMEN IN HET PARADIJS

Een paasbeschouwing

Wij vormen onze voorstelling en ons begrip van de wereld aan de hand van een viervoudige ervaringswereld: het minerale-, het planten-, het dieren- en het mensenrijk.
Naarmate we ouder worden, proberen we hiervan een steeds beter begrip te krijgen. Toch kun­nen we, met ons zoeken naar kennis, vaak niet verder komen dan de buiten­kant van de verschijnselen. Het eigenlij­ke gebied van het leven, van de ziel en van het geestelijk-wezenlijke blijft voor ons gesloten. Vroeger werd het als de eigenlijke bestemming van de mens ge­zien om aan deze buitenkant te ontstij­gen, om zodoende de goddelijk-geestelijke wereld te vinden. Het Oude Testament beschrijft in beeldrijke taal hoe de mens, aan het begin van zijn ontwikke­ling, in directe verbinding leefde met deze goddelijke oergrond van zijn be­staan. Door de zondeval ging deze in­nerlijke verbondenheid met God en we­reld verloren; ze werd verruild voor de vier genoemde ervaringsgebieden, die nu van buitenaf worden beschouwd. Uit de ‘eenheid’ daalde de mens dus af in de ‘vierledigheid’. Dit komt tot uitdrukking in het beeld van de twee paradijs­bomen: de ‘boom des levens’ en de ‘boom der kennis van goed en kwaad’.

In het Hebreeuws heeft elke letter een getalswaarde. Daardoor kan elk woord worden weergegeven door een cij­fer dat de som is van de letterwaarden. Tellen we de letterwaarden van de uitdrukkingen voor de para­dijsbomen op, dan krijgen we 233 (‘boom des levens’) en 932 (‘boom der kennis van goed en kwaad’). Het getal 932 is precies het vier­voud van 233. De ‘boom des le­vens’ kan zo als het beeld van de goddelijke eenheid worden gezien. De ‘boom der kennis van goed en kwaad’ als de representant van de vier ervaringsgebieden waarin wij met onze kennis proberen door te dringen.
Nu was tegen de mens ge­zegd: ‘Van alle bomen in de hof moogt gij eten, maar van de boom der kennis van goed en kwaad moogt gij niet eten, want op de dag dat gij daarvan eet, zult gij sterven’.
De tegenhanger van de ‘boom des levens’ is dus eigenlijk een ‘boom des doods’.

De mens richt zich in zijn ontwik­keling steeds meer op deze
doods-kant, op de kant van de kennis. Daarmee begint het verlies van de eenheid, en met de verdrijving uit het paradijs wordt de ‘boom des levens’ de mens tenslotte geheel ontnomen. Door deze afdaling van ‘één’ naar ‘vier’ te ka­rakteriseren als een afdaling in het ge­bied van de dood, wordt al direct aan het begin van het Oude Testament een perspectief getekend dat kan worden beschreven als de gang naar het kruis (als symbool van de dood).

Bertram van Minden boom kennis

Bertram von Minden, altaarvleugel uit Grabow, 1379 (Hamburg, Kunsthalle)

Zoals in het beeld van de verdrijving uit het paradijs de hemel zich als het ware sluit, zo wijzen de woorden van Johannes de Doper op het dichterbij komen van de verloren gegane sfeer (‘het rijk der hemelen is nabij gekomen’). Door het wezen van Jezus Christus kan de ‘boom des levens’ opnieuw ervaren worden: ‘Ik ben de Opstanding en het Leven’. En juist deze drager van eeuwig leven wordt op Goede Vrijdag aan het   kruis genageld. Vanaf de buitenkant gezien staat in het beeld van de krui­siging op Golgotha de doodszijde op de voorgrond. De levenszijde kan al­leen uit een innerlijke, vrije keuze worden gevonden in de Verrezene zelf, door de ontmoeting met het we­zen van Christus. Zo wordt het kruis, de ‘vier’, tot de poort die ons de een­heid weer openbaart.

Bertram van Minden boom kennis 2Bertram von Minden, altaarvleugel uit Grabow, 1379 (Hamburg, Kunsthalle)

En zo kunnen we vermoeden dat on­ze viervoudige ervaringswereld aan­vankelijk ook alleen haar doodskant toont, maar dat ze eigenlijk tot een poort wil worden, waardoor wij tenslotte de krachten van het eeuwige leven zullen vinden. Dat alles zullen we bereiken als we het in vrijheid zoeken, als we in onze viervoudige wereld degene kunnen zien, die zich in het teken van het kruis met de we­reld verbonden heeft, en van wie Novalis zegt:

‘Aus Kraut und Stein und Meer und Licht,
schimmert sein kindlich Angesicht’.

 

(Vrij vertaald en bewerkt naar Jan Förder in Weledaberichten 165, Pasen 1995)
744

VRIJESCHOOL – Peuters

OVER DE PEUTER

Vrijeschoolpedagogie stoelt op menskundige inzichten en opvattingen die als basis door Rudolf Steiner zijn gegeven, voornamelijk in zijn pedagogische voordrachten. De kernvragen zijn: wat is een kind en hoe ontwikkelt het zich en hoe helpen we daarbij zo optimaal mogelijk. Je kunt dus kijken naar de ontwikkeling van baby tot peuter en dan vooral op het gedrag letten dat peuters laten zien. Goed observeren verschaft je veel feiten die wellicht een verhaal vertellen.
Een pasgeboren baby ligt op zijn rug, gericht op de wereld ‘boven’ hem – eigenlijk een ruimte ‘tot aan de hemel’. Daarin verschijnen a.h.w. de ‘hoofden’ van de ouders, de volwassenen of groteren in zijn omgeving en aan hen geeft hij zich vol vertrouwen over. In zijn eerste ontwikkelingen vormt het kind een hechte eenheid met zijn directe omgeving, zich niet van zichzelf bewust. Die paar mensen die hem omringen zijn zijn voor­beeld en hij bootst die aanvankelijk vooral na. Vanuit die nabootsing leert het kind met behulp van zijn zintuigen grijpen, bewegen,  gericht kijken, staan,  begrijpen, zijn eigen taal spreken, kortom de wereld te ontdekken. Het kind is zo vroeg nog niet in staat zich echt naar een groep te richten, zoals die bestaat in een peuterspeelzaal. Daarvoor vormt hij teveel één geheel met zijn ouders, met wie hij alle ervaringen direct wil delen. Dit inzicht: die nauwe relatie en de na­bootsing van waaruit het kind leert, zou je gevolgen kunnen laten hebben voor je eigen gedrag als ouder en zou de vraag op kunnen roepen hoe bewust moet je je zijn van je gedrag. Moet dat uitmonden in de manier waarop en de zorgvuldigheid waarmee je met ‘je wereld’ omgaat. De waarde daarvan en de eerbied daarvoor ervaart je kind in die vroege fase.
Enkele voorbeelden: gooi je het speelgoed bij het opruimen in mand of kist of leg het er met een zekere aandacht in; schop je iets opzij dat in de weg ligt, of raap je dat met je handen op; hoe dek je de tafel, kortom: zeer veel vragen die tegelijkertijd aandachtspunt kunnen zijn voor je eigen voorbeeld voor de zeer intensief waarnemende peuter. Wie zich bezighoudt met de ritmen waarin, waarmee een baby leeft – slapen/wakker, kan tot de conclusie komen dat zo’n ritme letterlijk van levensbelang is. Blijft dat zo? Hoe ervaart een peuter de regelmaat. Eigenlijk ook steeds weer ‘aan den lijve’ Er zijn steeds dagelijks terugkerende handelingen: opstaan, je wassen, aankleden, eten, spelen, gaan slapen,  bakens, de rode draad die door iedere dag heen loopt. De peuter leert ze kennen als vaste gegevens waarop hij rekenen kan: dat betekent: zekerheid. En er is veel meer dat hij als terugkerende bezigheden ziet en meemaakt: de was doen, bedden opmaken, afwassen, stof­zuigen, eten kokenramen zemen, enz»

Van al deze dingen leert een peuter ontzettend veel, vooral als hij mee mag doen.
Aanvankelijk is een kind nog niet in staat ervaringen om te zetten gedachten die het in taal uiten kan. Hij uit zich veel meer met zijn lichaam en zet vrijwel alles om in handelen. Een voorbeeld daarvan: het verhaal over de peuter die in de peuterklas een hele morgen bezig was dingen van de ene plaats naar de andere te sjouwen en tussendoor met zijn handen in zijn zij het werk eens goedkeurend bekeek. Zijn moeder vertelde dat ze thuis zo in de troep zaten, omdat de straat was opgebroken en opnieuw bestraat werd.  Ze vroeg of haar zoontje dat niet gezegd had. Dat had hij wel, niet met woorden……..

nabootsing opa en kind

 

Al zijn ervaringen krijgt het kind uit zijn directe omgeving door dingen na te doen. Hij is zich daarbij niet bewust van tijd, van hoelang dingen duren en hij kan handelingen dan ook eindeloos herhalen, eindeloos tafel dekken, kleedjes op tafel leggen, enz. Hij vindt het prachtig als een verhaaltje afloopt als het donker is of als “ze gaan slapen”. Dat herkent hij. Bij al die handelingen gaat het ook meer om de ervaring van het verrichten van die handelingen dan om het resultaat ervan. Bv. de ervaring van het vol tekenen van een vel wit papier of te schilderen zonder dat het iets voorstelt of dezelfde rondjes boven op elkaar te plakken zonder een figuurtje te maken of kleuren te combineren. Daarom is het belangrijk dat een kind heel “open” kan staan, tegenover zijn omgeving zonder al te veel gericht te zijn op het detail. Anders zou hij gemakkelijk het geheel uit het oog kunnen verliezen.
Al die ervaringen van grijpen, voelen, handelen leiden’ uiteindelijk tot een begrijpen, zoals dat tot uitdrukking komt in de taal. een vorm van fijnere motoriek die meer met het denken te maken heeft. Dan komt er zo rond het derde jaar een breekpunt in de ontwikkeling van de peuter. Het kind wordt zich meer en meer bewust van zichzelf tegenover zijn omgeving en de anderen. Daarmee wordt het mogelijk om ‘ik’ te zeggen in plaats van de eigen voornaam en “nee”. Het is nu niet meer zo vanzelfsprekend dat hij met plezier alle handelingen meedoet: boodschappen, stofzuigen enz. Hij kan steeds onafhankelijker van zijn omgeving handelen en de eenheid daarmee verdwijnt. Hij voelt zich dan ook wat eenzamer. Met deze ontwikkeling komt ook de fantasie op gang. Het kind is in staat zaken en handelingen los te koppelen uit hun directe omgeving. Je kunt nu eens een hapje van een zandtaartje ‘proeven’ zonder dat je peuter meteen het hele zandtaartje opeet. Hij kan een paleis hebben in een tentje.
Nu raakt de peuter de relatie kwijt met wat achter hem ligt. Hij is steeds meer gericht op de aarde en daarmee komt die eindeloze rij van vragen op gang: wat is regen, waar komt sneeuw vandaan enz. enz.

Welke antwoorden geef je; de natuurwetenschappelijke of ‘in een beeld’ en wat voor beeld dan.

De vrijeschoolpedagogie kiest duidelijk voor het laatste. Iets over het waarom komt hier aan de orde.

Ook de sprookjes geven beeldend antwoorden op veel vragen. Maar aan de peuter kun je nog niet elk sprookje vertellen.

Over ritme; over de groei(krachten) in de eerste zes/zeven jaar

Verder over de peuter/kleuter

(bewerking van een artikel met onbekende bron, waarschijnlijk n.a.v. een ouderavond voor peuters in peuterklas ‘De kleine sterre’ Rotterdam, door Dorien Versluis)
743

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Niet-Nederlandse talen – Duits – lagere klassen (2)

De jaarfeesten bieden een prachtige gelegenheid om de leerlingen kennis te laten maken met wat zo karakteristiek is voor een  andere taal. Zo zullen er rond Kerstmis in vrijwel alle klassen  ‘Christmas carrols’ gezongen worden – zo typisch Engels.

Maar ook de andere talen hebben hun specifieke jaarfeestenliederen en gedichten. Soms traditioneel, soms ook recent gemaakt.

Voor het Duits is het werk van Hedwig Diestel en Norbert Thomsen erg waardevol.

PASEN

Oster-Gedicht

Der Hase kommt! Seid alle stilL,
Ihr Kinder, haltet Ruh’!
Weil er euch überraschen will,
macht eure Augen zu!

Er hüpft zum Neste in der Nacht,
Springt fort in schnellem Lauf.
Was hat er schönes mitgebracht?
Macht eure Augen auf!

Hedwig Diestel

Voor de 1e klas een heerlijk spelletje. Wanneer je een klein ‘hazenmaskertje’ hebt, met de oren, voelt ieder kind dat ‘m mag zijn, zich een echte haas.
Hij komt ergens uit een hoekje van de klas vandaan; alle kinderen hebben hun ogen dicht en of hun hoofd op tafel, verstopt in hun armen.
‘Hoor je wel, waar hij hupt?’
De haas heeft enkele voorwerpjes bij zich die hij ergens op een tafeltje neerlegt en gaat er dan vlug vandoor – heerlijk voor de kinderen die graag bewegen of veel beweging nodig hebben. De voorwerpjes moeten door de kinderen in het Duits benoemd worden: ‘Was hast du bekommen?” –“Ich habe einen Ball bekommen.” Enz.
Maar ook: ‘Was hat der Hase dir gebracht?’, zodat ook het spreken weer geoefend wordt.

Een pentatonisch paasliedje van Norbert Thomsen:

Duits paasliedje

bij ‘Ewigkeit’ – de 2 g’s – staat als muzikale aanwijzing: iets vertragen, gevolgd door ‘a tempo’ – evenzo bij  ‘der’ (Christ) en ‘Herrscher’

Osterlied

Willkommen sei die fröhlich Zeit,
uns zu begehn in Ewigkeit,
die Hölle überwand der Christ,
und nun im Himmel Herrscher ist.

Wie ist die Welt uns schön erneut!
Die Erde sich im Innern freut,
dass der Herr aller Gnaden Gab
vom Himmel hat gebracht herab.

Denn da er in die Erde kam
seins Wesens Kraft er mit sich nahm
und hat erneut durch seine Gewalt
so Stein und Meer, so Feld und Wald

(woorden: volks)

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

742

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – legenden (3-7)

 

SINT PRISCA, DE KLEINE MARTELARES

De naam van Sint Prisca is altijd zéér geliefd geweest, voorname­lijk in Engeland.  Sint Prisca leefde zeventien honderd jaar gele­den, en de achttiende januari is de dag, die men aan haar gewijd heeft. Zij behoort tot een van de weinige kinderen, wier naam uit die vroege tijden tot heden toe is blijven voortleven, en die als martelares gestorven is, hoewel er toen vele dappere kinderen waren, die veel geleden hebben en de kracht bezaten hun leven voor hun geloof te offeren.

Sint Prisca was een Romeins meisje, dochter van voorname christenen. In die dagen regeerde Claudius als keizer over het Romeinse Rijk, en al is het bekend, dat tijdens zijn regering de christenen niet zo algemeen vervolgd werden als tot hier toe het geval ge­weest was,  toch werden er nu en dan grote wreedheden gepleegd,  en was het steeds zeer gevaarlijk, een christen te zijn. Vandaar dat menigeen in die boze tijd niet openlijk voor zijn gedachten durfde uitkomen en zijn waar geloof belijden. Vele chris­tenen hielden hun godsdienstoefeningen zorgvuldig verborgen voor de Romeinse heidenen,  die er steeds op uit waren de volgelingen van Christus, die zij fel haatten, op te sporen en hen te martelen en te pijnigen. Prisca’s ouders was het  evenwel gelukt hun geheim ver­borgen te houden; zij werden er dus niet van verdacht,  christenen te zijn. Waarschijnlijk hielden zij hun godsdienstoefening ook in de geheime kapellen, die de christenen diep onder de grond, in de steden gebouwd hadden. In deze donkere, sombere catacomben hielden zij hun bijeenkomsten, en weinig vermoedden de Romeinen, die boven hun hoofden wandelden, wat daar beneden onder hun voeten voorviel. Maar Prisca weigerde beslist enige voorzorg te nemen. Tenger, niet in het minst tot zelfverdediging in staat, vreesde zij niet, er open­lijk voor uit te komen, dat zij geloofde in Christus en Zijn kruis. Niet lang duurde het dan ook, of zij werd bekend als een klein, zwak christenmeisje en er waren in het wrede Rome mensen genoeg, die zelfs een klein christenkind haat toedroegen en het wensten te ver­volgen. Deze nu brachten aan de boodschappers van hun Keizer getrouw elk woord over, waarmee zij zo moedig belijdenis aflegde van haar geloof en betuigde dat zij nimmer zou willen offeren aan de Romeinse goden,  zoals de heidenkinderen deden. En zo werd zij door de lijf­wacht van de keizer gevangen genomen en voor Claudius gebracht. En deze, verrast z’n klein meisje voor zich te zien, meende dat het hem weinig moeite zou kosten, haar tot andere gedachten te bren­gen en tot gehoorzaamheid aan hem te dwingen. En hij beval zijn krijgslieden haar te voeren naar de tempel van Apollo en haar een wierookoffer te doen brengen aan de schonen god met de zilveren boog.

Zo werd Prisca gevoerd naar de top van de Palatinus, een van de ze­ven heuvelen van Rome.

En nadat zij eerst onder door een hoog marmer gewelf gereden waren, kwamen zij in een prachtige binnenhof, omringd door twee-en-vijftig marmeren zuilen.  In het midden van deze hof stond de tempel van Apollo, het prachtigste gebouw uit geheel Rome,  dat door zijn ivo­ren nissen en rijke beeldengroepen,  zijn ingelegde vloer en met bloemen omkranste altaren, zijn gouden vaten met brandende wierook, zijn lampen en kostbare zilveren vazen een opmerkelijke tegenstel­ling vormde met de donkere, kale, onderaardse spelonken, waarin de christenen hun godsdienstoefeningen hielden. Voor in de tempel stond een groep van vier bronzen ossen,  en midden daarin brandde op een gouden drievoet een vuur. Dit nu was het altaar voor Apollo, de zonnegod, wiens kolossaal gouden beeld in zijn met vier paarden bespannen wagen tegenover de tempeldeur verrees. En zoals hij daar stond, met zijn lauwerkrans om het hoofd,  een boog in de hand,
waar­mee hij verondersteld werd,  de zonnestralen naar de aarde te
zen­den, was hij de verpersoonlijking van de bekoorlijke, schitterende jeugd.

De krijgslieden van de keizer gaven Prisca wierook in de hand, en
ge­boden haar enige korrels daarvan in het vuur te werpen ter ere van de schone zonnegod. Het was waarlijk slechts een kleinigheid, een handvol poeder te werpen op het vlammend vuur, om daarmee haar leven te redden. Prisca toch had de zon evenals iedereen lief, maar zij wist,  dat het dwaas was te geloven, dat hij, Apollo,  een god was en dit gouden beeld te vereren en te aanbidden,  in plaats van de levende God,  die de zon en alle dingen gemaakt heeft. Daarom weigerde zij beslist de wierook te branden. En de keizer,  zeer ver­toornd hierover, beval zijn krijgslieden haar te geselen tot zij aan zijn gevel gehoorzaamd zou  hebben. Doch zij konden haar door hun wrede zweepslagen daartoe niet overhalen. En zelfs de meest verhar­de Romeinen, die gekomen waren om de tuchtiging bij te wonen,
be­wonderden haar dapperheid en hadden medelijden met haar. De vrouwen schreiden bij die wrede behandeling en de mannen riepen vertoornd uit: “Foei,  schaamt u,  een klein kind zo te martelen!” Toen gebeurde er iets heel moois en wonderbaarlijks.
Opeens scheen Prisca gehuld in een kleed van enkel gouden zonneschijn, zodat er van alle zijden een wonderbaar licht van haar uitging,  zozeer straalde haar hooggestemde geest in haar wrede omgeving. Het scheen allen een onmogelijkheid toe,  dat een kind zoveel smar­ten kon verdragen zonder zich gewonnen te geven,  en heimelijk hoop­te de keizer, dat zij dit ook maar doen zou, want hij kon niet be­sluiten haar te laten doden. Maar Prisca bleef standvastig en
wil­de het offer niet brengen. En de keizer, verrast door zoveel moed bij een kind, beval dat men haar terug zou brengen naar de gevange­nis en haar daar voor enigen tijd zou opsluiten. De arme Prisca voelde zich zeer ongelukkig, – geheel alleen opgesloten-, was zij bovendien nog koud en hongerig, en zij wist niet, welke vreselijke dingen haar nog te wachten stonden. Maar toch bleef zij moe­dig en was geenszins bevreesd.

Na verloop van geruime tijd kwam op zekere morgen de
gevangenbe­waarder bij Prisca, en werd zij naar buiten gebracht in de heerlij­ke zonneschijn. ‘O’ hoe verheugd was de kleine Prisca, de zon en de heldere blauwe hemel weer te zien! Doch het was, helaas,  slechts voor een ogenblik, want meteen werd zij verder gebracht naar het amfitheater, een grote open ruimte als een circus, met onaf­zienbare rijen zitplaatsen in de rondte, opgepropt met mensen,  die allen de ogen gericht hielden op de plaats in het midden, waar zij stond.

Prisca wist zeer goed, waar zij zich bevond, want dikwijls had zij gehoord, hoe de christenen in de arena gebracht werden, om door de wilde dieren verscheurd te worden. En neerknielend in het zand deed zij een kort gebed, niet dat zij  gespaard zou mogen blijven, maar dat zij moed en kracht zou krijgen, om haar geweldenaren en alle toeschouwers die haar omringden, de grootheid van haar christelijk geloof te tonen.

Toen werd het ijzeren hek geopend, dat zich aan het einde van de arena bevond,  en sprong er plotseling een grote, gele leeuw uit zijn hok. Met een ontzettend gebrul rende hij naar het midden van de circus en bleef daar een ogenblik stil staan, met zijn staart slaand en zijn grote, gele ogen naar alle kanten gericht. Opeens merkte hij het kleine meisje op,  dat met gevouwen handen rustig stond, terwijl zij hem zonder de minste vrees aanzag. En het grote, wilde dier stapte vriendelijk naar haar toe, en boog de brede kop en likte haar bloten voetjes, waarna hij rustig naast haar ging liggen, zo­als een Sint Bernardshond  gedaan zou hebben naast zijn kleine meesteres om haar te beschermen. En daarom ziet men op oude schilderijen Sint Prisca soms afgebeeld met een leeuw aan haar zijde.
Een ademloze stilte heerste in de 
arena en de keizer en het gehele volk waren roerloos van verbazing over dit ongekende schouwspel en vervuld van bewondering voor de moed van het kind. Want Sint Prisca had haar hand uitgestrekt om de kop van de leeuw te strelen en met zijn manen te spelen.
Toen boog zij even het hoofd, maar niemand die verstaan kon, hoe zij hem in het oor fluisterde:  “mijn goede vriend,  ik weet dat je mij geen kwaad zult doen, want de Heer heeft je bek gesloten, zo­als hij dit bij de leeuwen deed bij wie Daniël door boze mannen in de kuil was geworpen. Deze boze mensen willen mij ook ter dood brengen, maar jij bent beter dan zij.”
En de leeuw keek op en blikte haar in het gelaat, alsof hij haar be­grepen had en gromde zacht. En hij was vriendelijk en volkomen tam tegenover haar, maar toen de gevangenbewaarder bij hem kwam, begon hij tegen hem te brullen en toonde hij hem zijn grote tanden, zo­dat niemand hem vooreerst meer durfde naderen.  Toch kon de leeuw Sint Prisca niet redden van de dood, maar dat hoefde ook niet van haar. Eindelijk maakten zij zich meester van de leeuw en werd hij weggebracht. Maar de keizer, vertederd door zoveel moed, wenste Sint Prisca nog eenmaal in de gelegenheid te stellen haar leven te redden.  Zij werd enige  dagen opgesloten in de heidense tempel en op alle mogelijke manieren aangespoord de goden te offeren en haar christelijk geloof prijs ze geven. Nu eens vleiden zij haar en deden haar allerlei mooie beloften, dan weer dreigden en straften zij haar, maar Sint Prisca bleef standvastig, hoe uitgeput en ziek zij zich ook voelde na alles wat zij geleden had. Toen zij nu za­gen, hoe zij dit alles geduldig en moedig droeg en dat het onmoge­lijk was deze kleine christin tot haar vroeger heidens geloof te doen terugkeren, brachten zij haar naar de weg, die ten zuiden van de Palestijnse heuvel liep, naar de plaats van de terechtstellingen. Deze nu lag buiten de Ostiaanse Poort, een gewelf in de grote muur, die Rome omringde en waardoor de weg leidde naar de stad Ostium en naar de zee. En juist buiten deze poort werden de misdadi­gers terecht gesteld, omdat er buiten de grote muur geen enkele Ro­mein van enig aanzien meer woonde. Op die plek hebben zeer vele christen-martelaren het leven verloren. En Prisca was een van hen, want daar was het, dat zij onthoofd werd. Tot het laatste toe was zij rustig en volmaakt kalm, zonder enige vrees. En daarom is zij gewor­den Sint Prisca, de kleine martelares.

Toen gebeurde er opnieuw iets zeer wonderbaarlijks.

Toen zij gestorven was, verscheen er een grote arend, hoog boven Prisca’s dode lichaam in de blauwe lucht zwevend. En wanneer nu een Romein het slechts waagde haar te naderen, schoot de arend, op­eens met een vreselijke kreet en met klappende vleugels naar om­laag. En zijn ronde grijze ogen zagen er zo bloeddorstig uit en zijn klauwen waren zo lang en scherp, dat niemand haar durfde aan­raken uit angst voor de vogel. Zo had Sint Prisca opnieuw in het wrede Rome haar beschermer gevonden. En daarom ziet men op oude schilderijen de martelares Sint Prisca soms afgebeeld met een grote arend zwevend boven haar hoofd.

Nacht en dag bewaakte deze arend haar lichaam, iedereen verjagend, totdat ten laatste enige christenen, die gewacht hadden op een goe­de gelegenheid, haar heimelijk in de nacht wegdroegen en begroeven op een plaats, waar de Romeinen haar niet konden vinden, namelijk op hun geheim kerkhof in de catacomben.

Zo leefde en stierf de heilige Prisca twee honderd en zeventig ja­ren na Christus’ geboorte.

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren

2e klas vertelstof: alle artikelen 

Meer

741

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – H.G.Wells

 

DE KABOUTER DIE EEN REUS WAS

Toen ik op een zoele voorjaarsmorgen door Regent’s Park m Londen wandelde, zag ik een gezette gestalte die met aan iedere hand een kind voorthobbelde, en ik dacht: “Zou dat nu het ‘Brokje Vuur’ zijn?” Ik kwam vlug naderbij. Plotseling zei een schelle stem, krassend als een griffel over een lei: “Zo, schoffies — dat is vandaag genoeg geweest voor een ouwe man,” en terwijl hij de kinderen een zetje gaf, plofte hij op een bank neer.
Ik aarzelde een ogenblik. De man die ik daar zag zitten, stond bekend om zijn onverwachte reacties; zou hij me vriendelijk te woord staan of in een stortvloed van boze woorden losbarsten? Ik besloot het erop te wagen.
“Neem me niet kwalijk — bent u H. G. Wells?” vroeg ik. “Wie anders? Is er dan nog iemand die er zo gammel en afge­takeld uitziet?”

Herbert George Wells was toen in de 70. Als romanschrijver, ziener, historicus en pedagoog had hij ruim 100 boeken en brochures geschreven. Hoewel hij klein van stuk was, met korte armen en heel kleine handen en voeten, deed hij iemand zijn uiterlijk vergeten enkel en alleen door zijn uitbundigheid en zijn woordenvloed. Hij was een ontwapenende kabouter, vol tintelend leven. Zijn vrienden noemden hem het “Brokje Vuur”, omdat zijn kleine gestalte zo’n felle vitaliteit herbergde.
Toen we daar die ochtend zo zaten, kregen we het over van alles: van God en Mammon tot schoenen met dikke spijkers en Hitler. Ik was me direct bewust van zijn buitengewone gave om louter door zijn bezielde en bloemrijke taal het alledaagse tot iets zeer boeiends te verheffen. Hij borrelde van levenslust en ik had het gevoel — wat me bij een eerste ontmoeting zelden overkomt  dat ik echt contact met hem had.

Wells was het tegengestelde van een veinzer, wars van de huichelarijtjes waaraan zovelen van ons zich schuldig maken. Kort daarna bezocht ik hem in zijn mooie huis in Hanover Terrace. Hij droeg een oude grijze pullover, een gekreukelde flanellen broek en afgetrapte trijpen pantoffels. Klip-klap, klip-klap, zo slofte hij de trap af om mij te begroeten en bij elke stap stak hij zijn hand onder de pullover om op zijn rug te krabben.
Hij had een conciërge kunnen zijn die in zijn zondagmiddagdutje was gestoord.
Even later begon hij te praten. Onmiddellijk werd hij een ander mens. Ik werd vooral getroffen door het kogelronde voorhoofd, de ogen waaruit warmte en intelligentie straalden en de hoge maar bezielde stem.
Nog afgezien van intellect en persoonlijkheid, maakte de verbeeldingskracht van deze man hem tot een der grootste wetenschappelijke zieners van onze tijd. Lang voordat ze een feit waren geworden, zag hij de tank voor zich, het vliegtuig en de oorlog in de lucht. Zestig jaar voordat het zover was gaf Wells een briljante
beschrijving van een H-bom-explosie.

Hij schreef ook over ruimtevaarders in een tijd dat de meeste wetenschapsmensen dat bespottelijk vonden: “Er zal een tijd komen dat mannen in hermetisch gesloten omhulsels pijlsnel omhoog zullen stijgen in de eenzaamheid van de ruimte en om de aardbol zullen cirkelen terwijl zij geheime berichten uitzenden; astro­nauten, gemaskerd en gekleed in rubber, die in de ruimte de eerstc onderzoekingen doen welke het lot van de mens zullen veranderen.”

Hij heeft zes natuurwetenschappelijke romans geschreven. Zij voorspelden niet alleen stuk voor stuk de toekomst, maar bevatten tevens een boodschap voor de gehele mensheid.
De onzichtbare man, verschenen in 1897, wees op de gevaren van absolute macht, wanneer die niet in toom wordt gehouden door zedelijke normen. Dit is door de opkomst van Hitler en nazi-Duitsland dan ook wel gebleken. De slaper ontwaakt, een beschrijving van deze wereld zoals die er over twee eeuwen zal uitzien, heeft beangstigend duidelijk aangetoond, dat de technische vooruitgang de gewone menselijke vooruitgang zou overvleugelen en vertroebelen. In Het eiland van dr.Moreau liep Wells vooruit op de schanddaden in concentratiekampen.

Wells’ huis stond in het hartje van Londen en keek uit op het prachtig groene Regent’s Park; hij had een heel breed venster laten aanbrengen om een wijd uitzicht te hebben dat paste bij zijn visionaire aard. Vlak naast het huis stond de garage. Op de wanden had hij een aantal tekeningetjes gemaakt: voorstellingen van het ontstaan der beschaving, van het allereerste begin der keverachtige trilobieten tot de mens. Boven de primitieve tekeningen had hij geschreven: “Onbegrensde energie ten goede of ten kwade. Hebt gij het intellect, hebt gij de wil om het leven te doen voortbestaan?”

Er waren altijd bezoekers. Uit de hele wereld kwamen mensen om de ouder wordende profeet te zien en te vereren: studenten,  hoogleraren, staatslieden, schrijvers, schilders, wetenschapsmensen — op elk gebied had hij vrienden.

Wells bezat een enorme moed, zowel lichamelijk als zedelijk. Toen in de Tweede Wereldoorlog de bommen om het grote huis in Hanover Terrace neerhagelden, trokken velen van zijn buren uit de stad weg, maar H.G. wilde daar niet van weten. Hij had met opzet Hanover Terrace nummer 13 gekozen om het bijgeloof te tarten. Toen de zware voordeur door de luchtdruk van een bomontploffing uit de scharnieren werd gerukt, bracht hij op de voorgevel een nummer 13 van een meter hoog aan.

Op een keer kwam een forse vrachtautochauffeur op straat op Wells af en zei dat hij hem zou neerslaan om iets dat hij had schreven. Doodgemoedereerd zei H. G.: “Goed, sla me neer maar op die manier win je het geschil niet.” De man bracht zijn geweldige vuist tot op een centimeter van Wells’ gezicht en keek hem woedend aan. Wells stak zijn kin naar voren en wachtte. Plotseling liet de man zijn knuist zakken en liep mompelend weg.

Wells toonde ook moed toen zijn vrouw Catherine stierf. Zij waren 33 jaar getrouwd geweest. Ze werden verliefd in 1894 en Wells schreef later: “Wij waren een bijzonder roekeloos stel. Wij begonnen ons gezamenlijke leven met nog geen 50 pond tussen ons en de algehele ondergang . En we hadden er heel veel plezier in.”
De persoonlijkheid van zijn vrouw had twee kanten. In haar particuliere leven bleef zij uitsluitend iemand die Catherine heette, een gevoelige, beschaafde vrouw — en in het openbaar gaf zij zich als iemand die Wells al gauw “Jane” doopte, een praktische, zakelijke vrouw die zich met de financiën van haar man belastte en zijn werkuren met een beschermend web omhulde. Jarenlang deed ze zijn typewerk, vulde aangiftebiljetten voor de inkomstenbelasting in, gaf raad en kritiek en ruimde voor hem de dagelijkse moeilijkheden uit de weg.
Haar dood, in 1927, betekende voor Wells een uitermate zwaar verlies. Hoewel hij een man met een onvoorstelbare veerkracht was, duurde het geruime tijd eer hij die slag te boven kwam. Toen begon hij opnieuw te schrijven, en hij ging reizen. Hij bezocht Amerika en Rusland; als diplomaat-op-eigen-houtje ontmoette hij mannen als Roosevelt, Lenin en Stalin. H. G. was het niet eens met Stalin — en wond daar geen doekjes om. Hij zei de mensen altijd precies wat hij dacht.

Zijn vitaliteit kende geen grenzen. Soms belde hij zijn vrien­den om twee uur in de nacht op en begon honderd uit te praten. Hij kon de halve nacht opblijven om te lezen, verscheen dan aan het ontbijt en gaf een briljante analyse van het boek. Om 12 uur ’s nachts zei hij eens tegen mij: “Een jongeman zoals jij moe? Stel je niet aan!”

Er is inmiddels een eeuw verlopen sinds Wells in 1866, zoals hij het uitdrukte, “belletjes blazend en met nietsziende oogjes het universum aanschouwde en er zwakke handjes naar uitstak.” Hij kwam ter wereld in een tijd die geheel en al in het teken stond van koningin Victoria, toen de vrouwen rokken tot op de grond droe­gen, vaders onfeilbaar waren en Groot-Brittannië — in de ogen van iedere Engelsman — het centrum van de beschaafde wereld was. Zijn ouders, Joseph en Sarah Wells, woonden boven hun porseleinwinkel te Bromley in Kent. Het waren starre, kortzichtige mensen en zij hadden er geen idee van wat een onstuimig ventje zij hadden voortgebracht. Evenmin konden zij zich voorstellen hoezeer zijn geschriften en gloednieuwe denkbeelden in talloze landen de mensen en hun beschavingen zouden beïnvloeden.

Dat was de grootste bijdrage die Wells leverde: het voorlichten van de gewone man. Zijn Gezamenlijk avontuur van mens en wereld is in ten minste 20 talen verschenen en door ruim twee miljoen lezers gekocht. Wells leerde de mensen denken. Als internationaal pedagoog overvleugelde hij de scholen en de leraren, bracht uitgestrekte gebieden van kennis binnen het bereik van het gewone individu en wist het fascinerende van nieuw verworven kennis over te dragen. Hij leerde de mensen zich niet te laten verblinden door de tradities van het verleden, maar hun eigen verstand te gebruiken. Hij liet hen vooruit kijken. De wereld wemelde van de moge­lijkheden; het kwam er slechts op aan dat wij leerden ze te ver­wezenlijken.

“Natuurlijk heeft dit alles een grappige kant,” zei hij eens tegen mij. “Zie je, toen ik mijn vrouw voor het eerst het idee van een wereldgeschiedenis voorlegde, dachten we dat dat ons geld zou kosten. Wie kon van geschiedenis een best-seller maken? Maar ten slotte bracht het me een klein fortuin op. En het heeft die droog­stoppels van geschiedkundigen eens flink door elkaar geschud — en hoe!”

De langste tijd van zijn huwelijksleven woonde Wells op een buitengoed, Easton Glebe in Essex. In de weekends kwamen er beroemde gasten logeren. Die vermaarde weekends verliepen vol­gens een bepaald patroon. Men ging vrijdagavond om een uur of half elf naar bed om zich voor te bereiden op de vermoeiende dagen. (H. G. had speciaal nachtgoed ontworpen dat hem in staat stelde ’s nachts op te staan om te schrijven, wanneer hij daar zin in kreeg, zonder het koud te krijgen — en soms zat hij nog te schrijven als het al licht werd.) Dan brak de zaterdag aan — en het “balspel”. Dit vond plaats in een schuur. En dan gebeurde het dat George Bernard Shaw aan één kant van het tennisnet stond naast J. W. N. Sullivan, de wiskundige, en Wells en bijvoorbeeld Arnold Bennett aan de andere kant, om tegen een rubberbal te meppen en hem na te rennen met genoeg energie om een oorlog te winnen en met een geschreeuw dat deed denken aan een Indianenfilm. Dit was Wells’ manier om in goede conditie te blijven, pret te hebben en plichtplegingen opzij te zetten.

Wells zei eens: “Het kan mij niet schelen of ik als koning word gekroond of in de goot verhonger — ik volg de leiding!” Met “leiding” bedoelde hij zijn overtuigingen. Deze standvastigheid was er de oorzaak van dat hij herhaaldelijk beschimpt en gehekeld werd. Zijn roman Ann Veronica liep vooruit op de vrije, ontwikkel­de, onafhankelijke moderne jonge vrouw, en dat in een tijd waarin dergelijke denkbeelden nog revolutionair waren. Die roman hielp de suffragettes in de strijd om het kiesrecht en gelijke rechten als de man die zij dank zij hem wonnen. Wells was in zekere zin een soort van mannelijke suffragette.

Een van zijn opvattingen die de meeste weerstand opriepen was zijn afkeer van de Britse monarchie. Hij wilde deze door een republiek vervangen. Wanneer hij maar kon, schreef en sprak hij over dat onderwerp met een openhartigheid en een woorden­rijkdom die negen tienden van de natie ergerden.
Wanneer hij zich geroepen voelde over de toekomst te schrijven, beschikte Wells over een meesterlijke welsprekendheid: “Het kan dus zijn dat dit avontuur tot in lengte van dagen zal duren en dat ons ras zal voortbestaan. De ondoordringbare wolken die ons leven aan alle kanten hebben omsloten, verbergen wellicht ontelbare beproevingen en gevaren, maar zelfs in hun diepe schaduw is de begrenzing niet absoluut; er zijn tijden en seizoenen, stemmin­gen van geestvervoering — als het ware momenten van openba­ring — waarin het ganse heelal om ons heen schijnt te stralen door de aanwezigheid van nu nog onvoorstelbare dingen.”

Enige jaren voor zijn dood, in 1946, schreef H.G. zijn eigen “in memoriam”, dat aldus begon: “H.G. Wells is gistermiddag in het Paddington-ziekenhuis ten gevolge van een hartverlamming overleden. Het belangwekkendste in Wells was dat hij weigerde de eenvoudige, maatschappelijke status te aanvaarden waartoe hij scheen voorbestemd, en voorts de onverzettelijkheid waarmee hij vasthield aan zijn rol van vrije burger in een nieuwe wereld die geleidelijk aan uit de ruïnes oprees.”

Het laatste beeld dat ik mij van hem herinner, is dat van een man die op en neer sprong voor het brede venster van zijn huis bij Regent’s Park. Hij was toen 79, een vermoeid man, die be­greep dat zijn einde naderde. (Hij stierf een jaar later.) Maar die avond scheen hij bijzonder uitgelaten. Londen onderging een hevige luchtaanval. Het afweergeschut was oorverdovend, zoek­lichten priemden in alle richtingen door de lucht en er kwam geen eind aan de overvliegende bommenwerpers. “Kijk!” riep hij. “Ik weet me geen raad van angst — maar is het niet geweldig op­windend?”

alle biografieën

740

VRIJESCHOOL – Zingen met kleuters

 

ZINGEN MET KLEUTERS

daar reden drie ridders langs de Rijn……..

Vroeger werd er veel meer gezongen dan tegenwoordig. Ook door volwasse­nen bijvoorbeeld bij ‘t werk, op fami­liefeesten, of tijdens de wandeling. Veel mensen generen zich om te zin­gen. Vraag maar eens in een groep mensen of iemand z’n stem wil laten horen. Als er een plaat wordt ge­draaid of de top 10 van de radio aan­staat, wil het nog wel lukken, maar al­leen, of met elkaar zomaar wat zingen, waarom ook eigenlijk?

Dikwijls klinkt ‘s morgens uit de kin­derkamer waar twee van onze kleuter­zonen slapen een vrolijk gezang. Eerst zijn het vaak
fantasiemelodieën, zingen ze zomaar zachtjes wat voor zich heen, ieder voor zich. Dan lang­zamerhand herken ik ook allerlei lied­jes, ‘t Kleintje van drie is er ook bijge­komen en samen wordt er van alles ge­zongen: Soms oefenen ze hele moei­lijke liedjes dan weer maken ze grap­jes door alle woorden van zo’n liedje met éénzelfde klank te laten begin­nen (bijvoorbeeld in plaats van lamme­tje, pammetje enz.) Zo zingen ze uit volle  borst hun morgengezang.

‘t Is fijn als je kinderen veel zingen vind ik. Het is voor mij een teken dat het goed met ze gaat. Samen met een paar andere moeders ben ik nu al een jaar of twee aan het werk om voor onszelf en vandaaruit ook voor de kinderen de feesten van het jaar te leren kennen, er meer aan te beleven en te proberen er vorm aan te geven. Eén van de houvasten daar­bij zijn de liedjes. Liedjes die elk feest helpen voorbereiden en weer laten uit­klinken. Ik begin al enkele weken voor de feestelijke dag (dagen) die liedjes te zingen die erbij horen, kunnen gaan horen. En na het feest zingen we de­zelfde liedjes nog een tijd, soms lan­ger, soms korter, dat hangt van het feest , maar ook van de kinderen af. (De St. -Nicolaasliedjes overtreffen daarin alle andere, tot in maart kwa­men ze af en toe boven!)
Nu ik alweer zo’n tijd op deze manier met liedjes bezig ben, merk ik dat het langzamerhand een soort stroom wordt waarin we terecht komen. Som­mige liedjes vallen af, andere nieuwe komen erbij, maar het golft van het één in het ander, als eb en vloed is het meer.

Pasen hebben we achter de rug met een liedje over eieren zoeken (uit: De Gouden Poort), maar ook het moeilij­ke lied van: ‘daar nu het feest van Pa­sen is’, waarbij de kinderen zo van het ‘halleluja’ genieten.

Ik houd me bij dit alles niet streng aan de pentatonische liedjes of liedjes in de kwintenstemming. Van de kwinten­stemming weet ik hoe die bij de kleu­terleeftijd hoort, maar het liedjes­repertoire dat je nu eenmaal hebt, is lang niet altijd aangepast aan de leeftijd van je kinderen. Daar moet je langzaam ingroeien. Dat kan je niet voor ze klaar hebben, zoals je een les kunt voorbereiden…’t Is met de opvoeding zó, dat je het, lijkt me, pas een beetje kunt als de kinderen groot zijn, nou , en dan zijn ze groot!
Zo komt het dat ik in een bepaalde situatie een liedje zing, dat me op dat moment invalt, van vrouw Holle (uit De Gouden Poort) als het sneeuwt, maar ook van de zwarte kraaien die het weiland neerstrijken op een regenmiddag, als we vanuit de kamer uitkijken over de wei met van die grauwe voortjagende wolken erboven. Dat kraaienliedje is nu echt zo’n liedje van de heren uit de vorige eeuw waar Henk Sweers over schreef in zijn artikel van Jonas 16. (niet op deze blog)

Het “t is kras, ‘t is kras, ‘t is kras kras kras’, dat in dit liedje voorkomt geeft zo prima de stemming van buiten weer, dat ik het daarom gewoon graag zing.
De kinderen vinden het prachtig. Maar daar gaat het juist om. Alles wat je als volwassene met enthousiasme kunt doen voor kinderen vinden ze fijn. Dat maakt daarom ook niet minder een groot   verantwoordelijkheidsgevoel noodzakelijk en het blijft nodig je te verdiepen in de ontwikkeling van je kinderen.

Maar het leven gaat gewoon door. Ik doe wel mijn best om mijn repertoire liedjes aan te passen aan de leeftijd van mijn kinderen, maar ik zing onder­tussen wat me invalt en wat ik leuk vind om mèt of vóór ze te zingen. Liedjes, maar vooral ook rijmpjes kunnen vaak zo prachtig benarde si­tuaties verlichten. Ze geven ruimte en opluchting. Ze kunnen werken als iets objectiefs tussen mijzelf en het kind. Als het lukt om het juiste rijmpje, of liedje op zo’n moment te vinden, kan het kind er iets van zichzelf en de si­tuatie in herkennen. Het laat hem vrij en maakt mij vrij van gevit of geïrriteerd zijn. We beleven er samen iets aan en kunnen dan samen weer verder. Ik moet zeggen dat dit een streven van mij is en lang niet altijd lukt! Soms kan ook voor een kleuter een duidelijk woord meer op zijn plaats zijn. Laatst, toen ik met een paar kinderen bij de schapen was, die net gelammerd hadden, nam ik zo’n klein paar dagen oud lammetje op schoot, zodat de kinderen hem rustig konden aaien, ter­wijl de moeder wat bokkig tegen mijn rug duwde.

Eén van hen zei toen: ‘zullen we heel zachtjes voor hem zingen?’ We zon­gen:

lammetje lammetje in de wei
kwispel met je staartje
dansen, springen o zo blij
ieder naar zijn aardje

Heel zachtjes zongen we, wij het diertje streelden. ‘Ik geloof dat hij het heel fijn vindt’ zei toen een ander kind. Ik beschrijf deze situatie niet
al­leen omdat ik er zelf zo van genoot, maar om te laten zien hoe zo’n een­voudig liedje voor een kind een vorm kan zijn voor het uiten, het mededelen van een gevoel. Dat te verwoorden is voor een kleuter vaak nog niet moge­lijk. Wèl wil hij zich uitdrukken en doet dat dan ook dikwijls door wild te gaan springen, of te schreeuwen. Soms kan dat ook best, maar soms verstoort het alles en zeker in dit geval waren alle lammetjes blatend achter hun moeders verdwenen.

Bij het pannenkoekenbakken hebben wij vaak veel plezier met het volgende rijmpje:

ale wale wanneke
moeder bakt koek in een panneke
moeder bakt koek van boekweitemeel
bruin van buiten, van binnen geel
heet is het vuurtje, dun is het deeg
‘t lepelke schept er het potteke leeg
‘sssissende-sis’, zegt het panneke
klaar is het koekske voor
‘t manneke

Zo’n rijmpje is veranderbaar en ge­makkelijk aan te passen aan de
situa­tie, bijvoorbeeld door boekweitemeel te vervangen door tarwemeel enz.

Wanneer wij uit de Betuwe komen en bij Rhenen de Rijnbrug overrijden, en dan aan de overkant de hoge Grebbeberg zien liggen, kunnen we het niet laten om het oude weverslied te zin­gen van:

daar reden drie ridders al over de Rijn,
zet aan (2x)
bij ene schoon’ jonkvrouw daar moesten ze zijn,
zet aan en trap neder, schiet door en sla weder,
zet aan (2x)*

Met kinderen reizen per auto: de één zit wat voor zich uit te staren, de ander heeft buikpijn, de derde vraagt maar steeds of we er nu nog niet zijn…
Door het zingen van een enkel liedje (best wel tien keer herhaalbaar) komt alle aandacht tezamen en is alle leed voor even verdwenen.

Vierentwintig juni is het St.- Jansfeest. Daarvoor vonden we een leuk volks­liedje van ‘Jezus en St.-Janneke’.

In de boekjes van Dien Kes, Jop Poll­man en Piet Tiggers, Kinderzang en Kinderspel, vond ik het later ook. Al­leen is de melodie daarin anders. In ‘De Gouden Poort’ staat een penta­tonisch liedje voor dit feest. We zingen dat ook. Ikzelf heb daar veel meer moeite mee. ‘t Spreekt me niet aan. En aan de kinderen merk ik dat. Wat ikzelf met plezier zing, nemen ze met plezier over. ‘t Omgekeerde is helaas ook waar.

Zo zingen we het jaar rond, rondom de feesten; in en om ons dagelijks doen en laten. Toch gebeurt het ook, dat het zingen wat op de achtergrond raakt, vergeet ik het een beetje en raak ik er soms helemaal uit. Dat werkt dan óók door naar de kinderen. In zo’n periode wordt het moeilijk want nu blijkt een liedje ineens niet meer te kunnen, zit het gewoon  verkeerd, klinkt het niet, past het niet. Het wordt dan tijd om moed te verzame­len om de stroom weer op gang te brengen. Daarbij rekening houdend dat dat niet in één dag kan. Maar wanneer het weer begint te ko­men is het zingen fijn in het samenle­ven met opgroeiende kinderen, geeft het vreugde en verlichting (maar ook pedagogische mogelijkheden als je ze ontdekt), die, zo beleef ik het, ik zo goed kan gebruiken in mijn dagelijks bestaan.

Als ik bij liedjes of rijmpjes geen bron vermeldde, dan was die mij onbekend. Zelf heb ik veel aan de kombinatie van de volgende boekjes: de Gouden Poort, Beatrijs Gradenwitz-van Bem-melen, uitg. Vrij Geestesleven. Spreuken en liedjes voor kinderen, uitg. Christofoor.

Drie deeltjes Kinderzang en Kinder­spel. Dien Kes, Jop Pollman, Piet Tiggers, uitg. De Toorts, Haarlem.

*ik heb de muziek hiervan (nog) niet kunnen vinden

Voor veel liedjes

(Fiona van Mansvelt, Jonas 18, 05-05-1978)
739