Maandelijks archief: mei 2015

VRIJESCHOOL – 6e, 7e en 8e klas – rekenen – rekenraadsels

 

.

Hieronder volgen rekenopgaven met een enigszins verrassend karakter.

Niet alle leerlingen zijn daarin geïnteresseerd, maar sommige wel en er zijn ogenblikken dat zij het heerlijk vinden om aan deze opgaven te werken; ook voor het ‘zeer begaafde’ kind kunnen ze een uitdaging betekenen.

.

[35]

Nadat je twee sommen hebt uitgerekend kun je de rest meteen op papier zetten. Hoe zit dat?

987654321 x 9 = ……..             89

987654321 x 18 =

987654321 x 27 =

987654321 x 36 =

987654321 x 45 =

987654321 x 54 =

987654321 x 63 =

987654321 x 72 =

987654321 x 81 =

oplossing:

het produkt van de eerste vermenigvuldging is: 8888888889; van de tweede:
17777777778

Het getal 9 heeft ons al meer interessante verrassingen gezorgd!

Dat de tafelrijgetallen nu ook nog eens vermenigvuldigd moeten worden met  987654321 is al heel bijzonder.

Het uitrekenen is een uitstekende mogelijkheid het vermenigvuldigen nog eens grondig te herhalen – met de tafels natuurlijk!

En een mooie aanleiding voor waarnemen: vergelijk de twee antwoorden. Wat zie je?
Bijv. de laatste 9 is een 8 geworden; de achten zijn zevens geworden, vooraan is er een 1 bijgekomen.

Zou je nu het derde antwoord kunnen voorspellen?
Het eindigt wellicht op 7 en ervoor -goed tellen – komen dan 9! zessen met een 1

26666666667. Dat moet natuurlijk gecontroleerd worden: vermenigvuldigend, maar ook kan het gemak van ‘vermenigvuldigen is herhaald optellen’nu zijn dienst bewijzen. Maar…hoe zat het ook al weer met ‘getallen precies onder elkaar?’

Immers:                17777777778
8888888889  +
———————–
is inderdaad         26666666667

Vermenigvuldigen is hier lastiger dan optellen.

Nu zijn de antwoorden snel gevonden:

35555555556; 44444444445.
Misschien is het nu tijd om het getal voor de leesbaarheid te schrijven met de punten:
44.444.444.445 en goed uit te spreken. Dat vergemakkelijkt meteen weer de ‘voorspelling’: 53.333.333.334; 62.222.222.223; 71.111.111.112; 80.000.000.001 en ten slotte: je zou willen voorspellen:  89.999……….., maar het is: 88. 888.888.890  (10 x het getal waarmee we steeds herhaald hebben opgeteld!)
Waaruit we de wijze les kunnen trekken dat voorspellen toch altijd gevolgd moet worden door controle!

 

 

 

 

[34]

horizontaal                                                                       verticaal

a) 43 x 35                                                               a) het produkt van 977 en 16

d) (44 x 25) – (35 x 25)                                        b)  24 x 43 – 25 x 18

g) 4 x 89 min het dubbele van 149                   c) getal, dat geschreven kan                                                                                                              worden als 33 x 181

h)  2 x (5 x 3 x 6 x 5  – 3)                                     d)  het dubbele van 2 x 8 x 9

1) 7 x 11 x 9 x 9                                                      e) 12 maal 247

k)  het product van 31 en 28                              f) 33 x 27 – 7 x 7 x 7

l)  15 x 18 plus het dubbele van 83                   j) het product van 69 en 5

n) getal dat geschreven kan worden als         m) 14 x 27 + 4 x 8 x 10 + 1
5 x 57
o) 14 maal 601
q) 26 x 104 + 56 x 19 – 500
p) 25 maal 31 min 31 x 22                                  r) product van 349 en 21

s) 15 x 17 + 3 x 79                                                 s) 22 x 13 – 3 x 3 x 3 x 3 x 3

t) 7 x 309                                                                t) 8 x 34 – 13 x 19

v) getal dat geschreven kan                               u) 5 x 47 ~ 2 x 83
worden als het product van 8 en 79                w) 21 x 36 – 4 x 181

x) 24 maal 24  min 3 x 3 x 3

y) 11 x 439


[33] DE APENROTS

Op een rots in een beroemde dierentuin zit een onbekend aantal krulstaartapen. Als er nu nog eens eenmaal, een halfmaal en een kwartmaal zoveel krulstaartapen komen aangeslingerd en ten slotte nog 1 oude krulstaartaap, dan krioelen er precies 100 apen op die rots.

Hoeveel krulstaartapen zaten er eerst op die rots?

Oplossing:

Je kunt schatten: 40 is te veel; 30 te weinig. Ergens tussen 30 en 40; een getal dat door 2 en 4 deelbaar is: 32 of 36. Uitproberen: 36.

Met algebra: 100 – 1 = X + X + ½X  +  ¼X = 2¾X         2¾X=99   X=36

 

[32] VEELVOUD VAN 7

Welk veelvoud van 7 kun je delen door 2, 3, 4 en 6, waarbij je er steeds 1 overhoudt?

En wat is dat veelvoud van 7 als ook de 5 meedoet?

Leerlingen vanaf klas 5, zeker 6 en 7 moeten in staat zijn deze vraag te beantwoorden.
De tafels moet je wel goed kennen.
Welke getallen hebben 2, 3, 4 en 6 allemaal in hun tafelrij.
12  (veelvoud zeven: 14) gaat niet op; 24 (28 gaat niet op);   36 (gaat niet op);  48:
(veelvoud 49) gevonden!

Je kunt verder zoeken of er nog meer mogelijkhedern zijn.

Wanneer de 5 erbij komt, zou je zo kunnen (moeten) redeneren: het kan geen even getal zijn, want dan blijft er bij 2 en/of 4 en 6 nooit 1 over; wanneer het op 3, 7 of 9 eindigt, blijft er, gedeeld door 5 altijd meer over dan 1; dus moet het getal wel op 1 eindigen.

Nu dus de 7-vouden zoeken die eindigen op 1: dan moet 7 steeds worden vermenigvuldigd met een getal dat op 3 eindigt: keer 3: 21-nee: deelbaar door 3; keer 13: 91? gedeeld door 4, nee 3 over; x 23: 161?  gedeeld door 3? nee, 2 over; x 33: 231 dan? gedeeld door 4, nee 3 over; x 43: 301: bingo!

 

[31] SIGAARTJE?

1 sigaar weegt 3 gram en een halve sigaar.

Hoeveel weegt anderhalve sigaar?

oplossing:
Als er sprake is van een halve sigaar, dan is er nog een helft. Die helft weegt hier 3 gram. De hele sigaar weegt dus 6 gram en anderhalve dan 9 gr

.

[30] EEN JUWEELTJE

Toen een Indiase prinses jaren geleden een kostbare steen kreeg, vond ze hem zo mooi dat ze een kunstenaar opdracht gaf deze te tekenen. Toen ze de tekening zag, ontdekte ze hoeveel driehoeken erin verborgen waren. Ziet u het ook?

rekenraadsel-17

Het zijn er 72

 

[29] HET WONDERPLANTJE

Een Chinees mandarijn plantte in zijn tuinvijver een wonderplantje, dat zich iedere dag verdubbelde. Zijn tuinvijver was na 30 dagen helemaal gevuld. De mandarijn keek vergenoegd naar het resultaat maar vroeg zich tóch af hoelang het geduurd zou hebben als hij met 4 wonderplantjes was begonnen in plaats van 1.

Ja, hoe lang?

Na de 1e dag heeft het plantje zich verdubbeld: er zijn er 2.
Na de 2e dag hebben deze plantjes zich verdubbeld: er zijn er 4.

Als de mandarijn met vier plantjes zou zijn begonnen, is het alsof hij 2 dagen later begint dan met 1 plantje. Het duurt bij 4 plantjes dus geen 30 dagen, maar 2 dagen minder: 28 dagen.

 

[28] HOEVEEL KOST ELK?

Een fles en een kurk kosten samen € 1,10.

De fles is precies € 1 duurder dan de kurk.

Hoeveel kost de fles; hoeveel kost de kurk.

Je kunt simpelweg redeneren: als de fles € 1 kost,  kost de kurk € 0,10; dan is het verschil € 0, 90. Het moet echter € 1  zijn. Je komt dus € 0,10 te kort. Wanneer je dit tekort over fles en kurk verdeelt, moet de een er € 0,10 : 2 = € o,o5 bijkrijgen: de fles kost dus € 1,05 en de kurk  € 0,05

Met algebra en de kennis van het optellen van negatieve getallen kan het ook:

F  +   K  =   110
F  –   K  =   100
————+
2F          =  210         →   F  =  105     →    K  =  5

 

[27] WELKE KLOK GEEFT DE JUISTE TIJD AAN?

In een kamer staan twee klokken: een oude Regulatorklok die 5 minuten per dag achterloopt en een kostbare staande klok uit 1898 die al maanden stilstaat.

Welke van beide klokken geeft, gerekend over een heel jaar, de meeste keren de juiste tijd?

De stilstaande klok geeft 2x per etmaal de juiste tijd aan. Uitgaande van 365 dagen betekent dit dat hij 730 keer de juiste tijd aangeeft.

De achterlopende klok geeft op de dag waarop de vergelijking start, laten we aannemen om 12u, de juiste tijd. In dat etmaal dus maar 1 x, want hij begint dan ook met achterlopen. Dit t.o.v. de andere klok laat al zien welke het vaakst de juiste tijd aangeeft: de klok die stilstaat.

Als je nog wil weten hoe vaak de achterlopende klok de juiste tijd aangeeft in dat jaar, weet je dat hij na 12 dagen van 5 min = 1 uur achterloopt. Pas na 11 x 12 dagen loopt hij weer even gelijk, dus na 132 dagen. En na 132 dagen weer. Nog eens 132 dagen zitten niet meer in dat jaar. Dus in dat jaar geeft hij maar, vanaf de start, 3 keer de juiste tijd aan.

 

[26]  WAT KOMT OP DE PLAATS VAN HET VRAAGTEKEN

 

14      ?       9

30     28    13

48     39    15

 

28  –   13 =   15                   30 =  2   x    15
39  –   15  =  24                  48 =  2   x    24

14  moet dus  2  x  een getal zijn:  dat getal is dan  7

Deze  7  moet het resultaat zijn van een aftrekking  met 9: dat is het getal 16

16

[25]  Kun je dit optellen?

rekenraadsel-15

Hier staan de getallen 1 t/m 9 – steeds gespiegeld tegen elkaar.

Het gaat dus om de getallen 11, 22, 33 enz. t/m 99.

De optelling daarvan is  495

.

[24] plaats de getallen

Plaats in de lege cirkels de getallen die ontbreken. Je kunt kiezen uit de getallen 1 t/ 16. Elk getal mag maar eenmaal worden gebruikt. De optelling van de zes lijnen moet steeds 34 zijn:

rekenraadsel 14

.

Hoe dichter je bij de 34 komt, des te minder getallen komen in aanmerking.

15  +  14 komen er het dichts bij. Te verdelen 5. Dat kan in 2  +  3   en 1  +  4. Er staat al een 3, dus blijft  1  +  4  over.

 

Kies je in   16  +  11  voor de 4, heb je nog een 4 nodig – dat mag niet; de lijn wordt dus 16  +  1  +  6  +  11   of    6  +  1

De lijn 15  +  6   +  14  komt al boven 34, dus daar kan de 6 niet; die lijn wordt dus:
16  +  1   +  6  +  11

De andere lijnen kunnen dan makkelijk worden gevonden:

15  +  1  +  4   14;
16  +  4   +  9  +  5;
14  +  9  +  8   +  3;
5  +  8  +  10  +  15;
15  +  6  +  10  +  3

 

[23-5rekenpuzzel

Vul het diagram zo in dat de cijfers 1 t/m 8   2 x voorkomen en dat de uitkomst van de horizontale, verticale en de 2 twee lange diagonale hokjes het totaal vormen dat in de gekleurde hokjes staat aangegeven.

rekenraadsel 13

 

Rij 1: som = 12; er moeten er 6 bij. Dat kan niet met 3  +  3 (er zijn al twee drieën), wat ook geldt voor 5 (+ 1).
Blijft over: 2  +  4

Dan proberen: 1e rij:  5    7    2    4

Dan 3e kolom: 2  +  5  +  8  +  3: dat gaat nog steeds

Dan diagonaal van linksboven naar rechtsonder: 5  +  4  +  8  + 1,

dan 4e kolom:  4  +  7  +  6  +  1

dan 2e rij: 2  +  4  +  5  +  7

3e rij: 3  +  1  +  8  +  6. dus 2e kolom: 7  +  4  +  1  +  6

dan 4e rij: 8  +  6  +  3  +  1 en bijgevolg de diagonaal van rechtsboven naar linksonder:  4    5    1    8 en de 1e kolom  5  2  3  8

Hiermee is aan de opdracht voldaan.

Uiteraard kunnen verschillende oplossingswegen worden bewandeld.

rekenraadsel 13a.

[23-4 ] 

Vul het diagram zo in dat de cijfers 1 t/m 8   2 x voorkomen en dat de uitkomst van de horizontale, verticale en de 2 twee lange diagonale hokjes het totaal vormen dat in de gekleurde hokjes staat aangegeven.

Rij 1 en 2 zijn eigenlijk gelijk. De som is 15, terwijl die 18 moet zijn. Over de 2 lege hokjes moet dus 3 worden verdeeld; dat kan alleen met 1  en   2.

Wanneer we ze ‘gewoon’ invullen, wordt de 1e kolom: 8 + 1  + 5  + 4

De diagonaal van rechtsboven naar links beneden wordt dan: 2 + 8  + 4  +  4; maar dat kan niet omdat er dan 3 vieren mee gaan doen, wat niet mag. Dus keren we op de bovenste rij 1 + 2  om in 2 +1. Maar dan krijgen de 3e rij en de 3e kolom een 5 en daarvan zijn er dan meer dan 2, wat niet mag.

Dus draaien we ook in de 2e rij 1  +  2  om.
De 1e kolom wordt dan: 8 + 2  +  5  + 3
In de diagonaal staat dan: 1 + 8 + 6 + 3 = 18

Met deze 6 wordt de 2e kolom: 7 + 1  + 6  +  4= 18
De 3e kolom wordt dan: 2 + 8  +  3  +  5= 18

De 3e rij wordt dan: 5  +  6  +  3  +  4= 18

De 4e rij: 3  +  4  +  5  +  6=18

De diagonaal van linksboven naar rechtsbeneden klopt dan ook en we hebben de cijfers 1 t/m 8  2x, conform de opdracht.

0-0-0-0-0

[23-3 ] 

Vul het diagram zo in dat de cijfers 1 t/m 8   2 x voorkomen en dat de uitkomst van de horizontale, verticale en de 2 twee lange diagonale hokjes het totaal vormen dat in de gekleurde hokjes staat aangegeven.

rekenraadsel 8

je kunt meteen vaststellen dat 1,  3,  4  niet meer meedoen.

de bovenste rij heeft 11; er ontbreken 7;

deze 7 kan niet bestaan uit 1 + 6; en 3 + 4; dan blijft alleen over 2 + 5;

verder: 2e kolom van links: er ontbreken 9:

deze 9 kan niet zijn 1 + 8;  3 + 6 en 4 + 5; dan blijft 2 + 7 over

verder: in de 3e rij moet samen 13 gevonden worden met 2 of 7: dan kan alleen 7 zijn: de 3e rij bestaat dus uit: 4    7   en 1: het andere getal is dus 6:

3 rij:    4     7    6    1

2e kolom van links is dan: 8  1   7  2

diagonaal van linksboven naar rechtsbeneden: 3   1   6    8

4e rij dan: 5   2   3   8

1e kolom van links dan: 3  6  4  5

diagonaal van linksonder naar rechtsboven dan: 5   7   4   2

1e rij dan: 3   8    2    5

4e kolom: 2   7   1    8

1e rij dan: 3   8   5   2

rekenraadsel 8a

0-0-0-0-0-0-0

[23-2]

Vul het diagram zo in dat de cijfers 1 t/m 8   2 x voorkomen en dat de uitkomst van de horizontale, verticale en de 2 twee lange diagonale hokjes het totaal vormen dat in de gekleurde hokjes staat aangegeven.

rekenraadsel 10

de 1e rij biedt nog geen oplossing: de 2 open plaatsen zijn samen 10  (18-8) en deze 10 kan bestaan in 2 + 8  en 5 + 5

de 2e rij: 2 plaatsen voor 11  (18 – 7) : 11 = 2 + 9, maar die 9 doet niet mee; 3 + 8: er zijn al 2  3-en; idem voor 4, dus blijft 5 + 6 over; dit geldt ook voor de 3e rij

wanneer ik in de 3e rij de 6 in de 3e kolom plaats, komt er in de bovenste rij naast de 1, ook een 1; dit betekent dat het dan nog ontbrekende cijfer in de bovenste rij 9 moet zijn, maar die doet niet mee, dus:

3e rij:    4   6    5    3

2e kolom: 1   4   6   7

3e kolom: 2   3   5   8

1e rij: 7   1   2   8

diagonaal rechtsboven-linksbeneden: 8   3   6   1

1e kolom: 7   6    4    1

2e rij: 6   4    3     5

4e kolom: 1  7    8    2

 

rekenraadsel 10a

0-0-0-0-0-0-0

[23-3]

rekenraadsel 11

oplossing:

1e rij: de twee lege hokjes zijn samen 18 – 6 = 12
12 kan zijn: 6 + 6; 7 + 5; 8 + 4                7 + 5 valt af: er zijn al 2 vijven.
Proberen we 6 + 6. Dan heeft de 4e kolom: 6 + 5 + 2 = 13. Om 18 te krijgen moet er 5 bij, maar dat kan niet meer.
Blijven de 8 en de 4.  Proberen we de 4. De laatste kolom heeft dan: 4 + 5 + 2 = 11; in het laatste hokje van de 4e kolom komt dan een 7. Dat is een mogelijkheid.
Proberen we de 8. De laatste kolom heeft dan: 8 + 5 + 2 = 15; in het laatste hokje van de 4e kolom moet dan een 3 komen, maar dat kan niet: er zijn er al 2; dus de 1e rij is:

1e rij:   1  5 8  4

4e kolom: 4 5 2 7

dan: 4e rij: 6 2 3 7

dan 1e kolom: 1 8 3 6

nu moet je nog een 1, 4, 6, 7 kwijt

In de 2e rij kan geen 7, want dan kom je boven de 18; die 7 moet dus in de 3e rij komen

Hij kan niet in de 3e kolom, want dan kom je ook boven de 18; de 7 komt dus in de 3e rij en de 2e kolom; dan:

3e rij: 3 7 6 2

dan 2e kolom: 5 4 7 2

dan 2e rij: 8 4 1 5

de diagonalen kloppen zo ook: klaar!

rekenraadsel 11a

0-0-0-0-0-0-0

[22]  wat is het vraagteken

Vanaf klas 3, 4 moet deze opgave te doen zijn

rekenraadsel 9

3 gelijke plompenbladeren samen 30:

1 blad = 10

+ 2 gelijke paarden = 18:              2 gelijke paarden 8:

1 paard = 4

4 – 2 klompen = 2:                         2 klompen = 2:

1 klomp = 1

Som:

20   + 1  + 4  = 25

[21] kraak de code

Deze opgave zal ook een 4e-klasser kunnen oplossen.

rekenraadsel 7

 

De optellingen geven (te) veel mogelijkheden; de vermenigvuldiging biedt zekerheid:

D= 4 of 5
B= 4 of 5

met dit gegeven kan in D + E      D alleen 5 zijn: er zit geen 7 in de button!

dan is B 4; E is 6

E=6, dan A=1

dan C=0

dan F=6

dus:  A=1   C=0     D=5     E=6      F=6  

 

0-0-0

 

oplossing:

het blijkt steeds dat de vermenigvuldiging sneller tot een antwoord leidt dan bijv. een optelling.

E  x  B  = 3:  E = 1 of 3; B = 1 of 3

De anderre vermenigvuldiging helpt niet mee: C  x  F = 0, kan alles zijn, waarbij C = 0   of  F = 0

Omdat C  +  B  = 4 en B hooguit 3 kan zijn, kan C nooit 0 zijn, dus is F   0.

In  A  +  F = 6    is A  dus  6

In  A  +  D  = 10   is D dan  4

In  D  +  E  =  7  is E  dan 3

Dan  B =   1

In  C  +  B  = 4  is  C  dan  3

A = 6;  B = 1;  C =3; D= 4; E= 3; F=0 

0-0-0

rekenraadsel-16a

 

 

 

 

 

kraak de code: vind de waarde van de letters.

Oplossing:

Een vermenigvuldiging beperkt het aantal mogelijkheden. A en E kunnen alleen 2 en 6 of 3 en 4 zijn.
D + B = 7 heeft als gevolg dat D geen 0 kan zijn, dus A kan geen 6 zijn. E kan dan geen 2 zijn. A kan wel 2 zijn, 3 of 4.
Stel A = 3; dan is E 4; D 3 in A + D; en B= 4 in D + B; dan is F 3 in F+ B; C = 2 in F + C; maar met de gevonden getallen is C + E 6 i.p.v. 7; dus A kan geen 3 zijn.

Ook als je A = 4 neemt, loop je vast. Dus A moet wel 2 zijn:
E=6; C is dan 1; F= 4; B = 3; D = 4 dus:

A = 2; B = 3; C = 1; D = 4; E = 6; F = 4

0-0-0

[20] Vul in:

Geen gemakkelijke opgave.
In klas 7 en hoger zou het moeten gaan lukken.

Uitrekenen en invullen. Let goed  op de scheidingsstreepjes !

rekenraadsel 5

 

HORIZONTAAL

51 X 47 + 150
6 X 710 + 2
143 X 129 + 76092
23 X 9521
4X (63 + 84) – 2654
1812 – 228
73 X 51 + 1751
(186 + 149) X (98 + 183) + 401
345 X 52
23 X 33 X 251
(26– 2) + 71 111
3 X (5124 + 6499)
53 X (450 – 1)
20 X 70 – 43
2X 3 X  172

VERTIKAAL

87 X 239 + 16744
252 + 6
2 X 3 X 1421
(47 + 112) X (312-129) -1504
163 X 4 + 30
78 X 98 + 478
(983 – 718) X (38 + 225) + 1842
2422 + 359
154 + 13018
22 X 3 X (2147 + 3230)
3 X 38 X 40 -9
24 X 2477
345 X 52 + 1
575 X 85 + 62
79 X 83- 135
5 X 113

 OPLOSSING:

51 X 47 + 150=2547 (RIJ 15)
6 X 710 + 2=4262 (RIJ 14)
143 X 129 + 76092=94539 (RIJ 13)
23 X 9521=76168 (RIJ 12)
4X (63 + 84) – 2654)=14594 (RIJ 11)
1812 – 228=32533 (RIJ 10)
73 X 51 + 1751=5471 (RIJ 9)
(186 + 149) X (98 + 183) + 401=94536 (RIJ 8)
345 X 52=8625 (RIJ 7)
23 X 33 X 251=54216 (RIJ 6)
(26– 2) + 71 111=71173 (RIJ 5)
3 X (5124 + 6499)=34869 (RIJ 4)
53 X (450 – 1)=56125 (RIJ 3)
20 X 70 – 43=1357  (RIJ 2)
2X 3 X 172 =3468  (RIJ 1)

 

VERTIKAAL

87 X 239 + 16744=37537 (KOLOM 1)
252 + 6=631 (KOLOM 3)
2 X 3 X 1421=8526 (KOLOM 4)
(47 + 112) X (312-129) -1504=27593 (KOLOM 5)
163 X 4 + 30=16414 (KOLOM 2)
78 X 98 + 478=8122 (KOLOM 3)
(983 – 718) X (38 + 225) + 1842=71537 (KOLOM 4)
2422 + 359=58923 (KOLOM 1)
154 + 13018=63643 (KOLOM 5)
22 X 3 X (2147 + 3230)=64524 (KOLOM 2)
3 X 38 X 40 -9=4551 (KOLOM 3)
24 X 2477=39632 (KOLOM 4)
345 X 52 + 1=17941 (KOLOM 1)
575 X 85 + 62=48937 (KOLOM 5)
79 X 83- 135=6422 (KOLOM 2)
5 X 113=565 (KOLOM 3)

 

rekenraadsel 6

[19] Zoek het getalwoord onder de pijl

 

rekenraadsel 4

 

Vul alle 21 woorden in.

Eén woord is al ingevuld.

Daaraan kun je zien hoe het moet.

Als alle woorden goed zijn, krijg je een nieuw woord. Dat woord kun je lezen van boven naar beneden.

Het begint bij de pijl.

  1. Het dubbele van 9.
  2. Zoveel eurocent is een euro waard.
  3. Zeg de tafel van 3 op: 3, 6, 9, 12, enz. Tot 30. Eén van deze getallen moet je hier invullen.
  4. Hoeveel is het verschil tussen 6215 en  6218?
  5. Een getal onder de 60. Je kunt het getal delen door 7.
  6. Een getal tussen 20 en 50.
  7. Sommige maanden hebben zoveel dagen.
  8. Als ze zo oud zijn houden de meeste mensen op met werken.
  9. Aantal vingers aan twee handen
  10. Zoveel dagen heeft een week.
  11. Dit noemen ze wel eens het gekkengetal.
  12. Een héél klein getal,
  13. Het verschil tussen 2639 en 2643.
  14. Wat betekent de 1 in het getal 1975?
  15. Twee keer 35.
  16. Zoveel oren heb je.
  17. De helft van het getal dat je bij nummer 16 opgeschreven hebt
  18. Dit getal noemen ze wel eens het ongeluksgetal.
  19. Een getal tussen 1 en 20
  20. Dit getal onder de 30 kun je delen door 5 en door 4.
  21. De helft van 100.

z

oplossing:                       HONDERDZEVENENVEERTIG

 

[18] Wat is de waarde van de letters?

Maak deze som en zoek uit welke cijfers er op de plaats van de letters moeten staan:

 

   A B
2  C          X
A 4 3
5 D 0
B 8 E

oplossing:

C   x   B  moet op 3 eindigen: dat kan alleen met 1 x 3  of  3  x  1   en  7  x  9  of   9  x  7.

1  en 3  vallen af, immers: dan zou er geen cijfer kunnen staan voor A   in A43.

Dus C is  7  of  9 en de 3 komt van 63.

D opgeteld bij 4 = 8. Dat betekent dat D =4

D= ook 2 x B, dus B  die 7 of 9 is, moet 2x genomen, als eindcijfer een 4 hebben. Dat kan alleen 7 zijn.  B=7 en C=9

Het eindantwoord is dus:  7 8 3. Daaruit lees je af dat A =2.

   2 7
2 9  x
2 4 3
5 4 0
7 8 3

 

 

 

[17] Wat is de som van de getallen 1 t/m 100.

Ik kwam bv. deze tegen:

Een trap telt 100 treden. Op de eerste trede staat een duif; op de tweede 2 en op de derde 3, enz. op elke tree 1 meer, tot de honderdste.

Hoeveel duiven zijn dat in totaal.

Oplossing:

Alcuinus lost dit vraagstuk op dezelfde manier op als Gauss, die als kleine jongen op school alle hele getallen van 1 tot en met 100 razendsnel bij elkaar wist op te tellen. Alcuinus legt uit: ‘Neem degene die op de eerste trede zit, en voeg deze bij de 99 die op de 99ste trede zitten, en dat is bij elkaar 100. Zo ook de tweede en de 98ste, en kom wederom op 100 uit. Zo zal er voor elke trede….steeds bij elkaar 100 gevonden worden. De vijftigste trede staat op zichzelf, omdat hij geen partner heeft, en de honderdste is evenzo alleen. Tel alles bij elkaar op  en krijg 5050.

De vraagstelling van de som sluit uit dat er op de 100ste trede ook duiven zitten (wat in het antwoord terugkomt, maar wordt toch meegeteld bij het eindantwoord, dat volgens mij dus 4950 had moeten zijn.

Ik heb de opgave dan ook aan de kinderen gesteld mét de 100 erbij. Dan krijg je 50 paren van 101: 5050.
Ik had het voorbereid met het optellen van de getallen 1 t/m 10. Dat zijn 5 paren van 11, dus 55.

Kinderen kunnen dan de smaak te pakken krijgen en zullen ontdekken dat het steeds om de paren gaat en dat je de helft moet nemen van het laatste getal in de opgave:

Tel op: 1 t/m 26 = 26:2 = 13 paren van 1 + 26 = 27.

13 x 27 = 10 x = 270 + 3x = 81 = 351.

Is het getal oneven: t/m 27, dan neem je 26: =351, waarbij de 27 dan nog moet worden opgeteld: 378

Maar ook 1 t/m 100.000 is in no time gedaan:

50.000 x 100.001 = 50.000 x 100.000 = 5.000.000.000 + 50.000 =

5.000.050.000  (uitspraak!)

Stel nu eens dat je alle getallen onder elkaar zou moeten opschrijven. Als je klokt hoe lang je erover doet om 1 t/m 10 onder elkaar te zetten en 99.990 t/m 100.000, blijkt dat je daar resp. 7 en 38 sec. over doet= 45 sec. per 2 blokjes van 10 cijfers.
In 100.000 zitten 5.000 van 2 blokjes van 10 cijfers, die voor het opschrijven dus 5.000 x 45 sec. vragen.
Dat is 225.000 sec. ofwel : (60 min x 60 sec=3600 sec)=62, 5 u.
Stel dat je per dag 7 uur achterelkaar schrijft, dan ben je dus ca. 9 dagen bezig met opschrijven alleen al.
Over het optellen van 1 t/m 10 doe je 10 sec. Over 99.990 t/m 100.000 40 sec. Samen 50. Dat zijn dus ca. 10 dagen.
Dus 19 dagen heb je nodig om deze som op een ‘fysieke’ manier op te lossen; een halve minuut met je denkend vermogen.
Over de kracht van de geest gesproken!

[16] Kun je met 4 vieren de getallen 1 t/m 10 maken?

Wanneer de leerlingen alle rekenbewerkingen kennen ( 8e klas), is er met een combinatie van deze bewerkingen het antwoord te vinden op bovenstaande vraag:

Deze opgave kun je op velerlei manieren stellen:

 

rekenraadsel 3- 0004

er zijn nog meer mogelijkheden!

[15] Een plantje dat zich verdubbelt

Een mandarijn plantte in zijn tuin een wonderplantje dat zich iedere dag verdubbelde. Zijn tuin was na dertig dagen helemaal gevuld. Hij vroeg zich af hoe lang het geduurd zou hebben wanneer hij met vier plantjes begonnen zou zijn.

Dat ene plantje verdubbelt zich 1 dag later: dan zijn er dus 2.
Nog een dag later – dus na twee dagen – zijn er 4.
We weten dat het vol groeien 30 dagen duurt. Met 4 plantjes beginnen neemt dus 30 – 2 = 28 dagen in beslag.

[14] Met de bus naar Bussum

Deze opgave is niet moeilijk, maar je moet wel in staat zijn om vanuit de taal te begrijpen wat er gebeurt.

Twee vertegenwoordigers (twee vrienden enz) gaan met de bus naar Bussum. Slepend met hun zware koffers, gevuld met handelswaar, stappen ze één voor één de bus in. Na een kwartier vertrekt de bus om 3 uur later in Bussum aan te komen. Hoe laat is het dan?

Eén voor één is dus 1 minuut voor 1 uur. + 15 min + 3 uur.

Aankomst: 14 0ver 4.

Bij raadsels komen ook altijd de onvermijdelijke ‘het is rood en het zit in de boom’ raadsels; de meeste zijn niet echt humoristisch.

Maar af en toe komen de kinderen echt wel met humor, zoals deze (n.a.v. de bovenstaande)

Om één uur gaat er een olifant op een hek zitten. Hoe laat is het een minuut later.

Tijd voor een nieuw hek!

[13] Het raadsel van Henegouwen

Het lezen van een opgave vraagt een kritische instelling. Kan het, wat wordt gevraagd. Staan er gegevens in die niet ter zake doen.

Op de weg naar Henegouwen
Kwam ik een man tegen met zeven vrouwen
Iedere vrouw had zeven zakken
Elke zak had zeven katten.
Elke kat had zeven poesjes;
Poesjes, katten, zakken, vrouwen,
Hoeveel gingen er naar Henegouwen?

Oplossing: één, alle anderen kwamen juist uit de richting van Henegouwen!

[12] Variant op 11

Het lezen van een opgave vraagt een kritische instelling. Kan het, wat wordt gevraagd. Staan er gegevens in die niet ter zake doen.

In iedere hoek van een 3 x 3 meter grote kamer zit een grijze kat met witte vlekjes. Bovendien zit op de staart van elke kat een kat. Hoeveel van deze poezen telt u in die kamer? En als die kamer 5 x 5 meter groot is?

Het moge al snel duidelijk zijn dat de kleur van de kat een overbodige mededeling is. Ook de grootte van de kamer is niet van belang. Het gaat dus om te beginnen om 4 katten. Maar als op de staart van iedere kat een kat zit, kun je eindeloos doorgaan. D.w.z. rekenkundig komt er geen eind. Praktisch wel: zo’n kamer is op een bepaald moment vol.
Dus in deze richting loop je vast.

Dan kan het niet anders of iedere kat zit op zijn eigen staart.
Antwoord: 4 poezen.

[11] ‘S WERELDS OUDSTE PUZZEL

1. Er zijn zeven huizen en in elk huis bevinden zich zeven katten. Elke kat doodt zeven muizen en elke muis zou zeven aren spelt opgegeten hebben. Elke aar spelt zou zeven hekaten graan opgeleverd hebben. Hoeveel zijn dat er allemaal bij elkaar?

Een hekat is een inhoudsmaat van de oude Egyptenaren, ongeveer 4,8 liter.

Deze puzzel, hier vrij vertaald weergegeven, is vraagstuk 79 in de Rhind-papyrus, onze vruchtbaarste bron van de oud-Egyptische wiskunde, zo genoemd naar de Schotse Egyptoloog A. Henry Rhind, die hem in 1858 in Luxor kocht.

De Rhind-papyrus heeft de vorm van een rol van ongeveer vijfeneenhalve meter lang en drieëndertig centimeter breed, aan beide kanten beschreven. Hij stamt uit ongeveer 1650 voor Christus. De schrijver heette Ahmes, en hij verklaart dat het geschrevene een kopie is van een werk dat twee eeuwen ouder is, zodat het origineel van de Rhind-papyrus in dezelfde periode op schrift gesteld werd als een andere beroemde bron van de Egyptische wiskunde, de papyrus van Moskou, die uit 1850 voor Christus stamt.

Oplossing: 7 +  49  +  343  +  2401  +  16807  =  19607

[10] Getallen 1 t/m 9 samen 100
Je hebt de cijfers 1 tot en met 9. Je mag ze alle 1x gebruiken.
De bewerking is gemengd (optellen/delen/vermenigvuldigen/aftrekken: ze hoeven niet alle 4 voor te komen)
De uitkomst is 100

8  x  9  + 1 + 2 + 3 + 4 + 5 + 6 + 7   = 100

[9] Maak de cijfers rond
Een zeshoek met op elke zijde 2 rond­jes. Totaal dus 12 (geen 18!) rondjes waarin je de cijfers van 1 tot en met 12 moet plaatsen. Zódanig, dat je per zijde telkens aan een gelijk totaal komt. Dus tel je per zijde de cijfers op, dan kom je steeds aan dezelfde uitkomst.

getallenraadsels 1 - 0004

Oplossing:

getallenraadsels 4 - 0002 - 0005

[8] Magisch vierkant
Vul dit vierkant aan. In dit vierkant zijn 3 hokjes van een getal voorzien. Er blijven 6 lege vakjes over. Vul nu die hokjes zo in, dat je bij het optellen van de rijen steeds dezelfde som krijgt. Zowel horizontaal als verticaal en diagonaal.

magisch vierkant - 0002

Als er geen verdere gegevens verstrekt worden, is het best lastig. Maar, als je ooit eerder met magische vierkanten hebt gewerkt, weet je dat de som van de hier gegeven kolom 15 is, dan moeten de sommen van de rijen en de diagonalen dat ook zijn.  Om het makkelijker te maken kun je zeggen dat het alleen om de getallen 3, 4, 5, 6, en 7 gaat.

De oplossing:
6½   4   4½

3       5     7

5½  6    3½

[7] Het getal 31
Elk getal heeft iets bijzonders.
Neem 31.
Speciaal is bijvoorbeeld dat je het kunt schrijven met enkel tweeën. Je moet dan weten dat 21 hetzelfde is als 1 x 2, dat 22 hetzelfde is als 2 x 2, dat 23 het­zelfde als 2 x 2 x 2 en zo verder. Oh ja, en 2° is 1.
Kijk, met die manier van schrij­ven (die veel wordt gebruikt in
compu­tertalen) is 31 = 2°+ 21+22+23+24.
Maar misschien hou je nog steeds voor­al van 3?
Ook dan is 31 een fijn getal. Je kunt het schrijven als 3/3+(3x3x3)+3. En had je algezien dat 31 een priemgetal is – een getal dat enkel deelbaar is door zichzelf en door 1? Ook daarmee kun je goochelen. Tel bijvoorbeeld de eerste 31 oneven priemgetallen bij el­kaar op (2, het enige even priemgetal, doet dus niet mee). De uitkomst heeft dan weer met 31 te maken. Kijk maar: 3+5+7+11++83+87+ 89 = 31×31 = 312. Maar het leukste is dat 31 jaar bijna 1 miljard seconde duurt. Preciezer: iemand die 31 jaar, 251 dagen, 13 uur en ruim 11 minuten leeft, viert zijn 1 miljardste seconde op aarde.
Poeh, hoe 
groot zou een taart met een miljard kaarsjes wel niet moeten zijn?
Misschien is het makkelijker zo voor te stellen. Stel dat iemand vanaf de geboorte van een kind elke seconde een korrel rijst in een schuur laat vallen.

Zo’n korreltje weegt maar 20 milligram, maar ja, een miljard korreltjes samen hebben een heleboel gewicht. Hoeveel gewicht? 20.000 kilo!

Daarmee kun je een grote verjaardagsrijstmaaltijd houden! Per persoon moet je ongeveer 50 gram droge rijst rekenen, dus met 20.000 kilo rijst zou je 400.000 mensen te eten kunnen vragen, bijna een half miljoen! Tenminste, als je geld genoeg hebt voor vlees, saus
en kroepoek erbij, natuurlijk.

[6] Goochelen met (priem)getallen
Vandaag is het zaterdag. Het is mei. De hoeveelste dag in mei? Nou, 1 x 2 x 3 x 4 mei.  Of misschien houd je wel erg van het ge­tal 3. Dan is het vandaag (3 x 3 x 3) -3 mei.
Wil je verschillende oneven getallen ge­bruiken? Dan is het vandaag 3+5+7+9 mei. En werk je graag met kwadraten (een getal maal zichzelf)? Dan is het vandaag (7 x 7) – ( 5 x 5 ) mei. De mooiste manier om 24 (want dat is het dus) te vinden, is met zulke kwadra­ten. Beter: met kwadraten van priemge­tallen – getallen die je alleen kunt delen door zichzelf en door 1. Het gaat zo: Kies een priemgetal groter of gelijk aan 5, het maakt niet uit welk. Vermenigvuldig dat priemgetal met zichzelf (neem het kwadraat dus) en haal van het resultaat 1 af. De uitkomst is altijd een veelvoud van 24. Echt? Ja, neem 5 zelf. Daarvoor geeft dit recept: ( 5 x 5 ) 4 = 24. Inderdaad, dat is 1 x 24. Of neem 7. Dat geeft ( 7 x 7) 4 = 48, en kijk, dat is 2 x 24. En met veel grotere priemgetallen werkt het net zo goed. Neem 307: ( 307 x 307 ) 4 = 94248, en ja hoor, dat is 3927 x 24. Het is zelfs nog mooier. In plaats van 1 kun je gewoon het kwadraat nemen van een ander priemgetal – zolang dat klei­ner is dan het eerste priemgetal dat je koos, en zolang ze allebei groter of ge­lijk aan 5 zijn.

Een goed voorbeeld is het paar 7 en 5. Dat geeft ( 7 x 7 ) – ( 5 x 5 ) = 24. Of neem 13 en 11. Dat geeft  (13 x 13 )-  (11 x 11 ) = 48, en hup, dat is 2 x 24.

Grote priemgetallen? Maakt niet uit. Neem 307 en 293. Dat geeft ( 307 x 307 ) – ( 293 x 293 ) = 8400, en voila, dat is 350 x 24. Kijk, dat is toch een mooi mysterie!

Wie het raadsel voor het geval van een priemgetal en 1 wil ‘oplossen’: bedenk dat elk priemgetal groter of gelijk aan 5 te schrijven is als
(6xn +1 ) of als  (6xn – 1), met n een heel getal zoals 2,3,4….)

Deze opgaven stonden ooit in de zaterdagbijlage van de NRC

Of dit helemaal klopt?  6 x n=11   = 66 – 1 = 65, maar dit is geen priemgetal!
Bij de + 1 gaat het steeds op.

———

[5] Getallenwonder
Wanneer de leerlingen niet weten wat er gebeurt, is zo’n som verrassend en raadselachtig.

Je zegt: neem een getal van 3 cijfers – niet dezelfde en geen 0.

821.  Draai dit om. 128. Trek het kleinste van het grootste af. 693. Draai dit om.
396 en tel het op de uitkomst van de aftrekking: 693: altijd 1089! en bij iedereen.

Zou er na na de eerste aftrekking een getal van 2 cijfers overblijven, dan moet daarvoor een 0 geplaatst worden:

918, omgekeerd: 819. Kleinste van grootste: 99. 0 ervoor: 099. Draai dit om,
990 en tel de uitkomst van de aftrekking erbij op: 99. Uitkomst: 1089

Laat de leerlingen wat oefenen, tot ze het door hebben en nu kunnen zij bij anderen de rekenlof oogsten.

———

[4] Optelling
De getallen 0 t/m 9 mogen 1x worden gebruikt op deze punten:

  –    –    –
–    –    –      +
______________
–    –    –    –

De optelling moet kloppen:
289
764
1053

——-

[3] Emmer vullen
Een boer verkoopt losse melk, maar heeft alleen meerdere lege emmers van 3 en 5 liter staan. Iemand wil 4 liter melk. Hoe moet de boer die bepalen.

Hij vult eerst een emmer van 3 liter en gooit deze over in een emmer van 5. Vervolgens vult hij de emmer van 3 liter weer af en giet deze in de emmer van 5, tot hij vol is. Er blijft 1 liter in de emmer van 3 over. Hij pakt een andere lege emmer van 5 en giet daar de overgebleven liter in; vervolgens vult hij de 3 literemmer weer en giet deze bij de andere liter in de 5-literemmer: samen 4.

——–

[2] Kansberekening
In een zak zitten meer dan 20 ballen die 6 verschillende kleuren hebben.
Na hoeveel keer pakken weet je zeker dat je 4 dezelfde kleuren hebt.

Stel dat je 6x pakt en elke kleur 1x. Zou dat 3x = 18 ballen – gebeuren, heb je alle kleuren 3 x. De 19e keer is dus een kleur waarvan je er al 3 hebt.

——–

[1] Erfenis met paarden
Een oude wijze rechter moet de nalatenschap van een rijke boer verdelen over diens 4 zonen. Deze nalatenschap omvat 39 paarden. Volgens een wet moet de oudste de helft, de tweede een kwart, de derde een achtste en de vierde een tiende deel ontvangen. Uiteraard mag er geen paard gedood worden.
De rechter weet het niet. Dan komt er een vreemdeling die hem de oplossing biedt. Die vreemdeling vertrekt daarna zoals hij gekomen is: te paard.

De vreemdeling stelt zijn paard ter beschikking aan de rechter en nu heeft deze rechter er 40.
De oudste zoon de helft: 20. De tweede een kwart: 10. De derde een achtste: 5 en de vierde een tiende: 4.     20 + 10 + 5 + 4 = 39!. De vreemdeling krijgt zijn eigen paard terug.

———

breinbrekers
gewone raadsels

803

VRIJESCHOOL – Kleuterklas – vingerspelletjes (1-1)

.

VINGERSPELLETJES

Ze zijn van oudsher dè spelletjes om een klein kind zinvolle bewegingen te laten maken bij een tekst. Deze kennen de kinderen in zeer korte tijd uit het hoofd en op deze manier wordt hun woordenschat sterk uitgebreid.

Uit steeds meer onderzoeken blijkt er een wezenlijke samenhang te bestaan tussen de bewegingen die met name door de handen worden gemaakt en de ontwikkeling van bepaalde hersengedeelten.

Rudolf Steiner maakte er in een aantal pedagogische voordrachten al melding van dat handen(arbeid) de hersenen positief vormt.

Daarover meer in het artikel ‘handen en intelligentie’.

Ook in de 1e klas vinden kinderen vingerspelletjes nog leuk om te doen. Natuurlijk niet meer, die ze in de kleuterklas deden: ze zijn nu 1e-klasser!

Voor de peuters en kleuters:

Spinnetje
Een spinnetje, een spinnetje
die zoekt een klein vriendinnetje
het kriebelt hier, het kriebelt daar
ach, had ik mijn klein vriendinnetje maar…

dan de andere hand die rondkriebelt en precies hetzelfde zegt – dan vinden ze elkaar en zeggen:

twee spinnetjes, twee spinnetjes
zijn samen vriendinnetjes
ze kriebelen hier – ze kriebelen daar
en ze zijn altijd bij elkaar

Sijmen Smid

voetenspelletje – met zware stem:

Sijmen Smid hoor mij aan (aai onder rechter voet)
kun jij mij mijn paard beslaan? (aai onder linkervoet)
Wèl, wèl baas, op mijn gemak (met een andere stem)
‘k Ben een goed smid van ’t vak.

Hier zijn ’t ijzer, hamer, spijkers
klop, klop, klop – zie je goed (nu steeds om beurten op de voeten                                                                   kloppen)
hoe Sijmen Smid dat smeden doet?  (bij het laatste woord worden de                                                                         voetjes tegen elkaar gelegd)

Geen vingerspel, maar een bewegingspel met het hele lijf:

Het spel van de 4 winden:

We beginnen:

In een grot hier ver vandaan,
daar wonen de vier winden
ze wonen in een diepe grot,
die niemand weet te vinden

Een kleuter ‘waait’ tussen de kleuters door en zegt:
‘Ik ben de oostenwind
Ik vlieg over velden en huizen’.

Een ander kind:
‘Ik ben de westenwind
ik zwiep de golven op en laat ze stromend briesen’.

Weer een ander kind ‘waait’ en zegt:
‘Ik ben de zuidenwind
die van een briesje houdt’.

Het laatste kind:
‘Ik ben de noordenwind
en blaas zo guur en hard.’

Dan samen:
‘Zo waaien de winden de wereld om
De winden, de 4 grote winden’.
.

bron onbekend
..

vingerspelletjes (1-2)

peuter en kleuters: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: kleuters: alle beelden

 

817

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 311 – voordracht 1

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom): pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

alle pedagogische voordrachten

GA 311: vertaling
inhoudsopgave
voordracht  [2]   [3]   [4]   [5]   [6]   [7vragenbeantwoording

RUDOLF STEINER

DE KUNST VAN HET OPVOEDEN VANUIT HET BESEF: WAT IS DE MENS

1) 7 voordrachten gehouden in Torquay van 12 tot 20 augustus 1924, met beantwoording van vragen. Dornach 1979

Inhoudsopgave 1e voordracht 12 augustus 1924:
Karakteristiek van de huidige situatie m.b.t. de opvoeding.
Noodzaak van een echte menskunde.
Incarnatie, erfelijkheid en individualiteit, vanuit de realiteit bekeken.
Het wezen van het kind vóór de tandenwisseling.
Veranderingen bij de tandenwisseling.
Opgaven van de opvoeding in de verschillende ontwikkelingsfasen.

1e VOORDRACHT, Torquay, 12 augustus 1924

blz. 9:

Meine lieben Freunde! Es gereicht mir wirklich zur tiefsten Befriedigung, daß Sie hier in England nun so weit sind, um an die Begrün­dung einer Schule im anthroposophischen Sinne denken zu können. Es bedeutet dies ja in Wirklichkeit einen außerordentlichen, tiefen Einschnitt in die Geschichte des Erziehungswesens. Spricht man einen solchen Satz aus, so ist es ja sehr leicht, daß man für das Aussprechen eines solchen Satzes der Unbescheidenheit geziehen wird. Aber es liegt bei allem, was aus anthroposophischen Untergründen für die Erziehungs- und Unterrichtskunst hervorgehen soll, auch wirklich heute etwas eigentümliches zugrunde. Und ich möchte es mit aller-größter Freude begrüßen, daß der erste Stamm eines Lehrerkolle­giums hier sich wirklich bereitgefunden hat, aus dem Innersten der Seele heraus anzuerkennen, daß bei dem, was wir anthroposophische Pädagogik nennen, etwas Besonderes zugrunde liegt. Wir sprechen, wenn wir von anthroposophischer Pädagogik reden, wirklich nicht aus einem fanatischen Reformgedanken heraus von der Notwendig­keit einer Erneuerung des Erziehungswesens, sondern wir sprechen aus der Empfindung und dem Erleben der Kulturentwickelung der Menschheit heraus.

Beste vrienden! Het vervult mij werkelijk met de diepste bevrediging dat u hier in Engeland nu zo ver bent om aan de oprichting van een school te denken vanuit de antroposofie. Dat betekent in werkelijkheid een buitengewone, ingrijpende gebeurtenis in de geschiedenis van het onderwijs. Wanneer je zo’n zin uitspreekt, ligt het voor de hand, dat je ervan beschuldigd wordt, onbescheiden te zijn. Echter, aan alles wat uit de antroposofische achtergronden voor de opvoed- en onderwijskunst moet komen, ligt heden ten dage ook daadwerkelijk iets kenmerkends ten grondslag. En ik heet het werkelijk met de allergrootste vreugde welkom, dat de eerste vaste groep leerkrachten zich hier daadwerkelijk bereid toont vanuit het diepste gevoel te onderschrijven dat aan wat wij antroposofische pedagogie noemen, iets bijzonders ten grondslag ligt. We spreken, als we het over antroposofische pedagogie hebben, zeer zeker niet vanuit een fanatieke reformgedachte over de noodzaak van vernieuwing van het onderwijs, maar wij spreken vanuit het invoelen en beleven van de culturele ontwikkeling van de mensheid.

Wir sprechen so, daß wir uns bewußt sind, es ist viel, sehr viel vön ausgezeichneten Menschen im Laufe des neunzehnten Jahrhunderts und namentlich in den letzten Jahrzehnten für die Erziehungskunst geschehen. Allein es ist dasjenige, was aus den besten, aus den aller­besten Absichten hervorgegangen ist, so geschehen, daß man sagen muß: man hat alles mögliche auf dem Gebiete des Erziehungswesens versucht, aber ohne wirkliche Menschenerkenntnis. Es fiel das Den­ken über menschliche Erziehung hinein in eine Zeit, in der es einfach wegen des Materialismus, der auf allen Gebieten herrschte und eigentlich seit dem fünfzehnten Jahrhundert geherrscht hat, keine wirkliche Menschenerkenntnis hat geben können. Und so hat man eigentlich immer, wenn man erzieherische Reformgedanken geäußert 

Wij spreken zo dat wij ons ervan bewust zijn dat er veel, zeer veel door uitstekende mensen in de loop van de 19e eeuw en met name in de laatste tientallen jaren, voor de opvoedkunst is gebeurd. Alleen is wat met de beste, de allerbeste bedoelingen tot stand is gekomen, zo gebeurd dat je moet zeggen: men heeft al het mogelijke op het gebied van de opvoeding geprobeerd, maar zonder echte menskunde. Het denken over de menselijke opvoeding viel in een tijd waardoor eenvoudigweg door het materialisme dat op elk gebied heerste en eigenlijk al sinds de 15e eeuw heeft geheerst, geen echte menskunde kon ontstaan. En zo heeft men eigenlijk steeds, wanneer men opvoedkundige reformgedachten formuleerde

blz 10:

hat, auf Sand, oder etwas noch mehr ohne Grund Dastehendes ge­baut; man hat aus allerlei Emotionen heraus, aus Urteilen, die man sich bildete über die Art, wie das Leben sein soll, Erziehungsgrund­sätze aufgestellt. Man hat aber durchaus nicht die Möglichkeit ge­habt, den Menschen in seiner Ganzheit zu kennen und sich zu fragen: Wie muß man dasjenige, was in der Menschenwesenheit gottgegeben drinnensteckt, nachdem der Mensch aus seinem vorirdischen Leben in das irdische Leben herabgegangen ist, im Menschen zur Offen­barung bringen? Das ist im Grunde genommen die Frage, die man zunächst abstrakt aufwerfen kann, die man aber konkret nur dann beantworten kann, wenn man eine wirkliche Erkenntnis des Men­schen nach Leib, Seele und Geist zugrunde legt. Nun liegt ja für die heutige Menschheit die Sache so: Die Leibes-erkenntnis ist außerordentlich weit ausgebildet. Wir haben aus Bio­logie, Physiologie, Anatomie heraus eine sehr, sehr ausgebildete Leibeserkenntnis des Menschen. Aber schon wenn wir zur Seelen-erkenntnis kommen wollen, stehen wir mit den gegenwärtigen An­schauungen vor einer völligen Unmöglichkeit; denn alles das, was sich auf die Seele bezieht, ist heute Name, Wort. Man greift selbst bei diesen Dingen, wie Denken, Fühlen und Wollen schon – 

gebouwd op zand of op iets wat ook geen fundament heeft; men heeft vanuit allerlei emoties, uit oordelen die men zich vormde over de manier  hoe het leven zou moeten zijn, grondslagen voor de opvoeding opgesteld. Men heeft zeer zeker niet de mogelijkheid gehad de mens in zijn totaliteit te kennen en zich af te vragen: hoe moeten we dat wat aan het mensenwezen door god is gegeven, nadat de mens uit zijn voorgeboortelijke leven in het aardse leven gekomen is, in de mens tot uiting laten komen. Dat is basaal gesproken, de vraag die je allereerst abstract kan stellen, maar die je concreet alleen dan kan beantwoorden, wanneer je er een echte menskunde, naar lichaam, ziel en geest, aan ten grondslag legt.Voor de mensheid van nu, liggen de zaken zo: de kennis van het lichaam is buitengewoon ver ontwikkeld. We hebben door de biologie, de fysiologie, anatomie een zeer, zeer ontwikkelde kennis van het menselijk lichaam. Maar wanneer we dan tot een kennen van de ziel willen komen, staan we met de tegenwoordige opvattingen voor een volledige onmogelijkheid; want alles met betrekking tot de ziel is tegenwoordig alleen maar naam, woord. Men heeft het –

wenn man auf die gewöhnliche Psychologie der heutigen Zeit hinsieht -nicht mehr auf Wirklichkeit. Die Worte sind geblieben: Denken, Fühlen, Wollen; aber eine Anschauung von dem, was eigentlich in der Seele waltet, für das, was man mit Denken, Fühlen und Wollen anspricht, ist nicht vorhanden. Denn, sehen Sie, was heute sogenannte Psychologen über Denken, Fühlen und Wollen reden, das alles ist ja in Wirklichkeit dilettantisch. Sie reden so etwa, wie wenn ein Physio­loge vom Menschen im allgemeinen reden würde, von menschlicher Lunge, menschlicher Leber, und nie unterscheiden würde zwischen kindlicher Leber und Greisenleber. In der Leibeswissenschaft ist man da ja sehr weit. Kein Physiologe wird ermangeln, den Unterschied zu berücksichtigen zwischen einer kindlichen Lunge und einer Greisen-lunge, oder gar zwischen einem kindlichen Haar und dem Haare des alten Menschen. Das wird man alles unterscheiden. Aber bei Denken, Fühlen und Wollen, da spricht man nur Worte aus, man ergreift

wanneer je naar de gewone psychologie van nu kijkt – alleen al bij zaken als denken, voelen en willen, niet meer over de realiteit. De woorden zijn gebleven: denken, voelen, willen; maar een voorstelling van wat er in de ziel omgaat wanneer men het heeft over denken, voelen en willen, die ontbreekt. Want, ziet u, wat vandaag de dag zogenaamde psychologen over denken, voelen en willen zeggen – het is allemaal amateuristisch. Ze praten zoals een fysioloog zou spreken over de mens in het algemeen; over de menselijk long, lever en nooit een onderscheid zou maken tussen de lever van een kind en van een bejaarde. In de wetenschap van het menselijk lichaam is men wel heel ver. Geen fysioloog zou in gebreke blijven bij het beschouwen van een kinderlijke long en die van een bejaarde of zelfs van een haar van een kind en een haar van een oud mens. Het wordt allemaal onderscheiden.  Maar bij denken, voelen en willen spreekt men slechts woorden uit, men heeft

blz.11:

nichts in Wirklichkeit. Man weiß zum Beispiel nicht, daß das Wollen jung ist, so wie es in der Seele auftritt, das Denken alt, daß also das Denken ein altes Wollen, das Wollen ein junges Denken ist in der Seele, so daß man in alledem, was man in der Seele hat, Jugend und Alter gleichzeitig hat beim Menschen. Gewiß, in der Zeit hintereinander haben wir in der Seele das alte Denken neben dem jungen Wollen schon beim Kinde. Da sind sie gleichzeitig. Ja, solche Dinge, die sind Realitäten. Aber kein Mensch weiß heute irgend etwas über diese Realität der Seele in demselben Sinne. zu sagen, wie über die Realitäten des Leibes. Daher steht man als Erzieher völlig hilflos dem Kinde gegenüber. Denken Sie sich nur einmal, wenn Sie als Arzt nicht unterscheiden könnten zwischen einem Kinde und einem Greis, Sie wären natürlich hilflos. Der Leh­rer aber ist, weil es eine Wissenschaft von der Seele gar nicht gibt, gar nicht in der Lage, über die Seele des Menschen so zu sprechen, wie heute der Arzt sprechen kann vom Leibe des Menschen. Und Geist – ja, da ist überhaupt nichts, davon kann man nicht reden, da sind nicht einmal Worte mehr da. Ein einziges Wort: Geist, aber das besagt nicht mehr viel; mehr Worte dafür sind eigentlich nicht da.

niet iets reëels in handen. Men weet niet dat de wil jong is, zoals deze zich in de ziel voordoet, het denken oud, dat in de ziel het denken een oud willen, het willen een jong denken is, zodat je in alles wat je in de menselijke ziel hebt, bij de mens tegelijkertijd jeugd en ouderdom aantreft. Zeker, in de tijd nà elkaar, vinden we in de ziel bij het kind al het oude denken naast het jonge willen. Ze zijn er tegelijkertijd. Ja, deze dingen zijn realiteiten. Maar tegenwoordig weet niemand over deze werkelijkheid van de ziel op dezelfde manier iets te zeggen als over de realiteit van het lichaam. Daarom staat men tegenover het kind volledig met lege handen. Denkt u zich eens in, wanneer je als dokter geen onderscheid zou kunnen maken tussen een kind en een bejaarde; dan stond je natuurlijk met lege handen. De leerkracht echter is, omdat er helemaal geen wetenschap van de ziel is, niet in staat over de ziel van de mens te spreken, zoals tegenwoordig de dokter over het lichaam van de mens praten kan. En geest – ja, daarover is helemaal niets; daarover kun je niet spreken, daar zijn geen woorden meer voor. Eén woord: geest, maar dat zegt niet veel meer; meer woorden zijn er eigenlijk niet.

Also von einer Menschenerkenntnis im Sinne unserer Gegenwart kann eigentlich zunächst gar nicht die Rede sein. Da kann man nun leicht fühlen: es geht nicht alles mit rechten Dingen zu in der Erzie­hung. Man muß das oder jenes verbessern. Ja, aber wie soll man etwas verbessern, wenn man gar nichts weiß über den Menschen? Daher sind die Erziehungsreformgedanken, die da aufgetreten sind, alle vom allerbesten Willen beseelt, aber es ist keine Menschen-erkenntnis vorhanden. Das merkt man selbst bis in unsere Kreise herein. Denn was kann heute dem Menschen zur Menschenerkenntnis verhelfen? Anthro­posophie! Das ist gar nicht aus einem sektiererischen, fanatischen Untergrunde heraus gesagt. Wenn heute einer Menschenerkenntnis haben will, muß er eben Anthroposophie in sich aufnehmen. Wenn man aber aus Menschenerkenntnis – und das ist doch natürlich – un­terrichten soll, muß man sich diese Menschenerkenntnis erwerben. Was ist das Natürliche? Daß man sie sich durch Anthroposophie erwirbt.

Dus van een hedendaagse menskunde kan eigenlijk nu geen sprake zijn. En dan kun je makkelijk aanvoelen: het gaat in de opvoeding niet met alles op de juiste manier. Je zult dit of dat moeten verbeteren. Ja, maar hoe moet je iets verbeteren wanneer je over de mens helemaal niets weet? Daarom zijn de reformgedachten over opvoeding die ontstaan zijn, allemaal door de beste wil bezield, maar er is geen menskunde bij. Dat merken we tot in onze kringen aan toe. Want hoe komt tegenwoordig de mens aan menskunde? Door antroposofie! Dat is helemaal niet vanuit een sektarische, fanatieke achtergrond gezegd. Wanneer iemand in deze tijd menskunde wil hebben, moet hij antroposofie in zich opnemen. Wanneer je echter uit menskunde – en dat is toch een natuurlijke zaak – onderwijs wil geven, moet je je deze menskunde eigen maken. Wat is dan vanzelfsprekend? Dat je je die door antroposofie eigen maakt.

blz.12:

Fragt also heute jemand über die Grundlage einer neuen Päd­agogik, was muß man ihm sagen? Anthroposophie, die ist die Grund­lage einer neuen Pädagogik! Ja, aber nun bestreben sich sehr viele Menschen unter uns selber, Anthroposophie möglichst zu verleugnen, und die Pädagogik ohne Anthroposophie propagieren zu wollen; sie möchten nichts merken lassen, daß Anthroposophie dahinter ist. Es gibt ein deutsches Sprichwort, das heißt: Wasch’ mir den Pelz, aber mache mir ihn nicht naß. So sind sehr viele Bestrebungen, die auf diesem Gebiete unternommen werden. Wahr muß man reden und denken vor allen Dingen. Deshalb müßte man heute, wenn jemand fragt: wie kann ich ein guter Pädagoge werden? sagen: Du mußt von der Anthroposophie ausgehen. Du darfst sie nicht verleugnen, du mußt dir Menschenerkenntnis durch Anthroposophie erwerben. Menschenerkenntnis haben wir ja im heutigen Zivilisationsleben nicht. Wir haben Theorien, aber wir haben keine lebendige Einsicht, weder in die Welt, noch in das Leben, noch in den Menschen. Wirk­liche Einsicht führt zur Lebenspraxis. Aber wir haben heute keine Lebenspraxis.

Zou er nu iemand naar de grondslag van een nieuwe pedagogie vragen, wat zou je hem moeten zeggen? Antroposofie, dat is de basis voor een nieuwe pedagogie! Maar ja, ook veel mensen uit onze kringen, doen hun best de antroposofie zo veel mogelijk te ontkennen en propageren de pedagogie zonder antroposofie; zij willen er niets van laten merken, dat antroposofie de basis vormt. Er bestaat een Duits spreekwoord, dat luidt: .) wasch mir den Pelz, aber/und mach mich nicht nass ( drückt aus, dass jemand einen Vorteil genießen möchte, ohne dafür irgendeinen Nachteil in Kauf nehmen zu wollen ) (Duden) iemand wil voordeel hebben, zonder een nadeel op de koop toe te nemen. Zo gaat het met  zeer veel pogingen die op dit gebied ondernomen worden. De waarheid moet men spreken en vooral denken. Daarom zou men tegenwoordig, wanneer iemand vraagt: hoe kan ik een goede pedagoog worden? moeten zeggen: je moet uitgaan van antroposofie. Je mag deze ook niet verloochenen, je moet menskunde verkrijgen door antroposofie. Menskunde hebben we in de huidige beschaving niet. We hebben theorieën, maar we hebben geen levendig inzicht in de wereld, noch in het leven, noch in de mens. Werkelijk inzicht leidt tot wat praktisch is in het leven. Maar dat levenspraktische hebben we nu niet.

Wissen Sie, wer die allerunpraktischsten Leute heute sind? Die allerunpraktischsten Leute sind nicht die Wissenschafter, die sind ungeschickt und lebensfremd, nur bemerkt man es bei denen; aber bei denen, die die stärksten Theoretiker sind, die am meisten lebensunpraktisch sind, bei denen bemerkt man das nämlich nicht. Das sind die sogenannten Praktiker, die kommerziellen und indu­striellen Leute, die Bankleute; das sind die Leute, die heute die prak­tischen Lebenszusammenhänge beherrschen aus theoretischen Ge­danken heraus. Eine Bank ist heute ganz aus theoretischen Ge­danken heraus gebildet. Es ist gar nichts Praktisches darinnen. Nur bemerken die Leute das nicht, weil sie sagen: so muß es sein, so machen es die praktischen Leute. Dann schickt man sich halt da hinein. Man merkt nicht, welchen &haden das im Leben wirklich an­richtet, weil es ganz unpraktisch wirkt. Das praktische Leben ist heute ganz unpraktisch; auf allen Gebieten ist gerade das praktische Leben ganz unpraktisch. Und merken werden es die Leute nur, wenn immer mehr und mehr zerstörende Elemente in die Zivilisation hineinkommen und sie auflösen.

Weet u wie de aller onpraktische mensen zijn, vandaag de dag? Dat zijn niet de wetenschappers; die zijn onhandig en levensvreemd, alleen bij hen merk je dat; maar bij degenen die de beste theoretici zijn, die het minst levenspraktisch zijn, bij hen merk je dat namelijk niet. Het zijn de zogenaamde mensen van de praktijk, de handels- en industriemensen, bankiers; dat zijn de mensen die tegenwoordig de praktische levenssamenhangen beheersen vanuit theoretische gedachten. Een bank is tegenwoordig geheel volgens theoretische gedachten gevormd. Er zit helemaal niets praktisch bij. Alleen, de mensen merken het niet, omdat ze zeggen: zo hoort het te zijn, zo doen de mensen in de praktijk het. En dus schikt men zich ernaar. Men heeft niet in de gaten wat voor schade dat in het leven nu echt aanricht, omdat het heel onpraktisch uitwerkt. Het praktische leven is tegenwoordig heel onpraktisch; op elk gebied is met name het praktische leven heel onpraktisch. En de mensen merken het alleen, wanneer er steeds meer verstorende elementen in de beschaving binnenkomen en die in verval brengen.

blz.13:

Der Weltkrieg ist, wenn es so bleibt, nur ein Anfang gewesen, eine Introduktion. Der Weltkrieg ging in Wirklichkeit aus dieser Unpraxis hervor, aber er war nur eine Einleitung. Es handelt sich darum, daß nicht fortgeschlafen werde. Und am wenigsten geht es, daß man auf dem Gebiet des Unterrichts- und Erziehungswesens weiterschläft. Da handelt es sich wirklich darum, daß man eine Er­ziehung aufnimmt, die auf den ganzen Menschen nach Leib, Seele und Geist geht, und daß daher auch wirklich Leib, Seele und Geist zunächst erkannt werden. Nun kann es sich ja in einem kurzen Kursus, wie er hier gehalten werden soll, nur darum handeln, die wichtigsten Dinge, die sich auf Leib, Seele und Geist beziehen, so zu gestalten, daß sie gerade auf das Unterrichts- und Erziehungswesen hinauslaufen. Das wollen wir tun. Nur ist das erste Erfordernis, das gleich vom Anfang an einzu­sehen ist, daß man wirklich sich bemüht, auch äußerlich die Blicke auf den ganzen Menschen hinzurichten.

De wereldoorlog is, wanneer het zo blijft, alleen maar een begin geweest, een inleiding. De wereldoorlog was in werkelijkheid een gevolg van het onpraktische, maar het was slechts een inleiding. Het gaat erom dat er niet verder geslapen wordt. En dat men op het gebied van onderwijs en opvoeding het allerminst verder slaapt.  Dan gaat het er werkelijk om dat men een opvoeding ter hand neemt, die van doen heeft met heel de mens naar lichaam, ziel en geest en dat dus allereerst ook werkelijk lichaam, ziel en geest onderscheiden worden. Nu kan het er in een korte cursus zoals we die hier willen houden, slechts om gaan de belangrijkste dingen m.b.t. lichaam, ziel en geest in zo’n vorm te gieten dat ze uitkomen bij opvoeding en onderwijs. Dat zullen we doen. Maar de eerste vereiste die je meteen vanaf het begin moet begrijpen is dat je daadwerkelijk moeite doet om naar de hele mens te kijken, ook uiterlijk.

Wie bildet man heute Erziehungsgrundsätze? Man schatut auf das Kind, sagt sich, das Kind ist das und das, das Kind soll etwas lernen. Man denkt nach, wie man es am besten unterrichtet, damit es schnell dies und jenes lernt. Ja, was ist denn ein Kind? Ein Kind ist ein Kind doch höchstens zwölf Jahre, meinetwillen auch zwanzig Jahre lang, darauf kommt es mir jetzt nicht an, aber einmal wird es doch etwas anderes, einmal wird es ein älterer Mensch. Das ganze Leben ist eine Einheit, und wir haben nicht bloß auf das Kind zu sehen, sondern auf das ganze Leben; wir haben auf den ganzen Menschen zu sehen. Nehmen wir nun an, ich habe ein blasses Kind in der Schule sitzen. Ein blasses Kind muß für mich ein Rätsel sein, das ich zu lösen habe. Es können viele Gründe sein, aber es kann der Fall so liegen: das Kind ist noch mit etwas rosigem Gesicht in die Schule gekommen, es ist unter meiner Behandlung blaß geworden. Ich gestehe mir das. Ja, da muß ich jetzt beurteilen können, warum das Kind blaß geworden ist. Ich werde vielleicht darauf kommen, daß ich diesem Kind zuviel Gedächtnismaterial gegeben habe. Ich habe das Gedächtnis des Kin­des zu stark angestrengt. Komme ich nicht ab, bin ich ein pädagogisch Kurzsich tiger und bilde mir ein, eine Methode müsse durchgeführt

Hoe vormt men tegenwoordig uitgangspunten voor de opvoeding? Men kijkt naar het kind en zegt, het kind is zus en zo; het kind moet wat leren. Men denkt erover na hoe men het beste lesgeeft, opdat het snel dit of dat leert. Ja, wat is een kind? Een kind is hoogstens toch een jaar of twaalf kind, voor mijn part ook twintig jaar lang, daarop komt het voor mij niet aan, maar eens wordt het toch anders, eens wordt het een ouder mens. Het hele leven is een eenheid en we moeten niet alleen naar het kind kijken, maar naar het hele leven; we moeten naar de hele mens kijken. Laten we eens aannemen dat ik op school een bleek kind heb zitten. Een bleek kind moet voor mij een raadsel zijn, dat ik op te lossen heb. Er kunnen vele oorzaken zijn, maar het geval kan zo zijn: het kind is nog met een iets roze gezicht op school gekomen, maar is door mijn manier van doen, bleek geworden. Dat moet ik toegeven. En nu moet ik kunnen beoordelen waarom het kind bleek geworden is. Ik kom er misschien op dat ik het kind teveel geheugenstof heb gegeven. Ik heb het geheugen van het kind teveel belast. Wanneer ik daar niet op kom, ben ik pedagogisch kortzichtig en als ik ten onrechte denk dat een methode doorgevoerd moet worden

blz.14:

werden, ganz gleichgültig, ob das Kind blaß oder rot wird dabei, dann bleibt das Kind blaß. Wenn ich aber jetzt in die Lage käme, dieses Kind zu beobachten, wenn es fünfzig Jahre alt sein wird, dann wird dieser Mensch wahr­scheinlich unter einer furchtbaren Sklerose leiden, wird eine Arterien­verkalkung haben, von der man nicht wissen wird, wovon sie kommt. Sie kommt davon, daß ich das Gedächtnis des Kindes mit acht, neun Jahren überladen habe. Ja, sehen Sie, der Fünfzigjährige und der Acht-, Neunjährige gehören zusammen, das ist doch ein Mensch. Wir müssen wissen, was aus etwas, was wir mit dem Kinde machen, nach fünfzig oder vierzig Jahren wird, denn das Leben ist eine Einheit, das Leben gehört zusammen. Bloß das Kind zu kennen genügt nicht; wir müssen den Menschen kennen. Und wiederum, denken Sie, plage ich mich damit, einer Klasse möglichst gute Definitionen beizubringen, daß die Begriffe ganz fest sitzen, daß das Kind weiß, das ist ein Löwe, das eine Katze und so weiter. Ja, soll das Kind nun immer bis zu seinem Tode diese Begriffe beibehalten können? Wir haben ja heute gar keine Ahnung davon, daß auch das Seelische wachsen muß. Wenn ich einem Kind einen Begriff beibringe, der nun ein für allemal richtig sein soll – was ist nicht alles richtig? -, und es soll ihn das ganze Leben hindurch be­halten können, ist das gerade so, wie wenn ich ihm mit drei Jahren Schuhe kaufe und alle folgenden Schuhe jetzt nur so groß machen will, wie die Schuhe, die ich ihm mit drei Jahren kaufte.

om het even of het kind daardoor bleek of rood wordt: het kind blijft bleek. Wanneer ik nu de gelegenheid zou hebben dit kind waar te nemen wanneer het vijftig jaar oud is, dan zal dit mens waarschijnlijk onder een vreselijke sclerose lijden, zal aderverkalking hebben waarvan men niet weet hoe dat komt. Die komt ervan dat ik het geheugen van het kind op zijn achtste, negende jaar overvoerd heb. Ja kijk, zie je, de vijftigjarige en de acht- negenjarige horen samen, het is toch één mens. Wij moeten weten wat na vijftig, veertig jaar het gevolg is van wat wij met een kind doen, want het leven is één, het leven is een samenhang. Alleen het kind kennen is niet voldoende; we moeten de mens kennen. En bedenk nog eens dat ik een klas treiter om die zo goed mogelijke definities bij te brengen; dat de begrippen stevig aangelegd worden, zodat een kind weet: dat is een leeuw, dat een kat, enz. Ja maar, moet een kind altijd tot aan zijn dood deze begrippen vasthouden. We hebben er tegenwoordig geen flauw idee van dat ook wat in de ziel leeft, moet kunnen groeien. Wanneer ik het kind een begrip bijbreng dat nu voor eens en altijd juist moet zijn – en wat is er niet allemaal juist? – en het moet dit zijn hele leven lang onthouden, dan is dat net zo als wanneer ik op zijn derde schoenen voor hem koop en alle volgende schoenen  net zo groot neem als die ik op z’n derde kocht.

Das Kind wächst darüber hinaus. Da merkt man die Sache, und es würde als eine Barbarei angesehen werden, wenn ich ihm so kleine Schuhe kaufen wollte und den Fuß so klein halten wollte, daß er immer in den Schuh des Dreijährigen hineinpaßt! Aber mit der Seele tun wir das. Wir geben dem Kind Begriffe, die nicht wachsen mit dem Kind. Wir geben ihm Begriffe, die bleiben sollen, plagen es mit bestimmten Begriffen, die bleiben sollen, während wir dem Kinde Begriffe geben sollen, die wachsen können. Wir drücken die Seele fortwährend in die Begriffe hinein, die das Kind bekommen hat. Das sind Dinge, die in der alleroberflächlichsten Weise zusammen-hängen mit der Forderung, man soll den ganzen Menschen, den

Het kind groeit daar uit. Dat zie je wel en het zou als kindermishandeling uitgelegd worden, wanneer ik zulke kleine schoenen voor hem zou willen kopen en zijn voet zo klein zou willen houden, dat hij steeds de schoenen van een driejarige past! Wij geven het kind begrippen die niet met het kind kunnen meegroeien. Wij geven het begrippen die blijvend moeten zijn, terwijl we het kind begrippen zouden moeten geven die mee kunnen groeien. We persen de ziel van het kind voortdurend in de begrippen die het kind gekregen heeft. Dat zijn zaken die op de meest oppervlakkige manier samenhangen met de vereiste dat je de hele mens, de blz.15:

wachsenden, lebendigen Menschen in der Pädagogik ins Auge fassen, nicht irgendeinen abstrakten Begriff des Menschen.

Wenn man die richtige Anschauung hat, daß das ganze Menschen­leben ein zusammenhängendes ist, kommt man erst darauf, wie ver­schieden wiederum die einzelnen Lebensalter sind. Das Kind bis zum Zahnwechsel ist ja ein ganz anderes Wesen, als das Kind nach dem Zahnwechsel. Natürlich darf man dabei nicht grobe Urteile, grobe Anschauungen zugrunde legen. Wenn man sich unter dem Menschen nur ein zweibeiniges Wesen vorstellt, das oben den Kopf und in der Mitte seine Nase hat, wird man sagen, das Kind hat auch vor dem Zahnwechsel zwei Beine und in der Mitte des Gesichtes eine Nase und so weiter. Aber wenn man die Fähigkeit hat, feinere Unter­schiede im Leben zu beobachten, dann wird man vor und nach dem Zahnwechsel im Kinde ein ganz verschiedenes Wesen finden.

groeiende, levende mens in de pedagogie in je blikveld moet hebben, niet een of ander abstract begrip van de mens. Wanneer je het correcte inzicht hebt dat het mensenleven een samenhangend geheel is, kom je er vervolgens op hoe verschillend nu weer de te onderscheiden levensfasen zijn. Het kind is tot de tandenwisseling echt een heel ander wezen dan het kind daarna. Natuurlijk moet je daaraan geen grove oordelen, grove gezichtspunten ten grondslag leggen. Wanneer je onder mens verstaat een tweebenig wezen, dat boven een hoofd heeft met in het midden een neus, kun je zeggen dat ook het kind vóór de tandenwisseling twee benen en in het midden van zijn gezicht een neus heeft, enz. Maar wanneer je het vermogen hebt fijnere verschillen in het leven waar te nemen, dan vind je dat het kind van vóór en na de tandenwisseling een heel verschillend wezen is.

Vor dem Zahnwechsel ist an dem Kinde wirklich deutlich noch wahrzunehmen, wie dasjenige nachwirkt, richtig nachwirkt, was das Kind als Lebensgewohnheiten vor der Geburt, beziehungsweise vor der Konzeption in dem vorirdischen Leben in der geistigen Welt hatte. Der Körper des Kindes tut da fast so, als ob er Geist wäre; denn der Geist, der heruntergestiegen ist aus der geistigen Welt, ist noch voll tätig in dem Kinde in den ersten sieben Lebensjahren. Sie werden sagen: Schöner Geist! Der ist ja ganz und gar tobsüchtig geworden, denn das Kind tobt, es benimmt sich ungeschickt, kann doch nichts. Das soll alles der Geist sein vom vorirdischen Leben? Ja, denken Sie nur daran, wenn Sie ganz ausgebildete, geschickte Menschen wären und plötzlich verurteilt wären, fortwährend in einem Raum, sagen wir von 62 Grad Celsius zu leben, Sie könnten es nicht. Sie könnten das noch weniger, als der Geist des Kindes, der heruntergestiegen ist aus den geistigen Welten und sich jetzt in irdischen Verhältnissen benehmen soll, sich da zu benehmen weiß. Weil er in eine ganz andere Welt versetzt ist, weil der Geist plötz­lich, was er vor dem Erdenleben nicht hatte, einen Leib an sich zu tragen hat, benimmt er sich so, wie sich das Kind eben benimmt. Aber dennoch, wer zu beobachten versteht, wie nach und nach aus

Vóór de tandenwisseling is aan het kind zeker nog duidelijk waar te nemen hoe datgene nawerkt, echt nawerkt, wat het kind gewend was in zijn leven in de geestelijke wereld, vóór zijn geboorte, respectievelijk zijn conceptie. Het lichaam van het kind  gedraagt zich bijna zodanig alsof het nog geest was; want de geest die uit de geestelijke wereld afgedaald is, is nog volledig actief in het kind in de eerste zeven levensjaren. Nu kun je zeggen: Mooie geest! Die is dan helemaal een driftige stuiterbal geworden, want dat kind gaat tekeer, gedraagt zich slecht en kan niks. En dat zou dan de geest zijn uit het voorgeboortelijke leven? Maar denk er nu eens aan, dat je als goed ontwikkeld, bekwaam mens plotseling veroordeeld zou worden steeds maar in een ruimte te moeten leven waarin het, vooruit, 62 graden Celsius is. Dat zou je niet kunnen. Dat zou je nog minder kunnen dan de geest van het kind die afgedaald is uit geestelijke werelden en zich nu gedragen moet onder de aardse omstandigheden, zich daar te gedragen weet. Omdat hij in een heel andere omgeving verplaatst is, omdat de geest plotseling, wat hij vóór het aardse leven niet had, een lichaam  moet dragen, gedraagt hij zich zo, zoals een kind zich nu eenmaal gedraagt. Maar toch, wie goed weet waar te nemen, hoe stap voor stap

blz.16:

der unbestimmten Gesichtsphysiognomie des Kindes mit jedem Tag, mit jeder Woche, mit jedem Monat mehr das Bestimmte heraus­kommt, wie aus den ungeschickten Bewegungen nach und nach die geschickten Bewegungen werden, wie das Kind sich ganz einlebt in die Umgebung, der weiß, das ist der Geist, der heruntergestiegen ist aus der vorirdischen Welt, der den Körper allmählich sich ähn­lich zu machen versucht. Wir werden begreifen, warum das Kind so ist, wenn wir so beobachten. Wir werden aber auch begreifen, daß es wirklich der heruntergestiegene Geist ist, der in dem Kör­per des Kindes so wirkt, wie wir das eben in dem Kinde wirksam sehen. Daher gibt es für den, der in die geistigen Geheimnisse eingeweiht ist, eigentlich nichts Reizvolleres, als das Kind zu beobachten. Man lernt ja, wenn man das Kind beobachtet, nicht die Erde, man lernt den Himmel kennen. Und nicht bloß in den sogenannten artigen Kindern. Bei den artigen Kindern ist es meistens so, daß ihnen der Körper schwer wird. Schon im Kindheitsalter wird ihnen der Körper schwer.

de nog ongeprononceerde gezichtstrekken van het kind met iedere dag, met iedere week, met iedere maand geprononceerder worden; hoe uit de onbeholpen bewegingen stap voor stap adequate bewegingen ontstaan; hoe het kind zich volledig aan de omgeving aanpast, die weet, dat is de geest die afgedaald is uit de voorgeboortelijke wereld, die het lichaam langzamerhand probeert op hem te laten lijken. We zullen begrijpen waarom het kind zo is, zoals we het waarnemen. Maar we zullen ook begrijpen dat het werkelijk de afgedaalde geest is, die in het lichaam van het kind zo werkt, zoals wij deze dus in het kind aan het werk zien.Daarom bestaat voor degene die ingewijd is in de verborgen wereld van de geest, niets fascinerender  dan het kind waar te nemen. Je leert, als je het kind observeert, niet de aarde, maar de hemel kennen. En niet alleen bij de zogenaamde brave kinderen. Bij de brave kinderen is het meestal zo, dat het lichaam voor hen een zekere zwaarte krijgt. Al op hun kinderleeftijd.

 Der Geist kann ihn nicht recht in Empfang nehmen; die Kin­der sind still, sie schreien nicht. Die Kinder sitzen viel, sie toben nicht. Der Geist ist in ihnen untätig, weil der Körper solchen Wider­stand bietet. Bei sogenannten braven Kindern ist es oftmals so, daß der Körper dem Geiste Widerstand bietet.In Kindern, die nicht so brav sind, sondern die ordentlich toben, ordentlich sich ausschreien, die einem Mühe machen, in denen regt sich der Geist, natürlich auf ungeschickte Art, denn er ist vom Him­mel auf die Erde versetzt, aber er regt sich eben. Er braucht den Leib. Man kann tatsächlich das wüste Geschrei eines Kindes zuweilen furchtbar entzückend finden, aus dem einfachen Grunde, weil man dabei erfährt, welches Martyrium zunächst der Geist durchmacht, wenn er in einen kindlichen Körper hinunterkommt. Ja, Erwachsener zu sein, das ist leicht, für den Geist nämlich. Da hat man sich den Körper schon durchaus zubereitet. Da bietet der Körper nicht mehr so viel Widerstand. Erwachsener zu sein ist ganz leicht. Kind zu sein, das ist außerordentlich schwierig. Das Kind merkt es nur nicht, weil das Bewußtsein noch nicht erwacht ist, das

De geest kan het lichaam niet helemaal goed ontmoeten; de kinderen zijn stil, ze huilen niet. De kinderen zitten veel,  ze leven zich niet uit. De geest is in hen passief, omdat hun lichaam zo’n weerstand biedt. Bij zogenaamde brave kinderen is het dikwijls zo dat het lichaam aan de geest weerstand biedt. In kinderen die niet zo braaf zijn, maar zich behoorlijk uitleven, zich behoorlijk laten horen, die lastig zijn, in hen is de geest actief; natuurlijk onbeholpen, want die is vanuit de hemel op de aarde gezet, maar hij laat toch van zich horen. Hij heeft het lichaam nodig. Je kunt over het wilde geschreeuw van een kind van tijd tot tijd ontzettend opgetogen zijn, om de simpele reden dat je daarbij ervaart wat voor marteling het aanvankelijk voor de geest is, wanneer deze afdaalt in een kinderlijk lichaam. Tja, volwassen zijn, dat is voor  de geest wel makkelijk. Dan is het lichaam daar wel klaar voor. Dan biedt het lichaam niet meer zoveel weerstand. Volwassen zijn is heel eenvoudig. Kind zijn, dat is buitengewoon moeilijk. Het kind merkt het alleen niet, omdat zijn bewustzijn nog niet wakker is, dat

blz.17:

schläft noch. Aber mit dem Bewußtsein, das vor dem Herunterstieg auf die Erde da war, mit dem würde das Kind es schon bemerken. Wenn das Kind in diesem Bewußtsein darinnen wäre, dann wäre des Kindes Leben eine furchtbare Tragik, eine ganz furchtbare Tragik. Denn se­hen Sie, da steigt man herunter auf die Erde; man ist gewöhnt an eine geistige Substanz, aus der man vor dem Herunterstieg auf die Erde sein Geistleben hatte. Da ist man gewöhnt, diese geistige Substanz zu handhaben. Die hat man sich ganz selbst zubereitet nach seinem Karma, nach den Ergebnissen voriger Erdenleben. Da steckt man drinnen, sozusagen in seinem eigenen geistigen Bekleidungsstück. Jetzt soll man heruntersteigen auf die Erde. – Ich möchte ganz popu­lär reden über solche Dinge, und Sie müssen mir verzeihen, wenn ich sie darstelle, wie sie sich eben dem darstellen, der darüber so redet, wie über die gewöhnlichen Dinge der Erde; man kann so reden, weil sie so sind. – Jetzt soll man heruntersteigen; man soll sich einen Körper auf der Erde wählen.

slaapt nog. Maar met zijn bewustzijn dat er al was vóór het op aarde kwam, zou het kind dat wel opmerken. Zou het kind in dit bewustzijn leven, dan was het leven  voor hem een vreselijke tragedie, een heel vreselijke tragedie. Want zie je, je komt op aarde en je bent gewend aan de geestelijke substantie waaruit je geestleven stamt vóór je komst op aarde . Je bent gewend deze geestelijke substantie te gebruiken. Die heb je zelf helemaal vormgegeven door je karma, door wat de gevolgen zijn van een vorig leven. Daar zit je zogezegd in, als in je eigen geestelijke kleding. En nu moet je naar  de aarde. – Ik wil heel populair over dit soort dingen spreken en u moet me niet kwalijk nemen, dat ik ze schets, zoals ze zich voordoen aan iemand die er over praat als over de gewone dingen  op aarde; je kunt zo praten, omdat ze zo zijn. – Nu moet je naar de aarde en je moet op aarde een lichaam kiezen.

Ja, dieser Körper ist einem von Generationen zubereitet. Da ha­ben ein Vater und eine Mutter einen Sohn oder eine Tochter bekom­men, diese wiederum einen Sohn oder eine Tochter und so fort. Das gibt dann einen Körper durch Vererbung. Den soll man beziehen. In den soll man einkehren. Da kommt man plötzlich in ganz andere Verhältnisse herein. Man zieht sich solch einen Körper an, der einem durch die Generationenfolge zubereitet worden ist. Gewiß, man wirkt schon von der geistigen Welt herunter, damit man nicht einen völlig unpassenden Körper bekommt, aber man be­kommt einen ziemlich unpassenden Körper zumeist. Man paßt zu­meist gar nicht hinein in einen solchen Körper. Wenn nur ein klein wenig ein Handschuh auf einer Hand so wenig passen würde, wie in der Regel ein Körper auf eine Seele paßt, so würden Sie diesen Hand­schuh in alle Ecken des Himmels werfen. Es würde Ihnen gar nicht einfallen, den Handschuh anzuziehen. Aber wenn Sie aus der geisti­gen Welt heruntersteigen und einen Körper haben wollen, dann müssen Sie eben einen nehmen. Und diesen Körper haben Sie nun bis zum Zahnwechsel. Denn es ist so, daß eigentlich alle sieben bis acht Jahre unsere äußere physische Materie ganz ausgetauscht wird,

Ja, dit lichaam is voor iemand generaties lang voorbereid. Een vader en een moeder hebben een zoon of dochter gekregen, die ook weer een zoon of dochter enz. Dat resulteert dan in een lichaam door vererving. Daar moet je dan intrekken. Daarmee moet je je vertonen. Dat zijn plotseling heel andere omstandigheden. Het lichaam dat voorbereid is door de opeenvolgende generaties trek je [als een kledingstuk] aan. Zeker, vanuit de geestelijke wereld werk je er daar beneden wel aan opdat je niet helemaal een lichaam krijgt dat niet geschikt is, maar meestal krijg je toch een tamelijk ongeschikt lichaam. Je past meestal helemaal niet in zo’n lichaam. Als een handschoen maar zo weinig aan een hand zou passen, zoals in de regel een lichaam bij een ziel past, dan zou je die handschoen naar alle hoeken van de hemel smijten. Je zou echt niet op het idee komen de handschoen aan te trekken. Maar wanneer je uit de geestelijke wereld naar de aarde komt en een lichaam wilt hebben, dan moet je er gewoon een nemen. En dat lichaam heb je tot aan de tandenwisseling. Want het is zo, dat eigenlijk iedere zeven of acht jaar onze uiterlijke fysieke materie helemaal vervangen wordt,

blz.18:

im Wesentlichen wenigstens, nicht für alles. Die Zähne, die wir zu­erst bekommen, werden gewechselt, dann bleiben sie uns. Es ist das nicht mit allen Gliedern des menschlichen Organismus der Fall. Wichtigere Glieder noch als die Zähne werden alle sieben Jahre ausgetauscht, solange der Mensch auf Erden ist. Würden die Zähne sich ebenso verhalten, dann würden wir wie mit 7 Jahren, so mit 14, mit 21 Jahren und so fort wieder Zähne bekommen, und es gäbe keine Zahnärzte auf der Erde. Gewisse Organe, die hart sind, bleiben dann. Aber gerade die wei­cheren Organe werden immer erneuert. In den ersten sieben Lebens-jahren hat man ja einen Körper, den einem eben die äußere Natur, die Eltern und so weiter übergibt. Es ist ein Modell. Man ist mit seiner Seele gegenüber diesem Körper, wie der Künstler gegenüber einem Modell, das er nachahmen soll.

hoofdzakelijk tenminste, niet alles. De tanden die we het eerst krijgen, worden gewisseld, dan blijven ze. Dat is niet met alle delen van het menselijk organisme het geval. Nog belangrijkere organen dan de tanden worden elke zeven jaar vervangen, zolang de mens op aarde is. Zouden de tanden zich net zo gedragen, dan zouden wij zoals met 7  jaar, met 14, met 21 jaar enz. steeds nieuwe tanden krijgen en er zouden op aarde geen tandartsen zijn. Bepaalde organen die hard zijn, blijven. Maar juist de wekere organen worden steeds vernieuwd. In de eerste zeven jaar heb je een lichaam dat je van de uiterlijke natuur, van je ouders enz. krijgt. Het is een model. Met je ziel sta je tegenover dit lichaam, zoals een kunstenaar tegenover een model dat hij moet namaken.

den hat man sich erst selber gemacht nach dem Modell, das einem von den Eltern gegeben worden ist. Den Körper, den man sich selber macht, hat man erst nach sieben Jahren. Alles, was heute die äußere Wissenschaft von der Vererbung und so weiter sagt, ist ja dilettantisch gegenüber der Wirklichkeit. In Wirklichkeit bekommen wir einen Modellkörper, den wir sieben Jahre an uns haben. Natürlich fängt er schon in den ersten Lebensjahren an, sich abzutöten und abzustoßen. Aber das geht weiter, und wenn wir den Zahnwechsel haben, bekommen wir den zweiten Körper. Nun gibt es schwache Individualitäten; sie kommen schwach her-unter und bilden sich den zweiten Körper, den sie nach dem Zahn-wechsel an sich tragen, genau nach dem ersten. Wir sagen, die bilden sich genau nach den Eltern. Das ist gar nicht wahr. Den zweiten Körper bilden sie sich nach dem Modell. Nur in den ersten sieben Lebensjahren haben wir Vererbtes in uns. Natürlich sind wir alle schwache Individualitäten und bilden sehr viel nach. Aber es gibt auch starke Individualitäten, die kommen herunter, haben in den er­sten sieben Lebensjahren viel vererbt. Sie können das an den Zähnen sehen. Die ersten Zähne sind noch so, daß man ihnen die Zahmheit

Het tweede lichaam dat je na de tandenwisseling tevoorschijn haalt uit het eerste – stap voor stap natuurlijk, dat gebeurt gedurende elke zeven jaar – dat heb je zelf gecreëerd naar het model dat je door je ouders is gegeven. Het lichaam dat je zelf schept, heb je pas na zeven jaar. Alles wat de uiterlijke wetenschap over erfelijkheid zegt, is ten opzichte van de werkelijkheid dilettantisch. In werkelijkheid krijgen we een model-lichaam dat we zeven jaar dragen. Uiteraard begint het al in de eerste jaren met de afbraak en het afbouwen. Maar dat gaat verder en wanneer we de tanden wisselen krijgen we ons tweede lichaam. Nu zijn er zwakke individualiteiten; die komen zwak op aarde en vormen hun tweede lichaam dat ze na de tandenwisseling dragen, net zo als het eerste. We zeggen dat ze het vormen, lijkend op dat van de ouders. Maar dat is in het geheel niet waar. Het tweede lichaam vormen ze naar een model. Alleen, in de eerste zeven levensjaar dragen we de erfelijkheid mee. Natuurlijk zijn we allemaal zwakke individualiteiten en vormen zeer veel na. Maar er zijn ook sterke individualiteiten die naar de aarde komen en die in de eerste zeven levensjaren veel geërfd hebben. Dat kun je aan de tanden zien. De eerste tanden zijn nog zo dat je daaraan

blz.19:

ansieht in der Vererbung. Die zweiten Zähne, die knacken schon ganz ordentlich, die haben ihre entsprechenden Höcker. Das sind starke Individualitäten, die sich ganz ordentlich ausbilden. Dann haben Sie Kinder, die sind mit zehn Jahren noch so wie andere mit vier, Abbilder. Andere Kinder sind mit zehn Jahren ganz verändert. Die starke Individualität regt sich. Das Modell wird benützt, aber nachher bildet man einen selbständigen Körper aus. Auf solche Dinge muß man hinschauen. Mit all diesen Dingen von Vererbung kommt man nicht weiter, wenn man nicht hineinsieht, wie die Dinge sind. Vererbung im eigentlichen Sinne, wie sie die Wissenschaft heute vertritt, gilt nur für die ersten sieben Jahre des Menschen. Wenn er nachher etwas erbt, erbt er es freiwillig, könnte man sagen; er macht es nämlich nach dem Modell. In Wirklichkeit wird das Vererbte mit dem ersten Körper, mit dem Zahnwechsel ab­gestoßen.

ziet hoe de erfelijkheid wordt gevolgd. De tweede tanden knersen al heel behoorlijk, die hebben de daarbij horende ribbels. Dat zijn sterke persoonlijkheden die zich heel goed ontwikkelen. Dan heb je nog kinderen die zijn op hun tiende nog zo als vierjarigen, een spiegelbeeld. Andere kinderen zijn op hun tiende sterk veranderd. De sterke individualiteit doet van zich spreken. Het model wordt gebruikt, maar daarna vormt het een zelfstandig lichaam. Op zulke dingen moet je letten. Met alles over erfelijkheid kom je niet verder, wanneer je niet inziet hoe de zaken liggen. Erfelijkheid in strikte zin, zoals de wetenschap deze tegenwoordig representeert, geldt slechts voor de eerste zeven jaar van de mens. Wanneer hij daarna iets erft, erft hij dat vrijwillig, zou je kunnen zeggen; hij doet het namelijk volgens een model. In werkelijkheid wordt wat geërfd is met het eerste lichaam, met de tandenwisseling afgestoten.

Wir haben außerordentlich stark das Seelische, das herunterge­stiegen ist aus der geistigen Welt, das ungeschickt ist, weil es sich erst hineinfinden muß in das äußere Naturhafte. Aber in Wahrheit ist alles, ja, das Ungezogenste bei dem Kinde so entzückend. Natür­lich müssen wir schon ein bi&hen Philister sein, daß wir nicht alle Ungezogenheiten durchlassen. Wie der Geist geplagt wird von den Dämonen auf der Welt, die ausarten, das merkt man am meisten am Kinde. Das Kind muß in eine Welt hinein, in die es oft durchaus nicht hineinpaßt. Das ist eine furchtbare Tragik, wenn man das be­wußt durchführt. Wenn man das bewußt durchführen müßte, wenn man etwas von Initiation kennt und mit Bewußtsein sieht, was im Kinde diesen Körper ergreift, muß man sagen: Das ist ja im Grunde genommen etwas ganz Schreckliches, in all dieses Knochengezüchte, in all dieses Sehnengezüchte, das man erst formen muß, sich hinein­zufinden; das ist etwas furchtbar Tragisches. Das Kind weiß nur nichts davon, und das ist gut, weil der Hüter der Schwelle es behütet, daß es etwas davon weiß. Aber der Lehrer soll davon wissen. Er soll mit einer ungeheuren Ehrfurcht vor dem Kinde stehen und wissen: da ist ein Göttlich-Gei­stiges auf die Erde heruntergestiegen. Daß wir dieses wissen, mit

Wat wij aan ziel meebrengen uit de geestelijke wereld is buitengewoon krachtig, maar onbeholpen, omdat het zijn weg in de uiterlijke natuur nog moet vinden. In waarheid is alles, zelfs de meeste ondeugd bij een kind nog om je over te verheugen. Natuurlijk moeten we wel een beetje filister zijn en niet al het stoute door de vingers zien. Hoe de geest geplaagd wordt door de boze geesten van de wereld die zich te buiten gaan, merk je het meest aan het kind. Het kind moet een wereld binnengaan waarin het dikwijls helemaal niet past. Het is een vreselijke tragiek, als je dit bewust zou uitvoeren. Als je dat bewust zou moeten doen, wanneer je iets weet van initiatie en bewust ziet wat in het lichaam van het kind plaatsvindt, moet je zeggen: in de grond van de zaak is het iets vreselijks; thuisraken in een heel botten- en spierstelsel dat je eerst nog vorm moet geven; dat is iets vreselijk tragisch.  Het kind weet er alleen niets van en dat is goed, omdat de wachter aan de drempel het behoedt, zodat het er niets van weet. Maar de leerkracht moet het weten. Hij moet een ongekende eerbied voor het kind hebben en weten: iets uit de goddelijk-geestelijke wereld is naar de aarde gekomen. Dat wij dit weten, tot

blz.20

diesem unser Herz durchdringen und von da aus Erzieher werden, darauf kommt es an.

Es gibt große Unterschiede zwischen der Art, wie der Mensch im geistig-seelischen-vorirdischen Leben ist, bevor er heruntersteigt auf die Erde, und wie er dann immer weiter werden muß. Der Lehrer soll das beurteilen können, weil er ja in dem Kinde die Nachwir­kungen der geistigen Welt vor sich hat. Nun gibt es etwas, was sich das Kind schwer aneignen kann, weil die Seele es im geistigen Leben gar nicht hat. Sehen Sie, auf der Erde gelangt der Mensch äußerst wenig dazu, Aufmerksamkeit zu verwenden auf sein körperliches Innere. Das tun ja nur die Naturforscher und die Ärzte. Die wissen, wie es im Innern des Menschen innerhalb der Haut genau beschaffen ist. Bei den mei­sten Menschen findet man, daß sie nicht einmal ordentlich wissen, wo das Herz ist. Sie zeigen gewöhnlich an die unrichtige Stelle. Und wenn man gar von emem Menschen auf Erden im sozialen Leben verlangen würde, er solle einem sagen, wie der rechte Lungenflügel sich vom linken unterscheidet, oder er solle den Zwölffingerdarm beschreiben, dann würde man merkwürdige Antworten bekommen. Dagegen hat der Mensch, bevor er ins irdische Leben heruntersteigt, für seine Außenwelt außerordentlich wenig Interesse; um so mehr Interesse aber für das, was man da sein geistiges Innere nennen kann.

ons hart laten doordringen en van daaruit opvoeder worden, daar komt het op aan. Er bestaan grote verschillen tussen de manier hoe de mens in de geest-zielenwereld van het voorgeboortelijke leven is, voor hij naar de aarde komt en hoe hij dan steeds verder worden moet. De leerkracht moet dat kunnen beoordelen, omdat hij in het kind voor zich heeft wat uit de geestelijke wereld nawerkt. Nu is er iets wat het kind zich moeilijk eigen kan maken, omdat dat in de geestelijke wereld niet bestaat. Kijk eens, op aarde komt de mens er weinig toe aandacht te schenken aan zijn lichamelijke binnenwereld. Dat doen alleen de natuurwetenschapper en de dokter. Die weten precies hoe het er in de mens binnen zijn huid precies aan toe gaat. Bij de meeste mensen kun je tegenkomen dat ze niet eens weten waar hun hart zit. Dan wijzen ze meestal de verkeerde plaats aan. En als je van een mens op aarde in het sociale verkeer zou verlangen, dat hij je zou zeggen waarin de rechter long verschilt van de linker, of hij zou de twaalfvingerige darm moeten beschrijven, dan zou je merkwaardige antwoorden krijgen. De mens heeft, voor hij het aardse leven binnengaat, voor de buitenwereld buitengewoon weinig interesse; daarentegen des te meer interesse voor wat je zijn geestelijke innerlijk kan noemen.

In dem Leben zwischen dem Tod und einer neuen Geburt hat man fast ausschließlich Interesse für das geistige Innenleben. Man bildet sich nach Erlebnissen der vorigen Erdenleben das Karma aus. Und das bildet man sich ja nach dem geistigen Innenleben aus. Die­ses Interesse, das man da hat, ist von einer irdischen Eigenschaft, von der Wißbegierde, die in ihrer einseitigen Ausbildung Neugierde genannt werden kann, außerordentlich weit entfernt. Wißbegierde, Neugierde, Erpichtsein auf die Erkenntnis des äußeren Lebens hat man nicht vor der Geburt, vor dem Heruntersteigen auf die Erde; man kennt das gar nicht. Das hat daher das Kind auch noch sehr wenig. Dagegen hat das Kind etwas, was Leben in der Umgebung ist. 

In het leven tussen  de dood en een nieuwe geboorte heeft de mens bijna uitsluitend interesse voor het geestelijk innerlijk leven. Je vormt je karma door de ervaringen van het vorige leven. Dat vorm je naar het geestelijk innerlijk leven. De belangstelling die je hebt, is erg ver verwijderd van een aardse eigenschap, de drang om te weten, die je in zijn eenzijdige ontwikkeling nieuwsgierigheid zou kunnen noemen. Te willen weten, nieuwsgierigheid, gek op kennis van het uiterlijke leven heb je vóór de geboorte, vóór het afdalen op aarde niet; dat ken je helemaal niet. Vandaar dat het kind dat ook nog erg weinig heeft. Daar staat tegenover dat het kind iets heeft, wat leven in de omgeving is.

blz 21:

Wenn man noch nicht heruntergestiegen ist auf die Erde, lebt man eigentlich ganz in der Außenwelt. Die ganze Welt ist das Innere. Es gibt keinen solchen Unterschied zwischen Äußerem und Innerem. Daher ist man auch nicht auf Äußeres neugierig. Alles ist Inneres. Aber da ist man nicht neugierig darauf. Das trägt man in sich, es ist eine Selbstverständlichkeit, in der man lebt. Im Grunde genommen lernt das Kind in den ersten sieben Lebens­jahren Gehen, Sprechen und Denken noch ganz so, wie man sich ver­halten hat, bevor man auf die Erde heruntergestiegen ist. Und legen Sie es daraufhin an, daß das Kind auf irgendein Wort neugierig sein soll, so werden Sie sehen, daß Sie dem Kind die Lust, dieses Wort zu lernen, ganz austreiben. Wenn Sie auf die Wißbegierde, auf die Neugierde rechnen, treiben Sie dem Kinde gerade dasjenige aus, was es soll.

Wanneer je nog niet naar de aarde gekomen bent, leef je eigenlijk helemaal in de buitenwereld. De hele wereld is het innerlijk. Er is geen verschil tussen uiterlijk en innerlijk. Daarom ben je ook niet benieuwd naar het uiterlijk. Alles is innerlijk. En daar ben je niet nieuwsgierig naar. Dat draag je in je; het is een vanzelfsprekendheid, daar leef je in. In de grond van de zaak leert het kind in de eerste zeven jaar lopen, spreken en denken, nog helemaal op de manier waarop het zich gedragen heeft, voor het op aarde kwam. En leg je het erop aan dat het kind nieuwsgierig zou moeten zijn naar een of ander woord, zul je zien, dat je bij het kind de zin om dit woord te leren, geheel laat verdwijnen. Wanneer je rekent op een hang naar weten, op nieuwsgierigheid, laat je dat wat het zou moeten, nu net verdwijnen.

Sie dürfen gar nicht auf die Neugierde rechnen, vielmehr auf etwas anderes: daß das Kind naturhaft in Ihnen selber aufgeht, daß Sie in dem Kinde leben. Alles, was das Kind genießt, lebt, muß so sein, als ob es sein eigenes Innere wäre. Sie müssen ganz auf das Kind den Eindruck machen, wie der Arm des Kindes auf das Kind einen Eindruck macht. Sie müssen nur die Fortsetzung seines eigenen Körpers sein. Dann müssen Sie achtgeben, wenn das Kind den Zahn-wechsel passiert, allmählich in das Lebensalter eintritt zwischen dem 7. und 14. Jahre, wie nach und nach die Neugierde, die Wißbegierde herauskommt, und wie man da taktvoll und vorsichtig sein muß, acht-geben muß, wie sich die Neugierde nach und nach regt. Das kleine Kind ist noch ein Plumpsack, ein Sack, der nicht neu­gierig ist, auf den man Eindruck machen muß dadurch, daß man sel­ber etwas ist. Gerade so wenig, wie ein Mehlsack neugierig ist auf seine Umgebung, gerade so wenig ist das kleine Kind neugierig. Aber wie alles, was Sie in dem Mehlsack an Eindrücken machen, festgehalten wird, insbesondere wenn das Mehl gut gemahlen ist, so bleibt beim kleinen Kind auch alles festgehalten, nicht weil es neugierig ist, sondern so, wie Sie beim Mehlsack mit dem Finger einen Eindruck machen, weil Sie eine Einheit ausmachen mit ihm. Das wird erst mit dem Zahnwechsel anders. Da müssen Sie acht-geben, wie das Kind fragt: Was ist denn das? Womit gucken die

Je mag helemaal niet op nieuwsgierigheid rekenen, veel eerder op iets anders: dat het kind van nature zich in jou verliest, dat het opgaat in jou. Alles waarvan het kind geniet, leeft, moet zo zijn als of het zijn eigen innerlijk is. Je moet op het kind  helemaal de indruk maken als de arm van het kind indruk op het kind maakt. Je hoeft alleen maar het verlengde van zijn eigen lichaam te zijn. Dat wordt met de tandenwisseling anders. Dan moet je erop letten, wanneer het kind tanden gaat wisselen, dus de leeftijdsfase tussen het zevende en veertiende levensjaar binnengaat, hoe de nieuwsgierigheid, de wil om iets te leren zichtbaar wordt en hoe je nu tactvol en behoedzaam moet zijn, erop moet letten, hoe de nieuwsgierigheid stap voor stap van zich doet spreken. Het kleine kind is nog een [hier gebruikt Steiner het woord ‘Plumpsack, dat vertaald ‘vetzak’ betekent en even later een ‘meelzak’. Het gaat om ‘iets’, als je daar je vinger in drukt, die afdruk zichtbaar blijft]  een zak, die niet nieuwsgierig is, waarop je een indruk moet maken door wat je zelf bent. Net zo min als een meelzak nieuwsgierig is, net zo min is een klein kind nieuwsgierig. Maar, zoals alles wat je in die meelzak afdrukt, zichtbaar blijft vooral wanneer het meel goed gemalen is, zo blijft bij het kleine kind ook alles bestaan, niet omdat het nieuwsgierig is, maar net zo als wanneer je met je vinger  in de meelzak drukt, omdat jij met het kind een eenheid vormt. Dan moet je erop letten hoe het kind vraagt: Wat is dit dan? Waarmee kijken de

blz.22:

Sterne? Warum sind die Sterne am Himmel? Warum hast du eine krumme Nase, Großmutter? Nach allem frägt dann das Kind. Es wird neugierig auf die Umgebung. Aber da muß man eine feine Emp­findung haben, wie nach und nach Neugierde und Aufmerksamkeit herauskommen. Und mit den Zähnen kommen sie heraus. Das sind die Lebensjahre, in denen sie herauskommen. Und dann muß man dem entgegenkommen. Man muß das Kind urteilen lassen über das­jenige, was man mit ihm machen soll; das heißt, man muß das leb­hafteste Interesse haben für dasjenige, was jetzt mit dem Zahnwech-sel im Kinde erwacht. Und es erwacht außerordentlich viel. Neugierig ist es nun nicht vom Verstande aus – das Kind hat mit sieben Jahren noch keinen Verstand, wer mit dem Verstande rechnen will, rechnet ganz falsch beim siebenjährigen Kinde -, aber Phantasie hat es, und auf die Phantasie muß man rechnen.

sterren? Waarom staan de sterren aan de hemel? Waarom heb je een kromme neus, oma? Daar vraagt een kind allemaal naar. Het wordt nieuwsgierig naar de omgeving. Je moet er dus een genuanceerd gevoel voor hebben hoe bij een kind langzamerhand nieuwsgierigheid en belangstelling zich uiten. En met de tandenwisseling komt dat eruit. En daaraan moet je tegemoet komen. Je moet het kind laten oordelen over dat wat je met hem moet doen; doet wil zeggen, je moet de meest levendige belangstelling aan de dag leggen voor wat er nu met de tandenwisseling in het kind wakker wordt. En er wordt heel wat wakker. Het kind is niet nieuwsgierig vanuit zijn verstand – het kind van zeven heeft nog geen verstand, wie op verstand rekent, komt bij het zevenjarige kind bedrogen uit –  maar fantasie heeft het wel en daar moet je op rekenen.

Es kommt da wirklich darauf an, daß man den Begriff entwickeln kann: «seelische Milch». Denn sehen Sie, nach der Geburt müssen Sie dem Kinde körperliche Milch geben. Das ist ein Nahrungsmittel, das alles übrige für das Kind in Mi­schung enthält. Das Kind nimmt die Milch auf und hat damit die ganze Nahrung. Jetzt müssen Sie dem Kinde nichts Einzelnes geben, alles muß seelische Milch sein. Wenn das Kind den Zahnwechsei durchgemacht hat und in die Schule hereinkommt, muß alles, was man ihm darbietet, eine Einheit sein: seelische Milch. Das Kind ein-mal lesen lernen, einmal schreiben lernen lassen, ist gerade so, wie wenn Sie die Milch erst chemisch in zwei Teile spalten und ihm dann das eine und dann das andere eingeben würden. Lesen, Schreiben, alles muß eine Einheit sein. Seelische Milch – der Begriff muß er­funden werden für die Kinder, wenn sie in die Volksschule herein­kommen. Das kann nur dann geschehen, wenn man den Unterricht und die Erziehung vom Zahnwechselalter an künstlerisch einrichtet. Da soll das Künstlerische alles durchdringen. Künstlerische Gestaltung des Schreibunterrichts, so daß er aus dem Malen hervorgeht – ich werde das morgen noch ausführlicher beschreiben -, künstlerische Gestal­tung in der Überführung des Schreibens, das aus dem Malen herauskommt

Het komt er echt op aan dat je het begrip kan ontwikkelen: ‘zielenmelk’. Want zie je, na de geboorte moet je het kind lichamelijke melk geven. Dat is voeding waar voor een kind alles in zit. Het kind neemt de melk tot zich en heeft daarmee een mengsel waarin alles van een volledige voeding zit. En nu moet je een kind ook niets aparts geven, alles moet zielenmelk zijn. Wanneer het kind wisselt en op school komt, moet alles wat je hem biedt, één zijn: zielenmelk. Het kind dan eens leren lezen, dan weer leren schrijven is net zo als de melk eerst chemisch in twee delen splitsen en het dan het ene en daarna het andere geven. Zielenmelk – het begrip moet uitgevonden worden voor kinderen wanneer die op de basisschool komen. Dat kan alleen gebeuren wanneer je vanaf de tandenwisseling het onderwijs en de opvoeding kunstzinnig vormgeeft. Het kunstzinnige moet alles doordringen. Kunstzinnig gegeven schrijfonderwijs, zo, dat het uit het schilderen ontstaat – ik zal dat morgen nog uitgebreider beschrijven – kunstzinnig vormgegeven het schrijven dat uit het schilderen ontstaat,

blz.23:

zum Lesen, künstlerische Gestaltung des Lesens und Schrei­bens mit dem, was das Kind in einfacher Weise errechnen soll – das alles muß eine Einheit sein. Solche Dinge müssen erst herausgebildet werden wie «seelische Milch». Die brauchen wir für das Kind, wenn es in die Volksschule kommt. Und wenn das Kind geschlechtsreif wird, braucht es «geistige Milch». Die bringen wir der heutigen Menschheit schon ganz be­sonders schwer bei, denn Geist haben wir gar keinen mehr im mate­rialistischen Zeitalter. Wenn wir nun auch noch Milch ausbilden sol­len, geistige Milch, so ist das ganz besonders schwer, und dann müßten wir schon die Boys und Giris in den sogenannten Lümmel­und Flegeljahren sich selbst überlassen, denn wir haben ja nicht geistige Milch. Damit wollte ich Ihnen heute nur eine Einleitung geben, um Sie zunächst auf den Weg zu bringen. Wir wollen dann morgen in den Betrachtungen fortfahren und uns auf die Einzelheiten einlassen.

en overgaat in lezen, kunstzinnige vormgeving van lezen en schrijven, van wat het kind op simpele wijze moet leren uitrekenen -het moet allemaal één zijn. Dit soort dingen moeten ontwikkeld worden als ‘zielenmelk’. Die hebben we voor het kind nodig wanneer het op school komt. En wanneer het kind in de puberteit komt, heeft het ‘geestelijk melk’ nodig. Die kunnen we de huidige mensheid bijzonder moeilijk geven, want we hebben geen geest meer in ons materialistische tijdperk. Wanneer we nu ook nog melk moeten maken, geestelijke melk, dan is dat heel moeilijk en dan moeten we de boys en girls maar in de zogenaamde vlegeljaren aan zichzelf overlaten, want we hebben geen geestelijke melk. Hiermee wilde ik u vandaag slechts een inleiding geven om u op weg te helpen. We willen dan morgen met de beschouwingen verder gaan en ons met de details bezighouden.

1) GA 311 (Duits)

Steiner: over bleek eruit zien en geheugen

Steiner: alle pedagogische voordrachten

Steiner: alle artikelen op deze blog

GA 311 voordracht  [2]  [3]  [4]  [3]  [5] [6]  [7vragenbeantwoording    vertaling

816

[1] Die Kunst des Erziehens aus dem Erfassen der Menschenwesenheit (GA 311) De uitgave op de site is van 1965 – ik heb die van 1979 gebruikt.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Pasteur

DE MICROBEN-VERDELGER

PasteurEen jaar of wat geleden deed zich in een restaurant in La Plata, Argentinië, het geval voor dat honderden gasten zich van een slasaus bedienden, die het toxine bevatte dat botulisme — een levensgevaarlijke voedselvergiftiging — veroor­zaakt. Toen dientengevolge 30 sterfgevallen plaatsvonden, werd de stad door angst aangegrepen. Onmiddellijk werd er een beroep gedaan op een laboratorium in Parijs, en nog diezelfde dag waren honderden ampullen vaccin boven de Atlantische Oceaan op weg. Deze snelle actie redde de andere slachtoffers het leven.

Op een suikeronderneming op Madagascar — thans* de republiek Malagasië — brak builenpest uit. Een medische ploeg van een der 21 overal ter wereld opgerichte dochterlaboratoria van dat­zelfde Parijse laboratorium werd erheen gestuurd en wist de epidemie tot staan te brengen.

Over de gehele wereld hebben vele miljoenen mensen hun leven te danken aan het Instituut Pasteur uit Parijs. Gesticht in 1888, in een tijd dat de meeste vondsten op medisch gebied nog het resultaat waren van een gelukkige greep van eenzame on­derzoekers in universiteitslaboratoria heeft dit instituut het tijd­perk ingeluid van het georganiseerde medische onderzoek, be­oefend door geschoolde onderzoekers die stelselmatig een dodelijke ziekte te lijf gaan. De afgelopen 75 jaar heeft het de mensheid ontelbare geneesmiddelen en vaccins geschonken.

Louis Pasteur werd op 27 december 1822 te Drôle in Frankrijk geboren, maar tot 1885 bleef de kleine man, met een dun sikje en een half verlamd been, voor de buitenwereld nagenoeg een on­bekende. Anderen hadden microben gezien en beschreven, maar tot 1885 bleef de kleine man, met een dun sikje en een half verlamd been, voor de buitenwereld nagenoeg een on­bekende. Anderen hadden microben gezien en beschreven, maar Pasteur was de eerste die hun geweldige macht — ten goede en ten kwade — besefte. Hij had handboeken over de gisting ge­schreven die voor wijnbouwers, bierbrouwers en azijnfabrikanten nog steeds bijbels zijn. Hij had de grondslag gelegd voor de aseptische chirurgie in een tijd dat infectie nog de verschrikking van de operatiekamer was. Hij had de weg gewezen naar de ge­pasteuriseerde melk, die miljoenen kinderen de ravages van beentuberculose zou besparen.

Nu stelde Pasteur zich een nieuwe taak. In zijn kleine laborato­rium aan de rue d’Ulm wierp hij zijn talenten in de strijd tegen de hondsdolheid, een ziekte zo kwaadaardig dat er in de medische annalen nog geen geval van genezing bekend was. Als de smet­stof van deze ziekte eerst voldoende kon worden verzwakt, zo redeneerde Pasteur, kon ze misschien als vaccin worden toe­gepast, omdat ze het organisme zou prikkelen tot aanmaak van afweerstoffen tegen de onverzwakte, dodelijke smetstof.

Gevaar voor eigen leven trotserend, zoog hij met een glazen buisje speeksel uit de schuimende bekken van dolle honden en spoot dat bij konijnen in het bloed. Toen de konijnen aan de ziekte waren bezweken, haalde hij de ruggenstrengen – voornaam­ste doelwit van het dolheidsvirus — eruit en hing ze te drogen, hopend de smetstof daardoor zo te verzwakken dat ze geen ziekte meer kon veroorzaken. Dierproeven bevestigden zijn ingeving: een emulsie, bereid uit ruggenmerg dat 14 dagen was gedroogd, kon bij proefdieren geen rabiës meer verwekken. Wel beschermde het ze tegen besmetting.

Zou die emulsie nu ook mensen kunnen beschermen? Op 6 juli 1885 kreeg Pasteur de kans, het antwoord op deze kardinale vraag te vinden. Een jongetje van negen jaar, Joseph Meister, was 14 keer door een dolle hond gebeten, en menselijkerwijs ge­sproken ten dode opgeschreven. Pasteur besefte dat zijn vijanden in de medische wereld, als hij de jongen behandelde en het kind stierf toch, hem wel eens van moord zouden kunnen beschuldigen.

Met een bezwaard hart gaf Pasteur het slachtoffertje een in­jectie met vaccin van een 14 dagen gedroogde ruggenstreng. De volgende dag gaf hij de jongen een sterkere dosis, van een 13 da­gen gedroogde ruggenstreng. Zo ging hij gestadig verder. Ten slotte kreeg het kind een dosis uit een ruggenstreng van een pas de vorige dag bezweken konijn. Zoals Pasteur had gehoopt, was intussen bij de jongen de weerstand tegen de ziekteverwekker zo­veel groter geworden, dat zelfs die redelijkerwijs dodelijke in­jectie geen reactie veroorzaakte. Het kind was gered.

Het opzienbarende nieuws verspreidde zich. In een laatste hoop op redding verdrongen de mensen die door een dolle hond waren gebeten zich bij tientallen in het kleine laboratorium aan de rue d’Ulm. Tot hen behoorden 19 Russische boeren die ongeveer twee weken tevoren door een dolle wolf waren gebeten. Ze kenden maar één woord Frans: “Pasteur”. Omdat ze al zo lang geleden waren geïnfecteerd, had Pasteur weinig hoop dat hij hen zou kunnen redden. Toch probeerde hij het — en 16 van hen bleven in leven!

Nog nooit tevoren had een wetenschappelijke prestatie zo alge­meen tot de verbeelding gesproken. Spontaan ontstond er een actie in alle delen van de wereld. Pasteur moest een eigen instituut hebben voor zijn onderzoekingen. Schoolkinderen offerden hun snoepcenten. Een krant in Milaan zamelde onder zijn lezers 4000 gulden in. Tsaar Alexander III stuurde 75 000 gulden; ook de keizer van Brazilië en de sultan van Turkije droegen bij. Het grote bakstenen gebouw verrees aan de rue Dutot, later herdoopt naar een van Pasteurs beroemdste discipelen, in rue du Docteur-Roux. Bij de plechtige opening op 14 november 1888, bijgewoond door de president van de Republiek en andere hoogwaardigheids­bekleders, was Pasteur zo ontroerd dat hij tranen zat weg te pinken terwijl zijn zoon zijn toespraak voorlas.

Hoewel zijn gezondheid te wensen over liet, zat Pasteur vol plannen. De wereld schreeuwde om geschoolde onderzoekers; daarom moest zijn instituut een opleidingscentrum worden. Er waren geen farmaceutische fabrieken om serums en vaccins te bereiden; daarom moest het instituut dat doen. Ziekte kent geen landsgrenzen; daarom moesten medewerkers van het Instituut Pasteur de ziekte gaan bestrijden, waar ze ook mocht optreden.

Woekerend met zijn tanende krachten gaf Pasteur leiding aan zijn begaafde medewerkers. Albert Calmette moest naar Saigon voor het organiseren van een vaccinatiecampagne tegen pokken en hondsdolheid. Alexandre Yersin moest naar Hongkong om de builenpest te bestrijden. (Hij zou later de verwekker isoleren en een beschermend serum ontwikkelen.) Pierre Roux moest in Parijs blijven om zich te wijden aan de geduchtste aller
kinder­ziekten : difterie.

Pasteur heeft slechts de eerste der grote triomfen van zijn in­stituut mogen beleven. In 1894, een jaar voordat Pasteur stierf had Roux een difterie-antitoxine voor gebruik gereed. In een kinderziekenhuis verdeelde hij de difteriepatiëntjes in twee groe­pen. De ene kreeg de beste behandeling, in die dagen bekend — maar geen antitoxine. De andere groep kreeg dat wel. Van de 520 kinderen uit de eerste groep stierf 60 percent. Bij de 488 van de groep die het antitoxine van Roux kreeg, was de sterfte maar 25 percent. De weg naar de overwinning op deze afschuwelijke moordenaar lag open.

In de loop der jaren heeft het Instituut Pasteur de reputatie gevestigd, het productiefste medische researchlaboratorium ter wereld te zijn. Een der schitterendste prestaties van het instituut was de bereiding van een entstof tegen tuberculose, het BCG-vaccin (tegen bacillus Calmette-Guérin, die is genoemd naar twee medewerkers van Pasteur). Er zijn over de hele wereld ruim 200 miljoen mensen mee behandeld, en de onderdrukking van de tuberculose-epidemie die in Europa na de Tweede Wereldoorlog de kop opstak, is er grotendeels aan te danken. Voorts hebben medewerkers van het instituut het eerste antihistaminicum en de eerste synthetische curare bereid; deze laatste stof doet spiercon­tracties ophouden en brengt organen tot rust, zodat buikoperaties eenvoudiger worden.

In de hele geschiedenis is tyfus de verderfzaaiende vazal van de oorlog geweest; deze ziekte, door luizen verspreid, gedijt in de opeengepakte menigten der ontheemden en bij slechte hygiëni­sche toestanden. Het was een der grootste medische doorbraken in onze generatie, toen aan de vooravond van de Tweede Wereld­oorlog dr. Paul Giroud van het Instituut Pasteur een vaccin tegen tyfus ontdekte. Gedurende de oorlog heeft het Internationale Rode Kruis meer dan zeven miljoen doses verdeeld over krijgsgevangen­kampen en andere bedreigde plaatsen. Dat heeft er in hoge mate toe bijgedragen, dat Europa is behoed voor wat een der grootste rampen van onze tijd had kunnen worden.

Terwijl in de Verenigde Staten dr. Jonas Salk en dr. Albert Sabin aan een poliovaccin werkten, zocht in Parijs een pasteurien, dr. Pierre Lépine, in dezelfde richting. Alle drie vonden ze een effectief immunisatiemiddel, en miljoenen kinderen over de hele wereld zijn daarmee tegen poliomyelitis ingeënt.

Het Instituut Pasteur heeft zich schitterend geweerd bij het toepassen van eigen vindingen. Het heeft een gordel van dochter­laboratoria om de aarde gespannen. Dank zij het werk van mo­biele vaccinatiegroepen heeft zich in het voormalige Frans-West-Afrika — eens een broeinest van gele koorts — sinds 1953 geen enkel geval van deze ziekte meer voorgedaan.

Er ligt een wereld tussen het huidige Instituut Pasteur en het kleine laboratorium aan de rue d’Ulm. Bijna 2000 mensen werken in de heterogene verzameling gebouwen in Parijs zelf en in de voor­stad Garches; nog eens 2000 weren zich op buitenposten. Pasteur stond erop dat zijn instituut volstrekt onafhankelijk zou blijven. Met zijn huidige jaarlijkse budget van 40 miljoen francs is het niet aangewezen op overheidssteun, maar het bedruipt zich van de opbrengst van serums en vaccins, door giften, schenkingen van stichtingen en legaten.

Zo groot, druk en bedrijvig als het is, bewaart het nog herinne­ringen aan de begintijd. Op een gazon staat een bronzen beeld van een jongetje — Joseph Meister, als eerste voor hondsdolheid behoed, die de rest van zijn levensdagen conciërge op het instituut is gebleven. De werkkamers van Pasteur in zijn geliefde instituut zijn nog in de staat waarin ze verkeerden toen hij stierf. Zijn instrumenten en zijn aantekeningen liggen uitgestald in vitrines. Louis Pasteur is wel eens “een legende in de kroniek van de
mens­heid” genoemd. Die betiteling is ook toepasselijk op het instituut waarvoor hij de grondslag legde.

*artikel stamt uit de jaren 50 van de vorige eeuw

alle biografieën

815

VRIJESCHOOL – 3e klas – heemkunde (4-2)


VAN HOLEN TOT PAALWONINGEN
Duizenden jaren lang woonden de mensen uit het stenen tijdperk in natuurlijke grotten en holen. Deze diepe, donkere holten werden zeer gewaardeerd door onze voorouders: Allereerst waren het door de natuur geboden schuilplaatsen die goed te verdedigen waren tegen aanvallen van wilde dieren.
Bovendien boden ze beschutting tegen regen en kou.

nMaar na een zekere tijd ruilde de mens deze schuilplaats voor een geriefelijker en gezonder onderkomen. Men had zich bekwaamd in het vervaar­digen van gereedschap en jachtwapens. Men kon dus het hout bewerken en vaartuigen bouwen. Het bouwen van een hut aan het water bood aanzienlijke voordelen: het onderkomen was in ver­houding veel geriefelijker en veiliger. De paalwoningbewoner kon vis vangen om in zijn behoefte aan voedsel te voor­zien. Hij had drinkwater bij de hand en hij kon gemakkelijk aanvallen van vijanden afwenden.

De oudste nederzettingen van paalwoningen ontstonden in de loop van het nieuwe stenen tijdperk (6000 tot 4000 jaar v. Chr.). Ze kwamen tot bloei in het daaropvolgende late stenen tijdperk  (3500-2500 v. Chr.) en zetten zich voort in de bronzen- en ijzeren tijdperken (van 2500-1000 v. Chr.)   Ze kwamen voornamelijk voor in een gebied dat te vergelijken is met het tegenwoordige Duitsland, Zwitserland en Italië.

3e klas 1

In het jaar 1854 zakte, als gevolg van een langdurige droogte, het waterpeil van het Meer van Zürich tot ver beneden normaal.

De bewoners van het dorp Obermeilen benutten de kans om hun akkers uit te breiden door een stuk van het meer met een dam af te sluiten. Tijdens het
aan­leggen van die dam kwamen de arbeiders een laag zwarte klei tegen, waar een woud van palen tot vier meter diepte in geheid was. Tussen de palen vond men een grote hoeveelheid voorwerpen, zoals gereed­schappen van steen en beenderen, handgemaakte potten, overblijfselen van kookplaatsen en ander huisraad.
Voor de eerste keer had men een grote nederzetting van paalwoningen uit het stenen tijdperk ontdekt, woningen die op palen boven het water waren ge­bouwd.

De gebruiksvoorwerpen die uit de modder te voorschijn kwamen waren vier tot zesduizend jaar geleden voor het laatst gebruikt. Later heeft men in heel Europa tientallen zeer gaaf bewaarde overblijfselen van paalwoning-neder­zettingen ontdekt en onderzocht.

Bouwen op palen
Om zo’n paaldorp te bouwen, waren tientallen mannen enige jaren bezig. In die tijd leefden de gezinnen bij elkaar in stammen. Er was geen gebrek aan mankracht.
Als bouwplaats voor zulke nederzettingen gaf men de voorkeur aan meren en moeras­sen. Rivieren waren minder geschikt vanwege hun steeds veranderende waterstan­den: de perioden van droogte en gevaarlijke overstromingen.

Allereerst werden boomstammen, voorzien van een scherpe punt, in de modderachtige bodem geslagen. De palen staken ongeveer twee meter boven de waterspiegel uit. Op de palen werd een vloer van boomstammen gelegd, die men vastzette met behulp van houten pennen. Op de zo tot stand gekomen vlonder ging men hutten bouwen.
De hutten waren vierkant of rond. Ze werden ook uit boomstammen opgetrokken. De kieren tussen de stammen werden dichtgesmeerd met klei. Deze klei, verhard onder invloed van zon en lucht, veranderde in een zeer sterke pleisterlaag.

3e klas 2

3e klas 3

3e klas 4

 

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

814

VRIJESCHOOL – Vertelstof – beelden

 

HET BELEVEN VAN BEELDEN EN DE KRACHT VAN DE FANTASIE

leder mens heeft een bron in de ziel, waaruit beelden en gedachten opwellen. Het is een scheppende bron die bij ieder individueel mens verschillend is.
De algemene benaming ervoor is ‘fantasie’.
Door de fantasie verbindt de mens zich actief met de wereld. Zij kan helpend en erop gericht zijn om ‘het goede te doen’, dus een ‘morele fantasie’ zijn — of zij kan, slechts op een egoïstisch doel gericht,
afgunstig, asociaal, brutaliserend zijn. Aan het goede zowel als aan de negatieve uitwassen van vijandigheid, vernietiging, zijn geen grenzen gesteld. Iemand met een uitgedroogde, verarmde fantasie zal meestal een passief en dof bestaan leiden. Zijn belangstelling is slechts op zijn alledaagse bestaan gericht. Fantasie die bepaald wordt door agressieve beelden heeft onmenselijkheid en leed tot gevolg.
Zoals de ontwikkeling van het menselijke organisme door een gezonde voeding wordt bevorderd en door verkeerde voeding kan worden belemmerd of geschaad is dat ook het geval bij de ‘fantasiemens’ in ons: beelden zijn opbouwende elementen van de ziel. Het voedsel voor het lichaam wordt door de mond opgenomen; oog en oor zijn hoofdzakelijk de poorten voor de eerste voeding van de ziel in de kindertijd. In de opvoeding kunnen wij er invloed op uitoefenen hoe het kind zijn fantasie ontwikkelt, of zij arm, verdroogd of bloeiend en creatief, misschien ook woekerend, chaotisch en ziekelijk wordt. Allerlei soorten van aangeboren aanleg worden positief of negatief beïnvloed door wat wij het kind van jongs af aan tegemoet brengen, waarheen wij het leiden of waarin wij het laten verdwalen.
Wij leven in een tijdperk van een ongeremde productie van beel­den. Daarom hebben wij als opvoeders meer dan ooit tot taak, voor de opbouw van een innerlijke wereld van beelden bewust, leidend en beschermend, te zorgen.

De uiterlijke beelden
Het ligt in de natuur, dat op de kleine kinderen met hun ontwakende zintuigen uiterlijke indrukken van de omgeving afkomen. Het vroegste beeld dat de kinder­ziel opneemt is dat van de moeder. Dat is niet hoe de moeder er gewoon uitziet, maar het beeld van haar wezen, of ze teder is, zachtaardig, troostend, bedrijvig en opgewekt, of hard, weinig tegemoetkomend, scheldend, slordig en knorrig. Het beeld van de vader staat hier naast. Is ook hij teder, helpend, opgewekt, conse­quent of onverschillig, zonder contact?

Vom Vader hab’ ich die Statur,      van vader heb ik de gestalte,
Des Lebens ernster Führen,           het leven serieus te nemen,
Vom Mütterchen die Frohnatur    van moeder mijn opgewekte aard
Und Lust zu fabulieren.                  en de zin om te fantaseren,

J.W. Goethe.

Opgewektheid, een blij gemoed en lachen openen poorten van de ziel. Als er in de omgeving van het kind een blijde, harmonische sfeer is, als de vroege overvloedi­ge contacten met mensen een gevoel van veiligheid geven, dan is de basis gelegd voor het opbloeien van de fantasie in het kinderlijke spel. Hoe eenvoudiger het speelgoed, de poppen en de beesten zijn, des te meer worden daardoor de fanta­siekrachten in het kind opgewekt om alles levend te maken. Vol verbazing opent de kinderziel zich: wij zien in dit gegeven een primaire kracht waardoor het kind bereid is een echo te laten weerklinken op hetgeen de wereld is. In de mogelijk­heid tot nabootsing ligt de tweede kracht die een verdere ontwikkeling op gang brengt. Hier is een wezenlijk verschil met de dieren, die door hun organen beperkt blijven. De mens kan een binnenwereld opbouwen, van waaruit hij zijn organen gaat besturen, waarmee hij zijn omgeving actief nabootst. Mensen, beroepen, dieren, de wind worden nagebootst, vanzelfsprekend ook de auto, de
verkeers­agent, het vliegtuig. Al dit tot een echo worden van uiterlijke gebeurtenissen bete­kent een voortgaande verrijking van de innerlijke wereld van het kind.
Wat er in kleuterklassen gebeurt komt in belangrijke mate tot stand doordat de echo­werking wordt overgeleid in het spelen. Spelen betekent actief beelden vormen.
De moderne beschaving heeft meegebracht, dat kinderen veel te vroeg TV kijken. Dan kunnen ze niet met de grootste verbazing iets op zich laten inwerken; hier heersen beeldmotoriek en trucfilms, suggestieve inprenting van voorstellingen, waarvan de beelden dikwijls karikaturen zijn (Sesamstraat e.d.). Als het kind naar uitzendingen voor volwassenen kijkt, wordt het geconfronteerd met het huidige realisme via de fotomontage, die het absoluut nog niet kan verwerken. Er komt daar een optisch diffuus beleefde, chaotische stroom van beelden in de ziel van het kind binnen. Meestal wordt die als laatste ervaring van de dag in de slaap meegenomen, waar bij het onder de drempel van het bewustzijn verder flikkert. Dat daardoor de opbouw van de innerlijke creatieve beelden- en fantasiewereld van het kind aangetast wordt is een feit, dat nog door veel te weinig ouders wordt ingezien. In plaats van geassimileerde innerlijke beelden ontstaat een warwinkel van duizenden beelden die zonder een innerlijk verband in de ziel van het kind rondspoken. In plaats van fantasie op te bouwen is nerveuze fantasterij het resul­taat. Als een dergelijk chaotisch worden van de waarnemings- en denksfeer in het kind ontstaat, werkt dit dienovereenkomstig door in het gevoels- en wilsleven. Het is geen wonder als de kinderen dan i.p.v. echte gemoedsaandoeningen apathie en verkilling van de ziel vertonen en het wilsleven steeds ongeconcen­treerder wordt. Wij zouden het kind ertoe willen brengen dat het onbevangen de dingen in zijn omgeving en in de natuur kan zien en er in de ziel een echo daarvan weerklinkt. Door de lawine van dagelijks opgenomen bewegende foto’s wordt de blik echter een soort van staren, d.w.z. er wordt gekeken zonder dat de ziel nog kan meeleven met het waargenomene. De werking gaat in twee richtingen. Er zijn kinderen, bij wie het staren tot afstomping, lethargie wordt. Bij meer gevoelige kinderen, die steeds weer proberen om tot een mee-beleven te komen, ontaardt de overprikkeling in nervositeit. Vergeefs proberen ze om wat zij zien door de nabootsing psychisch te assimileren; maar het tempo en de frequentie van de beelden laten dat niet toe. De identificatie is altijd alleen maar heel even. Als ouders van kleine kinderen wisten, hoe schadelijk dit overgeleverd zijn aan een medium wat niet beheerst kan worden is, dan zouden zij wel drastisch ingrijpen. Zij zouden
probe­ren te verhinderen, dat de ontwikkeling van de kinderlijke fantasie dag in dag uit ernstig wordt gestoord en beschadigd.
Tot zijn 10e jaar is het kind onkritisch en weerloos aan de beeldbuis overgeleverd en ook voor de latere ontwikkelingsja­ren is deze een belasting.

Maar kinderen hebben absoluut veel beelden nodig voor de ontwikkeling van de fantasie. Bepaalde soorten van beeld-beleven en -inhouden werken in positieve richting. De bioloog Adolf Postmann vatte het kinderlijke beleven van de omgeving samen in het begrip: primair wereldbeeld. Wij kunnen de kinderen van jongs af aan naar het ontdekken van ‘het boek der natuur’ leiden. Dat is ook voor
stads­kinderen mogelijk en nodig. Er zijn kamerplanten, parken, bossen in de omge­ving, recreatiegebieden, enz. Het is van belang, om met kleine kinderen samen te zoeken en te kijken, bijv. hoe in een bloempot de krokus, de narcis, de hyacint elke dag een beetje meer te voorschijn komt en tot bloem wordt. Onze verbazing en de bewondering voor wat mooi is gaat over op het kind. Bijgestaan door onze fantasie kunnen wij op eenvoudige manier over de zonnestraal vertellen die de bloem tevoorschijn lokt opdat de mensen daaraan vreugde beleven. Bij het uiter­lijk beleefde beeld voegen wij de poëtische stemming. Wij zouden samen met het kleine kind moeten zien, hoe de bijen de bloemen opzoeken of, als ’t ons zelf nog lukt om waar te nemen, hoe de vlinder met zijn tong honing uit de bloem zuigt. Een paar keer zulke kleine wonderen van de natuur met aandacht bekeken kan tot gevolg hebben, dat het kind later liefde voor de natuur krijgt. Ook de band van het kind met het dierenleven moeten wij voor het kind tot stand brengen (zonder de domme karikaturen van de stripverhalen!). Een huisjes- of een naaktslak bekij­ken, zachtjes een voelhorentje aanraken, plezier hebben aan hoe de worm of de mier zich voortbeweegt, kijken hoe een spin haar web maakt, naar de sterren en de fasen van de maan kijken, de kleuren van de zonsop- en ondergang waarne­men. Als het ons dan lukt, poëtische antwoorden op het waarom? van de kinde­ren te geven, dieren en boemen in de trant van de sprookjes te laten spreken, dan komt de primaire beeldenwereld binnenin de fantasie en in het gemoed: er ontstaat een grondslag voor liefde en belangstelling voor de natuur en de wezens die erin leven.

De innerlijke beelden
Naast dit gaandeweg veroveren van de ‘uiterlijke beelden’ vraagt het kind ook om innerlijke beelden. Het waarom-vragen is hiervoor een teken.

Waarom is de maan koud en de zon warm?’

Waar zijn de sterren overdag?’

Waarom fluit de merel en tsjilpt de mus?’

Daarmee komen wij in het gebied van de innerlijke poëtische, sprookjesachtige beelden, die een antwoord bevatten dat het gemoed van het kind bevredigt. Vanaf het 4e jaar ontstaat steeds meer het vermogen om uit woorden en kleine vertellingen innerlijke beelden te vormen. Het kind wil steeds meer sprookjesach­tige vertellingen horen, waarvan er vele elke dag weer herhaald kunnen worden. Door de herhaling worden de innerlijke beelden concreter. Het kind gebruikt bij het omvormen van de woorden tot innerlijke beeldgebeurtenissen zijn actieve fantasiekrachten. Dat gaat zelfs zover, dat het al bij het begin van de vertelling in zijn innerlijke beeldenwereld betoverd is. De schat aan sprookjes is hier een hulp waardoor er een polarisering van een innerlijke, nog diffuse overvloed van beelden ontstaat, de beelden worden geordend in figuren die sympathiek (het goede) en die antipathiek (maskers van het boze, duistere, onmenselijke) zijn. Voor heel jonge kinderen zou de nadruk bijna uitsluitend moeten vallen op het sympathieke, vriendelijk-goede en vrolijke, het boze slechts even geschetst moeten worden. Maar tegen het 7e jaar verlangt het kind steeds meer de duidelijke polariteit, de heks, de boze wolf, de draak die worden overwonnen. Aan deze beelden beleeft het in de fantasie de toekomst van het leven, het bedreigende en bemoeilijkende van de levenssituatie.
‘Het toetst in de fantasie de eigen, jeugdige moed, de eigen hulpvaardigheid, trouw en liefde en begint naar standvastigheid te verlan­gen, die het bedreigende meester kan worden.’ (Wilh. Korff).

Ouders en opvoeders zijn echt in staat door vertellingen de kinderziel te begeleiden en daardoor een liefdevolle band te scheppen. Niet via de grammofoonplaat* maar door het gesproken woord, vanuit het gemoed van de verteller (vooral van de vader en de moeder) zou het heel jonge kind zijn innerlijk voedsel in de vorm van beelden moeten krijgen. In de ziel wordt daardoor het vermoeden opgewekt om beelden te scheppen, rijker aan fantasie te worden. Daarvoor wordt de grondslag gelegd voor menselijkheid en echte moraliteit. En ook van een later ontwakend denken dat niet abstract wordt maar steeds weer in het menselijke uitmondt. De in het innerlijk oprijzende beelden, die de vrucht zijn van het contact met de verteller, wekken het vermogen om uit woord en zin actief het daarin verborgen beeld te beleven. Dit kan later bij het lezen blijken. Letters en tekens verdwijnen, beelden komen te voorschijn! Een belangrijke hulp hierbij is het artistiek goede, aan het kind aangepaste, prentenboek. Maar ook hier geldt: het kind ertoe aansporen om te kijken, met hem samen de platen bekijken, misschien uitvoerig bij zo’n plaat vertellen. Dan gaan de beelden ook ‘spreken’. Een weinig gewetensvolle industrie heeft de onuitputtelijke reeksen van strips op de markt gebracht. Maar al te veel ouders menen zich voor een paar guldens van hun unieke en schone plicht te kunnen loskopen; ze nemen daarbij de successievelijke deformatie van de fantasie van hun kinderen op de koop toe. Als die niet wordt opgebouwd naar de in de mens sluimerende wetten, ontstaan er onherroepelijk innerlijke defecten, die de psycholoog of de psychiater dan later maar moet herstellen. De huidige maatschappij, overgeleverd aan de moderne media, dient zich hierop wel te bezinnen. Aan het eind** van ‘de eeuw van het kind’ weerklink de roep: ‘redt de fantasie!’

(Jakob Streit, Weledaberichten 120, april 1980**)
*Of wat er tegenwoordig aan middelen bestaat, zoals cd en video

 

Jakob Streit was zelf een begenadigd verteller.

 
Uitgeverij Christofoor:
Jakob Streit werd geboren in het Zwitserse stadje Spiez aan het meer van Thun. Zijn kinderjaren waren nauw vervlochten met de planten en de dieren waartussen hij op de berghellingen speelde. Later, na de onverwachte dood van zijn vader, besloot Streit onderwijzer te worden. Tijdens zijn eerste baan als onderwijzer op een dorpsschool begon hij verhalen te schrijven en poppenspelen voor de verschillende klassen van de school. En zo werd hem ten slotte gevraagd het beroemde spel van Wilhelm Tell in Interlaken te regisseren.

Hij schreef o.a.:

En het werd licht
Het bijenboekje
Tatatoeks reis naar de kristalberg
Immanuel
Dierenverhalen

 

Vertelstof: alle artikelen

813

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Magalhaen

VEROVERAAR DER ZEEËN

MagalhaenHet begon met het zoeken naar specerijen. Sinds de tijd, dat de Romeinen de smaak te pakken hadden gekregen van de sterk gekruide gerechten uit het Oosten, kon het Westen er onmogelijk meer buiten. Tot ver in de middeleeuwen was het voedsel in Europa onvoorstelbaar laf. Vruchten, die nu heel ge­woon zijn, waren toen nog onbekend. Er waren geen tomaten, geen maïs, evenmin thee en koffie. Zelfs de tafels der rijken boden niets waarmee deze eentonigheid kon worden doorbroken, tenzij men specerijen kon bemachtigen.

Die waren alleen in Indië te krijgen en de handelswegen daar­heen en weer terug waren zo lang en gevaarlijk — zozeer be­dreigd door bandieten — dat specerijen tegen de tijd dat zij Euro­pa bereikt, hadden, uitermate kostbaar geworden waren. Zo wer­den gember en kaneel op een apothekersbalans gewogen. Peper­korrels gingen per stuk en waren hun gewicht in zilver waard.

De stoutmoedigheid die leidde tot de reizen van Columbus, Dias, John Cabot en andere grote ontdekkingsreizigers uit die tijd, kwam bovenal voort uit een brandend verlangen nieuwe, onbedreigde handelsroutes naar de Specerij-eilanden in het Verre Oosten te vinden. En nadat Vasco da Gama, die in 1498 de zuide­lijke tip van Afrika rondde, Indië had bereikt, begon er een wed­loop om handels- en militaire posten in het Verre Oosten te be­zetten. In 1505 zonden de Portugezen een vloot uit om in Indië factorijen te vestigen en een jonge Portugese soldaat, de 24-jarige Fernao de Magalhaen, reisde mee. Van deze en volgende expedi­ties naar Malakka (nabij het huidige Singapore, toegangspoort tot de Specerij-eilanden) kwam Magalhaen terug als een man van ervaring en met een Maleise slaaf, die hij in Malakka had gekocht. Deze slaaf, die hij Enrique noemde, zou een verbazingwekkende rol spelen in Magalhaens latere loopbaan.

Magalhaen had nu de blik op verre einders gericht en hij droomde ervan de Specerij-eilanden te bereiken door naar het westen te varen, zoals Columbus vóór hem had willen doen. Ook andere avonturiers — onder wie Amerigo Vespucci, Cortes en Cabot — hadden de Amerikaanse kust afgezocht op een door­gang naar Indië, en waarschijnlijk had Magalhaen zich laten leiden (en naar later zou blijken misleiden) door een geheime kaart — gebaseerd op Vespucci’s waarnemingen — die een zee-engte aangaf, verborgen achter Cabo Santa Maria in Uruguay.

Hoe het ook zij, terwijl andere ontdekkingsreizigers bescheiden zeiden: “Ik hoop een zee-engte te vinden,” kondigde Magalhaen met overtuiging aan: “Ik wéét waar ik die moet vinden.” En op grond van die zekerheid vroeg hij koning Manuel I van Portugal een vloot uit te rusten om die nieuwe weg naar het oosten te ont­dekken.

Toen de koning zijn steun aan zo’n onzeker avontuur weigerde, bood Magalhaen Portugals grootste mededinger in de specerijenhandel, Spanje, zijn diensten aan. Bij het Spaanse hof maakte zijn boute bewering dat hij als enige de ligging van de geheime paso kende, diepe indruk. Koning Karel, die er tuk op was zijn Portugese rivaal een slag voor te zijn, zegde de verlangde steun toe en machtige Spaanse bankiers namen het op zich een vloot van vijf schepen uit te rusten.

Op dat ogenblik gaf koning Manuel zijn ambassadeur in Spanje order de onderneming te torpederen. Zo werd Magalhaen bij zijn voorbereidingen voortdurend belemmerd door ruzies, vertra­gingen en onlusten. Bemanningen vond hij slechts met de grootste moeite. Maar onder het allegaartje avonturiers raakte toevallig een jonge Italiaan verzeild, Antonio Pigafetta, die meeging omdat hij “de pracht en verschrikkingen van de oceaan” wilde zien. Het nageslacht is hem veel verschuldigd, want hij hield uiterst zorgvuldig een dagboek bij van deze historische reis.

Magalhaens vloot vertrok op 20 september 1519 uit de Spaanse haven Sanlúcar. Van de 265 man aan boord namen de meesten voor eeuwig afscheid van hun vaderland. Voor het vertrek gaf Magalhaen een order uit, dat de vier andere schepen elke avond tot dichtbij het vlaggenschip de Trinidad moesten koersen om beve­len voor de nacht in ontvangst te nemen. Dank zij deze dagelijkse contacten werd de discipline gehandhaafd.

De gezagvoerders hadden verwacht aan boord van het vlaggenschip te worden genodigd en geraadpleegd te worden over de te volgen koers. Maar Magalhaen vroeg niet naar hun mening. Zij hadden overdag de vlag maar te volgen en ’s nachts het baken, met de gehoorzaamheid van een hond. Toen Magalhaen dus zuidwaarts zeilde langs de kust van Afrika, in plaats van een zuid­westelijke koers naar Brazilië te volgen zoals men had verwacht, vroeg Juan de Cartagena, kapitein van de San Antonio, ronduit waarom de koers was gewijzigd. Waarschijnlijk had Magalhaen dat gedaan in de hoop een gunstige wind in de zeilen te krijgen, maar hij antwoordde slechts, dat niemand het recht had hem om uitleg te vragen. Daarmee nam hij Cartagena zozeer tegen zich in, dat deze op een avond weigerde de San Antonio naar het vlaggenschip te sturen om orders in ontvangst te nemen. Voor iedereen op de vloot was het nu duidelijk, dat Juan de Cartagena het onbe­perkte gezag van de Portugese bevelhebber niet erkende.

Magalhaen liet er enige dagen overheen gaan. Toen, alsof hij capituleerde, belegde hij een vergadering van de vier kapiteins aan boord van het vlaggenschip. Juan de Cartagena kwam met de anderen mee en, woedend over Magalhaens weigering uitleg te geven over de nieuwe koers, zegde openlijk de gehoorzaamheid op. Onmiddellijk ontbood Magalhaen zijn militaire adjudant en liet de muiter arresteren.

Magalhaens neef Mesquita kreeg nu het bevel over de San Antonio en de vloot vervolgde zijn koers zonder verdere incidenten. Op 13 december, na elf weken op zee te zijn geweest, liep men de baai van Rio de Janeiro binnen. Voor de vermoeide bemanning moet die baai een paradijs geweest zijn. De inboorlingen kwamen uit hun hutten aan de rand van het bos te voorschijn en begroetten de zeelieden heel nieuwsgierig, maar zonder achterdocht.

Na dertien dagen — om uit te rusten en leeftocht in te nemen — hervatte Magalhaen de reis zuidwaarts langs de kust van Brazilië en bereikte op 10 januari 1520 Cabo Santa Maria. Daarachter zagen de matrozen een lage heuvel, die oprees uit een wijde vlakte en noemden die Montevidi — nu Montevideo. De reusach­tige baai, die zij toen binnenvoeren, was in feite de monding van de Rio de la Plata, maar daar had Magalhaen geen vermoeden van. Veertien dagen lang verkende hij dit water en tot zijn bittere teleurstelling ontdekte hij, dat het slechts de monding van een grote rivier was.

Magalhaen besefte dat geen van de kapiteins iets van zijn teleurstelling mocht vermoeden. Dus voer hij vastberaden verder langs een kust, die er voortdurend verlatener begon uit te zien. Magalhaen verkende elke baai met telkens opflakkerende en telkens weer ijdel blijkende hoop. Al verder naar het zuiden zeilde de vloot. De dagen werden steeds korter, de nachten langer. De zeilen zagen wit van de sneeuw, stengen en ra’s werden versplinterd in orkanen. Een halfjaar was voorbijgegaan en de zuidpoolwinter was in aantocht. Magalhaen scheen zijn doel nog geen stap genaderd. Op 31 maart 1520 doemde er een nieuwe inham op. Het was een afgesloten baai. Niettemin ging Magalhaen er binnen. Het was een beschutte plek en er scheen veel vis te zijn, dus gaf hij bevel tot ankeren. Hij had besloten in dit Port San Julian, deze onbekende, verlaten baai, te overwinteren.

Hier opgesloten en op karige rantsoenen gesteld, begon de be­manning te morren, terwijl de spanning tussen Magalhaen en de Spaanse gezagvoerders zodanig steeg dat het op een open rebellie uitliep. Onder dekking van de nacht ging de muiter Cartagena met twee andere Spaanse kapiteins en dertig gewapende man­schappen aan boord van de San Antonio en nam bezit van dat schip, waarbij één officier werd vermoord. Magalhaen besloot nu tot straffe maatregelen over te gaan. Hij zond zijn provoost, Espinoza, op wie hij bouwen kon, met vijf man naar de Victoria en gaf hem een brief mee voor de muitende kapitein Luis de Mendoza.

De muiters aan boord van dit goed bewapende schip koesterden geen argwaan, toen zij het kleine bootje zagen naderen. Hoe kon­den zes mannen een schip met een bemanning van zestig koppen aanvallen? Alsof hij alle tijd had klom Espinoza aan boord en overhandigde Magalhaens brief aan kapitein Mendoza, waarin deze op het vlaggenschip werd ontboden. Mendoza las de bood­schap en barstte in lachen uit omdat de valstrik duidelijk was. Maar zijn lach eindigde in een afschuwelijk gereutel, want de provoost stak hem een dolk in de keel.

Magalhaen had geen moeite met het arresteren van de twee muitende gezagvoerders, die overgebleven waren, Juan de Car­tagena en Gaspar Quesada. Quesada werd ter dood veroordeeld. Juan de Cartagena, de eigenlijke leider van de muiterij, en een priester, die getracht had een tweede muiterij te beginnen, waren niet minder schuldig dan Quesada. Maar Magalhaen besloot hen op de kust achter te laten. Toen de vloot opnieuw onder zeil ging, werden de twee aan hun lot overgelaten, met een voorraad proviand en wijn. De Almachtige God zou beslissen of zij daar zouden sterven.

In Port San Julian hadden de Spanjaarden niets dan rampen gehad. Zodra de winter voorbij was, moest de kleine Santiago, het meest wendbare schip van de vloot, op verkenning buiten de baai. Het schip ging onder in een storm, hoewel de bemanning veilig aan land wist te komen. Magalhaen zond prompt een boot uit om de schipbreukelingen te redden.

Op 24 augustus 1520 gaf Magalhaen ten slotte bevel het ramp­spoedige San Julian te verlaten, met een laatste blik op het on­gelukkige tweetal dat moest achterblijven. Een van zijn schepen was gezonken, twee van zijn kapiteins waren dood, er was bijna een jaar voorbijgegaan sedert het begin van de reis ………….een jaar waarin men geen duimbreed verder was gekomen, niets ontdekt had en   niets bereikt had.

Het moeten de somberste dagen van Magalhaens leven geweest zijn. Hij probeerde verder te zeilen, maar gedurende nog twee lange maanden werd hij door stormen voor de barre kust opge­houden. Toch was hij dicht bij zijn doel, zonder het te weten. Op 21 oktober 1520 kreeg hij witte klippen in zicht, die zich boven een vreemd gekartelde kustlijn verhieven en al spoedig liep hij een diepe baai binnen, waar het water zwart getint was. Er was geen spoor van menselijk of plantaardig leven te bekennen. Niets dan een huilende wind. De manschappen keken bedenkelijk naar de inham, donker als Hades en omringd door bergen. Maar Magal­haen, geobsedeerd door de gedachte aan een verborgen straat, drong erop aan deze merkwaardige baai te verkennen. De San Antonio en de Concepción gehoorzaamden aarzelend toen hij die twee schepen bevel gaf zo ver zij konden naar het westen te varen, maar na vijf dagen terug te keren om    rapport uit te brengen.

Nauwelijks had de vloot zich in twee delen gesplitst of het water in de baai werd opgezweept door een storm en Magalhaens schip werd bijna op de rotsen geworpen. Maar zijn grootste bezorgd­heid gold de San Antonio en de Concepción. De orkaan moest hen in de zeeëngte overvallen hebben en als er geen wonder was gebeurd, waren zij nu te pletter geslagen. Na vier dagen angstig afwachten kwam er een zeil in zicht. God zij dank, er was één schip gered! Nee, beide schepen, want zowel de San Antonio als de Concepción kwamen veilig en wel terug. De twee gezagvoerders brachten Magalhaen het vurig verbeide nieuws. De schepen die naar het westen waren voortgedreven, zouden op de rotsen te pletter ge­slagen zijn, indien zich niet op het laatste moment een doorgang voor hen had voorgedaan. Al hadden zij het westelijke uiteinde daarvan niet verkend, zij twijfelden er niet aan of dit was een zeestraat. Beter nieuws had de zwaar beproefde Magalhaen niet kunnen krijgen. Men moest dus niet langer aarzelen. Met vast­beraden moed de doolhof in, die hij op dat moment Todos los Santos noemde, maar die bij het nageslacht Straat Magalhaen zou heten.

Toen de zeestraat zich tenslotte opende en de wijde oceaan voor hen lag, rolden er vreugdetranen in zijn zwarte baard, zo lezen we. Nu ontbood Magalhaen de gezagvoerders om te rapporteren hoe het met de proviand stond. Zij hadden hun eerste doel bereikt. Waren zij nu bereid verder te zeilen om een weg naar de Specerij­eilanden te ontdekken? Hij kon niet ontkennen, dat de geringe voorraad leeftocht ernstige gevaren meebracht. Maar hijzelf bleef daar onbevreesd onder. Men zou doorzeilen. Magalhaen gaf zijn kapiteins echter bevel, de bemanningen onkundig te laten over het tekort aan proviand. De San Antonio, uitgezonden om een diepe zijarm te gaan verkennen, keerde niet terug op de afgesproken tijd. Dagenlang zocht Magalhaen vergeefs naar het schip en ten slotte vroeg hij een astroloog een horoscoop te trekken. De
astro­loog bracht de boodschap over die de sterren hem gegeven hadden en ditmaal bleek die juist te zijn. De San Antonio, zei hij, was ervan­door en had koers gezet naar Spanje.

Opnieuw stond Magalhaen voor een verschrikkelijk dilemma. Het grootste deel van de mondvoorraad was aan boord van de San Antonio. De reis voortzetten zou nu vrijwel gelijk staan met zelfmoord. Toch besloot hij dat te doen. Op 28 november 1520 zetten de drie overgebleven schepen koers over de onbekende oceaan in noordwestelijke richting. Ergens achter de einder moes­ten de Specerij-eilanden liggen, de eilanden die hun rijkdom zouden brengen. En daarachter moesten China en Hindoestan te vinden zijn. En daarachter, in de verre verte, het vaderland, Spanje. Met kanonschoten brachten de drie eenzame scheepjes een eerbiedige groet aan de onbekende zeeën.

De eerste tocht over deze tot dusver naamloze oceaan is een der onsterfelijke daden in de geschiedenis der mensheid. Magalhaen zeilde de leegte binnen. Zijn manschappen waren uitgeput. Zij hadden honger en ontbering achter de rug en honger en ontbering lagen nu ook dreigend voor hen. Hun kleren waren tot op de draad versleten, de zeilen verrot en het want was aan rafels. Velen moeten hun kameraden, die ervandoor waren, benijd hebben. Niettemin zeilden ze verder en nog kwam er geen land in zicht. Hij moest Japan al lang voorbij zijn, dacht Magalhaen. In feite had hij van de uitgestrekte oceaan, die hij de Stille noemde, omdat het er zo vredig was, nog geen derde bezeild. Op 24 januari 1521 kregen ze een eiland in zicht (St. Paulus) en daar namen ze proviand in. Daarna vertrouwden ze zich opnieuw aan de uit­gestrekte wateren toe.

Niet minder dan negentien man, ongeveer een tiende van het aantal, dat nog over was, stierven een vreselijke dood op deze martelende reis over de Stille Oceaan.

Tenslotte klonk er op 6 maart 1521 een kreet uit het kraaienest: ‘Land vooruit!” Het was net op tijd. Indien men nog twee, drie dagen in die leegte had moeten ronddobberen, was er wellicht geen woord over deze heroïsche reis voor ons bewaard gebleven. Maar daar lag een eiland! Nauwelijks was de vloot de baal bin­nengevallen of kleine, beschilderde bootjes met zeilen vervaardigd uit palmbladeren staken van wal. Behendig als apen klauterden de naakte natuurkinderen aan boord en, alsof dat de gewoonste zaak van de wereld was, eigenden zich prompt elk voorwerp toe dat niet spijkervast was. Zelfs de roeiboot van de Trinidad werd in triomf meegevoerd. Magalhaen besloot de diefachtige eilanders mores te leren en stuurde veertig gewapende matrozen op hen af, die de hutten platbrandden en meenamen wat zij maar vinden konden — kippen, vis en fruit.

Deze plundertocht redde de Spanjaarden van de ondergang. Drie dagen rust, verse vruchten, vlees en water maakten dat de meeste bemanningsleden weer spoedig op krachten kwamen. Met hernieuwde moed vervolgde men de reis naar het westen. Toen men een week later nog een eiland en toen nog een in het zicht kreeg, wist Magalhaen dat zij gered waren. Hij had een volledig onbekende archipel ontdekt, de Filippijnen, en daarmee Keizer Karel een nieuwe provincie bezorgd, die langer onder de Spaanse kroon zou blijven dan enig gebied door Columbus, Cortes of Pizarro ontdekt.

Op 28 maart bereikte de vloot Mazzava, een klein eilandje in de Filippijnengroep, en hier had Magalhaen een van de merk­waardigste ervaringen van zijn leven. Terwijl de drie grote, vreemde schepen naderbij kwamen, dromden de vriendelijke bewoners samen op het strand en Magalhaen zond zijn slaaf Enrique op hen af in de juiste veronderstelling, dat de inboorlingen meer vertrouwen zouden hebben in een kleurling dan in een ge­baarde blanke.

Toen gebeurde hc wonderlijke Terwijl babbelende eilan­ders om Enrique heen kwamen staan, ontdekte de Maleise slaaf tot zijn verbijstering, dat hij heel veel kon verstaan van wat zij zeiden. Het was al heel wat jaren geleden dat hij in zijn eigen taal had horen spreken. Door dit verbazingwekkende voorval wist Magalhaen dat hij zijn doel bereikt had. Hij was weer in het deel van de wereld waar Maleis gesproken werd. Wat enige geleerden gedroomd hadden, was nu zekerheid geworden. De aarde was rond, want men was er nu omheengevaren.

De week op Mazzava was de gelukkigste episode van Magalhaens reis. Calamboe, de koning van het eiland, bereidde hem een gastvrije ontvangst en bezorgde hem een overvloed van voed­sel en water. Hij behoefde nu alleen nog maar naar de Specerij-eilanden te varen om zijn opdracht te vervullen. Toch wilde hij de Filippijnen niet verlaten zonder deze archipel tot permanent Spaans bezit te hebben gemaakt, en daarvoor was het niet vol­doende één klein eiland bezocht en geannexeerd te hebben. Hij vroeg Calamboe daarom wat het grootste van de naburige eilan­den was en vernam dat dit Zebu (Cebu) heette. Daarheen zette Magalhaen koers, “want,” zo schrijft de trouwe Pigafctta, “zijn noodlot wilde het aldus.”

Zodra hij Cebu in zicht had gekregen, wist Magalhaen dat dit een plaats van groot belang was. In de haven lagen jonken uit vreemde streken en een groot aantal binnenlandse schepen. Om zich als heer van donder en bliksem aan te dienen liet Magalhaen een kanonsalvo afvuren, waarop de eilanders in alle richtingen vluchtten. Daarna zond Magalhaen Enrique onmiddellijk aan land om als tolk te fungeren en de vorst van het eiland mee te delen dat de donder geen teken van vijandschap was, maar een eerbewijs voor de machtige Radja van Cebu. De admiraal, aldus Enrique, was bereid Zijne Majesteit een verscheidenheid van kostbare goederen te tonen en handelsbetrekkingen met hem aan te knopen. Humabon, Radja van Cebu, nodigde Magalhaens afgezanten op een banket en verklaarde een eeuwigdurend vredes­verdrag met de vreemdelingen te willen sluiten. Zijnerzijds deed Magalhaen zijn uiterste best de vriendschap te bevorderen en de betrekkingen werden zo hartelijk, dat de Radja en de meesten van zijn hovelingen spontaan het verlangen kenbaar maakten christenen te worden.

Zo vierden de Spanjaarden op zondag 14 april 1521 hun groot­ste triomf. Op het marktplein werd een groot kruis opgericht aan de voet waarvan de Radja en vijftig anderen neerknielden en met grote plechtigheid gedoopt werden. Het nieuws werd overal bekend. De volgende dag kwamen er hoofden van de naburige eilanden om ook in deze magische ceremoniën te worden inge­wijd. Binnen enkele dagen hadden bijna alle eilandhoofden trouw aan Spanje gezworen en waren zij besprenkeld met water uit het doopvont.

Magalhaen was over de hele linie geslaagd, alsof engelen zijn pad hadden verlicht. Maar toen deed zich een onverwachte tra­gedie voor. Op een heel klein eilandje, Mactan, dicht bij Cebu, heerste een vorst, Silapulapu, die zich nooit aan de Radja van Cebu had onderworpen. Sedert de komst van de Spanjaarden had hij gedaan wat hij kon om te voorkomen dat de andere eilandhoofden de vreemdelingen van proviand zouden voorzien. Deze weigering om leveranties te doen leek Magalhaen een uitstekende reden om een demonstratie op touw te zetten. De Radja van Cebu stelde voor duizend krijgers tegen Mactan in te zetten, maar Magalhaen sloeg dit aanbod af. Hij wilde bovenal een bewijs geven van het prestige van Spanje door aan te tonen, dat inboorlingen gewapend met krissen en speren, een Spaans soldaat in een stalen harnas zelfs geen verwondingen konden toebrengen. Daarom nam hij niet meer dan zestig man mee en nodigde hij de Radja uit de strijd vanaf een schip gade te slaan.

Tot Magalhaens ongeluk bezat het vorstje van Mactan echter een machtig bondgenoot in de vorm van de kustlijn. De boten konden niet over een koraalrif heenkomen, met dat gevolg dat een landingsdetachement van veertig man, met Magalhaen zelf aan het hoofd, gedwongen was naar de kust te waden, verstoken van de dekking, die de haakbussen en kruisbogen van de boten af verschaften. In groten getale wachtten de inboorlingen hen met uitdagende kreten op. Pigafetta, een van de aanvallers en zelf door een pijl gewond, beschrijft het gevecht als volgt:

Toen de eilanders zagen dat het geschut van onze boten hen niet bereikte, renden zij op ons toe en bestookten ons met pijlen, spiesen en speren, zodat wij ons vrijwel niet verdedigen konden. Toen ze ontdekten, dat onze lichamen geharnast waren maar onze benen niet, mikten zij vooral daarop. Magalhaen kreeg een giftige pijl in zijn voet, waarna hij bevel tot langzaam terugtrekken gaf. Maar vrijwel al onze manschappen sloegen overhaast op de vlucht, zodat er niet meer dan zes of acht bij hem bleven. Al jaren kreupel, kon hij niet snel meekomen. De eilanders herkenden Magalhaen en begonnen nu voornamelijk op hem te richten, waarbij hem tot tweemaal toe de helm van het hoofd werd geslagen. Hij bleef door­vechten tot een zware slag op zijn linkerbeen hem voorover in het water deed vallen. Toen wierpen de eilanders zich op hem en door­staken hem met speren en zwaarden tot hij dood was.

De Spanjaarden verloren niet meer dan acht man bij deze schermutseling, maar de dood van hun aanvoerder maakte de tegenspoed tot een ramp. Er was meteen een eind gekomen aan de mythe van hun onkwetsbaarheid. Was de Radja van Cebu er niet getuige van geweest, hoe Silapulapu, een der meest on­beduidende prinsjes, de blanke god had verslagen?

Maar het was een domme belediging, Magalhaens slaaf Enrique aangedaan, die de uiteindelijke tragedie veroorzaakte. De trouwe Enrique had tot het laatste moment aan de zijde van zijn meester gestreden. Men had hem gewond teruggebracht naar het schip, waar hij bewegingloos in zijn mat gewikkeld lag. Daarop was Duarte Barbosa, die samen met Joao Serrao tot het leiderschap van de expeditie verkozen was, zo dwaas geweest om de arme drommel toe te voegen, dat een hond er niet zo maar zijn gemak van kon nemen als zijn meester dood was. Als hij dus niet prompt aan wal ging om als tolk te fungeren bij de uitwisseling van goe­deren, zou hij een stevig pak slaag krijgen. Enrique liet niets merken, maar hij was diep gekwetst in zijn trots als Maleier. Gehoorzaam ging hij naar de markt, maar daar smeedde hij een samenzwering met de Radja van Cebu. Toen, vier dagen na Magalhaens dood, kwam Enrique bij de kapiteins terug met ver­heugend nieuws. De Radja, zei hij, wilde een schat aan juwelen naar de koning van Spanje zenden. Wilden de kapiteins Barbosa en Serrao aan wal komen om die in ontvangst te nemen?

Serrao en Barbosa liepen blindelings in de val. Al met al gingen er negenentwintig Spanjaarden aan land en onder hen bevonden zich de meest ervaren officieren en stuurlieden. (Gelukkig was Pigafetta nog altijd ziek vanwege zijn verwonding en bleef aan boord). Na een plechtige ontvangst werden de mannen naar een palmhut gebracht, waar een banket gereed stond. Plotseling hoorden degenen, die op de schepen waren achtergebleven, schreeuwen en gillen. De arglistige Radja van Cebu was bezig zijn gasten af te maken. Joao Carvalho, aan wie nu het bevel toeviel, gaf order de kanonnen op de stad te richten. Het ene salvo na het andere werd afgevuurd. Daarna wendden de schepen de steven en vertrokken in alle haast.

Van de 265 schepelingen, die in Sevilla gemonsterd hadden, waren er niet meer dan 115 over, zodat de drie schepen onderbemand waren. De beste oplossing was dus om een van de drie op te offeren. De wrakke Concepción werd daarop gelost en in brand gestoken. De overige twee schepen zetten de reis samen voort, de Trinidad en de Victoria. Hoe node de oorspronkelijke bevelhebber op deze geslonken vloot werd gemist, bleek nu uit de onzekere koers die men voer. In plaats van koers te zetten naar de Molukken, waar men dichtbij was, zwierf men zes maanden rond. Tenslotte, op 8 november 1521, landde men op Tidore, een der Specerij-eilanden. De bewoners waren uiterst vriendelijk. Al wat Spanjaarden maar konden verlangen werd in overvloed verschaft. In wildc baast kochten zij specerijen, waarvoor zij hun musketten, mantels en gordels in ruil gaven. Want nu gingen zij huiswaarts, waar zij rijk zouden worden met de verkoop van deze schatten, die zij hier zo gemakkelijk hadden verkregen.

De schepen werden geladen en van proviand voorzien. Maar terwijl de zeilen gehesen werden, kreunde de Trinidad onder de lading en sprongen de naden open. De Victoria kon niet langer wachten. Men besloot 51 schepelingen op de Trinidad achter te laten, totdat het schip gerepareerd zou zijn.

De reis van de gehavende Victoria rond de tweede helft van de aardbol, nadat men over de eerste helft dertig lange maanden had gedaan, is een der meest heroïsche daden uit de geschiedenis van de zeevaart. Men had proviand voor ruim vijf maanden in­genomen, maar geen zout kunnen krijgen, zodat de grote voorraad varkensvlees in de tropische zon begon te rotten. Om de stank kwijt te raken wierp de bemanning de hele voorraad overboord.

Als gevolg daarvan werd de hongersnood opnieuw hun met­gezel, terwijl zij de Indische Oceaan overstaken. De Victoria was barstensvol specerijen geladen. Maar wie kan met uitgedroogde lippen en een lege maag peperkorrels kauwen, de bijtende smaak van kaneel verdragen of nootmuskaat slikken in plaats van brood? Dagen achtereen werd het ene verschrompelde lijk na het andere overboord gezet. Meer dan twintig bemanningsleden waren ge­storven toen de Victoria op 9 juli 1522, na zes maanden varen, op de rede van Santiago op de Kaap Verdische Eilanden voor anker ging. Men had de Kaap de Goede Hoop gerond en was langs de oostkust van Afrika gezeild.

Dit was een Portugese haven in een Portugese kolonie. Aan wal gaan betekende zich aan de vijand overleveren. Maar de honger liet geen keus en de bevelhebber, Sebastian del Cano, zond enige manschappen aan wal met de instructie dat zij moesten zeggen dat hun schip uit Amerika kwam. De boot van de Victoria keerde terug,volgeladen met proviand,en ging toen om een tweede lading. Maar plotseling zag del Cano, dat enige schepen in de haven bezig waren uit te varen. Hij begreep dat men zijn list doorzien had. Hij liet zijn kameraden aan hun lot over, lichtte snel het anker en hees de zeilen.

Hoe kort en riskant het verblijf op de Kaap Verdische Eilanden ook was geweest, Pigafetta, de ijverige kroniekschrijver, ontdekte er opnieuw een wonder, een fenomeen, waarvan hij als eerste in de wereld getuige was. De mannen, die aan wal waren gegaan om proviand te halen, waren teruggekeerd met het verbazingwekken­de nieuws, dat het daar donderdag was, hoewel het aan boord ongetwijfeld woensdag was. Met de grootste nauwkeurigheid had Pigafetta zijn dagboek drie jaar lang bijgehouden. Kon hij mis­schien een dag gemist hebben? Hij vroeg dit aan Alvo, de stuur­man, die in zijn logboek de dagen eveneens had bijgehouden, en Alvo was er even zeker van dat het woensdag was. Door voort­durend in westelijke richting te koersen moesten de wereldrei­zigers op de een of andere onverklaarbare manier een kalenderdag hebben verloren en Pigafetta’s verslag van dit vreemde verschijn­sel zou later in Europa heel wat verbazing wekken. Tot dusver had niemand vermoed dat men, door tegen de wenteling van de aarde in te gaan, een dag wint.

Nog was de Victoria echter niet thuis. Met krakende spanten, langzaam en moe en met het laatste beetje energie legde het schip de laatste etappe af. Van de 66 opvarenden, die van de Specerij­-eilanden waren vertrokken, was er nog slechts een handjevol over, dat wanhopig moest blijven pompen. Toen ze op 4 september 1522 Kaap St. Vincent, in de zuidwestelijke hoek van Portugal, in zicht kregen, waren zij “zwakker dan mannen tevoren ooit geweest waren”. Twee dagen later zeilden zij de monding van de Guadalquivir binnen — vanwaar zij driejaar tevoren vertrokken waren. De volgende ochtend voer de Victoria de rivier op naar Sevilla.

Sevilla! “Geef een salvo!” riep del Cano. Er klonk een donderend saluut over de rivier. Met de ijzeren monden van deze kanonnen had men drie jaar eerder Spanje vaarwel gezegd. Met dezelfde kanonnen had men een plechtige groet gebracht aan Straat Magalhaen en daarna aan de Stille Oceaan. Met deze grote stukken had men  voor de pas ontdekte Filippijnen een saluut afgevuurd, maar nooit hadden die ijzeren stemmen zo luid en zo jubelend geklonken als nu zij aankondigden: “We zijn terug. We hebben gedaan wat niemand voor ons ooit gedaan heeft. Wij zijn als eersten rond de aarde geweest.”

In Sevilla had zich een enorme menigte op de kade verzameld. Diep ontroerd keken de burgers naar de achttien overlevenden, die van de Victoria aan wal gingen. Zij zagen hoe de mannen haast niet konden lopen van zwakte. Hoe ziek en uitgeput waren deze helden, ieder van hen tien jaar ouder geworden in die drie jaar van ontbering. Maar alvorens iets te nemen van het hun ge­boden eten wilden ze een plechtige gelofte nakomen, die ze hadden afgelegd toen de nood het hoogst was, en liepen barrevoets in boeteprocessie naar de kerk. Plechtig dankten zij de Almachtige voor hun redding en murmelden gebeden voor hun bevelhebber, die bij Mactan gevallen was en voor de meer dan tweehonderd kameraden, die het leven hadden verloren.

Het nieuws van hun terugkeer was als een lopend vuurtje door Europa gegaan. Sinds de reis van Columbus had geen enkele gebeurtenis bij de tijdgenoten zoveel opschudding verwekt. De geografen behoefden nu geen enkele twijfel meer te koesteren. Nu er een schip uit de haven van Sevilla was vertrokken en na voort­durend een westelijke koers te hebben gevolgd in de haven van Sevilla was teruggekeerd, was bewezen, dat de aarde een bol was, rondom bedekt door een oceaan. Onder Spaanse vlag was Colum­bus het moderne ontdekkingswerk begonnen en onder diezelfde vlag had Magalhaen het voltooid. In een periode van dertig jaar had men over de wereldbevolking meer geleerd dan in de duizend jaren, die daaraan waren voorafgegaan.

Zelfs de bankiers, die de vloot hadden uitgerust, hadden reden tot verheugenis. De 520 kwintalen (ongeveer 26 ton) specerijen, die de Victoria als lading had thuisgebracht, waren 45 000 dukaten waard — een zoet winstje. De lading van dit schip maakte het verlies van de vier andere meer dan goed — indien men het ver­lies van meer dan tweehonderd mensenlevens tenminste niet meetelde. In de hele wereld waren er maar een stuk of tien man­nen, die door paniek werden bevangen toen bekend werd, dat één schip van Magalhaens armada veilig was teruggekeerd. Dat waren de muitende officieren, die met de San Antonio ervandoor waren gegaan en meer dan een jaar tevoren in Sevilla waren aan­gekomen. Zij hadden hun muiterij voorgesteld als een
patriot­tische daad en geen melding gemaakt van enige zeestraat. Zij hadden alleen verteld over het bereiken van een “baai” en be­weerd, dat Magalhaen voornemens was geweest de vloot aan de Portugezen uit te leveren. Gelukkig voor deze muiters was del Cano, de kapitein, die het er levend had afgebracht, hun mede­plichtige geweest bij de muiterij van San Julian. Dank zij hem ontkwamen zij aan hun straf.

Del Cano oogstte veel van de lof, die Magalhaen toekwam. In feite bleek de prestatie, waarvoor Magalhaen zijn leven had ge­geven, voor niemand van veel nut te zijn. Zoveel schepen, die naderhand door Straat Magalhaen probeerden te zeilen, gingen daarbij ten onder, dat zeevaarders gedurende tientallen jaren deze gevaarlijke doorgang vermeden en er de voorkeur aan gaven hun goederen via de omslachtige landroute door de engte van Panama te verschepen. Natuurlijk bleven tevens velen de oude weg via de Kaap de Goede Hoop gebruiken.

Binnen één generatie was de Straat bijna vergeten. Achten­vijftig jaar na Magalhaens ontdekking maakte Drake er gebruik van voor een verrassingsaanval op de Spaanse koloniën aan de westkust van Zuid-Amerika. Maar sedertdien wordt de route, waarvan Magalhaen had verwacht, dat zij de voornaamste ver­bindingsweg tussen Europa en de zuidelijke zeeën zou worden, alleen door walvisvaarders en enkele andere schepen gebruikt. Toch zal de geschiedenis nooit de man vergeten, die de Straat voor het eerst bevaren heeft — de man, die de juiste omvang van onze aardbol ontdekte en tevens bewees tot welke hoogten een moedig mens kan stijgen.

Alle biografieën

812