Maandelijks archief: augustus 2022

VRIJESCHOOL – Beweging en leren – een onderzoek

.

In de vrijeschooldidactiek is voor ‘beweging’ een belangrijke plaats ingeruimd.
De inzichten in de wordende mens vormen voor deze didactiek en de vrijeschoolpedagogiek de menskundige basis.

100 jaar geleden (en langer terug) toonde Rudolf Steiner al aan dat ‘bewegen’ – d.i. ‘de wil’ een werking heeft op de ontwikkeling van de hersenen.
Van zo’n gezichtspunt kijken we nu niet meer op.

Voor vrijeschoolleerkrachten is absoluut niet nieuw dat ‘bewegen’ het leren bevordert.

Voor onderzoekers – dat geldt internationaal – is het een belangrijk studie-object geworden en zo verschijnen er nu met grote regelmaat artikelen waarin beweerd wordt voor welk ‘leerdoel’ beweging nu weer goed is.

Zo verscheen er in de digitale nieuwsbrief van ‘Step up to learn‘ van 28 juni 2022 een artikel van een studie met de titel:

.

leren met het hele lichaam kan de herkenbaarheid van de letterklank – de eerste stap om te kunnen lezen – een grote impuls geven.

.

Uit dit artikel:
.
Beweging.

Kinderen die bewegen als ze de klanken van de letters leren, gaan beduidend vooruit in hun vaardigheid om losse letterklanken te herkennen.

Dit is de conclusie van een nieuwe studie o.l.v. de Universiteit van Kopenhagen, afd. voeding, training en sport en het Deens Nationaal Centrum voor lezen, i.s.m. 10 schoolklassen in Kopenhagen.
.
Kinderen worden twee keer zo goed bij moeilijke letterklanken
.

Een team van onderzoekers van de Universiteit van Kopenhagen en het Deens nationaal Centrum voor lezen richtte zich erop of ‘leren met het hele lichaam’, bij het lesgeven bekend als ‘embodied learning’, een positief effect heeft op het vermogen van de kinderen om letterklanken te leren.

Ons onderzoek liet zien: kinderen die hun hele lichaam gebruikten om de klank van letters te vormen, werden bij letterklanken die moeilijker te leren zijn daar twee keer zo goed in, vergeleken met kinderen die dat traditioneel moesten leren‘, zegt student Linn Damsgaard van die universiteitsafdeling.

Wat de moeilijke letterklanken betreft, vervolgt ze: ‘In het Deens zitten veel moeilijke letterklanken en deze in het bijzonder zijn belangrijk, omdat als de kinderen er goed in zijn geworden, dat is al gebleken, gaan ze beter lezen.

Aan het project deden 149 kinderen van 5 à 6 jaar mee die net op school zaten.
Ze werden in drie groepen verdeeld: een groep ging staan en gebruikte het hele lichaam om de letterklanken te vormen; een groep bleef zitten en maakte de letterklanken met de armen en handen; en een controlegroep die zittend  traditionele onderwijsinstructie kreeg, waarbij ze de letters met de hand schreven.

De studie toonde ook aan dat leerlingen die moeilijke letterklanken met handbewegingen maakten terwijl ze bleven zitten, er beter in werden dan de controlegroep.

Om de beginnende lezer een zo goed mogelijke start te geven

Profedsor Jacob Wienecke van de afdeling leidde de studie en legt de achtergronden van het project uit:

Het overkoepelende doel is meer te weten te komen over welke methode er gebruikt kan worden om beginnende lezers een goede start te geven. De idee is dat als we door spel en beweging de kinderen op hun niveau kunnen bereiken en waar hun kracht werkelijk ligt – en we kunnen een vorm van lesgeven ontwikkelen dat lezen met spel verbindt – is dat echt positief.’

Eerder toonden de onderzoekers aan dat kinderen gemotiveerder raken als ze lesmethoden krijgen waar lichamelijke beweging bij hoort. Prof. Wienecke hoopt dat dit een mogelijkheid zal gaan geven dat leerkrachten beweging in de vakken hoog in het vaandel gaan dragen.

De studie onderzocht ook of er een direct effect van dit lichamelijke leren gevonden kon worden tijdens door de kinderen gelezen losse woorden. Dit was niet mogelijk, waarschijnlijk door, naast andere dingen, het feit dat de kinderen zich nog in zo’n vroeg stadium van hun leesontwikkeling bevonden dat zij hun kennis van de klankletters nog niet konden overbrengen op leeswoorden. Of, zoals Linn Damsgaard het beschrijft: ‘Als je de noten en het geluid van een fluit leert, dan ben je nog geen meesterfluitist.’

De studie is de eerste ter wereld die het effect onderzoekt van het samengaan van het hele lichaam met het leren van letters en hun klank.
Het is gepubliceerd in Educational Psychology Review onder de titel:

Effects of Eight Weeks with Embodied Learning on 5-6 Years Old Danish Children’s Pre-reading Skills and Word Reading Skills: The PLAYMORE Project, DK

In de studie zelf staat deze illustratie:

Bij het rechterplaatje moest ik onmiddellijk denken aan die keren dat ik mijn leerlingen de klinkers aanleerde, waarbij deze uitbeelding bij de A hoorde. We maakten het gebaar alsof we iets prachtigs meemaakten waarbij de Aaaa’s a.h.w. niet van de lucht waren. Vervolgens zetten we deze A op de grond, dus de gespreide armen met handen naar onze voeten, vergelijkbaar met hier de blauwe benen. Het dwarsstreepje was heel gemakkelijk de zoom van een jurkje. Dus klank en vorm met elkaar verweven.

Wat de R betreft, waren we Reuzen die met hun dikke buik en grote laarzen voortdurend a.h.w. de R uitbeeldden, waarbij we het grappige vers van Hermien IJzerman spraken:

‘Komt een reus, groot en dom,
Met een rug, o zo krom
Met een buik vol en dik,
Staat dan stil
Wat een schrik.

En we hadden nog ‘Roestkop, de reuzenkoning’.

Toen we de S (s- NIET es) leerden, ging dat bijv. met een spraakoefeningetje: ‘sissende slangen sluipen vlug voort’, waarbij de S met een S(langen)-beweging scherp werd uitgesproken.

M.a.w. dit idee van klank en lettervorm tegelijk aanleren is al zo’n 100 jaar als methode in de vrijescholen bekend – maar dat even terzijde.

Ik was natuurlijk heel benieuwd welke bewegingen de kinderen in dit onderzoek hadden gemaakt.
Maar niet verbaasd: het rapport zegt:

de beweging gekoppeld aan de klank S, werd geassocieerd met een slang.’ 
Staccato letterklanken werden uitgebeeld als vlugge en krachtige bewegingen., bijv. “K,” “T,” “P”).

Wie de spraakoefeningen hierop naslaat, ziet dat in de vrijeschool al tijden dit de opvatting is voor deze klanken.
Nu heb ik het nog niet eens over de euritmie waarin de klanken een speciale beweging hebben.

Wat kunnen we daar als vrijescholen nog van leren?:

Die ruim 100-jarige inzichten en praktische ervaring te koesteren, te verzorgen, te verinnerlijken door deAlgemene menskundeen vooral de kinderen de tijd te gunnen op deze manier vertrouwd(er) te raken met klank en lettervorm.
Gelukkig heeft Steiner ons een schat aan gedachten nagelaten:
bijv. voor het leren schrijven en lezen.

.

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Zintuigen: bewegingszin

Bewegen in de klas

Vrijeschool in beeld: letterbeelden
bewegen in de klas

.

N.a.v. dit bericht reageerde Joep Eikenboom op vrijeschool Facebookgroep:

Een leuk onderzoek, dat weer eens onderstreept wat we al (zouden kunnen) weten.
Er schuilt een gevaar in dat leerkrachten gaan denken dat ze vooral en veel moeten bewegen. Maar het gaat vooral om de afwisseling tussen stilzitten, luisteren, opletten en activiteiten, tussen met je hoofd bezig zijn en bewegen. Onder dat laatste valt ook het werken aan je schrift, aan een kunstzinnige opgave, een knutseltje enz.
Het merkwaardige is, dat stilzitten en denkactiviteiten juist meer lichamelijker maken (incarneren), terwijl bewegen de ziel losmaakt uit het lichaam (excarnerend werkt).
Een ingeslopen gewoonte is het lange bewegen in de ochtend, ooit bedacht als korte opmaat, maar het werkt daarom niet wekkend. De ochtend is voor het hoofdonderwijs, wanneer ‘leer’-stof de hoofdmoot moet vormen. Na de ochtendpauze is de tijd voor de kunstzinnige vakken, voor de vreemde talen en de oefenuren. Na de lunch is voor het bewegingsonderwijs.
In een normaal lesrooster is dat nauwelijks zo in te passen, maar het kan wel een richting geven.
De ochtend te beginnen met een half uur touwtjespringen, hardlopen of juist met het andere uiterste wat je ook veel tegenkost: een half uur stillezen, het vraagt allemaal om nadere beschouwing en brononderzoek.
3e en 4e voordracht van Menskunde en Opvoeding (Ergänzungskurs – GA 302)
.
2698

.

VRIJESCHOOL – ‘Breinvriendelijk’ onderwijs

.

‘Mevrouw, waren hebben we eigenlijk euritmie?’

Toen mijn echtgenote nog werkzaam was als euritmiste aan een vrijeschoolbovenbouw, kreeg ze deze vraag ieder jaar wel een paar keer voorgeschoteld.

‘Daar leer je o.a. creatiever van denken’, zei ze vaak, omdat het al sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw bekend is dat bewegen een positief effect heeft op je cognitieve vermogens.

Nu ‘brein’ ‘hot’ is, komen er steeds meer uitspraken bij die zo’n antwoord onderbouwen.

En als ze van DE hersenkenner bij uitstek – prof. Erik Scherder – komen, zit je altijd goed.

In ‘Hart voor je brein 2020‘ zegt hij:

‘Dsnsen heeft een positieve invloed op het hart- en vaatstelsel.
En op de hersenen.
Dus Let’s dance, zou ik zeggen….

.

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steinerwegwijzers – met kernachtige uitspraken over opvoeding en onderwijs

Rudolf SteinerAlgemene menskunde

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2697

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Geschiedenis – zeilschepen

 

Bij het voorbereiden op de lessen zit je soms ineens verlegen om informatie die uiteindelijk wel te vinden is, maar ernaar moeten zoeken kan veel tijd kosten.

Wanneer je iets wil vertellen – en laten zien – of zelf (laten) tekenen, vind je hier e.e.a. bij elkaar.

.

zeilschepen
.

De eerste zeilschepen

Niemand weet wanneer het eerste zeilbootje is gemaakt, maar de eerste afbeeldingen van een zeilboot zijn al ± 6000 jaar oud. In Egypte bouwde men toen al kanovormige bootjes van papyrus, een soort riet. Van de tekeningen kunnen we afleiden dat het kleine zeil vastzat aan de mast voor op het bootje. Het zeil kon dus alleen gebruikt worden met wind achter (in zeiltermen heet dit voor de wind zeilen) en het werd neergeklapt bij tegen- of zijwind.

Thor Heyerdal, die wilde bewijzen dat de Zuid-Amerikaanse Maya’s mogelijk van de Egyptenaren afstamden, bouwde zo’n papyrusboot na en voer ermee van Egypte naar Mexico.

De Egyptenaren verbeterden hun zeilschepen in de loop van honderden jaren tot grote houten vaartuigen van wel 25 m. lang, met een groot vierkant zeil en een bemanning van 40 koppen. Maar de manier van varen bleef hetzelfde: er werd geroeid en alleen bij gunstige wind gezeild. Omdat de Egyptenaren rivierzeilers waren, moeten we de eerste echte zeeschepen ergens anders zoeken.

De Feniciërs bouwden zo rond 1500 v. Chr. handels- en oorlogsschepen die zeewaardig waren. Maar ook die schepen waren eigenlijk meer roeischepen met een (hulp)zeil. 

De eerste echte zeezeilschepen werden gebouwd door de Grieken ± 500 v. Chr maar de meeste grote schepen werden nog steeds bemand met roeiers. De Romeinen bouwden zeilschepen zonder roeiers (100 n. Chr.). Het waren brede ronde schepen met twee masten met meer dan een zeil. De zeilen konden een beetje gedraaid worden zodat ook van zijwind kon worden geprofiteerd De Romeinen verloren na ± 350 n. Chr. hun macht en daardoor stopte de ontwikkeling van het Romeinse zeilschip.

 

De zeilschepen van de Noormannen

De schepen van de Noormannen lijken omstreeks 500 op de Egyptische zeilroei-scheepjes: aan de zijkant plaats voor roeiers en een vast, vierkant zeil. Het verschil met de Egyptenaren was dat de Noormannen vanaf het begin aan hout gebruikt hebben. Dat is natuurlijk te begrijpen: in Noorwegen en Zweden zijn uitgestrekte bossen. Dat hout maakte het mogelijk de romp een betere vorm te geven. De Vikingschepen werden steeds groter: het schip van Gokstad dat in de 19e eeuw werd opgegraven, was 23 m. lang en 5 m. breed, had 32 roeiers en een groot vierkant zeil. Aan elke kant hingen bij de opgravingen 32 schilden ter versiering. Er kon met de schilden niet worden gezeild; ze zouden wegspoelen.


Een der eerste Vikingschepen

Vikingschip uit Gokstad:

In 1893 bouwde men het schip volledig na. Als bewijs dat deze schepen zeewaardig genoeg waren om naar Amerika te zeilen, voer men er in 28 dagen mee over de oceaan. De Vikingen veranderden verder niet zoveel aan de schepen, wel gingen ze steeds meer versieringen aanbrengen. Heel bekend is de drakenkop op de voorsteven. Deze draken waren afneembaar, want het was verboden ze op de voorsteven te hebben voor de eigen kust. Ze waren waarschijnlijk ter afschrikking van de vijand bedoeld.

Engelse schepen

Uit de 13e eeuw zijn veel afbeeldingen van Engelse schepen bewaard gebleven op de zegels van de Engelse handelssteden en op het beroemde „Tapijt van Bayeux”. Op die tekeningen zien we rond 1200 nog de bijna onveranderde Vikingschepen. Wat later zijn er veranderingen, met name het achterwege laten van de riemen en het toevoegen van een boegspriet. Voor het eerst ontstond nu in Noord-Europa het echte zeilschip. Deze Engelse schepen werden o.a. gebruikt voor het vervoeren van de kruisvaarders naar Palestina.

Bayeuxschip

Duitse schepen

In Oost-Nederland en Noord-Duitsland vormden de handelssteden een verbond: de Hanze. Hun schepen, Hanzekog genaamd, waren ook duidelijk afgeleid van de Vikingschepen maar er was veel verbeterd: de stevens waren hoog en recht tot aan de kiel. Hierdoor kon veel beter gezeild worden. In de Hanzekog werd bovendien een nieuwe vinding toegepast: het achterstevenroer. Alle schepen hiervoor hadden het roer opzij, rechtsachter (stuurboord). De Hanzekog had het roer achter het schip, het roer werd bewogen met behulp van een helmstok.

De kog, en de latere nog grotere hulk, hebben voor het uiterlijk van Europa veel betekent: ze waren zo groot dat havensteden niet langer landinwaarts gelegen konden zijn, havens moesten voortaan aan zee liggen en dat is nu nog zo.

Schepen van de Middellandse zee

Na de Romeinen kwamen er geen nieuwe soorten schepen bij in de Middellandse Zee. De ontwikkeling van het zeilschip vond plaats in Noord-Europa en in het Zuiden had men daar geen weet van. Waarschijnlijk raakte men meer onder invloed van de Arabische landen, want omstreeks 900 verschenen op zee zeilschepen met het zogenaamde Latijnse zeil: een driehoekig zeil.

Dit driehoekige zeil zien we nu nog steeds op de Arabische wateren. Dit zeil was goed draaibaar en zo kon bij verschillende windrichtingen gezeild worden over verschillende boegen. De Italianen, vooral die uit Venetië en Genua, gebruikten dit driehoekige zeil in de 13e eeuw voor hun kruistochtschepen. Voor het eerst in de zeilschepengeschiedenis bouwden ze de schepen met meer dan één mast.

De Kraak

In Noord-Europa voer de kog, met achtersteven en vierkant zeil, in Zuid-Europa waren de twee- of driemasters met driehoekig, draaibaar zeil. Toen de Noord-Europeanen en Zuid-Europeanen elkaar ontmoetten (o.a. door kruistochten en handel) gaven ze de kennis die ze hadden aan elkaar door. Het resultaat was de kraak, een zeilschip dat alle goede eigenschappen van de noordelijke en de zuidelijke schepen had. De kraak was een tweemaster, met driehoekig en vierkant zeil, boegspriet en achterstevenroer. Met een kleine kraak voer Columbus naar Amerika.

 

Eigenlijk is er na de kraak aan het zeilschip niet veel meer veranderd, alleen werd het aantal zeilschepen uitgebreid of gebruikte men meer masten. Zo ontstond na 1500 het Spaanse galjoen, met een ronde bodem, vier masten en een hoog achterdek. Dat hoge achterdek werd bij latere schepen prachtig versierd, met houtsnijwerk en verguldsel (de spiegel).

Zeilschepen van 1500-1900

Tussen 1500 en 1900 ontstaan er een heleboel verschillende soorten zeilschepen, met allemaal verschillende vormen en tuigages (= zeilen en masten). Elke soort had een aparte naam. We noemen: de fluit (koopvaarder), de pinas (bewapend koopvaardijschip), het fregat (oorlogsschip), het Hollandse jacht (snelvervoer), het linieschip (oorlogsschip), de polakker, de bark, de kotter, de schoener (nu nog in ’t klein in gebruik als plezierjacht), de Brigantijn (ook brik), de korvet, de chebeck, de logger, de Oostinjevaarder en de klipper.

De klipper en de schoener zijn de laatste grote zeezeilschepen, want ondanks hun snelheid en handelbaarheid werden ze na 1900 vervangen door het stoomschip.

Niet-Europese zeilschepen

In Europa is het grote zeilschip eerst vervangen door het stoomschip en later door het motorschip, maar buiten Europa worden nog veel zeilschepen gebruikt. Op de Nijl en in de zeeën rond de Arabische wereld ziet men nog steeds de Latijnse zeilen, rond Ceylon vindt men ook soortgelijke zeilschepen, de mashwa of patta mar.

Op da rivier de Ganges in India vaart nog de pallar, een schip dat precies lijkt op de Nijlschepen van 4000 j. geleden. In Indonesië treffen we de prauw aan en ten slotte moet nog de Chinese jonk genoemd worden: grote, platte schepen met zeilen waarop lange latten zitten, zodat die zeilen als matten opgevouwen kunnen worden.

De zeilsport

In onze moderne wereld is het zeilschip in verkleinde vorm alleen nog als pleziervaartuig in gebruik. De zeilsport is na 1900 tot grote bloei gekomen. Voor elke soort zeilboot zijn zeilwedstrijden, kampioenschappen en Olympische Spelen.

Heel veel belangstelling heeft ook zeezeilen. Zo zijn er de beroemde klipper-wedstrijden om de Americabeker en maken diverse stoere mensen in hun zeilschip enorme tochten, zoals Sir Francis Chichester, die in zijn Gipsy Moth in z’n eentje de wereld omzeilde.

.

Geschiedenis: alle artikelen

Aardrijkskunde: alle artikelen

Schepen in het Oude Testament

Vrijeschool in beeld: klas 5 aardrijkskunde
 klas 5 geschiedenis
 klas 6 geschiedenis

.

2696

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer (6-3/4)

.
Peer de Smit, Weledaberichten nr. 155, december 1991*

 

AARDE: WAAR DE WEGEN VAN DE MENS BEGINNEN

.
Met deze bijdrage, die het wezenlijke van het element “aarde” wil naspeuren, wordt de serie artikelen van onze auteur Peer de Smit over de vier klassieke elementen: water, lucht, vuur en aarde voorlopig afgesloten

Nu in de wintertijd, waarin de natuur haar kristallijne kant het duidelijkst laat zien, staat het element aarde in het middelpunt. In tegenstelling tot een chemisch-natuurkundig onderzoek gaat het er in deze beschouwing om, op een stimulerende manier het wezen van de elementen met de kunstzinnige
ontdekkingsvreugde van het woord na te gaan. De rust van de kerstdagen (en -nachten) kan een gelegenheid zijn deze aanzet op een of andere manier door middel van eigen ervaring uit te werken.

We verbinden het element aarde zozeer met de voorstelling die we over de grondslag van al het bestaan hebben dat we het dezelfde naam geven als de planeet waarop we leven: de aarde.
Deze biedt de basis voor de fysieke materiële wereld met haar driedimensionale, ondoordringbare lichamen. Ze is doel en middel van alle incarnaties en vormen van leven. De aarde draagt ons, biedt ons een woonstee, staat borg voor onze levensruimte waarin de levende wezens zich kunnen ontwikkelen. Door de aardse vastheid krijgen wij zekerheid en houvast; deze biedt ons beschutting en geborgenheid tegen het geweld van de andere elementen. Elk huis, elk omhulsel is te danken aan gevormde aardse stof. Door ons fysieke lichaam en het beendergestel dat dit ondersteunt, beleven wij onszelf als deel van de wereld der dingen. Maar alleen slapend laten wij ons lichaam over aan de aarde. Wakker en actief stellen wij ons teweer tegen de zwaartekracht van de materie. De wereld waarin wij staan en werken is gebaseerd op de wil om de aardse stof aan de zwaartekracht te onttrekken en om te vormen. Ondoordringbaarheid, duisternis en kou horen tot de typische eigenschappen van dit element. Een statisch karakter, starheid en stabiliteit treden de oplossende warmte-en lichtkrachten van de zon als werkzame krachten tegemoet. Ze stellen ook het element aarde in staat onze levenswerkelijkheid duurzaam vorm te geven. Maar juist haar stabiele kwaliteit maakt hetgeen aards gevormd is tegelijkertijd het gevoeligst voor de verstorende krachten van de vergankelijkheid. De ritmische dynamiek van de ‘eeuwige druppel’ ondermijnt tenslotte het hardste materiaal.

Het teken van dit element is het kruis dat wordt gevormd volgens de wet van vier, die overeenkomt met de vierde en laatste toestand van omvorming der elementen. Wat zich ook aards belichaamt, doet dit in het kruisteken van de dood. In kristallijne vormen vindt het element aarde zijn zuiverste uitdrukking. Kristalroosters geven de minerale materie structuur. Sneeuwkristallen, bergkristallen en gekristalliseerd steenzout laten hetzelfde beeld van verdichting zien.

Zonder vaste aardesubstantie zouden we in een werkelijkheid leven van vloeiende overgangen, een droomachtig leven zonder tegenstellingen die ons wakker maken. Want pas door de weerstand van de materie worden we onszelf bewust en kunnen we onszelf van onze omgeving onderscheiden. Een eigen standpunt -en standpunten in het algemeen- krijg je alleen door vastigheid. En alleen verstarde fenomenen staan een eenduidige opvatting toe. Wanneer we iets vaststellen onderwerpen we niet alleen de wereld maar ook het levendig inzichtsproces aan de voorwaarden van de hard geworden materie. Ons verstandelijk bewustzijn kan slechts vaste en verstarde vorm begrijpen.

Een sprekend beeld van dit element wordt zichtbaar in de winterse natuur. Bomen en struiken staan als skeletachtige vormen in het landschap. De akkers liggen braak. Het vegetatieve leven lijkt uitgeblust. Een sneeuwlandschap verhoogt nog de indruk van een doodse, starre en bewegingloze wereld. Wanneer het water bevriest is de vloeiende overgang tussen boven en beneden onderbroken. De levendige wisselwerking van de planten met de atmosferische omhulling kan niet meer plaatsvinden.

Het winterse beeld van de natuur stijgt echter boven de dood uit zodra we het in zijn cyclische samenhang zien: kiemkrachtige knoppen en zaden doorbreken de uiterlijk dode natuur. Midden in het teken van de dood kondigt zich toekomstig leven aan. Kerstmis, het geboortefeest van het goddelijk kind, legt op de schoonste wijze getuigenis af van deze innerlijke levensbron van de winter, die zo tegengesteld is aan de dood van de materie. De aardse dood blijkt een voorlopig stadium in een cyclisch proces van vernieuwing.

Het element aarde met zijn stabiele vormen staat niet aan het begin van de ontwikkeling maar betekent het eind ervan. Want de aarde verleent immers niet alleen een basis aan al het leven, het is ook het graf voor al dit leven. Het rijk der mineralen bleef als een rest van eens levende organismen achter: verstarde overblijfsels uit de kinderjaren van mens en aarde, die ons doen herinneren aan een paradijselijke wereld. Lijken de kleurrijke edelstenen niet op versteende planten en bloemen? “Lichamelijkheid is het einde van gods wegen” zo heeft de theoloog en chemicus Chr. F. Oetinger (1702-1782) zijn wereldbeschouwing samengevat. Beginnen daarom de wegen van de vrije mens in de
fysiek-materiële werkelijkheid, in het rijk van duisternis kou en zwaarte? Het zijn zonder twijfel scheiwegen, die om beslissingen vragen. Deze wegen leiden of nog dieper naar doodsverval van de materie, of hier juist uit. De winterse plantenkiemen en de geboorte van het godskind in de tijd van uiterlijke doodse starheid, duiden beide in een waarachtig beeld op het overwinnen van de dood.

Peer de Smit: geboren in 1953 in Mannheim. Ooit schipper op de Rijn tussen Basel en de Noordzee. Later toneelopleiding in Zürich. Hoofdzakelijk geëngageerd bij het “Schauspielhaus” in Zürich. Thans* in de omgeving van Stuttgart actief als schrijver en toneelspeler.

7e klas: voedingsleer: alle artikelen

7e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld7e klas.

 

2695