Maandelijks archief: april 2015

VRIJESCHOOL – menskunde en pedagogie – warmte (11-2)

.

DE WARMTE ALS BASIS VAN AL HET LEVEN

De mens is in steeds toenemende mate onafhankelijk, in tegenstelling tot de planten en dieren die op deze aarde op een zodanige wijze thuis zijn, dat ze altijd aan een bepaald klimaat aangepast zijn. Hij kan bijna overal leven, van de equator tot aan de pool, vanaf de laagvlakte tot in het hooggebergte. Hij kan zelfs afwisselend aan verschillende zones wennen en voor korte tijd de grenzen van de levensmogelijkheden overschrijden, die anders gesteld zijn. De dieren zijn in bepaalde elementen ware meesters: b.v. de mol en het varken in de aarde, de vissen in het water, de vogels in de lucht. Alleen in het element van het vuur is geen enkel dier thuis: slechts de mens kan het vuur han­teren — in ’t bijzonder het innerlijke vuur. De warmte is dus zijn eigenlijk „te­huis”. Daarin leeft het Ik. (F. Nietsche: „Flamme bin ich sicherlich!”). In het lichaam moet de temperatuur op een kunstige wijze tegen de verschil­lende storingen van buiten of van binnen uit in evenwicht gehouden worden. IJskoude ademlucht, hete of koele dranken, vooral echter de bezigheid van de mens (beweging) beïnvloeden voortdurend de temperatuur. Dat alles wordt ver­werkt en op 37°C. in evenwicht gebracht. Aan de voeten zou 30 tot 33°C. bereikt moeten worden. Het in evenwicht brengen van deze temperatuur geschiedt heel precies. Het stromende bloed schept hier voortdurend evenwicht. Dit hele ruimtelijk-tijdelijke proces kan gezien worden als zelfstandig warmte-organisme. In de dagelijkse beoefening van de omgang met de warmte schept het organisme een warmtecurve die — zoals bekend — ’s avonds iets hoger ligt dan ’s morgens. De meest verbazingwekkende prestatie van deze geheimzinnige autonomie is het omvormen van koude in warmte. ’s Winters kunnen we leren, de grootste uiterlijke koudeprikkelingen met een des te groter intensievere warmte te beantwoorden en op een dergelijke manier wordt ook de zomerwarmte ,,verteerd”. Dat is een eigenschap van ons warmte-organisme, vooral van onze huid en wanneer dit vermogen niet voldoende functioneert, ontstaan er verkoud­heden. Zo wordt begrijpelijk, dat ook bij grote hitte vaak verkoudheden optre­den en verder meestal bij temperatuursovergangen. Een voortdurend optreden van een eenzijdige onvoldoende aanpassing geeft aanleiding tot typische ge­voeligheden: er zijn mensen, die het nooit warm genoeg hebben en die zich pas in een zuidelijk klimaat helemaal goed voelen; anderen vinden warmte ondragelijk. Moeilijker wordt het, wanneer dit elkaar overlapt — b.v. wanneer het hoofd koelte verlangt, terwijl de reumatische ledematen warmte nodig hebben. Bij dergelijke mensen blijkt dat het uitwijken in een verdraaglijker temperatuur niet de enige oplossing is, maar dat de menselijke grondeigenschappen om alles te kunnen overwinnen, versterkt moet worden. Hoe doet men dat? Men spreekt vaak over „harden”, wat maar al te vaak uit­sluitend in de toepassing van kou wordt gezocht. Maar zelfs de oude Kneipp (1821-1897) was daar zeer voorzichtig mee en gebruikte kou alleen als doel om warmte op te wekken. Wanneer dat door kou niet alleen te bereiken was, schreef hij b.v. een waterbehandeling met wisselende temperatuur voor, of in een zak met vochtig warm hooi. De huidige mens, die vaak al van kindsbeen af in zijn warmteregulatie gestoord is, moet nog veel meer letten op zijn door stress verminderd reactie-vermogen dan de mens van de vorige eeuw. Een be­langrijk symptoom voor de warmtehuishouding is de temperatuur van de voe­ten (tussen de tenen te meten): is die onder 30 graden, dan moet door verwar­mende maatregelen, vooral door beweging, dit tekort aangevuld worden. Veel kan op dit gebied ook gedaan worden door een gezond verwarmende kleding. De huidige mode schrijft vooral de vrouwen een manier van kleden voor, waar­bij meestal aan de voeten slechts 20 graden bereikt wordt. De moderne synthetische stoffen hebben uitmuntende technische eigenschap­pen, maar voor de gezondheid van de mens zijn ze van geen waarde. Wol on zijde daarentegen zijn als natuurlijke stoffen goed voor de mens. Ook dons (een natuurstof) — want de vogel waarvan ze afkomstig zijn, heeft voor zijn broedsel een sterke warmte-ophoping nodig. Daarom zijn donzen dekbedden uitstekend voor mensen, die overdag veel in de buitenlucht werken en ’s nachts zo lekker „broeien” willen. Wie geestelijk werk verricht, zal hier zeker aan wol de voorkeur geven. Wanneer we bij de verwarming van onze huizen de terugkeer van het oude houtvuur als het beste ervaren, dan worden we weliswaar „romantisch” ge­noemd, maar het stijgende aantal open haarden bewijst toch, dat steeds meer mensen tenminste voor de feestdagen het levendige spel van de vlammen als aangenaam ervaren en daarin de ontmoeting vinden met een warmte-kwaliteit die verloren is gegaan. De warmte-kwaliteit speelt ook voor de voedingsmiddelen een rol, die tegen­woordig nog niet genoeg in het oog gevat wordt. Het is bekend, wat voor in­vloed te lang koken heeft. Maar wat voor ingreep in de structuur van de voe­ding betekent het diepvriezen of een langdurige afkoeling in de ijskast? Waar de voedings- en gezondheidswaarde juist op dergelijke fijnheden berust, wordt het begrijpelijk, dat de gebruikelijke massale aflevering van levens­middelen op grond van de huidige techniek zo weinig bevrediging geeft. Dat geldt vooral in hoge mate voor alle maatregeling bij de genezing. Hierbij zou de electrisch geproduceerde warmte tot noodgevallen beperkt moeten worden, inplaats van een electrisch kussen zou de kruik of nog liever zand of een hooizak gebruikt moeten worden. Ook het electrisch verwarmen van b.v. de sauna verschaft niet dezelfde genezende atmosfeer, die bij vlammenwarmte (gas enz.) mogelijk is. Men komt door nauwkeurige waarneming onherroepelijk tot het begrip van de warmte-kwaliteit, dat men zich thans opnieuw moet veroveren. Slechts weinig mensen zijn in staat hiervoor de in dit opzicht gunstige levensomstandigheden te scheppen; meestal is het voldoende tenminste dat te doen, wat mogelijk is. Wanneer men eenmaal moedig een begin heeft gemaakt, dan openen zich vaak poorten, die gesloten leken. Want het doen op zichzelf is al een warmte-beleven! Iemand die het koud heeft kan moeilijk tot een besluit komen, een hand die koud is kan niet veel doen en is tenslotte niet meer in staat zich te bewegen. Maar waar moet het begin vandaan komen, wanneer de startwarmte ontbreekt? Wat we tot dusver beschreven, heeft het oogmerk gericht op de fysiek meetbare warmte, die de mens omgeeft. Er zijn echter nog onzichtbare warmtebronnen in de diepte van de menselijke ziel, waaruit het innerlijke vuur stamt. Men kan zich bv. in de „warme stem” uiten — of verborgen blijven en slechts waarneembaar voor een ander hart. Het hart is immers oorsprong en doel van de warmte. Men is „vuur en vlam” voor een aangelegenheid die het hart betreft. De vraag of er in een mensengemeenschap een harmonische stemming of een anonieme onverschilligheid heerst, is afhankelijk van de mate van hartelijke omgang. Vooral voor de kinderen (of voor degenen die van ons afhankelijk zijn) is dit van groot belang, want ook hun lichamelijke warmte kan zich niet ten volle ontwikkelen zonder deze diepere warmtebron. Even noodzakelijk is een dergelijk „geneesklimaat” voor alle therapeutische maatregelen – alle uiterlijke factoren kunnen dit niet vervangen. En omdat het genezen tot de kunsten behoort, zijn alle andere kunsten ermee verwant en bevorderen dit. We kunnen tegenwoordig voor een hartinfarct nog geen definitief lichamelijk voorteken aanwijzen; een mens kan erdoor overvallen worden, ook dan, wan­neer hij zojuist „zonder aanwijsbare symptomen” uit het ziekenhuis komt. Misschien zal men eens het zielenvuur geheel objectief en niet alleen „poëtisch”, als een wezenlijk criterium bij de diagnose betrekken en op die manier dit geheim van een „hoger standpunt” uit kunnen beschouwen. Hetzelfde geldt ook voor de steeds groter wordende groep van ziekten, die lichamelijk noch herkenbaar — noch te genezen zijn. Al het praten over de ziel blijft irreëel — wanneer men die niet in haar verschijningsvormen duidelijk kan herkennen. Virchow (1821-1902) moet gezegd hebben dat hij bij ontelbare secties op lijken geen spoor van een ziel heeft kunnen vinden. Daartegen kan men inbrengen dat de ziel alleen bij levende mensen gezocht moet worden. Voor de warmte betekent dat: uit de innerlijke zielenwarmte ontstaat de lichamelijke warmte en hernieuwt zich bij gezondheid en ziekte daaruit steeds opnieuw. Het raadsel van de schijnbaar alleen maar lichamelijke warmte heeft, wanneer men het zo beschouwt, een nieuw aspect. Wanneer heeft bv. iemand koude voeten en als gevolg daarvan hoofdpijn of moeite met het denken? — Zijn ziel is nog te weinig op aarde aangekomen en kan de harde feiten niet met een warm hart tegemoettreden en krachtig aanpakken. Men kan bij het intreden van de genezing inzien dat dit niet alleen maar met symboliek geladen beelden zijn, want beide kanten verbeteren in gelijke mate. Het „psychosomatische” onderzoek kent talloze van dergelijke voorbeelden. Maar vanwaar komt dat vuur van de ziel? Hier moet ons een beeld helpen: de stromen dragen het levenwekkende vocht door het land; op een dergelijke ma­nier doet de warmte dit in het lichaam. De rivieren halen het water uit het gebergte met hun bijna onuitputtelijke gletsjers en die hebben het weer uit de sneeuw, die jarenlang is gevallen, d.w.z. uit hemelse hoogten. Op een dergelijke manier heeft de „zielenwarmte” haar „hemel” in het vuur van de geest, waaruit ze gevoed wordt. Terwijl de ziel het meest intieme van een wezen omsluit, opent de geest zich voor het universum. (Toen Schubert de muziek voor de Erlkönig schiep, vonden zijn vrienden hem in een „vlammend enthousiasme”). Daarmee is de edele herkomst van de warmte enigszins aangestipt — als vuur van de ziel wil ze de menselijke samenleving haar gaven ter beschikking stellen. Wohltatig ist des Feuers Macht, wenn…..” Wee echter, wanneer ze — teruggestuwd en op drift geslagen — vernietigend uitbreekt als onbeteugelde hartstocht! Alleen de terugkeer tot het louterende geestesvuur is in staat nog ge­nezing en harmonie te herstellen. In het warmte-orgaan van het hart leeft immers ook de stem van het geweten, die de weg kan wijzen. Wanneer de mens die hem geschonken warmtestromen op een juiste manier kan hanteren, ont­staat er een stralende omvorming in de ouderdom. Deze op een goede manier gewonnen kracht, deelt zich aan de gehele omgeving mee. Behalve de mede­mensen treft ze daarbij de wereld van de planten, de dieren, de elementen. Ze kan in een achteloos egoïsme deze rijken verzieken, zoals dat tegenwoordig in de allergrootste mate het geval is. Maar ze kan ook, wanneer ze tot zelfbe­zinning is gekomen, de gehele omgevende wereld eens opheffen in een mens­waardige toestand. Het gelouterde begrip van de warmte als hemelsgeschenk, betekent het begin van een gezondmaking van de levende aarde.

(Dr. S. Pressel, Weledaberichten 95, dec.1972)
.

warmte [1]   [3]
.

antroposofisch leven: warmte]
.

797
Advertenties

VRIJESCHOOL – 1e klas – heemkunde

Een gedichtje voor de heemkunde of ‘gewoon’ tussendoor; om te reciteren en te schrijven; kan ook zo op het bord met de tekening.

Ook geschikt voor klas 2

meiliedje

(bron onbekend)

Klein, klein kuikentje,
waar kom jij vandaan?
Ik kom gekropen uit het ei,
toen dat was stuk gegaan.

Klein, klein kuikentje,
waar slaap jij vannacht?
Onder moeders vleugels,
dat is warm en zacht.

796

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – legenden (3-12)

DE WONDEREN VAN DE HEILIGE BERACHUS

Het leven van de Heilige Berachus is van zijn jeugd af vol wonderen geweest. Want toen hij als jongen nog bij zijn vader Nemnaldus,  in huis was, kreeg hij een visioen. Een engel verscheen hem en wenkte hem  te volgen. En de engel voerde hem naar het klooster te Glendalough, waar de heilige Coemgenus met zijn vriendin, de witte ree, woonde en waar de jongens uit de streek door hem onderwezen werden. En Berachus voegde zich bij de jongens om onderricht te worden in de kennis en wijsheid die deze Heilige bezat en om nog vele dingen meer te leren.

Ierland was in die dagen, het was zes honderd  jaar na Christus’
geboorte, een woest land, nauwelijks bebouwd met enkele kleine
stadjes. De hutten waar de mensen in deze wildernis woonden en
waaraan zij de namen van huizen, scholen en kerken gaven, lagen,
mijlen ver van elkaar verwijderd,  en overal zwierven wilde dieren rond.
In de grote, groene weiden dicht bij het klooster gelegen graasden de koeien,  die hun melk aan de monniken gaven. Het was een genot voor de jonge monnik Berachus uit het venster van zijn cel te waken over de koeien en kalfjes terwijl zij aten van het sappige, malse gras en zich baadden in de beken die langs de wilgen liepen. Bovenal hield hij veel van Bel,  de meest glanzende en de mooiste van alle, de trotse moederkoe, die juist een klein rood kalfje gekregen had.

Op zekeren dag, terwijl Berachus  weer zo’n schik had naar Bel en haar jong, die op enigen afstand van de andere koeien graasden, te kijken, zag hij opeens iets, wat hem deed verstijven van schrik. Een grote, grijze wolf, verscholen in de schaduw van een heg, zag hij langzaam nader en nader het vreedzame paar besluipen, zonder dat Bel in het minst iets bemerkte van haar gevaarlijke vijand. Zo gauw hij maar kon sprong Berachus de steile kloostertrap­pen af en rende de poort uit,  zich nauwelijks de tijd gunnend zijn broeder de portier te zeggen, wat er gebeurde. Hij wist dat hij geen minuut te verliezen had.
Hij vloog, als het ware, het weiland over, drong door de heg van bloeiende hagendoorn heen, maar helaas – hij kwam toch te laat. De grote, door honger uitgemergelde wolf had zich juist geworpen op het kleine rode kalfje en het opgegeten. Arme Bel, razend van droef­heid rende zij loeiende over het weiland, alsof zij haar jong zocht. Maar de wolf was al helemaal uit het gezicht verdwenen. Toen Berachus zag wat er gebeurd, was, werd hij zeer boos op de wolf, want hij hield erg veel van Bel en het maakte hem treurig haar zo bedroefd te zien. En hij dacht, hoe eenzaam de arme koe zich voelen zou zonder haar jong, en toen zij hartbrekend loeiend naar hem toe kwam, als wilde zij hem vragen haar te helpen, had hij z’n zielsmedelijden met haar, dat hem de tranen in de vriendelij­ke ogen kwamen. Maar dan moest hij weer denken, hoe uitgehongerd de wolf geweest moest zijn; het arme dier was geheel vermagerd en uitgeteerd – hij kon er hem toch geen al te groot verwijt van maken. Toen kwam er een eigenaardige gedachte in Berachus op. Hij was een wonderbare man,  en moet een zeer grote macht over de dieren gehad hebben, want hij riep de wolf bij zich, die al een heel eind van hem verwijderd was. Luid en met strenge stem riep hij hem. En op hetzelfde ogenblik bijna kwam de wolf verschrikt en huilend aan­sluipen en kroop voor Berachus op de grond. En de Heilige sprak hem vriendelijk toe. En hij riep ook de koe, en haar bij de horens nemend bracht hij haar tot vlak voor de wolf, en stelde haar door zijn zachte woorden en liefkozingen zo gerust, dat zij niet de min­ste angst voor de grote, grijze wolf voelde. En Berachus sprak tot de koe: “Zie, moeder Bel, dit zal voortaan uw kind wezen, in plaats van het kleintje, dat u verloren hebt. Hij zal een vriendelijk en goede zoon voor u zijn, dat beloof ik u.” En tot de wolf zei hij: “Hier, wolf, is de moeder, voor wie u zo goed en vriendelijk moet wezen,  dat zij het leed, dat u haar aangedaan hebt, zal vergeten. Wees een brave en liefhebbende zoon voor haar, die haar wensen in alles volbrengt.”

En van die tijd aan leefden de koe en de zachtzinnige wolf vreed­zaam
tezamen in de weiden van het klooster, en de wolf beschermde haar tegen elk gevaar, en hield als een grote wachthond de andere wilde dieren van de kudde af.

II.

Op deze gebeurtenis volgde z’n strenge winter, dat weken ach­tereen het land bedekt was met sneeuw, en de beken en sloten geheel dichtgevroren waren.

De kleine Edward, het zoontje van Hertog Golman, die in het klooster naar school ging, was daar zeer ernstig ziek geworden. Gloeiend van koorts lag hij daar met een door brandende dorst als het ware toegeschroeide keel. En de kleine smeekte om sappige, koele appels, verse slablaadjes, maar waar kon men in een land, bedekt met sneeuw en ijs, deze dingen krijgen! Maar Coengenius, de abt, vertrouwend in de macht van zijn jonge vriend, die wolven wist te temmen,  sprak tot hem: “Ga heen, mijn zoon, neem mijn staf in uw hand en breng de jongen, wat hij vraagt.”

Toen trok Berachus zich terug in zijn cel en bad dat hij  geze­gend zou worden, opdat hij het leven van het kind zou mogen redden. En krachtig in zijn geloof, toog hij vol moed uit over de met sneeuw bedekte weiden, steunend op de staf van de abt,  die hem hielp over de sneeuwophopingen heen. Zo kwam hij aan de hard bevroren beek, die onder de wilgen doorliep en waarin de koeien zich zo graag baadden,  en rustte daar een ogenblik uit. En met zijn staf de kale, bruine wilgentakken even aanrakend, die onder de zwaarte van de sneeuw neerhingen,  prak hij zacht de zegen daarover uit. En op hetzelfde ogenblik begon de sneeuw te smelten, als onder de warmte van de lente­zon. In de onbuigzame bruine takken kwam nieuw leven,  en zij werden mals en groen. En uit de grijze wilgenknoppen ontsproten kleine, donzige wilgenkatjes. En de katjes werden dikker en dikker, en ron­der en ronder, tot zij ten laatste openbarstten, en er heerlijke appels met rode kleurtjes neervielen in de schoot van de Heili­ge. Onderwijl waren ook de sneeuwhopen onder de bomen gesmolten, en uit de bevroren grond, bloeiden kleine groene blaadjes op. En Berachus plukte een grote bos van deze sappige, frisse slablaad­jes. En met de armen vol appels en blaadjes waadde hij door de ont­dooide sneeuw naar het klooster terug. En hij werd blij ontvangen, en grote vreugde heerste er bij zijn terugkomst. De kleine zieke herleefde door deze vruchten,  op z’n miraculeuze wijze voor hem voortgebracht, en was weldra geheel genezen. En dit zijn de wonderen van Sint Berachus, die leefde zes honderd jaren na Christus in het woeste Ierland, tot zegen van zijn medeschepselen.

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren

2e klas vertelstof: alle artikelen 

795

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Florence Nightingale

DE ENGEL VAN DE SOLDATEN

Velen van ons hebben bij Dickens gelezen over “zuster” Sairey Gamp, die een glaasje nam “wanneer ze daarvoor in de stemming was”. Maar we weten niet allemaal dat min­der dan een eeuw geleden Sairey Gamp, de domme, dronken, liederlijke verpleegster, echt en veelvuldig voorkwam. Omstreeks 1870 waren er zo heel wat in het Bellevue-ziekenhuis te New York. In die tijd, vertelt een vooraanstaande arts, “werden de zieken in Bellevue gedeeltelijk verpleegd door drankzuchtige prostituees, die de keus kregen tussen gevangenisstraf of werken in een ziekenhuis. Vaak trof men ze slapend aan onder het bed van een overleden patiënt, van wie zij de drank hadden gestolen.”

Wij die zonder aarzelen ons leven toevertrouwen aan de goede verzorging in onze ziekenhuizen, kunnen ons dergelijke toestanden haast niet voorstellen. Maar toch was dat omstreeks 1850 de
be­treurenswaardige praktijk van de ziekenverpleging, niet alleen in Amerika maar ook in Engeland, waar Florence Nightingale — de latere heldin van de Krimoorlog — voor haar toekomst streed. Alle verpleegsters waren “zonder uitzondering aan de drank ver­slaafd; er zijn daar maar twee bij wie de arts erop aan kan, dat ze de patiënten de voorgeschreven medicijnen geven” — zo be­schrijft een medicus de toestand in een Londens ziekenhuis. En dit meisje van goede familie en met de grootste zorg omringd, ging vastberaden de weg die ze verkozen had: naar die wereld van dronkenschap en zedeloosheid. Tussen de feestjes in Londen en op de buitenverblijven door studeerde ze anatomie en bezocht ziekenhuizen. Geen wonder dat haar familie zich daartegen tot het uiterste verzette.

Toch had ze zich ondanks de tegenstand van haar familie in 1852 al heel wat kennis en inzicht verworven op haar geliefkoosde terrein. In Duitsland had ze een opleiding in de verpleging ge­kregen aan de inrichting voor diaconessen te Kaiserswerth. In 1853 kreeg ze verlof om in Parijs de ziekenhuizen te bestuderen, die beheerd werden door de zusters van Sint Vincentius a Paulo. Ten slotte aanvaardde ze die zomer in Londen haar eerste “be­trekking” als directrice van de “Ziekeninrichting voor Dames” in Harley Street. Haar taak was uiterst moeilijk: ze stond aan het hoofd van de verpleegsters, assisteerde bij operaties en moest zorgen dat brandstoffen en levensmiddelen zuinig beheerd werden. Maar dat jaar in Harley Street, waar ze ervaring opdeed als organisatrice, directrice, verpleegster en diplomate, leidde recht­streeks naar haar verantwoordelijke positie tijdens de Krimoorlog.

In 1854 waren Engeland, Frankrijk en Turkije in oorlog met Rusland; de Engelsen zetten troepen aan land in de Krim, in het zuiden van Rusland, en zes dagen later vond de slag bij de rivier de Alma plaats. De aanvankelijke vreugde over de overwinning sloeg al spoedig om in grote verbittering. “Er zijn niet voldoende maatregelen getroffen om de gewonden te verzorgen,” luidde een bericht van het front. “Niet alleen dat er niet voldoende chirurgen, of wondverbinders, of verpleegsters zijn, er is zelfs geen linnen om verband van te maken.” Die beschuldigingen in de krant brachten Engeland in beroering. Over de Fransen meldde de verslaggever: “Hun geneeskundige verzorging is voortreffelijk, ze krijgen hulp van de zusters van liefdadigheid van Sint Vincentius, die met het expeditieleger zijn meegetrokken; en dat zijn uitstekende verpleegsters.” De volgende dag stond er een ingezonden stuk in de Londense Times: “Waarom hebben wij geen zusters van
lief­dadigheid?” Men drong er bij Florence Nightingale op aan dat ze er met een aantal verpleegsters heen zou gaan, maar ze verlangde officiële sanctie voor haar onderneming. Ze legde Sidney Herbert, de minister van Oorlog, een plan voor.

Engelse vrouwen als verpleegsters in het leger! In die dagen ontkwam geen vrouw in een verantwoordelijke positie aan praat­jes en vooroordeel. Herbert wist dat er van de legerleiding naijver en tegenstand te verwachten was. Er heerste echter zoveel
ver­ontwaardiging in Engeland over het Krimschandaal dat Herbert, met goedkeuring van het kabinet, Florence Nightingale opdracht gaf een groepje verpleegsters uit te zoeken en te leiden.

Op een herfstdag in 1854 lag Sir Alexander Moore gewond in het Kazernehospitaal te Scutari, aan de oever van de Bosporus. Er was een veldslag geweest bij Balaclava, en de gewonde cava­leristen waren juist per schip over de Zwarte Zee afgevoerd. Moore’s bed stond bij het raam; vandaar kon hij de binnenplaats van het ziekenhuis overzien — en wat hij zag zou hem zijn hele verdere leven blijven achtervolgen. Tegenover zijn kamer lag de operatiekamer, en door het raam daarvan vlogen geregeld afge­zette armen en benen, die een steeds aangroeiende stapel op de binnenplaats vormden. Vanuit hun bed keken de gewonden toe. Sir Alexander trachtte te slapen en die bloederige dingen te ver­geten, die maar steeds uit het raam kwamen zeilen, toen de officier in het bed naast hem zei: “Moore, ik geloof dat die Engelse ver­pleegster gekomen is.”

Sir Alexander hief zijn hoofd op en keek naar buiten. Een muilezelkar van het leger voerde de massa weg, die daar had lig­gen rotten. De Engelse verpleegster was inderdaad gekomen! De dag tevoren waren Florence Nightingale en 38 verpleegsters gedebarkeerd. Van enige drukte was geen sprake, maar haar organisatievermogen werd al merkbaar.

Elke zijde van het hospitaal was bijna vierhonderd meter lang. Aan drie kanten van het gebouw bevonden zich verscheidene ver­diepingen met galerijen en gangen die, wanneer achter elkaar gelegd, samen meer dan zes kilometer lang zouden zijn. In die gangen lagen dicht opeengepakt, en zonder behoorlijke voor­zieningen, mannen met vreselijke wonden of afzichtelijke ziekten. “Eigenlijk was het een kazerne, waarvan men een hospitaal had gemaakt door eenvoudig alles te witten, en onder dat indruk­wekkende gebouw bevonden zich uiterst gebrekkig
geconstru­eerde riolen, van waaruit de wind rioolgassen blies tot in de gan­gen waar de patiënten lagen. De stank van wonden en braaksel, de opeengepakte patiënten en gebrek aan behoorlijke ventilatie maakten de atmosfeer nog ondraaglijker. Des nachts heersten er onbeschrijflijke toestanden. In de zalen vond men ratten, muizen en ongedierte. Zelfs het eenvoudigste sanitaire gerief en voor­zieningen voor een behoorlijke verzorging ontbraken,” schreef Florence Nightingale.

“Geen kom, geen handdoek, geen stuk zeep en geen bezem,” noteerde ze. “Er werd gekookt in grote ketels in een uithoek van het enorme gebouw, en het opdienen van een warme maaltijd nam drie tot vier uur in beslag.”

Dat was de hel, die deze voorname vrouw met haar zachte stem doelbewust binnenging. “Voordat zij er was,” schreef een militair, “werd er gekankerd en gevloekt, maar daarna was het er net zo plechtig als in de kerk.” “Daarna” veranderde er heel wat. “Zes hemden per maand gewassen” voor tweeduizend zieke vervuilde helden was beslist niet in overeenstemming met Florence Nightingale’s opleiding. En het beddegoed was altijd in koud water gewassen — als het al gewassen werd. Binnen een week was er een wasserij in bedrijf. Op eigen kosten huurde juffrouw Nightingale “een huis, liet er ketels installeren en nam vrouwen van soldaten in dienst om de was te doen”.

Binnen tien dagen had ze drie dieetkeukens ingericht, die speciale kostjes klaarmaakten voor patiënten die te ziek waren om de gewone soldatenkost te eten. Met voorraden die ze zelf had aangeschaft richtte ze een magazijn in, waaruit de militaire artsen graag allerlei benodigdheden betrokken. Want steeds was er aan allerlei gebrek — zelfs als er voorraden in Scutari lagen. De gewonden lagen nog steeds in de bebloede uniformen waarin ze van het slagveld waren afgevoerd, terwijl er drie grote balen gemerkt “hospitaalkleding” in Scutari lagen — maar niemand durfde die aan te breken totdat daartoe door een officiële com­missie was besloten! Een belangrijk lid van die commissie schit­terde door afwezigheid; zonder hem kon men niet vergaderen; en dus moesten de soldaten het maar zonder die kleren stellen.

Men verweet haar dat ze zich niet aan de dienstvoorschriften hield bij haar verstrekkingen. Waar mogelijk volgde ze de dienst­voorschriften op, maar ze zette die opzij als haar soldaten er de dupe van werden. Ze ondervond veel naijver van de officieren en artsen van het leger; een vrouwspersoon aan wie de regering be­voegdheden had toegekend, en met de capaciteiten om daarvan gebruik te maken — dat was onverdraaglijk! Sommige officieren mokten; anderen legden haar moeilijkheden in de weg. Toch gin­gen de hervormingen door, als pantserwagens die de mitrailleur­nesten van jaloezie en bureaucratie opruimden. Ze richtte een af­deling voor postwissels op, die het voor iedere soldaat mogelijk maakte geld naar huis te sturen, en in de daaropvolgende zes maanden werd er meer dan een miljoen gulden (“uit de kantine gered,” zoals ze zei) naar de gezinnen in Engeland overgemaakt. Ze deed de kantine nog meer concurrentie aan door de oprichting van het “koffiehuis van Inkerman”, en de dronkenschap onder de soldaten nam onmiddellijk af. Ze zorgde voor onderwijs en lees­zalen, en de mensen in Engeland stuurden bereidwillig boeken,

Als door een wonder kon ze voor dit alles tijd vinden. Maar het grootste wonder dat ze tot stand bracht was haar levensdoel — de verpleging. Niet alleen was ze organisatrice en foerier en lerares en brievenschrijfster en een doorn in het vlees van de ingedutte ambtenaren, maar ze verpleegde ook eigenhandig en met veel toewijding haar patiënten. Dagelijks bracht ze acht uur op haar knieën door om wonden te verbinden en zieken te verzorgen. Soms moest ze wel twintig uur achtereen staan om bij operaties te assisteren, voorraden te distribueren en aanwijzingen te geven. Om besmettingsgevaar bekommerde ze zich totaal niet. “Hoe erger een zieke er aan toe was, hoe zekerder men ervan kon zijn haar tengere gestalte over hem heen gebogen te zien, en zelden week ze van zijn zijde tot de dood hem kwam verlossen,” zegt een rapport. De soldaten aanbaden haar, en wanneer ze ’s nachts met haar lamp in de hand tussen de rijen doorging en hier en daar bleef staan om te troosten of te helpen, dan konden ze haar scha­duw kussen wanneer die op hun hoofdkussen viel.

Het vredesverdrag werd in maart 1856 te Parijs getekend. Heel Engeland brandde van verlangen om Florence Nightingale in te halen. De regering bood aan haar per oorlogsschip te laten re­patriëren, maar dat wees ze af. Begin augustus kwam “mejuffrouw Smith” stil en onopgemerkt in Londen aan, en ontliep zodoende de muziekkorpsen, triomfbogen en toespraken waarmee men haar had willen ontvangen. Ze was doodmoe — maar bovendien was haar gezondheid geknakt.

Voor Florence Nightingale waren die twee jaren in de Krim een episode geweest; in werkelijkheid waren ze een geweldig begin met vérstrekkende gevolgen. Ze had een grote dienst bewezen aan een zaak, die ze niet bewust had willen dienen: de positie van de vrouw als mens in plaats van alleen maar als vrouw. “Bedenk eens wat mejuffrouw Nightingale door oude gewoonten en vooroordelen te doorbreken voor haar sekse heeft bereikt,” zei Lord Stanley, de vijftiende graaf van Derby, toentertijd. “Ze heeft een nieuw beroep voor hen opengesteld, een nieuw gebied waarop zij zich nuttig kunnen maken.”

Het vaderland wilde iets doen voor de “engel der soldaten”, die toen al voorbestemd was de rest van haar leven invalide te blijven. Haar hartewens was een opleidingsschool voor verpleeg­sters, en daarvoor begon men geld in te zamelen. In een jaar tijds was er meer dan driekwart miljoen gulden bijeengebracht, en in 1859 begon Florence Nightingale in het St.-Thomas-Ziekenhuis te Londen de eerste verpleegstersopleiding. Op haar ziekbed in South Street besteedde ze veel tijd aan de nieuwe instelling. De eerste groep van 13 verpleegsters deed in 1861 examen. Met die 13 meisjes in haar bruine japonnen en witte mutsen werd er een nieuw beroep opengesteld, dat in vele landen is doorgedrongen. Dat schooltje in het St.-Thomas-Ziekenhuis zou de armenziekenhuizen van heel Engeland hervormen, en ten slotte zelfs de open­bare ziekenhuizen overal ter wereld, en ze verlossen van de
dron­ken losbandige verpleegsters, de Sairey Gamps.

Ondertussen lag Florence Nightingale op haar sofa te lezen, te werken en te schrijven. Vrijwel tot aan het einde van haar lange leven — ze is negentig jaar geworden — was ze bezeten van werkdrift, ook al was ze bijna een halve eeuw lang invalide. In een land waar vrouwen weinig meer dan slavinnen waren, fungeerde zij als hoogste beroepsinstantie in gewichtige kwesties van open­baar belang, en als onbetwist adviseuse van hoge regeringsfunctio­narissen. Ze werd tot zelfs in het buitenland beroemd; de Ameri­kanen raadpleegden haar tijdens hun Burgeroorlog over het beheer van ziekenhuizen, de Fransen tijdens de Frans-Duitse oorlog.

Tegenwoordig kan men een beeld van Florence Nightingale op een verheven voetstuk in het hart van Londen vinden, omspoeld door het bruisende Engelse leven. Dat komt haar toe; maar dat is niet alles. Haar sprekendste gedenkteken is niet door mensen­handen gemaakt, en wordt niet steeds met haar in verband ge­bracht. Het is het verreikende resultaat van dat schooltje van dertien jonge vrouwen in het bruin en wit, die ondergebracht en opgeleid werden in een vleugel van het oude St.-Thomas-Zieken­huis. Het is de hoopvolle verwachting, waar de wereld in moeilijke omstandigheden naar uitziet — een passend, een geweldig mo­nument — het moderne verpleegstersberoep.

alle biografieën

794

VRIJESCHOOL – Plantkunde – plantendelen – blad

Bij de plantkunde gaat het allereerst om de essentiële zaken: de elementen, het verloop in de tijd, de vergelijking met de kinderlijke ontwikkeling. En alles wat leidt tot grote verwondering: in het ‘leesboek voor de plantkunde’ van Gerbert Grohmann vind je daarvoor prachtige lesstof. Natuurlijk is er ook steeds sprake van allerlei delen van de plant en het is goed dat de kinderen er veel leren, d.i. vooral kunnen herkennen. Je kunt in de 5e klas 2 perioden plantkunde geven; doe je er één, dan ook nog 1 in de 6e, anders kom je nooit door alle stof heen. Voor de 6e leent het leren van allerlei benamingen zich weer meer, dan het jaar daarvoor. De vele namen die ik hieronder weergeef, zijn vooral voor de leerkracht bedoeld, als ‘vakkennis’ en hoeven door de kinderen natuurlijk niet alle gekend te worden. Een overzicht van de voornaamste delen en hun benamingen.

BLAD
Een blad is een zijdelings aanhangsel van de stengel, ontstaan door de verbreding van een loot. Eigenlijk is het het belangrijkste onderdeel van de geheel zelfstandig levende plant. Door middel van het bladgroen, het chlorofyl, worden de rode stralen van het zonnespectrum geabsorbeerd en zo wordt de energie verzameld die nodig is voor de ver­vaardiging van koolhydraten of suikers en daarna van eiwitten en vetten. De werkzame stoffen van de geneeskrachtige planten worden dikwijls in het blad gemaakt. Alle andere groene delen van de plant: jonge stengel, bladscheden, steunblaadjes en schutbladeren hebben, zij het in mindere mate, dezelfde functie als het blad. Bladeren kunnen er heel verschillend uitzien en er kunnen allerlei overgangsvormen zijn. Om een blad te herkennen moet men kijken naar de wijze van vasthechting aan de stengel, de nervatuur van de bladschijf, de vorm van de bladschijf en de bladstand.

knop:
de kiem van een loot; hij bevat een sterk verkorte, bebladerde stengel, die al dan niet door schubben wordt beschermd.

eindknop:
bevindt zich aan de top van de stengel; de loot of de bloeiwijze, die hij in het voorjaar voortbrengt, doet deze stengel groeien. Een okselknop bevindt zich in de bovenhoek tussen de bladsteel en de stengel, dus in de oksel van het blad, en zal in het voorjaar uitlopen tot een bebladerde stengel, een bloem of een bloeiwijze. Bijv. appel, peer.

plantendelen 33

vasthechting van de bladeren:
een enkelvoudig, gaafrandig blad, met een bladsteel die de bladschijf, waarvan de onderzijde zijde hier te zien is, met de stengel verbindt.

plantendelen 34

samengesteld blad met drie blaadjes (drietallig). Aan de voet van de bladsteel twee enkelvoudige steunblaadjes.

plantendelen 35

Bij de bladeren van grassen is geen bladsteel aanwezig. Een deel van de bladschijf omgeeft de stengel (halm) als een foedraal tot aan een knoop: dit is de bladschede. Op de overgang met de schijf bevindt zich het ton­getje.

plantendelen 36

zittend blad: heeft geen bladsteel

plantendelen 37

de bladschijf kan uitlopen in oortjes rondom de stengel: geoord of stengelomvattend

plantendelen 38

of als vleugels langs een deel van de stengel: aflo­pend.

plantendelen 39

De bladsteel van een schildvormig blad is vastgehecht in het midden van de onderzijde van de bladschijf. Bijv. navelkruid

plantendelen 40

nervatuur:
door de bladschijf lopen ner­ven met hun vertakkingen, die een verlenging zijn van de bladsteel. Ze kunnen min of meer uitspringend zijn en dienen zowel voor steun als voor de sapstroom. Het verloop van de nerven in de bladschijf is vaak kenmerkend voor een geslacht of een familie. parallelnervig: de nerven lopen vanaf de bladvoet min of meer evenwijdig aan elkaar. Bijv. smalle weegbree en soorten van de lelie-en grassenfamilie.

plantendelen 41

Soms is de bladschijf gereduceerd tot één nerf, bijv. bij de naalden van de den, jenever­bes of zilverspar.

plantendelen 42

veernervig: de zijnerven zijn langs de hoofdnerf gerangschikt als de tanden van een dubbele kam. Bijv. beuk, eik.

plantendelen 43

handnervig:
de nerven ontspringen uit één punt aan de voet van de bladschijf, net als de vingers van een gespreide hand. Bijv. groot kaasjeskruid, wonderboom

plantendelen 44

Bladeren kunnen naar de manier van in­snijding van rand en schijf als volgt wor­den ingedeeld:

enkelvoudige bladeren:
een enkelvoudig blad heeft één bladschijf, waarvan de randen min of meer ingesneden kunnen zijn. Hier volgen enkele voorbeelden.

gaafrandig:
rand zonder insnijdingen. Bijv. gewone sering.

plantendelen 20

gezaagd: rand met kleine uitsteeksels, die scherp zijn, waartussen afgeronde insnij­dingen. Bijv. tamme kastanje, hulst.

plantendelen 21

gekarteld: rand met afgeronde uitsteeksels en scherpe insnijdingen. Bijv. zwarte populier.

plantendelen 22

Het verschil tussen een veer- of handspletig en een veer- of handdelig blad berust op de diepte van de insnijdingen.

veerspletig of veerlobbig:
rand met diepe insnijdingen, tot ongeveer de helft. Bijv. eik.

plantendelen 24

veerdelig: de insnijdingen van de blad­schijf gaan tot over de helft.

plantendelen 23

samengestelde bladeren:
een samengesteld blad heeft insnijdingen die tot de hoofdnerf gaan, zodat er kleine blaadjes ontstaan, die vaak elk een eigen steeltje bezitten.     het   verschil   met   een   ingesneden, enkelvoudig blad is duidelijk te zien. Het geheel lijkt op een stengel met blaadjes.

plantendelen 25

schema van een blad dat drievoudig geveerd is.

plantendelen 26

oneven geveerd: de blaadjes staan aan weerszijden van de hoofdnerf ingeplant, terwijl er aan het eind daarvan slechts één topblaadje is geplaatst. Bijv. wilde lijsterbes.

plantendelen 27

handvormig samengesteld:
de blaadjes zijn in de vorm van de vingers van een gespreide hand in één punt bij de bladsteel met elkaar verbonden. Bijv. witte paardenkastanje.

bladstand:
de bladeren kunnen op drie manieren langs de stengel gerangschikt zijn: kruisgewijs, verspreid of kransgewijs.

kruisgewijs:
op iedere knoop staan telkens twee blaadjes, waarbij de blaadjes van een volgend bladpaar daar loodrecht op staan. Bijv. lipbloemenfamilie, palmboompje.

plantendelen 29

verspreid: op iedere knoop staat maar één blad. Bijv. linde

plantendelen 30

kransgewijs: op iedere knoop zijn meer dan twee bladeren rond de stengel ingeplant. Bijv. lievevrouwebedstro.

plantendelen 31 rozet: een verspreide bladstand, waarbij de leden tussen de knopen zo kort zijn, dat het lijkt alsof de bladeren in één krans aan de basis van de stengel nabij de grond zijn vastgehecht. Bijv. vetblad, echte sleutelbloem.

plantendelen 32plantendelen: wortel    stengel   bloem  bloeiwijze   vrucht

plantkunde: alle artikelen

793

VRIJESCHOOL – Plantkunde – plantendelen – stengel

Bij de plantkunde gaat het allereerst om de essentiële zaken: de elementen, het verloop in de tijd, de vergelijking met de kinderlijke ontwikkeling. En alles wat leidt tot grote verwondering: in het ‘leesboek voor de plantkunde’ van Gerbert Grohmann vind je daarvoor prachtige lesstof. Natuurlijk is er ook steeds sprake van allerlei delen van de plant en het is goed dat de kinderen er veel leren, d.i. vooral kunnen herkennen. Je kunt in de 5e klas 2 perioden plantkunde geven; doe je er één, dan ook nog 1 in de 6e, anders kom je nooit door alle stof heen. Voor de 6e leent het leren van allerlei benamingen zich weer meer, dan het jaar daarvoor. De vele namen die ik hieronder weergeef, zijn vooral voor de leerkracht bedoeld, als ‘vakkennis’ en hoeven door de kinderen natuurlijk niet alle gekend te worden. Een overzicht van de voornaamste delen en hun benamingen.

STENGEL
De stengel draagt de bladeren en omdat hij ook de vaatbundels bevat, doet hij dienst als transportbaan van water en anorganische zouten van de wortels naar de bladeren, en van koolhydraten en andere assimilatieproducten van de bladeren naar de rest van de plant. Er zijn bovengrondse en ondergrondse stengels.

bovengrondse stengels:
deze stengels zijn de boven de grond uitstekende voortzetting van de wortelhals.

een rechtopstaande, bovengrondse stengel
kan kruidachtig zijn, dus slap, breekbaar en kort levend, bijv. tarwe, maïs, of houtachtig, dus stevig, taai en overblijvend, zoals bij bomen en struiken, bijv. beuk.

plantendelen 9

klimmende stengels
zijn meestal niet krachtig genoeg om zich zonder steun omhoog te houden. Ze hechten zich dan ook op een of andere manier vast, door middel van ranken (wijnstok), hechtwortels (klimop) of bladste­len (bosrank).

plantendelen 10

windende stengel
houdt zich aan zijn steunvlak vast door zich er omheen te winden. Bijv. haagwinde.

plantendelen 11

kruipende, bovengrondse stengel,
uit­loper genaamd, groeit evenwijdig met de op­pervlakte. De knopen schieten wortel en daar ontstaan nieuwe plantjes, die op hun beurt weer moederplantjes worden en uitlopers vor­men. Bijv. bosaardbei, maarts viooltje.

plantendelen 12

ondergrondse stengels:
dit kunnen horizon­taal of schuin groeiende wortelstokken zijn, die overblijvend zijn en waarbij het ene eind doorgroeit en telkens nieuwe planten levert, en het andere eind afsterft.
Ook kunnen ze knol­vormig opgezwollen zijn, vol reservevoedsel, of kunnen het bollen zijn, waarbij de stengel sterk verkort is (bolschijf).

kenmerken:
=de ondergrondse stengel, of wortelstok, kruipt vlak onder het bodemoppervlak. Bijv. witte dovenetel.

plantendelen 13
=op de wortelstok kan men het litteken onderscheiden van de bloeiwijze van het vorige jaar en ook de knop waaruit het volgende jaar een stengel zal groeien, die weer een boven­grondse bloeiwijze zal vormen. Bijv.
duinsalo­monszegel.

plantendelen 14
=knolvormige, ondergrondse stengels (a), die niet met wortels moeten worden verward. Er zitten knoppen op en kleine, schubvormige blaadjes (b). Bijv. aardappel.

plantendelen 15

=massieve bol
(a) zonder vlezige schubben. Bijv. tulp.

plantendelen 16

en (b) dwarsdoorsnede.

plantendelen 17

=geschubde bol
met vlezige bladeren. Bijv. witte lelie

plantendelen 18

gerokte bol,
waarvan de bladeren als vliezen over elkaar heen liggen, zodat elke rok de meer naar binnen gelegen delen, die jonger en vleziger zijn, bedekt. Bijv. ui.

plantendelen 19

plantendelen: wortel   blad  bloem  bloeiwijze   vrucht

plantkunde: alle artikelen

792

 

VRIJESCHOOL – Plantkunde – plantendelen – wortel

Bij de plantkunde gaat het allereerst om de essentiële zaken: de elementen, het verloop in de tijd, de vergelijking met de kinderlijke ontwikkeling. En alles wat leidt tot grote verwondering: in het ‘leesboek voor de plantkunde’ van Gerbert Grohmann vind je daarvoor prachtige lesstof. Natuurlijk is er ook steeds sprake van allerlei delen van de plant en het is goed dat de kinderen er veel leren, d.i. vooral kunnen herkennen. Je kunt in de 5e klas 2 perioden plantkunde geven; doe je er één, dan ook nog 1 in de 6e, anders kom je nooit door alle stof heen. Voor de 6e leent het leren van allerlei benamingen zich weer meer, dan het jaar daarvoor. De vele namen die ik hieronder weergeef, zijn vooral voor de leerkracht bedoeld, als ‘vakkennis’ en hoeven door de kinderen natuurlijk niet alle gekend te worden. Een overzicht van de voornaamste delen en hun benamingen.

WORTEL
Dit is het belangrijkste ondergrondse deel van de plant. De wortel zorgt voor de bevestiging in de bodem, zodat de plant stevig staat, voor de aanvoer van water en anorgani­sche zouten door de opname van de voedings­stoffen uit de bodem en dikwijls ook voor de opslag van reservevoedsel. Hij kan in bepaalde gevallen het werkzame bestanddeel van de geneeskrachtige plant bevatten, maar ook wel het giftigste.

De vormen waarin de wortel kan voorkomen, zijn de volgende:

hoofdwortel:
een recht naar beneden groeien­de wortel, die zijwortels draagt.

penwortel:
ligt in het verlengde van de stengel en is belangrijker dan de andere, secundaire wortels, die zijdelings uit de hoofd­wortel ontspringen en zich vertakken tot haarworteltjes.

wortelhals:
is het verbindings­punt tussen de wortel en de stengel.

wortelmutsje:
is het eindpunt van wortels en haarwortels.

wortelharen:
hierdoor dringt het water met de anorganische zouten de plant binnen.

plantendelen 1

knol- en peenvormige penwortel:
een wortel die gevuld is met reservevoedsel, bijv. radijs en peen

plantendelen 2

na enkele jaren kan de penwortel sterk uitgegroeid en verhout zijn, bijv. bij de eik:

plantendelen 3

bijwortels:
meerdere gelijkwaardige wortels ontspringen aan de stengelvoet. Grassen, zoals granen en een aantal voedingsgewassen hebben een bijwortelsysteem.

plantendelen 4

Een aantal bijwortels is knolvormig door de opslag door de opslag van reservevoedsel, bijv. bij het speenkruid.

plantendelen 5

adventieve wortels eveneens bijwortels genoemd, groeien zijdelings uit een boven- of ondergrondse stengel, zoals dat gebeurt bij een stekje; ze groeien dus niet in het verlengde van de stengel of uit een andere wortel. Over de gehele lengte van de horizontaal boven de grond groeiende stengel ontwikkelen zich adventieve wortels op iedere knoop, bij bijv. wilde tijm, mannetjesereprijs.

plantendelen 6

Vanuit een ondergronds, horizontaal groei­end stengeldeel, of wortelstok, ontwikkelen zich wortels op de knopen, bij bijv. witte dovenetel, duinsalomonszegel, kweek.

plantendelen 7

De adventieve wortels ontwikkelen zich aan een stekje, bij bijv. schietwilg.

plantendelen 8

plantendelen:    stengel    blad  bloem  bloeiwijze  vrucht

plantkunde: alle artikelen

791