Maandelijks archief: november 2019

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraak bij de Kerstspelen uit Oberufer (13)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

ANSPRACHE DORNACH 24-12-1923  [2]
während der Weihnachtstagung der Allgemeinen Anthropoasphischen Gesellschaft

blz. 81

Wir werden uns gestatten, Ihnen einige Weihnachtspiele vorzufüh
ren aus altem Volkstum. Heute werden wir damit beginnen, Ihnen das Paradeis-Spiel vorzuführen, dann morgen und in den nächsten Tagen das Christ-Geburt-Spiel und das Dreikönig-Spiel. Diese Weihnachtspiele stammen aus jenen Zeiten, in denen man durch Europa hindurch vorzüglich, aber nicht nur zur Weihnachtszeit, sondern auch zur Osterzeit und sogar zur Pfingstzeit ähnliche Spiele aufgeführt hat. Es sind solche Spiele von den germanistischen Gelehrten gesammelt, und man kann sie in allerlei Veröffentlichungen in den Bibliotheken finden. Solche Spiele wurden aufgeführt bis ins 19. Jahrhundert herein in den

Toespraak Dornach 24 december 1923
tijdens de kerstvergadering van de Algemene Antroposofische Vereniging

Wij zijn zo vrij om voor u een paar kerstspelen op te voeren uit het oude volkse leven. Vandaag beginnen we om u het Paradijsspel te laten zien, dan morgen en in de komende dagen het Herdersspel en het Driekoningenspel. 
Deze kerstspelen stammen uit die tijden waarin men door heel Europa vooral, maar niet alleen met Kerstmis, ook met Pasen en zelfs met Pinksteren dergelijke spelen opvoerde.
Dit soort spelen zijn door geleerden in de germanistiek verzameld en je kan ze in allerlei publicaties in de bibliotheken vinden. Zulke spelen werden opgevoerd tot in de 19e eeuw in de 

blz. 83

Marktflecken und Dörfern, weniger in den Städten. Nun muß man aber doch sagen: Diejenigen Weihnachtspiele, die wir Ihnen hier vorführen, haben einen gewissen außerordentlichen, bedeutsamen Vorzug vor anderen solchen Weihnachtspielen. Die anderen Weihnachtspiele, die in Mitteleuropa aufgeführt worden sind, wurden eigentlich von Jahrzehnt zu Jahrzehnt verbessert. Dasjenige, was aus altem Volkstum in einer wunderbaren Weise vorhanden war, ist von allerlei intelligenten Leuten verbessert worden, und man hat sie dann also von Jahrzehnt zu Jahrzehnt wieder aufgeführt. Was aus dem dann werden kann, das wirklich altem Volkstum künstlerisch und religiös und musikalisch entstammt, sieht man an der Karikierung des Volkstümlichen in den Oberammergauer Passionspielen. Aber in diesen Weihnachtspielen, die wir hier aufführen, ist etwas, was tatsächlich, so wie es gespielt worden ist, noch bis ins 16., 15. Jahrhundert zurück unverfälscht erhalten geblieben ist, und zwar aus folgendem Grunde. Diese Spiele, um die es sich hier handelt, sind wohl gespielt worden im Elsaß,  durch den Süden von Baden und Württemberg hindurch, wo`hl auch bis nach Bayern hinein. Sie werden es aus einer Anspielung in einem der Spiele in den nächsten Tagen ersehen, wie hingewiesen wird auf äen Rhein.

marken en dorpen, minder in de steden. Maar nu moeten we toch zeggen: de kerstspelen die we hier voor u opvoeren, hebben een zekere buitengewone, belangerijke pre op die andere kerstspelen. De andere kerstspelen die in Midden-Europa opgevoerd werden, werden door de tientallen jaren heen verbeterd. Dat wat vanuit het volksleven op merkwaardige wijze nog bestond, is door allerlei intellectuele lieden verbeterd en men heeft ze dan dus ook door tientallen jaren heen opgevoerd. Wat er dan worden kan van wat uit het oude volksleven echt kunstzinnig en religieus en muzikaal stamt, zie je aan het karikaturaal worden van dit volkseigene in de passiespelen van Oberammergau. Maar in de kerstspelen die we hier opvoeren, zit iets wat werkelijk nog onvervalst aanwezig is zoals het gespeeld werd, nog tot in de 16e, 15e eeuw terug en wel hierdoor:
De spelen waarom het hier gaat zijn wellicht gespeeld in de Elzas, in het zuiden van Baden en Württemberg, misschien ook in de richting van Beieren. U zal in een toespeling in een van de spelen van de komende dagen zien, hoe er naar de Rijn gewezen wordt.

Sie wurden in den Gegenden nördlich vom Rhein – von der Schweiz aus gesehen – gespielt. Dann wanderten Stämme, unter denen diese Weihnachtspiele gespielt wurden, nach dem Osten hin aus, nach Ungarn. Man kann zunächst fragen: Warum wanderten im 15., 16. Jahrhundert deutsche Stämme nach Osten hinüber, nach Ungarn? Es wanderten ja solche Stämme aus in die Gegend von Preßburg, das heute in der Tschechoslowakei liegt, von der Donau abwärts über Preßburg nach den Zipser Gegenden, südwärts von den Karpaten, nach Siebenbürgen, nach dem Banat, der Gegend zwischen der südlichen Donau und der Theiß. Dahin wanderten diese schwäbischen Stämme aus. Und unter diesen Stämmen, die auswanderten, waren am charakteristischsten die Haidbauern. Und eben diese Leute sind in jener Gegend in Oberufer, etwas stromabwärts an der Donau, ansässig geworden und brachten sich aus ihrer ursprünglichen Heimat diese Weihnachtspiele mit, erhielten sie nun unverfälscht und spielten sie in der dortigen deutschen Kolonie von Jahr zu Jahr. Sie wurden

Ze werden in de streken ten noorden van de Rijn – vanuit Zwitserland gezien – gespeeld. Toen trokken stammen die deze kerstspelen speelden, naar het oosten, naar Hongarije. En je kan meteen vragen: waarom gingen er in de 15e, 16e eeuw stammen naar het oosten, naar Hongarije? Ja, er trokken van die stammen naar de streken van Pressburg, dat tegenwoordig in Tsjecho-Slowakije ligt (nu Slowakië), vanaf de Donau verder over Pressburg naar de streken van Spiš  ten zuiden van de Karpaten, naar Siebenbürgen, naar de Banaat, de streek tussen de zuidelijke Donau en de Theiss. Naar deze streken waaierden de Zwabenstammen uit. En onder deze stammen die zich verspreidden waren de ‘heide’-Haidboeren de meest karakteristieke. En deze mensen kozen hun vaste woonplaats in de streken van Oberufer, iets stroomafwaarts aan de Donau en zij namen de kerstspelen uit hun oorspronkelijke thuisland mee, bewaarden ze in hun ‘oer’staat en speelden ze daar elk jaar in die Duitse nederzettingen. Ze werden

blz. 83

als ein teures Gut in gewissen Familien aufbewahrt und so behandelt, wie sie vor Jahrhunderten waren. Da hat sie mein guter Freund und Lehrer, Karl Julius Schröer, kennengelernt, dort in Oberufer; es hatte sich noch keine Intelligenz, kein Verbesserer hineingemischt. Diese Spiele wurden in den fünfziger Jahren des vorigen Jahrhunderts so aufgeschrieben, wie die Bauern, welche sie gespielt haben, sie Karl Julius Schröer diktieren konnten aus ihrem Gedächtnisse heraus, als er dahin kam. Er war ja in Preßburg Lyzeumsprofessor. Als er dahin kam, wo die Spiele gespielt wurden von den Haidbauern draußen in den Dörfern, da ging er zunächst – nicht wahr, man ist ja auch höflich – zu der Intelligenz des Dorfes, zum Beispiel zu dem Schulmeister, der zugleich Dorfnotär war. Der sagte: Das ist dummes Zeug, es ist gar nicht einmal der Mühe wert, daß man sich damit beschäftigt! – Dort hatte sich natürlich die Intelligenz nicht darum gekümmert, glücklicherweise hat sich die Intelligenz nicht darum gekümmert gehabt. So konnten sie noch die Spiele aufführen, wie sie von den Bauern hinterlassen worden waren. Das war ein besonderes Glück, denn dadurch sind sie in diesen Gegenden so erhalten geblieben, wie sie waren. Man kann höchstens noch die Frage aufwerfen: Wie kamen denn die Leute dazu, dort in dieser Gegend dieses teure Erbgut aufzubewahren? 

bij bepaalde families als een kostbaar goed bewaard en zo gelaten zoals ze al eeuwen waren. Toen leerde mijn goede vriend en leraar, Karl Julius Schröer, ze daar in Oberufer, kennen; er had zich nog geen enkele intelligente verbeteraar mee bemoeid. Deze spelen werden in de jaren vijftig van de vorige [=19e] eeuw zo opgeschreven, zoals de boeren die erin meegespeeld hadden, deze aan Karl Julius Schröer toen hij daar was, hadden kunnen dicteren vanuit hun geheugen. Hij was professor in Pressburg. Toen hij daar kwam, waar de spelen door de Haidboeren in de verspreid liggende dorpen gespeeld werden, ging hij meteen – je wil ook beleefd zijn, niet waar – naar de intelligentsia van het dorp, bv. naar de schoolmeester die tegelijkertijd de dorpsnotaris was. Die zei: ‘Dat is waardeloos, niet de moeite waard om je daarmee bezig te houden!’ De intellectuele elite gaf daar natuurlijk helemaal niets om, gelukkig maar. Zo konden de spelen dus nog worden opgevoerd, zoals ze door de boeren nagelaten waren.
Dat was een heel gelukkig iets, want daardoor bleven ze in die streken zo bewaard als ze waren. Je zou hoogstens nog de vraag kunnen opwerpen: hoe kwam het dat de mensen daar in deze streek dit kostbare erfgoed bewaarden?

Dann muß man sagen: Vorangegangen sind den heutigen Ausgewanderten die aus der Tschechoslowakei nach den ungarischen Gebieten ausgewanderten Mährischen Brüder. Und diese Mährischen Brüder mit ihrem intimen, christlichen tiefen Leben, das in so schöner Weise das Bruderschaftsprinzip zum Ausdrucke gebracht hat, waren schon dort, als dann die anderen Stämme, die ich jetzt meine, die Haidbauern und so weiter den Drang verspürten, auch hinüberzuwandern nach dem Osten. Es ist nicht irgendein besonderer wirtschaftlicher Beweggrund oder dergleichen gewesen, sondern es war tatsächlich ein idealer Grund für jene Menschen, als sie nachzogen dem schönen, intimen christlichen Bruderschaftsleben der Mährischen Brüder, die schon da hinübergewandert waren. Noch vor dem Auftreten des Luthertums haben diese aus dem eigentlich noch menschlichen Gemüte Mitteleuropas eine ideale christliche Atmosphäre hinübergetragen, die nicht die Schäden des in den westlichen Ländern vorhandenen Katholizismus mit sich nahm,

Dan moet je zeggen: vóór de huidige kolonisten zijn uit Tsecho-Slowakije de wegtrekkende Mährischen Brüder naar Hongaarse streken gegaan. En deze broederschap met zijn diep intiem christelijk leven dat zo mooi het broederschapprincipe tot uitdrukking heeft gebracht, bevond zich daar al, toen die andere stammen die ik nu bedoel, de Haidboeren enzo, de drang in zich voelden om ook te emigreren naar het oosten. Het is niet een of andere economische reden o.i.d. geweest, maar het had werkelijk een ideële grondslag voor de mensen: dat fijne, intieme christelijke broederschapsleven als dat van de Mährische Brüder, die daar al heen getrokken waren, toen ze er ook heen gingen. 
Nog vóór het verschijnen van het lutheranisme namen deze vanuit een eigenlijk nog menselijke Midden-Europese gemoedsstemming een ideële christelijke sfeer mee die niet alle tekortkomingen van het katholicisme van de westelijk gelegen landen met zich meenam,

blz. 84

aber auch nicht die Schäden des Protestantismus enthielt, sondern die wirklich echtes, wahres Christentum war, aus brüderlicher Menschheitsgesinnung heraus geboren. Das wanderte hinüber. Und angezogen von der idealen Gesinnung wanderten dann andere deutsche Stämme in die Gegenden hin, die von den Mährischen Brüdern besiedelt und mit dem Christentum durchtränkt worden waren und nahmen dahin das Teuerste mit, was sie hatten: diese christlichen Weihnachtspiele. Diese Weihnachtspiele blieben in der ursprünglichen Gestalt dadurch, daß sie getrennt waren von dem Mutterlande, daß nicht über sie kommen konnte die spätere Intelligenz. Und in dieser ursprünglichen Gestalt hat sie mein alter Lehrer und Freund, Karl Julius Schröer, in Oberufer, das eine halbe Eisenbahnstunde von Preßburg entfernt ist, wo er dazumal Professor am Lyzeum war, gefunden und aufgeschrieben, so wie sie die Bauern ihm vorgesprochen haben. – Sie haben sie immer eingelernt gegen die Weihnachtszeit hin. So ließ er sie sich vorprechen und so sind sie uns ganz unverfälscht erhalten geblieben; so sind sie noch aufgeführt worden bis um die Mitte des 19. Jahrhunderts hinein. Heute wären sie ohne ihn verschwunden.

maar ook niet de tekortkomingen van het protestantisme, maar alleen wat het werkelijk echte, ware christendom was, ontstaan vanuit een broederlijk mensengevoel. Dat verplaatste zich. En aangetrokken door deze ideële stemming trokken toen andere Duitse stammen naar die streken waarin de Mährische broeders zich hadden gevestigd en die door en door christeliljk waren geworden en daar naartoe namen ze het kostbaarste mee dat ze hadden: deze christelijke kerstspelen.
Deze kerstspelen bleven zo origineel, omdat ze van het moederland waren gescheiden, zodat de latere intelligentsia er geen vat op kreeg. En in deze oorspronkelijke vorm heeft mijn oude leraar en vriend, Karl Julius Schröer, ze in Oberufer, dat maar een half uur met de trein van Pressburg vandaan ligt, waar hij destijds professor was, gevonden en opgeschreven, zoals de boeren dat hem voorgesproken hebben. Altijd studeerden ze die weer tegen de kersttijd in. Zo liet hij ze aan hem voorspreken en zo zijn ze onvervalst voor ons bewaard gebleven; zo zijn ze nog opgevoerd tot in het midden van de 19e eeuw. Zonder hem zouden ze nu verdwenen zijn.

Karl Julius Schröer hat die Dinge, so wie sie gerade da unten üblich waren, erhalten. Ich habe viel im Beginne der achtziger Jahre über diese Dinge mit ihm sprechen können. Er war voll von Erinnerungen an die Aufführungen, die er dort gesehen hat, und so sind mir diese Spiele auch ans Herz gewachsen. Daher möchten wir sie unter unseren Gemeinschaften so aufführen – mit einigen Variationen, denn genau so, wie es in den Wirtshäusern aufgeführt wurde, können wir es hier nicht tun, auch manches andere, was dort ausgeführt worden ist, können wir hier nicht ausführen -, aber so echt diese Dinge nur dargestellt werden können, möchten wir Ihnen diese schönen Stücke echten Volkstums vorführen. Zum Beispiel hatte dort der Teufel vor der Aufführung ein Kuhhorn, und da rannte er im ganzen Dorfe herum und blies mit diesem Kuhhorn hinein in jedes Fenster und forderte die Leute auf, zum Spiel zu kommen: das sei Christenpflicht eines jeden zum Advent. – Nun, Sie können sich schon denken: das können wir hier nicht ausführen. Wir würden schön ankommen, wenn wir den Leuten sagen würden: das sei Christenpflicht zum Advent! – Außerdem mußte der

Karl Julius Schröer heeft de dingen zoals ze daar gebruikelijk waren, vastgelegd. In het begin van de jaren achttienhonderdtachtig heb ik veel met hem over deze dingen kunnen spreken. Hij zat vol herinneringen aan de dingen die hij daar gezien had en zo zijn deze spelen me na aan het hart komen te liggen. Daarom zouden wij ze in onze instellingen zo willen opvoeren – met een paar veranderingen, want net zoals ze in de herbergen werden opgevoerd, kunnen wij dat hier niet doen, ook veel andere dingen die daar gedaan worden, kunnen we hier niet doen – maar zo authentiek als deze dingen maar getoond kunnen worden, zouden wij graag deze stukken van origineel volksleven voor u willen opvoeren. De duivel bv. had vóór de opvoering een koeienhoorn en daarmee rende hij door het hele dorp en blies daarmee door ieder raam en riep de mensen op naar het spel te komen: dat was in de adventstijd voor ieder een christelijke plicht.
U begrijpt wel: dat kunnen we hier niet doen. Ze zien ons aankomen, wanneer we zouden zeggen: dat is een christenplicht in de adventstijd! Bovendien moest de duivel

blz. 85

Teufel auf jeden Wagen, der vorbeifuhr, hinaufsteigen, machte Unruhe, polterte herum und so weiter. Auch das und manches andere müssen wir hier bleiben lassen. Aber all dasjenige, was möglich sein kann, soll eben in voller, echter Wahrheit vorgeführt werden. Ich will jetzt die Aufführung nicht länger aufhalten, doch wollte ich dasjenige, was zu sagen ist über die Art und Weise, wie die Aufführungen üblich waren und wie die Weihnachtspiele unter den Bauern einstudiert wurden, in einigen einleitenden Worten kurz mitteilen.

op iedere kar klimmen die voorbijreed, onrust veroorzaken, luid schreeuwend rondgaan enz. Ook dat en nog veel meer moeten wij achterwege laten. Maar alles wat mogelijk is, moet diep en echt waar werden opgevoerd.
Nu wil ik de opvoering niet langer ophouden, maar ik wilde wel wat er gezegd kan worden over de gebruikelijke manier waarop de spelen werden gespeeld en hoe de kerstspelen door de boeren werden ingestudeerd, kort in een paar woorden zeggen.

.

[1] GA 274
[2] GA 274

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

1967

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Over de kleuren op de muren van de lokalen (1-1/2)

.

Oene Schreuder, vrijeschool Wageningen, nadere gegevens onbekend

Deel 1
.

OVER KLEUREN EN WANDVERSIERING IN VRIJESCHOLEN

II WANDVERSIERING

In de ontwikkeling van de beeldende kunst is een interessante beweging te volgen die verloopt van groot naar klein naar groot.
Denken we bijvoorbeeld aan de Bijbelse muurschilderingen van Michelangelo (vanaf de aardeschepping tot aan David en Salomo) dan kunnen we het gevoel krijgen van: kosmisch, spiritueel en groot.
Stel ik mij echter een schilderij met appels op een schaal voor van Cézanne (eind 19e eeuw), dan krijg ik de indruk: begrensd, niet alleen door een lijst om het werk heen, maar ook uit liefde voor het detail, kortom klein, hoe spiritueel die appels ook weergegeven zijn.
Kijken we naar de tijd na 1900, dan zien we dat de kunst langzamerhand de grenzen van het kader wil doorbreken, zodanig, dat de toeschouwer, de mens, deelgenoot van het kunstwerk zal kunnen worden.
Picasso begint in 1909 met de collage (bijv. stukken krant in een compositie).
Dan vinden we bij de DADA, de montage (bijv. een object uit fietsonderdelen).
Ook krijgen we de assemblage; 500 brilmonturen op een groot bord.
Een stap verder is de “enviroment-art” (parallel aan de zgn. “pop-art“),  in de omgeving wordt kunstzinnig gemanipuleerd, bijv. in de VS is een landschap met kilometers lange gekleurde gordijnen doorbroken.
In 1959 komen we voor het eerst de “happening” tegen; bijv. een man die in het stedelijk museum gaat staan als kunstobject. Daarmee wil tot uiting gebracht worden, dat het alledaagse, iedere mens (toeschouwer) op zichzelf al een kunstwerk is.

 

Al met al zijn we weer bij het idee “groot en groots” aangeland.
Misschien gebeurt het, dat sommigen bij de laatste kunstvormen uithaken en het schilderij aan de muur verkiezen, toch ligt er een dieper streven achter al deze nieuwgezochte kunstuitingen, nl. dat ieder mens, en niet een culturele elite alleen, weer kan instappen in de kunst. De kunstobjecten worden – om zo’n stap te vergemakkelijken – uit het leven van alledag gekozen.

De vrijescholen nu, zijn wat kunst betreft uiterst trendgevoelig. U weet allen, dat “happenings” in onze school aan de orde van de dag zijn, maar ook, geloof ik, dat de enviroment art, omgevingskunst op een hele bijzondere manier is opgevat, nl. in de vorm van muurschilderingen.

En Rudolf Steiner heeft daarmee dezelfde bedoelingen voor ogen gehad als de moderne kunstenaar nl. om ieder mens(enkind) weer te laten vertrouwen op het kunstzinnige in de mens en een vertrouwensband te laten krijgen met de kunst in het algemeen.

In onze cultuur moeten we helaas constateren hoe er alom kunstzinnige schraalheid heerst en steeds weer meer moeten er therapeutische ‘kunstgrepen’ worden gedaan om te proberen iets te redden vandat vertrouwen in de kunst.

Een schoolgebouw is nu bij uitstek zo’n “omgeving” om kunstzinnig en zodoende medisch-preventief in te richten. Wat mensen in hun kinderjaren aan “prikkels” opdoen op kunstzinnig gebied, kan bepalend genoemd worden voor het verdere leven (vandaar preventief).

Bovendien heeft R. Steiner de kunst ook nog consequent en op een begrijpbare wijze aangepast, aan die “omgeving”.

Ik zal een overzicht geven van de aanwijzingen die hij gaf voor de verschillende motieven van klas 1 t/m 12; alle (evenals de kleuren op de muur) aangepast aan de leeftijdsfase en leerstof.

Klas
1 – Sprookjesvoorstellingen (eveneens kleuterklas).
2 – Fabels en legenden.
3 – De levende, maar nog niet vanuit de waarneming afgebeelde wereld; planten.
4. – De “waarneembare” wereld; dieren.
5 – Mensengroepen, mensen die samen iets doen.
6 – De eenzame mens in de natuur.
7 – 8 – Reproducties van Rafael en Leonardo da Vinei.
9 – Reproducties van bijv. Giotto; technische situatieschetsen; een hemelkaart, waarin men de verschillende sterrenbeelden in figuren bijeenzet.
10 – Reproducties van Holbein en Dürer. Ook bijv. het binnenste van de zee met daarin levende dieren; Voorstellingen die zowel instructief, als kunstzinnig zijn.
11 – Holbein, Dürer, ook Rembrand, evt. ook oudere meesters. Tevens geologische doorsnijdingen met kunstzinnig uitgewerkte kaarten e.d.
12 Reproducties van Rembrand, ook voorstellingen van fysiologische en anatomische zaken bijv. de bouw van het oor, het oog.

N.B: De moderne én klassieke beeldende kunst leren de leerlingen kennen in kunstgeschiedenisverband.

Wanneer je zo’n hele reeks van klas 1 tot en met 12 doorneemt is er een opvallende scheiding tussen 1 t/m 6 en 7 t/m 12.
Krijg je bij de eerste zes het gevoel te maken te hebben met zeer levendige beeldrijke, fantasievolle schilderijen op de muur, zo krijgt je bij de ‘bovenbouw’ het idee te maken te hebben met meer technisch wetenschappelijke, tot exacte waarneming aansporende afbeeldingen.
Plotseling komen er (naast muurschilderingen!) reproducties op de muur vanaf klas 7. Een aanduiding, dat het hier om een andere kijkhouding gaat bij de kinderen (puberteit).

Wanneer je bijvoorbeeld naar klas III – de levende, maar nog niet vanuit de waarneming afgebeelde wereld, planten – kijkt, stel ik me daarbij een meer expressionistische schildertrant voor; planten in hun oervorm, dieren in hun zielekleur, etc. (De Goethe-stijl)

Nemen we daarentegen bijvoorbeeld klas 10 – het binnenste van de zee – dan stel ik me daarbij een meer op waarneming geënte impressionistische schilderstijl voor. (Evenzo duidelijk in klas 12). In de reproducties is een zuiver kunstzinnig element vertegenwoordigd.

Wat zou nu zo’n motief voor een muurschildering in de lagere klassen kunnen zijn?

In de eerste klas en ook de tweede is uitzoeken/kiezen daarvan een verrukking.
We hoeven maar een sprookjesboek open te slaan, of de rijke beelden rollen aan je ogen voorbij. Uit zo’n verhaal kun je een aantal treffende gebeurtenissen of stemmingen pakken en die in een reeks beelden op de muur aanbrengen.
Zo’n geschilderd sprookje kan tot jaarmotief worden voor de kinderen, Het bijbehorend verhaal vertel je natuurlijk aan de kinderen en plotseling zie je dan hun hoofden omdraaien naar de muur uit herkenning.

Belangrijk is m.i. bij zo’n muurschildering, dat er een element in zit dat naar de toekomst verwijst, bijvoorbeeld iemand die op weg is of een ontwikkelingsgang doormaakt.

In sprookjes- en heiligenlegenden-motieven (ook fabels) is dat goed tot uiting te brengen in bijv. een prins (te paard), die op weg gaat en allerlei gevaren (lees: ontwikkelingsmogelijkheden) ontmoet.

In het sprookje van de “twee gebroeders” (uit Grimm), wat aanleiding was voor de muurschildering in de 1e klas, hek ik de jongste broer, die naar het westen trekt (en zelfs een doodsmoment beleeft) een toekomstgericht gebaar (hij wijst naar zijn doel) meegegeven. in feite geef je a.h.w. een spiegel aan de kinderen, immers ook zij zijn op weg naar een toekomst in het avondland.

Veel moeilijker – ik heb daar geen ervaring mee – lijkt mij een overgang te vinden naar de 3e klas met: “de levende, maar nog niet de uiterlijk waarneembare natuur”. Het zal moeten gaan om ‘oer’-beelden, innerlijke beelden t.a.v. planten etc., denk ik.

De vierde klas krijgt hetzelfde jaarmotief, maar de blik is nu naar “buiten” in de wereld gericht. De ‘waarneming vanuit het “ik” gaat een rol spelen voor de 9/10 jarige.
Het penseel moet zich aanpassen na de 3e klas.

Een poging waard lijkt het me om in de 4e. klas de dieren zó te schilderen, dat ze in hun eigen ‘kleur’ gevat zijn. (Een flegmatische koe in een sappige kleur). Ook de penseelstreek (rond-straalsgewijs) kan daartoe effecten geven.

De vijfde klas – waarvan leraren vaak zeggen, dat de groepsgeest het meest harmonisch is – heeft tot thema: mensengroepen. Bijvoorbeeld zouden we hier kunnen denken aan een groep mensen die samenwerken in een houtzagerij o.i.d. (een marktplein misschien). We kunnen daarbij ook denken aan de economische aardrijkskunde, die dat leerjaar centraal staat.

De zesde klas, de eenzame mens in de natuur. Zelf heb ik daarbij iets in mijn hoofd als een chinees of japans motief van een prachtig landschap met een berg en een meer met daarin een enkele mens (in een roeibootje) of een steenhouwer…
Duidelijk is hier weer aangesloten bij de leeftijdsfase van de 11-jarige. Ze staan aan de vooravond van de puberteit, een fase, waarin het mensenkind geheel op zichzelf wordt teruggeworpen en waarin ook het fysieke sterk beleefd gaat worden.
Vele dingen in het leven zullen kritisch en scherp worden betwijfeld. De natuur echter blijft een permanent gegeven van waaruit weer vertrouwen geput kan worden. (Thema in de zesde klas is ook mineralogie)

Vanaf de 7e klas worden de reproducties geïntroduceerd en de overige muurschilderingen in de bovenbouw zijn specialistischer van aard.
Voor wat de stijl betreft, waarin de muurschilderingen opgezet moeten worden, heeft R. Steiner gezegd, dat het een ‘algemeen menselijke’ moest zijn. Wat dat nu precies inhoudt, daar zou je als kunstenaar, volgens mij een levenstaak van kunnen maken om dat te verwerkelijken.
Enerzijds geeft hij door zoiets uit te spreken een enorme vrijheid aan de kunstenaar, aan de andere kant wil hij er volgens mij voor waarschuwen, dat het geen plaatjes uit een rijmpjesboek worden, of dat er vanuit een specifieke kunstrichting wordt gewerkt, cubistisch of surrealistisch of naïef.
Vele prentenboeken in de winkel zijn verlucht met sterk stijlgerichte afbeeldingen, waardoor ze vaak aantrekkelijker zijn voor volwassenen dan voor kinderen.
‘Algemeen menselijk’ schilderen betekent ook vaak een strijd aangaan met een al te persoonlijke stijl.

Op nog maar weinig vrijescholen is men zover gekomen om aandacht te besteden aan muurschilderingen. Toch is het mijn overtuiging, dat dit een manier is om de kunst een werkelijke sociale rol te laten spelen en haar te maken tot iets, waar kinderen en volwassenen vrijuit van kunnen genieten, zo in het dagelijks leven en tot iets waar voor men niet naar galeries of tentoonstellingen behoeft te gaan.

Bij kinderen is het nog zo duidelijk dat zij de wereld om hen heen als mooi en schoon willen beleven; misschien kunnen wij als opvoedkunstenaars er een penseelstreekje toe bijdragen, dat zij ook later hun volwassenwereld, kunstzinnig zullen willen inrichten.

Muurschildering:

bron
.

Deel 1 van deze artikelen gaat over het vraagstuk van de kleuren van klassenmuren.
.

Rudolf Steiner in GA 330B/228 e.v.
.

Dit onderwerp wordt ook behandeld in het boek ‘Schöpferisches Gestalten mit Farben
.

korte film (Duits)

.

1966

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Over de kleuren op de muren van de lokalen (1-1/1)

.

Oene Schreuder, vrijeschool Wageningen, nadere gegevens onbekend

 

OVER KLEUREN EN WANDVERSIERING IN VRIJESCHOLEN

.

I KLEUREN IN DE KLAS

In een tweetal artikelen (het eerste in deze, het tweede in de vólgende schoolkrant) wilde ik graag ingaan op een zo kenmerkend vrijeschool-aspect, namelijk de omgang met kleuren; ditmaal niet op tekenpapier, maar op de muren.

Met opzet start ik met eerst een indruk te geven van de kleuren per klas, in de hoop in het volgende artikel te kunnen aantonen, hoe de wandschilderingen a.h.w. ingebed liggen in die “klassenkleur”.

Wanneer men zich met dit onderwerp bezighoudt, valt er ongelooflijk veel te ontdekken, vooral aan de hand van aanwijzingen van Rudolf Steiner, en het enige wat ik in dit bestek kan doen, is m.i. enkele losse flodders te lanceren, plus nog wat persoonlijke kanttekeningen.

De vraag: ‘Kleuren, in een schoolgebouw?’ is tegenwoordig waarschijnlijk minder wereldschokkend dan dat ze 100 jaar geleden zal zijn geweest bij de ingebruikneming van de eerste Waldorf-school te Stuttgart, waar een groot aantal klassen in een blauw-lila teinte gehuld waren.

Men hoeft nu maar een modern bankgebouw o.i.d. in te lopen, of men wordt geconfronteerd met een stevig kleurenarsenaal in trappen, balies, gordijnen etc.

Maar hoe was dat in de twintiger jaren?

Ondanks de kleurrevolutie middels impressionisme en expressionisme, was men wat betreft de kleur in de architectuur de ‘kleurenschuwheid’ van de 19e eeuw nog lang niet te boven! Kleur werd nog louter als siermiddel gezien en had nog geen functie in de bouwkunst.
Dit in tegenstelling tot het oude verleden, waarin bv. de Egyptische kunstenaar, die de piramide schiep niet na voleinding van de bouw in grauwe steen gedacht heeft: ‘En nu de kleur nog!’, nee, kleur en vorm en locale omstandigheden waren volledig in overeenstemming. (Denk aan de kleurnuances in de gepolijste marmerplaten).

Rudolf Steiner nu heeft, rond 1920, opnieuw gewezen op de betekenis van kleur in de architectuur, vanuit een esthetische én pedagogische invalshoek; dit overigens in contrast met zijn tijdgenoten, de functionalisten, die in hun bouwwerken geen kleur (behalve wit) tolereerden, om hun zo zuiver opgebouwde architectonische vormen (vlakken) niet te kort te doen!
Natuurlijk leefden er ook elders in Europa (vooral in Nederland: Oud, Rietveld, Mondriaan, ‘De Stijl’) ideeën omtrent kleur in architectuur, maar deze vonden vaak geen direct respons en ze verhuisden, al dan niet met de artiest, naar Amerika. De kleuren gingen daar een heel eigen leven leiden binnen de kunst en kwamen na W.O.II in een nieuw jasje gestoken terug naar Europa.

Wat beoogde Rudolf Steiner nu met kleuren in klaslokalen?

Niet alleen stond hem de schoonheid van een gebouw voor ogen, maar telkens weer onderstreepte hij het belang van kleur, door werking en waarde die ze heeft op de ziel van de (opgroeiende) mens. Dr. Zeylmans van Emmichhoven heeft dit later nog eens wetenschappelijk bewezen met behulp van de zgn. ‘Kymographion’ (registratie van een kloptempo. na inwerking van een bepaalde kleur).
Hij heeft zijn vindingen met een therapeutisch doel voor ogen toegepast in de Rudolf Steinerkliniek te Den Haag.
Leidraad voor beiden is geweest ‘Goethe’, die steeds gezocht heeft naar het wezen van iedere kleur.

Evenmin ging het Rudolf Steiner om vaste concepten, maar om een levend opnemen van de kleur waartoe Goethe uitnodigde!
Een belangrijk aspect hierbij waren de zogenaamde complementaire kleurverschijningen. Wanneer je het oog enige tijd op bijv. een violet gordijn richt, zal als nabeeld een groengele kleur te voorschijn getoverd zijn! (Hierin zie je duidelijk hoe de kleuren ‘on-materieel’ in de mens aanwezig zijn!)

Wanneer we nu de aanwijzingen van Rudolf Steiner omtrent kleur in de klas eens wat nader onder de loep nemen, kunnen we “aanvoelen”, hoe hij die kleuren niet alleen in overeenstemming laat zijn met de ontwikkelingsfase van het kind (kleuter, puber etc.), maar ook – vooral hij het jongere kind – rekening houdt met de z.g. tegenkleur, die innerlijk wordt opgeroepen.

Een ander belangrijk facet in de kleurbepaling was de functie van een lokaal of ruimte (scheikundelokaal – toneelzaal etc.). Voordat ik nu kleur bij klas ga plaatsen lijkt het me goed korte kleurbelevenissen te beschrijven aan de hand van de circel. Belangrijker zijn misschien nog uw eigen gevoelens ten aanzien van de kleur aan de hand van objectieve waarnemingen.

GEEL: is de dunste sluier voor het licht, heeft de neiging om weg te vlieden vanuit een centrum; is sprankelend (als in vlammen, citroenvlinder) of edel, vol, rijp, het koren, goud, de zon (zonsopgang-ondergang).

ORANJE: is feestelijk, geeft plezier en hartelijkheid (zonsopgang -ondergang, vuur, bloemen). Kan soms ook iets verradelijks scherps hards hebben (verkeerslichten, slangenkleur samen met groen, zwammen e.d.)

ROOD: is dynamisch, wekt activiteit, is aanvallend, kleur van het hoge, voorname (koningen, priesters) en het lage, de duivel (+zwart). De kleur van het  bloed. De kleur van zonsopgang en zonsondergang

Goethe: Ze geeft een indruk van erst en waardigheid, evenals van hulde-stemming en warme liefde.
In vele bloemen; roos (diep), papaver (oppervlakkig); in robijn, granaat, koraal; in vogels, vissen, insecten enz. enz.

PERZIKBLOESEM ROSE: is zacht, moederlijk, teer, luchtig, niet zo zwaar als rood. De kleur van de lentebloesem. De zuivere kleur die soms heel even aan de ochtendhemel verschijnt (a.d. Middellandse Zee).

BLAUW: is diep en oneindig, zoals de sterrenhemel, kan helder, koel zijn, soms koud als sneeuw, afstandelijk, ohjectief, het begrenst (i.t.t. geel) naar buiten toe, is omhullend naar binnen toe, is bescheiden. Veel te vinden in kristallen, ook onderin een vlam en vaak in bloemen die dichtbij de grond groeien. Duidelijke contrasten te vinden in warme blauwen (ultramarijn, kobalt) en koude blauwen (indigo, pruisisch. Denk aan maanstemmingen).

VIOLET ; vraagt om innerlijkheid. Kan diep (viooltje), maar ook licht zijn (in wolken bv.) Het wordt vaak gekozen in cultische ruimtes (kerken, tempels, 
rouw-centra). Ook te vinden in stenen (amethist), in gecompliceerde bloemen.

GROEN: een heerlijke kleur, werkt rustgevend, evenwichtig, harmoniserend (het groen in de natuur). Wil levenskracht uiten, wil omhoog streven van de aarde (denk aan bosrand in de lente!!).
Het is de kleur van de Christus; de ikonenkunst werkt veel met rood en groen. Het groen is een beminnelijke middelaar temidden van de diversiteit van kleuren.

Wanneer we zo afzonderlijk de kleuren belichten merken we op, dat binnen een kleur nog weer zoveel mogelijkheden liggen, tussen bijv. koude en warme, lichte en donkere kleuren, tussen diepe en vluchtige, tussen dichte en open kleurnuances. Dit drukt ons nog eens met de neus op de enorme rijkdom en zeggingskracht, van een enkele kleur en waarschuwt ons meteen voor het gevaar te snel te willen etiqueteren, in de zin van bijv. ; “De zesde klas moet blauw zijn”. Het gaat er m.i. ook hierbij weer om, hoe we omgaan met een kleur en niet zozeer om het antwoord op de vraag; “Wat doen we met kleuren”.

Ik hoop dat dat ook enigszins mag blijken uit de manier waarop Rudolf Steiner verschillende indicaties geeft voor verschillende schoolgebouwen.

Voor de nieuwbouw te Stuttgart 1922 gaf hij aan;

Klas 1/3: roodnuances 
Klas 4: lichtgroen 
Klas 5: groenblauw 
Klas 6: blauw 
Klas 7: indigo
Klas 8/9: violet
Klas 10: lila
Klas 11: licht rood-lila

gymnastiekzaal: rood-lila;
eurythmiezaal: malve;
handwerken: ranje;
handenarbeid: icht violet, sterk naar het rood neigend;
natuurkundelokaal: blauw;
dokterskamer: roodachtig;
gang: roodachtig-lila.

Voor de Goethe school in Hamburg:

Klas 1 t/m 3: rood geleidelijk aan lichter
Klas 4 t/m 6 : oranje         idem
Klas 7: geel
Klas 8 en 9: groen, resp. lichter groen
Klas 10 en 11: blauw resp. violet-blauw
Klas 12: violet

natuurkundelokaal: groen;
zanglokaal: lila

Voor de New-School in London: 

5-6 jarige kinderen: rood oranje geel 

7-8 jarige: groen
9 jarige: donker groen
10-11 jarige: blauw

eurythmiezaal: lichtviolet 
en gangen: geel.

Wanneer we deze voorbeelden langslopen, merken we al gauw op dat Rudolf Steiner niet alleen naar de lokalen in de gebouwen heeft gekeken, maar ook naar de atmosfeer waarin de kinderen leven en hoe zij zich (hoogst verschillend) bewegen in hun wereld.

Op het schoolplein in Stuttgart zie je rustig keuvelende kinderen, terwijl je in Hamburg wordt overrompeld door een overstelpende bewegingsdrang (evenals in Wageningen).

Zijn vraag zal geweest zijn; “Wat heeft het kind hier te weinig aan zielekleur of wat heeft het daar teveel. Misschien heeft Steiner met opzet de rood-oranje-nuances in Hamburg laten doorgaan tot aan de 7e klas om de rustgevende kracht van de tegenkleur – het groen – haar subtile spel te laten spelen.

In dit verband kunnen we ook denken aan het prachtige perzikbloesem-rose van de kleuterklassen; in de kleur zelf vinden we het tedere, prille, en omhullende in de complementaire, een beleven van evenwicht en vredige rondheid. Voor kleuters is dit beleven nog heel primair.

Evenwel, nog andere gezichtspunten zijn van belang;

Wat denkt u van een gang in roodachtig lila (Stuttgart)? Hier zouden we kunnen zeggen: “Colour follow function”;
Wat moet een gang doen? Zij moet uitnodigen, een onthaal vormen voor wat van buiten naar binnen toe wil. Hier helpt het hartverwarmende rood. Maar ook vindt er voortdurend beweging plaats (klassen die van lokaal wisselen bijv.) en ontmoetingen! Gangen als slagaders in een gebouw: het rood als kleur der communicatie.

Nu geel (London). We zouden kunnen denken aan een gebouw met een hal (centrum) vanwaaruit overal gangen of trappen lopen naar de lokalen (omtrek). Als langs zonnestralen bewegen de kinderen zich van en naar hun werkdomeinen.
En een natuurkundelokaal blauw (Stuttgart)?
Hier zijn vergissingen uitgesloten: het gaat om objectieve observaties, zakelijk en exact, soms nuchter en koel.
Het blauw draagt zijn steentje bij: door haar heldere, begrenzende kristallijne karakter.

Dit zijn zo enkele grepen, maar duidelijk wordt hieraan wellicht: hoe kleuren zich niet in bepaalde ruimtes laten dwingen, maar wel, dat elke ruimte op zijn beurt vanuit haar eigen pedagogische, functionele of plaatsgebonden bijzonderheid om een kleur vraagt.
Daarnaast hebben we paraat in ons bewustzijn het hele unieke eigen wezen van de afzonderlijke ‘kleur(nuances).

Dan misschien nog iets ten aanzien van de veel gehoorde opmerking: ‘waarom zulke weke, pastelkleurige tinten in de vrijescholen, kleuren die je ook tegenkomt in de ‘nat-in-nat’-schilderingen?

Met dekkende verf zou je ook kleuren kunnen aanbrengen. Wanneer we een antwoord proberen te vinden op deze vraag, komen we anzelf op het punt, wat de muren te “vertellen” hebben. Dan zien we enerzijds de hele fysieke kant van het steen, dat ons moet beschermen tegen regen en koude en wind, maar aan de andere kant worden we gewaar, hoe muren tegelijkertijd iets doorlaatbaars moeten hebben.

Ieder weet hoe belangrijk het raamoppervlak bijvoorbeeld is in een muur; men moet van binnen naar,buiten, maar ook van buiten naar binnen kunnen (kijken). Een muur met kleine raampjes geeft een heel andere stemming aan een huis dan een grote glaswand. Een hele dichte wand is ontoegankelijk of liever gezegd, onuitgankelijk.

De transparante, letterlijk doorluchtige kleuren, schenken aan de inwonende wel de vrijheid om als het ware een “uitzicht” naar “‘buiten” te hebben.
Dit wordt nóg meer zichtbaar, wanneer er een wandschildering, een panorama verschijnt.
De techniek van het aanmaken en aanbrengen van de verf wilde ik nu even buiten beschouwing laten.

Dan tot slot nog dit; wanneer we onze blik langs de kleuren, laten glijden door de vrijeschool heen (zie voorbeelden Stuttgart en Hamburg), dan merken we steeds op hoe de kinderen zich ieder jaar opnieuw kunnen verbinden met een kleur. Ze beginnen als kleuters met het perzikbloesemrose, doorlopen in onder- en bovenbouw van de vrijeschool, hoe dan ook de gehele kleurencirkel en eindigen in de 12 klas (±18 jaar) met een violetkleur, wat we kunnen zien als een intensivering, een verdichtsel en doorgronding van waar ze mee gestart zijn.

Evenals aan de vertelstof, die van jaar tot jaar een ander thema heeft, zien de kinderen aan verandering van kleur, dat ze in ontwikkeling zijn. Aan en met de kleur ontwikkelt zich hun.zieleleven.

Nu de lente bijna haar intocht gaat doen kunnen we overal genieten’van het grootse kleurenspel in de natuur. .

Het is bijna zintuigbedwelmend, want het wemelt van kleurverrassingen in de natuur. Complementaire kleuren, opvolgende kleuren, harmoniërende en contrasterende kleuren, alles is aanwezig.

Zie een crocus met donkerpaarse bloemblaadjes en een helder geel hart, de tulpen met het rose-rood en het groen, de iris met blauw en geel in het bloemblad, of de frisgroene berkenblaadjes tegen een witgrauwe stam, de beuk met haar donkerbruin en roodachtige gloed tegen een zachtgroene, stam. Straks de bloesems met rose-wit tegen een zacht-blauwe voorjaarshemel.

De kleuren spelen hun eigen spel.

Kleuterklas:

.

meer bij bron

Meer op VRIJESCHOOL  in beeld: gebouwen

deel 2
.
Rudolf Steiner in GA 330B/228 e.v.

Dit onderwerp wordt ook behandeld in het boek ‘Schöpferisches Gestalten mit Farben‘ 

.

1965

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraak bij de Kerstspelen uit Oberufer (12)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

 

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

ANSPRACHE DORNACH 14-12-1923  [2]

blz. 77

Wir erlauben uns heute, Ihnen zwei Spiele aus altem Volkstum vorzuführen, welche jener Reihe von Spielen angehören, die zu den Festeszeiten im alten christlichen Volkstum des Mittelalters oftmals und für weite Gegenden gespielt worden sind.
Wir müssen uns nämlich klar darüber sein, daß die Festesgelegenheiten zur Zeit etwa vom 12., 13. Jahrhundert bis eigentlich zum vorigen Jahrhundert, noch bis in die Mitte des vorigen Jahrhunderts, daß die großen Feste des Jahres – das Weihnachtsfest, Osterfest, Pfingstfest, auch einige andere Feste – in christlichen Gegenden ganz außerordentlich bedeutsame Einschnitte des Jahres waren. Und wie das christliche Jahr überhaupt zugeteilt ist an alles das, was das Bewußtsein durchdringt, so wird das menschliche Herz zu besonderen Zeiten geradezu aufgerufen, diese Erinnerungen zu durchdringen mit demjenigen, was wiederum die größten Tatsachen im religiösen Leben und im religiösen Bewußtsein sind.Es gibt Osterspiele, es gibt Pfingstspiele, Fronleichnamspiele, auch Spiele zu anderen heiligen Festen. Die liebenswürdigsten, die besonders tief ins Gemüt gehenden solcher Festspiele waren die Weihnachtspiele. Diese Weihnachtspiele sind uns insbesondere aus denjenigen Zeiten erhalten, in denen das Mittelalter zu Ende gegangen ist. Und

Toespraak Dornach 14 december 1923

We nemen vandaag de vrijheid om voor u twee spelen uit het oude volksleven op te voeren die bij een reeks spelen behoort die ter gelegenheid van de feesttijd in het oude christelijke volksleven van de middeleeuwen dikwijls en in ver weg gelegen gebieden werden gespeeld.
We moeten namelijk duidelijk weten dat de feestelijke gebeurtenissen in de tijd van ongeveer de 12e, 13e eeuw tot eigenlijk in de vorige eeuw, nog tot in het midden van de vorige eeuw, dat die grote feesten van het jaar – Kerstmis, Pasen, Pinksteren, ook nog een paar andere feesten – in christelijke gebieden heel bijzondere gebeurtenissen in het jaar waren die veel betekenden. En zoals het christelijke jaar helemaal al gericht is op alles wat het bewustzijn doordringt, werd in deze bijzondere tijden het menselijke hart aangesproken zich te verrijken met wat toch de grootste feiten in het religieuze leven en voor het religieuze bewustzijn zijn.
Er zijn paasspelen, pinksterspelen, spelen op Sacramentsdag, ook spelen op andere heilige feesten. De populairste, die bijzonder diep op de ziel werkten, waren de kerstspelen. Met name deze spelen zijn bewaard gebleven uit de tijd dat de middeleeuwen afliepen. En 

blz. 78

auch diejenigen zwei Spiele, die wir Ihnen heute vorführen, stammen aus dem zu Ende gehenden Mittelalter. Sie sind wohl noch im 16. Jahrhundert überall gespielt worden, in den Gegenden sogar hier ringsherum. Sie werden es bei dem einen der Spiele finden, wie darauf hin- gewiesen wird, wie die Sonne über dem Rhein scheint. Daraus können Sie entnehmen, daß diese Spiele in einer Rheingegend ursprünglich heimisch sind. Aber gerade diejenigen Spiele, die wir Ihnen heute vorführen, sind nicht hier in diesen Gegenden gefunden; sie sind aufgefunden von meinem alten Lehrer und Freund Karl Julius Schröer, in der Mitte des vorigen Jahrhunderts, in jenen Gegenden Oberungarns, die dazumal eigentlich noch urdeutsch waren, deren Deutschtum heute längst verklungen ist, dem slawischen und magyarischen Element Platz gemacht hat. In diesen Gegenden waren deutsche Kolonien, wie sie ja überall in Ungarn zerstreut sind. In der Preßburger Gegend, nördlich von der Donau, auch weiter hinüber, südlich von den Karpaten, das sogenannte ungarische Bergland entlang hinein bis nach Siebenbürgen; wiederum unten an der unteren Donau, im sogenannten Banat. In der letzteren Gegend sind die Schwaben seßhaft geworden, die ausgewandert sind aus Deutschland; in den Gegenden des nördlichen Ungarn, in den Gegenden, aus denen diese Spiele stammen, haben wir sächsische Kolonisten

ook de twee spelen die wij vandaag voor u opvoeren, komen uit de middeleeuwen die ten einde liepen. Wellicht zijn ze in de 16e eeuw nog overal gespeeld, zelfs in de streken die hier in de omtrek liggen. U zal bij een van de spelen horen dat daar gewezen wordt op hoe de zon boven de Rijn schijnt. Daaruit kun je concluderen dat deze spelen oorpronkelijk in een omgeving van de Rijn thuishoorden. Maar de spelen die we vandaag voor u opvoeren, zijn echter niet hier in deze streken gevonden; ze zijn door mijn oude leraar en vriend Karl Julius Schröer gevonden, in het midden van de vorige eeuw, in streken in Bovenhongarije die toen eigenlijk nog door en door Duits waren – dat Duitse behoort allang tot het verleden, het heeft plaats gemaakt voor Slavische en Hongaarse elementen.
In deze streken lagen Duitse kolonies zoals die overal in Hongarije verstrooid liggen. In de streek rond Pressburg, ten noorden van de Donau, ook nog verder, ten zuiden van de Karpaten, het zgn. Hongaarse bergland tot aan Siebenbürgen, ook nog naar beneden, aan de benedenloop van deDonau, in het zgn. Banaat. In laatste genoemde omgeving vestigden zich Zwaben die uit Duitsland weggetrokken zijn naar de streken van Noord-Hongarije; in de streken waaruit deze spelen komen, hebben we Saksische kolonisten.

Diejenigen aber, welche diese Spiele gepflegt haben, sind wahrscheinlich sogar alemannischen Ursprungs und sind ursprünglich seßhaft gewesen wohl in den Gegenden, die das Elsaß umfassen und die nördlich von dem die Nordgrenze der Schweiz bildenden Rhein gelegen sind. Diese Deutschen sind ausgewandert, haben sich niedergelassen in der Preßburger Gegend, nördlich von der Donau, der sogenannten Oberuferer Gegend, und haben als ein teures Andenken an ihre alte, mehr westlich gelegene Heimat diese Weihnachtspiele sich mitgebracht.
Jedes Jahr, wenn das Weihnachtsfest herannahte, fing man an, diese Weihnachtspiele im Dorfe einzustudieren. Eigentlich fing man schon damit an, wenn die Weinlese vorüber war. Da tat sich derjenige um, welcher diese Weihnachtspiele in seiner Familie bewahrte; eine wohl
angesehene Familie war es in den einzelnen Dörfern, welche diese Spiele aufgeschrieben hatte, und wiederum der angesehenste und älteste

Degenen echter die voor deze spelen zorgden, zijn wellicht zelfs van Alemaanse komaf en woonden waarschijnlijk wel in de streken die de Elzas omvatten en die noordelijk liggen van de Rijn die de noordgrens van Zwitserland vormt. Deze Duitsers zijn weggetrokken, ze vestigden zich in de buurt van Pressburg, ten noorden van de Donau, het zgn. gebied van de bovenoever ‘Oberufer’, en hebben als een geliefde herinnering aan hun oude, meer naar het westen gelegen thuisland deze kerstspelen meegenomen. 
Ieder jaar als de kersttijd naderde, begon men in het dorp met het instuderen van de kerstspelen. Eigenlijk werd daar al mee begonnen, als de druivenpluk voorbij was. Dat deed degene die deze kerstspelen binnen zijn familie bewaarde – het was een familie die in deze dorpen wel aanzien had, zij had deze spelen opgeschreven en de meest geziene en oudste van de familie was de zgn. leermeester. In oktober al, wanneer de druivenpluk voorbij was, riep hij uit de omgeving de jongens bij elkaar. Toen mochten alleen jongens spelen. Hij riep die jongens samen die hij geschikt vond, niet alleen met het oog op de kunst van het spelen, wat betreft het volks kunnen spelen, maar ook geschikt in moreel-religieus opzicht.

blz. 79

der Familie war der sogenannte Lehrmeister. Er sammelte um sich, wenn die Weinlese vorüber war, im Oktober schon die Burschen. Nur Burschen durften dazumal spielen. Er sammelte die Burschen, welche er tauglich fand, nicht nur in künstlerischer Beziehung, in volkstümlich künstlerischer Beziehung, sondern auch tauglich fand in moralisch- religiöser Beziehung. Es wurde ja sogar den Burschen während des Studierens, der Vorbereitung, auferlegt, ein besonders frommes Leben zu führen, damit sie durch ihre ganze Gesinnung, wenn sie zu Weihnachten auftreten sollten, in der richtigen Weise für dasjenige, was in diesen Spielen enthalten war, eintreten konnten. Dann wurde von Woche zu Woche studiert und in strenger Weise darauf gesehen, daß alles dasjenige, was ringsherum war, wirklich auch beobachtet wurde in diesen alten Spielen. Es war eigentlich alles bestimmt, wie jede einzelne Person sich zu verhalten hat.Nachdem lange Zeit diese Spiele vorbereitet waren, die Weihnachtszeit herannahte, rüsteten sich dann diejenigen, die vom Lehrmeister durch viele Wochen hindurch unterrichtet worden waren, und zur Weihnachtszeit zogen sie zunächst im Dorfe herum, zogen dann nach jenem Wirtshause hin, dass man zur Aufführung ausersehen hatte. In einem einfachen Wirtshause wurde nun mit den denkbar einfachsten Mitteln dasjenige aufgeführt, was Sie in den zwei heutigen Spielen sehen werden.

Tijdens het instuderen en de voorbereiding kregen deze jongens opgelegd om een bijzonder vroom leven te leiden, zodat ze door hun hele gemoedsgesteldheid als ze met Kerstmis moesten optreden, op de juiste manier konden staan voor wat in deze oude spelen bewaard was gebleven. Week na week werd er geoefend en er werd streng op gelet dat alles wat met deze oude spelen te maken had, overal in acht werd genomen. Het lag eigenlijk helemaal vast wat ieder pesroon op zich, moest doen. Nadat deze spelen lang waren voorbereid en het kersttijd werd, maakten degenen die door de leermeeester het wekenlang geleerd hadden, zich klaar en tegen de kersttijd trokken ze dan door het dorp, dan naar de herberg die men gekozen had om het daar op te voeren. In een eenvoudige herberg werd nu met de simpelste middelen opgevoerd wat u nu in de twee spelen gaat zien.

Es sind zwei Proben davon, wie man die Heilige Geschichte dargestellt hat.
Das erste Spiel stellt dar die Paradeis-Geschichte, die Versuchung von Adam und Eva. Das zweite Spiel stellt dar, daß Christus erscheinen wird den Hirten zu Bethlehem, und alles dasjenige, was sich daran angeschlossen hat.
Zweierlei, meine sehr verehrten Anwesenden, ist aus diesen Spielen ersichtlich.Erstens, wie tief in das Gemüt mit einer echten, ehrlichen Frömmigkeit das Christentum eingeströmt war. Und auf der anderen Seite auch, wie jede Sentimentalität dazumal noch diesen einfachen Leuten fremd war. Ein sentimentales Wesen, das immer etwas unwahr ist, irgend etwas falsch Mystisches, war durchaus nicht mit dieser echten, ehrlichen volkstümlichen Frömmigkeit irgendwie verknüpft.
Ich selber war im tiefsten Sinne hingerissen, als ich, als ganz junger Kerl, von meinem verehrten Lehrer, Karl Julius Schröer, dazumal

Het zijn twee voorbeelden van hoe men het heilige verhaal uitbeeldde.
Het eerste spel stelt het paradijsverhaal voor, de verleiding van Adam en Eva. Het tweede spel stelt voor dat Christus verschijnt aan de herders in Bethlehem en alles wat er zo bijgekomen is. 
Twee dingen, geachte aanwezigen, zijn bij deze spelen wel duidelijk.

Ten eerste, hoe diep het christendom in het gemoed met een echte, eerlijke vroomheid innerlijk was aangekomen. En aan de andere kant ook, hoe iedere vorm van sentiment dat altijd iets onwaarachtigs heeft, iets mystieks op een verkeerde manier, absoluut niet met deze echte, eerlijke volkse vroomheid hoe dan ook maar verbonden was. 
Ikzelf was zeer diep geraakt, toen ik, als heel jong ventje, door mijn vereerde leraar, Karl Julius Schröer, destijds

blz. 80

Ende der siebziger Jahre, Anfang der achtziger Jahre des vorigen Jahrhunderts, dieseWeihnachtspiele kennenlernte, und ich beschäftigte mich dann selber viel damit. Und so darf versucht werden, dasjenige vorzuführen, was meiner Ansicht nach durch, man kann sagen, Jahrhunderte in deutschen Gegenden Mitteleuropas jedesmal um die Weihnachtszeit mit einer ehrlichen, elementarischen Frömmigkeit gefeiert worden ist, was dann als treues Erbstück hinübergebracht worden ist in die damaligen deutschen Kolonien in Ungarn, so wie es in diesen alten Zeiten vorgeführt worden ist. Allerdings ganz so primitiv kann man es nicht machen. Aber so gut als möglich muß man es machen. Und wir machen es hier so, daß man durchaus eine Vorstellung davon bekommt, wie es zu Weihnachten in diesen deutschen Kolonistendörfern aussah. So – heraufholend ein Stück christlichen deutschen Volkstums – sollen diese Weihnachtspiele jetzt in einer unverfälschten Gestalt vor Sie hintreten.
Sie werden sehen, wie alles aber darauf abgestellt ist, die Darstellung zu etwas Intimem zu machen, welches das ganze Publikum – es war ja das einfache Dorfpublikum – miterlebte. Daher werden Sie sehen den Sternsinger, der auftritt, um die ganze Sache einzuleiten. Sie werden sehen, wie er in der Tat die Brücke von den Spielenden zu dem Publikum hin bildet, so daß alles einen außerordentlich gemütvollen, innigen, herzlichen Ausdruck haben kann. 

aan het eind van de jaren achttienzeventig, begin jaren tachtig, deze spelen leerde kennen en ik hield me er veel mee bezig. En zo mogen we dan proberen  op te voeren wat naar mijn mening, je kan wel zeggen, eeuwenlang in Duitse streken in Midden-Europa iedere keer rond de kersttijd met een eerlijke, basale vroomheid gevierd werd, wat als een trouw erfstuk meegebracht werd naar de Duitse koloniën in Hongarije, zoals het in die oude tijd opgevoerd werd. Maar zo primitief als men het toen deed, gaat het nu niet. Maar we moeten het zo goed mogelijk proberen. En we doen het hier zo dat je zeker een beeld krijgt van hoe het er tegen de kerst in deze Duitse kolonistendorpen uitzag.
Op deze manier – een stukje christelijk Duits volkseigen ophalend – zouden deze kerstspelen nu op een onvervalste manier voor u moeten staan.
U zal zien hoe alles er echter op gericht is, de voorstelling tot iets intiems te maken, wat het hele publiek – het waren de eenvoudige dorpstoeschouwers, beleefde. Vandaar dat u de sterrenzanger ziet die optreedt om het geheel in te leiden. U zal zien hoe hij inderdaad de brug van de spelers naar het publiek is, zodat alles een buitengewoon gemoedvolle, innige, hartelijke uitdrukking kan hebben. 

Das, was ich Ihnen sagte, was einen nur veranlassen kann, diese Überlieferungen aus altem Volkstum lieb zu haben, hat dazu geführt, daß wir gerade innerhalb unserer anthroposophischen Bewegung jedes Jahr auch das Spielen dieser alten Volksstücke zu unserer Aufgabe gemacht haben, und es nun auch dieses Jahr wiederum tun. Und dazu haben wir Sie eingeladen.
Gerade in der zweiten Hälfte des 19. Jahrhunderts ist so vieles von diesen alten Dingen verschwunden, und man muß eigentlich dankbar dafür sein, daß ein Mann, der als Gelehrter im Volkstum gelebt hat, wie Karl Julius Schröer, sich selber zu den Lehrmeistern hinbegeben hat, sich hat vorsagen lassen dasjenige, was der Lehrmeister oder diejenigen, welche Mitspieler waren, im Gedächtnis gehabt haben. Denn sie haben ihm etwas gesagt, was wirklich jahrhundertealtes, heiliges Gut ist. Und so ist es erhalten worden. Im Volkstum ist es leider heute höch

Wat ik u heb gezegd, wat voor iemand alleen maar aanleiding kan zijn om te houden van wat uit het oude volkse is overgeleverd, heeft ertoe geleid dat wij binnen de antroposofische beweging ieder jaar ook het spelen van deze oude volksstukken tot onze opdracht hebben gemaakt en het ook ieder jaar weer doen. En daarvoor hebben we u uitgenodigd.
Vooral in de tweede helft van de 19e eeuw is zoveel van deze oude dingen verdwenen en je moet er eigenlijk dankbaar voor zijn dat een man die als geleerde in dit volkse leefde, zoals Karl Julius Schröer, zelf naar de leermeesters is gegaan, zich heeft laten voorspreken wat de leermeester of wie medespeler was, zich nog wist te herinneren. Want zij hebben hem iets gezegd wat werkelijk eeuwen oud geheiligd goed was. En zo is het bewaard gebleven. Onder het volk is het tegenwoordig helaas 

blz. 81

stens in ganz vereinzelten Gegenden vorhanden, wo es auch übrigens wieder versucht wird unverfälscht zu geben. Es lebt eben ein Stück alten Volkstumes auf, wenn wir uns so in die Dinge vertiefen, wie es durch eine möglichst unverfälsche Darstellung, wie wir sie nun versuchen, geschehen kann. In diesem Sinne die Sachen anzusehen, hatten wir Sie freundlich eingeladen, dieses alte Volksgut mit uns anzusehen.

hoogstens nog bestaand in heel eenzame streken waar overigens wordt geprobeerd het onvervalst weer te geven. Zo leeft wel weer een stukje oud volkseigen op als wij ons op deze manier in de dingen verdiepen zoals dat door een zo veel mogelijk onvervalste voorstelling, zoals wij nu proberen, kan gebeuren. Wij hebben u vriendelijk uitgenodigd om er op deze manier naar te kijken, met ons te kijken naar dit oude volksgoed.

                                                             0-0-0

Im Anschluß an die beiden Aufführungen von dem «Paradeis-Spiel» und von dem «Christ-Geburt-Spiel» in Dornach am Freitag, den 14. Dezember 1923, reiste die Spielergruppe am Samstag zur Probe nach Schaffhausen, wo am Sonntag, den 16. Dezember 1923, die beiden Spiele aufgeführt wurden. Rudolf Steiner kam am Sonntag nachgefahren und hielt eine Ansprache, von der sich aber keine Nachschrift erhalten hat. Dann reiste er weiter nach Stuttgart. Marie Steiner war damals in Berlin. – In dem 1967 erschienenen Buch: Rudolf Steiner/Marie Steiner-von Sivers «Briefwechsel und Dokumente 1901-1925» schreibt Rudolf Steiner mehrmals über dieses in Vorbereitung befindliche Gastspiel.

Aansluitend op de beide opvoeringen van het Paradijsspel’ en het ‘Herdersspel’ in Dornacde twee spelen opgevoerd werden.h op vrijdag 14 december 1923, reisde de spelersgroep op zaterdag om te oefenen in Schaffhausen waar op zondag 16 december 1923. Rudolf Steiner ging er op zondag naartoe en hield een toespraak, waar geen stenoverslag van is. Daarna ging hij naar Stuttgart. Marie Steiner was toen in Berlijn. 
In het in 1967 verschenen boek ‘Rudolf Steiner/Marie Steiner-von Sivers ‘Brieven en documenten 1905-1925’, [GA 262/208] schrijft Rudolf Steiner verschillende keren over de voorbereidingen voor dit gastspel.

,

[1] GA 274
[2] GA 274

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.
1964

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (74/2)

.

Het is vaak een dilemma: jij wilt ‘zus’ met je kind, maar in de wereld gaat het ‘zo’.
Veel ouders gaan bijna vanzelf mee in de stroom van ‘het alledaags geaccepteerde’.
Dat kan speelgoed zijn, mode en in deze tijd: het ‘sinterklaasjournaal’.

Iedereen kijkt ernaar, de kinderen praten erover op school en/of op straat. Het buurkind ook. En jij wilt je kind niet ‘een vreemd figuur’ laten slaan, omdat jij het niet laat kijken.

Je moet sterk staan om dat te kunnen.

Maar die sterke ouders bestaan.

InOpspattend grind’ 74/1 staat een brief van Judith de Haan, ouder en kleuterjuf.
Ze plaatste die in de Facebookgroep Vrijeschool, wat een stroom van reacties teweegbracht van ouders die durven te staan voor hun mening:

Goed geschreven! Precies de reden waarom ik met mijn zoontje er niet naar kijk! Inmiddels is hij 7, nog heerlijk gelovend maar hoort van vriendjes je vriendinnetjes dat er van alles gaande is en maakt zich dan al zorgen! Laat staan als we er naar kijken.

Daarom kijken we het hier niet ☺️ ben het helemaal met je eens.

Beste Judith, ik begrijp je als ouder erg goed. Wij kunnen gelukkig nog als ouder de keuze maken om geen intocht van sinterklaas te kijken en geen sinterklaas op tv. We bakken tijdens de intocht wel samen pepernoten en lezen veel verhaaltjes voor. Dit is voor mijn dochters al spannend genoeg. Het valt me gelukkig op dat ze op school gewoon meegaan in het spel en niet het gevoel hebben dit te missen. Dank aan een dijk van een kleuterjuf! Helaas komen we op tv teveel onverantwoorde programma’s tegen voor die we als ouder niet bij de ontwikkeling van het kind vinden passen.

Precies. Ook wij vieren een knusse sinterklaas. Met schoentjes en zekerheden

Heel waar! Het legt precies uit wat ik in mijn omgeving wel eens probeer uit te leggen. (Waarom wij niet met alle hysterie mee doen.)

Helemaal mee eens! Verhelderend en steekt ook een riem onder het hart, niet iedereen in mijn omgeving begrijpt waarom ik ervoor kies om niet deel te nemen aan alle heisa eromheen.

Heb zelf ook de KLOS gevolgd en dit artikel slaat de spijker op zijn kop.

Precies de reden dat wij dit niet kijken en niet naar een intocht gaan. Vandaag vroegen verschillende mensen aan mn dochter van 5: Ben je bij de intocht geweest? Heb je Sinterklaas al gezien? Zij antwoord: Nee daar ben ik niet zo van. Ook daar kreeg ze hele verschillende reacties op. Maar hier geen nerveuze kleuter en we gaan hier gwn een fijne gezellige tijd tegemoet.

Dit stuk geeft zo goed weer waarom ik mijn kinderen niet laat kijken. En dan te bedenken dat het vaak al op Sint Maarten begint, het geeft kinderen hierdoor niet eens de gelegenheid om het ene feest achter zich te laten en het andere feest te beginnen

Wat een prima stukje! ik zie in mijn omgeving dat ouders moeite doen om kinderen hier niet naar te laten kijken, ze af te leiden met mooie prentenboeken, verhalen, koekjes bakken, etc etc, maar de druk van klasgenootjes wordt steeds groter en ’t gaat ten koste van zoveel…..nou ja, jij hebt dat prima verwoord hierboven, dank!

Helemaal eens!! Mijn kleuter kijkt dan ook niet!!

Lastig. Sint en Piet zijn natuurlijk voor kinderen gewoon echt, niet een verhaal.. Dat dat hele sinterklaas gebeuren op tv een beetje too much is ben ik het met je eens.. haalt het hele gezellige en misterieuze ervanaf..

Inderdaad: niet laten kijken is de beste optie!
Onze oudste werd vanaf 7 pas een beetje TV-proof. Hebben het heel lang op 1x per week gehouden en meestal video’s die ze goed aan kon.
Kinderen missen er niets door! In die tijd veel naar buiten geweest, geknutseld, gebakken, spelletjes gedaan. Ben benieuwd wat voor volwassenen we straks om ons heen hebben die al jong halve dagen met tv, tablet, computers doorbrengen… Om over de getoonde zaken nog maar te zwijgen!

Mij valt al jaren op dat de rode draad in het Sinterklaasjournaal steevast is dat er ‘ iets mis gaat’, dat ‘ er een probleem is’…Een ware weerspiegeling van de journalistiek in de grote mensenwereld waarin we het nog nooit zó goed hebben gehad en zo oud zijn geworden maar o, o wat is er toch allemaal mis in de wereld en wat moeten we ons zorgen maken…. Ik ben blij dat ik een jaren ’60 kind was; echt zorgenloos kind mocht zijn …!!

Precies waarom ons zoontje er niet naar mag kijken. Hij maakt zich al zo snel druk om de kleinste dingen. Dit zou echt voor heel veel stress zorgen.

en dáárom kijken mijn kinderen niet naar het sinterklaasjournaal. En daar kunnen de ouders van de kleutertjes ook voor kiezen. Die zouden mogen inzien dat het journaal helemaal niet geschrikt is voor de kleuterleeftijd.

.

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Opspattend grind: alle artikelen

.

1963

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Paradijsspel – toneelbelichting

.

AANWIJZINGEN VOOR DE TONEELBELICHTING

In het boek            ‘Weihnachtspiele aus alten Volkstum’
                                               ‘Die Oberuferer Spiele’

staan ook aanwijzingen voor de belichting.
Deze werden door Rudolf Feuerstack die vele jaren belichter was aan het Goetheanum, voor dit boek samengesteld. 

Hij zegt:

‘De volgende belichtingsaanwijzingen berusten op wat Rudolf Steiner opmerkte bij zijn enscenering (Jan Stuten)* op het toneel in de ‘Schreinerei’ van het Goetheanum in Dornach. De belichting toen werd gedaan door Ehrenfried Pfeifer die ze ook optekende. Deze aanwijzingen moeten alleen als aanzet beschouwd worden, voor het praktisch gebruik op andere tonelen zal men een eigen belichting moeten vinden. Ons lijkt het wezenlijk dat het hierbij gaat om een zeer bescheiden, geen ingewikkelde verbeeldende belichting

Voor het Paradijsspel zijn dat er maar een paar:

Voetlicht en bovenlicht: wit, rood

Alles wit rood

Adam bijt in de appel en gooit deze weg:
wit en rood sterk terug tot op een kwart
Regie-aanwijzingen

De komanij zingt: ‘O heilige drievuldigheid’
wit en rood weer vol
Regie-aanwijzingen

.
*Jan Stuten leidde na Rudolf Steiners dood de opvoeringen in Dornach.
.

Kerstspelen: alle artikelen

.

1962

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraak bij de Kerstspelen uit Oberufer (10)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

 

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

ANSPRACHE DORNACH 22-12-1920

blz. 70

Wie seit vielen Jahren wollen wir auch diesmal Ihnen ein Weihnachtspiel vorführen, ein Volksspiel, welches in eine dramatisch-politische Zeit des Volkes zurückführt, ein Spiel, das gepflegt worden ist, lange bevor die moderne Arbeit der Bühne und des Bühnenspiels innerhalb Europas, des neueren Europa überhaupt, aufgekommen ist.
Die Spiele, die bei uns hier vorgeführt werden – das Adam und Eva-Spiel, welches gestern dargestellt worden ist und in den nächsten Tagen wiederum dargestellt werden wird, und das heutige Spiel, das Christ-Geburt-Spiel, und das Spiel, das ebenfalls in den nächsten Tagen vorgeführt werden wird, das Dreikönig-Spiel – diese Spiele lernte ich vor jetzt fast vierzig Jahren durch meinen längst verstorbenen Freund und Lehrer, Schröer, kennen. Karl Julius Schröer war eine Persönlichkeit, die in der zweiten Hälfte des 19. Jahrhunderts ganz besondere Verdienste gehabt hat um die Erkenntnis jener deutschen Dialekte, welche namentlich den deutschen Kolonisten angehören, die einmal – wahrscheinlich schon im 16. Jahrhundert, gewiß aber im 17. Jahrhundert – aus Gegenden, die uns hier gar nicht so ferne liegen, aus Süddeutschland und vielleicht der Nordschweiz nach dem Osten hin ausgewandert sind; deutsche Kolonisten, die sich sowohl in West

Toespraak Dornach 24 december 1922

Zoals al sinds vele jaren willen wij ook deze keer voor u een kerstspel opvoeren, een volksspel dat teruggaat tot een politiek dramatische tijd van het volk, een spel dat in ere werd gehouden lang voor het moderne toneelwerk en toneelspel binnen Europa, het nieuwe Europa, opgekomen is.
De spelen die hier bij ons opgevoerd worden – het Adam- en Evaspel dat gisteren* opgevoerd werd en de komende dagen weer opgevoerd zal worden en het spel van vandaag, het Christus-geboortespel en het spel dat eveneens de komende dagen opgevoerd zal worden, het Driekoningenspel – deze spelen leerde ik bijna veertig jaar geleden kennen door mijn al lang geleden gestorven vriend en leraar, Schröer. Karl Julius Schröer was een persoonlijkheid die in de tweede helft van de 19e eeuw zich bijzonder verdienstelijk heeft gemaakt voor de kennis van die Duitse dialeicten die met name horen bij de Duitse kolonisten die eens – waarschijnlijk al in de 16 eeuw, maar zeker in de 17e – vanuit streken die hier niet eens zo ver vandaag liggen, uit Zuid-Duitsland en wellicht Noord-Zwitserland naar het oosten getrokken zijn; Duitse kolonisten die zich zowel in West-Hongarije

*Op 23 december 1922 vonden er ’s middags om 5u rn 6.30u twee opvoeringen plaats van het Paradijsspel, waarvan geen schriftelijke aantekeningen zijn.

blz. 71

ungarn niederließen, im nördlichen und im südlichen Westungarn, dann auch in Nordungarn, südwärts der Karpaten und in anderen Gegenden Ungarns.
Karl Julius Schröer hat alle diese Gegenden bereist und in mannigfaltigster Weise die verschiedenen dialektischen Sprachen studiert. Es war so, daß dieses Wesen des Volkes schon dazumal eigentlich in der Abenddämmerung war; andere Völkerschaften nahmen diese Volkstümer auf, absorbierten sie. Es sind außerordentlich interessante und schöne Bücher, die zwar im Gewande des Wörterbuches auftraten, die aber dennoch außerordentlich interessant für denjenigen sind, der sich damit beschäftigen will, in denen Schröer die Sprache bearbeitet, die, wie gesagt, in uns nicht ferne liegenden westdeutschen Gegenden aufgekommen ist und dann durch Kolonisten nach dem Osten bis nach der Donau und den Karpaten also hineingetragen worden ist.
Unter diesen Leuten, in den fünfziger Jahren des vorigen Jahrhunderts, fand Karl Julius Schröer diese Weihnachtspiele, die wir hier aufführen; er hat sie dort kennengelernt. Diese Weihnachtspiele sind wohl entstanden im 16. Jahrhundert oder noch früher unter den Leuten, noch als sie mehr im westlichen Deutschland gelebt haben, bis zum Rhein hinüber. Das können wir noch aus gewissen Sätzen in den Stücken selber entnehmen. 

vestigden, in het noorden en zuiden van West-Hongarije, als ook in Noord-Hongarije, ten zuiden van de Karpaten en in andere streken van Hongarije. Karl Julius Schröer is door al die streken gereisd en heeft op heel veel manieren de verschillende dialecttalen bestudeerd. Het was zo, dat dit kenmerkende van het volk toen eigenlijk al in z’n nadagen verkeerde; andere volksgroepen namen dit volkseigene in zich op, absorbeerden het. Het zijn buitengewoon interessante en mooie boeken, die weliswaar in de vorm van een woordenboek verschenen, maar toch buitengewoon interessant voor de mensen die zich daarmee willen bezighouden, waarin Schröer de taal bewerkt die, zoals gezegd ontstaan is in streken die niet ver van ons vandaan liggen, West-Duitse streken en dan door kolonisten naar het oosten is gebracht tot aan de Donau en de Karpaten dus.
Onder deze mensen, in de jaren vijftig van de 19e eeuw, vond Karl Julius Schröer deze Kerstspelen die wij hier opvoeren; hij heeft die daar leren kennen. Deze Kerstspelen zijn wellicht ontstaan in de 16e eeuw of nog eerder, onder mensen die toen nog meer in het westen van Duitsland woonden, tot over de Rijn. Dat kunnen we nog horen aan bepaalde zinnen in de stukken zelf.

Sie sind dann, als sie auswandern mußten, von den Menschen mitgenommen worden und wurden immer wieder und wiederum alljährlich im Kolonistenlande, in Ungarn, aufgeführt. Unter dem Stand der sogenannten Haidbauern, welche in der Nähe von Preßburg, einer heutigen tschechoslowakischen Gegend, ihren ursprünglichen Duktus vom alten Volkstum her, lange bewahrt haben, wurden die hier aufgeführten, wieder aufgeführten Spiele eben jedes Jahr dort volkstümlich aufgeführt, aufgeführt in demjenigen Dialekt, den sich diese Leute vom Westen nach dem Osten hingetragen haben. Diese Volksspiele sind gerade innerhalb dieses Kolonistenvolkes in einer echteren alten Gestalt erhalten geblieben, als sie in anderen Gegenden, wo auch ähnliche Spiele gespielt wurden, erhalten worden sind. Denn diejenigen, die sich von dem Stamme ihres Volkstums getrennt haben, in die Fremde gezogen sind, haben solche Dinge wirklich als ein heiliges Gut bewahrt. Bei den armen Leuten – denn das waren

Die zijn dan, toen de mensen zich moesten verspreiden, door hen meegenomen en ze werden steeds weer ieder jaar in de kolonistenstreken, in Hongarije, opgevoerd. Onder de groep van de zogenaamde ‘haid’boeren in de buurt van Pressburg, tegenwoordig een Tsjecho-Slowaakse streek, werden de spelen die híer opgevoerd worden, lang in hun oorspronkelijke opzet vanuit het oude volkse, bewaard, ook ieder jaar op een volkse manier opgevoerd, in het dialect dat deze mensen meegebracht hadden van het westen naar oosten. Deze volksspelen zijn juist binnen dit kolonistenvolk in een echtere oude vorm bewaard gebleven dan in andere streken waar ook dergelijke spelen gespeeld werden. Want degenen die zich afsplitsten van de stam van hun volk en naar de vreemde getrokken zijn, hebben die dingen werkelijk als een heilig goed bewaard. Bij de arme lieden – want dat waren

blz. 72

sie wirklich – von Oberufer zum Beispiel und den benachbarten Gegenden auf der ungarischen Donau-Insel Schütt war es so, daß in einer besonders angesehenen Familie Abschriften dieser Spiele vom Vater auf den Sohn und von diesem auf den Enkel immer wiederum übergingen. Derjenige, welcher diese Spiele bewahren durfte, war in der Regel auch derjenige, welcher die Art und Weise, wie man sie spielte, in mündlicher Überlieferung von seinen Vorfahren erhalten hatte. Er war der sogenannte Lehrmeister. Er versammelte vielleicht mit einem Gehilfen im Herbste, wenn die Weinlese vorüber war, diejenigen Burschen des Ortes, die er für geeignet hielt, die Spiele aufzuführen. Nur Burschen wurden dazu verwendet; ein Gebrauch, den wir nicht nachmachen können. Diesen Burschen wurde Ernstliches auferlegt in dieser Zeit. Vor allen Dingen mußten sie einen außerordentlichen, sittlichen Lebenswandel führen, mußten friedfertig mit den übrigen Dorfbewohnern in der ganzen Zeit von der Weinlese bis zum Advent leben. Dann erst wurden sie für würdig gehalten, wirklich mitzutun bei demjenigen, was dann vom Advent bis zum Heiligen Dreikönigs-Tag an solchen Spielen aufgeführt worden ist.
In solchen Spielen drückte das Volk dasjenige aus, was für seine Anschauung, für seinen ästhetischen Genuß, möchte ich sagen, das Richtige war.

ze echt – van Oberufer bv. en de streken daaraan grenzend op het Hongaarse Donau-eiland Schütt was het zo, dat in een familie met een bijzonder aanzien overgeschreven stukken van deze spelen steeds van vader op zoon en van deze op de kleinzoon weer overgingen. Wie deze spelen mocht bewaren, was als regel ook degene die de manier waarop werd gespeeld mondeling van zijn voorouders meegekregen had. Hij was de zgn. leermeester. Hij verzamelde wellicht met hulp in de herfst, wanneer de druivenpluk voorbij was, die jongens uit de plaats die hij voor geschikt hield de spelen op te voeren. Het ging alleen om jongens; een gebruik dat wij niet kunnen overnemen. Deze jongens kregen de plicht zich deze tijd ernstig aan bepaalde regels te houden. Boven alles moesten ze een buitengewoon moreel netjes leven leiden, in harmonie leven met de overige dorpsbewoners, de hele tijd na de druivenpluk tot aan advent. Dan werden ze waardig bevonden om echt mee te kunnen doen met wat dan vanaf advent tot de heilige Driekoningendag aan dergelijke spelen opgevoerd werd.
In dit soort spelen drukte het volk uit wat in zijn opvatting, in zijn esthetisch genieten, zou ik willen zeggen, het juiste was.

Aber diese Spiele waren zu gleicher Zeit – ihre Stoffe sind ja den wichtigsten, für das Volk wichtigsten Partien der biblischen Geschichte entnommen – dem Volke ein Ausdruck seiner innigsten Frömmigkeit. Daher durften zum Beispiel auch in der ganzen Zeit, in der geübt wurde für diese Spiele, in dem Dorfe keine Musik aufgeführt werden, die eine andere gewesen wäre als die, die zu den Spielen gehörte. Und es ist uns überliefert, daß, als einmal einzelne Spielleute in ein Dorf kamen – sie sind mit ihren Spielen in die verschiedenen Dörfer herumgezogen-, man ihnen zu Ehren die Dorfmusik hat aufspielen lassen. Da sagten sie ganz entrüstet: Hält man uns denn für Komödianten, daß man uns mit dieser Musik kränkt? – Sie betrachteten das als etwas durchaus Ernstes, was in der Aufführung solcher Spiele lag.
Dann, wenn die Adventszeit und später die Weihnachtszeit herangekommen war, wurden diese Spiele in einem Wirtshause aufgeführt. Die Leute aber trugen tatsächlich ihr frommes, echt frommes

Maar deze spelen waren tegelijkertijd – de onderwerpen zijn de voor het volk belangrijkste stukken uit de Bijbelse geschiedenis – voor het volk een uitdrukking van de meest innige vroomheid. Vandaar dat bv. de hele tijd dat er voor deze spelen geoefend werd, in het dorp geen muziek ten gehore mocht worden gebracht, anders dan die tot de spelen behoorde. Overgeleverd is ons dat toen er eens een paar spelers in een dorp kwamen – zij zijn met hun spelen naar verschillende dorpen getrokken – men om hen eer te bewijzen dorpsmuziek had laten spelen. Toen zeiden ze heel  geschokt: houdt men ons dan voor komedianten om ons met deze muziek te beledigen? Ze beschouwden de uitvoering van deze spelen als iets heel serieus.
Als het dan advent en later kerst was geworden, werden de spelen in een herberg opgevoerd. Die mensen hadden een echt vroom gemoed, droegen een heilige stemming

Gemüt, ihre heilige Stimmung, möchte ich sagen, in dieses Wirtshaus hinein. Diese Spiele tragen echt volkstümlichen Charakter schon dadurch in sich, daß sie erstens in der ganzen breiten Entwickelung des europäischen Spielwesens darinnen stehen. Man sieht das in den Nachwirkungen der Bilder, denn solche sind es, die immer wiederum eingestreut sind in die Handlung der Spiele. Man sieht, wie sich die Spieltradition aus dem alten Griechenland bis in diese einfachen Volksspiele hinein fortgesetzt hat.Aber etwas anderes ist noch viel, viel wichtiger. Es ist dieses, daß eingestreut sind immer zwischen die zarteste, echte Frömmigkeit atmende Stimmung derbe Volksszenen mit robusten Späßen. Das ist gerade das Eigentümliche, das in diesen Stücken zum Beispiel neben der außerordentlich zart gezeichneten, in wunderbar frommer Verehrung gekennzeichneten Gestalt der Jungfrau Maria hingestellt ist der etwas tölpische Joseph. Es wurde auch nicht gerade besonders zart dargestellt in der Szene, wo neben das Ergreifende, zum Beispiel wo die Hirten dem Jesus-Kinde opfern, hingestellt ist, neben diese fromme, heilige Szene dasjenige, was die Hirten auf dem Felde an lustigen Späßen untereinander austauschen und so weiter. Gerade das zeigt

met zich mee wanneer ze zo’n herberg binnengingen.
Deze spelen hebben een echt volks karakter alleen al doordat ze in de eerste plaats een plek innemen in de heel brede ontwikkeling van wat er in Europa aan spelen was. Je merkt dat aan de nawerking van de beelden, want die zijn zodanig dat ze steeds weer in de handeling van de spelen opgenomen zijn. Je ziet hoe de speltraditie uit het oude Griekenland verder gegaan is in deze eenvoudige volksspelen. Maar er is iets wat nog veel belangrijker is. Dat is dat er steeds tussen de tederste, echte vroomheid ademende stemming lompe volkscènes met ruwe grappen zitten. Dat is nu juist het bijzondere dat in deze stukken bv. naast wat buitengewoon teer gebracht wordt, de wonderbaarlijk vrome verering in de gestalte van de jonkvrouw Maria, de wel wat lomp optredende Jozef staat. En net zo bijzonder behoedzaam werd de scène, naast de aangrijpende van bv. de herders die het kindje Jezus hun geschenken brengen, opgevoerd, naast deze vrome scène, die van de herders op het veld met hun vrolijke grappen over en weer, enz. Juist dat laat ons echter zien,

uns aber, wie diejenigen, deren Namen nicht erhalten sind, die aus echter Volksempfindung heraus diese Spiele gemacht haben, die wahre, ehrliche Frömmigkeit des Volkes kannten, die niemals sentimental wurde. Gerade dann war sie ehrlich, wenn sie nicht in die unehrliche Sentimentalität verfiel, wenn daneben vertragen werden konnte zugleich das Lachen und die derben Späße. Und in schöner Weise haben diejenigen, die solche Spiele gestaltet haben, herauszuformen gewußt aus dem derben Volksspaß dasjenige, was in einer zarten, frommen Verehrung, möchte ich sagen, himmelwärts dringen will.
Wie gesagt, Karl Julius Schröer hat in den fünfziger Jahren diese Spiele noch selbst von den Bauern der Haiddörfer aufführen sehen. Dazumal war es, gerade auch um die Weihnachtszeit, daß ich von ihm hörte von diesen Volksspielen. Er sprach mit einer ungeheuren inneren Hingabe, denn er liebte alles dasjenige, was volkstümlich war, und in seinen Worten lag selber etwas von einem Abglanz der Weihe, welche von den Bauern mit diesen Stücken verbunden wurde.

dat degenen van wie we geen namen hebben, die uit een echt volksbeleven deze spelen uitgevoerd hebben, de echte, eerlijke vroomheid van het volk kenden, die nooit sentimenteel werd. Juist dan was het eerlijk als ze niet verviel tot een oneerlijke sentiment, wanneer daarnaast het lachen en de ruwe grappen verdragen konden worden.  En op een mooie manier hebben zij, die dergelijke spelen uitgevoerd hebben, uit de ruwe volkshumor weten te vormen wat in een tedere, vrome verering, zou ik willen zeggen, naar de hemel wil opstijgen. Zoals gezegd, Karl Julius Schröer heeft in de jaren vijftig deze spelen nog zelfs door de boeren van de haiddorpen op zien voeren. Het was toen ook juist rond Kerstmis dat ik van hem over deze volksspelen hoorde. Hij sprak er met een ongekende toewijding over, want hij hield van alles wat volkseigen was en in zijn woorden lag zelf iets van de afspiegeling van deze eerbied die door de boeren met deze spelen werd verbonden.

blz. 74

Er übergab mir dann das Büchelchen, in dem er in den sechziger Jahren diese Stücke verfolgt hat, und ich konnte mit ihm nachher noch manches Gespräch führen, in dem er aufmerksam darauf machte, in welcher Weise der Dialekt gehandhabt wurde, in welcher Weise die Sprache geformt wurde in bäuerlich künstlerischer Weise, kann man schon sagen. So konnten wir über Gebärden, über die ganze Gestaltung des Stückes sprechen. Es war schon eine Offenbarung echten Volkstumes; sie wuchs mir dazumal wirklich recht gründlich ans Herz. Und als wir in der Lage waren, innerhalb der Anthroposophischen Gesellschaft nun schon vor vielen Jahren solches aufzuführen, war es vor allen Dingen mein Bestreben, zur Weihnachtszeit immer diese Stücke aufzuführen, soweit das bei den verwendeten Mitteln, die man für ein Bühnenmäßiges hatte, selbstverständlich möglich war, so daß ein Bild gegeben wird dessen, was das Volk in alten Zeiten vor sich hatte, und was es in gewissen Gegenden bis vor kurzer Zeit noch bewahrt hat.
Jetzt sind wohl diese Spiele zum großen Teil verlorengegangen. Wir durften selbst während der Kriegszeit die Spiele aufführen. Freunde von uns durften sie in den Lazaretten aufführen und während des furchtbaren Krieges die Kranken erfreuen und befriedigen mit diesen Spielen. 

Hij gaf mij toen het boekje waarin hij in de jaren zestig deze stukken opgeschreven had en ik kon er daarna met hem nog vaak over spreken, waarbij hij erop wees, hoe het dialect gebruikt werd, hoe de taal gevormd werd op een boerse, kunstzinnige manier, zou je kunnen zeggen. Zo konden wij over gebaren, over de hele uitvoering van het stuk spreken. Het was al met al een openbaring van het echte volkse, ik heb ze toen werkelijk in mijn hart gesloten. En toen we in de gelegeneid kwamen binnen de antroposofische vereniging, nu al weer vele jaren geleden zoiets uit te voeren, was het vooral mijn streven om altijd tegen de kersttijd deze stukken op te voeren, vanzelfsprekend in zoverre dat met de middelen die we konden gebruiken, die we voor toneelspelen hadden, mogelijk was, zodat we een beeld kunnen geven wat het volk in oude tijden zag en wat tot voor kort nog in bepaalde streken werd bewaard.
Nu zijn die spelen wel voor een groot gedeelte verloren gegaan. Wij mochten zelfs gedurende de oorlog deze spelen opvoeren. Vrienden van ons mochten dat in de lazaretten en tijdens die vreselijke oorlog, de zieken met deze spelen wat vreugde geven, iets wat gelukkiger maakt.

Auch in Dornach spielen wir sie hier nun seit Jahren und versuchen es auch in diesem Jahre wiederum so, daß dadurch wirklich ein Bild entsteht zu gleicher Zeit von dem religiösen Gehalte und von dem volkstümlich-künstlerischen Streben.
Dasjenige, was Inhalt der Aufführungen ist, meine sehr verehrten Anwesenden, ist so überliefert, wie es immer vom Vater auf den Sohn und Enkel übergegangen ist, und wie es dann Karl Julius Schröer nach seinem Eindrucke beim Hören aufgezeichnet hat, wie er es aufgezeichnet hat nach dem, was ihm die Mitspielenden sagten. Nur in einem Falle habe ich mir erlaubt, ein in der Überlieferung nicht Vorhandenes hinzuzufügen. Sie konnten es gestern schon sehen beim Paradeis-Spiel, werden es dann sehen, wenn das Paradeis-Spiel wiederum aufgeführt wird, aber ich bin fest davon überzeugt, daß dieses Stück vorhanden war, und es kann sich nur darum handeln, den Geist, der dazumal im Volke lebte, wiederum lebendig werden zu lassen, so daß

Ook in Dornach spelen we ze nu al sinds jaren en we proberen het ook dit jaar weer zo dat daardoor werkelijk een beeld ontstaat van én de religieuze inhoud als ook van wat we volks-kunstzinnig nastreven.
De inhoud, zeer geachte aanwezigen, is zo doorgegeven dat het steeds van vader op zoon op kleinzoon overgegaan is en zoals Karl Julius Schröer het naar zijn indruk bij het luisteren opgetekend heeft, en naar wat de spelers tegen hem zeiden. Slechts in één geval ben ik zo vrij geweest, iets toe te voegen aan er wat in de overlevering niet bij zat. U hebt het gisteren al bij het Paradijsspel kunnen zien, en zal het zien wanneer het Paradijsspel weer opgevoerd wordt, maar ik ben er vast van overtuigd dat dit stuk erbij heeft gezeten en het kan er alleen maar om gaan de geest die toen in het volk leefde, opnieuw levend te laten worden, zodat

blz. 75

schon eine Überlieferung, die eben zu der Zeit da war, die schon einmal vorhanden war, ich möchte sagen, schwarz auf weiß vorhanden gewesen ist und nur verlorengegangen ist, daß die nun ‘bühnenmäßig notwendig geworden ist. Wir versuchen durch die Aufführung dieser Spiele ein echtes Bild von dem zu geben, was in vielen Gegenden als Volkstum im 16. Jahrhundert bis zum 11. Jahrhundert zurück- gelebt hat und was am treuesten die armen Leute bewahrt  haben, die dazumal gerade im Untergang ihres Volkstums lebten, welches Volkstum Karl Julius Schröer bewahren wollte, indem er es aufzeichnete in Wörterbüchern, sprachdramatischen Büchern, und indem er es uns gerade erhalten hat in diesen Weihnachtspielen.
Es sind viele dieser Weihnachtspiele auch von anderen dann gesammelt worden, aber mir scheint doch, daß diese Spiele der Haidbauern diejenigen sind, wo dasjenige, was da einmal im Spätmittelalter war, am reinsten bewahrt worden ist.

dus een overlevering die er toen bij zat, waarover je kon beschikken, ik zou willen zeggen, zwart op wit aanwezig was, en nu verloren is gegaan, dat die nu toneeltechnisch noodzakelijk is geworden. Wij proberen door de opvoering van deze spelen een echt beeld te geven van wat in vele streken als volkseigen in de 16e eeuw – tot in de 11e eeuw terug, leefde en wat de arme lieden zo trouw bewaard hebben die toen al leefden in wat van het volkse zou verdwijnen, wat Karl Julius Schröer wilde bewaren toen hij het optekende in woordenboeken, taal-dramatische boeken en wat hij met name voor ons bewaard heeft met deze Kerstspelen. Door anderen zijn er nog veel van deze kerstspelen verzameld, maar het lijkt mij toch dat deze spelen van de haidboeren zo zijn als toen ze in de late middeleeuwen zo puur mogelijk bewaard gebleven zijn.

.

[1] GA 274.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

1961

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.