Maandelijks archief: september 2014

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Montessori

ONTDEKKINGSREIZIGSTER IN DE KINDERGEEST

Toen ik een jongen was, werd ik eens in ons huis in Rome vroeg in de morgen wakker doordat mijn bed stond te schudden, terwijl ik een diep rommelend geluid hoorde. Ik had nog maar net mijn ogen open toen mijn moeder binnenkwam, kalm en glimlachend, en op de rand van mijn bed ging zitten.
“Mario,” zei zij, “zie je hoe de lamp aan het plafond hangt te zwaaien?” Ik zag het. “Voel je hoe de grond trilt?” Ik knikte. Mijn moeder spreidde haar armen uit alsof ze een heerlijke ver­rassing voor mij had. “Mario, dit is nu een aardbeving.”
Voor Maria Montessori was zelfs een aardbeving een gelegen­heid om de geest van een kind te ontwikkelen. Zij geloofde dat God de mensen had begiftigd met de drang en de kracht om zich te ontplooien. Door het vinden van een manier om die kracht ruim baan te geven, schonk zij de wereld een nieuwe benadering van de opvoeding, die een verrukkelijk proces van zelfontdekking en zelfverwerkelijking in gang zet.
Als ik terugdenk, is het moeilijk te bevatten hoe zij zoveel ge­presteerd heeft in één mensenleven, eerst als vrouw van weten­schap — zij was antropologe en de eerste vrouwelijke arts in Italië — daarna als de bezielde opvoedster die de over de hele wereld verbreide beweging van de opvoeding van de kleuter stichtte welke haar naam draagt. Mijn grootste trots is dat ik haar medewerker heb mogen zijn.

Als jongen raakte ik haar eens kwijt in een menig­te. Toen ik haar weer vond pochte ik: “U kunt nergens heen gaan waar ik u niet kan volgen.” Ik heb deze opschepperij bijna waar kunnen maken. Veertig jaar lang heb ik haar als secretaris, assistent en jongere collega over de halve wereld gevolgd — waar­heen haar missie haar ook voerde.

Heel anders dan de meeste strenge, werkende vrouwen om­streeks de eeuwwisseling, kleedde moeder zich elegant en straalde zij vrouwelijke charme uit. Zij hield van goed eten, goed gezel­schap en een goed gesprek. Haar sprekende bruine ogen konden stralen van verrukking, en ze konden ook scherp waarnemen.
“Het geheim van het goede leven,” hoorde ik haar eens zeggen, “is te leven in gehoorzaamheid aan de werkelijkheid.” Zij bezat de objectiviteit om de wereld om haar heen waar te nemen en te zien wat er werkelijk was, niet gekleurd door wensen of verwach­tingen. Haar opleiding voor onderwijzers begon met lessen in het zien. “U hebt geleerd het kind op u te laten letten,” zei ze tegen hen. “Hier bent u het die het kind moet observeren.”

Als klein meisje was mijn moeder de slechtste leerling van haar klas; zij kon de lessen niet in haar hoofd krijgen. Toen, op tien­jarige leeftijd, veranderde Maria plotseling. Tegelijk met een ver­hoogde belangstelling voor religie, die niet ongewoon is bij meisjes van die leeftijd, ontwikkelde ze een gevoel van roeping. Haar ouders merkten het voor het eerst toen ze ernstig ziek lag met griep. De dokter zei hun dat zij zich op het ergste moesten voorbereiden. Maria stelde haar moeder gerust: “Maak u niet bezorgd, Mamma mia, ik ga niet dood. Ik heb te veel te doen.”

Nu werd zij de eerste van haar klas. Haar ouders stelden voor dat ze onderwijzeres zou worden, het enige beroep dat een vrouw kon uitoefenen. Ze weigerde het in overweging te nemen; ze had besloten om ingenieur te worden! Op 14-jarige leeftijd begon ze de lessen op een technische school voor jongens te volgen. Een jaar later stapte ze over op biologie en ten slotte besloot ze medicijnen te gaan studeren.

“Onmogelijk,” zei professor Guido Baccelli, de deken van de medische faculteit van de universiteit te Rome, tegen haar. Maar ten slotte werd ze toch toegelaten, verwierf een beurs, en droeg bij in haar studiekosten door het geven van privé-lessen. Haar vader, die haar handelwijze sterk afkeurde, weigerde jarenlang tegen haar te spreken. Als enige vrouw aan de medische faculteit moest ze zich hatelijkheden en kwellingen laten welgevallen. Maar ze behaalde haar graad.

Ze werd opgenomen in de staf van de psychiatrische kliniek van de universiteit, waar ze onder meer tot taak had de
krankzinnigen­gestichten van de stad te bezoeken om er proefpersonen als studie­materiaal uit te halen. In die dagen werden zwakzinnige kinderen ingedeeld — en gehuisvest — bij de krankzinnigen. In een ge­sticht zag La Dottoressa (zoals zij vaak werd genoemd) een aantal van dergelijke kinderen als gevangenen bijeen in een kaal vertrek. “Nu moet u ze eens zien,” zei de directrice vol afkeer. “Als ze hun eten op hebben, werpen ze zich op de grond als dieren die naar kruimels zoeken.” Mijn moeder keek toe. Met schrille en onsamen­hangende kreten strekten de kinderen hun handen uit naar de stukjes brood, die ze in verschillende vormen kneedden.

In een flits van inzicht zag mijn moeder dat deze kinderen niet zozeer hunkerden naar voedsel als wel naar ervaringen. Die kleine handen tastten naar contact met de buitenwereld! De een of andere innerlijke kracht zette deze kinderen aan om hun lichaam, geest en persoonlijkheid te ontwikkelen. In plaats dat men hen afzonderde en beteugelde, moest hun de vrijheid worden gegeven. Maar hoe waren ze te bereiken?

Dr. Baccelli, die toen minister van Onderwijs in Italië was, nodigde Maria uit om lezingen te komen houden over de op­voeding van zwakzinnigen. Als resultaat van de gewekte publieke belangstelling, stichtte hij een experimentele staatsschool voor geestelijk gehandicapte kinderen — onder leiding van dr. Mon­tessori. “Tenslotte bent u dus toch nog maar een vrouw en een kleuteronderwijzeres!” schertste dr. Baccelli.

“Mijn lieve idioten,” noemde moeder de kinderen in haar dag­boek. De hele dag lang, van acht uur ’s morgens tot zeven uur ’s avonds, bracht zij door met deze kinderen die de maatschappij als hopeloos had opgegeven — met waarnemen, experimenteren, en “het aanwakkeren van het vlammetje van begrip dat ik in hun ogen zag”. Na twee jaar van intensieve arbeid liet zij haar leer­lingen een gewoon schoolexamen afleggen. De “lieve idioten” lieten zien dat ze toch niet zo hopeloos waren. Velen maakten het werk even goed als normale kinderen.

Toen het bericht werd gepubliceerd, veroorzaakte het een sensatie. Maar moeder, met haar onverstoorbare objectiviteit, zag heel goed dat de werkelijke betekenis niet was dat zwakzinnige kinderen zoveel konden presteren, maar dat normale kinderen het zo weinig beter deden.

Bij haar bezoeken aan diverse scholen moest ze constateren dat al het mogelijke werd gedaan om het initiatief van het kind te ont­moedigen. De leerlingen moesten in veel te nauwe banken zitten, zodat ze zich achter de lessenaar moesten wringen. En als zij dan eenmaal goed en wel zaten, zo werd verondersteld, dan moesten ze wel naar de onderwijzer luisteren. De hoogste deugd bestond uit stilzitten; de geringste beweging werd streng gestraft. “Ons moreel besef schijnt te zetelen in het zitvlak,” zei ze tegen een groep op­voeders en hoge ambtenaren.

Nadat zij de school voor geestelijk gehandicapte kinderen op gang had gebracht, keerde moeder naar de universiteit terug, waar zij later werd benoemd tot hoogleraar in de antropologie, maar er zouden nog zeven jaren voorbijgaan voor zij haar levenswerk vond. In een woningbouwplan van particulieren waren verscheidene honderden arme gezinnen uit hun vuile en overbevolkte kazerne­woningen gehaald en overgebracht naar betere flatwoningen. Maar terwijl de ouders naar hun werk en de oudere kinderen naar school waren, werden de kinderen onder de zes aan hun lot over­gelaten. Men besloot een kleuterschool te stichten, en dr. Montes­sori werd gevraagd de leiding op zich te nemen. Ze nam het da­delijk aan. Dit was haar kans waar zij zo lang op had gewacht: haar ideeën op normale kinderen te proberen.

Haar Casa dei Bambini (Kindertehuis) werd geopend in de beruchte achterbuurten van San Lorenzo. “Zestig huilende, bange kinderen, zo verlegen dat het onmogelijk was ze aan het praten te krijgen; ontmoedigde, onverzorgde, bleke, ondervoede kinderen die waren opgegroeid in donkere krotten, waar niets hun geest stimuleerde.” Zo beschreef mijn moeder haar leerlingen op de eerste dag dat zij ze bij elkaar had.

In de volgende twee jaar zouden deze “kleine vandalen”, zoals een verslaggever ze noemde, mijn moeder helpen een omwenteling in de opvoeding te ontketenen. In plaats dat zij hun willekeurige regels oplegde en feiten in hun hoofd pompte, zocht zij naar ma­nieren om hen onafhankelijk te maken.

Haar eerste stap was de kinderen vrij te maken door hen bescha­ving bij te brengen. “Leer hun dat het belangrijk is om zelfs de geringste taak goed te doen,” zo hield moeder haar onderwijzeres­sen voor. “Geef hun dan de vrijheid om zelf hun werk te kiezen en daarmee bezig te blijven zo lang zij willen.” De Montessori-kinderen leerden hun neus zachtjes te snuiten, hun handen te wassen, hun schoenen te poetsen, hun veters en broekriemen vast te maken, en zonder morsen water of melk in te schenken. “Zelf­vertrouwen en zelftucht,” schreef zij, “zijn uiterlijke kenmerken van een gezond innerlijk leven.” Dr. Sigmund Freud merkte eens bewonderend op dat kinderen die in de geest van Montessori werden opgevoed, later in het leven slechte klanten voor de psycho­analyse zouden worden.

Ervan uitgaande dat het kind zijn verstand ontwikkelt door middel van de zintuigen, ontwierp moeder leermiddelen waarmee zij de tastzin oefende door directe ervaring met tastbare voor­werpen. Door het gebruik van volkomen gelijke stukjes hout in verschillende kleuren, leert het kind de kleurschakeringen van de lichtste tot de donkerste tinten. Met bellen die er precies eender uitzien maar een verschillende toon geven, ontdekt hij muziek­noten en leert die in volgorde te plaatsen. (Het meeste tegenwoor­dige spelmateriaal met opvoedkundige waarde dankt zijn ontstaan aan de leermiddelen die moeder meer dan een halve eeuw geleden ontwierp.)

Volgens moeder kan een kind van drie jaar al beginnen de letters te leren door het betasten van letters die uit schuurpapier geknipt zijn, een van haar vele vindingen. Op een dag schreef een jongen, die met een krijtje zat te tekenen, het woord mano (hand). Hij gilde luidkeels: “Ik kan schrijven.” De kinderen en de onder­wijzeres kwamen vol verbazing en enthousiasme om hem heen staan. En toen begonnen de andere kinderen, een voor een, ook te schrijven, terwijl ze uitriepen: “Ik ook, ik ook.” Niemand had het hun geleerd. Alles wat moeder had gedaan was het kind te laten werken in een geschikt gemaakte omgeving, waarin het zijn eigen ontdekkingen kon doen en door zijn eigen concrete ervaringen tot begrippen kon komen.

In de Casa dei Bambini leerden de kinderen schrijven, vier of vijf maanden voor ze leerden lezen. In een klas met kinderen die wat waren begonnen te schrijven, schreef moeder eens op het bord: “Als je dit kunt lezen, kom mij dan een kus geven.” Verscheidene dagen gingen voorbij zonder dat er iets gebeurde. “Ze dachten dat ik voor mijn plezier op het bord schreef, net als zij,” zei ze. “Toen, op de vierde dag, kwam er een heel klein meisje naar mij toe, en zei: ‘Eccomï (‘Hier ben ik’) en gaf me een kusje.” Op vier- of vijfjarige leeftijd konden de meeste kinderen lezen en schrijven.

De school bracht nog iets anders aan het licht; dat het niet de vrees voor straf of de hoop op een beloning is die het kind aan­spoort, maar louter de voldoening die het in het werk zelf vindt. De kinderen kregen de vrijheid om te zien wat in hen aanwezig was — en de grootste beloning lag in de overgang naar de vol­gende fase.

In de jaren die volgden op de verschijning van moeders eerste boek over de opvoeding, ‘De methode Montessori’ in 1912, werden haar beginselen voor het onderwijs aan de allerjongsten door vele scholen in Europa en de Verenigde Staten overgenomen. Later, met de opkomst van het totalitarisme, werden zij aangevallen. In Duitsland en Oostenrijk verbrandden de nazi’s haar beeltenis boven brandstapels van haar boeken. Mussolini probeerde haar roem uit te buiten, maar keerde zich tegen haar toen zij weigerde zich te lenen voor zijn propagandadoeleinden. De scholen en in­stellingen die zij had opgericht werden door de regering gesloten.

“Mario,” zei zij, “wij moeten beseffen dat dit de enige manier was waarop God ons kon doen begrijpen dat wij hier genoeg hebben gedaan en dat Hij ons ergens anders nodig heeft.” En op 64-jarige leeftijd verliet moeder Italië en ging naar Barcelona.

Toen de Spaanse burgeroorlog uitbrak, was ik in Londen en moeder was alleen in ons huis in Barcelona met drie van mijn kin­deren. Vrachtauto’s, bemand met de regeringsgetrouwe militairen, zwierven door de straten, en arresteerden personen die werden verdacht van sympathieën voor Franco. De haatgevoelens tegen Rooms-Katholieken liepen hoog op, en voor wie bovendien Italiaan was, werd het gevaar nog groter.
Er stopte een vrachtauto voor onze deur. De gewapende “milicianos” die erin zaten keken strak naar ons huis. Mijn oudste zoon vertelde mij later dat moeder bij het raam vandaan liep en de kinderen bij elkaar haalde. Even rustig als ze mij had verteld van de aardbeving, zei zij: “Eens moet iedereen sterven. Voor de een komt het vroeger dan voor de ander. We zullen nu bidden en God vragen ons te leiden, waarheen wij ook moeten gaan.”
Toen hoorden zij de vrachtauto wegrijden. Mijn zoon ging naar beneden en keek behoedzaam om de hoek van de voordeur. De mannen waren vertrokken, maar zij hadden een bord achtergela­ten, waarop met rode letters geschreven stond: “Ontzie dit huis; het behoort toe aan een kindervriendin.” Het was getekend met het communistische embleem: de sikkel en hamer.

In tal van landen werden de Montessorischolen door de oorlog gesloten. Nadat zij met een Britse kanonneerboot uit Spanje was ontkomen, vestigde moeder haar hoofdkwartier in Amsterdam. Er kwam een oproep uit India, en we gingen erheen om te helpen bij de onderwijzersopleiding. Italië verklaarde de oorlog toen we daar waren, en hoewel we werden geïnterneerd, zette moeder haar onderwijs voort.

Na de oorlog, toen zij al in de zeventig was, keerde zij naar Europa terug. Wederom kwamen haar ideeën zeer in trek, en de Montessorischolen en opleidingscentra begonnen weer te bloeien. Zij bracht veel tijd door met lezen en schrijven, terwijl ze bij ons in Noordwijk aan Zee woonde.

Op een dag in mei, midden in het tulpenseizoen, zat ik met haar te lunchen voor een raam dat uitzag over de bloemen en de zee. Ik vertelde haar dat ik een ambtenaar had ontmoet uit Ghana, dat spoedig onafhankelijk zou worden en dringend behoefte had aan scholen. Hij wilde dat moeder en ik zouden komen helpen bij de onderwijzersopleiding.
“Als er ergens kinderen zijn die hulp nodig hebben, dan zijn het wel die arme kinderen in Afrika,” zei moeder. “Wij moeten zeker gaan.”

Ik herinnerde haar aan de hitte, de zeer primitieve levensom­standigheden. Tenslotte was zij 81. “En dus je wilt niet dat ik ga!” wees ze mij zacht terecht. “Ik ga nog één keer weg en laat jou achter.” “U zult nooit ergens heen gaan waar ik u niet kan volgen,” zei ik tegen haar, waarmee ik die kinderlijke grootspraak van jaren geleden herhaalde. Ik ging de kamer uit om een kaart van Afrika te halen. Toen ik terugkwam was moeder dood. Ze zou naar Ghana zijn gegaan, of welke andere plaats ook waar kinderen haar nodig hadden.

alle biografieën

Advertenties

VRIJESCHOOL – Zintuigen – bewegingszin (9-5/1)

.

 

DE ZIN VAN HET BEWEGEN

De zintuigleer van Rudolf Steiner gaat niet uit van vijf, maar van twaalf zintuigen. Vier hiervan – de tastzin, levenszin, bewegingszin en de evenwichtszin – vormen de zogenaam­de ‘onderste’ zintuigen, die je infor­meren over je eigen fysieke toestand. Na de tast- levenszin en evenwichtszin nu een bespre­king over het functioneren van de bewegingszin.

 

Schaatsen! Dit jaar weer een voorbije droom. Jammer, want eigenlijk is schaatsen toch wel dè manier om Nederland te leren kennen. Wie zelf niet schaatst voelt zich desondanks vaak betrokken bij de typisch Nederlandse beweging die een echte winter met zich mee­brengt. Het daarbij behorende vallen en op­staan wordt zelfs, onze handelsgeest ge­trouw, door een ieder vlot in klinkende munt vertaald: als je valt heb je een dubbeltje ver­diend! Wie wel zelf schaatst kent het pure genieten van de beweging op zich, het gevoel van vrijheid dat veroverd werd dankzij een ooit moeizaam ingeprente, elk schaatsjaar opnieuw geoefende, maar dan ook bijna tot perfectie uitgevoerde wijze van voortbewe­gen.
De volmaakte balans van een beheerst bewe­gend en zelfverzekerd schaatser is een fasci­nerend schouwspel. Die schaatser zelf ziet zijn bijna moeiteloze beweging beloond met een ervaring die niet in een optelsom van dubbeltjes uit te drukken valt: hij beweegt zoals hij wil, en leert daarin zijn beweegre­den kennen in ruimere zin dan het kader waarin zijn schaatstocht staat. Misschien heeft zijn tocht een doel, misschien ook niet, hoe dan ook gaat het daar niet om: hij er­vaart, al schaatsend, vooral zijn eigen bewe­ging en daarin zijn wil om op weg te zijn.
De tentoonstelling ‘Winter in Holland’ die de afgelopen maanden* in het Brabants Museum (’s Hertogenbosch) te zien was trok een re­cord aantal bezoekers: in zes weken werd het aantal gehaald waar anders zes maanden voor nodig zijn. Hoewel het moeilijk aan­toonbaar is, zou dit op een vorm van nostal­gie kunnen wijzen waarvan het mij niet on­waarschijnlijk lijkt dat ervaring met schaat­sen daarin een rol speelt. Hoeveel bezoekers van die tentoonstelling hebben zich ter plek­ke hun eigen vallen en opstaan, hun eigen ontmoeting met het Nederlands landschap… en met zichzelf, herinnerd? Dat laatste vooral lijkt me van belang: het functioneren van de bewegingszin op zich onttrekt zich goeddeels aan ons bewustzijn, maar door een beweging bewust te leren be­heersen, ontmoet je jezelf. Voorwaarde is dan wel dat dit gebeurt in een kader dat door jezelf als zinvol ervaren kan worden. Er is alle reden om negatieve effecten te vrezen als dit niet het geval is: lopende band werk bijvoorbeeld, en vormen van dansen die tot mechanisch uitvoeren van een opgelegde be­weging worden, zullen weinig bij kunnen dragen tot het beleven van de eigen beweeg­redenen en juist vervreemdend ten opzichte daarvan werken.

Het op de juiste wijze aanspreken en oefenen van de bewegingszin is van het grootste be­lang, niet alleen met betrekking tot fysieke gegevenheden. Wat wij bijvoorbeeld geneigd zijn te beschouwen als visuele waarneming, wordt in sterke mate meebepaald door le­venszin, bewegingszin en evenwichtszin. Bij kinderen kun je dat duidelijk zien, als ze ren­nend, dansend, kortom bewegend, een ruim­te verkennen. De volwassene zal eerder ge­neigd zijn een hem onbekende ruimte zonder zichtbaar te bewegen op zich in te laten wer­ken, maar innerlijk beweegt hij met vorm en verhoudingen mee. Ook in de omgang met de ander speelt de waarneming van eigen (in­nerlijke) beweging mee in onze beoordeling van de situatie. Een gesprek is ruimte waarin je in meerdere of mindere mate bewegen kunt.

Dat het alleszins de moeite waard is om ook aan de bewegingszin alle kans te geven om ingeschakeld te worden zal duidelijk zijn. Bij kinderen is de behoefte daaraan op bijna elk moment zo zichtbaar aanwezig dat de opvoe­der er als vanzelf aan tegemoet komt. Van simpele grijpoefeningetjes naar ‘klap eens in je handjes’ en, wat later, ‘wie komt er in m’n huisje?’. Daarop volgt een onuitputtelijk aan­tal zang-, dans- en bewegingsspelletjes waar ze nooit genoeg van lijken te krijgen, en die ook werkelijk belangrijk voor ze zijn. Houdt het bij het toegroeien naar volwassen­heid op? Zeker niet. Het blijft zaak de
bewe­gingszin niet alleen als een gegevenheid te be­schouwen, maar het oefenen ervan bewust voort te zetten. Daartoe staan vele wegen open. Wandelen, fietsen, elke vorm van li­chaamsbeweging biedt, zolang er geen ver­blinding door prestatiedwang optreedt, in principe de mogelijkheid om de eigen bewe­ging als waarnemingsinstrument te scholen.

Ook elke vorm van kunstzinnig bezig zijn is natuurlijk een goede weg. Hoe gebondener de beweging (bijvoorbeeld bij het bespelen van een muziekinstrument, bij euritmie, bij arceren) hoe duidelijker de rol van de bewe­gingszin. Dan valt ook bij een ander soms ui­terlijk waar te nemen hoe de bewegingszin als informatiebron functioneert. Kijk naar de handen van een geconcentreerd pianist, een fluitspeler, de aandacht waarmee het instru­ment aangeraakt wordt. Je kunt je voorstel­len hoe door de uitvoerder datgene wat uit­gedrukt wil worden mede via de beleving van de eigen beweging verstaan wordt. Er vindt een omkering plaats waarbij de beweging zelf zich lijkt te gaan uitspreken. Probeer maar eens rustig te gaan zitten arceren. Het vraagt geduld en concentratie om de schuine streep­jes regelmatig op papier te krijgen, maar na een poosje gaat het bijna vanzelf, en dan komt er ook ruimte voor waarneming via de beweging, en mogelijk ontstaat er , tenslotte ook op het tekenpapier, een beeld. Welke beweging ook geoefend wordt, steeds opnieuw zal kunnen gebeuren wat hierboven als effect van het schaatsen beschreven werd: in de beheerste beweging leert de mens zijn eigen doel, zijn persoonlijke streefrichting kennen. Hij komt in contact met wat hij eigenlijk wil. Tezelfdertijd ontwikkelt hij een steeds verfijnder waarnemingsinstrument dat wel degelijk ook op de buitenwereld gericht kan worden.

De schaatser ontmoet niet alleen zichzelf, hij leert ook zijn land op een zeer wezenlijk niveau kennen. Zo ook de vogelwaarnemer die een vogel niet alleen vanuit het zien en ho­ren, maar vanuit het meebeleven en herken­nen van het voor die ene vogel karakteristie­ke bewegingspatroon herkent: hij dringt diep door in wat door F.H. Julius in zijn boek Dier tussen mens en kosmos ‘het beeldweef­sel van de natuur’ genoemd wordt, en legt daardoor een heel eigen verbinding met zijn omgeving.

(Carla Niphuis, Jonas 16, *30-03-1984)

tastzin    levenszin    evenwichtszin

zintuigen: alle artikelen
Soesman: ‘De 12 zintuigen
König: ‘De eerste 3 jaren van een kind’

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Zintuigen – evenwichtszin (9-4)

.

DE EVENWICHTSZIN

Oefenen in het zelf ~ standig zijn

Een van de twaalf zintuigen door Rudolf Steiner beschreven is de evenwichtszin. Het is het zintuig waar­mee kinderen in hun spel graag experi­menteren. Ook voor volwassenen is dit zintuig van het grootste belang. Als er iets aan mankeert ontstaat onrust en onzekerheid.Carla Niphuis over de evenwichtszin: ‘Ik ben zelf-standig’.

Wankelend maar vastberaden, de lippen op elkaar geperst van inspanning, de armen wijd, gaat ze stap voor stap over het muurtje langs het park. Voor de voeten is alle plaats, en het muurtje is geen halve meter hoog, maar het is evengoed de vraag of je niet in de rozen of op straat zult vallen. Nog een paar stappen, vlugger nu… en het is gelukt. Stra­lend kijkt ze naar een mevrouw, waarschijn­lijk haar moeder die, eigenlijk ook opgelucht dat het weer goed afliep, haar dochter trots naar beneden helpt springen. Rechtop, zelf­bewust, stappen ze samen verder. Rechtop: hoe lang is het geleden dat het kleintje voor het eerst ‘op eigen benen’ stond? De moeder ziet het nog voor zich, zoals alle moeders -en de meeste vaders – zich zullen herinneren hoe hun kind ging staan. Op het consultatiebureau vraagt de arts meestal naar het moment waarop het kind los ging lopen. Dit ligt natuurlijk in het
ver­lengde van die eigen beweging omhoog. Hoe je het ook bekijkt, het veroveren van de ver­ticale ruimterichting maakt het ons pas mo­gelijk ons als mens te gaan bewegen. Onze oriëntatie op de drie ruimterichtingen (voor-achter, links-rechts, onder-boven) wordt bewaakt door onze evenwichtszin. We zijn ons er meestal niet van bewust, maar zodra er, door welke oorzaak ook, gevaar dreigt dat de geruststellende vanzelfspre­kendheid dat in alle richtingen alles ‘in orde’ is wegvalt, heeft dat gevolgen voor ons wel­bevinden, en die kunnen tamelijk ernstig zijn. Zo is het voor sommigen al moeilijk om in een bewegende lift te staan, vooral als deze naar beneden gaat. Anderen worden ziek van steeds opnieuw een andere richting inslaan, bijvoorbeeld in een auto. om over de effecten van een over woeste golven deinend schip al helemaal niet te praten! En na een vliegreis is het zonder meer nodig om je evenwicht te hervinden door, stevig over de vaste grond stappend, ‘tot jezelf’ te komen, opnieuw de vanzelfsprekendheid van je eigen plaats in de ruimte te ervaren. Hier ben ik, en ik kan mij staande houden, vrij bewegend in alle richtingen, want ik neem steeds mij­zelf mee.

evenwichtszin

 

Ik ben zelf-standig. Ruimterichtingen (en tijd) zijn dimensies van mijn aardse bestaan, maar dwars daar doorheen kan ik een diepe­re dimensie van het mens-zijn ervaren. Rudolf Steiner beschrijft hoe de
evenwichts­zin gemoedsrust beleefbaar maakt. De rust van het als mens niet uitsluitend aarde-ge­bonden zijn.

In de mythologie staat deze geestelijke di­mensie bij voorbaat vast. Odysseus vastge­bonden aan de mast van zijn schip om niet aan de verleiding van de Sirenen ten prooi te vallen brengt de betekenis van het als mens rechtop staan prachtig in beeld. Als je dat eenmaal beleefd hebt bekijk je een zeilschip in de verte met andere ogen! Wat de
verleiding van de buitenwereld ook is, Odysseus volgt zijn eigen koers, zij het dankzij de kunstgreep van het vastbinden. Het is vast geen toeval dat Odysseus in de direct hierop aansluitende avonturen door de zeemonsters Scylla en Charybdis wordt bedreigd. Scylla vangt zeelieden (zes tegelijk) en eet ze op, Charybdis verzwelgt twee maal per dag alles wat zich toevallig in de buurt bevindt. Scylla is links van Odysseus, Charybdis rechts. Ge­vaar in de links-rechts ruimte richting dus; tot beide polen moet Odysseus de juiste verhou­ding zien te vinden. Ook dit lukt, weliswaar met verlies van zes manschappen. Dan dreigt Charybdis Odysseus nog naar de bodem van de zee te trekken, maar Odysseus weet ook deze onder-boven problematiek op te lossen door zich aan de tak van een boom vast te klampen en pas naar beneden te springen als hij dat zelf wil.

Mede tegen de achtergrond van de boven be­doelde geestelijke dimensie zal het belang van een juiste evenwichtszin-ontwikkeling duidelijk zijn. Niets forceren, maar het kind wel alle gelegenheid bieden om de ruimte-oriëntatie te oefenen. Wie het – later – wat dit betreft in de sport zoekt kan allerlei kanten op. Misschien is skiën wel bij uitstek een uitdaging aan de even­wichtszin: op zo’n gladde berghelling is het opnieuw zeer de vraag of je kunt staan en gaan zoals je wilt. ‘Stehen bleiben’ roept de skileraar zijn leerlingen toe, jawel…
We kun­nen het ook dichter bij huis houden: een stuk klei, en dan proberen om bijvoorbeeld een kubus te boetseren. Het zal alleen luk­ken als vanuit alle richtingen tegelijk gewerkt wordt.

evenwichtszin 1

Schilderen doet weer op een heel an­dere manier een appèl op de evenwichtszin. Vanuit onszelf moet binnen het tweedimensi­onale gegeven van het tekenpapier een derde dimensie tot stand gebracht worden. In let­terlijke zin kan dit leiden tot zoeken naar perspectief; het kan zich ook beperken tot het zoeken naar de juiste verhouding in vorm en kleur.

evenwichtszin 2

Aan de andere kant van de lijn (links-rechts, boven-onder, als in een spiegel gezien de lijn opnieuw tekenen….een evenwichtsoefening die je jezelf steeds opnieuw kunt opgeven.*

Zoiets kan alleen onze innerlijke rust bevor­deren. Een rust die we maar al te zeer nodig hebben als we werkelijk vanuit onszelf willen kunnen inspelen op wat ons in de buitenwe­reld, met name ook in de ontmoeting met de medemens, tegemoet treedt. Rust om ook daarin steeds het evenwicht te zoeken, af te wegen wat afgewogen moet worden, en daar­door bij te dragen aan niets minder dan
ver­menselijking van die wereld. Niet voor niets valt de evenwichtszin in de zintuigleer van Rudolf Steiner onder de wilszintuigen!

(Carla Niphuis, Jonas 19, 11-05-1984)
.

*Dit soort vormtekenenoefeningen worden vooral in klas 2 en 3 gedaan

tastzin   levenszin   bewegingszin

zintuigen: alle artikelen
.
Soesman: ‘De 12 zintuigen
.
König: ‘De eerste 3 jaren van een kind’

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Zintuigen – levenszin (9-3)

.

DOE DE ‘LEVENSZIN’

Kun je luisteren naar ‘jezelf’. Kun je je ademhaling, hartslag,
bloeds­omloop horen? Het is duidelijk dat die signalen ons niet bereiken via het gehoor, maar door een ander zintuig: de levenszin. Carla Niphuis geeft enkele suggesties om de werking van de levens­zin waarneembaar te maken.

Een eenvoudige concentratie-oefening: ogen sluiten, luisteren. Wat hoor je om je heen? In de kamer, buiten de kamer? Hoe ver weg kun je luisteren? Kun je – luisterend – terug­komen in de kamer bij jezelf? Kun je ook binnenin jezelf ‘luisteren’? Alle keren dat ik deze oefening met een groep deed – ter voorbereiding van een schil­deroefening of iets dergelijks – is het mij op­gevallen met hoeveel vreugde de deelnemers vertelden over hun waarneming, met name over wat ze in zichzelf bleken te kunnen waarnemen. Je kunt in jezelf kruipen, en wat je daaraan beleeft is voor anderen nog her­kenbaar ook! Wel rijst de vraag wat je nu nog echt hoort, je ademhaling vast wel, maar je hartslag, het stromen van je bloed? Het is duidelijk dat ons innerlijk welbevin­den niet via het gehoor, maar via een ander zintuig ons bewustzijn bereikt. De werking van de toestand- of levenszin zijn we ons merkwaardigerwijs meestal alleen door nega­tieve signalen bewust: we beseffen dat we honger hebben, pijn, een gevoel van onbeha­gen, behoefte aan lucht of beweging. De po­sitieve kant word je je alleen bewust als je daar uitdrukkelijk moeite voor doet, zoals in de hierboven beschreven oefening. Toch kan, langs indirecte weg. de werking van de levenszin ook in positieve zin overtui­gend waarneembaar zijn.
Ik ken iemand die het presteert om, ondanks een druk bezet le­ven, soms midden op de dag ergens rustig te gaan zitten op een manier die zoveel tevre­denheid uitstraalt dat je er bijna jaloers op zou worden. Blijkbaar hoeft er dan niets, dreigt er niets, is alles volmaakt in orde. Niet gaan zitten omdat je ergens op wacht, omdat je moe bent, omdat je werkt. Nee, zomaar, zitten omdat dit – zo te zien – op dat mo­ment als zinvol ervaren wordt. Ook aan kleine kinderen valt in dit opzicht veel te beleven. Gebaad, gevoed, kan zo’n kindje in-tevreden lijken, een en al vertrou­wen en goede zin. Als volwassene ligt dit po­sitieve contact met jezelf veel minder van­zelfsprekend binnen bereik. Jammer, want het geeft vertrouwen om jezelf als levend we­zen te ervaren, het vormt een hechte basis voor wat je als mens onderneemt, het is een goede remedie tegen angst en gevoel van leeg­te. Het zou daarom weleens heel belangrijk kunnen zijn om onze levenszin bewust te ac­tiveren.

Een manier om daar verder mee te komen zou kunnen zijn het omgaan met signalen die met name kinderen vanuit hun levenszin geven. Dat signalen van onbehagen (honger, dorst, pijn, slaperigheid) die een kind geeft voor ons aanleiding moeten zijn tot verzor­gende maatregelen spreekt vanzelf. Het uitblijven van een adequate reactie op primaire levensbehoeften kan ernstige groeistoornis­sen ten gevolge hebben en een harmonische ontwikkeling blijvend in de weg staan. Maar het is misschien net zo belangrijk om de po­sitieve signalen vanuit die primaire levens­sfeer te honoreren, minstens door ze op te vangen en liefst door erop te reageren. Niet alleen voor het kind belangrijk, ook voor onszelf.

We doen het trouwens al: niet voor niets pra­ten we bijna vanzelf tegen het kindje dat er zo tevreden bij ligt. De sfeer die daarvan uit­gaat kunnen we versterken en in onszelf ver­der tot ontwikkeling brengen. Een goed ont­wikkelde levenszin maakt ontvankelijk voor kwaliteit van leven. Alles is in orde, we zijn zelf het instrument waardoor het leven stroomt, z’n evenwicht vindt, oproept tot vertrouwen.

Een heel andere mogelijkheid om onze le­venszin te oefenen wordt op dit moment* (tot eind februari) geboden door het Rijks­museum. De tentoonstelling ‘Ierse Kuns’t biedt een unieke kans om te beleven hoe de mens in staat is vraag en antwoord in vol­maakte harmonie met elkaar te verbinden. Met aandacht het lijnenspel op stenen, schil­den, sieraden en tekstversieringen volgend, kun je je verbinden met het gebied van waar­uit ooit dit geduldig en harmonisch scheppen mogelijk was. Je kunt je zodanig in een be­paald motief verdiepen dat je op- en neer­gaande lijn, beweging en tegenbeweging, detail en totaal gaat meebeleven. Zo kan een Iers (vlecht)motief een meditatieobject wor­den waar moed uit geput wordt voor de dag, voor het leven.

‘Luisteren’ naar de harmonie in ons lichaam, in dialoog treden met het vertrouwen dat het kind uitstraalt, vlechtmotieven** meebeleven: mogelijk zijn het levenszin versterkende acti­viteiten waarbij nog plezier gewaarborgd is ook.

(Carla Niphuis, Jonas 12, *03-02-1984)

**vlechtmotieven worden in de 4e klas geoefend in het vak vormtekenen

tastzin    evenwichtszin   bewegingszin

zintuigen: alle artikelen

.
Soesman: ‘De 12 zintuigen
König: ‘De eerste 3 jaren van een kind’

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Zintuigen – tastzin (9-2/1)

.

De tastzin

Oefenen met spelletjes

Onze zintuigen werken veelal de hele dag op volle toeren. Maar wat gebeurt er wanneer je een ervan min of meer geïsoleerd gebruikt?
Elisabeth van Cruijsen geeft suggesties voor het oefenen van de tastzin.

.

We spelen blindemannetje – daar sta ik… al­leen in het donker. Alles wordt anders zon­der hulp van mijn ogen. Mijn hele lijf wordt oog. Schuifelend ga ik door de kamer, met mijn handen vooruit en mijn oren helemaal open. Ik tast met mijn handen in de ruimte tot ik iets vind. Met mijn heupen, met mijn knieën, met mijn voeten voel ik hard en zacht, hoekig en rond en herken ik wat het is. Ik ruik de bloemen op de tafel. Loop, hierdoor afgeleid, met mijn hoofd tegen de lamp en moet iets vastpakken om mijn even­wicht niet te verliezen.

Als we iets betasten, nemen we eigenlijk niet dat voorwerp waar, maar onszelf, ons eigen lichaam. En omdat we ons eigen lichaam waarnemen, is het belangrijk wat we aanra­ken en wat voor gevoelens dat bij ons op­roept. Dit heeft een rechtstreekse invloed op hoe wij ons in ons eigen lichaam voelen. Wanneer we de slaap niet kunnen vatten komt dit misschien doordat we niet genoeg ‘in onszelf’ zijn. We piekeren over het verle­den of maken de wildste plannen voor de toekomst en doen alles, behalve met rustig vertrouwen in het nu de slaap afwachten. Het helpt dan om voor het naar bed gaan een stukje klei te pakken dat goed in de hand past, dit door te kneden, zodat het onze eigen temperatuur aanneemt en hiervan rustig, met beide handen een bol te vormen. Door steeds een zachte druk uit te oefenen met de palmen van de handen ontstaat de bol als van zelf. De laatste oneffenheden kunnen we met on­ze vingertoppen, vooral die van de duimen, glad strijken.

Een andere manier om onze eigen lichame­lijke grenzen te leren kennen, is rustig te gaan liggen of zitten en dan met ons bewust­zijn af te tasten waar we iets raken of waar onze huid bedekking voelt. Door deze oefe­ningen ontstaat ‘grond’vertrouwen. De basis voor dit grondvertrouwen wordt in de aller­vroegste jeugd gelegd. Een kind moet gekoes­terd worden, gestreeld en stevig vastgehou­den, om zo zijn grenzen te kunnen voelen. Het bakeren, het inwikkelen, zoals dat
vroe­ger gebeurde, kunnen we nu begrijpen, al zullen we het zo niet meer doen. Maar nu blijkt ook dat het niet juist is het kindje te weinig of te losse kleertjes aan te trekken. De lichaamservaringen die het kind opdoet bij het zuigen, duimen, het vastpakken en in de mond stoppen van alles wat maar binnen be­reik is, vormen het zelfgevoel. Daarom is het belangrijk waar we onze kinderen mee laten spelen. Hoe onmisbaar kunststoffen ook zijn in de techniek, in de wereld van het kind ho­ren ze eigenlijk niet thuis. We geven het liever natuurlijke materialen. Een knooppopje van een lapje zijde, met wat schapenwol ge­vuld is een ideaal babyspeeltje. Bovendien zijn wol, zijde, linnen en hout wel door men­sen bewerkt, maar niet door mensen ge­maakt en verwijzen zo naar een andere we­reld, waar we verwondering en eerbied voor kunnen voelen.

Naarmate het kind ouder wordt, krijgt het belangstelling voor de wereld buiten zich en gaat het de tastzin gebruiken om die te
ver­kennen. Via allerlei spelletjes kunnen we de­ze ontwikkeling ondersteunen. Voor een kleuter is niets mooier dan een bewaarzak, waarin overdag allerhande schatten verza­meld worden, die dan ’s avonds, met de ogen dicht, een voor een tevoorschijn worden ge­haald om te raden wat het is. Ook voor ons heeft de omgeving altijd wel iets te bieden, waarmee we onze tastzin kun­nen oefenen. Doe de afwas maar eens met ogen dicht. Dat is alleen al goed om de sleur te doorbreken. Zo zijn er in huis talloze oefeningen te bedenken. Als we buiten zijn kunnen we bladeren vergelijken, de bast van de verschillende bomen betasten en het fruit, dat nu geoogst wordt, door onze handen la­ten gaan. Om niet in een chaos van waarne­mingen terecht te komen is het goed, steeds twee dingen te vergelijken. Hoe anders voelt een getand berkenblad dan het gegolfde blad van de eik. Hoe verschillend is de gladde huid van de appel dan de stroeve schil van een peer. Omdat meestal persoonlijke gevoe­lens onze waarnemingen te sterk kleuren, is dit een goede oefening om deze wat naar de achtergrond te dringen en te proberen on­zelfzuchtig waar te nemen. Zo kunnen de dingen voor zichzelf gaan spreken en komt alles wat er is veel dichterbij. Veel kinderen en volwassenen hebben tegen­woordig een slecht geheugen. Zodra we ons, via de tastzin, heel bewust met iets hebben beziggehouden, merken we, dat het een deel van onszelf geworden is, staat het in ons ge­heugen gegrift. Zo is het mogelijk het geheu­gen te versterken door iedere dag, met geslo­ten ogen, een bepaald werkje te doen, steeds een beetje moeilijker. Vlechten is heel ge­schikt. Eerst met drie banden, dan met vier of vijf. Of bestaande vormen naboetseren, die we niet gezien mogen hebben, alleen maar betast. En vergeet niet zo nu en dan eens blindemannetje te spelen. Spelletjes doen is de leukste manier om aan de zintui­gen te werken, omdat niet de oefening, maar het spel het doel is.

(Elisabeth van Cruijsen, Jonas 4, 14-10-1983)
.
tastzin      levenszin     evenwichtszin     bewegingszin
Zintuigen: alle artikelen

Soesman: ‘De 12 zintuigen
König: ‘De eerste 3 jaren van een kind’

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen (9-1)

.

DE TWAALF VENSTERS NAAR DE WERELD

Zonder zintuigen zouden we niets over onszelf en de ons omringende wereld te weten komen. Vijf zintuigen zijn ons bekend.
De zintuigleer van Rudolf Steiner gaat uit van twaalf waarnemingsgebieden.
Annet Schukking maakt de onbekende zintuigen ‘zichtbaar’.
.

Een – overigens weinig onthullend – bericht­je in de pers over de publicatie van het persoonlijk dagboek van de Rus Valentin Lebedev confronteert je in gedachten weer eens met de situatie waarin deze man zeven maan­den van zijn bestaan heeft doorgebracht. Als je probeert je daarin in te leven, realiseer je je wat voor offer zo iemand in die tijd eigen­lijk heeft gebracht. Ongeacht het doel er­van: de wetenschap dienen of de glorie van de natie, eigen roem en aanzien verwerven of platweg een fikse geldelijke beloning, en hoe je daar tegen aan kijkt, blijft het feit dat een langdurige ruimtevlucht zoals deze kosmonaut enkele jaren geleden gemaakt heeft, be­paald geen plezierreisje is. Een ‘gewoon’ mens wordt als regel ’s mor­gens in een bed wakker. Zijn eerste gewaar­wording is (bij mij althans): een gevoel van lekker geslapen (of juist niet), loom of fris, zin in het leven – of liever nog wat verder dutten. Het kan ook zijn – maar meestal wordt je je dat niet bewust – dat je eerste ge­waarwording is: het voelen van het matras onder je lichaam, het voelen van je eigen in lengte gespreide lichaamsgewicht; je zou ook kunnen zeggen het gevoel dat je weer met de aarde onder je verbonden bent, dat de aarde je draagt. ‘Du, Erde, warst auch diese Nacht bestendig’, laat Goethe Faust zeg­gen bij het ontwaken na de tragedie van het eerste deel van zijn drama, en deze verwon­dering kan ieder mens bij het wakker worden wel eens deelachtig worden. Het proces van weer-aankomen voltrekt zich dan verder. Geluiden dringen tot je door. Een blik op de klok leidt tot het dagelijks ri­tueel: opstaan, maar de wc gaan, tanden poetsen, wassen of douchen, aankleden, een geurige kop thee of koffie zetten, een smake­lijk ontbijtje nuttigen, het ochtendblad lezen of het nieuws aanhoren, ten slotte naar bui­ten: merken dat het koud is geworden, mer­ken dat je nieuwe laarzen eigenlijk te klein zijn en dat je buurman je zijn gebruikelijke ochtendgroet brengt. Mensen ontmoeten, mensen horen praten, gedachten proberen te volgen en je afvragen (soms): wat wil hij nu eigenlijk, wat is hij eigenlijk voor iemand? Zo rolt het leven de hele dag door, een veel­kleurig en beweeglijk cacofonisch gebeuren. Zo ben je – normaal gesproken – continu be­zig met je in de wereld te begeven en die dan weer bij je naar binnen te laten komen, in een voortdurende wisselwerking.
Anders ziet dit er uit voor de kosmonaut die in de wereldruimte zweeft. Weliswaar wordt ook hij bij het ontwaken gewaar dat hij slecht geslapen heeft – vaak zelfs! – en zal juist hij een blik op de klok nodig hebben om te constateren dat de dag (??) begonnen is, maar van een normale beweging, een dou­che, een vers broodje, een ochtendblad en ontmoetingen met mensen is geen sprake. Zeven maanden leidt hij een gewichtloos be­staan, zit hij permanent gevangen in zijn cap­sule, omringd door een ijskoude absolute stilte, levend van geconserveerd voedsel en is hij voor menselijk contact aangewezen op zijn ene collega-reisgenoot. Zijn waarne­mingswereld is beperkt tot de uitrusting en apparatuur van het ruimtevaartlaboratorium, dat op zichzelf ook weer één groot en inge­wikkeld waarnemingsinstrument is. Het eni­ge wat dit ingeschrompelde bestaan dragelijk maakt – zo meldt ons het bericht – is de prachtige aanblik van de langzaam ronddraai­ende aarde en de hoop daarheen te zullen te­rugkeren.

Levenszin
Het ontwaken in de ochtend is een soort op­nieuw geboren worden. In een razendsnel tempo voltrekt zich het proces dat aan het begin van ons leven plaats vond. Wie wel eens de ontwikkeling van een klein kind van­af de geboorte heeft kunnen volgen, zal heb­ben gemerkt hoe bij zo’n pril mensenwezen, komend uit en nog dromend van een heel andere wereld, geleidelijk aan zijn lichaam als instrument voor het leven op aarde vorm krijgt en opgebouwd wordt. Primair aanwezig is de levenszin, het zintuig waarmee het kind al kort na de geboorte – onbewust – voelt of het in orde is of niet. Wanneer baby’s overmatig huilen of wanneer ze in tegendeel heel passief zijn, niet willen drinken bijvoorbeeld, kun je er van op aan dat er iets aan schort. Als je dan niet ingrijpt loop je de kans dat het zich weer terugtrekt uit het leven.
Het is individueel verschillend hoe lang het duurt maar in het algemeen krijg je de in­druk dat het kind in de eerste weken van zijn bestaan op aarde nog niet scherp ziet of hoort. Er lijkt een gewaarwording te zijn van licht en donker, er is soms ook een duidelijk schrikken van heel harde geluiden, maar van een gedifferentieerde waarneming is zeker nog geen sprake. Het is ook bekend dat het oog bijvoorbeeld zich aan de visuele omge­ving ontwikkelt en oefent, zoals ook ander­zijds de degeneratie van het oog bij gebrek aan visuele prikkels bekend is. Het kind kan zijn ervaringen nog niet vertel­len, maar aan zijn gedrag en fysionomie valt veel af te lezen. Bijvoorbeeld het ietwat ko­mische afgrijzen wanneer in plaats van de zachte moederborst een hard lepeltje het mondje raakt en als het eerste sinaasappelsap naar binnen druppelt. De verrukking bij het glijden en deinen in een warm badje. Bijna van dag tot dag is te volgen hoe het kind zijn zintuigen oefent en ontwikkelt. Hoe het naar zijn boven zijn hoofd zwevende vingertjes kijkt, hoe het zich omrolt en optrekt, hoe het staat te balanceren, hoe het kruipt en zijn eerste stapjes gaat doen, hoe het overal op klimt, eindeloos voorwerpen grijpt en op de grond gooit. Hoe het, al brabbelend, het spreken oefent en al luisterend een eerste vorm van denken…
Wanneer de stofwisseling, de ademhaling en de bloedsomloop goed functioneren, is er wel leven, maar het is geen eigenlijk vol men­selijk leven. Het is alleen een slapend leven, een vegeteren, zoals in de nacht of zoals bij de plant. Om mens te kunnen zijn is er nog iets anders nodig: de mogelijkheid tot uitwis­seling, tot interactie met de wereld om je heen. Daartoe heb je zintuigen nodig: een ze­nuw-zintuigstelsel (waartoe ook de hersens behoren), waarmee je waarnemingen doet, waarmee je de wereld om je heen in je op­neemt en bewust wordt om van daaruit zelf tot handelen over te gaan. Dat je als mens zintuigen hebt is natuurlijk geen nieuws. We hebben dat allemaal ge­leerd: vijf zintuigfuncties zijn in elk geval be­kend: zien, horen,ruiken, proeven en voelen. Je hebt daar bepaalde aanwijsbare fysieke or­ganen voor: ogen om te zien, oren om te ho­ren, neus en mond en een huid om te voelen. Voelen is trouwens een wat vage en algeme­ne term. Je kunt van alles voelen: een aanra­king, een temperatuursverschil, buikpijn, angst. Kun je dat allemaal onder een noemer brengen?

Nieuwe zintuigleer
Maakt de toevoeging van deze vijf zintuigen aan het slapende lichaam met zijn stofwis­seling, ademhaling en bloedsomloop (en daarbij vanzelfsprekend al datgene wat hier­aan de structuur geeft) daarvan een volledig mens? Of is er nog meer nodig? Ook een dier heeft deze zintuigen en het on­derscheidt zich dan ook van de plant door­dat het een hoger bewustzijn heeft. Maar als je kijkt naar wat een dier met zijn waarne­mingen doet, zie je daar toch een zekere be­perktheid. Het dier reageert op een heel be­paalde manier op zijn waarnemingen en vol­gens een vast patroon, al naar gelang de soort. Het zien van iets kleins dat beweegt brengt de kat in actie, de trekvogel reageert op het afnemen van het licht in de nazomer, de hond zoekt zijn weg via z’n snuffelende neus, enzovoort. Bepaalde, voorgeselecteerde indrukken zetten een bepaald existentieel ge­drag in gang en er is dressuur nodig om het dwingende karakter van zo’n gedrag tot op zekere hoogte te kunnen doorbreken. Als mens ontkom je daar ook niet helemaal aan, maar je bent toch niet altijd puur in­stinctief of existentieel bezig. Je doet een heel aantal dingen die je niet noodzakelijk hoeft te doen, je maakt keuzen uit een of an­dere overweging. Hoe kom je tot die overwe­ging? Doordat je denkt, doordat je in eerste instantie gedachten van anderen hebt waar­genomen en die dan door een min of meer langdurig en ingewikkeld verwerkingsproces hebt omgevormd tot eigen gedachten van waaruit je op een bepaalde manier gaat han­delen.
Gedachten drukken zich uit in woorden en een essentieel onderscheid tussen mensen en dieren is dat mensen een taal bezitten die zich in woorden uitdrukt. Ook woorden, taal, kun je waarnemen. Het is niet het gewone horen – er is een onderscheid tussen het waarnemen van geluid in het algemeen en het waarnemen van gesproken woord. Op grond van ervaring, studie en onderzoek is Rudolf Steiner gekomen tot een uitbrei­ding van het aantal zintuigen tot twaalf waarnemingsgebieden. Eén daarvan, het evenwichtszintuig. is inmiddels al algemeen erkend; er is immers ook een duidelijk
aan­wijsbaar fysiek orgaan voor. Ook is men te­genwoordig al meer geneigd tot het maken van onderscheid tussen verschillende vormen van voelen; tussen gevoel als gevolg van een aanraking (tastzin) of van warmte of kou (warmte- of temperatuurzin). In de nieuwe zintuigleer van Rudolf Steiner valt het gevoel van pijn of honger en dergelijke onder het ‘levenszintuig’, waarmee je waarneemt of al­les oké is met je of dat er iets mis is. Bij de zintuigen die vooral iets te zeggen heb­ben over je eigen lichamelijkheid: hoe voel ik me, hoe blijf ik (letterlijk) in evenwicht, waar word ik aangeraakt, voegt zich nog een vierde: het bewegingszintuig, waarmee je in de eerste plaats je eigen beweging waar­neemt. Je neemt immers waar, ook met ge­sloten ogen, dat je bijvoorbeeld een arm op­heft. Deze vier – tastzin, levenszin,
bewe­gingszin, evenwichtszin – vormen de zoge­naamde ‘onderste’ zintuigen die je informe­ren over je eigen fysieke toestand en die meestal alleen waarnemingen tot bewustzijn brengen als er iets mis gaat: als je valt, ziek bent, een verkeerde beweging maakt, een klap krijgt. Het zijn naar binnen gekeerde zintuigen die voor je bewustzijn ‘slapend’ zijn. Ze zijn zeer existentieel omdat ze je li­chaam bewaken, echte nachtwakers en ze worden dan ook wel nachtzintuigen ge­noemd.

De middelste groep omvat de reuk, de smaak, het gezicht en de warmte zin. Deze hangen vooral met het zieleleven samen. We treden hiermee uit onze lichamelijkheid en verbinden ons met de buitenwereld. Sympa­thie en antipathie zijn dadelijk opkomende reacties op waarnemingen in deze zintuiggebieden. De rijke baaierd van de wereld van de dingen en van de natuur breidt zich voor ons uit. We duiken er in en een evenredige rijkdom aan gevoelens en emoties door­stroomt ons innerlijk leven. Hier zijn we veel bewuster van onze waarnemingen, maar af en toe kunnen we er ook heerlijk in weg­dromen.

Dan zijn er nog de ‘hogere’ zintuigen. Daar­mee ga je nog meer uit jezelf weg en moet je voor de waarneming steeds dieper in het waarnemingsobject zelf kruipen. Dat wat je ruikt of proeft is iets wat van het andere bij jezelf binnenkomt, bij het zien is dat al niet meer zo, dan ga je met het waarnemen naar de ander toe, maar toch niet verder dan de oppervlakte. Bij de warmtewaarneming heb je de indruk dat je iets dieper gaat dan de oppervlakte, dat je iets waarneemt wat ook binnen in het object aanwezig is. Dit wordt met de volgende zintuigen steeds sterker. Het geluid, de klank, die je hoort is niet iets aan de oppervlakte van het waarnemingstobject, het vibreert van binnen uit, komt uit de diepte. Geluid trekt je dan ook een beetje uit jezelf ergens naar toe, je kunt je er ook niet voor afsluiten, je gaat onwillekeurig
meevibreren.Dan komen de zintuiggebieden die ons als begrip minder vertrouwd zijn maar die we als fenomeen toch wel kennen. Dat zijn de woordzin en de gedachtenzin. Horen spreken, ook als je het niet verstaat, is toch iets we­zenlijk anders dan het horen van een wille­keurig geluid. Het is immers best boeiend om een gesprek te horen in een taal die je niet kent. Door heel intensief te luisteren, er diep in te kruipen, kun je op den duur zo’n taal je eigen maken, zelf leren spreken (zo leert een kind immers zijn eigen moedertaal) en naar mate je er meer in slaagt in het karakter van zo’n taal door te dringen zul je ook accentlozer kunnen spreken.
Woorden vormen niet altijd gedachten, maar om gedachten te kunnen waarnemen zullen deze wel in woorden moeten worden ge­kleed. Om iemands gedachten te kunnen volgen zul je werkelijk helemaal uit jezelf je in die gedachtewereld van de ander moeten begeven. Het blijkt dat je met die hogere zintuigen meer en meer terecht komt in een immaterieel, geestelijk gebied. Ze komen ook niet zo vanzelfsprekend en instinctief tot ontwikkeling als de lagere. Hier moet je in je bewustzijn werkelijk helemaal wakker zijn, anders zijn de misverstanden niet van de lucht! We hebben nu gehad: tastzin,
levens­zin, bewegingszin, evenwichtszin – reuk, smaak, gezicht, warmtezin – gehoor, woord­zin, gedachtezin. Om het twaalftal compleet te maken moet er nog een zijn.

Twaalf vensters
Er is een sprookje van Grimm, getiteld ‘De twaalf vensters’. In ’t kort komt de inhoud hierop neer: een prinses bewoont een kasteel en heeft daar een torenkamer met twaalf vensters, waardoor zij alles in de wereld kan zien. Door het eerste venster ziet zij al scher­per dan andere mensen, door het tweede nog scherper en zo gaat dat door. Er komen vele huwelijkskandidaten, maar de prinses heeft als voorwaarde gesteld dat diegene met wie zij zal trouwen kans moet zien om zich zo voor haar te verbergen dat zij hem door tenminste een van haar vensters niet zal kunnen vinden. Nadat velen het tevergeefs gepro­beerd hebben – zij werden al snel ontdekt en moesten het leven laten – komt er eindelijk een aan wie het lukt. Het is nog een spannen­de zaak want hij slaagt er pas bij het twaalf­de venster in onopgemerkt te blijven en dat nog met behulp van een tovenaar. Dit sprookje doet me altijd aan de twaalf zintuigen denken. Net als ieder venster, voegt ieder zintuig iets toe aan de totaliteit van het geheel. Maar waarom kan de prinses de jongeman door het laatste venster niet vinden en waarom is dat ook haar voorwaarde – en dus haar wens – om hem haar hand te schen­ken? Waarom moet er iets van hem voor haar verborgen blijven en wat is dat dan? Het is zijn ‘ik’, zijn ware wezen, dat alleen in het huwelijk zelf, door een liefdevolle verbinding met hem gezien kan worden. Het twaalfde zintuig wordt de ‘ik-zin’ ge­noemd, het waarnemingsorgaan waarmee je het ‘ik’ van de andere mens ziet. Het is het moeilijkst te vatten. Zoals de bruiloft in het sprookje een voltooiing is die naar de toe­komst wijst, zo zou dit ook het geval kunnen zijn met de ik-zin. In aanleg al aanwezig maar nog in ontwikkeling. Zoals de vensters in het sprookje, zo zijn ook de zintuigen helemaal doorlaatbaar. Hoewel het vaak uitermate ingewikkelde organen zijn, zoals bijvoorbeeld het oog, merk je daar als ze normaal functioneren niets van, komt dat niet mee in de waarneming. Het is of de waarnemingen die je doet onmiddellijk zijn, zonder tussenkomst van enigerlei apparaat of proces. Je zou kunnen zeggen dat dit alleen mogelijk is door een absolute onzelfzuchtig­heid van de zintuigen, doordat de zintuigen niets van de waarneming voor zichzelf opei­sen.

Zo onzelfzuchtig moet ook de kosmonaut zijn in zijn ruimtecapsule. Hij doet voor de tijd dat hij zijn functie uitoefent vrijwel vol­ledig afstand van een eigen persoonlijk leven en wordt helemaal ondergeschikt, een onder­deel van het in de ruimte zwevende oog. Het is – ongeacht wat je verder van ruimtevluchten mag denken – een niet geringe opgave die zwaarder wordt naarmate zij langer duurt. Wanneer je het menselijk oog niet wilt be­schouwen als een onbemand levenloos ruim­teschip maar als een levend orgaan kun je wel even stil worden bij de gedachte dat het een mensenleven lang een soortgelijke on­zelfzuchtige opgave volbrengt. Wat is het belang van een nieuwe, uitgebrei­de en meer gedifferentieerde zintuigleer? Na­tuurlijk worden we verrijkt met meer kennis en inzichten. Maar in dit geval raken we aan de basis van het menselijk bestaan op aarde. Zonder zintuigen zouden wij een mineraal of hooguit een plantaardig bestaan leiden, zon­der de hogere zintuigen niet meer dan een dierlijk. Een zintuigleer hoort dus tot de
ba­siselementen van een algemene menskunde. Zo’n zintuigleer omvat dan natuurlijk heel wat meer dan wat er zichtbaar is geworden onder het tipje van de sluier dat ik heb pro­beren op te lichten. Het vinden van verban­den: hoe is het samenspel tussen verschillen­de zintuigen onderling; het kennen van de zintuigorganen; het voeden en verzorgen er­van; de relatie tussen de zintuigen en de psy­chische en geestelijke kwaliteiten van de mens – zouden al enige hoofdstukken vor­men. Enig inzicht in het gebied van de zin­tuigen is uiteraard ook enorm belangrijk voor de pedagogie, omdat immers juist in de jeugd de zintuigaanleg verder ontwikkeld en gevormd wordt.

(Annet Schukking, Jonas 4, 14-10-1983)

.

Soesman: ‘De 12 zintuigen
König: ‘De eerste 3 jaren van een kind’

 

zintuigen: alle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – 1e klas – schrijven (2-2))

.

In het begin van de 1e klas is ‘schrijven’ nog ‘vormtekenen’, d.w.z. er wordt geoefend met ‘rechten en krommen’, waarmee eigenlijk ook de motoriek wordt ontwikkeld die voor het schrijven nodig is, terwijl ook meteen op de juiste houdingen wordt gelet: schrijven 

Het motief ‘recht-rond’ kan op zeer veel verschillende manieren worden uitgewerkt.

Hieronder volgen voorbeelden:

oefening 9

Het gaat om echt rechte lijnen met evengrote tussenopeningen, enz.
(Het kan altijd nog mooier….)

Het is niet de bedoeling dat er een tijd eerst met recht geoefend wordt en dan een tijd met rond. Afwisselend in het ‘uur’ waarin je oefent of per dag.

oefening 10

oefening 11

In het begin kun je zowel van boven naar beneden, als omgekeerd werken; dit geldt ook voor van links naar rechts.

Omdat we in onze cultuur van links naar rechts schrijven, moet deze richting op de den duur wel de ‘gewone’ worden.

oefening 12

oefening 13

Dit zijn 3 losse oefeningen. iedere vorm kan weer een aantal keren onder elkaar worden geoefend. Je kunt ze ook verticaal laten maken.

oefening 14Dat geldt ook voor deze; je kunt ze ook zo geven dat de schuine en verticale lijntjes niet boven, maar onder de basislijn komen.

oefening 15Je kunt van onder naar boven werken, maar ook omgekeerd.

oefening 16Deze oefeningen vragen concentratie. De afwisseling bol/hol; maar ook klein/groot.

Wanneer de kinderen op een blad in de breedte neergelegd, deze oefeningen doen, is het goed dat er ‘openingen’ in de oefeningen zitten.

Wanneer je alles aan elkaar laat doen, zie je vaak dat het kind op zo’n vorm ‘inslaapt’. Het verliest de aandacht.
Dat is vanuit menskundig opzicht wel interessant. Het is een ritmische vorm en ritme speelt zich af op het gebied van ‘dromen’. De onderbreking van het ritme geeft wakkerheid, wekt op.
(De cadans van de spoorwielen die ritmisch over de railverbindingen gaan, is slaapverwekkend; de niet synchroon knipperende waarschuwingslichten maken alerter).
(Algemene menskunde, voordracht 4: ‘meer onbewust herhalen verzorgt het gevoel; volbewust herhalen verzorgt de eigenlijke wilsimpuls, want daardoor wordt de besluitkracht sterker)

oefening 3

Hier zie je daar al een beetje van.

oefening 17

En hier gebeurt het.

Zie in dit verband de vormtekenoefeningen voor het sanguinische kind: het kind dat snel en vaak op indrukken reageert en ze moeilijk vasthoudt.

oefening 18

Dus steeds een aantal van deze vormen aan elkaar – dan een onderbreking – en hetzelfde aantal weer aan elkaar enz.

Natuurlijk kun je een kind uitdagen tot een ‘alles aan elkaar’vorm, maar die moet dan goed volgehouden worden.

Elke oefening moet een aantal keren herhaald worden. Als je met boven- en onderstaande oefeningen werkt, voldoet een A4. Daarop kunnen minstens 4 ‘regels’ gemaakt worden. Sommigen kinderen zullen ‘groot’ werken; andere veel kleiner (temperament?). Door veel te oefenen – en in de eerste weken van de 1e klas gebeurt dat iedere dag – leren de kinderen als vanzelfsprekend hun blad mooi in te delen.

oefening 19

oefening 20

Grofweg zul je tot aan de herfstvakantie bezig zijn met het aanleren van letters – uit de beelden – en met deze voorbereidende schrijfoefeningen. De oefeningen die hier zijn afgebeeld en die nog zullen volgen, zijn voor-oefeningen voor het lopende schrift – het schuine schrift. Over het waarom, zie hier.

De volgende oefeningen zijn al veel moeilijker dan die hier boven staan. We zijn dan ook later in het eerste leerjaar – de meeste zullen pas in de 2e helft van de 1e klas aan de beurt komen.

oefening 21

De rode lijn door de 1e tekening is een soort correctie. De kinderen mogen hun resultaat ook op deze manier verbeteren, om van daaruit weer (betere) een nieuwe te maken.

De oefeningen krijgen veel meer ‘lijn’karakter en mogen door de kinderen eigenlijk alleen maar gedaan worden, wanneer ze in staat zijn hun potlood goed vast te houden.

En dan worden het steeds meer gerichte letter-schrijfoefeningen:

oefening 22‘VERSIEREN’
Het versieren is geen vormtekenen. Het is ‘kleuren’. Daarmee is niets mis; integendeel, de tekening wordt er meestal mooier door.

Maar ‘versieren’ is niet waarom het gaat: de lijn als spoor van een beweging.
Maar het is wel mooi; en daarom kan er, wanneer een kind de vorm beheerst, natuurlijk nog een gemaakt worden – ‘op je mooist’ – en die versier je dan: een ‘toetje’:

oefening 5

.

1e klas: schrijven – alle artikelen

1e klas: Rudolf Steiner over schrijven en lezen

1e klas: alle artikelen

 VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas: alle letterbeelden

 

 

 

 

 

 

 

 

.