Maandelijks archief: februari 2013

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (16)

.

DICHTER BIJ PASEN

‘Ik ben het afgelopen jaar voor het eerst een beetje bewust met de jaarfeesten bezig. Ik heb ze altijd gevierd, maar nu probeer ik er anders mee om te gaan. Waar ik mee in de knoop kom is dit. Ik heb gehoord dat oude natuurfeesten, feesten uit de voorchristelijke tijd, samenvallen met de christelijke feesten. Hoe voeg je dat nou bij elkaar?

Bij het paasfeest is dat heel duidelijk: er is de dood en de opstanding van Christus en er is het lentefeest. Ik vind het ontzettend moei­lijk die twee gegevens samen te voegen. Hoe kun je je er een beeld van vormen? Zo, dat ik meer beleef aan de paashaas en de eieren, dan vroeger, toen ik er ook plezier aan gehad heb. Alleen het weten dat een haas zich op­offert en het ei een beeld is voor een nieuwe levenskiem, is toch niet het specifieke van het paasfeest?

De lente, de haas en de eieren die waren er ook al voor het gebeuren op Golgotha. Daarna is het voor de mensen anders gewor­den.’

‘Wat jij zegt is voor mij in het paasfeest toch al erg belangrijk.

Met jonge kinderen begin je met beschilder­de eieren, de paashaas en de uitlopende na­tuur, meer het lentefeest dus, terwijl ik nu met grotere kinderen en ook voor mezelf, het christelijk element erbij zoek.’

‘Als de kinderen groter worden is het lente­feest ze ook niet meer genoeg, dat voel ik best. Ze doen nog wel mee, maar meer voor elkaar en ook omdat het zo gezellig is om te doen. We hebben vorig jaar voor het eerst, de jongste was toen acht, niet meer in het ge­heim de eieren beschilderd en verstopt. Met z’n allen hebben we eieren beschilderd en de volgende morgen mocht iedereen, de jongste het eerst, een ei kiezen. Niet iedereen kreeg z’n eigen ei, maar je koos het ei dat je mooi vond. Dat had iets heel nieuws. Maar hoe je nu voor jezelf beelden vindt die er inhoud aan kunnen geven?’

‘Ik word zelf erg geholpen door de mensenwijdingsdienst van de Christengemeenschap. Een deel van de teksten past in de tijd van het jaar. Ik merk dat ik aan wat daar gespro­ken wordt veel heb.’

‘Hoe lang voor Pasen begint dat?’

‘Vier weken, ’t Is eigenlijk net zo’n voorbe­reiding als met de advent, dan bereid je je ook vier weken op kerstfeest voor.’

‘Maar dat is toch feitelijk wat vasten voor pasen is? Vanaf carnaval, vanaf Aswoensdag, veertig dagen.’

‘Als ik van jullie hoor dat jullie het christe­lijke element zoeken in het lentefeest, dan ligt het bij mij omgekeerd. Ik heb meer het christelijke feest in mijn jeugd mee gekregen: met Aswoensdag een kruisje halen en het vastentrommeltje daarna. Wat jullie vertellen over het lentefeest, eieren verstoppen en be­schilderen, dat ken ik van vroeger niet.’

Goede Vrijdag

‘Heb je nu houvast aan de dingen die je van­uit de katholieke traditie meegekregen hebt?’

‘Nou carnaval werd bij ons in Amsterdam niet gevierd, als kind ging je in zoiets als de vas­ten gewoon mee. Je deed de snoepjes en de koekjes gewoon in het trommeltje. Dat werd gedaan, er werd niet over gesproken.’

‘Wat wel een enorme indruk op me maakte, was de paaswake, de mis in de nacht van za­terdag op zondag. Terwijl de kerk helemaal donker was, stak iedereen bij de priester te beginnen, één voor één zijn kaars aan, tot er een zee van licht was. Ook het bidden op Goede Vrijdag, ’s midddags op de tijd van de kruisiging, heeft toen indruk op me gemaakt. Ik merkte later toen we naar de Matthäuspassion gingen, dat die stemming weer op­nieuw naar boven kwam. Hoewel vooral het vasten en de kruisiging, als kind indruk op me hebben gemaakt, meer dan de opstanding.’

‘Dat is toch wel gek eigenlijk, dat je de dood en de kruisiging meer mee beleeft dan de opstanding.’

‘Ik geloof dat je daar – bij de kruisiging — ook niet zou moeten blijven staan. Hoe kom je zover dat je ook tot de opstanding komt?’

‘Als je iets van het opstandingsproces zou willen beleven, moet je niet bij de dood blij­ven staan. Het is niet het lijden op zich dat belangrijk is, maar door het offer van het lij­den is de opstanding mogelijk gemaakt. Dan kun je het christuswezen ontmoeten, door de opstanding juist.’

‘Ik vind het moeilijk te bevatten wat dat is.’

‘Misschien ben ik lui en stel ik niet zulke hoge eisen aan mezelf, maar ik heb het ge­voel dat je dat ook niet kunt eisen, als je net over zulke dingen begint na te denken. En na één avond praten kun je ook niet weten hoe het moet, maar misschien kun je kijken, wat je moet doen om een weg te vinden. Wat zijn ervaringen waar je het opstandingsproces wel aan beleeft?’

Stille Zaterdag
‘Vorig jaar hoorde ik dat iemand vertelde over stille zaterdag, die merkwaardige dag tussen Goede Vrijdag en paaszondag. Als je erop gaat letten, is dat een hele spannende en afwachtende dag.’

‘Ja, heb je dan zo’n dag in de gaten of vul je hem gewoon met boodschappen doen?’ ‘Maar soms moet je op zo’n dag wel allerlei klussen doen!’

‘Dan zou je toch een moment er bij stil kunnen staan, dat zo’n dag anders is, ergens door opvalt.’

‘Jawel, maar al die drukte, al dat gehol om alles klaar te krijgen, leidt soms zo af!’

‘Maar dan wordt toch juist erg aan je bewustzijn geappelleerd, zo’n moment van rust en bezinning juist in de gaten te hebben. Wat je vertelde over het naar de kerk gaan op Goede Vrijdag om te bidden, dat werd vroeger gedaan, en nu doe je dat misschien niet meer, maar is het juist nu niet aan de orde dat je zélf momenten in de paastijd kiest waar op je bewust probeert ermee bezig te zijn?’

‘Ik moest laatst aan een mogelijkheid om paasfeest te beleven, denken, toen ik iemand hoorde vertellen, dat het heel opvallend is dat planten in het voorjaar tegen de zwaartekracht in gaan. In de herfst gaat de plant met de zwaartekracht mee. ’t Lijkt zo doodgewoon dat alle bloemen weer te voorschijn komen, tot je je realiseert wat er eigenlijk gebeurt, dan is het de moeite waard daar extra op te letten.’

“t Gekke is, dat je het al jaren gezien hebt en het ook best weet, maar pas als je het zo hoort, kun je er een opstandingsproces in herkennen.’

‘Je bedoelt dat je door het waarnemen van planten, dat mee zou kunnen beleven?’

‘Er zijn in de natuur natuurlijk meer dingen om op te letten. Je zat net zo omhoog te wijzen en daardoor dacht ik aan de zon en de maan. Je kunt in het voorjaar zien dat de zon steeds hoger aan de hemel komt en steeds warmer wordt. Als je naar de maan kijkt, tot hij helemaal vol is en de zondag daarna is het Pasen.’

‘De lucht is ook zo nieuw in de lente. Dat proef je gewoon, je ademt het in. Dat vind ik zo indrukwekkend, zelfs in de stad merk je dat.’

‘De planten, de lucht, de zon en de maan, als je op de processen daarvan let, zou dat je dan dichter bij het paasfeest brengen?’

‘Dan ben je wel alleen gevoelsmatig bezig!’

‘Nee, het gaat om het waarnemen, als je dat intensief doet, kun je het geluk hebben iets te zien wat er allang is, maar wat je daarvoor nog niet zo kende. Het spreekt dan anders tot je. Opeens ga je echt zien, dat planten die net uit de grond komen, inderdaad tegen de zwaartekracht in groeien. Als je dat regelma­tig oefent, zie je dingen die je nooit opvielen, en vandaaruit ga je er iets aan beleven. Dan zit je natuurlijk in het gevoel. Misschien kun je dat niet onder woorden brengen, maar blijft het een innerlijk beleven, waardoor je iets dichter bij het paasfeest komt. Wij heb­ben eens een zomer een tijdlang elke avond opgeschreven, wat er voor licht was ge­weest. Dan geef je je indrukken in woorden weer; daardoor heb ik geleerd anders naar de lucht en het licht te kijken. Maar als jullie nu zeggen: vertel eens iets over licht en lucht, dan zou ik dat niet kunnen. Tegen de tijd dat ik daar woorden voor heb, zijn m’n kin­deren al het huis uit!
Ik vraag me dus af of die dingen geen proces zijn. Ik kom nu niet direct zover, maar ik ben er mee bezig en daaraan heb ik ook deze Pasen wat. Begrijp je?’

‘En dat is voor jou voldoende, om wat verder te komen in dat proces, wat je een stukje dichter bij het paasfeest brengt?’

‘Daar ben ik best tevreden mee, als ik er van­uit mijn gevoel een verhouding toe krijg, iets proef aan de lucht, aan alles wat uitloopt. Ik krijg daardoor iets geschonken, waarmee ik het paasfeest beleef.
Als je me vraagt, wat is er dan precies ge­beurt, dan kan ik je er niets over zeggen. Al zou ik het wel willen, het lukt niet. Ook niet als ik deze lente heel intensief bijv. het uitlo­pen van planten waar zou nemen. Ik geloof niet dat ik aan jullie dan iets interessants zou kunnen vertellen. Alleen zo van: eerst is het heel klein, dan wat groter en wat kleur erbij en dan zeggen jullie: ach, ach, worden de knoppen groter? Ja leuk, dat wisten we al­lang!’

‘Nee, ’t gaat om jouw beleven, wat jij eraan hebt.’

‘Maar wat ik me dan afvraag is dit: temidden van het lentegebeuren, afhankelijk van de stand van de zon en de maan is het Pasen. Pasen is nog iets meer dan alleen de natuur in de lente, al neem je daar ook het opstan­dingsproces in waar. Ik heb behoefte eraan tot het christelijke een verhouding te zoe­ken.’

‘Gaat het er niet om iets te horen of te zien, waardoor je weet dat je paasfeest kunt vie­ren? Je moet er wel naar zoeken…’

‘Dat ligt voor ieder anders, je leest een voor­dracht over Pasen van Rudolf Steiner, je luis­tert naar de Matthäuspassion, je beleeft iets aan de natuur…’

‘Of je gaat naar de mensenwijdingsdienst…’

‘Ja, dat is het. Ik heb naast het waarnemen van de natuur, de zon en de maan, ook behoefte er innerlijk mee bezig te zijn.’

‘Misschien is de traditie een goede leermees­ter. Vroeger werden die feesten vanzelfspre­kend gevierd, nu moet je er als volwassenen zelf iets mee doen. Als je aan zo iets als stille zaterdag ruimte wil geven, kun je er met je planning rekening mee houden. Je kunt op zo’n dag iets lezen of aan de kinderen een verhaal vertellen; in Russische sprookjes komt vaak een opstandingsproces voor, dat zijn prachtige verhalen.’

‘Heb jij je kinderen het verhaal van de kruisi­ging en de opstanding weleens verteld?’

‘Ik heb vorig jaar voor het eerst over de op­standing voorgelezen uit de Bijbel. Ik had het een paar dagen voorbereid door het zelf te lezen. Ik moet zeggen dat ik het indrukwek­kend vond, ze waren heel stil, terwijl we ’s morgens aan de paastafel zaten. Voor jon­gere kinderen geef je in paasverhalen eigen­lijk beelden voor de opstanding, de overwin­ning op de dood, en daar kun je bij aankno­pen als ze oud genoeg zijn om het verhaal uit het evangelie te horen. Als je het niet aan je kinderen voorleest kun je het voor je zelf doen.’

‘Wat die traditie betreft, als je daaruit ge­groeid bent of als je het niet gekend hebt, dan moet je nu je eigen vorm vinden.’ Ik weet wat ik ga doen! Wat ik ontzettend moeilijk vind, ik ga vasten! De koekjes bij de koffie en de thee, je raakt met de kinderen thuis in zo’n vaste traditie: één koekje bij de thee, één koekje bij de koffie. Dat éne koek­je daar zit ik zo ongelooflijk aan vast! Dat éne stomme koekje ga ik nog eens weglaten, kijken of het tot Pasen lukt! De kinderen mogen mee doen, maar ik doe het vooral voor me zelf. ’t Is ook tegen de zwaarte in gaan.’

“t Kan misschien een hulp zijn, de verbin­ding te zoeken tussen de diverse jaarfeesten, hoe je van het Michaelfeest in de herfst, via het kerstfeest naar het paasfeest gaat. En te merken dat niet alleen de planten tegen de zwaartekracht in groeien, maar dat je zelf ook tegen de voorjaarsmoeheid en de neiging om helemaal naar buiten te trekken in, moet proberen een beetje wakker te blijven.’

‘Ja, je hebt zo’n zin om alles los te laten, naar buiten te gaan, vakantieplannen te mak­en, in de tuin te werken, dan is het niet zo simpel om echt aandacht te hebben voor het paasfeest.’

“t Is net een weegschaaltje: je moet het evenwicht tussen beide vinden, innerlijk wak­ker blijven en ook naar buiten trekken!’

‘Als ik probeer te begrijpen- hoe summier ook- wat het gebeuren op Golgotha voor de mensheid, dus ook voor mij, betekent, dan vind ik iets heel essentieels van het paasfeest. Dan beschilder ik dezelfde eieren en zet dezelfde narcissen neer, maar toch is het paas­feest anders.’

‘Met Kerstmis zetten we de boom neer, halen het stalletje tevoorschijn en vieren we de geboorte van het Christuskind. De drie koningen kwamen nog na nieuwjaar, de laatste kaarsen brandden, het stalletje en de boom werden opgeruimd.
En nu is het lente, het volgende jaarfeest, in aantocht: Pasen!

Hoe vier je dat? Is het een lentefeest en hou je het bij de paashaas en de eieren? Of vier je een christelijk feest. We stelden die vraag aan onszelf en aan el­kaar en kwamen al pratend wat dichter bij het paasfeest. Het gesprek dat we voerden staat — wat ingekort — op deze bladzijde.

Fiona van Mansvelt, Maria Ploeger, Willemijn Otte, Jenny Crum

in ‘het kind op weg’ in ‘Jonas’ van 8 april 1977

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

124-119

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rekenen (2)

.

MAGISCHE KWADRATEN

Een stimulans voor het rekenen in klas 3*

Hoe krijg ik het voor elkaar om het hoofdrekenen dat snel vervelend kan worden, in de 3e klas zo vorm te geven, dat het spannend is en leuk om zo oefenend te rekenen?

Een mogelijkheid biedt ons het construeren van een magisch vierkant

Hier volgen een paar voorbeelden hoe je deze vierkanten zelf kan maken.

Voor de 3e klas komen de kwadraten met 9 velden in aanmerking.

Wij noemden ze ‘tovervierkanten’.

rekenen 1

1.Je kiest een willekeurig middengetal, stel 5
De som van de cijfers is altijd 3 x het middengetal, hier: 15
(wanneer je deze doet moeten de kinderen wel weten dat het om de getallen 1 t/m 9 gaat.)

2.De diagonaal van linksboven naar rechtsonder is opgebouwd uit de
cijfers -1 en +1 van het middengetal, hier 4 en 6

3.De middenvertikaal is opgebouwd uit de cijfers -2 en + 2 van het
middengetal, hier dus 3 en 7

4.De diagonaal van rechtsboven naar linksonder is opgebouwd uit de cijfers
(let op: + 3 en – 3 van het middengetal, hier 8 en 2)

5.De linker vertikaal mist in het midden 15 – (4 + 2) = 9

6.De rechter vertikaal mist in het midden 15 – (8 + 6) = 1

rekenen 2

Gekozen als middengetal: 7

rekenen 3

Een getal bij het middengetal optellen:
Als we van het oerkwadraat uitgaan, kunnen we bij het middengetal een getal optellen, bv. 4. Het middengetal wordt dan 9; de som 3 x 9 = 27

De diagonaal  linksboven/rechtsonder heeft als regel: – 1 en + 1 van het middengetal. Dat geeft de getallen 8 en 10; zoals je ziet, de 4 en de 6 van het oervierkant zijn ook 4 groter geworden, net als het middengetal.

De rest van het vierkant kun je met de bovengenoemde werkwijze vinden.

rekenen 4

Het middengetal vermenigvuldigen:
We gaan weer uit van het oerkwadraat met middengetal 5. Dit vermenigvuldigen we met 3 = 15.
De som van de rijen, kolommen en diagonalen moet dan 3 x 15 zijn = 45

De diagonaal  linksboven/rechtsonder heeft de getallen -1 en +1 van het middengetal; dit is echter met 3 vermenigvuldigd. Nu worden ook de -1 en +1 met 3 vermenigvuldigd, -3 en +3. De getallen zijn dan 12 en 18.

Dat geldt natuurlijk ook voor de middenvertikaal: -2 en + 2 worden – 6 en + 6 =9 en 21

De getallen van de diagonaal rechtsboven/linksbeneden worden van + 3 en -3 nu + 9 en – 9, dus 24 en 6 .

De ontbrekende getallen kunnen nu worden gevonden. De som moet 45 zijn.

rekenen 5

Het kan nog moeilijker gemaakt worden door zowel op te tellen als te vermenigvuldigen:

We gaan weer uit van het oerkwadraat met middengetal 5. Hierbij tellen we 3 op, = 8 en vermenigvuldigen nu met 4 = 32.

De som bedraagt nu 3 x 32 = 96.

De diagonaal linksboven/ rechtsonder heeft in het oerkwadraat het getal 4. Dit wordt nu + 3 =7 x 4 = 28  en 6 + 3 = 9 x 4 = 36.

In het oerkwadraat is de middenvertikaal 3 en 7, nu: 3 +3 =6 x4 = 24 en 7 +3 = 10 x 4 = 40

En zo verder.

rekenen 6

Je kunt bv. ook nog vermenigvuldigen en aftrekken 

bv. x 6   – 5

uitgaande van het oerkwadraat met middengetal 5:   5 x 6 = 30 – 5 = 25
De som is dus 3 x 75
De diagonaal linksboven rechtsonder heeft de getallen 4 en 6; deze worden nu: 4 x6 = 24 -5 = 19; 6 x 6 = 36 -5 = 31

Enzovoort.

Nog moeilijker wordt het wanneer je een kwadraat geeft met maar 2 getallen:

.             4            .

.             6            .

.              .            .

Het centrale getal is hier 6; de som moet dus 3 x 6 zijn.
De  diagonaal linksboven rechtsonder heeft de getallen – 1 en + 1, dus 5 en 7;
de middenvertikaal: -2 en + 2, dus 4 en 8; de rest is hetzelfde te vinden, maar je ziet dat er nu wel het getal 10 in moet komen.
(de kinderen moet dit wel worden gezegd)

Er kan nog meer:

Stel: je geeft deze opgave:

4       .       .               4     .     .          4     .     .          4      .      .

7      .               9     7     .         9     7     5         9     7     5

8     .        .               8     .     .          8     .     .            8     .     10      enz

De som moet 3 x 7 zijn: 21
De 1e vertikale kolom: 4 + 8 = 12, ontbreekt de 9.
Middelste rij 9 + 7 = 16, ontbreekt de 5
Diagonaal linksboven/rechtsonder: ontbreekt de 10
Onderste rij: ontbreekt de 3
Laatste vertikale ontbreekt de 6
Middelste vertikaal ontbreekt de 3
Opgelost!

Je kunt gevonden vierkanten ook d.m.v. draaien tot nieuwe opgaven maken.

Uitgaande van het oervierkant:
I.p.v. de diagonaal linksboven/rechtsonder te berekenen met – 1 en + 1, kun je ook doen alsof deze diagonaal de rechtsboven/linksonder diagonaal is, dus + 3; -3
Enzovoort

8     3     4

1     5     9

6     7     2

Je kunt ook de bovenrij met de benedenrij wisselen. En uiteraard de linkerkolom met de rechter.

Als je deze opgave krijgt:

14      .      .

.       13     .

16     .       .

weet je al  de som : 3 x 13 = 39
Toch weet je niet meteen hoe de ‘oer’volgorde is. Er kunnen hier rijen en/of kolommen verwisseld zijn.
Duidelijk is dat de diagonaal linksboven/rechtsonder het patroon + 1;  – 1 vertoont, dan ook naar rechtsonder -1 = 12

Als de diagonaal rechtsboven/linksonder ook de “oer’volgorde is, moet rechtsboven -3 genomen worden (immers t.o. de linksboven -, staat de rechtsboven +; in deze opgave dus omgekeerd)
Rechtsboven zou dus een 10 moeten staan en linksbeneden 16. Die staat er. Dan klopt het: middenkolom links wordt dan 9 en rechts 17. Overal is de som 39

Stel dat de 10 nog extra gegeven was op linksonder; dan komt de 16 rechtsboven en dan wisselen ook de andere getallen. Nu is echter de ‘oervolgorde’van -2 en +2 verwisseld van middenvertikaal naar middenhorizontaal.

bron: Thor Keller in Erziehungskunst jrg. 56, nr 8, 1992

kanttekening:
Wanneer je ermee begint, lijkt het mij belangrijk dat de kinderen op groot ruitjespapier het “hok” met potlood en liniaal duidelijk aangeven.
Wat later kunnen ze gewoon puntjes zetten, wel mooi gelijk verdeeld onder- en naast elkaar; tenslotte heb je niet eens lijntjespapier meer nodig….., dan.
Je kunt hiermee ook goed variëren; het ene kind kan in het begin al veel meer dan het andere en opdrachten kunnen heel individueel worden gegeven. Laat de vlotte rekenaars vooral ook zelf vierkanten bedenken!
Wanneer je individueel controleert, leer je ook weer veel over waar de kinderen qua rekenbewerkingen staan en kun je van daaruit weer extra oefeningen doen.
*Alle varianten gaan uiteraard nog niet in de 3e klas; dus vanaf 4 is er ook nog van alles mogelijk. Bv. in klas 5, want met de decimale breuken gaat het ook.

Bv. middengetal 5,5; som = 16,5; diagonaal linksboven/rechtsonder:
4,5  en 6,5;  rechtsboven/linksonder: 8,5 en 2, 5; middenvertikaal: 3,5 en 7,5, dus middenhorizontaal=9,5 en 1,5 (het valt meteen op dat bij de getallen van het oervierkant simpelweg 0,5 is opgeteld!)

De opgaven met maar 1 cijfer dwingen tot een logisch doorgevoerde strategie.

Gegeven:

.          .          9

.         .           .

.        .           .

Je moet nu een keus maken. Waarvan kan deze 9 het gevolg zijn:
mogelijkheid 1:
de bekende strategie: het middengetal + 3. Dan is het middengetal 6. De som is dan 18  en het getal linksbeneden 3.

.          .         9

.        6          .

3        .         .

diagonaal linksboven/rechtsbeneden: 5, 6, 7. Nu heb je hem eigenlijk al.

Mogelijkheid 2: de 9 is het resultaat van – 3. Centrale getal dan 12. Som 36
De diagonaal linksboven/rechtsbeneden is dan + 1  en  – 1 = 13 en 11. Je hebt hem dan weer.
Je kunt als opdracht ook zeggen: de 9 is het resultaat van -2. Ga je gang.
Centrale getal is dan 11, het andere diagonale getal 13.
De som = 3 x 11= 33
In het oervierkant stond links van de – 2 en + 2,  de -1 en +1, dat kan ik hier ook doen. Dat wordt dan de middelste vertikaal: -1 en + 1 =  10 en 12.
Nu kan ik vanuit de som alles vinden.

Het verdient aanbeveling om in je voorbereiding goed in je op te nemen hoe de strategiëen gaan.

Kinderen vinden het ook geweldig wanneer ze jou een opdracht mogen geven; ze moeten alles dan goed begrepen hebben; want als ze tegen jou zeggen: rechtsonder staat bv. 40, dan moet jij het kunnen maken en zij moeten het antwoord al klaar hebben. Komt het resultaat niet overeen, dan kan één van de twee een fout hebben gemaakt of een andere strategie gekozen. De 40 kan het resultaat zijn van zowel +1 en -1; van + 3 en – 3 en van + 2 en -2.

Succes!

 

Rekenen 3e klas: alle artikelen

3e klas: alle artikelen

Rekenen: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas

 

123-118

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (8)

.

Paashaas/vingerhaaspopje

1.stofdoek 20-30 cm, opengeslagen, smalle kant boven,
bovenste punten samenbinden: oren
2.krantenpapier, wol, watten in oren stoppen, tevens vulling voor kop,
onder de vulling afbinden tot hals,
3.van een krant die u gevouwen heeft tot een reep van 12 cm hoog en
40 cm lang, rolt u om uw hand een toetervorm,
4.de rechte onderkant van de stofdoek vouwt u om dit lijf, de punten
van de rechte hoek, van buiten naar binnen draaien, naar voren trekken
en vast naaien: achterpoten
5.de voorpoten maakt u door een plukje van de stofdoek onder de kop
samen te binden met een draadje, omwikkelen met bruine wol,
achterkant dichtnaaien, oorschelpen naar voren duwen en vasthouden,
6.de staart maakt u op dezelfde manier aan de achterkant,
7.snuitje: stof bij elkaar trekken met bruine wollen draad, ca 1/3 hoogte
vanaf de nek- en snorharen

pasen 17

pasen 18

bron onbekend

.

Paashaas/vingerhaaspopje

Materiaal:
wollen stof of badstof,
voor de binnenkant van de oren een bijpassende afstekende stof,
kralen voor de ogen,
een stukje vilt voor de mond,
draadjes touw voor de snor­haren,
schapenwol of watten voor vulling.

Knippen: middenkopdeel 1 maal,
zijkopdeel 2 maal,
lichaamsdeel 2 maal,
oren 2 maal en 2 maal van afstekende stof.

Oren in elkaar zetten en invouwen en aan de zijkopdelen vast zetten,
het middenkopdeel tussen de zijkopdelen bevestigen,
de streepjes op de romp en het middenkopdeel precies op elkaar vast zetten. Voor de vingerhaas het patroon vergroten en bij het vullen van de kop ruimte laten voor de vinger.

pasen 6

bron onbekend

.

Paashaas/vingerhaaspopje

Kokertje breien of haken
Eén kant dichtmaken, tegen deze dichte kant opvullen, met strikje afbinden: kopje.
Oortjes van vilt
Oogjes en snorhaartjes
Aan de onderkant een staartje.

Bron: ‘Jonas’ 6 april 1979

Paashaasje

Haasje of kuikentje van pompoentjes.
Wagentje: walnotendopje.
Wieltjes: plakje kurk, vastgeplakt.
Eitjes: van gekleurde bijenwas.
Het haasje trekt het wagentje m.b.v. een wollen draadje, vastgeplakt op de walnotendop.

pasen 13

.

Paashaasje, kuiken, lam van pompoen 

De zon schijnt niet iedere dag, ook moet de regen er zijn om alles weer te laten groeien en bloeien. Een binnenwerkje, dat veel plezier geeft bij klein en groot is van twee pompoenen een kuiken, lammetje of ook wel een mooie paashaas te maken.
We knippen twee kartonnetjes rond uit met een gat in het midden; nemen een lange wollen draad en trekken deze steeds regelmatig door het middengat heen.
als het middengat helemaal dicht zit, knippen we de draden aan de buitenkant door tussen de twee kartonnetjes in.
We binden nu een draad tussen de twee kartonnetjes, trekken het goed aan en maken een knoop.
Nu schuiven we de kartonnetjes eraf en de wollen draden vormen zich tot een bal.

pasen 27

Een grote bal en een kleine tezamenbinden en je hebt al een kuikentje, lammetje of haas.
De oortjes en ’t snaveltje maak je van vilt.

Veel plezier!

Thea Goedhart, nadere bron onbekend

.

Paastuintje

Een heel gezellig werkje in deze tijd van het jaar, als het weer het nog niet toe­laat, de kinderen zo erg lang buiten te laten spelen, is het maken van een paastuintje.

Men heeft er voor nodig:

1.een stukje karton (misschien de deksel van een schoenendoos)
2.lichte lentekleuren crêpepapier (voor zoveel knutselpartijtjes goed te gebruiken dat de aanschaf geen weggegooid geld is)
3.wat pijpenwissers
4.tubelijm (Collal, Velpon)
5.stijfsel of gluton
6.wat stevig papier (bv. tekenpapier of dun karton)
7.tijd voor de kinderen en plezier om iets met hen te maken.

Men begint met op het karton de plaats aan te geven waar een bloesemboompje  komt, en een nestje op de grond en eventueel een vijvertje.

Waar het boompje komt, wordt met een priem een gaatje geprikt; daar doorheen steekt men 3 of meer pijpenwissers, waarvan men het onderstuk ca. 2 cm ombuigt en in 3 of meer richtingen met Collal tegen de onderkant van het karton vastplakt door middel van een stukje tekenpapier. (tek. A)

Nu blijven de pijpewissers dus rechtop staan.

We knippen een “vijvertje” van teken­papier en een wat groter stukje blauw crêpe­papier, dat om het eerste stukje heen ge­plakt wordt,  zó,  dat de gluton alleen op de rand aan de onderkant komt (crêpepapier verkleurt zo erg door vocht!)
Dit vijvertje plakken we op de aangegeven plaats op het kartonnen ondergrondje en daarna kunnen we de rest daarvan met kleine (losse) propjes van lichtgroen helemaal volplakken behalve op de plaats waar het nestje komt.

Dat nestje maken we weer van een rondachtig stukje tekenpapier (voor de gewenste grootte maken we even een probeerseltje) volgens het schetsje. (tek. B)

De stippellijn geeft de bodem van het nestje aan, de stralen zijn knippen,  de kruisjes de plaats waar de tubelijm komt.    o wordt op x geplakt.
Met wasknijpers vastgezet, geeft men het tijd om te drogen.

In de tussentijd nemen we een onaangebroken pakje lichtgroen crêpepapier. We knippen er langs de korte kant wat reepjes van af, van een paar mm breedte. “Uitgeslagen” een verrassend werkje voor een kleuter,  wordt het een sliert van een paar meter (de lengte van de rol crêpepapier) en een paar van die slierten in elkaar gekreukeld geeft een zachte vulling voor het nestje (ook bij het spelen met blokken, of met huisjes-boompjes­-beestjes is dit als “gras” heel inspirerend.) Maar voordat we er het nestje mee vullen, omplakken we dit met een stukje donkergroen crêpepapier, d.w.z. we plakken het gewoon in, met alleen op de bodem van binnen wat lijm.
Tenslotte plakken we het met Collal op de aangegeven plaats.

Als nu het “tuintje met gras,  en daartussen gekleurde propjes als bloemen, is volgegroeid – ik vergat nog te zeggen dat die crêpe­papieren stukjes altijd gescheurd moeten worden en niet geknipt – moeten we zien dat we ons boompje ook spoedig in bloei krijgen!

Daartoe plakken we de pijpenwissers rondom vol met stukjes van ca. 2 cm in ’t vierkant, waarvan we het  onderstukje helemaal rondom het stengeltje plakken, de losse rest is het bloesempje.

Nu ziet het tuintje er al echt lenteachtig uit.

Als we zo ver zijn, kunnen we met de “bevolking” beginnen. Kuikentjes, lammetjes, paashaasjes zouden we van pompoentjes kunnen maken. Maar met crêpepapier komen we ook een heel eind. Als we tenminste van het idee afkomen dat, wat we maken ‘net echt’ moet zijn.

We bewijzen onze kleuter de grootste dienst als bv. het geknutselde “haasje” slechts bij benadering op een haasje lijkt, want de fantasiekracht, die hij nu gaat opbrengen om het vormloze ding als een “echt haasje” te beleven, is belangrijk voor zijn hele verdere leven.

Als U als moeder van een langwerpig propje wit crêpepapier een stukje stevig afbindt, en aan dat afgebonden propje een stukje geel plakt aan de voorkant dat U tot een puntje draait, zult U zeker niet het trotse gevoel hebben dat U een eend gecreëerd hebt, maar Uw kleine kleuter zal er dagenlang mee rondsjouwen en het aan iedereen laten zien! “mijn eendje!”

Beginnen we dus met moed aan een haasje bijvoorbeeld!
De grondvorm voor zowel popjes als dieren is een langwerpig stuk crêpepapier (bijv. 25-16 cm) voor een figuurtje van ca.7 cm hoog.
De maat moet men natuurlijk aanpassen aan de proporties van het tuintje.
Men maakt van toiletpapier of watten een propje of bolletje van ca. 1  1/2 cm,  in het geval van het haasje een beetje eivormig. (tek. C)
Dit wordt in  t midden van het papier afgebonden: het kopje. De twee punten opzij bovenaan, in elkaar gedraaid, geven de voorpootjes, een dik propje
tussen de rest van het papier (de voorkant van het papier wordt naar achteren,  en de achterkant naar voren vastgeplakt) wordt het buikje. En dan hoeft men alleen nog maar het geheel op een stukje karton te plakken (met Collal) opdat het niet omvalt, achteraan een propje voor staartje, 2 puntige snippers als oren (in de breedterichting van het papier geknipt, anders blijven ze niet recht staan), oogjes met de ballpoint, en, klaar is….. haas.
Als het een lammetje moet worden, bindt men, behalve om het halsje, ook een draadje om het achterlijfje, nadat men een propje als buikje heeft toegevoegd. De rest wordt verdeeld in twee achterpootjes, waarvan wel de loshangende snippers moeten worden vastgeplakt.

Het beste plakt men de vier pootjes ook weer op een kartonnetje. Met het draadje van het achterlijfje bindt men er nog een staartje aan, twee snippers als oortjes, een roze snipper als snoetje en uw kleuter zal dolgelukkig zijn met zijn ‘lammetje,’. Natuurlijk is het niet voor de eeuwigheid gemaakt, maar wie wenst dat!

Nu U het principe weet, kunt U misschien nog allerlei dieren zelf verzinnen.

Wat denkt U bijv. van een vogeltje dat op het nestje zit en met zijn vleugeltjes  (ze zijn van tekenpapier geknipt en versierd met kleurpotloden) de paaseitjes bedekt die U, als iedereen gezwoegd heeft en alles klaar is, als verrassing in het nestje verstopt hebt? Of eendjes voor het vijvertje?  Er zijn nog zoveel mogelijkheden en, hoe primitiever, hoe beter!

Als we een popje willen maken (men hoeft natuurlijk niet alles in een tuintje te verwerken: men kan een keuze maken) laten we zeggen een kaboutertje, is het begin zoals bij het haasje. Nadat we de armpjes hebben gemaakt, wordt om het middel een katoenen draad gebonden en van de rest daar­onder twee beentjes gedraaid. Kleding: een langwerpig stukje crêpepapier, schouder­breedte, lengte is 2x van hals tot boven de knieprecies in het midden knipt men een kruisje en dat trekt men over het kopje, waarna men een gekleurde katoenen draad om het middel bindt als ceintuur: een prachtig hesje! (tek. D)

De muts is weer rechthoekig, de breedte: ruim de hoofdomtrek. Als het om het hoofdje vastgeplakt zit, moet de rest een behoorlijk eindje daarbovenuit steken, zodat men het tot een punt in elkaar kan draaien.
Schoentjes: 2 vierkante stukjes, die om de onderste punt van de beentjes worden vast­gebonden.
De afgebonden stukjes, omgevouwen, zijn de voetjes, die weer stevig op een kartonnetje gelijmd worden, iets van elkaar af.

Bij zo’n kabouter hoort natuurlijk ook een kabouterhuisje. Voor een huisje van 5 cm hoog (zonder het dak) neemt men een stukje van 16 cm lang en 9 cm hoog. Stevig tekenpapier is daarvoor geschikt, men kan het door de kinderen mooi laten kleuren met waskrijt.
De inknippingen onderaan zijn om het huisje op een kar­tonnetje te plakken (daarna lipjes camoufleren met propjes groen gras). Bovenaan,  ook naar buiten gevouwen dienen ze om het dak erop te bevestigen.
(tek. E stippellijn vouwen; ononderbroken lijn knippen)

Als alles gevouwen en geknipt is, plakken we de beide zijkanten 1 cm over elkaar heen, zodat het huisje rond wordt.
Terwijl het, weer met wasknijpers vastgezet, droogt, maken we het dak, een schijf van 12 cm middellijn, waarvan we één straal inknippen en dan over de oppervlakte van een kwart cirkel over elkaar heen plakken (x komt op x)

Nadat het huisje op een stukje karton geplakt is, doen we lijm op de bovenste inknipsels (na het horizontaal vouwen op de bovenkant) en zetten het dak erop. Ook dat klemmen we weer met was­knijpers vast. Boven de deur knippen we een stukje uit het dak (a) zodat die beter open en dichtgaat. Een splitpennetje is een mooie deurknop. (tek. F)

Andere dakvorm:
4x  inknippen, gelijke tekens op elkaar plakken.
Voor zo’n klein huisje kan men natuurlijk ook kaboutertjes maken van boetseerklei of ge­kleurde bijenwas. (tek .G)

Als men daarentegen het huisje wat groter wil maken, kan men het beste fotokarton gebruiken, dat in verschillende mooie kleuren verkrijg­baar is. Dat is heel stevig.

En nu tot slot nog iets over het hoe’..
Kleine kinderen hebben een ongelofelijke nabootsingsdrang en tegelijkertijd willen ze daarbij vrijgelaten worden, hoe paradox dat ook moge klinken.

Dit wetende, gaat U, als het uurtje voor de kinderen is aangebroken, zonder iets uit te leggen, heel rustig alles klaar leggen wat U nodig hebt, zodat U niet meer hoeft weg te lopen als U eenmaal aan de gang bent. U neuriet er zelfs een beetje bij, want U hebt ook wel pret in dit avontuur!

U bent nauwelijks begonnen,  of de kinderen staan al om U heen en ze zijn zo brandend nieuwsgierig dat ze onder Uw armen doorkruipen om maar niets te missen. Ze gissen naar wat het worden moet en U kunt zelf wel aan hen aflezen op welk moment U dat gaat vertellen. Zeker zal het niet lang duren of ze willen “meehelpen” of “ook zoiets maken” en ge­lukkig zijn er in dit knutselwerkje een
aan­tal dingen die zelfs de hele kleintjes kun­nen doen.

Natuurlijk is van het ogenblik af dat ze zelf aan de gang gaan, Uw belangrijkste taak om het wat te laten worden zonder al te veel in te grijpen, vooral niet als de kinderen zelf er niet om vragen. Bij de kleintjes zal waarschijnlijk iets totaal anders ontstaan dan een lentetuintjemisschien zelfs iets volkomen onherkenbaars. En waarom ook niet, ze blaken van trots over hun prestatie! Het voornaamste is, dat ze in een ontspannen sfeer iets mogen doen dat hen diep bevredigt. Dat is als het ware proviand voor hun tocht door het leven.

U zelf kunt nog ongelofelijk veel bijdragen tot die sfeer als U het zingen erbij
inscha­kelt, neen, niet uit volle borst,  maar “zacht-gezellig”.

Als U  h e u s niet zingen kunt, is neuriën net zo “stemmingmakend”, vooral als het “zo maar wat” isDit kan iedereen. (proberen bij de afwas, t is een kwestie van wennen.)

Als U wel kunt zingen, probeert U dan eens het volgende liedje, ’t is heel toepasselijk bij het werkje dat we aan t doen zijn.

Blauw viooltje

En ’t wordt nog aardiger als we een beetje met de woorden gaan spelen en bv. “blauw viooltje” vervangen door: roze tulpje,  of hyacintje, groen groen grasje, bloesemboompje, of kleine paashaas, wollig lammetje, donzig kuikentje, sneeuwwit eendje, enz.  enz.  Mogelijkheden te over. Kinderen zijn heel vindingrijk. En als we nu voor “Pasen” “Lente” zingen, kan dit liedje ons door het hele voorjaarsseizoen begeleiden.

pasen 7

 M.T.P, vrijeschool Den Haag

Paasfiguren van papiermaché

Voor het maken van paasfiguren van papiermaché hebben we nodig:
een stapeltje oude kranten,
een emmer of wasketel,
heet water,
behangerslijm of Glutofix (blijft langer goed),
lege kartonnen houders van wc-rollen,
een paar pijpenragers.

Begin met de kranten te versnipperen. Giet er daarna het hete water over. Laat de massa een paar uur weken en stamp er zo af en toe in met een gootsteenontstopper of aardap­pelstamper. Het papier zal langzaam uiteen­vallen. Het proces is te versnellen door het geheel te koken. Daarna met de handen het overtollige water zo veel mogelijk uit de grijze pulp knijpen. Maak nu de Glutofix aan tot een stevige brij en kneed dit door de grij­ze massa. Doe er zoveel Glutofix bij tot het papiermaché goed kneedbaar en vormbaar is geworden. Kneed eventueel een paar drup­pels chloor erdoor tegen bederf en bewaar het geheel in plastic.
Snij of knip het kartonnen rolletje af op maat van een eierdopje en boetseer er het haasje omheen. Druk het papiermaché glad aan anders valt tijdens het drogen het werk­stuk uit elkaar. In de oren eventueel een stukje pijperager als versteviging. Na het dro­gen met plakkaatverf of waterverf beschilde­ren. Als conserverende laag lak gebruiken.

Jonas 17, 13 april 1984

.

Bloempotten beschilderen

met plakkaatverf:
*effen ondergrond
*schildering maken
*goed laten drogen
*lakken
*aarde erin, sterrenkers zaaien
*(later: berkentak, met uitgeblazen beschilderde eieren


eierenkrans

uitgeblazen eieren doorsteken met soepel ijzerdraad

pasen 8

nestjes

vlechten van dikke wol, vlas, sisal.
Ook van walnoten, met vogeltjes erin
vogeltje: 2 kralen op elkaar, vleugels van crêpepapier, snaveltje van bijenwas

haaseierdopje

deze haas 2x uitknippen van dun karton; kop en staart aan elkaar plakken, zo ontstaat een eierdopje voor de paastafel

pasen 9

Paaseierdop

Laat ieder kind een strookje karton versieren, lijm of niet de einden aan elkaar,
’s ochtends vindt ieder kind een mooi gekleurd ei in zijn eigen dop.

Bron: ‘Jonas’  datum onbekend.

.

Paasmobile

Van een uitgeblazen of gekookt ei maak je in een wip een kuiken door er een snavel, oogjes, vleugels en een paar pootjes aan te plakken. Vijf kuikens van uitgeblazen eieren maken samen een leuke paasmobile. Je kunt de eieren wit laten, maar knalgele kuikens vallen nog meer op: een dag van te voren schilderen en de volgende dag de kuikens met veertjes of papier versieren.

Ei op stok

Zaai een week voor Pasen met de kinderen voor ieder in een schaaltje of bloempotje wat graszaad of sterrenkers. Geef de potjes een warm, licht plaatsje, niet in de felle zon en laat ieder zijn eigen zaaisel water geven.
Al gauw kunnen we zien hoe het zaad ontkiemt en gaat groeien. Als verrassing komt op paasmorgen in elk potje een ei op een stokje te staan.
Daarvoor zijn nodig:
=eieren uitgeblazen en beschilderd
=ronde stokjes, bijv. uit de winkel voor tuinartikelen
=lint, 1 cm breed

De stokjes (plm. 25 cm) kunnen blank blijven of in allerlei kleuren geschilderd worden. Maak de gaatjes in het ei zo groot dat het ei op het stokje geschoven kan worden. Strik het lint onder het ei en zet het met tubelijm vast.
Om de punt van het stokje dat uit het ei steekt, komt ook een strikje.
Steek nu het stokje in het potje met sterrenkers en zet het op paasmorgen naast ieders bord.

Paasboom

Geraamte maken van latjes. Met takjes buxus (of liguster) en lint kan het hout bekleed worden. De boom staat in een pot aarde, waarin sterrenkers of bieslook is gezaaid.
Bo­venop kan de broodhaan staan. De boom wordt gesierd met beschilderde eieren.
Zet een stuk oases stevig vast in een bakje. Plaats in de oases een plantenstokje. Aan het stokje komt aan linten een eierkrans te hangen. Krans maken van pitriet of geplasti­ficeerd elektriciteitsdraad. Tussen de be­schilderde eieren een kraal rijgen. Oases vol prikken met voorjaarsbloemen.

In een plat mandje, bijvoorbeeld een kaas­mandje, met 3 houten stokjes een driehoek vormen. Boven op deze stokjes komt de fa­milie broodhaan te staan. In het mandje kunnen rondom een voorjaarsboeket, de eie­ren liggen.

(bron onbekend)

.

Lentefee

Op onze paastafel komt ook een lentefee te staan, die uit haar toverstokje alle bloemetjes wakker maakt.
We hebben nodig: papier (bijv. rose, paars, lila, geel, lichtgroen), een closetrol, een uitgeblazen ei, pijpenrager of chenilledraad, gele wol, restjes papier en lijm.
Het ei op de closetrol lijmen (bv. met bisonkit). Met allerlei kleuren crêpepa­pier het popje aankleden. De lentefee krijgt een mantel van een stukje crêpe­papier dat aan de bovenkant omgeslagen en ingerimpeld wordt. Een gaatje prikken in de closetrol om de armen van chenilledraad of de pijpenrager door te halen (evt. met papier omplakken). Van wol maken we de haren en met kleur­potlood of viltstift tekenen we op het ei een gezichtje. Nu nog een punthoed, beplakt met bloemetjes of een bloemenkransje in haar haar, een toverstokje in de hand en een mooiere lentefee kun je je niet wensen! .

‘Het kind op weg’ in ‘Jonas’5 april 1974

.

Eierschaal met bloemetjes

3/4 eierschaal met voorjaarsbloempjes

‘Jonas’ 13 april 19??

.

Haasje van aardappel

Kleine haasjes van aardappels op elkaar prikken met een lucifer; oren van bruin papier, snorharen van raffia of stro.

‘Jonas’ 13 april 19??

.

Paasweitje

Een paasweitje: diep bord met aarde of mos vol met voorjaarsbloemen

‘Jonas’ 13 april 19??

.

Paashaantje

Als de broodhaantjes zijn opgegeten!
Haantje tekenen,
2 x knippen uit karton,
op elkaar plakken,
behalve waar hij op de stok gaat.
De kinderen kunnen ze mooi kleuren met waskrijt

Bron: ‘Jonas’  datum onbekend

.

Voor het raam

Hang eieren aan een draad voor het raam,
zet bakjes zaad (gierst, koren, sterrenkers) op de vensterbank
zet er kuikentjes bij
katjestakken ertussen

Bron: ‘Jonas’  datum onbekend

.

Beweegbare paaskaart

Op een stuk karton maak je een tekening waar je een venster in knipt. (aangegeven met een dikkere lijn)
knip uit een stuk karton een cirkel en teken daar een zon plus paashaas op;
de cirkel komt achter de tekening en wordt vast gemaakt met een splitpen
inkleuren met waskrijt, verf of potlood.

pasen 14

bron onbekend

.

‘Kiek-kiek’

Een ei uit een karton knippen en doorknippen.
Punten vastzetten met splitpen.
Kuikentje knippen en vastplakken aan onderkant.

pasen 15

Kuikentje van karton knippen met lipje
Kuikentje kan weg duiken in zijn eigen ei en weer tevoorschijn komen.
De randen vastplakken, de onderkant natuurlijk niet helemaal.

pasen 16

bron onbekend

 

Wortel- en bloemenkindjes

Tussen de wortels van de bomen,
liggen kind’ren stil te dromen.
Moeder Aarde houdt de wacht,
in de donk’re winternacht.

Uit: De gouden poort – Beatrijs Gradenwitz. tekst: J. Jurriaanse.
Nr.41 (uitgave 1973-1975)

Voor velen is de lente een heerlijk verrassend jaargetijde. Vooral voor kinderen, voor wie alles wat ze mee­maken nog niet zo vanzelfsprekend is. Bruine, doodlijkende takken krijgen bladeren en bloesems en uit de bruini­ge aarde komen de prachtigste bloe­men en kleuren.

In veel kleuterklassen van de vrijeschool verschijnen in deze tijd Moeder Aarde en haar wortelkindertjes. Naar­mate er in de natuur meer bloemen gaan bloeien, komen er meer bloemenkindertjes bij. Ze worden leuk neerge­zet op een tafel tussen boomstronken, takken en stenen.
Als het Pasen is, staan er heel wat kleurige bloemen te bloeien. Het hangt erg af van het ka­rakter van de samensteller van de lente-paastafel hoe het zal worden. Bij de één lijkt moeder Aarde op een len­tefee, bij de ander is ze heel bruin in aardekleuren met een bloemenschortje om.

Mijn patroon voor wortel- en bloemenkindertjes is:

Een rondje van 15 lossen haken. Dan verder gaan met vasten en in de vol­gende vijf toeren er 10 steken bij ma­ken, (katoen, en haaknaald nr. 3, ste­vig haken). Met deze 25 steken nog 5 à 8 toeren haken. Het rokje is nu klaar. Nu het mutsje: Eén rondje lossen van 3 steken, dan met vasten verder haken en in de volgende 3 toeren ongeveer 15  steken erbij maken. Aan deze 18 steken nog 4 à 5 toeren haken. Wat het nu voor bloem gaat worden, hangt werkelijk af van wat de maker wil. Moet het echt op een krokus of een narcis of op een klein hoefblad lijken, dan kun je met behulp van vilt en met gehaakte schulprandjes prach­tige bloemenkindertjes maken. Moeder Aarde haak ik ook met haaknaald nr. 3, maar dan met een dubbele draad bruine wol; begin met 16  steken en meerder in de eerste 4 toeren 20 steken, zo haak ik verder tot ik 16 toeren heb. De onderste rand van de rok haak ik dan met heel dik, stevig garen zodat ze goed blijft staan. Voor de armen haak ik een rondje van 10 lossen, daarop 12 toeren tot ik een kokertje heb. De handen zijn witte, met wol gevulde knuistjes. De hoofd­jes van moeder Aarde en de bloemen­kindertjes maken we op dezelfde ma­nier als de poppen, zoals die in het boekje ‘Speelgoed‘ van Freya Jaffke beschreven staan  (of gewoon een stukje katoen met een dot wol vullen, mooi rond vormen, en dat als hoofdje gebruiken).

Zo tegen Pasen, vertel ik de kinderen een verhaal dat met Pasen te maken heeft. In elk geval moeten we over ‘de haas’ vertellen. Dat heel bijzondere, zachte wollige dier, dat niet in gevan­genschap kan leven. Friedel Lenz schrijft er zo over: ‘Hij leeft vreed­zaam en is niemand tot last. Alleen in doodsnood schreeuwt hij en dan nog niet zo luid. Een vaste woonplaats heeft hij niet. Elke dag maakt hij zijn leger ergens anders, het hele veld is zijn thuis. De haas heeft goede ogen en lange oren. Zijn ogen zijn niet scherp, maar hij voorvoelt gevaar. De haas schijnt met open ogen te kunnen slapen. Hij heeft veel vijanden: roof­vogels jagers, honden. Als de haas zijn hazenbroeder achtervolgd ziet, springt hij te voorschijn om de aandacht van zijn broeder in nood af te leiden, zo­dat deze laatste kan vluchten. Maar door zijn makker te redden, loopt hij zelf grote kans om te sterven. Het is begrijpelijk dat de haas door deze eigenschappen in de loop der tijden tot paassymbool geworden is. Voor kleine kinderen kunnen we misschien zelf wel een mooi verhaal be­denken en deze eigenschappen van de haas erin verwerken. Voor kinderen vanaf zes jaar staat er een mooi ver­haal in Zonnegeheimen deel II van D. Udo de Haes: ‘De Paashaas’. Tot slot nog een oud Duits roepversje:

‘Paashaas, Paashaas, loop niet aan ons huis voorbij maar breng ons een mooi bont ei!’

Boeken voor deze tijd:
Etwas von den Wurzelkindern door Sibylle von Olfers. Verlag J.F. Scnreiber, Esslingen. Gebonden f 15,80; ingenaaid f 6,90.
Mit Kindern Feste feiern door Friedel Lenz. Ver­lag Novalis, Schaffhausen ca. f 10,-.
In den Wurzelstübchen door Ida Bohatta. Verlag Josef Muller, München ca. f 4,-.
*   Fritz Osterhas und Sohn door Ida Bohatta. Verlag Josef Muller, München ca. f 4,-.
Zonnegeheimen, Lente, deel II door D. Udo de Haes. Uitg. Patljnlaan 200 Zeist, ca. f 10,-.
De Gouden Poort. Beatrijs Gradenwitz-van Bemmelen. Uitg. Vrij Geestesleven, f 15,-.
*    Florinoor’s  poppenspel  (Pasen).  Hermien IJzerman.
*    Florinoor’s Lenteboek. Hermien IJzerman f 4,50.
Legenden van de kerstnacht en de paasmorgen. Hermien IJzerman.

Op volksverhalen staat een ander verhaal over de paashaas

Godelieve van Gemen, Jonas 16, 6 april 1979

.

Bloemenkinderen

De afgelopen doe-avond hebben we bloembollenkindjes gemaakt met behulp van houten kegeltjes en vilt.

pasen 28

Echte beschrijvingen hoeven we niet te geven, omdat het een ieder zal lukken een bollenkindje te maken door te kijken naar de bloemen die uit de bollen tevoorschijn komen in deze tijd van het prille begin van de lente.

Hyacint:
houten kegeltje aankleden met roze of lila vilt, onder het mutsje wat schapenwol als haar vastplakken.

pasen 29

Narcis:
stralend geel vilt gebruiken; voor het hoedje twee tinten geel.
Maak gebruik van de vaak al aanwezige gekartelde rand van het lapje vilt.

pasen 30

pasen 31

 

 

 

 

 

 

 

Krokus:
paars, geel of wit vilt; maak blaadjes voor het lijfje iets langer dan het kegeltje, zodat het hout niet meer zichbaar is.

pasen 32Sneeuwklokje:
wit en groen vilt, wit zijn de blaadjes van het mutsje en de spikkeltjes op het groene lijfje.

Zo maakten we nog tulpenkindjes en ook de frêle Franse narcis werd uitgebeeld.
Aldoende merkten we dat het een heel leuk werkje is en elk bollenkindje wordt weer anders, je krijgt telkens nieuwe ideeën.

pasen 33

Al gauw staan ze naast elkaar te pronken en maken ze het plekje voor Koning Winter op de seizoenentafel zichtbaar kleiner en kleiner: het teken voor Moeder Aarde de poort te ontsluiten en de Wortelkindertjes al wat groeit en bloeit naar boven te laten brengen, vanuit de warmer wordende aarde.

pasen 34

Bloemenkindertjes maken is een en al uitbundigheid. Niet gehinderd door beperkingen wat betreft verschijningsvorm, kan iedereen de fantasie de vrije loop laten.

pasen 35

Je kunt uitgaan van de basisvorm van het houten kegeltje of zelf een lijfje maken van vilt. Met een dichte onderkant en opvullen met rijst of droog zand, zodat ze goed kunnen staan. Gebruik voor de steeltjes van de bloemen pijpenragers omwikkeld met stof of met een hoesje van vilt.

Bron onbekend

.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

122-117

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (15)

.

Hulpjes bij het schilderen

Een breinaald met onder een kurk. Daarop het ei.
Een satéprikker kan natuurlijk ook en de kurk kan ook door iets anders vervangen waarop/in de breinaald/prikker bljft staan.

Eieren beschilderen

Eieren verven voor Pasen is een oude tradi­tie. Vroeger gebruikte men natuurlijke kleurbronnen van fruit, groente of bloesem (uien, peen, rode bieten, brandnetels, malva enzovoort). Later kwamen poeders in de handel, ongiftige kleurstoffen. De eieren worden erin gekookt en staan te pronken op de paastafel. Soms worden ze liefdevol be­schilderd of beplakt. Iedereen vindt het jammer, al dat moois kapot te moeten ma­ken, om de inhoud op te kunnen eten.

Dit is zeker een van de redenen, waarom men eieren leegblaast en zich op de hulzen creatief gaat uitleven. Ieder jaar opnieuw zijn vele moeders van plan, om vroegtijdig met dat leegblazen te beginnen, zodat ze omstreeks Pasen tientallen keurig nette hol­le-bolle eitjes hebben liggen om met zijn al­len gezellig te gaan beschilderen. Maar hoe gaat dat? Even gauw spiegeleieren of pannenkoeken bakken. Geen tijd voor die blaastoestanden, want dat duurt even. Vol­gende keer dan maar… En drie dagen voor Pasen wordt wat verf uit de drogisterij ge­haald en het is het oude liedje!

Ga dus meteen beginnen!
Als je net een cake wilt bakken, neem de moeite, blaas de eieren leeg. Voor degenen, die misschien een beetje onwennig tegenover deze ademoefening staan, een kleine uitleg:
Prik aan de top en precies er tegenover een gaatje in het ei (stopnaald, satéstokje). Houdt het ei licht maar stevig in de holte van je hand. Het gaat niet stuk en het loopt ook niet vanzelf leeg! De gaten voorzichtig wat groter maken, en dan maar blazen. Bij kleine eitjes duurt het meestal wat langer dan bij grotere. Maar de inhoud komt beslist d’r uit!

Blijvende paasversiering

De hulzen schoonspoelen met koud water, en daarna een poos deponeren in warm zout water. Voor het drogen de eieren (ook later bij het schilderen) op bijvoorbeeld schroefdoppen van limonadeflessen zetten. Ze moe­ten werkelijk kurkdroog zijn, alvorens je be­gint met het artistieke werkje! Ik gebruik de verfdoos uit mijn schooltijd en werk nauwkeurig met penseeltjes — voor ie­dere kleur een ander. Zo droog mogelijk werken.

Voor het schrijven van dit stukje nam ik een proef met viltstiften. Gaat prima. Kinderen doen dat liever. Het resultaat is minder sub­tiel.

Voor de verdere — conserverende — bewer­king is het enorm belangrijk, dat de schilde­rijtjes enkele dagen rusten alvorens de be­schermende laag erop te brengen. Je kunt met vernis werken, met kleurloze nagellak of — dat vind ik het gemakkelijkst — met vetvrije haarlak. Ook daarmee lukt het pas na acht à tien dagen zonder uitlopen. Het drogen van de verf is mede afhankelijk van de tijd, die het ei leeg is geweest.

Knoop een houten kraal vast aan een lint of draad, trek deze door het ei, en hang het he­le clubje op een veilige plaats (tochtig!) aan wasknijpers op. Besproeien met haarlak op een afstand van 15 centimeter, anders be­schadigt de straal de verf! Ik hang ze op aan kale takken, maak er een boompje van en heb nog een krans van ‘henneneitjes’ liggen, die vijftien jaar geleden zijn beschilderd (toen zaten wij nog in Ham­burg!) en alle verhuizingen hebben doorstaan Ze worden ieder jaar verpakt in een karton­nen doos in watten. Het is een schat — wer­kelijk iets kostbaars! De kinderen, die ze be­schilderd hebben, zijn nu al grote mensen. Het is daarom leuk, als ieder kind zijn naam heel klein erop zet en het jaartal.

Ik heb enkele suggesties getekend (hier niet afgebeeld)— beestjes, bloemen, ornamenten. Ieder kind kan het terrein kiezen, waarop het meent het beste resultaat te bereiken. In deze keuze spiegelt zich al vroeg het karakter van onze oogap­pels! Het is een boeiend schouwspel, als er een groep met elkaar zit te werken. Als moeders meteen afspreken, vanaf vandaag al­le eitjes leeg te blazen (mits er geen sneeuw geklopt moet worden!), kunnen de kinderen spoedig aan de slag gaan. Wie ook een krans (voor onder de lamp of aan het plafond) wil maken, adviseer ik: Rijg steeds niet meer dan vijf eitjes aan een touw, en knoop deze dan aan elkaar. Op deze manier ontstaat een mooie boogkrans.

Katja Lobbe, ‘Jonas”, 12 maart 1976

.

Eiertak(ken)

Blaas een ei uit door er aan twee kanten een gaatje in te prikken, dan voorzichtig blazen boven een kopje.
Hang het ei op door in het gaatje een halve lucifer aan een draadje te laten zakken. Hang de uitgeblazen eieren op aan een uitlopende tak of aan een hoepel die omwikkeld wordt met groen crêpepapier.

Bron: ‘Jonas’ 5 april 1974

.

Paaseieren versieren

U zult het wel allemaal met mij eens kunnen zijn, wanneer ik zeg: Pasen en eieren horen bij elkaar.
Ik wilde wel, dat u het ook  met mij eens bent, dat bij Pasen geverfde eieren – en niet gewone witte – horen, waardoor u zoveel de nadruk legt op het eten van de eieren, wat toch niet de hoofdzaak van het paasfeest is….

Denkt u ook niet, dat speciaal onze kinderen het veel meer een “paasfeest” zullen kunnen vinden als de eieren mooi ge­kleurd en beschilderd zijn?

Er zijn nog grote gebieden in Midden-Europa, waar een paasei alleen maar een beschilderd ei kan zijn;  waar in elk gezin op Witte Donderdag een schaal met eieren op tafel komt, en waar iedereen, die maar enigszins een penseel kan hanteren, de paaseieren beschildert.

In Rusland werd op paasmorgen je ei door de Pope gezegend en het werd dan zuinig bewaard, want, nietwaar, een paasei is géén gewoon ei; in Czecho-Slowakia versiert men elk drie ei­eren en biedt deze als paasgeschenk aan.

Ongetwijfeld denkt u, dat het heel moeilijk is, om eieren kun­stig te beschilderen – enhet kan inderdaad tot kunstwerk worden -. Maar we moeten eens eenvoudig beginnen,  en als we dan de techniek beter beheersen en de verschillende mate­rialen ons geen poets meer kunnen bakken, dan kunnen we kunstiger patronen of voorstellingen gaan tekenen.

De meest gebruikte manier, die ook voor niet – ervaren moeders (èn vaders! èn kinderen!) tot leuke resultaten leidt, is de z.g. batiktechniek.
U tekent daarvoor met een dun houtje of lucifer, die U in au-bain-Marie verwarmde bijenwas doopt, of met een penseel en vloeibare Arabische gom, patroon­tjes of motieven op de eieren. Begint u vooral zo simpel mo­gelijk; er zijn in de natuur en in de volkskunst motieven te over te vinden, als u zelf geen ontwerpersgaven heb. (Ik noem bv. een zonnetje, bloem, plant of blad, een haasje, lammetje of engel, het zonnerad of de levensboom, ja zelfs nóg eenvoudiger: kruisjes, lijntjes en stippeltjes!) U moet met de was vooral snel werken, en steeds opnieuw in­dopen, want de was stolt bijna onder uw handen; het is in het begin niet makkelijk om een egale,  ononderbroken lijn te maken, en toch moet de lijn niet dun of beverig zijn, anders kruipt later de kleurstof eronder. Na het tekenen van de motieven gaan de eieren n.l. in een verfbadje..
Zult u niet te veel motieven op een ei zetten? Het moet rustig en fijntjes worden en niet te bont, zoals tegenwoordig vaak alle versieringen zijn!

Het is werkelijk al heel leuk, als u het ei door lengte- of breedtelijnen in een paar grote vlakken verdeelt, die U dan vult met bv. een paar stipjes, of een schuin kruisje, of een sterretje. Let U er ook op, vóórdat u begint, dat handen en eieren goed droog en schoon zijn, anders pakt de verf soms niet!

Als u nu een aantal eieren met de was beschilderd hebt, gaan ze in een verfbad. U kunt hiervoor speciale eierverf kopen, in kleine envelopjes met nogal sprekende vormen.’ Wat ook heel leuk is: de kleurbadjes maken volgens de oeroude methode van planten- en vruchtensappen, waarvan bv. het kooknat van spi­nazie, rode kool of biet, en het sap van vlierbessen of rode bessen goed bruikbaar zijn. Dat koffie bruin verft, weet u na­tuurlijk al; verder geeft lindebloesemaftreksel rosig-,  en sterke camillenthee zacht-geel.

Ik moet u wel waarschuwen, dat de plantensappen veel zachtere kleuren geven dan de (chemische) eierverf, die u in de winkel koopt, en velen onder u zullen dat maar “flauwe” kleuren vinden. U moet zelf beslissen wat u wilt doen. Vindt U, dat een paasei een sterke kleur mag hebben, dan kan ik beter de eierverf aanraden, anders bevredigt het resultaat U toch niet. Neemt U de verf niet warm, anders smelt de was er weer af en is al Uw werk voor niets geweest! Daardoor moeten de eieren wel lang in de verf blijven liggen, wel meerdere uren!

Voor degenen, die nog huiverig staan tegenover de gesmolten  wastekeningen is er de omgekeerde manier, n.l. eerst de eieren in het verfbad en als ze droog zijn, er met andere, afstekende kleuren de motieven op aanbrengen. Dat gaat heel aardig met plakkaatverf, en er is ook een synthetische verf op basis van aceton in de handel, die het voordeel heeft, dat ze direct droogt. Past u bij het drogen van de eieren na het verven wel op, dat de “onderkant” niet “smet”, anders krijgt u daar een witte plek. Een goed hulpmiddel daarvoor is een touwtje of draadje katoen er kruiselings omheen te binden en het ei op te hangen.

Als u de wasfiguren er na het verfbad afkrabt, steken de lij­nen of motieven goed af tegen de geverfde ondergrond. Als u in tweekleurentechniek werkt, kunt u de gom ook laten zitten. Vindt u het zo al heel wat, dan bent u klaar; de moedigen on­der ons gaan nu nog de witte lijnen en motieven in een andere, afstekende kleur (of misschien zelfs wel meerdere kleuren?) verven. Als de gewaste plekken niet heel goed gereinigd zijn, zullen ze niet makkelijk andere verf aannemen,  daarom ried ik u die synthetische verf aan, die tenminste “pakt”Om te be­ginnen is het tweekleurenwerk heus heel fijntjes en mooi, en het is toch beter een geslaagd ei in twee kleuren, dan een mislukt met meerdere kleuren!!!

Als de eieren heel goed droog zijn, kunnen we ze wat met een wollen lap poetsen,  waardoor ze gaan glanzen; in vroeger tij­den gebruikte men daarvoor een stukje spekzwoerd en tegen­woordig wel vaseline.

U kunt nu begrijpen, dat de beroemde, Russische paaseieren heel wat werk vragen,  want de motieven worden daar wel in zes kleuren uitgevoerd, waarvoor nodig is, dat telkens was opge­bracht, de eieren in een verfbad gaan, en dan weer nieuwe mo­tieven geschilderd worden, soms hele taferelen of voorstellin­gen, die ons aan de ikonen doen denken.

Maar als ons mandje met zelfversierde eieren dan op paasmorgen op tafel staat – en de kinderen, die ons gezwoeg en gezucht niet hebben meegemaakt, zien ze voor het eerst, zul­len ze het heus prachtig vinden! En voor onze kinderen willen we het paasfeest toch een blij en kleurig feest maken?

Wie weet, kunt u het dan achteraf toch wel met mij eens zijn, dat bij Pasen beschilderde eieren horen!?

P.Rijs-Bruyn, schoolblad Haagse vrijeschool, jaar onbekend

.

Eieren verven en versieren

eieren hard koken: als je ze een half uur kookt, kunnen ze nauwelijks meer  bederven

verven met natuurlijke kleurstoffen:
geel:                   uien (grof gesneden), even koken, saffraan
bruin:                thee, koffie, uienschillen, eikenschors
rood:                  uienschillen + azijn, bietjes (grof gesneden) meekrap
groen:                spinazie, klimopbladeren, wortels en blaadjes brandnetel
zwart/grijs:      elzenschors, elzenkatjes

Al dit materiaal koken in water en zeven. Hoeveelheid per liter heel verschillend, zelf uitproberen. Scheutje azijn verhoogt intensiteit van kleur. In warme vloeistof de eieren leggen; wil je zachte tinten: kort; wil je krachtige kleuren ca 1 uur. Eieren afdrogen en opwrijven met wollen lapje waarop druppeltje olie.

versieren:
geverfde eieren kun je versieren met goed geknede, gekleurde bijenwas of versierwas. Heel geschikt voor kleintjes.

technieken van versieren vóór het verven:
Jonge, groene blaadjes plukken (topje varen of fluitekruid, bv.) even laten verwelken en met tipje olie voorzichtig op ei plakken. Stukje nylonkous er stevig omheen binden. Verven. Kous losknippen. Motief van blaadjes is dan uitgespaard. Beeldig effect. Grassen en fijne bloempjes doen het ook goed.

Doe bijenwas en stearine (gewone witte kaars) half om half in vuurvast kommetje en verwarm dit op waxinelichtje of spirituslichtje. Het mag niet gaan koken!
Prik spijkertje met kleine kop in oud potlood of houtje (handvat) en doop dit in vloeibare was. Tip snel op het ei, voor ieder motiefje even indopen. ’t Gaat ook met fijn penseeltje. Verven niet warm en onder 40′, anders smelt de was. Afdrogen en voorzichtig was wegwrijven met warm doekje, niet krabben.

bron onbekend

.

Paaseieren kleuren met bloemblaadjes

Benodigdheden: eieren, uienschillen, jonge blaadjes en bloempjes, koffiedik, wit katoenen lapjes, garen.

Enkele dagen voor Pasen gaan de kinderen buiten allerlei kleine blaadjes en bloempjes zoeken: speenkruid, madelieven, hondsdraf, krokussen, blaadjes van fluitenkruid, van vroege heesters en wat er nog meer aan jong groeisel is te vinden.
Op een vierkant oud wit lapje wordt een laagje uienschillen ge­legd. Daarop komt een laagje bloem-en-blad, liefst van verschillen­de soorten. Het ongekookte ei wordt dan midden op dat bloemenlaagje gelegd en het lapje met schillen en groen wordt voorzichtig om het ei dichtgevouwen en met een stevige witte draad omwonden zodat alles goed op zijn plaats blijft zitten.

Die ingepakte eieren worden nu 15 à 20 minuten gekookt in water waarin flink wat koffiedik gedaan is.

Na het koken worden de eieren voorzichtig uitgepakt en tot ver­bazing van oud en jong zijn de eieren dan prachtig geverfd – men zou het beter “gebatikt” kunnen noemen – in geel (van de uien­schillen), bruin (van het koffiedik) en wit (waar de blaadjes hebben gezeten), zelfs met hier en daar een blauw, lila, of roze kleurtje van een bloempje dat af gaf.

Men moet eerst eens een proef-ei gemaakt hebben om te begrijpen dat het de kunst is zoveel mogelijk de eierschaal met fijn getekende blaadjes af te dekken – ook weer niet teveel, niet over elkaar heen, maar zo, dat een fijn varenachtig blaadje of een straalbloempje van de madelieven gaaf afgedrukt wordt.

Met een stukje spek of een vet lapje worden de gekookte eieren nog even opgewreven. Het worden natuurlijk erg hard gekookte eieren.

Paaseieren verven

Je kunt prachtige eieren krijgen door er allerlei planten- of bloemblaadjes omheen te leggen, dit geheel vervolgens in een lapje te wikkelen en 20 minuten koken in water of koffie.

Als planten kun je o.a. gebruiken: viooltjes, spinazie, krokussen, grasjes, uienschillen, enz.
Als je de nog warme eieren nawrijft met spekzwoerd, krijgen ze een prachtige glans.
Je kunt ook de eieren voor het verfbad met vloeibare bijen­was beschilderen. De eieren worden daarna koud geverfd en de met was beschilderde plekken nemen dan geen verf aan. Later wordt de was er voorzichtig afgekrabd. De restjes was worden er afgehaald door de eieren even in warme doeken te wikkelen.
Ook kunnen we op gekleurde eieren met een gewone stalen pen, die we in een oplossing zoutzuur (1/2 zoutzuur- -1/2 water) hebben gedoopt. Ook dit is een oude volkskunst.

bron onbekend

.

Verrassingseieren van chocola

Verse eieren leeg maken: geef een zacht tikje op de stompe kant, prik een behoorlijk groot gaatje en laat het ei (na zacht schudden) leeglopen. Uitspoelen en laten drogen.
Vullen met een mengsel van gesmolten chocola (au bain-marie) stukjes marsepein, koekkruimels, stukjes noot, oranjesnippers, evt. zuidvruchten, sucade.
Bij het vullen af en toe schudden, zodat het ei goed vol is. In de koelkast hard laten worden.

bron onbekend

.

Feest van de chocola

Pasen is het feest van de banketbakkers, van de chocolade-eieren, hazen en wat dies meer zij.
Het Studiecentrum Snacks en Zoetwaren (SSZ) rekent voor dat we per hoofd van de bevolking, per jaar, in totaal zo’n vier kilo choco­lade wegwerken. Hoeveel paaseitjes daar exact tus­sen zitten, is niet bekend. Ze vallen met de chocola­deletters en kerstkransjes onder de ‘seizoensartikelen’. Daarvan peuzelen we per saldo vier ons op. Dat is toch mooi zeventig mil­joen euro. Oftewel één-achtste van de totale berg repen, candy-bars, chocolaatjes en bonbons.
Een willekeurige Leonidaszaak meldt in de twee weken voor Pasen normaal zeker een verdub­beling van de omzet te kunnen boeken. Het loopt overigens wat minder hard dan vorig jaar* – de recessie eist overal zijn tol.

Vanwaar chocola?
Vanwaar die chocolade-eitjes met Pasen? Dat is een een-tweetje tus­sen de paassymboliek en de chocolade-industrie. Chocola was lange tijd een luxe, iets voor de aristocra­tie en de rijke bourgeoisie. Het drinken van chocolade – de vaste vorm moest nog bedacht worden -gaf status. Het persen van chocolade tot een harde massa lukte rond 1828. Begin 19e eeuw is begonnen met de productie van chocoladepaaseieren. “Deze, aanvankelijk zeer harde en korrelige eieren, wer­den in eerste instantie vooral in Frankrijk en Duitsland vervaardigd”, schrijft Gert-Jan Maaskant op de site van SSZ. “Deftige mensen wilden eieren snoepen. Het was een echte luxe. Na 1900 konden er ook holle figuren van hazen en kippen gemaakt wor­den. De producten werden goedko­per en dus toegankelijk voor het gewone volk”, voegt Ineke Strouken van het Nederlands Centrum voor Volkscultuur eraan toe. “Mensen gaven elkaar eieren en deden er een chocolade-eitje bij. Frappant is dat het eten van chocolade in die tijd gestimuleerd werd door de arbeidsbeweging. Het voorzag in de behoef­te aan veel calorieën.”

Heidens
“Het ei en de paashaas hebben hun betekenis gekregen in een ver hei­dens verleden”, stelt Maaskant. “Het ei gold eeuwenlang als symbool van de vruchtbaarheid, weder­geboorte en zelfs als symbool van alle begin. De Germaanse gewoon­te om eieren te offeren aan hun lentegodin Eostre is hiermee ook te begrijpen. Het christendom heeft het ei een plaats kunnen geven. Het werd symbool voor de weder­opstanding.”

Maar daar gelooft Ineke Strouken geen sikkepit van. “Daar is geen enkel bewijs voor. Het ei is een heel oud christelijk symbool. Het wordt al in 325 genoemd in een liturgie. Het ei staat voor het graf waar Christus uit opstaat.” “Na maanden van schaarste, met als dieptepunt de vastenperiode, werd met de paasmaaltijd de komst van vers voedsel gevierd. Eieren gol­den als bijzonder voedzaam en dus geschikt om de verzwakte mens na de winter aan te laten sterken”, zegt Strouken. “Als ultiem
vrucht­baarheidssymbool werden eieren bovendien geverfd of verpakt in mooie papiertjes cadeau gedaan om de medemens een goed sei­zoen te wensen.”
Zo ontstond ooit de traditie om elkaar eieren te geven.Van daar­uit verschenen de beschilderde (kippen- en eenden-) eieren. Eivormig speelgoed kwam in de handel.

Toppunt van luxe: Carl Fabergé bezette eieren met juwelen. Oma’s en opa’s die eitjes in de tuin verstoppen, een kleurrijk lichtsnoer, het zijn varianten op een stokoud thema.

Maarten van Rakt in Brabants Dagblad 10 april 2004

.

Bijzondere eieren uit Perzië

In het eerste begin was er Ahoera-Mazda, de Grote Geest uit wie alle licht voort­kwam. Het licht kwam uit de Grote Geest en uit dit licht kwamen Ormoezd en Ahra-Manyu. Twee broers, maar Ahra-Manyu (Ahriman) hield niet van Ormoezd en be­streed hem waar en wanneer hij maar kon en bedierf de goede werken van Ormoezd. Daar­om veroordeelde de Grote Geest Ahriman en werd hij voor drieduizend jaar naar de diep­ste duisternis verbannen. In de duisternis nam de haat van Ahriman jegens zijn broer alleen maar in hevigheid toe. Tenslotte bestond hij alleen nog maar uit leugen, boosheid en duisternis. Toen de drieduizend jaar verstreken waren, schiep Ahriman een groot aantal boze gees­ten en stuurde hen ten strijde tegen de goede geesten die Ormoezd dienden. Toen maakte Ormoezd, de Heilige Geest, een ei en vulde dat met goede geesten. Ahriman, de Verwoes­tende Geest, zag het en maakte eveneens een ei maar vulde het zijne met de boze geesten van leugen en boosheid. En het geschiedde dat de eieren braken en de inhoud zich ver­spreidde over de aarde. Naar alle uithoeken van de aarde gingen de boze en de goede geesten en zetten hun strijd voort.
Zo is goed en kwaad onder de mensen gekomen.
(Perzische legende)

Net als veel andere vóór-christelijke cultuurvolken vierden de oude Perzen, die ons deze legende hebben nagelaten, aan het begin van de lente een voorjaarsfeest. En net als overal was dat het feest van het nieuwe leven dat triomfeert over dood en duisternis.
Naast het ‘nieuwe vuur’, speelden eieren de hoofdrol bij deze feesten. De koude witte steen die het geheim van het leven in zich draagt, dat moet een goddelijk teken, een godsgeschenk zijn. Geen mens kan dat zelf nemen. Bij het opstandingsfeest schenkt men de ander middels het ei hoop op (levens)-kracht, vruchtbaarheid op aarde en in de geest, onkwetsbaarheid voor ziekte en betovering, kortom de zegen der Goden.
Vaak was het ei het eerste, geheiligde voedsel na de kortere of langere vastentijd die van oudsher aan dit feest vooraf ging. Zelden in ‘natuurlijke’ staat, maar gekleurd, gezegend, van spreuken voorzien of…als doosje.

Doosjes van eieren kennen we in onze tijd uit Rusland en andere Oost-Europese landen waar de paasviering nog steeds het religieuze feest bij uitstek is.
In het westen is dat Kerstmis. Hier geden­ken wij het begin van de lijdensweg om onzer wille, daar viert men de glorieuze overwinning van het licht op de duisternis en begroet men elkaar op paasmorgen met:
‘Hij is waarlijk opgestaan’.
Men schenkt el­kaar eieren, het wit gepleisterde graf waaruit het leven met Christus is opgestaan.
De oude Perzen vierden hun opstandingsfeest met dezelfde blijheid, maar zij waren een nuchter volk. Had niet ook Ahriman een ei gescha­pen? Dus schonken zij sommigen van hun vrienden doosjes in de vorm van eieren ge­vuld met plagerijtjes.

Het is eigenlijk helemaal niet moeilijk om van een ei een doosje te maken. Het vraagt van ons dat wat elk jong leven vraagt, behoed­zaamheid.

Een ganzenei is wel het grootste ei waar men vrij eenvoudig, bij poelier of goede markt­koopman, aan kan komen. Een ganzenei geeft ook een zeer spectaculair resultaat. (Met kippeneieren gaat het natuurlijk ook. Neem dan alleen wel echte scharreleieren. Ik heb met een legbatterij-ei meegemaakt dat hij bij het uitblazen gewoon plofte.)
Zo wie zo is dit een knutsel waarbij de tem­peramenten zich al snel verraden, eerst bij het uitblazen en later bij het doorzagen. Er zijn mensen die kunnen volstaan met twee kleine blaasgaatjes, zelf heb ik meer midden­maat gaatjes nodig, voor mensen als ik de volgende hint: een ganzenei kan heel wat hebben.

Blaas het ei uit en spoel het schoon.Teken een lijn op de schaal waar u hem wilt doorza­gen, zo recht mogelijk en plak een stuk plak­band langs deze lijn. Eventueel meerdere lagen over elkaar om de rand wat dikker te maken. Dit plakbandrandje geleid de ijzer­zaag over de gladde schaal. Neem een fijn ijzerzaagje en begin zachtjes langs het randje te zagen steeds rondom, niet drukken! Ei­genlijk is het meer doorslijpen dan zagen. Bij zagen ontstaan er onherroepelijk schilfers terwijl de snede helemaal gaaf kan zijn. Een zacht kussentje onder het ei maakt het ge­makkelijker. Wanneer de schaal is doorgesle­pen is het beter om het vliesje dat taaier is met een scherp mesje door te snijden. Nu hebben we eigenlijk al een doosje maar het is zo erg breekbaar. Verstevigen van de binnenkant gaat het beste met een laagje Darwiklei, een spierwitte kleisoort die goed aan het ei hecht en niet gebakken hoeft te worden. Hiermee maken we ook een voetje voor de schaal en een knopje voor de deksel. Laat het een dag drogen en beschilder het met hobbyverf.

Nicole Karrèr,  ‘Jonas”29 maart 1985

.

Wat doen we met de eieren?

Wat doen we met al die koude geverfde eieren ?

Eierragout                                  b.v. met 4 à 5 eieren.
Uitje fruiten, mosterd,(flinke theelepel) knoflook (naar believen), 1 laurierblad, 1 bouillontablet oplossen (bv. kerrie bouillon van Hügli of uienbouillon) met 3/4 I melk, nootmuskaat, beetje kerrie.

binden:   met een drupje citroen, paar korrels suiker en zout en met wat peterselie afmakenDe fijngesneden eieren er door roeren.

geven: bv. met geroosterd brood.

Kerrieragout
ui fruiten, fijn gesneden appel erbij, flinke hand rozijnen, kerriepoeder erbij, een bouillonblok en water toevoegen. Binden en op smaak maken met snufje zout/suiker en citroen. Eieren in plakjes erdoor heen roeren..

geven: met rijst en sla of als rauwkost

Kruidenboter met ei;
3/4 pakje roomboter – zout, peper, knoflook, peterselie, wat
druppels citroensap – bieslook (als er is) en of dillekruid-
fijn gewreven eieren erdoor (evt. een dopje sherry toevoegen]
Heerlijk op warm stokbrood!
Lege eierdoppen kunnen prachtig in onze lente- en paastuintjes gebruikt worden.
Zet er kleine bloempjes in: speenkruid en klein hoefblad of zaai er (in een piepklein beetje aarde) sterrenkers in. Lekker op een beschuitje met een beetje citroensap.

bron onbekend

.

.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

121-116

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner als didacticus (alle artikelen)

.

Rudolf Steiner als didacticus (1)
Hoe leg je het begrip “lang geleden” uit

Rudolf Steiner als didacticus (2)
De abstractie van een rekenopgave

Rudolf Steiner als didacticus (3)
Het ‘gevaar’ van reciteren: dreun en onbegrip

 

Rudolf Steiner: alle artikelen

 

120-115

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner als pedagoog (alle artikelen)

.

Rudolf Steiner als pedagoog (1)
Hoe om te gaan met de driftbuien van een cholericus

Rudolf Steiner als pedagoog (2)
Wat kan er gebeuren als 2 kinderen met eenzelfde temperament naast elkaar zitten

Rudolf Steiner als pedagoog ( 3)
Een aanwijzing voor het melancholische temperament

Rudolf Steiner als pedagoog (4)
Hoe bij een (cholerisch) kind een verhaal werkte

Rudolf Steiner als pedagoog (5)
Schoonschrijven?

Rudolf Steiner als pedagoog (6)
Hoe beelden uit de vertelstof tot in het latere leven kunnen doorwerken

Rudolf Steiner als pedagoog (7)
Antroposofische menskundige inzichten omgewerkt tot pedagogisch handelen

Rudolf Steiner als pedagoog (8)
Hoe een verhaalbeeld eerbied kan wekken

Rudolf Steiner als pedagoog (9)
Over het ‘imponderabele’

Rudolf Steiner: alle artikelen

 

119-115

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Rekenen – 1e klas (5)

.
1e klas: rekenen: alle artikelen;  1e klas: alle artikelen

OEFENEN MET DE 4 REKENBEWERKINGEN

Voor kinderen is het goed wanneer ze in de les op iets gewezen worden wat ze pas later, in hogere klassen zullen leren of dat ze iets leren wat in een andere vorm steeds terugkomt.
Een kleine oefening die in ieder leerjaar gebruikt kan worden:

Ieder kind kan van een zelfgekozen getal uitgaan; de 4 rekenbewerkingen worden gebruikt – je komt tot een gelijkluidende uitkomst. Je kunt de oefening gebruiken voor hele getallen (mondeling of schriftelijk), voor breuken en tiendelige breuken, bij negatieve getallen en bij algebra en zelfs bij machten, wortelgetallen en logaritmen.

De oefening is als volgt opgebouwd:

     5                                                  9

5  x  5  =                                       9   x  9  =  81
+ 5  =                                          81  +  9  =  90
:  5  =                                          90  :   9  =  10
–  5 =                                          10  –  9  =     1

Het verrassende is de uitkomst: altijd 1

87       x  87  =   7569
7569   + 87   =  7656
7656   :  87  =        88
88       – 87   =          1

Kinderen van de 3 klas hebben op deze manier een mooie controle over wat ze kunnen met schriftelijk rekenen.

In de 4e klas bv.

rekenen

5e klas, decimaalbreuken:

0,4   x  0, 4 = 0,16
0,16 + 0,4  = 0, 56
0,56 : 0,4   = 1,4
1,4   – 0,4   = 1

1,02       x  1,02 =  -1,0404
1,0404 + 1,02 =  2,0604
2,0604 : 1,02  =  2,02
2,02      – 1,02  = 1

De 7e-klasser kan alle regels ook met negatieve getallen toepassen:

(- 3 )   x  (- 3) =    + 9
+ 9      + (- 3)  =   + 6
+ 6      :  ( -3 ) =    – 2
– 2       – (- 3) =    + 1

Ook met algebra kan het:

rekenen 2

Bron: Georg Hofmann, Erziehungskunst 29e jaargang nr. 5, 1965

Een kleine kanttekening:
De allereerste keer dat je dit in een klas mondeling doet, is de verrassing bij het noemen van de uitkomsten groot. De kinderen wisten van elkaar niet welk getal ze gekozen hadden en toch is de uitkomst bij iedereen 1!!!.

Maar als ze het eenmaal weten, is de lol eraf en de mondelinge opgave zinloos: je hoeft niet te rekenen, alleen bij de vraag naar de uitkomst zeg je ‘1’.

Een interessant menskundig verschijnsel wanneer je naar de kwaliteit van het denken kijkt. Dit weten laat zich vrijwel meteen van zijn ‘dode’ kant zien, terwijl het doen (de wil) van een leuk spel ‘nooit’ verveelt; ook al weet je hoe het gaat.

Wanneer de kinderen dit schriftelijk doen – ze hebben hun eigen getal gekozen – moeten ze wel laten zien hoe ze en of ze echt bij 1 uitkomen.

 

1e klas – rekenen: alle artikelen

1e klas: alle artikelen

Rekenen: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas

 

118-115

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.