Maandelijks archief: februari 2014

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Jeanne d’Arc

De maagd van Orléans

Jeanne d'Arc

Voor de meesten onzer is Jeanne d’Arc een legende, de idylle van een heldhaftige schaapherderin, die bovennatuurlijke stemmen hoorde en op hun aansporing een volk van de ondergang redde. Maar die idylle is slechts een flauwe afscha­duwing van de werkelijkheid. Jeanne had niets bovennatuurlijks. Ze was een meisje van vlees en bloed, een boerendeern, zo aards als de zoete bodem van Frankrijk. En toen zij ten strijde trok met haar banier, waarop de onsterfelijke Franse fleurs de lis waren ge­borduurd, was het Franse volk nog niet een tot eenheid gegroei­de natie.

Er is een half millennium verstreken sinds Jeanne d’Arc te Rouaan in de vlammen omkwam. Hoe komt het, dat wij haar thans nog gedenken? Omdat haar levensgeschiedenis een deel vormt van het oeroude verhaal van de worsteling van goed en kwaad, een strijd, die van eeuw tot eeuw wordt voortgezet. En ieder van ons die in die kamp meestrijdt, zal beter vechten met het voorbeeld van de Maagd van Orléans voor ogen. Gevonnist wegens ketterij en zonde, is Jeanne ter dood gebracht. Zij zal echter altijd blijven voortleven als een heilige, overwinnares van de krachten van het kwaad, die haar om het leven brachten, een symbool van trouw en moed.

In 1412, het jaar waarin Jeanne in het Lotharingse dorp Domrémy ter wereld kwam, verkeerde Frankrijk in bloedige ver­warring. De Honderdjarige Oorlog tussen Frankrijk en Engeland had toen al bijna 75 jaar geduurd. Engeland maakte aanspraak op de Franse troon. Een groot deel van Frankrijk werd geregeerd door de hertog van Bourgondië, een bondgenoot van de Engelsen; de rest was trouw aan de dauphin Karel, nog ongekroonde erfgenaam van de Franse troon.

Reeds als kind bemerkte Jeanne het nodige van deze woelingen, want langs de primitieve woning van haar ouders liep de oude Romeinse weg, die de Maas kruiste; troepen gewapende mannen kwamen geregeld voorbij marcheren of rondzwervende bedel­monniken bleven bij het huis rusten, deden trieste verhalen over moord en plundering en bejammerden de houding van de slappe dauphin, die zich niet als een waar vorst wilde gedragen, zodat het land zonder aanvoerder bleef en geen eensgezinde natie kon worden.

Op haar twaalfde jaar was Jeanne een flink gebouwd, donker, godvruchtig meisje, over wie niets bijzonders te vermelden viel. Maar toen zag ze op een dag in haar vaders tuin een helder licht om zich heen en een stem sprak haar toe. Verbijsterd van angst viel ze op de knieën. Toen ze de stem hoorde, zag ze ook twee glanzende vleugels en een gelaat, stralend van heerlijkheid. Ze begreep dat het de aartsengel Michaël moest zijn, de bescherm­heilige van de dauphin en vereerd door heel Frankrijk. Hij was niet alleen, vertelde ze later, maar “werd vergezeld door andere engelen des hemels. Hij zei me, dat de Heilige Catharina en de Heilige Margaretha me ook zouden verschijnen en dat ik moest doen, wat zij me zouden raden, want dat dit alles op last van Onze Lieve Heer gebeurde.”

In de loop van de volgende vier of vijf jaar spraken de heiligen haar dikwijls toe. Jeanne zei daar niemand iets van en deed kalm haar dagelijks werk, maar al die tijd was ze er zeker van, dat ze in contact stond mei God. In 1428 sloegen de Engelsen het beleg voor Orléans. Nu deelde de aartsengel de 16-jarige Jeanne als Gods wil mede, dat zij de dauphin te hulp moest snellen en de stad ontzetten. De stem “beval me naar Vaucouleurs te gaan, naar Robert de Baudricourt, de commandant van de stad; hij zou me manschappen geven om me te vergezellen.” Zonder iets aan haar ouders te zeggen, ging Jeanne naar Vaucouleurs, dat ongeveer 16 kilometer van Domrémy was gelegen. Tweemaal verscheen ze voor Baudricourt en zei hem, dat ze door God was aangewezen om de dauphin naar Reims te voeren, waar hij tot koning gekroond zou worden. Tweemaal stuurde hij haar kortaf weg. Zonder zich te laten afschrikken, kwam Jeanne terug. Dit­maal liet Robert zich overtuigen door haar bovenaards vertrou­wen. Ze kreeg het paard en de lijfwacht waarom ze verzocht had, ze kreeg de mannenkleding die ze had gevraagd, en ze liet haar haar kort knippen. “Ga moedig voorwaarts!” hoorde ze haar stemmen zeggen.

Met iedere hoefslag van haar paard reed ze verder weg van alle vertrouwde dingen in haar leven; ze reed nu haar bestemming tegemoet, bij nacht, door een land dat wemelde van vijanden. Ze hield halt voor Chinon, waar de dauphin vertoefde, en stuurde een bode naar het kasteel om haar komst aan te kondigen. Karel, de dauphin, was een jongeman zonder wilskracht of zelfvertrouwen. Hij liet Jeanne bij zich komen, maar om haar om de tuin te leiden, verborg hij zich in een bescheiden gewaad tussen de menigte. Jeanne schreed de grootse, door flambouwen verlichte zaal binnen waar de hovelingen zich verdrongen. Ze liep recht op de dauphin toe en knielde voor zijn voeten. Karelwees op een van de hove­lingen. “Dat is de koning,” zei hij.
Jeanne liet zich niet van haar stuk brengen. “In de naam van God, edele prins, gij zijt het en niemand anders!” zei ze. En ze deelde hem mede, dat zij door God gezonden was om hem en zijn koninkrijk te hulp te komen en ervoor te zorgen, dat hij in de kathedraal te Reims zou worden gezalfd.

De dauphin had een lang persoonlijk gesprek met haar, terwijl het hele hof zijn ogen uitkeek, en haar antwoorden deden zijn gelaat stralen. Toch weifelde hij nog, bang, dat ze misschien een werktuig van boze machten was. Hij liet haar te Poitiers onder­vragen door geleerde geestelijken en liet haar door hofdames on­derzoeken om er zeker van te zijn, dat ze maagd was, want volgens de toen gangbare mening gaf een vrouw die heks werd, zich eerst als minnares aan de duivel. Allen kwamen tot de plechtige ge­volgtrekking dat er niets dan goeds te zeggen was van dit boeren­meisje. Al dat uitstel maakte Jeanne ongeduldig. Toen Karel maar bleef treuzelen, klonk van haar lippen de opmerkelijk juiste voor­spelling: “Ik zal niet veel langer dan een jaar meer leven. In dat jaar moeten we veel goed werk verrichten.”

Karel verzamelde dus een leger. Hij gaf Jeanne een wapenrus­ting van gepolijst staal. Ze stuurde enige lieden naar een kapel, die aan de Heilige Catharina was gewijd met de opdracht achter het altaar naar een zwaard te zoeken, dat daar begraven moest liggen. Men bracht haar dat zwaard; het was met roest overdekt, maar weldra schitterde het in haar hand. Ze liet een witte, met zijden franje omzoomde banier maken, geborduurd met lelies: op die banier was een afbeelding van de Heer aangebracht met aan weerszijden een engel en de woorden Jezus Maria. Zo, met haar banier in de hand, verscheen ze voor de soldaten als “Dochter Gods”, zoals de aartsengel Michaël haar genoemd had.

Orléans, een tactisch steunpunt in de Engelse veldtocht voor het ontsluiten van het Loiredal, was nu al een halfjaar belegerd. De Engelsen hadden een stuk of tien bastions om de stad gebouwd. Elk van die bastions werd beschermd door een negen meter hoge, natuurstenen muur met sterke wachttorens. Toen ze voor zo’n bastion verscheen, dicteerde Jeanne een brief, liet die bevestigen aan een pijl en over de muur naar binnen schieten. De brief luidde: “De Koning des Hemels waarschuwt u door mij, Jeanne de Maagd, om uw vestingwerken te verlaten en terug te keren naar uw eigen land. Anders zal ik een krijgsgeschreeuw tegen u doen opgaan, dat nooit vergeten zal worden.”

Een middeleeuwse oorlog bestond nog uit gevechten van man legen man met lans en zwaard, knots en strijdbijl, en Jeanne stortte zich in zo’n handgemeen om de belegerde stad te ontzetten. Zij en haar volgelingen deden een geslaagde stormaanval op een redoute en vielen twee dagen later het voornaamste fort aan. Toen ze op het punt stond een stormladder die tegen de muur stond, te beklimmen kwam er een pijl van een kruisboog aansnorren en trof haar boven haar borst. Ze werd uit het veld weggedragen en trok de pijl eigenhandig uit de wond. Trompetgeschal gaf het sein tot terugtrekken, maar zij verzamelde al haar krachten. Even later zagen de soldaten haar banier weer wapperen en hoorden zij haar roepen: “De overwinning is aan u — dringt binnen!” Ze zagen haar op de vestingwal toesnellen en er tegenop klimmen. Het bastion werd veroverd. Orléans was gered.

Jeanne reed door de straten onder het gelui der klokken. Ze liet haar wond verbinden en gebruikte wat voedsel — vijf sneden brood, gedoopt in wijn met water. Dat was het einde van die paar dagen waarin een meisje van 17 jaar het moreel van het Franse leger deed herleven en de Honderdjarige Oorlog een andere wending gaf.

Hoewel Karei aan niets anders kon denken dan aan Jeanne’s droom van zijn kroning, bleef hij talmen. “Edele dauphin,” smeekte ze, “beraadslaag toch niet zo dikwijls en zo lang, maar ga zo spoedig als ge kunt mee naar Reims en ontvang de kroon.” Want zij zag wel in, dat alleen op deze wijze een eendrachtig Frankrijk gegrondvest en de Engelse aanspraak op de kroon
ver­ijdeld kon worden. De weg naar Reims voerde door steden, die de vijand bezet hield, maar Jeanne kende geen vrees. Waar het hevigst werd gevochten, daar kon men haar banier zien wapperen. Gedurende de hele veldtocht riep ze de troepen toe: “Zet dapper door; alles zal slagen!” Maar in een zwak ogenblik vertrouwde ze iemand uit haar geboortedorp toe: “Ik ben alleen maar bang voor verraad.”

Maar op dat ogenblik stond alles in het teken van de zege. Reims maakte haastig toebereidselen om de dauphin te ontvangen, En op een stralende zomermorgen, de 17de juli 1429, reed Karel met een schitterende stoet naar zijn kroning. Jeanne stond in de kathedraal naast zijn troon. Het was nog geen vijf maanden geleden, dat ze haar ouderlijk huis in Domrémy had verlaten, ten einde aan haar stemmen te gehoorzamen.

Toen Karel VII eindelijk gekroond was, vond hij dat hij het nu wel zonder Jeanne kon stellen. Hij sloeg geen acht op haar smeekbeden om onmiddellijk door te marcheren naar Parijs, maar luisterde naar raadslieden die afgunstig waren op de Maagd. Toch werd zijn veldtocht ten langen leste traag voortgezet. Jeanne voerde de Franse troepen aan en veroverde de ene stad na de andere. Maar een aanval op een Parijs fort mislukte en Jeanne liep een pijlwond in haar dij op.

In de Paasweek van 1430 gaven Jeanne’s stemmen haar de sombere waarschuwing dat ze in handen van de vijand zou vallen. Toch reed ze onversaagd naar voren tot in het drukste strijdgewoel, totdat ze bij een gevecht om de ophaalbrug van Compiègne klem raakte tussen de Engelsen en de Bourgondiërs, die haar grepen. Jeanne de Maagd was een gevangene. De man, die zij koning van Frankrijk had gemaakt, durfde blijkbaar geen hand uit te steken om haar te redden. In plaats daarvan werd ze opgesloten in het kasteel van een Bourgondische edelman. Daar hoorde ze, dat er onderhandelingen gaande waren om haar aan de Engelsen te verkopen en in een wanhopige poging te ontsnappen wierp ze zich van de hoge kasteeltoren omlaag. Ze viel niel dood. Vol berouw bad ze om vergeving. Er werd een valstrik voor haar gespannen in brieven van geleerden der Bourgondisch-gezinde Parijse universiteit aan de hertog van Bourgondië. Die strik sloeg dicht toen een grote som gelds ter hand gesteld werd aan haar bewaker, die haar daarop overleverde aan de bisschop van Beauvais.

Deze hoge dignitaris, Pierre Cauchon, was omgekocht door de Engelsen. Hij was een listig en eerzuchtig man en als Jeanne moest terechtstaan wegens ketterij, zou dat voordelig zijn voor hemzelf en voor de Engelsen, die officieel hun handen in onschuld wilden wasscn. Het zou dus een godsdienstige en geen politieke terecht­zitting worden in Rouaan en Cauchon koos zijn rechters met grote deskundigheid. Niemand werd aangewezen om Jeanne te ver­dedigen; geen enkele getuige à decharge werd opgeroepen. (Cauchon was zo machtig, dat niemand zijn leven durfde wagen om een gunstige verklaring voor haar af te leggen.

En zo staat dat onontwikkelde, 19-jarige boerenmeisje daar alleen, door allen verlaten, voor de grote schare van haar geleerde, priesterlijke rechters en voert haar eigen verdediging. Iedere vraag en ieder antwoord zijn opgetekend; we kunnen haar stem na zo­veel eeuwen nog horen klinken. “Ge zegt, dat ge mijn rechter zijt. Bedenk wel, wat ge doet, want ik ben waarlijk van God gezonden en ge brengt uzelf in groot gevaar.”

In antwoord op dringende vragen vertelde ze vrijuit de geschiedenis van haar korte, vreemde loopbaan. Ze erkende geen schuld aan enige ketterij. Ze hield steeds vol, dat ze gehandeld had volgens Gods wil. De aanblik van de martelwerktuigen, die men haar dreigend toonde, bracht haar niet aan het wankelen. “Waarlijk, al zoudt ge mijn lichaam vaneenrijten, dan zou ik niet anders verklaren.” Men bedreigde haar met de brandstapel en ze
ant­woordde:  “Al zag ik het vuur branden, dan nog zou ik volhouden wat ik heb gezegd.” (“Een voortreffelijk antwoord!” heeft de griffier, die het verslag van de zitting schreef, in de marge aan­getekend.)

Ze kwelden haar met strikvragen en dreigementen en geen enkele maal liet ze zich de zekerheid ontnemen, die haar leven be­heerste. “Ik heb een goede meester — de Heer zelf. Op Hem houd ik mijn blik gericht en op niemand anders.”
Maar de intrigerende Cauchon wilde haar lot niet laten bepalen door haar standvastige antwoorden op de vragen van haar rechters. In plaats daarvan liet hij haar verklaringen, waaruit de waarheid ieder tegenstraalde, verminken tot twaalf onpersoonlijke en verdraaide artikelen en legde die aan de rechters voor als basis voor hun beraadslagingen. En deze eminente mannen Gods, die allen de bisschop onderdanig waren, gaven hem het vonnis, dat hij verlangde.

En zo werd op een mooie dag in het laatst van mei haar vermagerde, jeugdige, jongensachtige, in het zwart gehulde gestalte voor de rechters geleid. Ze knipperde tegen het felle zonlicht, in afwachting van het vonnis dat over haar zou worden uitgesproken. En zo zien we haar staan op de begraafplaats van het lieflijke kerkje van Sint Ouen, te midden van een grote schare burgers van Rouaan en honende Engelse soldaten. Gelaten hoorde ze de lange boetpredikatie aan. Maar toen men haar nadrukkelijk te kennen gaf dat zij haar woorden diende te herroepen, weigerde ze heel beslist. Ooggetuigen hebben tegenstrijdige verklaringen afgelegd over wat er daarna gebeurd is. Het is zeker, dat men een document voor de dag heeft gehaald en het heeft voorgelezen aan dat meisje, “dat geen A van een B kon onderscheiden.” Daarna zeiden ze tegen haar: “Onderteken dat, anders word je verbrand.” Met een vreemd glimlachje tekende ze met een kruisje. Jeanne dacht, dat ze nu in veiligheid verkeerde. Vol vertrouwen in de Kerk, die zij liefhad, zei ze: “Priesters, brengt me nu naar uw gevangenis en laat me niet langer in de handen van de Engelsen.”

Het moet een bittere teleurstelling voor haar geweest zijn, dat ze naar dezelfde donkere cel werd teruggevoerd. Toen men haar beloofde, dat ze de mis zou mogen bijwonen, stemde ze erin toe vrouwenkleren te dragen, want een der ernstigste tegen haar in gebrachte beschuldigingen was, dat ze zich kleedde als een man. Maar terwijl ze sliep, haalden de bewakers het vrouwengewaad weg, zodat ze genoodzaakt was uit haar cel te komen in haar haveloze jongensplunje.

Vanwege die “zonde” werd ze in het vonnis aangeduid als een “in ketterij teruggevallene”, het gruwelijkste dat iemand verweten kon worden. Om haar lot met dubbele zekerheid te bezegelen, vroeg Cauchon haar, of ze haar stemmen soms nog had gehoord Jeanne zei hem, dat ze haar hadden berispt voor het ondertekenen van dat document, wat dat dan ook zijn mocht. “Alles wat ik lieli verklaard en herroepen, heb ik gezegd uit angst voor de brand stapel.” (“Een noodlottig antwoord!” tekende de griffier in de marge van zijn verslag aan.)

Toch bezweek haar moed niet. “Door Gods genade zal ik van avond in het Paradijs zijn,” zei ze en ze verzocht om ter communie te mogen gaan. Merkwaardig genoeg, heeft Cauchon dat laatste verzoek ingewilligd. Besefte de bisschop dat zijn slachtoffer onschuldig was? Zij was in ieder geval overtuigd van zijn schuld. “Monseigneur, ik sterf door uw toedoen!” was het verwijt, dat ze hem toeslingerde.

Gehuld in een wijde mantel, met kaalgeknipt hoofd, werd ze in de ochtend van de 30ste mei 1431 naar het marktplein van Rouaan gevoerd. Een dichte menigte verdrong zich op de hobbelige keien en op alle daken. Nadat Cauchon het vonnis had voorgelezen, werd haar een papieren mijter op het hoofd geplaatst, waarop met grote letters geschreven stond: “Ketterse, in haar zonden teruggevallene, afvallige, afgodiste.” Ze vroeg om een kruis. Een Engelse boogschutter maakte er haastig een van een paar takjes en dat borg ze in haar boezem, terwijl een andere man naar de aan het plein gelegen kerk rende om een crucifix te halen.

Dat kuste ze. Toen beklom ze de hoge brandstapel met haar blik gericht op het crucifix, dat voor haar omhoog werd gehouden. De vlammen laaiden op en onttrokken haar aan het gezicht. De zwijgend toeziende mensenmassa hoorde nog slechts haar stem: ze bad, ze kreunde en liet ten slotte een doordringende gil horen, ” vol pijn en vol liefde: “Jezus!”
Naar men zegt, holde een Engelsman als een bezetene heen en weer door de menigte, en schreeuw­de: “We zijn verloren! We hebben een heilige verbrand!”

Ongeveer een kwarteeuw na haar martelaarsdood nam Karel 7  maatregelen om haar goede naam, die door de Kerk was besmeurd, door de Kerk te laten zuiveren. Met de daarbij passende plechtigheden verklaarde de Kerk, waaraan Jeanne altijd trouw was gebleven en die haar veroordeeld had, dat zij onschuldig was.
Ten slotte werd ze in 1920 in de Sint-Pieter te Rome heilig verklaard. Maar 500 jaar eerder waren er al mensen geweest die beseften dat er een heilige in levenden lijve onder hen rond­wandelde. En dat maakt de geschiedenis pas tot een werkelijk, volledig mirakel.

alle biografieën

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Columbus

Hij wist dat de aarde rond was

ColumbusChristoffel Columbus was een lange, knappe man met een haakneus, die achtereenvolgens het bedrijf van wolkaarder, cartograaf, boekverkoper, suikerinkoper en zeeman uit­oefende.
Hij had hoge jukbeenderen, een lang gelaat, blauwe ogen, rossig haar, sproeten en een aangename glimlach — maar hij had geen gevoel voor humor. Hij was rad van tong en een snoever; een fatsoenlijk man die echter ook wel streken had. Zijn ontdekking van Amerika is een van de grootste staaltjes van moed in de geschiedenis.

Niet alles wat over Columbus wordt beweerd, is waar; bijvoor­beeld de mythe dat hij als enige meende dat de aarde rond was. Elkeen met een grein verstand geloofde dat! Men onderwees het op de scholen en universiteiten, en er waren zelfs, tegen een flinke prijs, globes te koop die weinig afweken van de globes van tegen­woordig. Bovendien bepaalde Columbus, in tegenstelling tot de schilderijen waarop hij in die dagen werd afgebeeld, nimmer de hoogte van de zon met behulp van een astrolabium. Hij voer op een gegist bestek en koerste daarmee recht op zijn haven van bestemming aan.
De tocht van Columbus naar het westen was een grote gok, doch geen volslagen sprong in het duister. In de havensteden van Euro­pa wemelde het van verhalen over mannen die zulk een reis geheel of gedeeltelijk hadden volbracht.
Naar verluidde was de koningin van Scheba voorbij Spanje en tot aan Japan over de oceaan naar het westen gevaren. Zeven Portugese bisschoppen, zo heette het, waren om aan vervolging te ontkomen, naar een eiland niet ver van Cuba gevlucht, dat ze “Antilla” noemden. En dan had na­tuurlijk Leif Ericson zijn Noormannen veilig aan land gebracht in het tegenwoordige New England.

Ook bestond er een kaart die geacht werd degelijk en betrouw­baar te zijn, getekend door een Italiaanse dokter en sterrenkundige genaamd Toscanelli, waarop Japan stond aangegeven waar in werkelijkheid ongeveer Amerika ligt. En men had eigenaardige boomstammen en planten die niet uit Afrika afkomstig konden zijn, uit zee gevist. Het was daarom wel duidelijk, dat ginds land was dat wachtte op de koene zeeman die het zou ontdekken en in bezit nemen. Uit geschreven documenten is van zulke pogingen echter niet gebleken — totdat Columbus zijn denkbeeld opvatte.

Christoffel Columbus werd in 1451 als de oudste zoon van een gemoedelijke wolwever en herbergier te Genua geboren. Van hetgeen hij uitvoerde tussen zijn geboorte en zijn 23ste jaar is weinig meer bekend dan dat hij wol kaardde, aan een weefgetouw zat, en vaak naar zee ging. De stadstaat Genua, met haar van schepen overvolle haven, bood een jongeman met een goed stel hersenen gelegenheid te over om zeevaartkunde en cartografie te leren.

Er bestaan aantekeningen van een aantal reizen die Columbus maakte, waaronder één naar IJsland, maar zijn gelukkigste reis was wel die, welke hem in Portugal aan deed spoelen. Hij voer op een schip dat door een Frans smaldeel werd aangevallen en tot zinken gebracht. Hoewel hij gewond was, sprong Columbus over­boord en zwom naar het strand bij Lagos. Later kwam hij in Lissabon terecht. Het jaar was 1476. Lissabon was een goede stad voor een man die van grote zeereizen droomde, want hier vonden de meest wilde voorstellen tot verkenning financiële steun. Het was eveneens een stad waar men wiskunde, sterrenkunde, en het bouwen en tuigen van schepen kon leren — allemaal kennis die een gezagvoerder nodig had. Columbus en zijn broer Bartolomeüs begonnen een winkel in zeekaarten en deden goede zaken.

Christoffel huwde een dochter van rijke familie, en zij deed haar best een degelijk, aan huis en haard verknocht lid der gemeen­schap van hem te maken.
Maar Columbus hield vast aan zijn denkbeeld — de tergende, knagende idee dat hij het Oosten kon bereiken door naar het westen te zeilen. Het obsedeerde hem en liet hem geen rust. Dat was het verschil tussen Columbus en de meesten zijner tijdgeno­ten. Hij was overtuigd. Hij wist. Hij popelde om te gaan. Hij moest echter lang geduld hebben eer men hem schepen gaf. Intussen vertelde hij aan een ieder die maar horen wilde van zijn denkbeeld.

Juan II, de koning van Portugal, had er belangstelling voor en liet het denkbeeld van Columbus door zijn commissie van deskun­digen onderzoeken; deze wees het af. De koning hield Columbus echter aan het lijntje totdat Bartolomeüs Dias, een Portugees, om kaap de Goede Hoop was gezeild, en daarmee de oostelijke zeeweg naar de rijkdommen van Azië had geopend. Daarna had Juan II geen belang meer bij de westelijke zeeweg.

Toen de vrouw van Columbus stierf, besteedde hij het meren­deel van zijn spaargeld aan een statige begrafenis, en vertrok daar­op naar Spanje. Koning Ferdinand en koningin Isabella waren verwikkeld in een kostbare oorlog tegen de Moren. Ze luisterden derhalve slechts met een half oor naar hem. Columbus viel even­wel terstond bij de koningin in de smaak, zodat ze hem een soort toelage toekende, in afwachting van het oordeel van haar eigen commissie van onderzoek.

De toelage was niet groot, maar behoedde Columbus voor ar­moede, totdat ze na een jaar of twee werd ingetrokken. In af­wachting van het einde van de oorlog tegen de Moren, moest hij drie en een halfjaar lang in zijn eigen onderhoud voorzien en vond een karig bestaan met het verkopen van boeken en het teke­nen van zeekaarten. Zijn rosse haar werd wit en hij kreeg jicht; zijn mantel en zijn schoenen geraakten zo vol gaten dat hij op regenachtige dagen niet naar buiten kon. Hij bleef echter wachten en praten — altijd maar praten over zijn droom.

In 1491 gaf hij de hoop in Spanje steun te vinden op en besloot zijn geluk te beproeven in Frankrijk. Hij onderbrak zijn reis in een klooster bij de zeehaven Palos de la Frontera, en kwam in gesprek met zijn oude vriend, de prior. Deze kwam onder de indruk van het verhaal van Columbus en zorgde voor een nieuwe audiëntie bij de koningin.
Hoewel Isabella’s geleerden het voorstel van Columbus eerder hadden afgekeurd, liet de koningin hem uit­spreken en zei toen, dat zijn denkbeeld haar wel aanstond. Ze vond echter de beloning die hij voor de ontdekking eiste, wel erg hoog: zij moest hem maken tot Admiraal van de Oceaan-Zee, en tot onderkoning over alle landen die hij zou ontdekken; en hem één tiende schenken van alle handel onder zijn admiraalsschap. Toen Isabella op die voorwaarden niet wilde ingaan, dankte hij haar voor haar aandacht, besteeg zijn muilezel en begaf zich we­derom op weg naar Frankrijk. Hij was niet van zins te sjacheren.

Intussen deed Luis Santangel, beheerder van het persoonlijk vermogen des konings, aan Isabella ongeveer dit voorstel: “Ik zal uit eigen middelen het bedrag lenen dat u tekort komt. Wat kunt u verliezen? En denkt u eens in wat u daarentegen zou kunnen winnen: duizenden bekeerlingen, glorie voor Spanje — en goud.” Terstond zond de koningin koeriers uit om Columbus terug te halen.

De eerste reis van Columbus kostte Isabella en Santangel ongeveer dertigduizend gulden, en Columbus, die zijn deel moest lenen, bracht vijfduizend gulden in. Bij de totale kosten van deze grote reis, die Spanje twee continenten opleverde, lijkt de prijs van 84 gulden die de Hollanders voor het eiland Manhattan betaalden, exorbitant. De drie schepen van Columbus — de Pinta, de Nina en de Santa Maria — waren stevige kleine karvelen die bij goed weer gemiddeld zeven knopen haalden, en die bij windstilte met lange riemen konden worden geroeid. Op elk schip was een kajuit voor de gezagvoerder, maar het scheepsvolk sliep aan dek. Eenmaal per dag werd er in een open vuurbak mid­scheeps een vuur aangelegd, waarop bij de aflossing van de wacht een sterk met knoflook gekruide warme maaltijd werd toebereid. De tijd werd gemeten met zandlopers die om het halve uur door de scheepsjongens werden omgekeerd.

De drie karvelen telden ongeveer 87 koppen, waaronder drie heelmeesters, een hofmeester, een tolk en een man die de koningin had meegestuurd om aantekening te houden van het goud en de edelstenen die aan boord zouden worden genomen. In tegenstel­ling tot de meeste verhalen bestond de bemanning niet uit ge­vangenisboeven, al waren er drie schepelingen die met de wet overhoop lagen omdat ze een moordenaar geholpen hadden uit de kerker te ontvluchten. De meeste opvarenden waren gewone, frisse jongens, die hadden leren zeilen door naar zee te gaan wanneer ze maar de kans kregen.
De nautische kennis van Columbus heeft bij allen die na hem kwamen bewondering gewekt. De Portugezen, die bij hun pogin­gen om Amerika te vinden ver in het noorden begonnen en daar­door in de razende westerstormen terechtkwamen, hadden ge­faald. Columbus evenwel begon ver in het zuiden, waardoor hij de goede oostenwinden kon benutten die hem rechtstreeks over de Atlantische Oceaan bliezen. Na precies 33 dagen kreeg hij land in zicht. Toen hij in de van wier wemelende Sargasso Zee verzeild raakte, smeekten zijn kapiteins hem, af te buigen om naar eilanden te zoeken. Columbus weigerde hieraan te voldoen en bleef naar het westen zeilen. Éénmaal boog hij inderdaad af naar het zuid­westen, maar dat was om een vlucht vogels te volgen die, naar hij terecht oordeelde, op weg was naar land. Als hij die beslissing niet had genomen, dan was hij tussen de eilanden voor de kust van Florida terechtgekomen.

Toen de bemanning, die nooit tevoren zó lang buiten het gezicht van land gevaren had, oproerig werd, riep Columbus hen op 10 oktober tezamen en sprak: “Als wij niet binnen twee dagen land in zicht krijgen, keer ik om.” Zijn zekerheid ontleende hij aan die vlucht vogels en aan het zien van een bessenstruik in het water.

Op 12 oktober landden ze op het eiland San Salvador (thans Watlingseiland in de Bahama’s) dat door Columbus zo werd ge­noemd. Daar knielde hij neer, dankte God en nam met veel for­maliteiten in naam van Hunne Katholieke Majesteiten Ferdinand en Isabella bezit van het eiland. De ceremonie werd oplettend door de inboorlingen gadegeslagen, die naakt, argeloos en vriendelijk bleken.

“Zo gul en vrijgevig zijn zij met hetgeen zij bezitten,” schreef Columbus, “dat iemand die het niet zelf gezien heeft het niet zou geloven; nimmer zullen zij weigeren te geven van hetgeen zij bezitten; zelfs nodigen ze uit het met hen te delen in vriendschap, en zij zijn tevreden met elke kleinigheid die men hun geeft.” Men heeft vastgesteld dat dit het volk der Taino’s was, een thans reeds lang uitgestorven ras.

Over die eerste dagen op de vreemde kust schrijft dr. Morison in zijn levensbeschrijving van Columbus:

“En zo eindigden 48 uur van de heerlijkste belevenis die enig zeeman ooit ten deel viel. Dit vlakke, zandige eiland was waarlijk geen opzienbarende ontdekking. Maar het was hier dat de oceaan de “ketenen der natuur verbrak”, zoals Seneca voorspeld had, en onthulde wat het geheim was dat de Europeanen geplaagd had sedert zij begonnen waren zich af te vragen wat er achter de wes­telijke horizon lag. Het eiland San Salvador, dat na 33 dagen westwaarts zeilen uit zee oprees, brak radicaal met alle ervaringen van het verleden. Elke boom, elke plant was de Spanjaarden vreemd, en de inboorlingen waren niet slechts een onbekend ras — ze hadden zelfs zulke mensen niet verwacht; ze spraken een on­bekende taal en leken op geen enkel ras waarvan zelfs de meest be­lezen reizigers in de verhalen van ontdekkers, van Herodotus tot aan Marco Polo, ooit hadden gelezen. Geen sterveling zal ooit opnieuw de verbazing kennen van die oktoberdagen van 1492.”

Vanuit San Salvador voer Columbus naar het zuiden en ont­dekte nog meer eilanden, waaronder Cuba, waar de mannen sigaren rookten door een eind in hun neusgat te steken en diep te inhaleren. Ten slotte kwam hij aan bij Hispaniola — het eiland waarop thans Haïti en de Dominicaanse Republiek liggen. Hier liep de Santa Maria zo vast aan de grond dat ze niet meer vlot kon komen, weshalve hij besloot, een kolonie van 40 man achter te laten in een nederzetting die hij La Navidad noemde, op de noord­kust van het eiland. Nooit zag hij de kolonisten weer, en, naar wordt aangenomen, werden ze alle 40 door de inboorlingen ver­moord. Columbus zette koers naar het noorden, wist in de weste­lijke winden te geraken, en kwam ten langen leste in Spanje terug.

Met het verslag van zijn reis verwekte de ontdekkingsreiziger een sensatie. De parade door de straten der Spaanse steden, met zijn gouden souvenirs, de papegaaien en de Indianen die hij uit de Nieuwe Wereld ontvoerd had, was het hoogtepunt van zijn loop­baan. Maar toen hij neerknielde voor koning Ferdinand en ko­ningin Isabella en zij hem verzochten, naast hen plaats te nemen, kende zijn geluk geen grenzen meer. Al hetgeen ze hem beloofd hadden te zullen geven, gaven ze hem, en ze drongen er bij hem op aan, dat hij zich opmaakte voor de volgende reis, ditmaal vergezeld van monniken, soldaten en ambachtslieden om de door hem ontdekte gebieden te consolideren en uit te breiden. De tweede reis van Columbus, in 1493, droeg in zekere zin bij tot zijn ondergang, omdat daarbij de ernstige vergissing, die hij had ge­maakt door de veertig kolonisten achter te laten, aan het licht kwam. Ook werd duidelijk, dat hij tegen insubordinatie niet was opgewassen, nu eens te lankmoedig, dan weer te hardvochtig.

Op zijn derde reis, vijf jaar later, kreeg hij voor het eerst Zuid-Amerika in zicht. Na zijn terugkeer in Hispaniola, in 1500, werd hij door een rechter van onderzoek die door de Spaanse mo­narchen naar Haïti was gezonden, schuldig bevonden aan ver­scheidene misdaden, wreedheden en onrechtvaardigheid, en in ketenen naar Spanje teruggezonden. Toen de koningin dit vernam, ontstak ze in woede en liet hem in aller ijl in vrijheid stellen. Zodra Columbus echter het hem beloofde tiende deel opeiste, bleken Hunne Katholieke Majesteiten hardnekkig in hun weigering. Het overzeese westelijke deel van het Spaanse Rijk leverde steeds meer rijkdommen op, en als ze hem de overeengekomen som had­den gegeven, zou hij onvoorstelbaar rijk zijn geweest.

Eindelijk kreeg hij in 1502 vier schepen, waarmee hij zijn vierde en laatste reis begon. Hij navigeerde ditmaal langs de kust van Midden-Amerika, maar omdat hij alleen maar gebrand was op het vinden van een doorvaart naar de Grote Oceaan, ontgingen hem twee dingen — de parelvisserij aan de kust van Honduras, en een der rijkste goudmijnen ter wereld. Bovendien sloegen zijn schepelingen aan het muiten, en het scheelde weinig of ze hadden hem gedood. Jicht kluisterde hem aan zijn sponde, zijn schepen waren verrot — in Jamaica moest hij wachten op schepen die hem terug naar Spanje konden brengen.

Intussen was de hem toegenegen Isabella gestorven, en Ferdinand, die hem niet zeer welgezind was, negeerde zijn verzoeken om geld om zijn schepelingen uit te betalen. Hij begaf zich, krom van de jicht, op een muilezel naar de koning. Deze bood hem, in ruil voor zijn titel van, en privileges als Admiraal van de Oceaan-Zee, een lucratieve hertogstitel. Columbus weigerde. Hij meende dat hij de Oost-Indiën had ontdekt, en tot het einde toe was hij er­van overtuigd dat het paleis van de Grote Khan van Cathay (China) ergens in Costa Rica lag. Hij joeg niet slechts op rijkdom, maar wilde de doorvaart vinden die hem zou voeren naar de plaatsen die Marco Polo beschreven had: daar waar alle zalig­heden, alle rijkdom en weelde van de beschaving zich bevonden.

Dit is in het kort de geschiedenis van de man die Spanje de heerschappij gaf over meer land dan zijn monarchen zich ooit hadden voorgesteld, en wiens ontdekking de blik van Europa naar het westen richtte. Columbus stierf op 55-jarige leeftijd, arm en onbeweend. Met het verstrijken der eeuwen rijst zijn heroïsche gestalte echter steeds hoger op.

Dr. Samuel Eliot Morison, hoogleraar in de geschiedenis aan de Harvard-universiteit, leidde een expeditie “in het kielzog van Columbus” met twee zeilschepen van ongeveer dezelfde afmetingen als die in welke de ontdekker zijn reizen ondernam. Zijn boek Admiral of the Ocean Sea, (dat werd uit­gegeven in 1942, is een levensbeschrijving van de gecompliceerde, fascine­rende man die tot dit wetenschappelijk avontuur inspireerde. Het boek werd bekroond met de Pulitzer-prijs.

alle biografieën

VRIJESCHOOL – Heemkunde – 2e klas (2)

In de heemkundeperiode van de 2e klas – maar ook zeker in klas 1 – kunnen de zgn. sinnige Geschichten verteld worden.

Voorbeelden daarvan zijn bv. de ‘Marialegenden’ of ‘Christuslegenden’. Onderwerpen zijn bv: hoe ‘iets’, plant of dier aan zijn naam of vorm gekomen is.

Bekende zijn: het roodborstje:een druppeltje bloed uit de wonden van de Gekruisigde; de korenbloem die het blauw aannam van de mantel van Maria en sindsdien zo blauw gebleven is.

Jakob Streit heeft er veel opgetekend in het boekje: ‘Kindheitslegenden’, vertaald: ‘Immanuel, legenden van het kind Jezus (momenteel 26-02-2014 uitverkocht)

Het ‘sinnige’ zou je kunnen omschrijven als ‘er zit iets zinnigs in – zo zou het kunnen zijn (gegaan)’; het heeft met moraliteit te maken: dat er door het verhaaltje eerbied, sympathie enz. ontstaat of wanneer er in het verhaaltje zich iets moreels  afspeelt.

Ik heb hier een voorbeeld gegeven dat ‘eerbied’ inderdaad kan ontstaan.

En ik heb zoiets nog eens meegemaakt, toen ik met een 2e klas naar een kinderboerderij was gegaan. Een aantal kinderen riep met dezelfde kreet: ‘Meester,meester, kom ‘s, deze heeft het óóóók!
Het ging om de ezel, die op zijn hals zo’n mooi- iets anders van haarkleur- kruis heeft.

Ook in de boeken van Dan Udo de Haes: ‘Zonnegeheimen’ staan voor dit doel bruikbare verhalen.

Eveneens in werk van Hermien IJzerman. Bv. ‘Bloemensprookjes, fabels en legenden (beide alleen 2e hands te koop).

Het gevaar bij deze verhaaltjes (in het algemeen) is dat de moraal er te dik bovenop ligt of te duidelijk aanwezig of de gebeurtenis tè bedacht, gekunsteld. Dat kun je soms met een bepaalde aanpassing wel corrigeren.

Iets anders is nog dat in sommige ‘Christuslegenden’ het Jezuskind zelf bloemen en dieren schept. Uiteraard zijn die mooi en liefelijk. De duivel wil dan niet achterblijven en schept ook. Uiteraard afzichtelijke wezentjes.  Ik heb deze laatste nooit in die hoedanigheid verteld. Ik vind dat je wel sympathie voor het geschapene moet ontwikkelen, maar geen antipathie. Ook al roepen sommige dieren bv. dit wel bij je op. Dat is eigenlijk al genoeg. Een bepaalde sympathie – meestal in de vorm van een zeker medelijden, zou wèl kunnen ontstaan. Als Jezus mooi helder zingende vogeltjes creëert en de duivel alleen tot de vleermuis komt, dan is het toch de verdienste van de vleermuis dat deze de vele voor ons hinderlijke muggen vangt.
Kortom: vermijd dat de kinderen een hekel krijgen aan…Dat je daar gemakkelijk je voet op zet; kapot of dood maakt (al kan ik het zelf bij muggen nauwelijks laten!)

zie ook deze heldere uiteenzetting van Magchiel Mathijssen, tevens auteur van Theorie en praktijk van de ’Sinnige Geschichte’
(Paidosuitgave nr.14)

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner als pedagoog (8)

Meester, meester, kom ‘s! deze heeft het óóóók!!!

Het is mij een keer overkomen dat ik met deze kreet naar een plaats werd geroepen waar een aantal kinderen over ‘iets’ gebogen stond. Gezien hun opwinding was ik er niet helemaal gerust op wat daar te zien zou zijn.
‘Kijk, kijk’, wezen een aantal vingers en toen ik goed keek – het duurde  even – zag ik een kruisspin in zijn web zitten. ‘Deze heeft het óók’, bevestigden ze nogmaals.

Het was al weer enige weken na een heemkundeperiode in een tweede klas. Ik had daarin een aantal zgn. Marialegenden verteld. Prachtige, korte verhaaltjes over hoe planten en dieren aan datgene gekomen waren, wat hen zo typeert.

Steiner gebruikte een aantal keren de uitdrukking ‘sinnige Geschichte’. Vertellingen met een bijzonder karakter:  ze hebben iets ‘sinnigs’ – er zit een bepaalde zingeving in- op een bepaalde zinnige manier maken ze iets duidelijk. Er gaat ook een morele werking vanuit: ze roepen vertedering op, een begrijpen op een ‘dromerige’ manier. Ze roepen iets op van ‘verbonden-zijn’, van sympathie, van eerbied.

Ze hoeven voor deze leeftijd, 7 à 8 jaar, niet historisch of biologisch ‘waar’ te zijn. Op de een of andere manier zijn ze toch ‘waar’. (Of hadden het kunnen zijn).

Laatst sprak ik een oud-leerling van me. Ze vroeg naar ‘het’ boek met deze verhaaltjes. Die moest haar kind per se horen…….

==Wanneer de heilige familie een goed heenkomen zoekt in een grot, weeft een spin voor de ingang een web. Wanneer een soldaat van Herodes de grot binnen wil gaan om te zoeken, ziet hij het web en trekt de conclusie dat daar dus niemand kan zitten, ‘anders was dat web niet heel geweest’.

Als het gevaar is geweken, bedankt de kleine Jezus de spin en raakt hem even aan, met een kruisbeweging die zich aftekent op de rug van de spin en daar sindsdien zit.==

De kinderen herkenden het: ‘Meester, meester, kom’s! Deze heeft het óóóók!’

Een gouden ogenblik in je loopbaan als vrijeschoolleerkracht.
Een ogenblik ook om heel even dankbaar te zijn voor de ‘ontmoeting’ met Steiners diepere inzichten in het wezen kind.

 

VRIJESCHOOL – Heemkunde – 3e klas (6)

.

 

Over ‘hand’elingen

De heemkundeperioden vond ik altijd heel fijne perioden. Je voelt dat je met de kinderen voor het eerst eigenlijk, met het ‘echte’ leven te maken krijgt. In de artikelen over heemkunde vind je suggesties om met de kinderen dit echte leven ook te kunnen beleven.

Wanneer de kinderen kennis maken met de ‘handvakken’ is het belangrijk dat ze leren zien dat de handen essentieel zijn om al die verschillende ambachten te kunnen uitoefenen. In de vierde klas, bij de dierkunde, kun je daarop dan weer terugkomen.
En dat er samenhang is tussen de hand – in bepaald opzicht tussen delen van het lichaam – en het ontstaan van gereedschap, dat zich in vele gevallen ontwikkelde tot machine.

Ik gebruikte vaak – uit het Oude Testament – Thubal-Kaïn als ‘uitvinder’ van gereedschap. Zo zat hij eens sterk na te denken, hoe hij iets kon maken waardoor de getemde dieren niet meer zouden kunnen ontsnappen. Hij had palen nodig en zag wel dat die in mooie rechte boomstammen staken. Terwijl hij zo nadacht, kauwde hij achteloos op een grashalm daarbij de kaken in een wilskrachtige beweging heen en weer bewegend. Plotseling was de halm doormidden. Een stukje nog in de mond, de rest op de grond. Dit bracht hem op het idee ‘iets’ te maken, zoals zijn tanden, daarmee kreeg je iets doormidden. Zo bootste hij de ribbels van de tanden na in een stuk ijzer – hij was tenslotte smid – en ontwierp een zaag.

Wanneer je de kinderen vraagt naar gereedschappen en hoe die zijn afgekeken van menselijke handelingen, komen zij met van alles: je vuist als hamer; je nagel als schroevendraaier; duim en wijsvinger vlak bij elkaar als tang enz. enz. Zelfs iets wat niet direct met de hand gedaan wordt, kan ‘handig’ zijn. Uit het eenmaal ontstane gereedschap ontwikkelden zich andere vormen: nog grotere vuisten: mokers; maar ook heel kleine hamertjes met een speciale slagkant om bv. koper mee te slaan.

En het kan vaak groter en sneller. Het koren werd in vroeger tijden afgeslagen met  een zeis. Toen de eerste maai- en dorsmachines (2 handelingen in 1 machine!) ontworpen werden, waren de snijmessen nog steeds in de vorm van een zeis – alleen minder gebogen en naast elkaar gebracht, a.h.w. 2 zeisen tegelijk. Wie erop gaat letten ziet in de machines nog altijd de ‘oer’ –handbeweging terug.

Zo ook bij de ploeg. Wanneer je in zand voren wil trekken, houd je je hand vanzelf zo als nu het ploegblad nog steeds is. Eggen: de vingers als een soort klauw. En natuurlijk op de echte eg: veel meer vingers, zoals nu met de sterke tractoren meer dan 1 ploeg de aarde omgooit.

Dat de tractor over paardenkrachten (pk’s) beschikt duidt weer op het paard dat ooit voor het landwerk werd gebruikt.

Techniek is in veel gevallen: een oorspronkelijk menselijke beweging omgezet in een die sneller gaat, meer tegelijk kan enz. Die oorspronkelijke beweging op te sporen vanuit een machine is ook een interessante weg voor kinderen.
(De elektrische klopboor als combinatie van een hamer (vuistje) en een boor (de draaiende vinger die met de nagel een gaatje uitpeutert) en dat alles in een razend tempo:hoge toeren met slagkracht)

Het is belangrijk ‘mens en wereld’ in samenhang te brengen – daar is heemkunde een bijzonder middel toe.

 

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

VRIJESCHOOL – Heemkunde – 3e klas (5)

.

De ambachtenperiode van de derde klas .

Eén van de leukste periodes van de derde klas is de ambachtenperiode . De kinderen kijken er heel lang naar uit, want van oudere zusjes of broertjes hebben ze natuurlijk al lang gehoord, dat  je dan veel uit­stapjes gaat maken,  dat er ambachtslieden in de klas komen, kortom, dat er veel te beleven valt.

Wij zijn eind januari met deze periode begonnen en we zijn uitgegaan van ons dagelijks brood. En de eerste die voor de grondstoffen van het brood moet zorgen is de boer. Wij hebben een akker kunnen huren van de gemeente Leiden. Die was al geploegd, daarna heeft de klas geëgd en in maart hebben we tarwe gezaaid. Direct na het zaaien hebben we vier prachtige vogelverschrikkers gemaakt om de vogels ervan te weer­houden al het net gezaaide graan op te eten en het heeft geholpen. Vorige week stond het graan al 10 cm boven de grond. Oogsten kunnen we pas in klas 4 en dan zullen we het graan laten malen in molen de Put als we het gedorst en verzameld hebben.

Ons eerste uitstapje was naar deze molen de Put,  een nieuw gebouwde graanmolen die bij het  Galgewater staat. Via een grote steile trap gingen we de molen in. Eerst had de molenaar ons al laten zien hoe de zeilen opge­spannen werden en hij liet ons zien, dat het hele houten bovenstuk van de molen geheel los op het stenen onder­stuk stonde Door het grote gewicht van de molen blijft deze staan en hoeft niet verankerd te worden. Niet alle kinderen hadden daar evenveel vertrouwen in toen we bovenin stonden en de hele molen bewoog zodra de wieken gingen draaien. Het piepte, kraakte en schudde en sommigen werden wat wit rond de neus en waren blij weer vaste grond onder de voeten te voelen.

Anderen vroegen de molenaar honderduit over de molenstenen, de wieken,  tandwielen, etc. die hadden de hele dag wel willen blijven!

We kochten meel waar we op carnaval pannenkoeken van ge­bakken hebben  en gingen weer terug naar school. Later bezochten we nog een houtzaagmolen en een poldermolen. Tijdens deze bezoeken was er niets meer te merken van de vrees voor het enorme geweld van het draaien der houten raderen, de enorme zagen die heen en weer gingen en het scheprad dat het water menshoog deed opspatten. De kinderen waren nu zo vertrouwd geraakt met de molens, dat die angst overwonnen was.

In de klas hebben we lied­jes gezongen over molens . En voor elke molenaar (alle drie jonge vrijwilligers, die deze molens in hun vrije tijd draaien – Molen de Put en Molen d’Heesterboom bij de firma Noordman op zaterdag en de poldermolen tussen Rijnsburg en Oegstgeest langs het Oegstgeesterkanaal op zondag, (alle drie een bezoekje waard), zei de klas het volgende versje uit volle borst op:

“Wij zijn molenaar en werken met de wind.
We vrezen geen gevaar en zijn altijd gezwind.
Begint het nu te waaien
Spannen wij de zeilen aan.
De molen gaat aan ’t draaien,
Zo malen wij het graan.
Begint het dan te stillen
Gaan wij met lust en vlijt
De steen wat scherper billen.
Zo werken wij altijd.”

(“billen = met hamer en beitel de inkepingen in de molensteen wat scherper inhakken. )

Zo staat er ergens op een molen ook geschreven:

“As de meulen staet in ?t kruus
Is de mulder an ’t billen of nait thuus.”

Als de molenaar zijn werk gedaan heeft en het graan gemalen is,  dan gaat het meel naar de bakker. En van het meel,  gemengd met gist en water, bakt de bakker ons dagelijks brood. Bakker Verhoog uit Voorschoten liet ons zien en proeven, dat er behalve brood nog vele lekkere taarten en gebakjes van het meel gemaakt worden.

heemkunde 2

In de klas hebben we zelf voor bakker gespeeld en deeg gekneed en bruine bolletjes gebakken en daar­na heerlijk opgegeten,,

Ook van de bakker hebben we liedjes gezongen en versjes opgezegd zoals het volgende,  dat door meester Stoop gemaakt is:

“De bakker laat zijn oven laaien
nog voor het eerste hanenkraaien
Meel en water, gist en zout
worden bij elkaar gesjouwd.
Hij roert en duwt en tilt het op.
Het deeg krijgt flink wat op zijn kop.
Nu kan het warm en stil genieten,
rijzen, hoog de lucht in schieten.
Brood wordt het deeg pas  in de oven,
luchtig droog en warm van boven.”

Het volgende uitgangspunt was  onze kleding. We zongen en speelden over de spinster, de wever, de schoenmaker, de klompenmaker,  etc.
De spinster kwam in de klas. Dat was onze “oude” eurythmiejuf Manja Wodowoz-de Boon en zij vertelde ons over de verschillende wolsoorten en ieder kind mocht een keer zelf spinnen.  Ook Anneke Barendsen hielp de kinderen met het spinnen. Een weefgetouw hadden we ook in de klas. De klompenmaker in Zoeterwoude hebben we bezocht en deze liet zien, hoe hij van een blok popu­lierenhout binnen een uur een prachtige, met hout­snijwerk versierde, klomp maakte.

Een waar feest was het bezoek van de nettenboetsters uit Katwijk. Vier dames op klompen, wat witte schorten aan en rooie zakdoeken om, stapten de klas binnen. Ze haalden een groot net te voorschijn,  sneden er grote gaten in en gingen aan het werk. Hun handen gingen net zo snel als hun mond en de kinderen keken hun ogen uit.  Ze vertelden over het werk vroeger. Hoe koud het was op de boetzolder ’s winters en dat ze niet mochten praten met elkaar,  alleen mocht bij uitzondering een lied uit de bundel van Johannes de Heer gezongen worden. ’s Middags kregen ze één kopje thee, maar dat er dan eerst iemand een emmer heet water moest gaan kopen voor 3 cent in de water-en-vuurwinkel. U begrijpt, dat dit wonderlijke verhalen zijn voor de kinderen van nu die alle luxe van elektriciteit en een warmwaterkraan van jongsaf kennen.

heemkunde 1

Heerlijk waren natuurlijk ook de verhalen om bij te griezelen van de vissers in de storm op zee en dat de boetsters soms netten moesten repareren van schepen die net binnen waren gevaren en nog dezelfde dag weer moes­ten vertrekken,  zodat de netten niet gespoeld of uit­gekookt konden worden, maar direct met vissenkoppen, krabben,  zeewier en inktvistentakels er nog in geboet moesten worden! De kinderen smulden van deze verhalen. Al gingen de handen van de boetsters ondertussen razend­snel en werd het ene gat na het andere gemaakt,  toen we zelf gingen proberen te boeten bleek het nog niet zo eenvoudig als het leek. Sommige kinderen lukte het wel, maar op de vraag van de dames of ze later dan misschien nettenboeter of -boetster wilden worden, riepen allen hartgrondig nee. Jammer, vonden de boetsters, want het is een uitstervend beroep en ze kunnen hun kennis en vaardigheid aan niemand overdragen, want er is geen be­langstelling voor.

Over de nettenboetsters leerden we het volgende vers:

‘We slaan er de pezen en boeten het net.
Ook wordt er vakkundig een stuk in gezet.
We maken de scheuren al zijn ze vaak groot.
Daarmee verdienen we ons dagelijks brood.
Twee pezen,  twee zijen, het net is gereed.
En honderd netten vormen een vleet.
Zo’n hele vleet neemt de logger dan mee.
Dus zonder ons kunnen de vissers niet naar zee.

Aan het eind van de periode werden we nog bezocht door pottenbakker. Hij liet alle kinderen een vaasje of schaaltje maken, glazuurde en bakte ze voor ons, zodat kind ook nog een concreet aandenken aan deze periode had

 (Ria Buscop, vrijeschool Leiden?; nadere gegevens onbekend)
.

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

 

VRIJESCHOOL – Heemkunde – 3e klas (4-1)

.

3e klas heemkunde: alle artikelen

Huizenbouwperiode in de derde klas.

Op de lang verwachte morgen waarop in de derde klas de huizenbouwperiode begon,  stapten de kinderen – velen met zware tassen beladen ~ ongeduldig de klas binnen. Van thuis meegebrachte hamers, troffels, voegspijkers en zagen gingen van hand tot hand en werden met kenners­blik gekeurd. Maar ook gingen de kinderen nieuwsgierig langs de vogel­nesten,  slakkenhuisjes,  zeeappels, die op een tafel waren uitgestald. Huizen?

Daarover ging ons eerste gesprek. Ook sommige dieren maken ‘huizen’ – maar hoe komt het dat zwaluwen altijd dezelfde nesten maken, dat slakken nooit eens een buitenissige kronkel bouwen? Hoe komt het dat mensen steeds weer verschillende huizen kunnen bouwen? Een open vraag, die bleef staan tot het einde van de periode. In de vier daar­op volgende weken ‘groeide’ langzamerhand het huis van fundament tot nok. We maakten zelf bakstenen gezand’ en ‘geplaamd’, heiden met katrol en gewicht, tekenden plattegronden, goten met – kippengaas – ge­wapend beton, metselden een grote plantenbak,  bouwden met zand….

Vlak bij school konden we van dag tot dag het bouwen van een nieuwe woonwijk volgen,  terwijl de uitvoerder ons voorging van spouwmuur naar spant. Maar ook in de klas schoten huizen als paddenstoelen uit de grond – niet met stenen, maar met woorden:

Wij mengen kalk,  zand en cement
Met water in ons instrument.
Rommel, dommel, dommel, dan
Draait die molen om en om.
Ho maar, Keesie! Goeie specie!

Zodra   meester” met de troffel specie aanmaakte, werd het onvermijdelijk : ‘Ho maar, mees ie!  …’

De huizenbouw – gedichten en prozateksten werden op schrift gesteld, begeleid door tekeningen. Met zelfgemaakte héél kleine heipaaltjes (om een lucifer de grond in te slaan]) met bouwtekeningen, waterpas en schietlood kwamen de kinderen naar school.

In de derde klas verlaat het kind zijn oude, sprookjesachtige klein kinderparadijs. Hij opent zijn ogen voor de werkelijkheid om hem heen. Het is de taak van de opvoeder, hen een zinvolle en overzichtelijke realiteit te laten beleven. Dat wordt geprobeerd in een dergelijke periode.
Op deze leeftijd verinnerlijkt zich langzamerhand het zielsleven van het kind. Het beleven van een ‘buiten’ en ‘binnen’ van een omhulling die buiten – en binnenwereld scheidt, (dat is immers de functie van een huis),  is tegelijk beeld voor datgene, wat zich in de kinderen afspeelt.
We eindigen,  zoals we begonnen waren: met vragen. Het antwoord daarop was tegelijk voorspel van de dierkundeperiode, die in de vierde klas gegeven wordt. We spraken over de menselijke hand, die tot ‘alles’ in staat is – èn de dierlijke poot of  klauw,  die ‘gevangen’ is in zijn eenzijdigheid, zodat het dier ook in zijn gedragingen gevangen is. Op zulke momenten kunnen de kinderen iets beleven van die vrijheid die de mens tot mens maakt.
In hogere klassen wordt zo’n essentieel vraagstuk stap voor stap verder ontraadseld. Door alle klassen van de vrijeschool lopen zulke ‘rode draden’, die niet leiden naar ontnuchterende feitenkennis, maar naar het begin van wezenlijk inzicht.

(Vrijeschool Bergen, nadere gegevens onbekend)
.

een paar voorbeelden van huizen uit een periode

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde