VRIJESCHOOL – Heemkunde – 3e klas (5)

.

De ambachtenperiode van de derde klas .

Eén van de leukste periodes van de derde klas is de ambachtenperiode . De kinderen kijken er heel lang naar uit, want van oudere zusjes of broertjes hebben ze natuurlijk al lang gehoord, dat  je dan veel uit­stapjes gaat maken,  dat er ambachtslieden in de klas komen, kortom, dat er veel te beleven valt.

Wij zijn eind januari met deze periode begonnen en we zijn uitgegaan van ons dagelijks brood. En de eerste die voor de grondstoffen van het brood moet zorgen is de boer. Wij hebben een akker kunnen huren van de gemeente Leiden. Die was al geploegd, daarna heeft de klas geëgd en in maart hebben we tarwe gezaaid. Direct na het zaaien hebben we vier prachtige vogelverschrikkers gemaakt om de vogels ervan te weer­houden al het net gezaaide graan op te eten en het heeft geholpen. Vorige week stond het graan al 10 cm boven de grond. Oogsten kunnen we pas in klas 4 en dan zullen we het graan laten malen in molen de Put als we het gedorst en verzameld hebben.

Ons eerste uitstapje was naar deze molen de Put,  een nieuw gebouwde graanmolen die bij het  Galgewater staat. Via een grote steile trap gingen we de molen in. Eerst had de molenaar ons al laten zien hoe de zeilen opge­spannen werden en hij liet ons zien, dat het hele houten bovenstuk van de molen geheel los op het stenen onder­stuk stonde Door het grote gewicht van de molen blijft deze staan en hoeft niet verankerd te worden. Niet alle kinderen hadden daar evenveel vertrouwen in toen we bovenin stonden en de hele molen bewoog zodra de wieken gingen draaien. Het piepte, kraakte en schudde en sommigen werden wat wit rond de neus en waren blij weer vaste grond onder de voeten te voelen.

Anderen vroegen de molenaar honderduit over de molenstenen, de wieken,  tandwielen, etc. die hadden de hele dag wel willen blijven!

We kochten meel waar we op carnaval pannenkoeken van ge­bakken hebben  en gingen weer terug naar school. Later bezochten we nog een houtzaagmolen en een poldermolen. Tijdens deze bezoeken was er niets meer te merken van de vrees voor het enorme geweld van het draaien der houten raderen, de enorme zagen die heen en weer gingen en het scheprad dat het water menshoog deed opspatten. De kinderen waren nu zo vertrouwd geraakt met de molens, dat die angst overwonnen was.

In de klas hebben we lied­jes gezongen over molens . En voor elke molenaar (alle drie jonge vrijwilligers, die deze molens in hun vrije tijd draaien – Molen de Put en Molen d’Heesterboom bij de firma Noordman op zaterdag en de poldermolen tussen Rijnsburg en Oegstgeest langs het Oegstgeesterkanaal op zondag, (alle drie een bezoekje waard), zei de klas het volgende versje uit volle borst op:

“Wij zijn molenaar en werken met de wind.
We vrezen geen gevaar en zijn altijd gezwind.
Begint het nu te waaien
Spannen wij de zeilen aan.
De molen gaat aan ’t draaien,
Zo malen wij het graan.
Begint het dan te stillen
Gaan wij met lust en vlijt
De steen wat scherper billen.
Zo werken wij altijd.”

(“billen = met hamer en beitel de inkepingen in de molensteen wat scherper inhakken. )

Zo staat er ergens op een molen ook geschreven:

“As de meulen staet in ?t kruus
Is de mulder an ’t billen of nait thuus.”

Als de molenaar zijn werk gedaan heeft en het graan gemalen is,  dan gaat het meel naar de bakker. En van het meel,  gemengd met gist en water, bakt de bakker ons dagelijks brood. Bakker Verhoog uit Voorschoten liet ons zien en proeven, dat er behalve brood nog vele lekkere taarten en gebakjes van het meel gemaakt worden.

heemkunde 2

In de klas hebben we zelf voor bakker gespeeld en deeg gekneed en bruine bolletjes gebakken en daar­na heerlijk opgegeten,,

Ook van de bakker hebben we liedjes gezongen en versjes opgezegd zoals het volgende,  dat door meester Stoop gemaakt is:

“De bakker laat zijn oven laaien
nog voor het eerste hanenkraaien
Meel en water, gist en zout
worden bij elkaar gesjouwd.
Hij roert en duwt en tilt het op.
Het deeg krijgt flink wat op zijn kop.
Nu kan het warm en stil genieten,
rijzen, hoog de lucht in schieten.
Brood wordt het deeg pas  in de oven,
luchtig droog en warm van boven.”

Het volgende uitgangspunt was  onze kleding. We zongen en speelden over de spinster, de wever, de schoenmaker, de klompenmaker,  etc.
De spinster kwam in de klas. Dat was onze “oude” eurythmiejuf Manja Wodowoz-de Boon en zij vertelde ons over de verschillende wolsoorten en ieder kind mocht een keer zelf spinnen.  Ook Anneke Barendsen hielp de kinderen met het spinnen. Een weefgetouw hadden we ook in de klas. De klompenmaker in Zoeterwoude hebben we bezocht en deze liet zien, hoe hij van een blok popu­lierenhout binnen een uur een prachtige, met hout­snijwerk versierde, klomp maakte.

Een waar feest was het bezoek van de nettenboetsters uit Katwijk. Vier dames op klompen, wat witte schorten aan en rooie zakdoeken om, stapten de klas binnen. Ze haalden een groot net te voorschijn,  sneden er grote gaten in en gingen aan het werk. Hun handen gingen net zo snel als hun mond en de kinderen keken hun ogen uit.  Ze vertelden over het werk vroeger. Hoe koud het was op de boetzolder ’s winters en dat ze niet mochten praten met elkaar,  alleen mocht bij uitzondering een lied uit de bundel van Johannes de Heer gezongen worden. ’s Middags kregen ze één kopje thee, maar dat er dan eerst iemand een emmer heet water moest gaan kopen voor 3 cent in de water-en-vuurwinkel. U begrijpt, dat dit wonderlijke verhalen zijn voor de kinderen van nu die alle luxe van elektriciteit en een warmwaterkraan van jongsaf kennen.

heemkunde 1

Heerlijk waren natuurlijk ook de verhalen om bij te griezelen van de vissers in de storm op zee en dat de boetsters soms netten moesten repareren van schepen die net binnen waren gevaren en nog dezelfde dag weer moes­ten vertrekken,  zodat de netten niet gespoeld of uit­gekookt konden worden, maar direct met vissenkoppen, krabben,  zeewier en inktvistentakels er nog in geboet moesten worden! De kinderen smulden van deze verhalen. Al gingen de handen van de boetsters ondertussen razend­snel en werd het ene gat na het andere gemaakt,  toen we zelf gingen proberen te boeten bleek het nog niet zo eenvoudig als het leek. Sommige kinderen lukte het wel, maar op de vraag van de dames of ze later dan misschien nettenboeter of -boetster wilden worden, riepen allen hartgrondig nee. Jammer, vonden de boetsters, want het is een uitstervend beroep en ze kunnen hun kennis en vaardigheid aan niemand overdragen, want er is geen be­langstelling voor.

Over de nettenboetsters leerden we het volgende vers:

‘We slaan er de pezen en boeten het net.
Ook wordt er vakkundig een stuk in gezet.
We maken de scheuren al zijn ze vaak groot.
Daarmee verdienen we ons dagelijks brood.
Twee pezen,  twee zijen, het net is gereed.
En honderd netten vormen een vleet.
Zo’n hele vleet neemt de logger dan mee.
Dus zonder ons kunnen de vissers niet naar zee.

Aan het eind van de periode werden we nog bezocht door pottenbakker. Hij liet alle kinderen een vaasje of schaaltje maken, glazuurde en bakte ze voor ons, zodat kind ook nog een concreet aandenken aan deze periode had

 (Ria Buscop, vrijeschool Leiden?; nadere gegevens onbekend)
.

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

 

Advertenties

2 Reacties op “VRIJESCHOOL – Heemkunde – 3e klas (5)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – Heemkunde – alle artikelen | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: VRIJESCHOOL – 3e klas – heemkunde – alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s