VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof (1)

Steiner over vertellen in klas 2 

Nadat Steiner meer in het algemeen over ‘vertellen’ heeft gesproken, gaat hij uitgebreid in op de FABEL, dè vertelstof voor klas 2.

Strikt beschouwd behandelt Steiner hier het lezen van een fabel. Ik ben van mening dat zijn aanwijzingen ook gelden voor het vertellen van een fabel.
In mijn 2e klassen waar de druk van tests en toetsen en dreiging ‘zwak genoemd’ te worden, vrijwel afwezig waren, m.a.w. toen je nog oorspronkelijker ‘vrijeschool’ kon zijn, waren de kinderen in het begin van de 2e klas nog niet in staat een fabel te lezen; wel tijdens het schooljaar. Een fabelboekje maken lijkt me met de huidige kopieermogelijkheden niet zo moeilijk. Af en toe kunnen de kinderen er een in opschrijven en bij iedere fabel kunnen ze illustreren – zo kan er een mooi werkje ontstaan. 

Op 27 aug.1919
Er wordt een fabel van Lessing gelezen.

Rudolf Steiner: U moet bedenken dat proza, afhankelijk van degene die leest, op verschillende toonhoogte gelezen kan worden.
Bij de titel laat men zijn stem dalen als het kan, en geeft de titel geen bijzondere nadruk.

 De nachtegaal en de pauw

Onder alle dieren van het bos was ook een nachtegaal. Er waren heel wat zangers in het bos die jaloers op hem waren, maar een vriend had de nachtegaal niet. ‘Misschien vind ik een vriend bij een andere soort,’dacht de nachtegaal en vloog vertrouwelijk naar de pauw onder hem. ‘Mooie pauw, ik bewonder je!’ ‘Ik be­wonder jou ook, lieflijke nachtegaal.’ ‘Laten we vrienden zijn,’sprak de nachte­gaal. ‘We hoeven niet jaloers te zijn op elkaar, want zo mooi als jij bent om te zien, zo mooi ben ik om te horen.’De nachtegaal en de pauw werden vrienden.

Kneller en Pope waren betere vrienden dan Pope en Addison.

Rudolf Steiner zegt in plaats daarvan bij wijze van grap: Frankrijk en Italië zijn betere vrienden dan Italië en Engeland. Dat kan men ook zeg­gen. Men kan deze fabel namelijk op de meest verschillende manie­ren toepassen.

Nu zou ik een stuk onderwijs met u willen bespreken. Ik zou u erop willen wijzen dat u nooit de inhoud van een leestekst – ik zal het prozaïsch maar zo noemen – moet bederven voor het gevoel en de ervaring door het stuk voor te lezen of samen met de leerlingen te lezen, en het dan als een schoolmeester te verklaren. Iemand met psy­chologisch inzicht zal het niet zo doen, hij zal aanvoelen dat juist een prozatekst of een gedicht in moet werken op de ziel, en wel zo dat de ziel na die ervaring tevreden kan zijn met de indruk, voldaan kan zijn door de indruk, kan men ook zeggen. Maar men zal niet mogen uit­sluiten dat men juist die voldoening die uit de inhoud van een tekst moet ontstaan, voor een leerling verhoogt doordat hij alle nuances begrijpt, althans gevoelsmatig, instinctief begrijpt wat er in het ge­dicht staat. Men hoeft geen hersenspinsels, geen geleerd commentaar vast te knopen aan een gedicht of een prozatekst, maar men moet een kind zo ver brengen dat het een tekst gevoelsmatig begrijpt. Men kan daarom het beste proberen om het eigenlijke lezen van de tekst pas het allerlaatst te doen; en alles wat men wil doen omwille van het begrip, dat doet men van tevoren. Als men op een geschikte manier het juiste van tevoren vertelt, dan treedt men niet
schoolmeesterach­tig op, maar dan draagt men ertoe bij dat niets van de tekst onver­klaarbaar blijft. Dan genieten de kinderen er meer van en is hun
vol­doening groter.

Ik zou bijvoorbeeld – u zou het wat uitvoeriger doen – het volgen­de in de klas vertellen.

‘Luister eens, beste kinderen, jullie hebben vast en zeker wel eens een hond gezien! Ja, wie van jullie zou er nog nooit honden hebben gezien? Die zou zich wel achter de kachel verstopt moeten hebben. En jullie hebben natuurlijk gezien dat niet alle honden hetzelfde zijn. Er zijn heel veel verschillende honden. Er zijn petieterige hondjes, van die hele kleine hondjes, grotere honden en hele grote honden. Jullie zijn vast wel eens bang geweest voor hele grote honden. Voor die hele kleine petieterige hondjes ben je niet bang; maar misschien ook wel, omdat ze soms in je kuiten bijten. Maar laten we vandaag eens een paar honden bekijken. Je hebt op straat vast al wel vaak een wagen met vlees gezien en daarvoor de slagershond. Als je goed hebt opgelet heb je gezien dat hij verder al­tijd voor de slagerij zit en oplet dat niemand het vlees steelt. Als er iemand komt en vlees wegpakt die het niet mag, dan moet de hond hem bijten, of in ieder geval moet hij blaffen. Je zult wel begrijpen dat een slagershond geen klein beestje kan zijn. Nee, dat is een grote hond! Jullie zullen wel gezien hebben dat er voor de slagerswagen geen keffertjes staan, en ook niet voor de slagerswinkel.
Nou, zo’n slagershond kun je vergelijken met een mens die op iets moet letten. Je kunt vaak dieren met mensen vergelijken. Wat de die­ren uit instinct moeten doen, moeten de mensen vaak uit plicht doen. Mensen en dieren moeten dezelfde soort dingen doen en daarom kan men ze ook met elkaar vergelijken.
Als een mens bijvoorbeeld op iets moet passen, net als de slagers­hond voor de slagerij, dan zal hij een bepaalde gewoonte krijgen. Als er iemand komt die iets weg wil nemen, dan zal hij hem bij zijn kraag grijpen. Ja, zo zegt men dat, wanneer men iemand erop wijst dat hij iets niet mag doen. Zo zegt men dat. Men zegt “bij de kraag grijpen” als men iemand vasthoudt. Je houdt iemand natuurlijk niet echt al­leen bij zijn kraag vast, je houdt hem bij zijn nekvel vast. Dat doet pijn en daarom gaat hij er niet vandoor. Daarom doet men dat. En die dingen die zegt men niet zo rechtstreeks, want als je zegt: “Ik grijp je bij je nekvel,” dan klinkt dat te weinig grappig. Er moet in het leven altijd een grappig element bij zitten, daarom zegt men “bij de kraag grijpen”. De mens is wel eens wat brutaal. Daarom moet hij wel eens bij zijn kraag worden gepakt. Zo kun je je ook heel goed voorstellen, als er een ander brutaal beest komt dat een stuk vlees uit de slagerij wil pakken, dat de slagershond dan zegt: “Maar ik grijp je in je kraag!” Dan zou men een heel goede vergelijking hebben ge­maakt tussen mens en dier.
Nu, jullie weten wel, er zijn ook nog andere honden, kleine, dat zijn vaak van die luiwammesen, verschrikkelijk luie wezens. Ze lig­gen op kussens, ze liggen soms ook op de schoot van het vrouwtje, kortom: luiwammesen. Dat zijn schoothondjes. Die zijn niet zo nuttig als de slagershond. De slagershond is ergens goed voor. Schoothond­jes spelen alleen maar, die zijn eigenlijk nergens goed voor; maar de slagershond zal iemand die iets doet wat hij niet mag bij de kraag grijpen, dat wil zeggen hem aanschieten, vastpakken en een flink pak rammel geven. Dat is nuttig, want het andere dier zal het vlees dan niet kunnen stelen. Het schoothondje doet niet zoiets nuttigs, dat keft alleen maar. Het keft naar iedereen, en vooral als er andere, grote honden komen, hup, gaat het schoothondje erachter aan en keft en keft en keft. Maar blaffende honden bijten niet, zegt het spreek­woord; en dat denken ook grote honden als ze erlangs lopen. Je kunt dan ook zien dat grote honden er heel rustig langs lopen en de kleine keffertjes laten keffen en bij zichzelf denken: keffende honden bijten niet. – Moedig zijn ze niet, ze zijn laf. Een slagershond moet in ieder geval moedig zijn. De schoothondjes, ja, die lopen achter je aan en keffen, maar wanneer je alleen maar naar ze kijkt, gaan ze er onmid­dellijk vandoor. Nou ja, je ziet wel, die hondjes zijn in ieder geval grote luilakken, ze doen alleen maar onnodige dingen en deugen ner­gens voor. Ze lijken op mensen waar je niet naar moet luisteren, ook al blaffen ze je heel vaak toe.

Die schoothondjes zijn heel klein, de slagershond is groot. Maar nu zijn er ook van die middelgrote. Zo’n hond is niet zo groot als de slagershond, maar groter dan een schoothondje. Zo’n hond er tussen­in is de herdershond. Een herdershond moet het vee hoeden. In som­mige gebieden is dat moeilijker dan bij ons. In sommige streken, bij­voorbeeld in Rusland, komen de wolven. En de hond moet erop let­ten dat er geen wolf of ander dier bij komt. Daarom moet hij steeds om de kudde heen lopen. Zo is de gewoonte ontstaan dat de hond steeds om de kudde heen loopt. Ook bij ons is het goed dat de hond om de kudde heen loopt, want vaak slaapt de herder en dan zou er iemand met boze bedoelingen kunnen komen en iets van de kudde kunnen weghalen. Daarom loopt de herdershond om de kudde en hoedt de kudde. Ook als er geen wolven zijn is het goed dat de her­dershond rondloopt en de kudde hoedt, en soms ook de herder hoedt en hem wakker maakt. Het zou misschien wel eens kunnen gebeuren dat een herder gestolen wordt in zijn slaap. Een herdershond is dus een nuttig dier, een dier dat nuttig werk verricht. Je kunt hem ook vergelijken met mensen die op een juiste manier in het leven staan, die geen nutteloos leven leiden zoals die luilakken, die schoothondjes. Ja, en dan is er ook in het menselijk leven dat verschil tussen mensen die als een herdershond zijn en men­sen die  als een slagershond zijn. Nuttig zijn ze allebei, ook al zijn die als de slagershonden wel eens wat grof. Soms zijn ze zo dat ze precies het goede in heel weinig, treffende woorden zeggen; dat ze het gevoel hebben dat ze iets moeten bewaken, iets moeten beschermen, een vijand moeten afweren. Een herdershond kun je vergelijken met men­sen die meer in stilte hun werk doen, maar moeten wachten tot het moment dat de moeilijke dingen van hun werk moeten worden ge­daan. De herdershond loopt rond. Veel werk heeft hij niet, maar hij moet zich steeds gereed houden om sterk te zijn, moedig te zijn, voor­bereid te zijn, wanneer de wolf komt of een andere vijand, om op het juiste ogenblik toe te happen. Zo zijn ook sommige mensen verplicht om te wachten en waakzaam te zijn tot hun optreden nodig is. Dan mogen ze zich niet laten afleiden door allerlei kleinigheden in het leven, maar ze moeten paraat zijn tot op het moment dat ze het juiste moeten doen.’

Ziet u, zoiets zou ik de kinderen vertellen, om een bepaald dier onder hun aandacht te brengen en hun gedachten te richten op de analogieën tussen dieren en mensen. Als men zoiets heeft besproken, dan zal men het volgende kunnen voorlezen zonder dat men achteraf verklaringen hoeft te geven. Als men dit kleine verhaaltje eerst zon­der verklaring zou voorlezen, dan zouden de kinderen niet ten volle voorbereid zijn, omdat hun gewaarwordingen en gevoelens niet op alles gespitst zijn. Zou men pas achteraf verklaringen geven, dan zou men het als een schoolmeester uit elkaar rafelen en dan zouden ze het ook niet goed kunnen lezen.

Ik leerde tijdens mijn onderwijzersopleiding het zo te doen als Steiner hier afwijst. Wij moesten achteraf verklaren en d.m.v. vragen kijken of de kinderen ‘het’ begrepen hadden. Dat kan in een hogere klas als taaloefening z’n nut hebben: begrijpend lezen.

Een fabel is kort en is eigenlijk gauw klaar. Mijn ervaring is nu ook zo dat ik kan zeggen dat door er van te voren mee bezig te zijn, de kinderen aandachtiger luisteren. Vooral, wanneer het lukt om in ‘gesprek’ de kinderen van alles te laten vertellen, wat ze weten bv. van het dier waarover je iets wilt vertellen, maar ook, belangrijker nog, over de inhoud van de fabel, zonder deze met name te noemen of te verklaren.
Zo vroeg ik eens aan een klas – ik had de fabel ‘De vos en de raaf’ op het oog: de mooipraterij, of de kinderen wisten wat ‘vleien’was. De een wel, de ander niet – al doende wordt de woordenschat vergroot – . Het bleek dat veel kinderen weten – zonder het woord te kennen! – dat ze dat af en toe doen om hun zin te krijgen. Als zo’n gesprekje goed loopt, vertrouwen de kinderen je heel veel toe. En krijg je weer een beetje meer inzicht in hun belevingswereld.
De kunst is om niets te veroordelen: geen moraal!.
Als dan alles wel zo’n beetje is gezegd, zeg jij: ‘En nu we dit besproken hebben, wil ik jullie deze fabel vertellen.
Als deze klaar is: laat je niet verleiden om nog een soort (morele) conclusie te trekken. Dat is de pedante schoolmeester met het vingertje: ‘Dus kinderen, weet wel…..’
Heb er vertrouwen in dat het beeld doorwerkt. 

Steiner besluit bovenstaand betoog met:

De herdershond

 Een oude herdershond, die de kudde van zijn baas trouw bewaakte, ging ’s avonds naar huis. De schoothondjes keften naar hem op straat. Hij loopt
rus­tig door en kijkt niet om. Als hij bij de slagerij komt, zegt een slagershond tegen hem: ‘Dat je daar tegen kunt – tegen dat gekef! Waarom grijp je er niet eentje in zijn kraag?’ ‘Nee,’ zei de herdershond,’niemand plaagt of bijt me toch? Ik moet mijn tanden sparen voor de wolven.’

Dan hoeft men de kinderen niets meer te vertellen; men moet er van tevoren voor zorgen dat de kinderen het begrijpen.

In deze voordracht laat Steiner het niet bij dit ene voorbeeld:

Een andere keer vertelt u de kinderen het volgende. ‘Beste kinde­ren! Jullie hebben al wel vaak een wandeling gemaakt, soms door de weilanden, tussen de velden, maar ook wel eens in het bos, en soms ook zo aan de rand, waar het bos grenst aan de weilanden. Als jullie in het bos lopen, dan loop je helemaal in de schaduw; maar als je langs de rand van het bos loopt, dan kan van de ene kant de zon nog heel fel schijnen. En als het bos grenst aan een weiland, dan kun je heel rustig bekijken hoe de bloemen groeien. Het zal altijd heel goed voor jullie zijn, als je juist die plekken uitzoekt om te wandelen waar bos en weiland aan elkaar grenzen. Dan kun je altijd of in het bos of in de wei iets uitzoeken. Dan kun je steeds opnieuw zien hoe het gras groeit en in het gras de planten en bloemen groeien.

En het is wel heel lieflijk en heerlijk als je niet alleen door het bos en door de weilanden kunt lopen, maar als die weilanden dan ook nog tussen de bergen liggen, in dalen. Op zulke weiden vindt men nog veel interessantere dingen dan op weilanden die te veel zonnestralen krijgen. Weilanden in het dal, beschut door de bergen, die hebben heel mooie bloemen, en die bloemen groeien heel vaak zo dat je ze ook tussen het mos ziet dat daar in zulke dalen met weilanden veel groeit. Vooral de viooltjes, die vind je altijd in de buurt van het mos.’
En dan kan men het verder hebben over het mos en het viooltje, men kan een kind misschien een viooltje laten beschrijven en een an­der kind het mos. Men kan zelfs proberen om op die dag viooltjes en mos mee te nemen, als ze er dan zijn. Ze zijn immers in dezelfde tijd te vinden.
En dan gaat men verder: ‘Maar kijk beste kinderen, als je zo’n weidedal in de buurt hebt, dan kan het je overkomen dat je erop uitgaat en alleen maar mos ziet. Ja, en een week later ga je nog eens kijken. En wat zie je dan? Viooltjes in het mos! Die zijn uit het mos gegroeid, die hadden zich eerst in het mos verstopt. Dat moetje goed onthouden. En als je het volgend jaar weer gaat kijken, dan zul je er nog meer vreugde aan kunnen beleven. Want dan denk je: “In de lente waren hier nog geen viooltjes! We hebben er nog geen gezien.” En dan probeer je het mos wat uit elkaar te halen. Aha! Daar zit het viooltje in!

In de natuur, beste kinderen, is het dikwijls precies zoals bij de mensen. Ook daar zijn vaak heel wat goede en mooie dingen ver­borgen. Heel wat mensen worden over het hoofd gezien omdat het goede in hen is verstopt, omdat het nog niet is gevonden. Je moet er een gevoel voor ontwikkelen om onder alle mensen de goede te vin­den.

Kijk, kinderen, we kunnen het leven van de mens nog verder ver­gelijken met de natuur. Stel je eens zo’n echt goed mensenkind voor. Jullie zullen ook wel vinden dat zo’n kind ook altijd heel goede, brave dingen zegt. En nu zijn er bescheiden en onbescheiden mensenkinde­ren. Bescheiden mensenkinderen zullen je niet zo snel opvallen. Maar onbescheiden mensenkinderen, die willen gezien worden.
Tja, dat viooltje is natuurlijk heel mooi, maar als je dat viooltje zo eens bekijkt, hoe het die schattige blaadjes zo ophoudt, dan zul je toch wel merken: het viooltje wil gezien worden, wil bekeken worden. Ik kan het viooltje niet vergelijken met een bescheiden kindje dat zich terugtrekt en in een hoekje blijft zitten. Je kunt het alleen maar ver­gelijken met een kind dat eigenlijk heel graag gezien wordt. Ja, maar het laat zich toch niet zien als het in het mos verstopt is? Ja, kijk, als je dat viooltje zo bekijkt tussen de blaadjes, hoe het te voorschijn komt en hoe alles dan uit het mos kruipt, dat is toch precies zo alsof het viooltje niet alleen gezien wil worden, niet alleen geroken wil wor­den; dat is toch zo alsof het zich wil laten zoeken: “Ja, ja, ja, ja, ja, daar ben ik al! Maar je moet me wel zoeken!” Dat viooltje, dat is zoiets als een niet heel bescheiden mensenkind, maar ook zoiets als een schelm.’

Het is heel goed als men met de kinderen zulke parallellen, zulke analogieën tussen natuur en mens bespreekt, opdat alles in de nabij­heid van het kind tot leven komt.

Het zal goed zijn om dat soort besprekingen met de kinderen te hebben als voorbereiding om de kinderen van iets te laten genieten. Na het lezen van de tekst moeten er in geen geval nog verklaringen worden gegeven. Het zou toch ook onzinnig zijn als ik u nu iets in het Chinees zou gaan voordragen. U zou zeggen: ‘Dat heeft geen enkele zin; we verstaan toch geen Chinees.’ Maar als u allemaal Chinees zou verstaan, en ik zou iets in die taal tegen u zeggen, dan zou u het ui­terst saai vinden als ik u achteraf alles zou willen uitleggen. Maar zo moet men ook een leestekst aanpakken: alles doen waardoor van de tekst genoten kan worden.

Iets uitvoeriger, en terwijl u de kinderen heel veel mee laat doen, heeft u het zo over bescheidenheid en over onbescheidenheid en ko­ketterie, en dan leest u voor:

Ei, was blüht so heimlich am Sonnenstrahl?
Das sind die lieben Veilchen, die blühn im stillen Tal,
Blühen so heimlich im Moose versteekt,
Drum haben auch wir Kinder kein Veilchen entdeckt.

Und was steckt sein Köpfelein still empor?
Was lispelt aus dem Moose so leise, leis’ hervor?
‘Suchet, so findet ihr! suchet mich doch!’
Ei, warte, Veilchen, warte! wir finden dich noch!

Hoffmann von Fallersleben

Als de kinderen de taal van gedichten hebben geleerd, dan kunnen ze in alle nuances meedoen, dan hoeft u niet achteraf door commentaar en pedanterie hun indruk te bederven. Dat is het wat ik u zou willen aanraden bij de behandeling van leesteksten, omdat u daardoor de gelegenheid hebt om veel met de kinderen te bespreken wat hoe dan ook in het onderwijs thuishoort en omdat u er zo voor kunt zorgen dat zo’n tekst onverdeeld voldoening kan schenken aan de kinderen. Dat is het dus wat ik u allemaal op het hart wilde drukken met be­trekking tot de behandeling van leesteksten.[1]

Op 30 aug. 1919 komt Steiner er nog op terug: (volgt)
‘Wanneer de mens uit de geestelijke wereld afdaalt en zich met een lichaam omhult, wat wil hij dan eigenlijk? Hij wil dat wat hij voorheen in de geeste­lijke wereld ervaren heeft, realiseren in de fysieke wereld. In zekere zin is de mens voor de tandenwisseling nog volledig gericht op het verleden. Men is nog vervuld van de overgave die men in de geestelijke wereld ontwikkelt. Daarom geeft de mens zich over aan zijn omgeving door de anderen na te bootsen. En wat is nu de grondimpuls, de onbewuste grondstemming van het kind tot aan de tandenwisseling? Deze grondstemming is eigenlijk heel mooi en moet ook gekoesterd worden. Het is de stemming die er – onbewust – van uitgaat dat de hele wereld goed is. Tegenwoordig is dat niet bij alle zielen zo, maar in aanleg gaat de mens, door op aarde fysiek gestalte aan te nemen, er onbewust van uit dat de wereld moreel goed is.
Daarom is het voor de hele opvoeding tot aan de tandenwis­seling, en later nog, goed om rekening te houden met deze onbewuste grondstemming dat de wereld goed is. Toen ik twee teksten behandelde, (zie boven) met name de voorbereiding daarvan, heb ik daar ook rekening mee gehouden: deze voorbereiding stond volledig in het teken van een morele karakterisering. Bij het gedeelte over de herdershond, de slagershond en het schoot­hondje heb ik geprobeerd te karakteriseren hoe de mensenmoraal weerspiegeld kan zijn in het dierenrijk.
Ik heb bij het gedicht van Hoffmann von Fallersleben over het viooltje geprobeerd om, zonder pedant te worden, ook aan kinderen boven de zeven iets moreels bij te brengen, opdat men tegemoetkomt aan deze veronderstelling dat de wereld goed is. Dat is ook het inspirerende en grootse van kinderen, dat ze mensen zijn die geloven in het goede van de wereld en die geloven dat men daarom de wereld mag nabootsen. – Het kind leeft ook in het verleden en openbaart ons zo ook in veel opzich­ten het voorgeboortelijke verleden – niet het fysieke, maar het geestelijke verleden.’

Op 28 aug. 1919 (volgt)

 

Caroline von Heydebrand:
2e klas:
Bij het vertellen en navertellen zoekt men de overgang van het sprookje naar de fabel en dierenverhalen. Het kind is op deze leeftijd nog zo met zijn omgeving verbonden, dat het de dieren het beste begrijpt, wanneer deze als mensen optreden. Dat nu zit in de fabel. Legenden brengen harmonie voor wat aan het dier beleefd is, wanneer het kind door de legenden hoort hoe de mens naar volmaaktheid streeft. Deze zijn daardoor een noodzakelijke aanvulling op de dierenfabel en het dierenverhaal.[3]

In de passages uit Steiners voordrachten hierboven wordt (nog) niet gesproken over ‘legenden’.
Ik heb het altijd als een evenwichtige afwisseling ervaren: de ondeugden van de dieren tegenover de deugden van de heiligen.
Die afwisseling is belangrijk en mag volgens mij niet zo gehanteerd worden als ik weleens heb gezien, in een ‘periode’ fabels vertellen (gedurende  (een paar ) weken, en dan weer veel legenden). Om en om, lijkt mij.

[1] GA 295  Praktijk van het lesgeven – werkbesprekingen met leraren, blz. 58ff.
[2] GA 293 Algemene menskunde als basis voor de pedagogie, blz.144/145
[3] Caroline von Heydebrand Vom Lehrplan der freien Waldorfschule, 1965

 

Advertenties

9 Reacties op “VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof (1)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – 2e klas: ‘er is er een jarig’ | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: VRIJESCHOOL – Vertelstof – de zinrijke vertelling (1) | VRIJESCHOOL

  3. Pingback: VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Franciscus | VRIJESCHOOL

  4. Pingback: VRIJESCHOOL – Links (andere websites en blogs) | VRIJESCHOOL

  5. Pingback: VRIJESCHOOL – Vertelstof – 2e klas (3) | VRIJESCHOOL

  6. Pingback: VRIJESCHOOL – 2e klas – alle artikelen | VRIJESCHOOL

  7. Pingback: VRIJESCHOOL – Heemkunde – klas 2 | VRIJESCHOOL

  8. Pingback: VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – klas 2 (groep 4) | VRIJESCHOOL

  9. Pingback: VRIJESCHOOL – VERTELSTOF -Alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s