Tagarchief: zinrijk vertellen

VRIJESCHOOL – Vertelstof – de zinvolle vertelling

.
Voor deze vorm van verhalen heeft het Duits ‘sinnige’, ‘zinnig’, een verhaal met ‘zin’, met betekenis. Zinvol of zinrijk kan ook.
.

Erhard Fucke, Erziehungskunst nr. 1 jrg. 34 ja. 1970
.

Het verhaal met betekenis

Een pedagogische opgave voor de eerste drie klassen van de basisschool

Rudolf Steiner kende een belangrijke rol toe aan het “verhaal met betekenis” in de eerste drie klassen van de basisschool. De leerkracht moest de gehele wereld in het gesprek betrekken, zodat deze zijn wezen kon onthullen door middel van een schat aan beeldende, individuele verhalen.
In verschillende delen van zijn voordrachten ging hij in op de onderliggende principes met betrekking tot de aard van de mens. Een centraal thema is dat het kind tot de leeftijd van negen jaar “nog geen onderscheid kan maken tussen wat het innerlijke wezen van de mens vormt en wat de uiterlijke omgeving of de natuur vormt.”
“Het kind schrijft dezelfde krachten die het in zichzelf waarneemt bij het ervaren van ongemak of pijn, ook toe aan zon en maan, aan bomen en planten.”*

*In GA 305  hier vertaald weergegeven.

Inspelen op deze situatie betekent dat natuurelementen worden voorgesteld als wezens die spreken, voelen en handelen zoals mensen.
De verbinding van het kind met de omgeving – een band waarvan het zich nog niet kan losmaken – is duidelijk onbewust en natuurlijk van aard. Door de gehele omgeving op menselijke wijze te bezielen, tilt de leerkracht deze verbinding naar het niveau van een droomachtige, gedeelde ervaring. De band wordt bewuster hersteld door de activiteit van de ziel, waardoor een natuurlijk gegeven wordt omgevormd tot de eerste menselijke vermogens en innerlijke verworvenheden van het kind.
Steiner heeft dit proces klaarblijkelijk voor ogen wanneer hij zegt:

“Het gaat erom – vooral in het eerste schooljaar – een zeker ontwaken van het kind ten opzichte van zijn omgeving teweeg te brengen, een ontwaken van de ziel, zodat het leert zich werkelijk met de omgeving te verbinden.”
Dat is het tweede motief.*

*GA 295/156  Vertaald/156

Het derde betreft het effect dat optreedt wanneer het kind zijn relatie tot de omgeving niet op deze antropomorfe wijze heeft ervaren.
“… het (kind) mist een deel van wat het betekent om mens te zijn in het latere leven”. (GA 305 – zie boven)

Wat met dit deel wordt bedoeld, blijft in het midden.
Wanneer de leerkracht “betekenisvolle verhalen” wil bedenken, stuit hij op vele moeilijkheden. Zijn pedagogische instincten verzetten zich ertegen de wereld op antropomorfe wijze vorm te geven. Hij vreest vanuit een beeldende wereld af te dwalen naar een wereld van louter fantasie, en zoekt daarom naar criteria die deze krachten in goede banen kunnen leiden en reguleren. Een dergelijk regulerend principe vindt hij bijvoorbeeld in de opmerking van Goethe dat alles wat vergankelijk is, het karakter van een metafoor draagt.

Zo zoekt hij naar de archetypische aard van elk verschijnsel, met als doel de wereld doorzichtig te maken voor een rijk van archetypen dat erin verborgen ligt en haar tegelijkertijd tot stand brengt. Hij wil, met andere woorden, ontwikkelen wat Goethe ‘exacte verbeeldingskracht’ noemt. Tegen een dergelijk streven is geen bezwaar; er zijn immers juist prachtige verhalen uit voortgekomen. De ervaring leert echter dat er jaren van regelmatige studie nodig zijn om zelfs maar de eerste bescheiden verhalen op dit gebied te kunnen vertellen. Moet men zichzelf in die tijd verbieden om ‘betekenisvolle verhalen’ te vertellen? En volstaat de vrucht van jarenlange studie om een ​​klas – gedurende een periode van drie jaar – te voorzien van verhalen die alle wereldverschijnselen in deze vorm aan het kind onthullen?
Bovendien sluiten sommige uitspraken van Steiner helemaal niet aan bij deze weg van strikt exacte beoefening. Er is bijvoorbeeld de uitspraak die de leerkracht onmiddellijk terugvoert naar het hachelijke terrein van tegenstrijdige indrukken: “Of gebeurtenissen daadwerkelijk plaatsvinden of niet, is in het individuele geval volstrekt onbelangrijk; waar het om gaat, is dat ze betekenisvol zijn.”*

*GA 177/203
Vertaald

Elders spreekt Steiner over de waarde van een verhaal dat zeker niet in strikte zin een archetypisch karakter heeft:
“De grootmoeder van Adalbert Stifter zei tegen de jongen: ‘Kind, wat is  avondrood? Kind, wanneer de avondgloed verschijnt, hangt de Moeder Gods haar gewaden op – want ze heeft er vele – om ze elke avond aan het hemelgewelf te tonen!’

“Dit zijn woorden waaruit de goden kunnen putten voor de verdere evolutie van de wereld.’*

*GA 276/170
Niet vertaald

Op zorgeloze wijze bezielt Stifters grootmoeder het natuurverschijnsel en stelt ze het voor als het werk van de Moeder Gods; daarmee speelt ze in op precies die behoefte aan menselijke bezieling van natuurprocessen die iets in het kind wakker roept. Toch kan dit korte verhaal ons ook helpen de kenmerkende kwaliteit van ‘zinvolheid’ (*Sinnigkeit*) beter te begrijpen.

Volgens Rudolf Steiner draait alles om deze kwaliteit; zij is het – en niet zozeer het archetypische karakter van het verhaal – die bepaalt of het verhaal al dan niet pedagogisch effectief is.

Adalberts grootmoeder moet hem vaak over de Moeder Gods hebben verteld, en het zal haar ongetwijfeld gemakkelijk zijn afgegaan om bij de jongen een gevoel van eerbied en bewondering voor deze geliefde gestalte te wekken. Vervolgens legde zij – op vrije en zelfs meesterlijke wijze – een verband tussen deze ervaringen en de avondgloed. Plotseling raakte de zonsondergang verbonden met de innerlijke gevoelswereld van de jongen; voortaan kon hij de avondgloed niet meer aanschouwen zonder dat die gevoelens in hem opkwamen. En zelfs toen hij later precies begreep hoe natuurwetten de zonsondergang teweegbrengen, verloor het beeld waarmee hij had geleefd – doordrenkt als het was van de herinnering aan een geliefde – niets van de vreugde die het ooit had opgeroepen.
Op dat moment ervaart hij het natuurverschijnsel echter op een zodanige wijze dat zijn innerlijke wereld er volledig mee kan samensmelten. De aldus bezielde natuur wordt voor het kind net zo vertrouwd als zijn eigen wereld van vreugde en pijn.
Wat is dan een verhaal dat de ziel aanspreekt? Het is een verhaal dat de mens aanzet tot reflectie op iets waar hij anders wellicht onopgemerkt aan voorbij zou zijn gegaan. Het beschouwend stilstaan ​​bij een dergelijk gevoel – dat tegelijkertijd een beeld is, en dus beide tegelijk – is een proces van ademhalen dat bij ieder mens, maar vooral bij een kind, een staat van bezinning bevordert. Het straalt een kalmte uit die niettemin de meest intense alertheid in zich draagt, waardoor schijnbare tegenstellingen op een zeldzame en bijzondere wijze met elkaar in harmonie worden gebracht.
De twee verhalen die volgen, en die trachten de aard van een dergelijk verhaal te belichamen, worden hier gepresenteerd om niet slechts abstracte gedachten, maar concrete voorbeelden te bieden.

Ik geloof niet dat ze in deze vorm verteld moeten worden; dat is een schrijfstijl
die streeft naar een zekere beknoptheid – iets wat niet van nature past bij een gesprek tussen volwassenen en jonge kinderen.
Het ideaal zou zijn dat het verhaal zijn uiteindelijke vorm pas vindt door de interactie met de kinderen.

Rudolf Steiners verhaal over het viooltje lijkt mij hier een treffend voorbeeld van, omdat hij de kwaliteit van het aandachtig luisteren lijkt aan te voelen en daaruit de uiteindelijke formulering ontwikkelt, zodanig dat men geneigd is de kinderen een deel van het auteurschap toe te schrijven. Dit vergt dezelfde artistieke benadering die Steiner ook bij het schilderen voorstaat. Het resultaat moet niet zijn wat alleen de leerkracht of alleen het kind wenst, maar een derde element – ​​iets dat tussen beide in ligt en beide partijen evenzeer verrast.
De voorbereiding vervalt zodoende tijdens het vertellen, en het verhaal wordt
in dat proces opnieuw ontdekt. ​​Dit getuigt van een hoog artistiek niveau.
Ik ben ook van mening dat het navertellen van verhalen van anderen slechts een
noodoplossing is. De pedagogische werking lijkt immers juist te schuilen in de
daad van de leerkracht zelf om de natuur tot leven te brengen – en daarmee
innerlijke krachten te wekken die hem in zijn volwassen aard anders niet zo
gemakkelijk ter beschikking staan. Verbeeldingskracht bezielt niet alleen het
verhaal, maar ook de verteller zelf, en dit bezielende effect treedt zelden op
wanneer men een verhaal vertelt dat door iemand anders is bedacht.

.

Vertelstof: alle artikelen

Rudolf Steiner over vertellen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3604-3397

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Heemkunde – 2e klas (2)

.

In de heemkundeperiode van de 2e klas – maar ook zeker in klas 1 – kunnen de zgn. sinnige Geschichten verteld worden.

Voorbeelden daarvan zijn bijv. de ‘Marialegenden’ of ‘Christuslegenden’. Onderwerpen zijn bijv: hoe ‘iets’, plant of dier aan zijn naam of vorm gekomen is.

Bekende zijn: het roodborstje: een druppeltje bloed uit de wonden van de Gekruisigde; de korenbloem die het blauw aannam van de mantel van Maria en sindsdien zo blauw gebleven is; de kruisspin die snel een web spon voor de ingang van de grot waarin de heilige familie was weggekropen.

Jakob Streit heeft er veel opgetekend in het boekje: ‘Kindheitslegenden’, vertaald: ‘Immanuel, legenden van het kind Jezus (momenteel 26-02-2014 uitverkocht)

Het ‘sinnige’ zou je kunnen omschrijven als ‘er zit iets zinnigs in – zo zou het kunnen zijn (gegaan)’; het heeft met moraliteit te maken: dat er door het verhaaltje eerbied, sympathie enz. ontstaat of wanneer er in het verhaaltje zich iets moreels afspeelt.

Ik heb hier een voorbeeld gegeven dat ‘eerbied’ inderdaad kan ontstaan.

En ik heb zoiets nog eens meegemaakt, toen ik met een 2e klas naar een kinderboerderij was gegaan. Een aantal kinderen riep met dezelfde kreet: ‘Meester, meester, kom ‘s, deze heeft het óóóók!
Het ging om de ezel, die op zijn hals zo’n mooi – iets anders van haarkleur- kruis heeft.

Ook in de boeken van Dan Udo de Haes: ‘Zonnegeheimen’ staan voor dit doel bruikbare verhalen.

Eveneens in werk van Hermien IJzerman. Bijv. ‘Bloemensprookjes, fabels en legenden (beide alleen 2e hands te koop).

Het gevaar bij deze verhaaltjes (in het algemeen) is dat de moraal er te dik bovenop ligt of te duidelijk aanwezig of de gebeurtenis té bedacht, gekunsteld. Dat kun je soms met een bepaalde aanpassing wel corrigeren.

Iets anders is nog dat in sommige ‘Christuslegenden’ het Jezuskind zelf bloemen en dieren schept. Uiteraard zijn die mooi en liefelijk. De duivel wil dan niet achterblijven en schept ook. Uiteraard afzichtelijke wezentjes.  Ik heb deze laatste nooit in die hoedanigheid verteld. Ik vind dat je wel sympathie voor het geschapene moet ontwikkelen, maar geen antipathie. Ook al roepen sommige dieren bijv. dit wel bij je op. Dat is eigenlijk al genoeg. Een bepaalde sympathie – meestal in de vorm van een zeker medelijden, zou wél kunnen ontstaan. Als Jezus mooi helder zingende vogeltjes creëert en de duivel alleen tot de vleermuis komt, dan is het toch de verdienste van de vleermuis dat deze de vele voor ons hinderlijke muggen vangt.
Kortom: vermijd dat de kinderen een hekel krijgen aan…Dat je daar gemakkelijk je voet op zet; kapot of dood maakt (al kan ik het zelf bij muggen nauwelijks laten!)

Zie ook deze heldere uiteenzetting van Magchiel Mathijssen, tevens auteur van Theorie en praktijk van de ’Sinnige Geschichte’
(Paidosuitgave nr.14)

.

Pieter HA Witvliet
.

heemkunde: alle artikelen

Vertellenalle artikelen

Rudolf Steiner over vertellen: alle artikelen

.

488-451

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.