Tagarchief: temperamenten

VRIJESCHOOL – De schoolarts (1-1)

.

Rudolf Steiner, die op verschillende manieren invulling heeft gegeven aan ‘gezondmakend onderwijs’, vond het wenselijk dat een vrijeschool een schoolarts zou kunnen raadplegen wanneer haar of zijn visie zou kunnen bijdragen aan een betere ontwikkeling van een kind.

Veel vrijscholen hebben de mogelijkheid dat ze de hulp van een – vrijwel altijd – antroposofisch arts – kunnen inroepen. 

Hier een klein verslag van een schoolarts zelf:

Nu ik een jaar als schoolarts op de vrijeschool in Zutphen gewerkt heb, kan ik enige ervaringen uiten. Ik heb in deze tijd kinderen bekeken in de klassen, met ouders gepraat, kinderen onderzocht en over hen gepraat in de vergaderingen van het lerarencollege. Het is me niet gemakkelijk gevallen alles te volbrengen wat er van een schoolarts op de vrijeschool verwacht wordt, daar dit natuurlijk een vak is dat je in de praktijk moet leren. De voornaamste taak is misschien wel hulp geven bij het opvoeden (in de ruimste zin van het woord) van kinderen aan zowel leraren als ouders met gebruikmaking van de specifieke visie en kennis van een anthroposofisch arts. Dat is ruim op te vatten. Ik zou dagelijks ouders kunnen aanschieten en hun vragen stellen over de voedingsgewoonten en
vrijetijdsbesteding van hun kinderen en hen confronteren met mijn ideëen daarover. Dat zou verkeerd zijn, want net zoals in de schoolkeus is men ook vrij in de opvoeding – men moet echter wel de mogelijkheid bieden kennis te nemen van deze ideeën en daarom heb ik stukjes geschreven in de Triangel*,

Het zou goed zijn als de opvoeding thuis aansloot bij die op school, en het is ook mijn taak daaraan mee te werken. Daarbij krijgt een schoolarts vele vragen van leraren te verwerken, die ik natuurlijk lang niet allemaal kan beantwoorden, maar dan kan zo’n vraag juist stimulerend werken voor verdere studie.

Op de vrijeschool proberen we elk kind zo goed mogelijk tot ontplooiing te laten komen door rekening te houden met zijn bijzondere persoonlijkheid. Een belangrijk hulpmiddel hierbij is de beschouwing van het temperament van het kind: melancholisch, flegmatisch, sanguinisch of cholerisch. Het eerste hangt samen met het vaste, onveranderlijke, zware, tevens kwetsbare, gelijk een vaste stof bij beschadiging niet meer uit zichzelf herstelt; het tweede met waterigheid, slijm, vervormbaarheid, gezondheid, onverstoorbaarheid; het derde met lucht, vluchtigheid, snelheid, veranderlijkheid, afleidbaarheid; het vierde met vuur, warm, explosief, groots, meeslepend. In deze 4 temperamenten zitten dus de 4 elementen waar we op aarde mee te maken hebben: aarde, water, lucht (en licht) en vuur.
Als men zich in de eigenschappen van deze 4 elementen verdiept, kan men ze terugvinden in mensen. Een kind groeit naar zijn temperament toe, maar daarbij ook door temperamenten heen: hij is bijvoorbeeld in aanleg melancholisch, maar verkeert in een sanguinische levensfase ( basisschool) en. komt daardoor toch sanguinisch over – wee degene echter die zo’n kind als “luchtig” gaat behandelen, want alles wat men doet, komt bij dit kind diep terecht en duurt lang voor het verwerkt is.
Een pasgeborene is hoofdzakelijk flegmatisch, maar daarin is toch al iets anders te herkennen: de wijze van wakker worden, het huilen, eten, de
verstoorbaarheid, zijn allemaal tekenen die op een bepaald temperament kunnen wijzen. Hoe meer we thuis zijn in het temperament, des te beter we met het kind om kunnen gaan. Want een melancholicus heeft een beschermende behandeling nodig, waarbij hij een taak moet kunnen afmaken, een flegmaticus moet wakker gehouden worden en opgepept, een saguinicus tot rust gebracht maar moet niettemin veel te doen krijgen, de cholericus dient wat geblust te worden, maar ook gebruikt te worden met zijn energie. Allen moeten beschermd worden tegen al te éénzijdige en al te vroege ontwikkeling van een temperament; we moeten de melancholicus afleiden als hij te lang blijft hangen op één taak, evenals we de sanguinicus aan één opdracht moeten houden op een bepaald moment, om hem niet al te vluchtig te laten worden. Zo moeten we leren spelen met de temperamenten, evenals met de elementen. Ook met het eten, met de kleding, met de dagindeling, kan rekening gehouden worden met het temperament.

Naast het temperament kan men bij kinderen ook nog een andere indeling maken; het meer wakkere, alerte kind dat alles direct ziet en door heeft (‘Sinterklaas heeft Pappies sokken aan!”), goed kan rekenen en veel antwoorden weet, maar minder goed is in schilderen en andere kunstzinnige activiteiten, en het dromerige kind dat meer in zijn eigen wereld leeft, niet zo afleidbaar is, dat ver meegaat in de verhalen: en daar nog lang in blijft verkeren, dat minder goed is in rekenen (abstract) maar beter in schilderen (fantasie). Ook hierbij geldt dat gewaakt moet worden tegen te éénzijdige ontwikkeling van zo’n type. We moeten het kind dan ook vaak confronteren met datgene wat hij a priori afwijst.

De combinatie van deze laatste indeling met de temperamentenleer geeft ons al vrij veel criteria. Daarbij zijn er natuurlijk meer of minder intelligente kinderen, snel en langzaam ontwikkeld, handig of onhandig, beschadigd of gaaf, beschermd of onbeschermd opgevoed- noem maar op, oneindige mogelijkheden. De temperamenten echter vertellen ons het meest over de werkelijke aard van het kind.
Uit al deze gegevens proberen we in de lerarenconferentie wekelijks een beeld van een bepaald kind te vormen.

Wat voor aanpak is hier op zijn plaats? Wat voor therapie moeten we hem geven? (eurythmie, schilderen, boetseren, muziek, massage, zang) Hoe kunnen we allen het kind helpen vooruit te komen? Tenslotte wordt het beleid met de ouders besproken alvorens uitgevoerd te worden, waarbij natuurlijk de volledige medewerking van de ouders wordt verlangd.

Op die manier trachten we op school te werken aan optimale ontwikkelingskansen van de kinderen.

B.R. de Klyn, Triangel, schoolkrant Zutphen, nadere gegevens onbekend

Rudolf Steiner over gezondmakend onderwijs

Temperamenten: in Menskunde en pedagogie nr.15

Temperamenten en rekenen: 1e klas rekenen

.

1262

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Heemkunde (1-1)

.

HEEMKUNDE

Wij, volwassenen,  weten veel van de wereld om ons heen. Daarvoor hebben vakken als aardrijkskunde, scheikunde, biologie en natuurkunde gezorgd. Dat is kennis.
We hebben ook een verantwoording voor die wereld. Dat houdt in dat we ons geweten, of onze morele kant, met die kennis samen gebruiken om die wereld goed te beheren.

Tjonge, wat een zware aanhef voor een artikel over heemkunde voor de lagere klassen. Eens kijken wat dat met elkaar te maken heeft.

Er is echter een tijd in ons leven, dat de morele kant en de kenniskant nog één zijn en dat duurt voort tot in de lagere klassen van de onderbouw. Even een voorbeeld uit de tweede klas. Stelt u zich eens voor dat u langs een laan loopt met hoge, rechte populieren. Maken ze geen statige, deftige indruk, zoals ze daar ieder takje zo snel mogelijk hoog in de lucht steken? Heel anders van karakter is dan die knoestige oude appelboom in de boomgaard ernaast. Hij is dan wel niet zo hoog als de populieren zijn,  maar hij heeft al vele mensen en dieren gediend, met zijn glanzende, sappige appels. Voor kleine kinderen is het vanzelfsprekend dat twee bomen, die er zo uitzien een gesprek met elkaar kunnen hebben, waarin hun karakters naar voren komen. Ze zien de wezens en de dingen om zich heen nog als zijnde van hetzelfde plan, “antropomorf* dit is: in een menselijke vorm.
Zo kunnen in een eerste klas nog heel goed verhalen verteld worden over de zon, de maan, en de sterren. Het kennisaspect (sterrenkunde?) komt eigenlijk nauwelijks aan bod. Wel komt er veel over deze helpers aan de orde, wat door de kinderen als vanzelfsprekend herkend wordt. De zon als schenker van warmte, en licht en de maan die zich met zijn bleke licht soms helemaal niet durft te laten zien. Maar dan komt hij later weer heel moedig met z’n volle gezicht de donkerste nacht toch nog verhelderen. Ook stenen, lucht, water, planten en dieren spelen een rol in de eerste klas.

In de tweede klas wordt de heemkunde op onze school in de vorm van een “bomenperiode” gegoten.

In de derde klas wordt het kennisaspect weer wat meer aangesproken. Op de boerderij met al z’n dieren en planten waarmee de kinderen een gevoelsband hebben,  blijkt al gauw dat alle wezens elkaar aanvullen, ja zelfs nodig hebben. De mensen hebben de planten nodig, vooral de granen. De planten hebben de dieren nodig voor o.a. bemesting en bestuiving.  De mensen verzorgen weer de planten en de dieren. Ook de plantenwereld op zich past zo in elkaar, dat we voor elkaar verantwoordelijk zijn.

Voor het bouwen van een huis, dat alle mensen nodig hebben, zijn vele vaardigheden nodig. Dat kan één mens alleen niet! (smeden, stenen bakken, metselen, timmeren, stukadoren enz.) Daarom zijn er vele ambachten die samen het uiteindelijke werkstuk (het huis) tot stand brengen.

Buiten het horen van verhalen in alle drie de klassen, waarin alles zo levendig   mogelijk beschreven wordt, is er natuurlijk voor alles een gepaste verwerking.   Versjes, geïmproviseerde en vaste toneelstukjes, recitaties, tekeningen en schilderingen laten alle aspecten van het onderwijs aan de orde komen. Voor de leerkracht is het een hulp dat hij bij het aanbieden van verhalen en de verwerking ervan, gebruik kan maken van de 4 temperamenten.

Om een voorbeeld te noemen: het cholerische temperament, waarbij de jambe (kort-lang) heel goed past, kan een hulp zijn bij het maken van een gedicht over de eik.

De eik

De eik die kan
de storm wel aan
ja stevig stoer
zo blijft hij staan

Of de flegmatische trocheus (lang~kort) bij de linde

De linde

Zie de grote lindeboom
staat verzonken
in haar droom
rond haar blaad”ren
rond haar kruin
ronde vruchtjes
geel en bruin

zie haar schaduw valt zo wijd
als haar kroon is uitgespreid,
of haar onbewogen laat
alles wat zij gadeslaat

Hoewel het misschien voor de hand lijkt te liggen dat je bij onderwijs over dit thema er veel op uittrekt om buiten te gaan kijken hoe de bomen er uitzien, gebeurt het toch vrij sporadisch. Bijvoorbeeld als een soort afsluiting van de periode.

Het is de bedoeling dat de leerkracht vooraf met zijn beeldend vermogen, vanuit z’n vertellen en vanuit de andere klassenactiviteiten iets oproept dat de kinderen herkennen.
(Wat fijn dat er bij ons zulke sterke eiken in de straat staan!) Of de ogen worden geopend voor wat er in de omgeving te zien is. (Die bomen op het kerkhof dat zijn échte treurwilgen).

Als de kinderen, naast het onbezorgd spelen en omgaan met planten en dieren, lucht en water, ook op een morele manier kennis met de natuur hebben gemaakt, kunnen ze er later ook gemakkelijker liefde voor opvatten.

Nu wil ik graag even teruggrijpen op het begin van dit stukje. De volwassene die naar kennis en geweten met de hem omringende wereld omgaat. De bodem voor het geweten wordt namelijk al heel vroeg gelegd. Dat is de gevoelsband met de natuur die het kind in zijn vroegste jeugd kan krijgen. De heemkunde tot het 10e levensjaar kan daar een waardevolle bijdrage aan leveren.

In de 4e klas gaat het objectieve kennisaspect een wezenlijker rol spelen. In plaats van dromend in de wereld op te gaan, ervaren de kinderen voor het eerst hun eigen ik tegenover de wereld.
.

(Mathieu Baeten, nadere gegevens onbekend)
.

Heemkunde: alle artikelen

Temperamenten: artikelen  onder nummer 15

Rudolf Steiner over vertellen; alle artikelen

.

480-443

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 1e klas – heemkunde (3)

.

HEEMKUNDE

Het kind in de laagste klassen voelt zich nog één met de natuur. Zon en maan, plant en dier, alles heeft voor het kind een bepaald gebaar. Gebaren laten zich in taal omzetten.

Voor het kind is het derhalve natuurlijk, dat alle dingen een taal spreken. En ook een taal met elkaar spreken. Bewustwording van de omgeving krijgt het kind door verhalen over de kracht van de eik, de schuchterheid van het viooltje, de milde warmte van de zon.

De taal van deze dingen moet niet fantastisch zijn, maar wel fantasievol. Uit exacte fantasie moet door de leerkracht geput worden. Alles moet iets wezenlijks uitspreken.

Het kind leert zijn affectie en sympathie verbinden met bepaalde beelden en voorstellingen.

Leerplan voor klas I: verhalen over de natuur in sprookjessfeer

De winter vlucht

Men kan altijd beginnen met een geschiedenis, die een inleiding vormt tot het onderwerp, laten we zeggen: van de winter.

Op een nacht hoort men gebrom en gekreun. Men gaat naar buiten en ziet… een grote, wit besneeuwde gestalte in de tuin zitten. Medelijdend vragen onzerzijds. Het is vrij donker, maar er valt wel te zien, dat het koning Winter zelf is. Hij is gehavend door het gelui van de sneeuwklokjes, die Zon, Wind en Water hebben gewekt. Zorgvuldige beschrijving van de klachten van de koning volgt. Ook wordt het kleine, maar moedige sneeuwklokje beschreven, de Zon, de Wind en het Water.

Het is inderdaad Lente geworden. Het verhaal resulteert in een piepklein spelletje in dichtvorm. De jaargetijden zijn een belangrijk aanknopingspunt voor de heemkunde.

Het sneeuwde toen de lieve Lente
Haar klokjes in de tuinen hing.
Daar stonden zij heel flink te bengelen:
‘Ik wilde, dat die Winter ging…!
Ting, ting, ting!
‘Ik vlucht voor jou niet!’  zei de Winter,

‘Al tingel jij ook nog zo lang!
‘Een oude Witbaard is waarachtig
‘Niet voor zo’n kleuterklokje bang!’
Ting, ting, tang!’
Maar ’t klokje luidde alles wakker:

Zon, Wind en Water. Ting, ting, ting!
Tot mopperend — op zijn witte sokken —
Heer Winter naar het noorden ging.
Ting, tang, ting!

 

Er is een koor van kinderen. Eén speelt voor Zon, één voor Water, één voor Wind — een wilde kerel — één voor Winter — een mopperpot — en het meest verlegen meisje mag voor Sneeuwklokje spelen. Ach, veel tekst is er niet. Maar de kinderen weten nu heel goed, hoe de winter vertrekt. Iedereen begrijpt ook, dat hij volgend jaar óók weer vertrekt en nog dit jaar opnieuw komt.

De lente komt
De Lentefee heeft de handen vrij. Zij vliegt — een beweeglijk meisje — met een toverstokje rond. Op de grond liggen overal opgerolde kinderen. Wat zij voorstellen zal nog blijken. De fee raakt elk opgerold kind met haar stokje aan. Het koor spreekt:

 ‘Lente komt door bos en akker
En roept al het leven wakker.
Eerst de kleine, fijne zaadjes,
Dan de tere, groene blaadjes,
En de bloesemknoppen
En de vlinderpoppen…
Ja, zij ziet daarbij, hoe uit ieder ei
Kruipt het jonge leven!
Lieve Lente, wil nu zweven
Over veld en bos en akker.
Allen, alles maakt zij wakker!’

Spelen, reciteren, spelen en reciteren. De spelers spreken dus niet mee. Nu, zoiets is er voor de herfst ook.

‘Hoor de wilde wind eens waaien!
Hoor hem woelen door het bos!
Alle takken, twijgjes zwaaien
En de blaadjes… raken los,
Dansen, dwarr’len op en over,
‘Stuiven, stoeien in het rond,
Tot met geel en gouden lover
Ligt bedekt de grauwe grond.
Nu sterven kruid en blad,
Ook alle bloemen bont
En kruipen tor en pad
Heel, heel diep in de grond.’

Wel men voelt, hoe fijn het is om als blaadje rond te rennen, als takje heen en weer te zwaaien en als beestje weg te kruipen. Sommigen zijn zelfs niet meer te vinden. Gelukkig heeft het gedicht ook daarin voorzien. Hoort u maar:

De dagen worden koud en kort. ‘
Wij zullen in ons huisje gaan
En wachten tot het lente wordt…
Om vrolijk weer aan ’t werk te gaan!’

Ieder jaargetijde brengt in de natuur weer andere dingen naar voren. De gedichten worden zelfgemaakt of ontleend aan andere collega’s.

Wat zegt deze tegen die?
De krachten van de natuur personifiëren en tot beeld maken, dat is eigenlijk moderne mythologie bedrijven. De leerkracht maakt deze stof zelf. De inspanning van de leerkracht werkt denkbaar gunstig op het kind, vooral ook op het sociaal zwakke kind of op het moeilijk lerende kind. Een gesprek tussen zon en maan:

Zon: ‘Wat zijn mijn stralen heerlijk warm! Ik zie beneden de bloemen opengaan. Mijn licht laat ik op aarde neerdalen als een grote schilder, die alles met een reuzenkwast beschildert en kleurt. Wanneer ik er eens niet was, dan zouden de mensen niet eens dagen kunnen tellen.
Wanneer ik mooi, rose en geel, boven de horizon uit kijk, dan begint de dag.
Hoor je de haantjes kraaien?
Wat zijn ze blij, dat het licht weer terug is.
En de mensen gaan dan met plezier aan het werk.1

Maan: ‘Kalmpjes aan, broer Zon! Wat zouden de dagen zijn, wanneer er geen nacht op volgde? Wanneer jij de hele dag brandend-warm hebt geschenen, zeggen de mensen ppf! en oef!
Ze gaan zitten genieten van mijn zachte, koele licht. Sommigen hebben zelfs een zonnesteek gekregen. Een maansteek kunnen ze van mij nooit krijgen!’

Zon: ‘Wie een zonnesteek heeft gekregen, heeft ook heel dom gedaan door met blote nek steeds naar mij toe te zitten. Maar jij, lieve Maan, doet ook wel eens wat raars. Jouw licht is er niet altijd. Dan zie je niets; en soms zie je er uit als een sinaasappelpartje, dan weer als een witte bal en soms als een klein, scherp sikkeltje.’

Maan: ‘Ja, ik verander steeds van vorm, maar heel regelmatig, in de loop van de tijd. die de mensen maan-d noemen. Jij voor de dag, en ik voor de maand, zo zijn we allebei nodig!’

Dan zijn er de bomen*
Aan de rand van het bos staat de berk. Haar stam is prachtig wit met donkere banden hier en daar. Haar kroon — een boom is net een koningin — is driehoekig, haar kleine fris-groene blaadjes ook. Zij is heel sierlijk. De takken waaien en wiegen heen en weer. Het is, alsof ze dansen.

Bij het water staat de treurwilg. Zijn stam is gegroefd en groenig. Zijn blaadjes hangen naar beneden, ook wanneer het waait, hangen ze omlaag. Hij spiegelt zich in het water. Natte voeten zijn voor hem erg nodig. Zijn stam is te krom en te zwaar om te dansen.

In het bos staat de eik. Stam en takken zijn grimmig gegroeid, zijn bladeren staan in slordige bosjes bij elkaar. Zij komen laat en blijven lang liggen. De eik staat met diepe, sterke wortels in de grond. De stam is sterk, het hout hard en duurzaam, de takken zijn vol hoeken als puntige ellebogen.

Liefelijk is de rustige, brede linde. Haar stam is stevig, maar het hout is vrij zacht. De kroon is groot en bol, de bladeren zijn rond met een klein puntje aan het uiteinde. Heerlijk geuren de bloesems.

De linde is ook drukbezocht door bijen en andere insecten. Vogels nestelen ook graag in het dichte loof.

De berk zegt:
‘O, wat is het heerlijk te dansen en mijn blaadjes te laten ritselen op de adem van de bolle wind! Vrolijk begroet ik iedereen met mijn dansende takken. Weet je, waar ik het meest van houd? Wanneer er troepen vrolijk joelende en spelende kinderen om mij heen zijn. Die gezellige drukte! Maar ik houd ook van de taterende spreeuwen en de kwetterende mussen. De mensen help ik graag, met het frisse sap, dat tussen mijn tere schors en de stam vloeit.’

(sanguinisch van stemming)

De treurwilg zegt:
‘Ach, hoe treurig is het leven. Ik houd niet zo van die drukke kinderen, laten die liever wegblijven. Rustig kijk ik naar mijn spiegelbeeld in het water, dan behoef ik tenminste niet steeds iets anders te zien. want daaraan heb ik een hekel. Wel kijk ik graag naar de rand van het kerkhof, wanneer er weer een mens begraven wordt. Ze kunnen zich druk maken, maar de rust van het graf wacht een ieder.
(melancholisch van stemming)

De eik zegt:
‘Ha, ho! Wat een storm! Mijn takken steken en vechten. Met de wind! Mijn sterke hout kreunt en kraakt. Ja, dat is de moeite! Wat? Of ik bloemen heb? Ja, het moet wel. Maar, van dat weeë spul alleen het allerkleinste! Bijen? Welneen! Wespen, galwespen, die steken tenminste flink en maken galappeltjes. En ik vecht door! Zo, de wind geeft het op. Hij is gaan liggen. Koning Eik heeft gewonnen!

(cholerische stemming)

De linde zegt:
‘Ik houd veel van de mensen, niet van die heel drukke kinderen, maar vooral van de oudjes, dat zijn verstandige, lieve mensen. Mijn hele, bolle kroon ritselt en zoemt. Heerlijk geuren mijn bloesems. De bijen halen er honing uit, heerlijke lindebloesemhoning hm! hm! hm! wat lekker. Ik sta graag op die kleine dorpspleintjes, waar de oudjes op een bank in mijn schaduw zitten en oude herinneringen ophalen. Daarvan geniet ik dan ook…’

(flegmatische stemming)

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)

.

*In de vijfde klas zullen de kinderen weer over deze bomen horen in de plantkundeperiode. Wanneer je in de 1e, 2e of 3e klas essentiële dingen over de bomen vertelt, kun je daar in de vijfde op teruggrijpen. Vaak weten de kinderen het nog. Het is ook goed om in een 1e te zeggen dat wat ze nu te horen krijgen, later nog terugkomt, ‘als ze groter’ zijn. Dat roept verwachting op – dat is toekomstgericht.

.

Heemkunde: alle artikelen

1e klas: alle artikelen

.

475-440

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.