VRIJESCHOOL – Vertelstof- biografieën – Mozart

.

MOZART, HET WONDERKIND DER MUZIEK

 

Mozart

Onherroepelijk laatste concert ! . . . De jongen, die nog geen zeven jaar oud is, zal het cembalo bespelen, hij zal een vioolconcert voordragen, en bij de uitvoering der symfonieën de continuo-partij vertolken op het klavier, waarvan de toetsen met een doek zijn bedekt; hij kan dan even goed spelen als wanneer hij de toetsen kon zien. Hij zal alle noten opnoemen die hem worden voorgespeeld, afzonderlijk of in akkoorden, en hij is genegen op het cembalo en op het orgel te improviseren zo lang men wenst. Toegangsbe­wijzen een halve thaler.

Met dit bericht, als gold het een buitenissige kermisat­tractie, kondigde in 1763 een Duitse krant het optreden aan van het meest universele muzikale genie dat de we­reld ooit heeft leren kennen, Wolfgang Amadeus Mozart.
Onder het publiek bevond zich die avond nog een andere jongen, de 14-jarige Goethe, wiens naam eveneens bestemd was om onsterfe­lijk te worden. Vele jaren later herinnerde deze zich nog de frisse verschijning van het vrolijk kijkende muzikantje, dat naar de bank voor het cembalo huppelde, gekleed in zijn bespottelijke maar dure pakje van lila satijn, met zijn gepoederde pruik en zijn miniatuurdegentje, en dat zich vervolgens met hart en ziel aan de muziek overgaf.
De gaven die Mozart bij zijn geboorte had meegekregen waren van een onbegrijpelijke volledigheid. Hij had niet alleen een absoluut gehoor en een feilloos gevoel voor ritme, maar ook een sterk instinct voor harmonie. Zo komt het dat hij als kind van vier jaar al op het spinet kon leren spelen*, op zijn vijfde met viool beginnen kon, en er toen al in slaagde om van het blad lezend, zich samen met zijn vader en diens vriend door een reeks trio’s heen te worstelen. Dit kind kon al noten lezen en opschrijven voordat het aan de letters toe was. En zelfs in de stukjes die hij op zijn zesde jaar schreef, merkt men al bij de eerste maten dat Mozart ze moet hebben gemaakt en niemand anders. In de be­zielde, zelfverzekerde componeertrant en de gracieuze stijl ver­raadt zich onmiskenbaar het jeugdige genie.

Zijn handen waren even merkwaardig ontwikkeld als zijn hersenen. Op zijn tiende jaar verbaasde hij de Nederlanders met een voortreffelijke demonstratie op het grootste en meest gecom­pliceerde kerkorgel ter wereld. Hij was veertien jaar toen hij in Rome gelegenheid kreeg het koor van de Sixtijnse kapel te horen in een miserere. Dit was een lang, vrij ingewikkeld, negenstemmig motet en de partituur werd zorgvuldig geheim gehouden — het was de zangers zelfs op straffe van excommunicatie verboden de muziek te kopiëren. De jongen nam de klank zo intens in zich op, dat hij thuisgekomen het hele stuk uit het geheugen opschreef. Toen hij het voor de tweede keer hoorde zingen merkte hij tot zijn verdriet dat hij bij het noteren drie foutjes gemaakt had. De paus excommuniceerde hem niet maar benoemde hem tot Ridder van de Gulden Spoor, een onderscheiding die vóór hem ook Orlando di Lasso en Gluck ten deel was gevallen.

De vader van dit fenomeen was Leopold Mozart, een middel­matige violist maar een voortreffelijk pedagoog, in Salzburg. Hij had ontzag voor het genie van zijn zoon, maar dat nam niet weg dat hij het exploiteerde. Samen met Wolfgangs zusje Nannerl, een begaafde kleine pianiste, sleepte hij de jongen heel Europa door. De kinderen speelden zelfs voor de gekroonde hoofden van Engeland en Frankrijk en voor de Oostenrijkse keizerlijke familie. Bij die laatste gelegenheid gleed Wolfgang uit op de paleisvloer waarbij hij lelijk kwam te vallen. Een klein meisje hielp hem overeind en troostte hem, waarop Wolfgang uit erkentelijkheid aanbood om met haar te trouwen als hij groot was. Maar de toekomst had voor Marie Antoinette een ander lot in petto.

Hotsende reiswagens en slechte wegen, vunze herbergen en urenlang hard werken hadden geen uitwerking op het vrolijke humeur en de energie van de jongen. Dikwijls wisten de verrukte toehoorders van geen weggaan, en om hen te plezieren bleef het kind steeds maar doorspelen als onder de ban ener betovering; de melodieën rolden uit zijn vingers, de noten van het ene wijsje speelden krijgertje met het andere en dansten als meidruppels op een bloemperk. Totdat papa Mozart dan een eind aan de zaak maakte en de deftige dames en heren het ventje met toejuichingen en liefkozingen begonnen te overladen, wat gelukkig de natuur­lijke frisheid van zijn karakter nooit heeft bedorven.

Een andere leermeester dan zijn vader heeft Wolfgang nooit gehad. Hij is ook nooit op school geweest, maar wierp zich graag op allerlei problemen en vakken, als er iets te leren viel. Speciaal rekenkunde boeide hem en hij kalkte muren en tafels vol met reken­sommen; hij was verrukt over de wetenschap die als geen andere in staat was op een vraagstuk het enig juiste antwoord te geven. Hier ligt misschien een sleutel tot de vraag waarom Mozarts muziek zo exact en evenwichtig van vorm is. Maar Mozart is ook poëtisch, innig en vrolijk. Hij is even hartveroverend als ge­makkelijk om naar te luisteren.

In Mozarts tijd vond men sommige van zijn composities te “modern”, te “geavanceerd.” Terwijl in onze oren een stuk van Mozart dat wij voor het eerst beluisteren, overbekend en ver­trouwd aandoet. De reden is dat Mozart een sterke invloed heeft gehad op de muziek die na hem kwam. Beethoven bestudeerde zijn werken voortdurend, en zo Haydn zijn 24 jaar jongere vriend soms imiteerde, dan was dat een blijk van oprechte hulde. Chopin was diep doordrongen van de geniale geest van Mozart, en zelfs de trotse Wagner boog voor hem het hoofd. Veel van de schoonheid in de vrolijke Strausswalsen of in de prachtige liederen van Schubert kan men terugbrengen tot Wolfgang Amadeus Mozart.

Hij was muzikaal tot in de toppen van zijn vingers. Hij kon een hele poos met een verrukt gezicht in de schokkende reiskoets zitten, met zijn vingers op zijn knie trommelend, tot hij eindelijk een thema in gedachten had uitgewerkt en hij het later zó op een stukje papier kon krabbelen. Op zijn veertiende jaar dirigeerde hij te Milaan zelf zijn nieuwste opera (Mitridate) met het destijds grootste orkest van Europa. Toen hij 15 was had hij veertien symfonieën en zes korte opera’s op zijn naam.
In de jaren tussen zijn vijftiende en eenentwintigste begaf hij zich op alle denkbare gebieden van de ingewikkeldste compositie­techniek, en uiteraard ligt een vergelijking voor de hand met de prestaties van vroegere componisten, die ieder voor zich meester waren op hun speciale terrein. Maar Mozart doorstaat die verge­lijking met glans, hij toont zich de meester van hen allen, en het is duidelijk dat zijn gaven zich met elk jaar stralender ontplooien, zoals een komeet ons verblindt naarmate hij de aarde nadert. Naar recht en billijkheid had hij in de muziekwereld de aller­hoogste post moeten bekleden die zijn vorst, keizer Joseph II, hem had kunnen verlenen. In plaats daarvan werd hij door de keizer op een tamelijk onheuse manier genegeerd; er waren er in de hofkliek genoeg die angstig jaloers waren op Mozarts wonder­baarlijke begaafdheid. Zijn concurrenten verhinderden de uit­voering van zijn werken, of als dat niet lukte werden de spelers omgekocht om de muziek zo handig mogelijk te verknoeien. Auteursrecht om de componisten te beschermen bestond er in die dagen niet; was een muziekstuk eenmaal bekend dan was iedereen vrij om het uit te voeren — zelfs mocht een ander het omwerken en in zijn eigen composities gebruiken. Voor een componist be­stond alleen veiligheid wanneer hij in dienst werd genomen door een kunstbeschermer, hetzij door een vermogend particulier, of aan een hof. De beschermer bij wie Mozart emplooi vond — tegen een jaargeld van ruim 250 gulden! — was de aartsbisschop van Salzburg. Daar moest Mozart zijn maaltijden samen met het personeel gebruiken, en de bisschop meende dat zijn hoforganist zich des te onderdaniger zou betonen naarmate hij meer werd af­gesnauwd. Nadat Mozart in juni 1781 ontslag had genomen, vestigde hij zich als onafhankelijk kunstenaar in Wenen.

Toen de beroemde Christoph von Gluck overleed, kreeg hij diens post als kamercomponist aan het keizerlijk hof, tegen nauwe­lijks meer dan de helft van wat Gluck had ontvangen, een salarisje van 800 gulden. Toch was Mozart ook hiermee al in zijn schik, hij was jong en ietwat impulsief getrouwd en de kleintjes lieten niet op zich wachten. Zijn vrouw Constanze was een van de vier knappe dochters van het gezin Weber, waar ze allemaal muzikaal waren. Constanze was nog een dertienjarige giechel toen hij haar voor het eerst zag, of liever hij zag haar helemaal niet, hij had alleen oog voor haar oudere zusje Aloysia, vijftien jaar, met een prachtige stem en dito figuurtje. Aloysia beloofde op hem te zullen wachten in de tijd dat hij naar Parijs ging om zijn fortuin te maken. Toen hij met lege handen terugkeerde, was zij al een ge­vierde operaster. Jaren later vroeg men haar eens waarom zij Mozart de bons had gegeven. “Ik vond hem zo’n kleine man.”

Constanze lijmde de stukken van zijn gebroken hart aan elkaar en in augustus 1784 trouwden zij, wat een onherstelbare breuk met papa Mozart ten gevolge had. “Stanzi” was een snaaks blondje, een ideale gezellin voor picknicks in het Wiener Wald, maar voor huisvrouw miste zij alle capaciteiten. Mozart vond het pijnlijk te moeten aanzien hoe die opgewekte, naar plezier snakken­de natuur te kampen had met alle nasleep van armoede en kraam­bed. Zodat “Wolfi” dikwijls te veel geld spendeerde aan luxedingen om op haar gezicht die kinderlijk verrukte glimlach terug te toveren, waarom hij haar getrouwd had. Erger was, dat haar ge­zondheid veel te wensen overliet, het baren was een marteling ge­weest en vijf van haar zeven kinderen vonden een voortijdig graf.

De moeilijkheden waarmee Mozart te kampen had waren voor iedere andere componist ruimschoots voldoende geweest er één lange klaagzang over te schrijven, maar Mozart spuide zijn ver­driet over vernederingen en smerigheden nooit in zijn muziek. Hoe moeilijker hij het had, des te meer getuigde Mozarts kunst van zijn levensmoed die echter geen grimmige vastberadenheid is, maar blijgeestig als de zang van de leeuwerik.

Om de slager te betalen, en zelfs om de deurwaarder af te kun­nen poeieren (die maar al te vaak verscheen om een stuk van het meubilair mee te nemen), speelde Mozart het ene concert na het andere. Voor elk hiervan schreef hij een nieuw werk, dat meestal pas op het laatste nippertje gereed kwam; sommige van zijn mees­terwerken zijn in enkele dagen tot stand gekomen. Tijdens de vochtige winters waarom Wenen zo berucht is, was het voor Mozart vaak een probleem hoe hij voldoende kon stoken om er­bij te kunnen werken. Er kwam eens een bezoeker die Wolfi en Stanzi al ronddansende in de kamer aantrof, en men heeft deze anekdote wel eens zo voorgesteld alsof het echtpaar louter een grapje maakte. In werkelijkheid waren ze die dag stijf van de kou, en deden ze wanhopig hun best om in beweging te blijven. De bezoeker rende naar buiten om hun brandstof te laten sturen.

Maar de vriend aan wie de wereld het meest te danken heeft was een zekere Puchberg, een zakenman, die Mozart herhaalde­lijk wat geld bezorgde als de nood hoog was gestegen. Wanneer wij de brieven lezen waarin Mozart bij zijn vriend op hulp aan­drong, zieden wij van verontwaardiging dat dit stralende genie eens heeft moeten bedelen.

Maar daar was in ieder geval de stad Praag, die hem al tijdens zijn leven heeft begrepen, en waar hij op de handen werd gedragen. Toen hij was uitgenodigd om daar zijn komische opera De Bruiloft van Figaro te dirigeren, die in Wenen koel ontvangen was, merkte hij dat er in de straten van Praag niets anders dan Figaro werd geneuried. Tijdens zijn verblijf aldaar schreef hij de prachtige “Praagse” symfonie en dadelijk daarna vertrok hij om een opera voor te bereiden die hij speciaal voor deze dankbare muziekstad wilde schrijven. Het waren heerlijke dagen in het leven van Wolf­gang en Constanze toen zij de bergen overtrokken op weg naar de joviale Boheemse hoofdstad, waar Mozart ging werken aan zijn Don Giovanni, die vaak de “volmaakte” opera genoemd wordt. Da Ponte, de dichter van het libretto, was een vrolijke Frans; hij woonde tegenover de Mozarts in dezelfde nauwe steeg en van tijd tot tijd kon men hen elkaar over straat horen roepen om te komen luisteren, als er weer een paar bladzijden af waren. Of een ander maal sjouwden zij samen de stad in voor een feestelijke fles wijn.

Er kwamen zoveel uitnodigingen van bewonderaars dat Mozart tijd te kort kwam. Eén dag voor de première moest de ouverture nog worden geschreven. Het licht in de zaal was al aan, toen de muziek inderhaast op de lessenaars werd uitgedeeld en de or­kestleden moesten het adembenemende muziekstuk van het blad spelen.

Nooit eerder was een komisch onderwerp zó elegant en treffend in muzieknoten weergegeven. Maar de Don Giovanni is ook een treurspel, en bewijst onmiskenbaar Mozarts dramatische, ja demonische talent. De toejuichingen en het bisseren meegerekend duurde de première zes uur in plaats van drie. Er was aan de kas­sa genoeg ontvangen om de schouwburgdirecteur van een faillis­sement te redden, maar de componist kwam er bekaaid af.

Naarmate het kortstondig lichtschijnsel van Mozarts aards be­staan zijn einde naderde, scheen het aan snelheid te winnen en steeds feller te stralen. Zijn laatste negen symfonieën, waarvan er verscheidene nooit tijdens zijn leven zijn uitgevoerd, zijn die van een Beethoven waardig. Maar al te dikwijls meent men Mozart af te kunnen doen met de kwalificatie “sierlijk”, en men kent dan hoogstens de eenvoudige sonatines en menuetten die kinderen op pianoles krijgen. Maar wie zijn gehele oeuvre heeft gehoord kan niet anders dan aangegrepen zijn door de diepe schoonheid van zijn werk.

In het 35ste jaar van zijn leven, toen hij al ernstig ziek was, schreef hij in Wenen zijn beroemde sprookjesopera De Toverfluit die vol is van de wonderlijkste melodieën. De opera, die Mozart had gemaakt om zijn vriend de toneeldirecteur Schikaneder voor een bankroet te bewaren, ging in een oud, vervallen theater. Het nieuwtje verspreidde zich snel en heel Wenen kwam in de zaal. Schikaneder kreeg genoeg geld binnen voor een nieuwe schouwburg, maar Mozart was te ziek om de uitvoeringen bij te wonen, hij lag in bed op de klok te kijken, en zei dan: “Nu gaat het doek op,” of: “Nu lopen ze ongedeerd door de vlammen,” en: “Nu horen ze de toverfluit.”

Een paar maanden daarvoor had Mozart bezoek gekregen van een vreemdeling die, naar hij zei, namens zijn meester aan Mozart de opdracht kwam geven om een Requiem te schrijven voor ge­mengd koor, ter nagedachtenis van de overleden echtgenote van zijn meester. Diens naam wilde de boodschapper niet noemen. Wij weten nu dat de opdracht kwam van een adellijk dilettant, graaf Walsegg, die in het geheim muziekwerken placht te be­stellen om ze dan onder eigen naam te laten uitvoeren. Er waren tal van moeilijkheden die de aflevering van het werk vertraagden en herhaaldelijk kwam de boodschapper tot spoed manen. In zijn delirium meende Mozart dat het een afgezant uit een andere wereld was, en dat de duivel hem had opgedragen zijn eigen doodsmis te schrijven; hij werkte er koortsachtig aan. Indruk­wekkend en angstaanjagend zijn de klanken die het Requiem op­roept uit de grondeloze diepten van smart en berouw; maar ook serene en troostende akkoorden zijn er, sprekend van ’s mensen hoop op het Leven hierna. Op zijn sterfbed, omringd door de weinige trouwe vrienden, trachtten Mozarts lippen nog het trom­petthema van de Oordeelsdag te vormen, dat het Requiem be­heerst.

Enkele vrienden waren in het vale licht van een naderend on­weer bijeen om bij Mozarts kist de korte mis te horen lezen. Toen zij op weg gingen naar het kerkhof weerlichtte het, en wind­stoten striemden hun de regen in het gezicht. Ze keerden terug en lieten de lijkwagen alleen verder rijden. In een massagraf, tussen de stoffelijke resten van zwervers en prostituees, verdween het tere hulsel dat de ongeëvenaarde Genius der Muziek had gehuisvest.

Mozart zegevierde over onrecht, ziekte, schuld, zelfs over de Dood. Op alles wat onedel en onwaardig was heeft hij een ant­woord gegeven, dat natrilt met de harteklop van het Leven zelf.

*Het spinet en de meestal grotere klavecimbels (cembalo, virginaal, harpsichord, Kielflügel) waren uitgerust met pennetjes in plaats van hamers. Het waren de voorlopers van onze moderne piano’s.

.

Biografieën: alle artikelen

.

482-445

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

Een Reactie op “VRIJESCHOOL – Vertelstof- biografieën – Mozart

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – Vertelstof – Biografieën – alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.