Maandelijks archief: november 2021

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4-7)

.

In de jaren 1970 van de vorige eeuw werden er in het blad ‘Jonas’ artikelen gepubliceerd waarvan de auteur zich baseerde op antroposofische gezichtspunten. Die artikelen blijken al die jaren later nog veel waars te bevatten en nog steeds actueel te zijn. Het aangehaalde feitenmateriaal is uiteraard van die tijd, maar kan makkelijk door hedendaagse feiten worden vervangen.
O.a. A.H. (Lex) Bos ontwikkelde bijzondere gezichtspunten.
.

Lex Bos, Jonas 25 / 27 augustus 1976

.

Tussen groot- en kleinschalig

.

Omgaan met afhankelijkheden

.

Schumachers boekje ‘Hou het klein’ is een brevier voor vele ‘alternatievelingen’. Bij het streven naar kleinschaligheid moet nauwkeurig in het oog gehouden worden in hoeverre er motieven binnensluipen die anti-economisch zijn. Alles wat tendeert naar autarkie, naar zelfverzorgerdom, naar kleine onafhankelijke productie-consumptiecircuits is anti-economisch. In het moderne economische leven zijn de problemen in wezen altijd mondiaal. Een wereldwijde onderlinge afhankelijkheid is de oefenplaats voor mensheidsbewustzijn. Wie die afhankelijkheid schuwt en uit nostalgie naar de beslotenheid van de zelfverzorgerseconomie streeft werkt tegen de tijdgeest in. Het zoeken naar milieuvriendelijke en aan mensen aangepaste technieken en ondernemingsvormen ontslaat ons niet van het probleem van de onderlinge afhankelijkheid.

We willen in dit artikel het probleem van de groot- en kleinschaligheid bespreken in samenhang met als vraag hoe we omgaan met afhankelijkheden. Het is zinnig om structuurvraagstukken altijd in samenhang te zien met gedragsvraagstukken. Organisatieproblemen hebben steeds hun complement in de menselijke vermogens die de nieuwe vormen tot leven moeten brengen. Vorm en inhoud hangen altijd samen.
Bovendien willen we het vraagstuk van de groot- en kleinschaligheid en het omgaan met afhankelijkheid niet alleen bekijken in het kader van het economische leven maar het ook opzoeken in het geestelijk-culturele leven. We zullen zien dat het daar in een soort spiegelbeeld verschijnt.

Beginnen we met het geestesleven. Het geestesleven omvat alles wat te maken heeft met opvoeding, kunst, wetenschap, gezondheidszorg, religie e.d.

In het geestesleven gaat het uiteindelijk om de geestelijke verwerkelijking van de enkeling. leder mens is uniek. Ieder gaat zijn ontwikkelingsweg. In dit geestesleven moet de grootst denkbare vrijheid worden nagestreefd voor de ander, opdat hij zijn zelfverwerkelijkingsweg kan gaan, zijn biografie kan leven. In het geestesleven gaat het om de impulsen, de intenties, het streven van het individu. In dat gebied mag ‘egoïsme’ heersen in de bovengenoemde ‘objectieve’ zin!
Daarom is het organisatieprincipe van het geestesleven: de samenbundeling van het gelijkgerichte. Gelijke intenties kunnen elkaar versterken en het geestelijk resultaat potentiëren. Voor het sociale organisme betekent dat gezonde ‘voeding’. In het geestesleven moet ruimte zijn voor de meest verschillende initiatieven: scholen met de bijbel en andere zonder, scholen voor naakte apen en andere voor aangeklede engelen, scholen die alleen direct bruikbare kennis en vaardigheden overdragen en andere waar de persoonlijkheidsvorming centraal staat.

Wanneer men nu — door een misplaatste tolerantie of door overheidsvoorschriften — al zulke stromingen onder één dak wil brengen, ontstaat er óf een kleurloos compromis óf ontstaan er zulke inwendige spanningen dat de zaak uit elkaar ploft. De ervaringen in de zogenaamde scholen-‘gemeenschappen’, in de sociale academies, aan de universiteiten (marxistische politieke economie in Tilburg bv.) demonstreren deze wetmatigheid duidelijk. De inwendige spanning leidt veelal tot een uiteengaan van deelgroepen die niet langer onder één dak kunnen samenwerken. De opvattingen van diverse groepen docenten of welzijnswerkers over het doel van de betreffende onderwijsrichting c.q. welzijnsinstituten kunnen zo verschillend zijn dat de samenwerking niet meer mogelijk is. Dat kan bv. ook het geval zijn bij een alternatief koffiehuis, opgezet door een stel enthousiastelingen die zich op dat moment nog niet bewust zijn van hun uiteenlopende intenties. Langzamerhand wordt het duidelijk dat de ene groep eigenlijk bezig is met het creëren van een ontmoetingsplaats, de ander met het inrichten van een centrum voor politieke agitatie. Laten we ons dit proces eens verder voorstellen. Hoe kan zo iets verlopen?

Laten we aannemen, dat de initiatiefnemers van dit koffiehuis hebben ingezien dat ze verschillende doelstellingen onder één paraplu hebben willen verenigen: ‘gezellige tent’ en ‘actiecentrum’ gaan niet samen. Na een woelige periode waarin de zaak wat dreigde te polariseren zijn de ‘gezellige tenters’ eruit getrokken. De ‘atie-centrummers’ voelen zich opgelucht. Zij kunnen nu constructief aan het werk gaan. De doelstelling is immers duidelijk! Dat blijkt alras een illusie. De fluorproblematiek splijt de groep opnieuw in tweeën. De ene helft is van mening dat dit actiecentrum onmiddellijk op landelijke niveau moet opereren: ‘klein kruimelwerk heeft geen zin’. Maar de andere helft is van mening dat dit centrum alleen bedoeld is voor acties die een directe betekenis voor de lokale bevolking hebben. Bovendien: ‘met dit werken op landelijke schaal hebben we geen ervaring en het maakt ons prille initiatief kapot’.

Na een woelige periode treden de ‘nationalen’ uit. De ‘lokalen’ kunnen nu eindelijk aan het werk. Dat blijkt nog niet zo eenvoudig want bij de geplande actie ‘behoud van gebouw X’ wordt een pijnlijke controverse zichtbaar tussen degenen die harde acties voorstaan en anderen die via overleg, via handtekeningen inzamelen e.d. hun doel hopen te bereiken.

Enfin, toen de ‘harden’ eruit trokken en de ‘zachten’ dachten eindelijk eens aan het werk te kunnen gaan…

Duidelijk

De moraal is duidelijk: of het nu om een koffiehuis gaat of om de inrichting van een drugcentrum, de oprichting van een school of de exploitatie van een kunstatelier, overal waar persoonlijke impulsen van mensen zich doen gelden, waar vanuit idealen, vanuit waardeoordelen, vanuit eigen doelvoorstellingen samen moet worden gewerkt, is een krachtige tendens merkbaar tot schaalverkleining. Na elke ‘zuivering’ blijkt de groep nog zoveel controversiële strevingen te herbergen dat verdere differentiatie noodzakelijk lijkt. De pluriformiteit wordt steeds groter tot de kleinste eenheid bereikt is: het individu! De mogelijkheid om tot potentiëring van gelijkgerichte wil te komen is in haar tegendeel verkeerd: een versplintering die ten slotte leidt tot machteloze enkelingen!

We laten deze merkwaardige paradox van het geestesleven even staan om ons eerst tot de verschijnselen in het economische leven te wenden.

In het economische leven hebben we met de behoeftige mens te maken. Het gaat niet om zijn impulsen en intenties maar om zijn noden en tekorten. Het moderne economische leven voorziet daarin door arbeidsverdeling. Er zijn steeds minder zelfverzorgers. In een wereldwijde onderlinge afhankelijkheid werken we voor de bevrediging van elkaars behoeften.

De ontwikkelingen van de laatste jaren hebben de eigenlijke probleemstelling van het economische leven aan het licht gebracht, We zijn gaan zien:

– dat de wereldgrondstoffen eindig zijn;
– dat de kloof tussen arm en rijk een politiek kruitvat vormt dat maar ‘beperkt houdbaar’ is.
– dat het ecologisch evenwicht niet onbegrensd verstoord kan worden. Op een goed moment gaat de natuur ‘terugslaan’.

Deze ervaringen wijzen erop dat we in het economische leven te maken hebben met een gebied van het sociale organisme waar eigenlijk de grootste moraliteit zou moeten heersen, zowel tegenover de aarde als tegenover de behoeftige medemens. Het rechtsleven zou zulke regels moeten stellen dat het menselijk egoïsme deze sfeer niet kan vergiftigen.

Uit deze overweging volgen twee basisprincipes van de sociale driegeleding:

1. natuur, arbeidskracht en kapitaalgoederen kunnen geen object van koop en verkoop zijn. Hierop wil dit artikel niet verder ingaan.

2. In het economisch leven moeten tegengestelde belangen zich verenigen in associaties.

Producent, handel en consument hebben zeer verschillende posities en belangen in het marktgebeuren. Gaan zij zich onderling, eenzijdig organiseren dan ontstaat een potentiëring van het egoïsme dat fataal is voor het economische leven. Door het scheppen van concrete overlegsituaties tussen de drie genoemde groeperingen, resulterend in afspraken m.b.t. productie- en consumptieverplichtingen, worden de eenzijdige posities en belangen a.h.w. geneutraliseerd en geharmoniseerd.

Het is duidelijk dat deze organisatievorm van het economische leven mogelijk wordt naarmate het eerstgenoemde principe (natuur, arbeid kapitaal niet als koopwaar) wordt gerealiseerd.

Laten we aannemen dat zich een bepaalde associatie heeft gevormd, bv. in de schoenenbranche. Er is een overlegstructuur opgebouwd tussen een schoenfabrikant (of meerdere), een aantal detaillisten en een consumentenorganisatie. Ook dit proces moeten we dóórdenken. Welke tendenties schuilen erin? De schoenfabrikant merkt op een pijnlijke manier zijn afhankelijkheid van een aantal toeleveranciers bv. van leer, van verf en van garnituur. Voor hem heeft deze externe afhankelijkheid dezelfde betekenis als de de interne afhankelijkheid voor de conflicterende groepen in het koffiehuis.

Uitbreiders

Zoals in het koffiehuis het probleem werd ‘opgelost’ doordat er een groep uitstapte, (of werd uitgezet) zo tracht onze fabrikant zijn problemen ‘op te lossen’ door zijn productieprogramma (of invloedssfeer) uit te breiden en zelf veters te gaan produceren, leer te looien, verf te mengen. Hij kan deze toeleveranties nu naar zijn eigen behoeften gaan plannen. Zonder storende afhankelijkheden kan hij aan het werk gaan. Tot blijkt dat hij nog te zeer afhankelijk is van
ontwerpfaciliteiten van anderen, van machinefabrikanten die de schoenenmachines leveren, van verpakkingsmateriaal e.d. Ook dat probleem lost hij op door schaalvergroting. Maar steeds stuit hij op nieuwe externe afhankelijkheden, want in het economische leven hangt alles met alles samen. En zo verrijst aan het einde van dit proces één gigantisch mondiaal centraal geleid productieapparaat. Een dergelijke kolos is even machteloos om het sociale leven op aarde een gezonde materiële basis te geven als de versplinterde enkeling, die aan het einde van het koffiehuisproces verscheen, in staat is het sociale leven met gezonde initiatieven te voeden.

Samenvattend kunnen we de twee tendenties als volgt karakteriseren: wanneer in het geestesleven niet op de juiste wijze wordt omgegaan met de interne afhankelijkheden ontstaat de tendens tot schaalverkleining, eindigend in een soort atomisering. Wanneer in het economische leven niet op de juiste wijze wordt omgegaan met de externe afhankelijkheden ontstaat de tendens tot schaalvergroting eindigend in een soort gigantisering.

Hoe kunnen we met deze tendenties op een constructieve wijze omgaan? Kort samengevat ligt hier, wat de vorm betreft, een taak voor het rechtsleven, wat de inhoud betreft, een scholingsweg voor de enkeling.

Er werd al eerder op geduid dat het moderne rechtsleven aan de ene kant associatieve samenwerking verbiedt (de kartelwet garandeert het heilige concurrentieprincipe), aan de andere kant het opkopen (fusioneren) van ondernemingen mogelijk maakt (aandelen zijn verhandelbaar en verlenen eigendomsrecht).

De twee genoemde wetten spelen elkaar de bal toe. Dat gaat als volgt: het grondprincipe van het moderne economische leven kan — door de wereldwijde arbeidsverdeling — niet anders dan samenwerking zijn. Wanneer dat bij de wet verboden is en men gedwongen wordt tot economie-vreemde concurrentie, kan die samenwerkingsnoodzaak zich alleen nog maar als karikatuur uitleven: de een maakt de ander aan zich ondergeschikt en binnen die grotere eenheid kan de machtigere de minder machtige tot ‘samenwerking’ dwingen. Voor deze ‘escape’ nu biedt de wet op de verhandelbaarheid van aandelen de mogelijkheid.

En daarmee zijn alle deuren opengezet naar een grenzeloze schaalvergroting, naar ondoorzichtige en onmenselijke machtsconcentraties.

Binnen het economische leven zou deze schaalvergroting echter moeten plaatsvinden in het bewustzijn van de participanten. De bewustzijnsdimensie van waaruit men, zowel als producent als in de rol van consument, deelneemt aan het economische leven, zou altijd een mondiale moeten zijn: de behoeftige mensheid en die éne aarde!

De organisatievormen waarin men aan dit economische leven deelneemt moeten echter een menselijke maat hebben. Daarvoor dient nu het rechtsleven te zorgen. Zij moet rechtsvormen scheppen die ongewenste schaalvergroting onmogelijk maken en openingen bieden (of belemmeringen wegnemen) voor associatieve samenwerking.

Naar de kant van het geestesleven hebben we ook reeds gewezen op de negatieve uitwerking van de huidige wetgeving. De vergaande bemoeienis van de staat met bv. de onderwijssector heeft geleid tot grote genormaliseerde onderwijsfabrieken waarin persoonlijke initiatieven steeds minder tot gelding kunnen komen of wel tot inwendig dynamiet worden.

In de zin van de sociale driegeleding is het de taak van het rechtsleven de kleinschaligheid van het geestesleven mogelijk te maken, zodat overal persoonlijk initiatief en persoonlijke verantwoordelijkheid tot gelding kunnen komen.

Laten we nu een moment aannemen dat het rechtsleven deze vormvragen heeft opgelost: er zijn rechtsregels gemaakt die in het geestesleven de kleinschaligheid mogelijk maken en in het economische leven de grootschaligheid verhinderen. Is daarmee het sociale organisme gezond? Neen. Want deze vormen moeten nog met leven worden gevuld. Voor het geestesleven blijft de vraag of men binnen de kleinschalige initiatief-eenheden de interne afhankelijkheid van de initiatief-genoten verdraagt en of men tot samenwerking komt. Voor het economische leven blijft de vraag of men tussen de kleinschalige groeperingen van producenten, handel en consumenten de externe afhankelijkheid van de ‘procesgenoten’ verdraagt en of men tot samenwerking komt.

Twee scholingsgebieden

Hier liggen twee scholingsgebieden voor de moderne mens, twee mogelijkheden om het sociale leven te zien als een uitdaging waaraan innerlijke kwaliteiten ontwikkeld kunnen worden. We willen beide oefenterreinen kort beschrijven.

In de associatieve samenwerking tussen organen van het economische leven is doorzichtigheid, helderheid en zakelijkheid van ’t allergrootste belang: wat zijn precies de behoeften en de mogelijkheden, hoe komt de prijs tot stand, is het duidelijk hoe die prijs is opgebouwd, zijn de leveringscondities en de afnameverplichtingen ondubbelzinnig geformuleerd? Is het voor alle betrokkenen doorzichtig hoe en waar zij afhankelijk van elkaar zijn, en wat de consequenties voor de ander zijn wanneer de een bepaalde afspraken niet nakomt?

Het gaat hier om de ontwikkeling van een waarnemend bewustzijn m.b.t. het proces waarin men gezamenlijk staat. In het economische leven gaat het altijd om processen: van grondstof tot eindverbruiker. Alleen degenen die er in staan kunnen, door het bijeen dragen van hun ervaringen en waarnemingen, gezamenlijk een objectief beeld van dit proces of van deze processen opbouwen.

In de samenwerking tussen mensen binnen organen van het geestesleven gaat het om helderheid, doorzichtigheid en zakelijkheid m.b.t. een heel ander gebied: de eigen motieven. Het bewustzijnslicht richt zich daarbij niet op de ondoorzichtige geld- en goederenprocessen buiten ons maar op het duistere gebied van de eigen begeerten, impulsen, biografische intenties in ons. In dit gebied is het niet zo makkelijk te onderscheiden tussen wensen en echte initiatieven, tussen voorbijgaande begeerten en verder reikende wilsbesluiten, tussen handelingen die bv. voortkomen uit angst of prestigedrang en die welke uit een sfeer van innerlijke vrijheid worden geboren.

Die helderheid krijgt men niet geschonken, ze moet veroverd worden. En daarvoor heeft men de ander nodig. Zoals in het economische leven de verschillende groeperingen hun ervaringen bijeendragen zodat er een
gezamenlijk procesbeeld ontstaat, zo kunnen in een orgaan van het geestesleven initiatief-genoten elkaar waarnemen in hun handelingen en daarover elkaar vragen stellen. Zodoende kan er helderheid ontstaan over de intenties en daaruit wordt tenslotte een mogelijk gemeenschappelijke wilsrichting zichtbaar.

Voor werkelijke spirituele creativiteit binnen een groep — zij het een groep leraren binnen een school, een groep artsen en therapeuten binnen een therapeuticum, een groep onderzoekers in een researchteam — is het noodzakelijk dat de leden elkaar trachten waar te nemen tot op het diepste biografische niveau en met elkaar daarover helpend-vragend in gesprek trachten te treden. Naarmate dat als gezindheid, als bewustzijnsdimensie lukt, zal het niet meer nodig zijn uiterlijk tot ondermaatse schaalverkleining (versplintering) over te gaan.

Voor het functioneren van de organen in het economische leven zeiden we dat de beeldvorming waaraan zij onderling werken (bv. in een associatie) steeds naar de wijdheid en de omvattendheid van het mondiale moet streven. Naarmate dat als gezindheid, als bewustzijnsdimensie lukt, zal het niet meer nodig zijn uiterlijk tot bovenmaatse schaalvergroting over te gaan.

De mogelijkheid om tot een dergelijke proces-beeldvorming naar buiten en initiatief-beeldvorming naar binnen te komen, hangt met een voorwaarde samen die ons het tweede aspect van de sociale scholingsweg brengt: vertrouwen.

Helderheid en doorzichtigheid scheppen weliswaar de mogelijkheid tot vertrouwen maar ze maken ook kwetsbaar. Ze bieden de mogelijkheid tot manipulatie en misbruik van informatie: ook al heeft het rechtsleven de mogelijkheid afgesneden zich in het economische leven door privébezit van productiemiddelen persoonlijk te verrijken (men mag samenwerken), ook al heeft het rechtsleven de mogelijkheid geopend voor grote pluriformiteit van initiatieven in het geestesleven (men hoeft niet met iedereen samen te werken), toch is er een drempel te overschrijden vóór samenwerking werkelijk tot stand komt. Juist omdat die samenwerking in de zin van de sociale driegeleding uiteinde vrijwillig is, zelf-gewild, juist daarom heeft die drempel met de wil te maken. Want samenwerking vraagt altijd om vertrouwen. En vertrouwen schenken betekent in feite iets van jezelf aan de ander tonen zodanig dat er voor de ander een ruimte ontstaat waarin hij met zijn wil tot handelen kan komen. Men houdt zijn eigen wil terug, zodat de ander zijn vrije wil tot gelding kan brengen. Elke poging het handelen van de ander voor te schrijven, in te perken, te controleren, is een stapje dat via geconditioneerd vertrouwen naar wantrouwen en daarmee tot het verbreken van de open samenwerkingsrelatie leidt.

Het oefenen van vertrouwen wordt ons is de moderne samenleving bijzonder moeilijk gemaakt. Beschaamd vertrouwen is een van de allerpijnlijkste ervaringen voor de moderne mens.

Centrale plaats

En toch — misschien juist daarom — neemt deze drempel in het sociale oefenveld een centrale plaats in. Haar substantie bestaat uit angst! Angst dat de informatie die ik geef over de positie van mijn organisatie in het productie-consumptieproces door de andere groep economisch misbruikt wordt t.b.v. materieel gewin. Angst dat de informatie die ik geef over mijn intenties binnen een initiatiefgroep door de ander spiritueel misbruikt wordt ten einde zijn geestelijke impuls door te drukken!

Ten slotte is er nog een derde aspect aan ons oefenterrein. Misschien bepaalt de ontwikkeling daarvan wel of de andere twee tot nu genoemde vermogens (beeldvorming en vertrouwen) voldoende geoefend kunnen worden.

Dit derde gebied heeft te maken met sociale fantasie en speelvaardigheid. Ontwikkelingen binnen en tussen organisaties plaatsen ons steeds voor  schijnbaar harde ja-nee keuzes, zwart-wit alternatieven. Het ongenuanceerde denken — georiënteerd op de binaire computertaal, dan wel op een these-antithesefilosofie — voelt zich pas gerust als de problemen simpel dualistisch gesteld zijn. Maar zijn ze daarmee realistisch gesteld? Is ‘gezellig alternatieve tent’ of ‘actiecentrum’ een reële tegenstelling? Moet actie altijd ongezellig zijn en kan goede gezelligheid niet tot actie leiden? Misschien hebben we hier wel te maken met twee uiteinden van een continuüm. Als we ze loskoppelen zijn ze wellicht allebei negatief werkzaam. Als we de sociale fantasie opbrengen ze met elkaar te verbinden, kunnen ze elkaar eventueel versterken.

Zijn het nationale en het lokale werkelijk tegenstelling of liggen ze misschien in de tijd in elkaars verlengde? ‘We beginnen met lokale acties maar doen dat met het perspectief op een provinciale, nationale, internationale dimensie. Eerst ervaringen opdoen in het kleine en je daardoor sterker maken voor ‘t grote’.

En zo is het wellicht ook met de derde tegenstelling die we in ons koffiehuisverhaal te berde brachten. De harde en de zachte aanpak. Zouden deze wellicht twee strategie-varianten kunnen zijn, onderscheiden naar object en veld van actie, die elkaar kunnen versterken i.p.v. verstoren?

Samenwerking

Een zelfde reeks voorbeelden is te noemen met betrekking tot de samenwerking in het economische leven. Ook daar worden we vaak schijnbaar voor ja-nee-keuzen gesteld op een manier dat de relaties gepolariseerd dreigen te worden: assortiment inkrimpen of uitbreiden, prijzen verhogen of niet, productie mechaniseren of marktaandeel verliezen, rechtstreeks aan de detaillist verkopen of via de grossier.

In beide velden vragen dergelijke situaties om sociale fantasie, om speelvaardigheid, om ludieke creativiteit. Een samenwerkingsverband dat door serieuze speelsheid wordt gekenmerkt en waarin deze kwaliteit ook bewust wordt geoefend, biedt een goede voedingsbodem zowel voor de ontwikkeling van een heldere beeldvorming als voor het groeien van een echte vertrouwensbasis.

Daarmee is het oefenterrein, in grove contouren geschetst. We hebben het terrein waarop dit oefenen zich afspeelt — het sociale — beschreven naar zijn formele kant (rechtsregels, wetten enz.) en naar zijn materiële kant (de kwaliteit van het menselijk gedrag in die sociale ruimte). We hebben laten zien hoe het oefenterrein van karakter verandert al naar gelang we spreken over samenwerking tussen mensen binnen organen van het geestesleven of over samenwerking tussen organen van het economische leven.

We moeten daarbij wel bedenken dat er geen sprake is van driedeling maar altijd van drie-geleding. Wanneer we spreken over organen van het economische leven (bv. een productiebedrijf) dan zijn daarbinnen veel karakteristieken van het geestesleven herkenbaar (creatieve initiatieven). En wanneer we spreken over organen van het geestesleven dan zijn daartussen betrekkingen die een duidelijke inslag vanuit het economische leven hebben (producent-consumentrelaties). Wanneer we ervaren wat een moeizame weg het is om het economische leven vanuit een mondiaal bewustzijn in te richten zonder de organen ervan door overmatige schaalvergroting onmachtig te maken, wanneer we eveneens ervaren hoe moeilijk het is het geestelijk- culturele leven op de initiatiefkracht van de enkeling te bouwen zonder de organen van dit geestesleven door overmatige schaalverkleining krachteloos te maken, dan moet ons dat niet verbazen.

We hebben in feite te maken met een historisch scharnierpunt, met een richtingsverandering, met een omstulping in de mensheidsontwikkeling die eenmalig is.

Alle sociale vormen in de voorafgaande cultuurperioden van de mensheidsgeschiedenis waren gekarakteriseerd door een alles doortrekkend, het geheel samenbundelend, geestesleven (de laatste rest daarvan is de katholieke kerk: kat-holos betekent: het geheel betreffend), en een economisch leven dat in feite bestond uit een eindeloze versplintering van zelfverzorgers-huishoudinkjes. Wat op het ogenblik bezig is zich te voltrekken is een omwenteling (revolutie) in de meest letterlijke vorm: een ontwikkeling naar één alles doortrekkend, onderling afhankelijk mondiaal economisch leven en een geestesleven dat tot uitdrukking komt in een eindeloze differentiatie en pluriformiteit van initiatieven.

Het is t.b.v. het met meer bewustzijn helpen voltrekken van deze omstulping dat Steiner over de sociale driegeleding sprak en dat in dit tijdschrift artikelen als deze geschreven worden.

Literatuur:

Bos, Brüll, Henny:
Maatschappijstructuren in beweging
– De drieledige maatschappijstructuur
Te-recht of on-terecht?

 

Sociale driegeledingalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeld

 

2556

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – wegwijzer (342)

.

In het geschreven werk van Rudolf Steiner, maar ook in zijn opgetekende voordrachten vind ik vaak uitspraken, die – enigszins los van hun verband – op zich een inhoud hebben waarover je lang kan nadenken. Een tijdlang zo’n zin regelmatig op je laten inwerken, kan tot gevolg hebben dat deze zin je in een bepaalde situatie plotseling invalt en dan een antwoord of een richting blijkt te geven voor waarmee je op dat ogenblik bezig bent.
Ze wijzen je een weg; misschien ‘de’ weg; en ze wijzen je weg van het alledaagse. of geven je juist daarop een andere kijk,

‘wegwijzers’ dus

342
Alles zou opgebouwd moeten worden met de ontwikkeling van de mens als uitgangspunt.

Es müβte auf das Werden des Menschen alles gebaut werden.
GA 192/197
Niet vertaald

 

Rudolf Steineralle wegwijzers

Rudolf Steineralle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – actueel: Kerstmis

.

Kerstmis: alle artikelen

Het woord ‘Kerstmis’ heeft een hoofdletter, omdat het de naam van een religieus feest is. Ook de Kerstman, (die ene die op de Noordpool woont, niet die in het winkelcentrum); het Kerstkind en de Kerstster (van Bethlehem) krijgen een hoofdletter, omdat het namen zijn. Alle andere woorden met ‘kerst’ krijgen in de officiële spelling geen hoofdletter, ook het woord ‘kerst’ zelf niet.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Breinbreker (nieuw)

.

Zo tegen de leeftijd van ruwweg 12 jaar begint in de meeste kinderen het nieuwe vermogen te rijpen om te kunnen denken in een ‘oorzaak – gevolg’- verband.

Er is een bepaald abstraherend vermogen voor nodig dat een mens ‘van nature’ ontwikkelt en als dat er dan is, kun je het gebruiken en dan kun je het ook inzetten om problemen op te lossen. Door met die problemen bezig te zijn, is daar soms plotseling het ‘aha-beleven’.

.

Oplossing later

 

Alle taalraadsels

Alle rekenraadsels

Alle breinbrekers

Alle ‘gewone’ raadsels

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer – alle artikelen

.

[1] Mens en voeding: periode uit de 7e klas
F.H.v.d.Hoek over: combinatie menskunde-voedingsleer; niet uitgaan van het skelet; uitgaan van kwaliteit; uitgaan van de mens; aards- en geestelijk voedsel; zintuigen, stofwisseling; seizoenen, sapstromen; verband met sterrenkundeperiode; koken; wat is goed voedsel.

[2] Over voedings- en gezondheidsleer in de 7e klas
Geert Grooteschool over: verschil klein kind – puber wat betreft gezondheidsinstinct; eiwitten, zouten, koolhydraten en vetten; theorie en in de praktijk; plant en mens in omgekeerde verhouding; b.d-landbouwmethode eb gangbare methode; koken, gerechten uit andere landen: aardrijkskunde; 

[3-1] Tabak
H.J.Ogilvie over: tabak; ritme 4 : 1; roken mensen dáárom?

[3-2/1] Suiker
A.C.Henny over: de suiker tussen West en Oost. In drie artkelen wordt de geschiedenis van de suiker behandeld; de weg van honing naar bietsuiker; samenhang mens en plant in hun drieledigheid; sociale, politieke, economische betekenis; samenhang intellectualisme en bietsuiker.

[3-2/2] Suiker
A.C.Henny over: zie boven

[3-2/3] Suiker
A.C. Henny over: zie boven

Artikelen van A.C. Henny, o.a. de koffie, de thee tussen Oost en West in het archief van V.O.K.

[4] Kwaliteit en kwantiteit
B.Endlich over: nu domineert kwantiteit over kwaliteit; dieren hebben nog gezonde instincten, mensen niet meer; wat is gezond; kristallisatiemethode.

[5] Levende grond voor gezonde voeding
Schaumann over: veelomvattend begrip van natuur kan niet alleen met materialisme; grote opbrengsten=kunstmest=verzwakking bodem=verzwakking plant=grotere ziektekans=insecticide; dit patroon dient doorbroken te worden. 

.

7e klasalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld7e klassterrenkundetekenen  (arceren)

.

2556

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer (5)

.

Wanneer er in klas 7 over voeding wordt gesproken, komt – met name in onze tijd steeds meer – de kwaliteit van de grond in de belangstelling te staan.

Al in 1924 gaf Rudolf Steiner voor een goede grondkwaliteit allerlei aanwijzingen, die nu gebruikt worden in de bio-dynamische landbouw.
Daarover moeten ook 7e-klasser iets te horen krijgen.
In 1977 verschenen er over voeding en wat ermee samenhangt artikeltjes in het blad Weledaberichten.
.

Schaumann, Weledaberichten, april 1968, nr. 77

.
LEVENDE GROND VOOR GEZONDE VOEDING
.

Het streven naar een omvattend inzicht in de natuur brengt de mens ertoe, het materiaal van de natuur uit elkaar te halen, de stoffen te meten, te wegen en te tellen. Dan maakt hij zich een beeld van de wereld, waaruit alles uit stoffen is samengesteld en door stoffen veroorzaakt schijnt te zijn. Het begrip voor het wezen van de planten, dieren en mensen wordt van onderaf, vanuit de levenloze materie opgebouwd. Dat is tegenwoordig de weg en het doel van alle natuurwetenschappelijke vorming en onderzoek. Maar in de mens leeft daarentegen ook het gevoel van de vrijheid, die van de stoffen onafhankelijk is. Een zorgvuldige waarneming van het eigen wezen kan dit gevoel tot een vast omlijnd inzicht leiden.

Dat is echter niet mogelijk zonder het fysieke lichaam. Gezondheid bestaat juist hierin, dat dit lichaam zich door het bewustzijn laat leiden, dat het de geest van de mens volgt. De stoffen zijn dienaren, niet alleen van de materie, maar ze zijn ook materiaal voor de krachten van ziel en geest. Ook van die zijde, vanuit de ervaring bekeken, is het mogelijk een veelomvattend begrip voor de natuur te ontwikkelen. Daarbij blijkt, dat de bouw van het menselijke lichaam gericht is op de denkende geest, in tegenstelling tot die van het dier, dat op gewaarwordingen en driften gericht is. Ook de plant blijkt niet alleen van buiten af bepaald te zijn, zoals processen in de anorganische natuur, maar door een inwonend geestelijk principe, n.l. dat van het leven.

Wanneer men alleen de stoffen bestudeert en zich in de landbouw alleen richt naar de wetten van die stoffen, dan gebruikt men tenslotte slechts kunstmatig materiaal. Dat is tegenwoordig algemeen gebruikelijk. Men krijgt dan weliswaar grote opbrengsten, maar de moeilijkheden die optreden laten zien, dat de opbouwende, regelende krachten te zwak worden, om de opeenhoping van dode stoffen te beheersen. Er treden disharmonieën op in de opbouw van de planten die ons tot voedsel dienen. Daardoor worden de levende wezens, die op de cultuurlanden leven, gestimuleerd om zich op overmatige wijze te vermeerderen; ze worden schadelijk. Wanneer ze de overhand krijgen, vernietigen ze onze voedingsplanten. We zijn dan tenslotte gedwongen, ze met vergif uit te roeien. Wanneer we echter verder niets aan de levensvoorwaarden veranderen en dus de eenzijdigheid in de plant blijft bestaan, dan blijft de oorzaak van de vermeerdering van de schadelijke levende wezens bestaan. De voorwaarden voor een nieuwe massa-aanval zijn geschapen. Er bestaan schadelijke levende wezens, die zelfs resistent zijn tegen z.g. middelen ter bescherming van de planten. Dat is het dilemma, waarvoor de landbouw staat. Infectieziekten zijn het gevolg van een omgang met de planten, waarbij niet rekening wordt gehouden met het wezen ervan.

Verder blijkt, dat ook de grond op den duur de stijgende hoeveelheden van zoutvormige plantenvoedingsstoffen, zoals de middelen tegen onkruid en ongedierte en die ter bevordering van de groei, slecht verdraagt. Hij verliest zijn structuur: oplosbare stoffen worden uitgewassen en maken het grondwater onbruikbaar (door nitraten). De erosie door de regen voert de beste bestanddelen van de bodem (klei, fosfaat) naar de rivieren, wat aanleiding geeft voor de gevreesde verarming van de meren, die daardoor hun vermogen om zichzelf te reinigen verliezen. Ze worden eerst als bronnen voor het drinkwater, later ook zelfs voor het baden ondeugdelijk. De grond zakt in, verliest zijn vermogen om te ademen en verarmt als basis voor de plantenwortels. Dat geeft dan weer aanleiding voor een verhoging van het gebruik van de bovengenoemde middelen! Een echte vicieuze cirkel.

De mens is erop aangewezen dat zijn voedsel door de plant op de juiste wijze wordt toebereid. Een moderne landbouw zal moeten trachten, de bodem door middel van mest levend te maken, want de werkelijk vruchtbare akker dankt zijn innerlijke opbouw, zijn fysieke en chemische geaardheid aan een grote hoeveelheid van kleine levende organismen. De cultuurland is organisch verbonden met de levende bodem. Speciaal toebereide z.g. dynamische middelen zijn in staat om dit proces te stimuleren en bevruchten het samenleven van de grond en de plant. Cultuurgewassen en huisdieren vormen, met andere talrijke levende wezens, op basis van een zinrijke voortdurende arbeid van de mens, een intensief productieve, gecompliceerde levensgemeenschap.

De economische toestanden maken het tegenwoordig wel zeer moeilijk, te verwezenlijken, wat als het juiste gezien wordt. De mens heeft echter voedsel nodig, dat zijn lichaam gezond houdt. Dat kan het echter alleen zijn, als de geestelijk-levende ordening van de natuur volledig gerealiseerd kan worden, ondanks de noodzakelijke hoge producties.

.

7e klasalle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 7e klassterrenkundetekenen  (arceren)

.

2555

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over plantkunde – GA 300

 

ga 300a,  300b,  300c

In GA 300A geen aanwijzingen

In GA 300B is een artikel opgenomen:

,,Die pädagogische Grundlage der Waldorfschule”

De pedagogische basis van de vrijeschool

Steiner schreef het voor de „Waldorfnachrichten”, – vrijeschoolberichten Stuttgart 1919, Nr. 19.

In de GA maakt het deel uit van nr. 24 
Deze uitgave is niet vertaald, wél is er een vrije vertaling gemaakt van het artikel.

Het Duitse artikel is ook opgenomen in GA 298 , maar niet in de vertaling daarvan.

Het stukje over plantkunde daarin – dat dus ook in GA 300B staat – is hier vertaald.

Blz. 104/105

Konferenz vom Mittwoch 21. Juni 1922, 20.30-22.30 Uhr

In der Naturgeschichte, da würde es darauf ankommen, in diesem
Lebensalter die Zellenlehre zu behandeln. Und dann, nicht wahr,
nicht gerade so ausführlich, aber indem man charakteristische Pflanzen nimmt von den niedersten bis zu den Monokotyledonen, von
unten auf. Aber doch immerhin schon auf die Dikotyledonen verweisen, daß man Parallelen zieht zwischen Blüten und Pilzen. Immer
das Mycel berücksichtigen, die Sporenbildung. Wenn man Stock
bildungen schildert, muß man auch das Mycel berücksichtigen.
Teleologie, den Zusammenhang der einzelnen Glieder der Organisation auf ein vernünftiges Verhältnis bringen; WechselursachenVerhältnis, nicht rein kausale Verhältnisse. Die Zellenlehre so behandeln, daß man sie kosmologisch behandelt.

Lerarenvergadering, Stuttgart 2 juni 1922

M.b.t. 11e klas
Bij biologie komt het er nu op aan op deze leeftijd de celleer te behandelen. Weliswaar niet zo uitvoerig,  maar door karakteristieke planten te nemen, van de laagste tot aan de monocotyledonen (eenzaadlobbigen), van onderop. Maar wel ook op al op de tweezaadlobbigen wijzen (dicotyledonen),, om parallellen te trekken tussen paddenstoelen en bloeiplanten. Steeds rekening houden met het mycelium. Teleologie, op een verstandige manier samenhang brengen tussen de losse delen van het organisme, niet puur causale verbanden. De celleer zo behandelen dat je die kosmologisch behandelt.
GA 300B/104
Niet vertaald

GA 300C 

Blz. 42

Lerarenvergadering van 25 april 1923

In der 12. Klasse sollte sich die Zoologie auf eine Systematik
beschränken. Ebenso bei den Pflanzen.

M.b.t. 12e klas:
In de 12e klas moet de dierkunde beperkt blijven tot een systematiek, dat geldt ook voor de plantkunde
GA 300C/42
Niet vertaald

Blz. 79

Lerarenvergadering van 12 juli 1923

Man muß auch versuchen, die Pflanzen in zwölf Gruppen zu bringen;
das werde ich auch noch machen.

M.b.t. de 12e klas
Je moet proberen de planten in twaalf groepen te verdelen; dat zal ik nog doen.

Aantekening bij blz. 79: daarvan is het niet meer gekomen.
GA 300C/79
Niet vertaald

.

Rudolf Steiner over plantkunde 

Plantkundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Vrijeschool in beeld5e klas plantkunde

.

2554

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – 7e klas – Sterrenkunde (1-1/30)

.

BOOGSCHUTTER

De boogschutter aan de hemel is een raadselachtig sterrenbeeld dat uit een van de vroegste tijden komt. Bij opgravingen in het Tweestromenland van de Eufraat en de Tigris waar duizenden jaren geleden de Soemeriërs en na hen de Babyloniërs woonden, werd er tussen veel andere voorwerpen een grenssteen gevonden uit de 2e eeuw voor Chr., waarop plastisch uitgewerkt uit de steen gehouwen een dubbelwezen staat. Het is een gevleugeld wezen, half dier en half mens, hier op de tekening:

Uit een paardachtig onderlichaam richt zich een mensachtig wezen op met twee hoofden, die een gespannen boog in zijn handen houdt. Maar dit wezen heeft niet alleen twee koppen, maar ook twee staarten. Die naar beneden hangt ziet eruit als een staart van een paard, terwijl de opgerichte staart er meer uitziet als die van een schorpioen. Maar het merkwaardigste aan deze figuur zijn toch wel de grote vleugels. Het kan dus niet alleen springen zoals op de afbeelding, maar ook vliegen. De Babyloniërs geloofden dat buiten de vogels, alleen goddelijke wezens dit vermogen hadden om zich vanuit de aardse wereld te verheffen tot de geestelijke wereld. 
De boogschutter aan de hemel met pijl en boog was dus een goddelijk wezen waarvan er bij de Babyloniërs vele bestaan. 
Wellicht was het een bijzondere verschijning van Mardoek, de god van de stad Babylon die soms met pijl en boog wordt afgebeeld. 
Over hem wordt in een Babylonisch scheppingsverhaal verteld hoe hij met zijn pijl de moeder van de chaos, de afschrikwekkende oerdonkerte Tiamat had gedood, zodat de schepping van de aarde en de sterren een aanvang kon nemen. In deze mythe staat:

‘En Mardoek, de heer, maakte een boog
Het wapen voor de strijd, als Tiamats vijand.
Ook een net om haar daarmee te vangen.
Toen schiep hij de winden:
De boze wind, de stormwind.
De orkaan, de viervoudige wind.
  (Zie hier: tablet 4 vers 35)

Of  Tiamats dood door Mardoeks daad waarmee volgens de Babyloniërs de schepping begon, tot uitdrukking komt in het sterrenbeeld van de Boogschutter, weten we niet.

De Oude Grieken namen het sterrenbeeld van de Babyloniërs of van de Egyptenaren die het precies zo afbeeldden, over, maar ze konden er zich niet echt mee verbinden. Van de boogschutter bestond er bij hen geen echte legende. Een later bedachte legende brengt het sterrenbeeld in verband met Krotos die de uitvinder van de boog zou zijn geweest en daarom door Zeus aan de hemel geplaatst als schutter. Waarom hij een paardenlichaam heeft, wordt niet duidelijk. 
Maar hij had wel het lichaam van een paard, want dat weten we uit de beschrijving van Ptolemaeus, maar met slechts één staart. Ook de tweede kop en de vleugels bleven weg en ze zagen in de boogschutter een Kentaur, een mythologisch dubbelwezen uit paard en mens.
De kentauren stammen volgens de Griekse mythologie uit een held met de naam Ixion, die in zijn ongebreidelde begeerte met een wolkenfantoom een wezen verwekte dat maar voor de helft mens was en half dier. Deze oerkentaur verwekte bij de wilde merries van het Pelikongebergte het hele kentaurgeslacht.
Door oudere schrijvers als Homeres en Hesiodotus werden ze als ruigharige bergmonsters beschreven die hun wilde wellust ongebreideld uitleefden.
Er was maar één uitzondering en dat was de wijze Chiron. (→Kentaur)

            Zo                                                         z                                                      zw
juli   1      1°°u*                                  aug.   1  23°°u*                       sept.  1   21°°u*
       15   24°°u*                                          15  22°°u*                                15  20°°u* 
*zomertijd

Het sterrenbeeld Boogschutter is in de dierenriem het beeld dat het verst in het zuiden staat en bij ons nooit helemaal te zien is. Aan de avondhemel kun je de Boogschutter alleen in de maanden juli tot september zien. In juli komt het in het zuidoosten op, bereikt dan in augustus in het zuiden het hoogste punt boven de horizon (op deze afbeelding) en daalt in september weer onder de horizon, dan om 22u zomertijd. 

Meer feiten

Sterrenkundealle artikelen

7e klasalle artikelen

.

2553

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Advent (18)

.
Dieuwke Hessels postte dit artikel in de Facebookgroep ‘Vrijeschool’:
(november 2021)

.

ADVENT
.

“VREDE op aarde voor de mensen van goeden wille”.
.
Van het Zonnejaar door Alice Woutersen

Advent : voorbereiding en verwachting? Voorbereiding van wat?
Voor kinderen is het duidelijk: wij vieren de geboorte van Jezus, die voor de mensen het Licht op de aarde bracht, in feite [voor hun] vieren we de geboorte van ieder kind!!!!
Met Advent bereiden we langzaam maar zeker dit feest voor.
Op de seizoentafel wordt het naar de aarde gaan van het Kind duidelijk gemaakt en mogelijk wel als volgende :
Een Engel (of engelen) brengt iedere dag het Kerstkind een beetje dichter bij de aarde. Trede voor trede daalt zij af om in de Kerstnacht het kind in de armen van Maria te leggen.
Op de seizoentafel onder een adventsladder vormt zich door de vier adventsweken heen de aarde met alles wat erbij hoort.
Eerst dragen wij zand, stenen en water aan.
De tweede week komen de planten erbij (aangevuld met zelfgemaakte bloemen en bladeren).
De derde week volgt het dierenrijk en vormen onze handen uit klei of bijenwasfiguren die op dieren lijken. Ook [wollen] figuren kunnen ontstaan, zoals de schapen en de os en ezel.
De vierde week zijn wij aangekomen bij het rijk van de mensen. Uit klei, wol en/of lapjes ontstaan herders en ook Jozef en Maria.
Jozef en Maria verplaatsen zich samen met de ezel in de richting van de stal, die ondertussen ook al verschenen is. Elke dag een stukje verder, tot ze op Adam-en-Eva-dag (24 december) in de stal aankomen. Dit is de dag waar iedereen naar uitziet.
Vandaag wordt gezamenlijk de kerstboom opgetuigd, het huis versierd en met vereende krachten het kerstbrood gebakken. De kleintjes gaan naar bed, de groten naar een kerstnachtdienst of maken in het donker een mooie wandeling.
’s Avonds laat worden de kleintjes gewekt. Het hele huis is dan met kaarsen verlicht, en zingend gaan we naar beneden om in het stalletje te gaan kijken waar Maria, verlicht door een kaarsje, gelukzalig haar kindje wiegt. De kaarsjes in de boom branden nu ook en het warme kerstbrood staat te geuren.
Dan wordt het geboorteverhaal gelezen uit ‘Maria’s kleine ezel’, nog wat gezongen, en daarna wordt het kerstbrood aangesneden.

Zo is door de jaren heen dit bij ons de traditie geworden, die natuurlijk
van gezin tot gezin verschilt.
Maar wat verwacht ik nu zelf, wordt het voor mij innerlijk ook feest of ga ik ten onder aan alle drukte en familiespanningen van dingen die niet te combineren zijn?
Wat wil ik verwachtingvol beleven of in mijzelf wakker roepen c.q. geboren laten worden? Waar wil ik zelf bij stil staan (als het al mogelijk is om in deze tijd ergens de rust te vinden om stil te staan, vooral vlak voor kerst)? Het kost moed en kracht je hiervan bewust te worden en dan bedoel ik werkelijk innerlijk in jezelf te voelen wat je wilt en niet wat je met je hoofd bedenken kan.
Ik wil in die tijd mijzelf als mens beleven en mijn innerlijk goddelijke kern voelen. Ik wil bewust leren voelen dat ik de christuskracht, die Christus sinds het mysterie van Golgotha in ieder mens gelegd heeft, in mij draag en proberen deze vonk tot een mooie vlam te ontwikkelen. Wanneer ik dat werkelijk wil dan kost dat voorbereiding. Dit Licht in mijzelf kan alleen stralen en anderen tot heil zijn
als ik zelf stevig in mijn schoenen kan staan.

Daarop moet ik dus in eerst instantie mijn aandacht richten, niet egoïstisch, maar om daardoor de ander de ruimte te kunnen bieden zichzelf te kunnen zijn. Met Michaël neem je de moed op om deze weg te gaan. De weg naar het geestelijke in jezelf, de weg naar het geestelijke in de ander, de weg naar het geestelijke in de wereld, de weg naar alle geestelijke wezens die ons zorgend en wevend omringen.

Hoe doen we dat? Als je in de Michaëlstijd (dus oktober-november) om je heen kijkt in de natuur wordt het je duidelijk. Alle bomen doen het ons namelijk voor: “leg sierlijk en met vreugde je oude omhullingen (verdedigingsmuren enz.) af en behoud de gouden essentie van je zijn”.
Iedere boom laat in de herfst met gratie en tot vreugde van vele levende wezens zijn vruchten en bladeren vallen. Hij verschijnt dan in zijn naakte zijn, zijn wezenlijke gestalte en draagt een groot geheim bij zich.
Welk geheim? Hij lijkt wel kaal en naakt, maar in zijn knoppen ligt de gouden essentie van zijn zijn. In wezen is hij nu het meest zichzelf, stevig rechtop staand trotseert hij iedere storm. Die stevigheid moeten wij ook zoeken. Wij moeten dan zelf op zoek gaan naar de gouden essentie van ons eigen zijn.
De antroposofie kan je daarbij helpen. Het is en blijft een persoonlijke zoektocht. En als je deze gouden essentie gaat naderen, dan voel je je warm van binnen worden, je voelt dat de vonk in jezelf gaat opvlammen. Het gaat echter niet alleen om jezelf. Deze vonk wordt pas echt een vlam als hij in het sociale kan opvlammen.
Daar sta je dan als een boom, kaal maar eigenlijk het meest jezelf en overal in je knoppen draag je de gouden essentie van je eigen zijn. Nu komt de eerst proef: het feest van Sint-Maarten. Ben je in staat te delen? Dit is de eerste stap in de grote adventstijd die op 11 november begint en 43 dagen duurt.
Men spreekt ook wel over de grote kersttijd die zich uitstrekt van Sint-Maarten tot en met Maria Lichtmis (2 februari, 40 dagen na Kerst).
Het sociale oefenen is begonnen. Kun je werkelijk delen op alle denkbare gebieden ? Sint-Maarten deelde zijn mantel in tweeën en gaf zijn halve mantel weg. De andere helft van zijn mantel behield hij.
Dit laatste moeten wij goed tot ons door laten dringen. Een mens kan namelijk niet meer goed functioneren als hij innerlijk alles weggeeft. Ieder mens moet een deel behouden en zal dan merken dat deze halve mantel steeds weer heel, zo niet groter, wordt. Hierdoor kan men steeds weer en steeds meer schenken.
Dit delen en schenken is een hoge kunst, een kunst die je pas goed kan leren hanteren als je inzicht hebt gekregen in jezelf dus in je eigen gouden essentie.

De volgende proef is het Sinterklaasfeest, het feest van creatief en sociaal bezig zijn.
Voor dit feest moet je je werkelijk verdiepen in de andere mens, je probeert van haar of hem een levend beeld te maken. Door de andere mens zo zuiver mogelijk te proberen te zien kun je hem datgene geven wat die ander juist nodig heeft. Met humor en creativiteit kun je de ander een handje helpen op zijn levensweg. HUMOR is daarbij onontbeerlijk. Vrolijkheid, lachen, zingen, creativiteit en
humor zijn een soort smeerolie in het leven. Het is overigens niet alleen je inleven in de ander, want de ander houdt jou ook een spiegel voor. Dit kan je weer helpen beter inzicht te verwerven over jezelf en hoe je overkomt bij anderen.
Je verzamelt dus eerst de moed om je gouden essentie te gaan zoeken (en zodoende jezelf te leren kennen), dan om te leren werkelijk te delen met anderen en vervolgens om te proberen levende beelden te ontwikkelen van je medemensen en hen met liefde en humor tegemoet te treden en tevens leer je ook in je eigen spiegel te kijken om zo een eerlijk beeld over jezelf te vormen.
Door deze ontwikkeling te gaan kun je een open en onbevangen houding ten opzichte van je medemensen krijgen waarbij je niet overheerst noch dominant voelt en waar de ander zich ook veilig en gezien kan voelen. Ontmoeten wordt dan ook echt ont-moeten, dus je moet niet meer en mag jezelf zijn. Wanneer mensen elkaar zo ontmoeten, dan geeft dat nieuwe energie (“waar twee of meer
in mijn naam verenigd zijn ben Ik (Christus) in hun midden”).
Wij worden weer enthousiast (zijn in God en-thou-siast).
Op deze wijze zou ik het kerstfeest willen naderen: rustend in mijzelf en open voor de ander. En als het je lukt niet alleen je eigen vlammetje te laten opvlammen, maar ook dat van de anderen, dan voel je de jubel: het lukt (ook al is het soms kortstondig)! Er kan dan een intense vrede ontstaan, een
vrede waarin iedereen zichzelf kan zijn in zijn diepste wezen.

Advent

Een tijd waarin het zonlicht steeds korter bij ons is op de dag, de natuur (in ons deel van de aardbol) verstilt, kan ons helpen om dichter bij ons zelf te komen en bij wat er werkelijk toe doet. Om het ‘nieuwe licht’ dat geboren wil worden straks goed te kunnen ontvangen.
De school wordt schoongemaakt; alle herfstspullen worden opgeruimd en er wordt ruimte gemaakt voor een adventskrans die symbool staat voor de 4 weken voor kerst waarin de dagen korter worden en wij het innerlijke licht meer en meer laten schijnen en in de kleuterklassen worden er blauwe gordijnen opgehangen, alle seizoentafels krijgen blauwe kleden, daarop kunnen er de 1e adventsweek ‘stenen’ gelegd worden als symbool voor het aarde element.
De andere 3 weken zal daar telkens een element bij komen: plant, dier en mens.
De ramen worden beplakt met gele vloeipapieren sterren en blauw van de hemel.
In de gangen verschijnen adventpotjes  [blauwvloeipapier geplakt om lege glazen potjes], deze worden door de kinderen gemaakt.
Op de adventsmaandagen zal er bij binnenkomst een speciale entree zijn: muziek [in de hal].
En gaan kinderen elke maandag het licht van de adventskrans in de zaal halen om daarmee een eigen licht in de klas aan te steken. De stemming zal dus veranderen.
En speciaal is, ook weer dit jaar, dat we midden in de adventstijd Sint-Nicolaas verwelkomen. Ook Sint-Nicolaas kan maken dat ons hart vol verwachting klopt en daarmee worden niet alleen de cadeautjes bedoeld!


Seizoentafel advent:

Blauwe kleuren als ondergrond en achtergrond, Jozef en Maria gaan op weg om op de dag van de kerstviering aan te komen in het stalletje; de grote engel daalt iedere week een stapje naar beneden, de berg met gouden noten [er zit voor ieder kind een klein geschenkje in] als adventkalender, het stalletje en kribje staan klaar en er liggen wat mooie mineralen.


Op de foto niet afgebeeld: 4 lichtjes: 1e week de 1e, 2e week de 2e enz.

De symboliek van de adventstuin

Bijzondere dagen, zo vlak voor advent. Alles buitelt over elkaar heen: regen en hagel, pietjes, Jan de Wind, de duisternis, maar ook de kinderen – vol van verwachting. Sint-Nicolaas is onderweg, en vlak na zijn verjaardag vieren we de geboorte van het kerstkind.
December is de tijd van wachten en verwachten, maar ook van bergen prikkels.

Het ritueel

4 zondagen voor Kerstmis is de 1e zondag de 1e advent: Dan begint de Stille Tijd: het duurt dan nog precies vier weken tot kerstavond. Op deze dag op veel vrijescholen jonge kinderen het adventstuintje: het moment alleen al is speciaal: op maandagochtend; als het nog schemert komen kleuters en een van hun ouders bij elkaar in de klas, waar een spiraal van schelpenzand met
goudsterren erin [vroeger dennengroen] ligt. In het midden staat één grote kaars. De ruimte wordt slechts verlicht door kleine adventpotjes, verdeeld in de ruimte.. Daar word je vanzelf al stil van. Elk kind krijgt een appel met gouden ster aangereikt, waarin een kaarsje is gestoken; de engel is een leerling uit de hoogste klas van de school. Er zijn meerdere engelen: sommige geven de kaarsjes aan en begeleiden een kleuter in het tuintje en andere grote kinderen maken begeleidende of ondersteunende muziek. Er is dus muziek en zang. Kleuters gaan een voor een de spiraal in naar het middelpunt toe. Daar ontsteken ze hun eigen lichtje aan de grote kaars en dan cirkelen ze weer terug.
Onderweg zetten ze op een gouden ster van de spiraal hun lichtje neer.

De gedachte

November is onstuimig en ruilt oud in voor nieuw. Voordat de winter komt, ploegen de boeren hun land en spitten wij onze tuinen om, zodat alles straks optimaal kan wortelen en groeien.
Ook het kosmische kan dan diep in de aarde doordringen.
In de adventstijd zaait de hemel nieuw leven met sterrenkracht. En ook
al is het buiten donker, diep in het binnenste van de aarde ontkiemt alweer licht.
De bloemen die komend jaar zullen bloeien, zijn er nu al: diep verborgen in het binnenste van de aarde.
Kijken we naar onszelf omdat we een innerlijke weg willen gaan, dan zullen we
moeten beginnen met het maken van diepe verbindingen.
De donkere dagen voor Kerstmis werpen ons terug op onszelf. Wanneer je minder wordt afgeleid door wat er zich buiten je afspeelt, lukt het beter om af te stemmen op jezelf. Als het donker en stil wordt, voelen we ook intenser. Door onze aandacht te vestigen op ons innerlijk, kan daar zich iets ontwikkelen.

Waarom een appel?

Een peuterjuf zei me ooit: “We doen hier niets voor niets: alles heeft een reden of
een betekenis.” Dat geldt ook voor het lichtje dat de kinderen dragen. Hun kaarsje is gestoken in een gouden ster, in een appel. Die ster verwijst naar de ster die de herders en de drie koningen de weg wees naar de stal. De sterrenkracht die in de aarde huist, ook al zien we het niet, kunnen we opvatten als een teken van hoop en houvast. De appel verwijst naar de boom van kennis van goed en kwaad – in het hart van het Paradijs – waar ook de zondeval begon.
Dit lichtje herinnert ons dus ook aan het gegeven dat we nu leven op aarde, waar we onze eigen keuzes moeten maken en dragen.
De lichtjes van de kinderen langs de spiraal maken de ruimte steeds lichter. Zij zijn nog niet vertrouwd met alle symboliek en toch voelen ze de plechtige stemming haarfijn aan: de ingetogenheid en ieders aandacht. Klein en groot, iedereen beleeft dit ritueel op zijn eigen manier. Kijk ook eens naar hoe
kinderen het adventstuintje lopen. Ieder kind loopt anders, want elk kind gaat zijn eigen levensweg.
Die eenheid in verscheidenheid samen beleven en zien hoe vele kleine vlammetjes het donker doen oplossen, wekt vertrouwen. In elk van ons vonkt een beetje sterrenkracht!


[ naar “inspiratie voor ouders”]

Adventstuintje

In de kleuterklassen wordt een adventtuin gelegd van zilverzand met in het midden een grote kaars.
Daar omheen worden stoeltjes klaargezet voor kinderen en tafels voor ouders om op te zitten.
Ook is er ruimte nodig voor de muzikanten uit de hogere klassen en een tafel staat apart voor appelkaarsjes.
Bij het adventtuintje mag per kind één ouder aanwezig zijn

Zie hier:

Daniël Udo de Haes heeft ooit een verhaal geschreven om het Sinterklaasfeest en het kerstfeest met elkaar te verbinden.
Hierin het beeld van Maria die kinderen onder haar warme mantel meeneemt naar de aarde en die de mensenkinderen die terug willen keren naar de geestelijke wereld, onder haar kleed mee terugneemt:
“Eens reed Sint-Nicolaas over de wolken van Spanje naar Holland. Daarboven in de hemel ontmoette hij Maria, die het Kerstkind in haar armen droeg. Zij vertelde aan Sint-Nicolaas dat zij het Kind juist weer voor een poosje naar de aarde wilde brengen. Daar mocht het dan weer met de kinderen spelen.
Toen kwamen dadelijk van alle kanten de sterren naderbij en vroegen of ze mee mochten gaan.
Dat mag, zei Maria, als de Maan jullie de weg wil wijzen want jullie passen niet allemaal onder mijn warme mantel.
Dat hoorde Sint-Nicolaas en hij reed op zijn paard snel naar de maan: ‘Goedenavond Maan!’
‘Goedenavond Sint-Nicolaas’, zei de Maan. ‘Maan, wil je de sterrenkinderen die met Maria mee naar de aarde willen de weg wijzen’? ‘Natuurlijk’, zei de Maan, ‘als de Zon dan overdag wil helpen…’
Sint-Nicolaas reed naar de Zon. ‘Zon, wilt u Maria helpen om de sterrenkinderen de weg naar de aarde te wijzen, de Maan helpt in de nacht, kunt u overdag helpen?’
‘Wat willen de sterrenkinderen op de aarde doen, Sint-Nicolaas?’ ‘De sterrenkinderen willen spelen met het Kerstkind en de aardekinderen.’ ‘Ik help graag mee’, zei de Zon.
Toen kwam de Zon naast Maria staan en de Maan aan de andere kant. Maria nam vele sterrenkinderen onder haar mantel en de sterrenkinderen zagen de glans van het Kerstkind dat Maria op haar arm droeg. De Zon liet zijn stralen lichten op het pad dat Maria ging…
Sint-Nicolaas reed ondertussen op zijn paard met rasse schreden vooruit over de wolken en kwam als eerste op de aarde aan. Daar aangekomen vertelde hij aan een ieder die het maar wilde horen dat het Kerstkind weldra op aarde zou komen. Sint-Nicolaas gaf de kinderen speelgoed zodat zij straks met het
Kerstkind konden spelen. Toen Maria met het Kind op aarde aankwam, sprongen vele sterrenkinderen van haar schoot en waren mensenkinderen geworden. Ze speelden samen.
Na een poosje keerde Maria terug naar de Hemel en vele mensenkinderen mochten met haar mee om daar dicht bij de Zon, Maan en Sterren te zijn…”

Kaarsjes “trekken”… in de adventtijd

Activiteit:
getekende ster op goudpapier opvullen met verschillende
materialen [in dit geval glazen schijfjes]

Vloeipapieren sterren vouwen
Zie hier.

Origami lampje vouwen
Zie hier  (link onduidelijk)

In deze weken kerststalletje knutselen


[vanuit het Oberufer Kerstspel] aanzegging:
Engel: Wees gegroet gij begenadigde!
God den heer is met u!
Gij zijt gezegend onder de vrouwen,
want gij zult bevrucht worden
en enen zoon baren
en zult zijnen naam heten Jezus.
En hij zal over zijn volk koning zijn in der eeuwigeid.
Maria: Hoe zal dat wezen,
dewijl ik genen man en bekenne?
Engel: Ziet, ik ben den engel Gabriël
zo ‘t u verkondigt:
de kracht des allerhoogsten zal u overschaduwen.
Daarom ook dit heilige dat uit u geboren wordt
zal Gods zone genaamd worden.
En ziet, Elisabeth uw nichte
is ook zelve bevrucht mit enen zone in haren ouderdom
en deze maand is haar,
die onvruchtbaar genaamd was, de zesde.
Want geen ding en zal bij God onmogelijk zijn.
Maria: Ziet de dienstmaagd des heren,
mij geschiede naar uw woord

 

Een verhaaltje:

Een oude man die het einde van zijn leven voelde naderen riep zijn drie zoons bij zich en zei: “Ik kan mijn bezit niet door drieën delen, want wat ik nalaat is niet te verdelen. Daarom heb ik besloten alles wat ik heb na te laten aan degene die het meest intelligent is en het helderste inzicht bezit, anders gezegd: aan mijn beste zoon.
Op tafel ligt voor ieder van jullie een muntstuk. Pak dat. Wie er iets van koopt waarmee deze hut waarin we wonen geheel gevuld kan worden zal alles krijgen.”
Ze vertrokken.
De eerste zoon kocht stro, maar dat reikte slechts tot halverwege.
De tweede zoon kocht zakken met veren, maar ook hem lukte het niet de hut te vullen.
De derde zoon, die de erfenis uiteindelijk zou krijgen, kocht maar iets heel kleins.
Het was een kaars.
Hij wachtte tot het donker was, stak de kaars aan en vulde de hele hut met licht.


Het Luciafeest is een typisch Zweeds lichtfeest dat op 13 december, de
naamdag van Sint-Lucia, wordt gevierd. De traditie is ontstaan in de
middeleeuwen en heeft zich in de 20e eeuw van Västergötland naar de rest
van Zweden en naburige landen verspreid. In Zweden markeert het Luciafeest
nu het begin van de kerstperiode. De traditie heeft elementen van het
voorchristelijke midwinterlichtfestival overgenomen. In vroegere tijden kwam
de dertiende december overeen met de midwinternacht. Door
kalenderwijzigingen in de loop van de eeuwen is het moment van de kortste
dag op de kalender verschoven, hoewel het feest op 13 december bleef staan.
De traditie in Zweden is dat er vroeg in de morgen meisjes in witte kleding
met een rode sjerp en met kaarsjes op hun hoofd het gezin en ouderen
wekken en eten brengen. Daar worden dan ook speciale Lucialiedjes bij
gezongen. Ook is het traditie dat elk dorp jaarlijks een eigen ‘Lucia’ kiest.
Tijdens het Luciafeest worden er vaak lussekatter (gele safraanbroodjes)
gegeten. (uit wikipedia)


Donker wordt de aarde,
Duister overal.
Maar ons hart bewaarde
Licht, dat blijven zal.

Dat het helder brande,
Lichten mag heel ver,
Dan zal eens de aarde
Worden tot een ster!

Lena Struik

Advent:

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: advent  – jaartafel

.

2552

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – wegwijzer (341)

.

In het geschreven werk van Rudolf Steiner, maar ook in zijn opgetekende voordrachten vind ik vaak uitspraken, die – enigszins los van hun verband – op zich een inhoud hebben waarover je lang kan nadenken. Een tijdlang zo’n zin regelmatig op je laten inwerken, kan tot gevolg hebben dat deze zin je in een bepaalde situatie plotseling invalt en dan een antwoord of een richting blijkt te geven voor waarmee je op dat ogenblik bezig bent.
Ze wijzen je een weg; misschien ‘de’ weg; en ze wijzen je weg van het alledaagse. of geven je juist daarop een andere kijk,

‘wegwijzers’ dus

 

341
Alles wat om ons heen stoffelijk is, is eigenlijk een gevolg van iets geestelijks.

Alles Physische um uns herum ist eigentlich ein Ausfluβ des Geistigen.
GA 107/155
Niet vertaald 

.

Rudolf Steineralle wegwijzers

Rudolf Steineralle artikelen

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Ritme

.
Dr.W.Bühler, Weledaberichten nr. 82, juli 1969

.

HET LEVENSRITME IN HET TECHNISCHE TIJDPERK
.

Op elk niveau van het bestaan ziet de mens zichzelf in tegenstellingen geplaatst. Op het organische gebied moet hij een evenwicht zoeken tussen honger en oververzadiging, stofopname en -afscheiding, zintuigelijke overprikkeling en afstomping. Te hoge en te lage bloeddruk, neigingen tot verkramping en gevaren voor verslapping van het organisme zijn alle even schadelijk. In het zielenleven bestaat de tegenstelling tussen waken en slapen, tussen wild enthousiasme en diepste neerslachtigheid of tussen te veel bezigheid en traagheid. In de natuur die ons omgeeft bedreigen ons schel daglicht en diepe nachtelijke duisternis evenzeer als hitte in de zomer en koude in de winter. We leren hier uit de regelmatige wisseling van de tijden van de dag en het jaargetijde, dat de natuur de orde handhaaft door middel van de kunstgreep van het ritme.

Het zijn inderdaad ook in het menselijke organisme de veelvuldige ritmische processen, die de tegenstellingen overkoepelen en die leiden naar een harmonisch evenwicht. In het spanningsveld van de polariteiten wordt het ritme zo tot een oerelement, dat grondslag geeft aan het leven en dit verder voert. Dit valt af te lezen aan het ritme van de ademhaling en de hartslag. Er bestaat geen systeem van organen in ons lichaam, dat niet op ritme is ingesteld. We denken hier bv. aan de peristaltische beweging van de maag, de darmen, de urineleider, de uiterst subtiele ritmiek van de trilharen op de epitheelcellen van de slijmvliezen van de bronchiën en de alfa- en bèta-golven van de hersenen, die in de door het elektrische veld geworpen schaduwen waarneembaar zijn.

Van het hoofd tot aan de voeten zijn we ervan doortrokken en doortrild en door het nog daarbovenuitgaande ritme van waken en slapen verbonden met de ritmen van de kosmische moederschoot. 

Verbinding met de kosmische ritmen

De warmbloedige dieren die een winterslaap houden, de kikker onder de koudbloedigen, de vlinders, of kevers uit de wereld van de insecten en de zeedieren, die zo gevoelig zijn voor maaninvloeden, maken ons duidelijk, dat het leven van de aarde des te meer met de ritmen van de kosmos verbonden en ervan afhankelijk is, naarmate het peil van hun organisatie lager is. In dat verband vertonen de fasen van het plantaardige leven, die absoluut de gang van de jaargetijden volgen, de grootste afhankelijkheid. Hoe hoger echter de organisatie als basis van het bewuste zielenleven staat, des te meer krijgen wezens het vermogen, de processen en ritmen van de omgevende wereld in zich te integreren en zich op deze manier ervan los te maken. Dit proces van zelfstandig wording bereikt in de mens, als het meest bewuste wezen van de schepping, zijn hoogtepunt. We kunnen naar willekeur van de nacht een dag maken en het dagverloop, met een verduistering van het bewustzijn door een middagdutje, onderbreken. Zelfs met elke zin die wij spreken, grijpen we veranderend of storend in het grondritme van ons leven in, nl. in het ritme van de ademhaling. Doordat we de ritmische ordening en gestalte, alsmede de beweeglijkheid van de wervels en ribben, die een uitdrukking zijn van de circulatie en de ademhaling, in ons hoofd overwinnen, de botten verharden en tot schedeldak laten uitkristalliseren, veroveren we ons in het centrale zenuwstelsel een orgaan, dat ons bewust uit de grote samenhang losmaakt. In de hersenen, waarin na de geboorte geen zenuwcel meer tot vermenigvuldiging in staat is, wordt zelfs de oerfunctie van al het organische leven, de celdeling, tenietgedaan. Hier bereikt de oppositie tegen de natuur buiten ons en tegen de natuurprocessen in onszelf in de bewustzijnsfuncties van de denkende mens zijn hoogtepunt. Deze stelt zich als een van zichzelf bewust „subject” tegenover de „objecten” en doordringt deze vanuit het begrip.

Dit proces leidt tenslotte tot de moderne natuurwetenschap, die het ons mogelijk maakt, in de praktische toepassing via de techniek, bijna alle natuurkrachten te beheersen en ze in dienst te stellen van de menselijke behoeften. De zegetocht via de toorts, de kaars, oliepit en petroleumlamp naar het gloeikousje, de gloeilamp en de neonbuis is slechts een uitdrukking van dit proces van zelfstandigwording, waarmee we ook uiterlijk de nacht tot dag maken. Dit is in een dergelijke vorm voor geen dier mogelijk. Zo maken we ons met centrale verwarming, ijskast en airconditioning van het ritme van de jaargetijden los, maken van de winter een zomer en omgekeerd. De astronaut in de ruimtecapsule, die rond de aarde jaagt, ziet de zon in 24 uur veertien keer op- en ondergaan. Daarmee zetten we echter alleen op technisch gebied voort, wat de natuur begon bij de schepping van het bewuste warmbloedige wezen. We dwingen daarbij de levend-ademende ritmen van de natuur in het raderwerk van de machines en laten deze in de starre regelmaat van de motoren sterven. Maar deze volgen absoluut onze willekeur. In tegenstelling tot de kosmisch onveranderlijke zon-, maan- en sterrenritmen, kunnen wij het verloop ervan te allen tijde versnellen of vertragen, laten beginnen of abrupt onderbreken. De innerlijke vrijheidsruimte van de mens spiegelt zich op deze wijze steeds meer in de volkomen beheersing van de natuur en het bedwingen daarvan onder zijn wil.

Nervositeit als tijdsziekte

Hoe noodzakelijk dit proces van de losmaking van de mens op zijn weg naar de rang van een zelfbewuste individualiteit ook is, toch dreigt dit steeds meer aanleiding te geven tot een ziekmakend op de spits drijven, dat vernietigend op het leven kan werken. We kunnen het gevaar waarin de mens tot in zijn fysieke constitutie toe verkeert, aflezen aan het leven in de grote steden, dat volkomen van de natuur vervreemd is, aan de overprikkeling door de volledig chaotische zintuigelijke indrukken, die onverteerbaar zijn voor de ziel. Achter het stuur van een auto, aan de lopende band of aan de schrijfmachine, steeds weer is de mens, die vroeger in ritmisch verlopend werk, bv. van het zaaien of maaien, met de natuur verbonden was, blootgesteld aan de dwang van mechanisch aflopende processen, die vernietigend op de ziel werken. Het instrumentenbord veroordeelt degene die erop moet letten, tot relatieve passiviteit. Op die manier verlaten we steeds meer de ritmen van de natuur die ons dragen en vallen we ten prooi aan het gejacht en gehaast van een vertechniseerde omgeving, waarin geen ritme heerst. De nervositeit als tijdsziekte en voorstadium van veel ernstiger organische ziekten die daaruit kunnen voortvloeien en die ontstaan uit zulke en nog ontelbare andere processen, uit zich daarom ook vooral in storingen van het ritme. Daaronder neemt als een epidemie de steeds toenemende slapeloosheid, als storing van het dag- en nachtritme, de eerste plaats in. Daarop volgen de nerveuse circulatiestoringen en de „vegetatieve dystonieën en disregulaties” in alle organen, die in het fijne ritmische spanningsveld van de hyper- en hypotonus, bv. van een galblaas-, maagportier- en bronchiaalspierfunctie de harmonie van het „concert der organen” in stand willen houden en zo dienst doen bij een juist samenwerken van lichaam en ziel.

In deze dreigende situatie, die ten nauwste samenhangt met het grondprobleem van de verhouding mens/techniek, zouden we in ware zelfbezinning de gevaren en de grenzen van de nieuw verworven vrijheidsruimte moeten aftasten en bepalen, voordat er ernstige persoonlijke terugslagen of problemen voor de gehele mensheid uit ontstaan. De natuur geeft zelf dergelijke grenzen aan. We kunnen weliswaar zelf het ritme van onze ademhaling remmen of regelen, maar niet het ritme van het hart. We kunnen ons wel onttrekken aan het waak-slaapritme, maar zijn niet in staat, de „inwendige klok” te verzetten, die bijna alle wezenlijke orgaanfuncties in het ritme van 24 uur bestuurt. Onze warmte- en galproductie bv. wordt om 3 uur ’s nachts omgeschakeld op de zgn. ergotrope fase, die ons waakbewustzijn bij de dagelijkse bezigheden ten goede komt, terwijl reeds om 15 uur de tegenfase langzaam inzet. „Moeder Aarde” zelf houdt ons met haar dagelijkse ademritme, waarmee ze alle geofysikale en organische processen doordringt, aan haar levenschenkende boezem vast. Wanneer we met een straaljager in vliegende vaart naar een ander continent gebracht worden, voelen we ons pas weer goed, wanneer de innerlijke klok zich na een paar dagen heeft ingesteld op de daar geldende plaatselijke tijd. De arbeidspsychologie stelt vast, dat lang volgehouden nachtelijk werk in elk geval schadelijke invloed op het menselijke organisme moet hebben, omdat er geen gewenning intreedt aan het tegennatuurlijke ritme van de nachtploegen. Ook op het gebied van ziel en geest gelden dergelijke wetmatigheden. Een loslaten van ritmen, overbelasting en onafgebroken inspanning kunnen misschien bij een vitale constitutie lange tijd worden uitgehouden — op den duur volgt stellig de zenuwinstorting of een aantasting van de verdere gezondheid en meestal een hartinfarct. 

Invoegen in een hoger verband

Het is daarom voor ieder die inzicht heeft, duidelijk, dat de volgende fase van de ontwikkeling van de mensheid slechts hierin kan bestaan dat de mens die door zijn vertechniseerde omgeving in zijn ritmische gebied gestoord is, in een verband van hoger orde gebracht wordt. Weliswaar moet deze samenhang zelf eerst weer gevonden of geschapen worden. Dit vereist onder meer een bewuste en gezonde omgang met de tijd en een inzicht en verzorging van de aan het geheim van het ritme verbonden kwaliteiten, die bv. ook de biografie van iedere mens bepalen.

De van nature gegeven nachtelijke slaappauze, die ontspanning en regeneratie tot stand brengt, is een leerzaam voorbeeld. In de tegenstelling van de werk- en zondagen van het wekelijkse ritme, die vanuit een wijs inzicht aan het organisme van de mensheid als sociaal hygiënisch element werd toegevoegd, is het motief van in- en ontspanning reeds aanwezig. De tijd van rust, van niet-gebonden-zijn en van een zich richten op religieuze waarden als bronnen van de geestelijke opbouw, staan op deze wijze tegenover de plichten en eisen van het uitputtende dagelijkse leven en scheppen een zeker evenwicht. We zouden daarom ook bewuster over een zinvolle vulling en vorm van de wekelijkse vrije tijd moeten nadenken en in geen geval het weekend moeten misbruiken voor nieuwe „topprestaties”, die we ook weer te danken hebben aan de techniek in de vorm van auto’s enz. Het zich intens bezighouden met een landschap of het verzorgen van de planten in de voortuin daarentegen, verbinden ons met de opbouwende levensritmen van de natuur. Iedere geregelde, actieve echt kunstzinnige bezigheid, al is die nog zo bescheiden (blokfluit, kleurpotloden enz.) geeft ons niet alleen een gevoel van ontspanning van de ziel en wekt niet alleen verborgen, braakliggende gebieden van ons leven, maar werkt harmoniserend en versterkend op ons ritmische systeem. Want in ons organisme zelf zijn kunstzinnig scheppende natuurkrachten onbewust werkzaam in de vorming en functies van de organen. Ze wachten a.h.w. op een weerklank vanuit de ziel, waardoor ze meestal — als gevolg van onze onrust en onverstand — alleen maar gestoord worden. Daarom is het in onze tijd ook zo dringend nodig, de dag ritmisch te laten verlopen en zelfs gekozen pauzen in te voegen, waarin bewust ontspanning of een bepaalde inspanning die in een heel andere richting gaat, wordt nagestreefd. De gebruikelijke pauze voor een sigaret of om te schaften, is alleen maar een begin. Het geregeld begieten van de planten, het oplettend beleven van een zintuigelijke indruk (leren kijken en luisteren), het bewuste wegleggen van een voorwerp ’s avonds om het ’s morgens weer tevoorschijn te halen, of de terugblik ’s avonds op het verloop van de dag, zijn zulke oefeningen voor een hygiëne van de ziel. Die kunnen tot ogenblikken van beschouwelijkheid in meditatieve zin opgevoerd worden door het innerlijk rusten op de inhoud van een gedicht of van een spreuk, vooral wanneer men heeft verleerd om te bidden.

Het vinden van innerlijke rust

„De gestadige druppel holt de steen uit”. Het gaat hierbij minder om de poging op zichzelf, dan wel om de regelmatige herhaling, het systematische oefenen. Ritme vervangt kracht! Het proces van het verzorgde ritme zou een nieuwe, genezende gewoonte moeten worden, die onze constitutie als een ademhaling doortrekt. Het komt erop aan, in de tegenstelling tussen kinderlijke gebondenheid aan de natuur en de absolute ongebondenheid van een intellect, dat van de geest verlaten is, de gulden middenweg van een hoger levensritme te vinden. Dat ritme zal een gezondmakende invloed hebben. Onze innerlijke rust, ons levensvertrouwen en ten slotte de handhaving van onze menselijke waardigheid hangen — meer dan men zou denken — van dergelijke pogingen af.

.

Ritme – alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2551

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Bewegen

.

Dr.med. Simeon Pressel, Weledaberichten nr.109, sept 1976
.

HET GEVOELIGE SAMENSPEL IN ONS BEWEGINGSORGANISME

.

Ons bewegen is in gevaar.
Vroeger werd het levend gehouden door de noodzaak van de lichamelijke inspanning; dit is ons door machines afgenomen. Niet-gebruikte krachten veranderen echter in giften in onze stofwisseling, die verlammend werken in spieren en gewrichten.

Wat is daartegen te doen? Een stap in de goede richting is een duidelijk inzicht in de samenhang. Het bewegingsorganisme bestaat uit 4 elementen.

In de eerste plaats een element, dat doet bewegen, de spier;
dan één, dat wordt bewogen, het bot.
De spier is gewoonlijk aan beide kanten aan het bot gehecht, waartussen een gewricht de beweging mogelijk maakt.
Verder heeft de spier veel bloed nodig; wonderbaar vertakte bloedvaten en bloedvaatjes brengen en halen het levenssap.
Als vierde is de spier op gelijke wijze geheel doorweven met zenuwen voor de waarnemende communicatie die het harmonische samenwerken tot stand brengt.

In de ledematen en romp heeft het skeletspierstelsel zijn zwaartepunt. Centrum is de wervelkolom, uit ongeveer 30 wervels opgebouwd met daartussen kraakbeenschijven.
Naar onder toe overweegt de belasting zó sterk, dat omstreeks het 25e levensjaar de 5 wervels van het staartbeen tot één geheel vergroeien. Naar boven neemt de bewegelijkheid geleidelijk toe, om bij de atlas ten slotte haar hoogtepunt te bereiken.
Honderden spieren omhullen deze wervelkolom: de kleinste van de ene wervel direct naar de volgende, daarover langere, die een of meer gewrichten overslaan en ten slotte de grote rugstrekkers, die van boven tot onder reiken.

Geheel bovenaan, op de bovenste van de zeven halswervels (ook de giraffe heeft er zeven, evenals de dwergmuis) ‘troont het hoofd, dat reeds door de Grieken met het hemelgewelf werd vergeleken. In deze eenzame hoogte houden de spieren langzamerhand op, maar hier ontspringt, gelijk Pallas Athene uit het hoofd van Zeus, de grootste en bewegelijkste beweging: het denken, dat over de grenzen van ruimte en tijd reikt.

Tussen de tegenstellingen van hemelse en aardse bewegingen, bemiddelt de beweging van adem, spraak en zang, die weliswaar spieren nodig heeft, maar in zijn centrum, het strottenhoofd, zich niet van been, maar van het wekere kraakbeen bedient. Als een edelsteen is zo het sierlijke spraakorganisme in de wereld van de grote spieren ingebed; het werkt en leeft daar.

Nog intiemer werkt in de spraak het denken, de oerbron van alle beweging.

Nu willen wij nauwkeurig nagaan, hoe de gezondheid en het geluk van de mens afhangt van het samenspel van deze zo verschillende sferen. Wordt bij bepaalde handelingen het denken uitgeschakeld, dan geschiedt die handeling slaafs. Een nog gebruikelijke vorm daarvan, het werk aan de lopende band, wordt gelukkig steeds meer door zinvol groepswerk vervangen; de mens is dan weer geheel ingeschakeld en zijn bewustzijn wordt niet afgestompt en mogelijk vergiftigd.

Is het lichamelijk aandeel bij het werk te gering dan verliest het zijn realiteit en actualiteit en wordt tot een leeg gedachtespel. Vele kinderen ervaren de school als niet bij hen passend, wanneer het onderwijs te veel op het intellect gericht is. Juist een opgroeiend kind zou zó geleid moeten worden, dat het leert de lichamelijke bewegingen op harmonische wijze om te vormen tot fijnere innerlijke activiteit.

Kan nu ook dat middengebied, de spraakbeweging ziek worden? O ja, wanneer het van de beide anderen wordt gescheiden, komt het tot holle woorden. Wij kunnen daarbij denken aan de meer zuidelijke mens, die, druk gebarend, vele lege woorden laat horen, terwijl de noordeling meer neigt naar het koude abstracte.

Na deze vormen van eenzijdigheid te hebben nagegaan, willen wij nu de blik richten op andere vormen van beweging, die tot vruchtbaar samenwerken leiden.

Hoe komt het, dat pantomime ons zo fascineert? Weliswaar schijnt de spraakbeweging hier te zijn onderdrukt, maar des te duidelijker ‘spreken’ de ledematen; het is deze verschuiving, die bekoort. Bij muziek, die voortkomt uit het middengebied van spraak en zang, schijnen de beide buurbewegingen – de fysieke en die van het denken – te ontbreken, maar ook hier maakt het ontbreken juist de charme uit. Gedachten kunnen in klanken, hoewel op andere wijze dan in woorden, worden uitgedrukt. Aan de andere kant bewijzen de vele soorten van dansmuziek, dat daarin lichaamsbeweging opgesloten ligt, zodat als het ware je voeten willen meedansen.

En de dans zelf? Is de dans niet enkel een vorm van muziek, die door de ledematen gaat en daardoor door het gehele lichaam?

Maar op de meest omvangrijke wijze brengt het toneelspel de drie bewegingsvormen tot uitdrukking. De opera, met de muziek, gaat nog een stap verder. Zo is het niet te verwonderen, dat al deze kunsten zowel in de primitieve als in de huidige culturen een belangrijke plaats innemen. Maar de hier in het begin genoemde vergiftiging in de stofwisseling hebben zij nog niet kunnen afwenden, onze beschaving nog niet kunnen veranderen.

Ook het weten op zich van deze dingen kan dat niet; het is pas een eerste stap. Er moet een grondige vernieuwing komen.

Onze tijd heeft op alle gebieden ongekende mogelijkheden geopend. Naast vele gevaren voor de gezondheid en de harmonie van de mens zijn er ook wegen geopend naar de genezing van het gehele bewegingsorganisme: om dat met nieuw stromend leven te vullen.

In het bijzonder mogen we hier de nieuwe bewegingskunst, de euritmie noemen, die ieder mens er weer plezier aan kan laten beleven zijn ledematen en spieren zinvol te bewegen.

Dr. Rudolf Steiner zegt daarover in een voordracht: de euritmie als bezielde en doorgeestelijkte gymnastiek is een opvoedmiddel van betekenis. De gymnastiek haalt zijn wetten uit de kennis van het menselijk lichaam. Maar alleen bezielde gymnastiek zal bereiken wat het zuiver lichamelijke niet kan. Het zal de gehele mens, naar lichaam, ziel en geest opvoeden en onder geen beding het lichaam veronachtzamen.

.

Menskunde en pedagogie: alle artikelen   nr. 19 over bewegen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2550

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (4-7)

.
Hoewel dit artikel al weer zo’n 50 jaar geleden verscheen, is het m.i. niet achterhaald. De eetperikelen zoals beschreven, doen zich nog steeds voor.
De gezichtspunten die worden gegeven, kunnen nog altijd een hulp zijn, wanneer dergelijke problemen zich in een gezin voordoen
.

Dr.A.Fauth, kinderarts in Weledaberichten nr. 77, april 1968

.
MIJN KIND EET NIET
.

„Mijn Elsje eet niet, schrijft U alstublieft iets voor wat daarvoor helpt.”
Met deze woorden komt Mevr. B. met haar vierjarig dochtertje in de spreekkamer.
Esje is een slank, helemaal niet mager kind, met wakkere, levendige ogen. Ik hoor nog van de moeder dat ze enig kind is, dat met grote liefde en zorg door de ouders en de grootouders wordt opgevoed. Als baby had ze de voorgeschreven hoeveelheden aan flesjes, pap en groente met goede eetlust gegeten maar ze was nooit echt hongerig. Toen ze met twee jaar kon lopen en een erg levendig kind werd, meende Mevr. B. dat het kind meer eten moest hebben. Toen de kleine eerder minder dan meer wilde eten, werd langzaamaan een zachte dwang uitgeoefend.
Intussen is elke maaltijd een klein familiedrama geworden. Elsje stribbelt tegen als het gevulde bordje op tafel komt. „Ik heb geen honger!” Tussen de maaltijden krijgt ze, omdat ze altijd zo’n dorst heeft, rijkelijk melk te drinken en ze bedelt bij grootmoeder voortdurend om bonbons, zuurtjes, enz.

Dit voorbeeld van gebrek aan eetlust wordt daarom gekozen, omdat het zoveel voorkomt en niet alleen bijna dagelijks in de praktijk van de kinderarts opduikt, maar ook omdat het wel haast alle fouten laat zien, die bij kinderen met een dergelijke aanleg tot gebrek aan eetlust aanleiding kunnen geven.

Om te beginnen zal de arts het kind grondig onderzoeken. In dit geval echter hebben onze onderzoekingen uitgewezen: Elsje is organisch gezond. Nu staan we voor het moeilijke probleem, de moeder duidelijk te maken dat ter verbetering van dit gebrek aan eetlust niet een „goed” geneesmiddel nodig is, (ofschoon een preparaat dat bitterstoffen bevat, zoals bv. gentiaan en alsem de behandeling in het begin gunstig kan beïnvloeden), maar een volledig andere houding van de ouders. En wie laat zich dit graag zeggen?

Om te beginnen zou een enig kind dagelijks voor een paar uur in een groepje kinderen, bv. een kleuterklas, moeten worden opgenomen. Voorts zou het principieel tussen de maaltijden niets te eten moeten krijgen. Zoetigheden kan men in kleine hoeveelheden na de maaltijd geven; en in geen geval zou een kind melk moeten krijgen om zijn dorst te lessen. In ’t algemeen zou het gebruik van melk bij kinderen zonder eetlust sterk beperkt moeten worden, hoogstens ¼ L. per dag. Het beste kan men een tijd lang verse melk vermijden en in plaats daarvan kwark of iets dergelijks geven. 

Van groot belang is voor de ouders het inzicht, dat hun kleuter een geringere en geen grotere behoefte aan voeding heeft, vergeleken met de zuigelingentijd. Terwijl een zuigeling in de eerste vijf maanden zijn geboortegewicht verdubbelt en tot aan het eind van het eerste jaar verdrievoudigt, neemt de kleuter in het 2e jaar in totaal slechts 2 kg. in gewicht toe. Tot aan de leerplichtige leeftijd moet hij dan het gewicht van een eenjarige weer verdubbeld hebben. De gevaren voor overvoeding en vetzucht zijn tegenwoordig veel groter dan die van de ondervoeding. Dikke kinderen zijn veel vatbaarder voor infectieziekten en hebben bij ziekten veel minder weerstand dan de slanke, taaie kinderen.

Van zeer groot belang is, te vermijden dat elke maaltijd een soort strijdtoneel voor de uitoefening van macht wordt. Een kind dat met afschuw aan de scènes van de komende maaltijd denkt, zal bij het zien van het eten het laatste restje aan eetlust verliezen. Onze spijsverteringsklieren reageren nl. zeer nauwkeurig op prikkels van de ziel. Een vrolijke atmosfeer aan tafel, eten dat er prettig uitziet, kleurige bordjes enz. voor het kind, kleine porties, die het kind soms graag zelf neemt en geen notitie nemen van de hoeveelheid die gegeten wordt, dat zijn de beste voorwaarden voor een herstel van de eetlust. Een kind mag eten, het moet niet. Wat aan het eind van de maaltijd nog op het bord overblijft, dat wordt — zonder een woord — weggenomen. Er is een spreekwoord in de kring van kinderartsen: een kind verhongert niet, zolang er nog iets in de voorraadkast is. 

Nu zijn er kinderen, die helemaal niet dol zijn op zoete kost, maar veel meer op een smakelijke stamppot. Het is eenvoudig onverstandig, zulke kinderen dagelijks een zoete pap op te dringen, omdat het toch zo gezond is. Men kan zich zeker enigszins naar de smaak van de kinderen richten, bij de keuze van de spijzen. En men hoeft niet bang te zijn voor wat kruiden, waarbij echter wel gewone keukenkruiden de voorkeur verdienen boven kerrie en peper.

Er zijn echter ook kinderen, die alleen onder bepaalde omstandigheden geen eetlust hebben. In de vakantie, wanneer ze de hele dag zonder dwang in de buitenlucht kunnen spelen, zijn het meestal geweldige eters. Maar al na korte tijd, wanneer ze in de stoffige grote stadslucht, in kleine woningen, zonder voldoende mogelijkheid om buiten te zijn en uiteindelijk op school zelfs te sterk belast worden, komt het probleem van gebrek aan eetlust weer opduiken. Maar wanneer men deze samenhang ziet, gaat het erom naar mogelijkheden te zoeken om hieraan het hoofd te bieden. Schoolkinderen, waarvan wat veel gevergd wordt, zouden voor het eten een half uurtje moeten gaan liggen. Dat er ’s morgens voor het naar school gaan voldoende tijd voor een verzorgd ontbijt moet zijn, is al lang bekend. Maar niet alleen brood geven dat het schoolkind bijna niet naar binnen krijgt. Waarom niet eens wat muesli?

Elk kind reageert op zijn manier. Maar de moeder zou niet altijd naar lichamelijke storingen moeten zoeken — daarover kan tenslotte alleen een zorgvuldig onderzoek van de arts uitsluitsel geven — maar ook aan de vele psychische oorzaken, inclusief de eigen fouten in de opvoeding. Ook jaloezie op een nog niet geboren of jonger broertje of zusje, kleine schokkende ervaringen, moeilijkheden in het huwelijk van de ouders, overmatige eisen van eerzuchtige ouders of ongunstige toestanden op school kunnen — naast nog andere verschijnselen — aanleiding geven tot gebrek aan eetlust. Dat is dus nooit een ziekte, maar altijd alleen een begeleidend symptoom.

.

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2549

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Ritme (3-25)

.

Manfred Weckenmann, arts*, Weledaberichten nr. 153, maart 1991
.

HET RITME VAN DE MENSELIJKE UITSCHEIDINGSPROCESSEN
.

Alle processen in de mens – en dit geldt in de gehele levende natuur- verlopen met een ritmisch geordende intensiteit. Zo is het niet verwonderlijk dat ook in de processen van de menselijke stofwisselingsorganisatie ritmische processen een belangrijke rol spelen. In de volgende bijdrage onderzoekt Manfred Weckenmann, arts, de betekenis van het ritme voor de menselijke uitscheidingsfuncties.

Het is wellicht menigeen al opgevallen dat hij overdag vaker moet plassen en minder zweet dan ’s avonds en ’s nachts. Zulke waarnemingen geven aanleiding tot de idee dat uitscheiding periodiek plaatsvindt.
De wetenschap heeft, met name in de laatste dertig jaar [artikel uit 1991] laten zien dat niet alleen uitscheiding maar alle biologische en psychologische processen ritmisch verlopen. (Chronobiologie; Kronos = God van de periodieke tijdsindeling).

Laten wij met betrekking tot ons onderwerp eerst duidelijk maken wat men in biologische zin onder uitscheidingsprocessen verstaat en wat onder ritme.

Wat is uitscheiding? 

Etymologisch betekent “uit” (indogermaans: ud) “ergens op, ergens vandaan” en “scheiden” (indogermaans: skei) “snijden, splitsen”. Het Latijnse woord voor uitscheiding is excretie naar het woord excrescere “eruit-, tevoorschijn-, in de hoogte groeien”.
Uitscheiding is dus een actief proces, dat boven het organisme uitgroeit en het onherroepelijk verlaat. In deze betekenis gelden als uitscheiding onder andere: stoelgang, urine, kooldioxide (uitademing), nagels, haar, huidschilfers, talg, zweet, warmte (uitademing, huid), sperma, menstruatiebloed, tranen en moedermelk.

Wat zijn biologische ritmen?

De levensverschijnselen veranderen voortdurend. De wetmatigheden die aan deze veranderingen ten grondslag liggen zijn duurzaam. Een deel van deze wetmatigheden wijst op een onomkeerbare verandering, omdat de tijd niet omkeerbaar is (bijvoorbeeld de biologische evolutie). Een ander deel wijst op wetmatigheid die op terugkeer is gebaseerd (bijvoorbeeld de seizoenwisseling). Deze laatste wetmatigheid noemt men cyclisch (cyclus = kring) of periodiek (peri – odos = omloop, kringloop). In het leven kruisen beide vormen elkaar, zodat er een soort spiraalbeweging ontstaat waarbij steeds hetzelfde terugkeert. Dit noemt men “ritmisch”. In het taalgebruik worden cyclisch, periodiek en ritmisch vaak als synoniem gebruikt. Afgebakende perioden kunnen alleen door middel van gebeurtenissen worden beschreven (bijvoorbeeld de omloop van de wijzers van de klok). Diverse lange perioden kunnen door getalsverhoudingen met elkaar worden vergeleken (bijvoorbeeld: hoeveel zon – licht-donker – wisseling = dagen komen overeen met één maan -licht-donker – wisseling = maand?). Daarop berust onze “tijdmeting”.
Elke periode is onderverdeeld in fasen (bijvoorbeeld maanfasen).

Een periode van uitscheiding bestaat dus uit een fase van verhoogde en van vergaand verminderde uitscheiding.

De duur van een biologisch ritme loopt van onderdelen van seconden tot jaren. In het hiernavolgende beperken wij ons tot het ritme van dag en nacht.

Stoelgang

De ontlasting wordt gevormd uit onverteerbare stoffen, de uitscheidingen van het maag-darmkanaal en de bacteriën die zich in de darm bevinden. Hij is “giftig” en heel besmettelijk.
In de regel vindt de stoelgang eenmaal per dag, ’s morgens plaats. Dat dit “normaal” is kunnen wij herkennen aan het feit dat bijvoorbeeld bij een geneeskrachtige drinkkuur bij patiënten met een stoelgang van meermalen per dag deze wordt verlaagd en bij degenen met een stoelgang van eenmaal in de twee, drie of vier dagen, deze wordt verhoogd. Binnen de patiëntengroep treedt een zgn. normaliseringstendens op van ongeveer één stoelgang per dag.

Urine-uitscheiding

Met de urine wordt datgene uitgescheiden wat aan in water oplosbare substanties (kortgezegd: “urinezouten”) uit de stofwisseling aan het bloed werd afgegeven, voor zover het voor de verdere opbouw van het organisme onbruikbaar is. De nieren stellen voor het bloed de mate vast waarin deze substanties kunnen worden opgenomen. Als dat niet zo was, zou de stofwisseling de opname “blindelings” overschrijden. Faalt deze maatgevende functie van de nieren, dan vergiftigen deze stoffen het organisme. Het bewustzijn en de gezonde opbouw worden verstoord.
Het hoogtepunt van de hoeveelheid uitscheiding van deze “urinezouten” ligt bij gezonde volwassenen dagelijks tussen 12.00 uur en 22.00 uur wat betreft de hoeveelheid natrium, kalium, calcium, chloor, urinestof, urinezuur en creatinine. Alleen fosfaat wordt ’s nachts sterker uitgescheiden. Deze tijdsindeling geldt ook onafhankelijk van de voedselopname.
In de fase waarin maximale nierafscheiding plaatsvindt -overdag- neemt de mens voedsel en vloeistof tot zich en is hij actiever. Daardoor is hij van de kant van de stofwisseling sterker aan vergiftigingsgevaar blootgesteld. De activiteit van de nieren is op dit gevaar ingesteld en ontgift overdag actiever dan ’s nachts. Deze fasegewijze ontgifting door de nieren is echter geen passief gevolg van een verhoogde prestatie van de stofwisseling, want de nieren ”ont-giften” overdag sterker, ook wanneer voedselopname en activering van de stofwisseling uitblijven. Zowel sociaal gedrag als stofwisseling enerzijds en activiteit van de nieren anderzijds zijn dus harmonisch op elkaar afgestemd, ’s Nachts heeft de urine de hoogste concentratie; daarom bestaat dan het grootste gevaar voor niersteenvorming.

Deze periodieke afwisseling is bij gezonde mensen stabiel, ook wanneer hij gedurende een bepaalde tijd ’s nachts werkt. Zowel bij oude mensen als bij mensen met hart- en nierziekten verandert de relatie van de fasen tot de
“zonnedag”: de maximaal aanwezige hoeveelheid urine en ”urinezouten” verplaatst zich naar de nacht (ongeveer 22.00 – 5.00 uur).
In de urine worden echter ook hormonen uitgescheiden, voor zover zij een bepaalde bloedspiegel overschrijden. Omdat hormonen ook afhankelijk van de periode van de dag worden gevormd, is de uitscheiding hiervan ook periodiek. Zo worden de activerende hormonen van de bijnierschors en bijniermerg en ook de hormonen van de sympaticus in de vroege ochtend tot de middaguren versterkt uitgescheiden. Deze “ontgifting” beschermt de mens dus voor “overprikkeling” in de ochtend. De meer opbouwende hormonen, zoals insuline, worden daarentegen versterkt gevormd en uitgescheiden in de middag- en avonduren.

Uitademing van kooldioxide

De uitademing van kooldioxide is een gasvormige ontgifting want wanneer deze faalt lijden het bewustzijn en de opbouw van de organen daaronder. De functie lijkt dus op die van de nieren.
De intensiteit van de ademhaling neemt toe met de toenemende wakkerheid en daalt met de diepte van de slaap. Zo zijn de capaciteit van de longen en de zuurstofopname en ook de afgifte van kooldioxide overdag hoger dan ’s nachts. Prikkelingen van de ademhaling, zoals door lucht die rijk is aan kooldioxide, wordt dienovereenkomstig in de slaap zwakker beantwoord dan bij waakbewustzijn. Deze kan op een ziekelijke manier de aanzet van de ademhaling fasegewijs gedurende meer dan tien seconden doen stokken. Daarbij kan het zuurstofgehalte in het bloed dalen en kan het gehalte aan kooldioxide stijgen, waardoor de patiënt meestal wakker wordt. De bereidheid tot het afgeven van kooldioxide is dus gekoppeld aan de activiteitenfase van de mens met een verhoogde productie aan kooldioxide. Op deze manier is de werking van de longen net zoals bij de nieren compenserend afgestemd op de werking van de stofwisseling. Op de afgifte warmte en water bij de uitademing wordt hier niet ingegaan.

Alle hier besproken uitscheidingen hebben betrekking op de dag. Er worden nu drie uitscheidingsprocessen besproken die in de nacht plaatsvinden.

Over een dag- en nachtritme van nagel- en haargroei en over huidschilfering en talgklierafscheiding vond ik tot nu toe geen literatuur. Er werd wel onderzoek gedaan naar zweetafscheiding en afgifte van warmte.

Zweetafscheiding en warmteafgifte

De periodieke afwisseling van de zweetafscheiding en de warmteafvoer via de huid, is in vergaande mate onafhankelijk van het ritme van de buitentemperatuur en het lokale klimaat. Vanaf ongeveer 3.00 uur begint het binnenste van het lichaam warmer te worden, terwijl de huid steeds koeler en droger wordt (opwarmfase). Vanaf ongeveer 15.00 uur vindt er een omgekeerd proces plaats: de kern van het lichaam wordt koeler, de huid wordt warmer en heeft de neiging te gaan zweten. Daardoor stroomt er warmte naar de omgeving (afkoelingsfase). Iedereen kan dit aan zijn handen zien die ’s morgens meestal koel en bleek zijn en ’s avonds warm en rood. Deze regulering heeft tot gevolg dat zweetbevorderende maatregelen (thee, sauna) ’s avonds succesvoller zijn en koortsverhogende maatregelen (koortsbaden en medicijnen) ’s morgens.

Het subjectieve gevoel van een onaangename omgevingstemperatuur is ’s avonds het duidelijkst en ’s morgens het minst. Wij zullen daarom eerder geneigd zijn om ’s avonds onze kleding af te stemmen op de omgevingstemperatuur dan ’s morgens. Dit is zinvol; want wanneer het ’s avonds te koel wordt, dan is op dit tijdstip het organisme niet in staat de doorbloeding van de huid te verminderen (zoals ’s morgens) om overmatig warmteverlies te vermijden. Er bestaat een hoger risico voor ”kou vatten”. Wanneer het ’s avonds echter nog heel warm is, belemmert dit de afkoeling. Wij moeten dan iets uittrekken. Het subjectieve gevoel van warmte en kou is toegenomen op het moment dat het lichaam zichzelf niet kan helpen bij een niet passende temperatuur van de omgeving. Het is dan aangewezen op het voelende bewustzijn van de bedreigde warmteregulatie, zodat wij met ons gedrag kunnen helpen. Omdat de temperatuurregulatie in wezen betrekking heeft op het bloed, kan men ook zeggen dat het bloed ’s avonds meer betrekking heeft op de huid en de zintuigen en ’s morgens meer op de stofwisseling en de prestatie.

De seksuele functie

Het bekendste ritme op het gebied van de seksuele functie is de periodieke bloeding bij de vrouw (menstruatie) die -de naam drukt het al uit- regelmatig ongeveer in een maandritme plaatsvindt.

Minder bekend is het dag- en nachtritme van deze organisatie dat bij de man en de vrouw in gelijke mate optreedt en hetzelfde is als het ritme van de huid. Ook hierbij vindt er een afwisseling plaats tussen sterke en zwakke doorbloeding en afscheiding en wel in dezelfde fasen als die van de huid, d.w.z. een versterking ’s nachts en een reductie overdag. Over dit dag en nachtritme liggen in de nacht kortere ritmen die synchroon lopen met de diepte van de slaap.

Incidentele zelfwaarnemingen -vooral bij oudere mensen- laten zien dat men op vaste tijden enigszins regelmatig, ’s nachts steeds weer wakker wordt en zich daarbij vaak een droom kan herinnneren. Ook de goede slaper kent zulke fasen, alleen wordt hij niet helemaal wakker. Zo doorleeft de mens ’s nachts ongeveer elke 1½ à 2 uur een fase van een lichte droomslaap en daartussen een zgn. diepe slaap. In de droomfasen wordt de mens bewegelijker: de ogen en de ledematen bewegen zich meer, de frequentie van de hartslag en de ademhaling nemen toe, en in deze fase is het organisme van het onderlichaam ook sterker doorbloed. Dit duurt ongeveer 20 à 25 minuten; daarna ebt het in de fase van de diepe slaap weer weg.

Overigens is het aardig te bedenken dat de meeste geboorten in de nacht plaatsvinden.

Tussenbeschouwing

Kijken wij terug op datgene wat tot nu toe is beschreven dan kunnen wij concluderen dat stoelgang, urine- en kooldioxide-uitscheiding bij voorkeur overdag, en dat zweet en genitale uitscheiding vooral ’s nachts plaatsvinden. De eerstgenoemden lopen synchroon met de prestatiefase van de mens die overdag actief is en compenseren de dreigende vergiftiging door de stofwisseling. De laatstgenoemde uitscheidingen hebben betrekking op de nachtrust, d.w.z. op de fase van de regeneratie en reproductie. Dit is het tijdstip waarop in essentie de celdelingen in ons lichaam plaatsvinden, want overdag is er overwegend rust in de celdeling. De afscheidingsproducten van de nachtelijke uitscheidingen zijn eigenlijk niet ontgiftend van karakter. Ze kunnen wellicht als een soort “overvloed” worden gezien bij het vormen van het organisme, die aan de uitscheiding ten deel valt.

De volgende twee vormen van uitscheiding nemen een bijzondere plaats in: de tranen, voor zover deze alleen afscheiding zijn wanneer wij huilen en de moedermelk die alleen na een geboorte aanwezig is.

Afscheiding van traanvocht

De vorming en het weer opnemen van tranen gaat ’s morgens sneller dan ’s avonds. Een niet specifieke afweerstof (Lysozym) is ’s avonds sterker geconcentreerd in de traanvloeistof aanwezig dan ’s morgens. Dit pleit voor een innerlijk ritme waarvan de betekenis misschien ligt in het feit dat het oog ’s morgens na de lange nachtrust meer wordt “gewassen”. Daarentegen moet ’s avonds het afweren van infecties en irritaties meer door chemische substanties plaatsvinden.
De aard van de stofwisseling in het hoornvlies van ons oog is overdag anders dan ’s nachts. Dit lijkt gedragsbepaald te zijn, want bij gesloten ogen lijdt het hoornvlies onder een relatief gebrek aan zuurstof, omdat het immers geen bloedvaten heeft. In deze situatie overheersen de enzymen van de gistingsprocessen in de traanvloeistof. Bij geopende ogen neemt het hoornvlies daarentegen zuurstof op uit de lucht; in de tranen overheersen de enzymen van de zgn. oxidatieve processen.

Moedermelk

Over de gehele voedingsperiode (onderzocht van de 1e tot 36e dag), en tijdens de aparte borstvoedingsfasen stijgt het vetgehalte van de melk. Maar ook binnen een dag stijgt van voeding tot voeding het vetgehalte. Hieruit kunnen wij aflezen dat het voedingsproces alleen, maar ook de ritmische herhaling ervan een stimulering kent van het vetgehalte in de moederborst, als ware het een “roep” tot de moeder in overeenstemming met de behoefte van de zuigeling.

De vraag doet zich echter voor of het dagritme van de moedermelk alleen door de voedingsstimulans wordt bepaald, want het melksuikergehalte is ’s avonds het laagst, dat wil zeggen op het tijdstip dat het vetgehalte het hoogst is. Dit minimum aan melksuiker wordt weliswaar gecompenseerd door een maximum aan zogenaamde oligosachariden (meervoudige suikers) op datzelfde moment, maar de compensatie is ontoereikend. De onafhankelijkheid van de voedselopname wordt in het bijzonder duidelijk door het gehalte aan calcium. Dit is in de melk procentueel het laagste in de avond (ongeveer 20.00 uur) en in de nacht (ongeveer 2.00 uur) het hoogst. Hetzelfde geldt voor de urine van ieder gezond mens. Deze fasesituatie is een spiegelbeeld van de situatie van het calcium in het bloedplasma. Het heeft de hoogste concentratie tegen 20.00 uur en is in de ochtenduren minimaal. De uitscheiding van mineralen in de urine is zeker onafhankelijk van de opname van voedsel en drinken. Daarom kan worden aangenomen dat dit ook geldt voor de concentratie aan calcium in de melk.

Slotbeschouwing

De uitscheidingen van de mens zijn met betrekking tot de dag en nacht periodiek niet uniform georiënteerd. Ten dele zijn zij ontgiftingen van de stofwisseling (stoelgang, urine, kooldioxide) en ten dele fenomenen van de vorm van het menselijk lichaam (zweet, warmte, seksuele uitscheiding), ten dele fysiologische uitdrukking van psychische processen (tranen) en ten dele sociaal betrokken op de omgeving (moedermelk).

Bij nauwkeuriger waarneming hebben alle uitscheidingen ook een psychosociale relatie, want ze voegen zich met hun periodieke afwisseling in het sociale gedrag van de mens. Men moet wel aannemen dat het sociale gedrag op de fysiologie van de mens is afgestemd, want een tegengesteld sociaal gedrag -werken in de nachtploeg- leidt maar zeer moeizaam en ten dele tot grote veranderingen in de stofwisseling. Wij mogen daar echter niet uit concluderen dat het sociale alleen maar een passief gevolg is van het fysiologische maar dat wij het sociale gevoelsmatig op het ritme van onze fysiologie afstemmen omdat dan de sociale prestatie het meest effectief en het meest efficiënt kan worden voltrokken. Dat is echter geen kwestie van “gemakzucht”, maar is zinvol. Want iedere keer dat wij iets moeiteloos kunnen doen, hebben wij de hoogste graad van vrijheid in onze ziel om ons naar de behoeften van de omgeving te kunnen richten.

Manfred Weckenmann: medische studie in Frankfurt en Tübingen. Homeopathie. Nog gedurende de studie in aanraking gekomen met de antroposofie. Sindsdien strevend naar antroposofisch georiënteerde therapie. Leidinggevend arts aan de Carl Unger Kliniek in Stuttgart. Na opheffing in 1975 leidinggevend arts in de Filderkliniek bij Stuttgart. Onderzoek in de richting van antroposofische therapie en chronobiologie. Thans [1991] gepensioneerd en met een eigen praktijk werkzaam in de Filderkliniek.

.

Ritme – alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2548

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 12 (12-3)

.

Enige opmerkingen bij blz. 176 vertaling

.
ALGEMENE MENSKUNDE – voordracht 12
.

Blz. 175       vert.  176

Verbondenheid met de wereld

Vanuit verschillende invalshoeken heeft Steiner geprobeerd de verbondenheid van de mens met de wereld te verduidelijken.
Een van de bekendste is ‘de vierledige mens’ waarbij een duidelijke samenhang aan het licht komt van de mens met de wereld om hem heen: het fysieke lichaam als deel van de fysieke wereld; het etherlijf dat hij gemeenschappelijk heeft met het plantenrijk en het astraallijf dat hij gemeenschappelijk heeft met het dierenrijk.

Al in de 1e voordracht van de ‘Algemene menskunde’ [1-7] komt bijv. een ‘drievoudige verbinding’ van de mens met de wereld aan de orde.
Zie bijv. ook ‘Antroposofie, een inspiratie

Hoe verbonden we zijn, komt in deze tijd (2021) pijnlijk duidelijk aan het licht, waarin het gedrag van bepaalde delen van de mensheid de ‘van nature verbondenheid’ zodanig blijkt te kunnen verstoren dat het leven ‘in deze verbondenheid’ onmogelijk wordt.

Nog maar enkele weken na Pasen (opstandingsfeest!) zegt Steiner in weekspreuk 4:

Ik voel het wezen van mijn wezen:
zo spreekt ontwarend voelen
dat in door zon verlichte wereld
met stromen licht tezamen vloeit;
het wil het denken
voor helderheid zijn warmte schenken
en mens en wereld tot eenheid hecht verbinden.
GA 40/24
Vertaald/pdf 27

Voor mij is het zo dat dit ‘ontwarend voelen’ het aftasten is van de inhoud van de antroposofie, in het bijzonder deze ‘Algemene menskunde’; hier voel ik inderdaad hoe het ‘mee’denken met Steiners gezichtspunten, licht en warmte kan brengen die in dit bijzondere geval ertoe leiden kan dat je als mens die ‘hechte’ verbondenheid (weer) begint te beleven – om ernaar te handelen.

Wie zich verdiept in wat Steiner over bijv. de plantkunde zegt, ziet daar ook hoe hij de kinderen ‘in eenheid hecht verbinden’ wil met de plantenwereld. En dan hoop je als klassenleerkracht dat de manier waarop jij de kinderen met deze plantenwereld vertrouwd maakt, in hen zoveel ‘hechte verbondenheid’ en eerbied ontwikkelt, dat ze daarnaar handelen in hun (latere) leven. [Rudolf Steiner over plantkunde]: de artikelenreeks is in opbouw
Wat hij in deze voordracht zegt over de relatie mens-plant is beslist geen lesstof, maar een verruiming van onze blik op die relatie.

En ook hier is de inhoud niet gemakkelijk, evenals bij de relatie mens-dier die hij in deze voordracht een bepaalde inhoud meegeeft

Mens-plant: omkeringen

Opmerkelijk in de relatie mens-plant is het telkens terugkerende aspect van ‘het omgekeerd’- zijn.

GA 312  blz. 108     vert.

Das Pflanzliche stellt, wie wir schon gestern aus anderen Ge­sichtspunkten her gesehen haben, gewissermaßen den Gegensatz dar zu dem, was als Tätigkeit im Menschenorganismus vorhanden ist. Aber in der Pflanze selbst können wir deutlich unterscheiden zwischen dreierlei. Dieses Unterscheiden zwischen dreierlei, das drängt sich Ihnen besonders deutlich auf, wenn Sie auf der einen Seite sehen dasjenige, was sich der Erde zu als Wurzel entfaltet, und dasjenige, was in Samen, Früchte und Blüten schießt, was nach oben geht. Schon, ich möchte sagen, in der äußeren Richtung können Sie diesen Gegensatz des Pflanzlichen und des Mensch­lichen – nicht des Tierischen in diesem Falle – sehen. Ja, es ist sogar hier etwas außerordentlich Wichtiges und Bedeutsames vor­handen. Die Pflanze senkt sich mit ihren Wurzeln in die Erde hinein und strebt mit ihrer Blüte, das heißt mit den Befruchtungs Organen, nach oben. Der Mensch bildet den vollen Gegensatz auch in bezug auf sein Stehen im Kosmos dazu: er wurzelt sich gewisser­maßen mit seinem Kopfe in der Richtung nach oben ein, und er strebt mit seinen Befruchtungsorganen nach unten, der Pflanze direkt entgegen. So daß Sie wirklich gar nicht unsinnig tun, wenn Sie sich als ein Bild vorhalten beim Menschen eine Pflanze, die in ihm ruht, die nach oben wurzelt und ihre Blüte nach unten, nach den Befruchtungsorganen, entwickelt. Es ist in besonderer Form das Pflanzliche auf diese Art gerade in den Menschen eingegliedert. Und wiederum ist ein wichtiges Unterscheidungskennzeichen für den Menschen und das Tier dasjenige, daß in der Regel beim Tiere die Pflanze, die in es eingegliedert ist, horizontal gelagert ist, also im rechten Winkel steht zu der Richtung der Pflanze, während der Mensch, ich möchte sagen, gegenüber der Pflanze in seiner Stellung im Kosmos eine vollständige Drehung ausgeführt hat, eine Dre­hung von 180 Grad.

Het plantenrijk vormt als het ware ( ) het tegenovergestelde van wat zich in het menselijk organisme afspeelt. Maar in de plant zelf kunnen we duidelijk drie dingen onderscheiden. Dat drievoudige onderscheid wordt u bijzonder duidelijk als u om te beginnen kijkt naar wat zich naar de aarde toe ontplooit als wortel, en naar wat in zaad, vruchten en bloemen schiet, dus omhoog streeft. U kunt die tegenstelling tussen het plantenrijk en de mens – het dier niet in dit geval – om zo te zeggen alleen al aan de uiterlijke richting aflezen. Daarbij zien we zelfs iets buitengewoon belangrijks en veelbetekenends. De plant daalt met haar wortels af in de aarde en streeft met haar bloemen, dus met haar bevruchtingsorganen, naar boven.
Daaraan is de mens, ook naar de wijze waarop hij in de kosmos staat, in ieder opzicht tegengesteld: met zijn hoofd wortelt hij als het ware naar boven toe, en met zijn bevruchtingsorganen streeft hij naar beneden, volledig tegengesteld aan  de plant. U doet dus werkelijk niets onzinnigs, wanneer u zich als beeld van de mens een plant voorstelt die in hem zit en die naar boven toe wortelt en haar bloemen naar beneden toe, naar de bevruchtingsorganen toe, ontwikkelt. Het plantachtige is in deze bijzondere vorm met name in de mens opgenomen.
En hier zien we weer een kenmerkend verschil tussen de mens en het dier, dat de plant die in het dier is opgenomen doorgaans horizontaal gelegen is en dus
een rechte hoek vormt met de richting van de plant, terwijl de mens ten opzichte van de plant als het ware een volledige draai heeft gemaakt, een wending van 180 graden.
GA 312/108
Vertaald/101

Heel kort samengevat zou je ‘de omkering van het principe van de drieledigheid bij mens en plant’ zo kunnen formuleren en weergeven:

De plant komt overeen met de mens, maar niet zo, dat zij in dezelfde richting groeit, dus bijv.
voeten = wortel,
blad en stengel = romp,
bloesem en vrucht = hoofd.

De plant stemt juist niet met deze stadia van het fysieke lichaam van de mens overeen. Veeleer komt zij met de functionele systemen van de mens overeen.

=Zenuw-zintuigstelsel (dit is slechts in hoofdzaak in het hoofd gecentraliseerd, doortrekt echter het gehele lichaam).

=Ritmisch systeem (dit is slechts in hoofdzaak in de borst gecentraliseerd, doortrekt echter het gehele lichaam).

=Stofwisseling-ledematensysteem (eveneens slechts in hoofdzaak in de buik en het spierstelsel gecentraliseerd, is echter in het gehele lichaam aanwezig).

De plant heeft daarmee een zodanige relatie, dat

– het wortelgebied met het zenuw-zintuigstelsel,

– het blad-stengelgebied met het ritmische systeem,

– het bloesem-vruchtgebied met het stofwisseling-ledenmatenstelsel

overeenkomt. De plant staat dus in betrekking tot het functionele van de mens, niet tot zijn fysieke lichaam. En in zover is zij, wat de richting betreft, de “omkering” van de mens.

In GA 354 zegt hij:

Blz. 95  vert. 75

Überhaupt braucht der Mensch zu seinem Leben auf der Erde die Pflanzen. Und die Pflanzen – das ist nun das Interessante-, die könn­ten nicht gedeihen, wenn nicht wiederum der Mensch da wäre! Und da ist es interessant, meine Herren, das müssen Sie nur ins Auge fassen, daß die zwei allerwichtigsten Dinge für das Leben sind: der grüne Pflanzensaft in den grünen Blättern und das Blut auf der anderen Seite. Dieses Grün im Pflanzensaft nennt man Chlorophyll, Blattgrün; also das Chlorophyll ist im grünen Blatt enthalten. Und außerdem ist wichtig das Blut. Nun, da ist etwas höchst Eigentümliches: Sehen Sie, wenn Sie den Menschen betrachten, so atmet der Mensch zunächst – das Atmen ist auch eine Ernährung -, der Mensch nimmt Sauerstoff aus der Luft

Zonder planten zouden wij op aarde hoe dan ook niet kunnen leven. En de planten – dat is nu het interessante – zouden niet kunnen groeien als de mens er niet was! En interessant is ook dat de twee allerbelangrijkste dingen voor
het leven zijn: het groene plantensap in de groene* bladeren en anderzijds het [door mij toegevoegd: rode*] bloed. Dat groene in het plantensap noemt men chlorofyl, bladgroen. Nu gebeurt er iets heel bijzonders. Laten we kijken naar de mens. Als een mens ademt – de ademhaling is ook een soort voeding – neemt hij zuurstof op uit de lucht,

Blz. 96  vert. 75

auf, er atmet Sauerstoff ein. In seinem ganzen Körper, überall, ist aber Kohlenstoff abgelagert. Wenn Sie in die Erde hineingeraten, wo ein Kohlenlager ist, so kommen Sie auf die schwarze Kohle; wenn Sie einen Bleistift spitzen, so kommen Sie auf den Graphit. Kohle und Graphit, das ist Kohlenstoff. Sie bestehen alle, außer anderen Stoffen, den gan­zen Körper hindurch aus Kohlenstoff; der wird gebildet im mensch­lichen Körper.
Nun können Sie sagen: Ja, da ist eigentlich der Mensch ein recht schwarzer Rapuzzel gerade in bezug auf den Kohlenstoff! Aber Sie können ja auch noch etwas anderes sagen: Sehen Sie, der teuerste Kör­per der Welt, der Diamant, besteht auch aus Kohlenstoff, nur in einer anderen Gestalt! Also wenn Sie das lieber haben wollen, können Sie auch sagen: Sie bestehen in bezug auf den Kohlenstoff aus lauter Dia­manten. Der dunkle Kohlenstoff, der Graphit des Bleistiftes und der Diamant sind derselbe Stoff. Wenn die Kohle, die Sie aus der Erde ausgraben, durch irgendeine Kunst durchsichtig gemacht werden kann, dann ist sie Diamant. Also diese Diamanten haben wir überall abge­lagert in uns. Wir sind ein richtiges Kohlenlager. Wenn aber der Sauer­stoff durch das Blut mit dem Kohlenstoff zusammenkommt, dann bil­det sich Kohlensäure. Kohlensäure kennen Sie auch sehr gut:

hij ademt zuurstof in. Maar in zijn hele lichaam, overal, is koolstof afgezet. Daalt u in de aarde af in een steenkoolmijn, dan hebt u daar de zwarte steenkool. Als u een potlood slijpt, hebt u daar grafiet. Steenkool en grafiet zijn allebei koolstof. Uw hele lichaam bestaat, naast andere stoffen, uit koolstof; dat wordt in het menselijk lichaam gevormd.
Nu kunt u zeggen: met al die koolstof is de mens dus eigenlijk nogal een schoorsteenveger. Maar u kunt ook iets anders zeggen.
Het kostbaarste wat er op de wereld bestaat, namelijk diamant, bestaat ook uit koolstof, alleen in een andere gedaante! Dus als dit u beter bevalt, kunt u ook zeggen: wat die koolstof betreft bestaan wij uit louter diamanten. Donkere koolstof, grafiet in een potlood en diamant zijn een en dezelfde stof. Als we de steenkool die we uit de aarde halen, door een of andere kunstgreep doorzichtig konden maken, zouden we diamant krijgen. Die diamanten zijn dus overal in ons lichaam afgezet. Wij zijn echt een steenkoolmijn. Komt nu zuurstof via het bloed met koolstof samen, dan vormt zich kooldioxide.

Sie brau­chen nur Selterswasser zu nehmen; da sind die Perlen drinnen – diese sind die Kohlensäure, das ist ein Gas. So daß Sie also sich vorstellen können: Der Mensch atmet Sauerstoff durch die Luft ein, der Sauer­stoff breitet sich durch das ganze Blut aus, im Blute nimmt er den Kohlenstoff auf, er atmet die Kohlensäure aus. Ein atmen Sie Sauerstoff, aus atmen Sie Kohlensäure.
Meine Herren, es wäre in den Vorgängen, die ich Ihnen geschildert habe in der Entwickelung der Erde, längst alles durch Kohlensäure von Menschen und Tieren vergiftet. Denn die Zeit ist ja lang, seit sich alles auf der Erde entwickelt hat. Wie Sie sehen, könnten längst keine Tiere und Menschen mehr auf der Erde leben, wenn nicht die Pflanzen eine ganz andere Eigenschaft hätten: die Pflanzen, die saugen nicht Sauer­stoff ein, sondern gerade Kohlensäure, die der Mensch und das Tier ausatmen. So daß also die Pflanzen ebenso gierig sind auf die Kohlen­säure wie der Mensch auf den Sauerstoff.

Dat zijn de gasbelletjes in spuitwater: kooldioxide. U kunt zich dus het proces voorstellen: wij ademen met de lucht zuurstof in, die zuurstof doortrekt ons bloed; in het bloed neemt de zuurstof koolstof op en de kooldioxide [dat dan ontstaat] wordt uitgeademd. U ademt dus zuurstof in en kooldioxide uit.
Mijne heren, eigenlijk zou door de processen die ik u heb beschreven in de ontwikkeling van de aarde alles allang door de kooldioxide van mensen en dieren vergiftigd moeten zijn. Het is tenslotte al een heel lange tijd geleden dat dit alles zich op aarde ontwikkeld heeft. U ziet dus, er zouden op aarde allang geen dieren
of mensen meer leven, als de planten niet een heel andere eigenschap hadden: want die planten nemen geen zuurstof op, maar juist kooldioxide, dat door mens en dier wordt uitgeademd. De planten zijn even begerig naar kooldioxide als de mens naar zuurstof.

Und wenn Sie nun da die Pflanze haben (siehe Zeichnung>: Wurzel, Stengel, Blätter, Blüte, so saugt also die Pflanze überall Kohlensäure ein; die geht hinein. Und jetzt setzt sich der Kohlenstoff, der da in der Kohlensäure drinnen ist, in der Pflanze nieder, und der Sauerstoff wird wiederum ausgeatmet von den Pflanzen. Da haben ihn die Men­schen und die Tiere wieder. Der Mensch gibt Kohlensäure her und tö-tet alles; die Pflanze behält den Kohlenstoff zurück, gibt den Sauer­stoff frei und belebt damit alles. Und nichts könnte die Pflanze machen mit der Kohlensäure; wenn nicht der grüne Pflanzensaft, das Chloro­phyll, da wäre. Dieser grüne Pflanzensaft, meine Herren, der ist ein Zauberer, der hält den Kohlenstoff in der Pflanze zurück und gibt den Sauerstoff wieder frei. Das Blut verbindet den Sauerstoff mit dem Kohlenstoff; der grüne Pflanzensaft nimmt den Kohlenstoff wiederum aus der Kohlensäure heraus und gibt den Sauerstoff frei.
Denken Sie, was das für eine feine Sache ist in der Natur, daß die Pflanzen, die Menschen und die Tiere sich auf diese Weise ergänzen! Sie ergänzen sich vollständig.
Nun muß man das Folgende sagen. Sehen Sie, der Mensch braucht aber nicht bloß von der Pflanze dasjenige, was sie ihm gibt durch den

Als u hier nu een plant hebt: wortel, stengel, bladeren, bloem – dan neemt die plant aan alle kanten kooldioxide op. Dan zet de koolstof uit de kooldioxide zich in de plant af en wordt de zuurstof door de plant weer uitgeademd. Daarmee is die er weer voor de mensen en de dieren. De mens scheidt kooldioxide af en doodt daardoor alles; de plant houdt koolstof achter, geeft zuurstof af en laat daardoor alles leven. Maar de planten zouden niets met de kooldioxide kunnen beginnen, als het groene plantensap, het chlorofyl er niet was. Dat groene plantensap is een tovenaar die de koolstof in de plant achterhoudt en de zuurstof weer afgeeft. Het bloed verbindt de zuurstof met de koolstof; het groene plantensap neemt koolstof weer uit kooldioxide op en geeft de zuurstof weer af.
Ziet u wat dat voor bijzonder gebeuren is in de natuur, hoe planten, mensen en dieren elkaar op deze manier aanvullen! Ze vullen elkaar volledig aan.
Nu moeten we het volgende zeggen. De mens heeft natuurlijk niet
alleen de zuurstof van de plant nodig, hij heeft de hele plant nodig.

Blz. 98  vert. 77

Sauerstoff, sondern er braucht die ganze Pflanze; mit Ausnahme der Giftpflanzen und mit Ausnahme solcher Pflanzen, die wenig von die­sen Stoffen enthalten, braucht der Mensch alle Pflanzen, indem er sie nicht durch Atmung, sondern durch Ernährung bekommt. Und da ist wiederum ein solcher merkwürdiger Zusammenhang. Sehen Sie, die Pflanze besteht ja aus der Wurzel, wenn es eine einjährige Pflanze ist -vom Baum wollen wir jetzt absehen -, aus der Wurzel, aus dem Kraut und aus der Blüte mit Frucht. Nun, schauen wir uns einmal die Wurzel an. Die Wurzel, die ist ja in der Erde drinnen; sie enthält na­mentlich viele Salze, weil in der Erde die Salze drinnen sind. Und die Wurzel hängt mit ihren feinen Würzelchen an dieser Erde; da zieht sie fortwährend aus der Erde die Salze heraus. So daß die Wurzel eben dasjenige ist, was mit dem Mineralreich der Erde, mit den Salzen in besonderer Verbindung steht.
Nun, sehen Sie, meine Herren, verwandt mit der ganzen Erde ist der menschliche Kopf – nicht die Füße, sondern gerade der Kopf ist mit der Erde verwandt. Wenn der Mensch anfängt Erdenmensch zu sein im Mutterleibe, hat er ja zunächst fast nur den Kopf. Beim Kopf fängt er an.

Met uitzondering van de giftige planten en met uitzondering van planten die weinig van de genoemde stoffen bevatten, heeft de mens alle planten nodig, niet via de ademhaling maar via de voeding. Daar hebt u weer zo’n opmerkelijk verband. Ziet u, een plant – tenminste de eenjarige, de boom laten we nu buiten beschouwing ° – bestaat uit wortel, blad, bloem en vrucht. Laten we nu eens de wortel bekijken. Die zit in de grond. Hij is rijk aan zouten omdat er in de aarde veel zouten zijn. De wortel onttrekt voortdurend met zijn fijne worteltjes zouten aan de aarde. De wortel is dus iets wat in een bijzondere relatie staat tot het minerale rijk, tot de zouten.
En ziet u, met de hele aarde is het menselijk hoofd verwant; niet de voeten, maar het hoofd is met de aarde verwant. Wanneer de mens een aardse mens begint te worden in de moederschoot, is hij eerst bijna alleen maar hoofd. Hij begint met zijn hoofd.

Der Kopf ist dem ganzen Weltenall, aber auch der Erde nachgebildet. Und der Kopf braucht vorzugsweise Salze. Denn vom Kopf gehen die Kräfte aus, die den menschlichen Körper zum Beispiel auch mit Knochen durchsetzen. Alles dasjenige, was den Menschen fest macht, geht von der Kopfbildung aus. Wenn der Kopf selber noch weich ist, wie im Mutterleib, dann kann er nicht ordentlich Knochen bilden. Indem der Kopf selber zuerst immer härter und härter wird, gibt er die Kräfte an den Leib ab, damit der Mensch und die Tiere die festen Dinge, vorzugsweise die Knochen bilden können. Daraus sehen Sie schon, daß man die Wurzel, die mit der Erde verwandt ist und die Salze enthält – und zum Knochenbilden braucht man Salze, die Kno­chen bestehen aus kohlensaurem Kalk, phosphorsaurem Kalk; Salze sind das -, daraus sehen Sie, daß man die Wurzel braucht, um den menschlichen Kopf zu versorgen.
Also, meine Herren, wenn man zum Beispiel merkt, sagen wir, daß ein Kind schwach wird im Kopf, woran können Sie das merken? Man kann das manchmal an entsprechenden Zuständen merken: Wenn ein

Het hoofd is een nabootsing van de hele kosmos, maar ook van de aarde. En dat hoofd heeft vooral zouten nodig. Want van het hoofd gaan de krachten uit die in het menselijk lichaam bijvoorbeeld de botten opbouwen. ° Alles wat de mens vastheid geeft, gaat uit van het hoofd. Zolang het hoofd zelf nog week is, zoals in het moederlichaam, kan het nog niet echt botten vormen. Maar doordat het
hoofd zelf eerst steeds harder wordt, kan het aan het lichaam de krachten toevoeren waarmee de mens en de dieren alles wat vast is, vooral de botten, kunnen vormen. De botten bestaan uit koolzure kalk en fosforzure kalk, dat zijn zouten. Zouten heeft de mens dus voor zijn botvorming nodig. En daaruit kunt u opmaken dat de mens de wortel, die met de aarde verwant is en die zouten bevat,
nodig heeft voor het in stand houden van zijn hoofd.

*cursief van mij: rood-groen als complementaire kleuren!

In deze 12e voordracht gaat Steiner – daar was hij eerder al mee begonnen – uit van de meer fysieke kant van de mens. En wanneer hij – na het hoofd – de romp bespreekt, neemt hij daar nu ook iets fysieks van, namelijk de stoffen die horen bij de ademhaling: zuurstof en koolzuur. 

‘In-uit’

We konden voor dit middendeel al een hele beschouwing houden over het motief ‘in-uit‘. Uiteraard de ‘in’ademing en de ‘uit’ademing’; bij het hart ging het bv. om de systole en diastole; bekeken als ‘ziel’ over de ‘de wereld in je opnemen’ en die – naar de denkkant ‘overdenken’ en naar de wilskant in wat je van’uit’ jouw beleving in de wereld realiseert. De opsomming is niet volledig.

Nu het specifiek gaat over de verbinding van mens en wereld, kun je de ademhaling niet los zien van de plantenwereld, want zoals Steiner in GA 354 hierboven al uitwerkt, zien we simpelweg iets van de wederzijds tegenovergestelde stoffen: de mens die zuurstof inademt en koolzuur uit en de plant die zuurstof uitademt en koolzuur in.

Blz. 175  vert. 176

Auch das Rumpfsystem steht zur Umgebung in Beziehung.
Aber es steht nicht zu dem Tiersystem der Umgebung in Beziehung, sondern es steht in Beziehung zu dem gesamten Umfang der Pflanzenwelt. Eine geheimnisvolle Beziehung ist zwischen dem Rumpfsystem des Menschen, dem Brustsystem und der Pflanzenwelt. In dem Rumpfsystem, in dem Brustsystem, Rumpf-Brustsystem spielt sich ja ab das Hauptsächlichste des Blutkreislaufes, die Atmung, die Ernährung. All diese Prozesse sind in einer Wechselbeziehung zu dem, was draußen in der physisch-sinnlichen Natur, in der Pflanzenwelt vor sich geht, aber in einer sehr eigenartigen Beziehung.

Ook de romp heeft een bepaalde relatie tot de buitenwereld, niet tot de dierenwereld, maar tot de hele plantenwereld. Er bestaat een geheimzinnig verband tussen de romp van de mens, het borststelsel, en de plantenwereld. In de romp of borst, het romp-borststelsel, speelt zich met name de bloedsomloop af en de ademhaling en voeding. Al deze processen staan in een zeer specifieke wisselwerking met dat wat zich buiten ons in de fysiek-zintuiglijke wereld, in de plantenwereld afspeelt.

Dan volgt een stukje gewone biologie: over het ademen van de mens:

Nehmen wir zunächst die Atmung. Was tut der Mensch, indem er atmet? Sie wissen, er nimmt den Sauerstoff auf, und er verwandelt durch seinen Lebensprozeß den Sauerstoff, indem er ihn verbindet mit dem Kohlenstoff, zur Kohlensäure. Der Kohlenstoff ist im Organismus durch die umgewandelten Ernährungsstoffe. Dieser Kohlenstoff nimmt den Sauerstoff auf. Dadurch, daß sich der Sauerstoff mit dem Kohlenstoff verbindet, entsteht die Kohlensäure. 

Ten eerste is er de ademhaling. Wat doet de mens als hij ademhaalt? U weet, hij neemt zuurstof op en verandert de zuurstof door zijn levensprocessen: hij verbindt de zuurstof met koolstof tot koolzuur. De koolstof bevindt zich in het organisme door de omgevormde voedingsstoffen. Met deze koolstof verbindt zich de zuurstof en door deze verbinding ontstaat het koolzuur.

En over de plant:

Wenn Sie die Pflanze ansehen,was tut sie denn? Die atmet nämlich nicht in derselben regelmäßigen Weise wie der Mensch den Sauerstoff ein, sondern sie assimiliert die Kohlensäure. Die Pflanze ist bei Tage erpicht auf die Kohlensäure, den Sauerstoff gibt sie ab. Aber den Kohlenstoff behält sie zurück. Daraus bildet sie sich Stärke und Zukker und alles was in ihr ist; daraus baut sie sich ihren ganzen Organismus auf. Die Pflanzenwelt entsteht eben dadurch, daß sie sich aufbaut aus dem Kohlenstoff, den sich die Pflanzen durch ihre Assimilation absondern von der Kohlensäure. Wenn Sie die Pflanzenwelt ansehen, ist sie metamorphosierter Kohlenstoff, der abgesondert ist aus dem Assimilationsprozeß, der dem menschlichen Atmungsprozeß entspricht. 

Wat doet een plant namelijk? Die ademt namelijk niet op dezelfde regelmatige wijze als de mens zuurstof in, maar ze assimileert koolzuur. Overdag is de plant verzot op koolzuur en levert ze zuurstof. Het zou erg zijn als ze dat niet deed, want anders hadden mens en dier geen zuurstof. Maar de 176 koolstof houdt de plant voor zichzelf. Daaruit vormt ze zetmeel en suiker en alles wat in haar is. Daaruit bouwt ze haar hele organisme op. De plantenwereld ontstaat uit de koolstof die door assimilatie onttrokken wordt aan het koolzuur. De plantenwereld is in feite gemetamorfoseerde koolstof die gewonnen wordt door middel van het assimilatieproces. Dit assimilatieproces komt overeen met het ademhalingsproces van de mens.

We moeten echter wél een verschil in ademhaling in het oog houden wat mens-plant betreft:

Blz. 176   vert. 177

Die Pflanze atmet auch etwas, aber das ist etwas anderes als beim Menschen. Nur eine äußerliche Betrachtung sagt, die Pflanze atme auch. Sie atmet zwar ein wenig, namentlich in der Nacht. Der Atmungsprozeß ist bei den Pflanzen anders als beim Menschen und bei den Tieren. Dem menschlichen Atmungsprozesse entspricht bei den Pflanzen der umgekehrte Prozeß, der Assimilationsprozeß.

De plant ademt ook enigszins, maar anders dan de mens. Slechts een oppervlakkig waarnemer zegt dat de plant ook ademt. Ze doet het wel een beetje, vooral ’s nachts. Het ademhalingsproces bij de plant is anders dan dat van mens en dier. Met het ademhalingsproces van de mens correspondeert bij de planten het omgekeerde proces: de koolzuurassimilatie. 

Even te voren komt hij met een gedachte-experiment:

Als we nu eens in staat zouden zijn de koolstof – uit de voeding – zich niet te laten binden d.m.v. de zuurstof tot koolzuur en we zouden dan die koolstof ‘verwerken’, wat zou er dan ontstaan in ons?

Blz. 175   vert. 176

Ja, jetzt wäre eine schöne Gelegenheit in dem Menschen, wenn er die Kohlensäure da in sich hat, diese nicht herauszulassen, sondern sie drinnen zu behalten. Und wenn er jetzt den Kohlenstoff wiederum loslösen könnte vom Sauerstoff – ja, was würde denn dann geschehen? ~Wenn der Mensch zunächst durch seinen Lebensprozeß den Sauerstoff einatmet und ihn da drinnen sich verbinden läßt mit dem Kohlenstoff zur Kohlensäure, und wenn der Mensch jetzt in der Lage wäre, innerlich den Sauerstoff wieder fortzuschaffen, auszuschalten, aber den Kohlenstoff drinnen zu verarbeiten, was würde denn da im Menschen entstehen?

Ja, en stelt u zich nu eens de fraaie situatie voor dat de mens het koolzuur niet zou uitademen maar zou binnenhouden. En als hij die koolstof dan weer los zou kunnen maken van de zuurstof – wat zou er dan gebeuren? Nogmaals: wanneer de mens eerst door zijn levensprocessen de zuurstof inademt en in zichzelf met de koolstof tot koolzuur verbindt en als hij dan in staat zou zijn om die zuurstof weer te doen verdwijnen, uit te schakelen, maar de koolstof in zich te verwerken – wat zou er dan in de mens ontstaan?

Daar zou ik zelf het antwoord niet op weten, maar Steiner zegt kortweg: de plantenwereld:

Die Pflanzenwelt.

Dus:

Blz. 176     vert. 177

Wenn Sie in sich den Prozeß fortsetzen, wodurch Kohlensäure entstanden ist, das heißt, wenn Sauerstoff wieder weggegeben würde und die Kohlensäure in Kohlenstoff umgewandelt würde, wie die Natur es draußen macht – die Stoffe hätten Sie auch dazu in sich – dann könnten Sie in sich die ganze Vegetation wachsen lassen. Sie könnten es bewirken, daß Sie plötzlich aufgingen als Pflanzenwelt.

Nu zult u het volgende ook kunnen begrijpen. Wanneer u in uzelf het proces zou voortzetten waardoor koolzuur is ontstaan, dat wil zeggen wanneer u de zuurstof weer zou afstaan en uit koolzuur koolstof zou maken – net zoals in de natuur – dan zou u de hele plantenwereld kunnen laten groeien. U heeft de stoffen die daarvoor nodig zijn in u. U zou plotseling in de plantenwereld veranderen. U zou zelf verdwijnen en de plantenwereld zou ontstaan.

Hoewel ik de gedachtegang wel kan volgen, is het toch een stukje antroposofie waar ik nooit zelf op zou zijn gekomen.

Net als in de verhandeling over ‘hoofd-en-dierwording – waarbij romp en ledematen dat ‘dier-worden’ verhinderen, houden bij het ‘plant-worden’ hoofd en ledematen dit proces tegen:

Diese Fähigkeit ist nämlich im Menschen, daß er fortwährend  eine Pflanzenwelt erzeugt; er Iäßt es nur nicht dazu kommen. Sein Rumpfsystem hat stark die Neigung, fortwährend die Pflanzenwelt zu erzeugen. Kopf und Gliedmaßen lassen es nicht dazu kommen; sie wehren sich dagegen. Und so treibt der Mensch die Kohlensäure heraus und läßt das Pflanzenreich in sich nicht entstehen. Er läßt draußen das Pflanzenreich entstehen aus der Kohlensäure.

De mens heeft namelijk het vermogen om voortdurend de plantenwereld te creëren, hij laat het alleen niet zo ver komen. Zijn rompstelsel heeft sterk de neiging om voortdurend planten te laten groeien. Hoofd en ledematen laten het niet zo ver komen. Ze verzetten zich daartegen. En dus ademt de mens het koolzuur uit en laat geen plantenwereld in zichzelf, maar buiten zichzelf uit dat koolzuur ontstaan.

Es ist das eine merkwürdige Wechselbeziehung zwischen dem Brust-Rumpfsystem und der sinnlich-physischen Umgebung, daß da draußen das Reich der Vegetabilien ist, und daß der Mensch fortwährend genötigt ist, damit er nicht zur Pflanze wird, den Vegetationsprozeß nicht in sich aufkommen zu lassen, sondern wenn er entsteht, ihn gleich nach außen zu schikken. Wir können also sagen: Mit Bezug auf das Brust-Rumpfsystem ist der Mensch in der Lage, das Gegenreich des Pflanzlichen zu schaffen. Wenn Sie sich das Pflanzenreich vorstellen als positiv, so erzeugt der Mensch das Negativ vom Pflanzenreich. Er erzeugt gewissermaßen ein umgekehrtes Pflanzenreich.

De wisselwerking tussen het borst-rompstelsel en de fysiek-zintuiglijke wereld is zeer merkwaardig. Daar buiten is de plantenwereld, en de mens is voortdurend genoodzaakt — om zelf geen plant te worden – het vegetatieproces niet in zichzelf tot ontplooiing te laten komen, maar dadelijk naar buiten te projecteren. We kunnen dus zeggen dat de mens, wat zijn borst-rompstelsel betreft, in staat is het tegendeel van het plantenrijk te creëren. Noemen we het plantenrijk positief, dan brengt de mens het negatief voort. De mens produceert als het ware een omgekeerd plantenrijk.
GA 293/175-176
Vertaald/176-177      

In GA 295 werkt Steiner dit omgekeerde van het plantenrijk verder uit.

In het vervolg van de voordracht schetst hij in grote lijnen wat een plant tot geneesplant maakt. Dat is onderwerp van (een) ander(e) artikel(en) Nog niet oproepbaar.

Op deze blog staan verschillende geneesplanten beschreven waarin e.e.a. van de gezichtspunten naar voren komen. Zie bv. arnica

.

Algemene menskunde: voordracht 12– alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

Vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
.

2547