Tagarchief: ledematen

VRIJESCHOOL – Bewegen

.

Dr.med. Simeon Pressel, Weledaberichten nr.109, sept 1976
.

HET GEVOELIGE SAMENSPEL IN ONS BEWEGINGSORGANISME

.

Ons bewegen is in gevaar.
Vroeger werd het levend gehouden door de noodzaak van de lichamelijke inspanning; dit is ons door machines afgenomen. Niet-gebruikte krachten veranderen echter in giften in onze stofwisseling, die verlammend werken in spieren en gewrichten.

Wat is daartegen te doen? Een stap in de goede richting is een duidelijk inzicht in de samenhang. Het bewegingsorganisme bestaat uit 4 elementen.

In de eerste plaats een element, dat doet bewegen, de spier;
dan één, dat wordt bewogen, het bot.
De spier is gewoonlijk aan beide kanten aan het bot gehecht, waartussen een gewricht de beweging mogelijk maakt.
Verder heeft de spier veel bloed nodig; wonderbaar vertakte bloedvaten en bloedvaatjes brengen en halen het levenssap.
Als vierde is de spier op gelijke wijze geheel doorweven met zenuwen voor de waarnemende communicatie die het harmonische samenwerken tot stand brengt.

In de ledematen en romp heeft het skeletspierstelsel zijn zwaartepunt. Centrum is de wervelkolom, uit ongeveer 30 wervels opgebouwd met daartussen kraakbeenschijven.
Naar onder toe overweegt de belasting zó sterk, dat omstreeks het 25e levensjaar de 5 wervels van het staartbeen tot één geheel vergroeien. Naar boven neemt de bewegelijkheid geleidelijk toe, om bij de atlas ten slotte haar hoogtepunt te bereiken.
Honderden spieren omhullen deze wervelkolom: de kleinste van de ene wervel direct naar de volgende, daarover langere, die een of meer gewrichten overslaan en ten slotte de grote rugstrekkers, die van boven tot onder reiken.

Geheel bovenaan, op de bovenste van de zeven halswervels (ook de giraffe heeft er zeven, evenals de dwergmuis) ‘troont het hoofd, dat reeds door de Grieken met het hemelgewelf werd vergeleken. In deze eenzame hoogte houden de spieren langzamerhand op, maar hier ontspringt, gelijk Pallas Athene uit het hoofd van Zeus, de grootste en bewegelijkste beweging: het denken, dat over de grenzen van ruimte en tijd reikt.

Tussen de tegenstellingen van hemelse en aardse bewegingen, bemiddelt de beweging van adem, spraak en zang, die weliswaar spieren nodig heeft, maar in zijn centrum, het strottenhoofd, zich niet van been, maar van het wekere kraakbeen bedient. Als een edelsteen is zo het sierlijke spraakorganisme in de wereld van de grote spieren ingebed; het werkt en leeft daar.

Nog intiemer werkt in de spraak het denken, de oerbron van alle beweging.

Nu willen wij nauwkeurig nagaan, hoe de gezondheid en het geluk van de mens afhangt van het samenspel van deze zo verschillende sferen. Wordt bij bepaalde handelingen het denken uitgeschakeld, dan geschiedt die handeling slaafs. Een nog gebruikelijke vorm daarvan, het werk aan de lopende band, wordt gelukkig steeds meer door zinvol groepswerk vervangen; de mens is dan weer geheel ingeschakeld en zijn bewustzijn wordt niet afgestompt en mogelijk vergiftigd.

Is het lichamelijk aandeel bij het werk te gering dan verliest het zijn realiteit en actualiteit en wordt tot een leeg gedachtespel. Vele kinderen ervaren de school als niet bij hen passend, wanneer het onderwijs te veel op het intellect gericht is. Juist een opgroeiend kind zou zó geleid moeten worden, dat het leert de lichamelijke bewegingen op harmonische wijze om te vormen tot fijnere innerlijke activiteit.

Kan nu ook dat middengebied, de spraakbeweging ziek worden? O ja, wanneer het van de beide anderen wordt gescheiden, komt het tot holle woorden. Wij kunnen daarbij denken aan de meer zuidelijke mens, die, druk gebarend, vele lege woorden laat horen, terwijl de noordeling meer neigt naar het koude abstracte.

Na deze vormen van eenzijdigheid te hebben nagegaan, willen wij nu de blik richten op andere vormen van beweging, die tot vruchtbaar samenwerken leiden.

Hoe komt het, dat pantomime ons zo fascineert? Weliswaar schijnt de spraakbeweging hier te zijn onderdrukt, maar des te duidelijker ‘spreken’ de ledematen; het is deze verschuiving, die bekoort. Bij muziek, die voortkomt uit het middengebied van spraak en zang, schijnen de beide buurbewegingen – de fysieke en die van het denken – te ontbreken, maar ook hier maakt het ontbreken juist de charme uit. Gedachten kunnen in klanken, hoewel op andere wijze dan in woorden, worden uitgedrukt. Aan de andere kant bewijzen de vele soorten van dansmuziek, dat daarin lichaamsbeweging opgesloten ligt, zodat als het ware je voeten willen meedansen.

En de dans zelf? Is de dans niet enkel een vorm van muziek, die door de ledematen gaat en daardoor door het gehele lichaam?

Maar op de meest omvangrijke wijze brengt het toneelspel de drie bewegingsvormen tot uitdrukking. De opera, met de muziek, gaat nog een stap verder. Zo is het niet te verwonderen, dat al deze kunsten zowel in de primitieve als in de huidige culturen een belangrijke plaats innemen. Maar de hier in het begin genoemde vergiftiging in de stofwisseling hebben zij nog niet kunnen afwenden, onze beschaving nog niet kunnen veranderen.

Ook het weten op zich van deze dingen kan dat niet; het is pas een eerste stap. Er moet een grondige vernieuwing komen.

Onze tijd heeft op alle gebieden ongekende mogelijkheden geopend. Naast vele gevaren voor de gezondheid en de harmonie van de mens zijn er ook wegen geopend naar de genezing van het gehele bewegingsorganisme: om dat met nieuw stromend leven te vullen.

In het bijzonder mogen we hier de nieuwe bewegingskunst, de euritmie noemen, die ieder mens er weer plezier aan kan laten beleven zijn ledematen en spieren zinvol te bewegen.

Dr. Rudolf Steiner zegt daarover in een voordracht: de euritmie als bezielde en doorgeestelijkte gymnastiek is een opvoedmiddel van betekenis. De gymnastiek haalt zijn wetten uit de kennis van het menselijk lichaam. Maar alleen bezielde gymnastiek zal bereiken wat het zuiver lichamelijke niet kan. Het zal de gehele mens, naar lichaam, ziel en geest opvoeden en onder geen beding het lichaam veronachtzamen.

.

Menskunde en pedagogie: alle artikelen   nr. 19 over bewegen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2550

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner– Algemene menskunde – voordracht 10 (10-4)

Enkele gedachten bij blz. 148-161 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

De ledematen

Het hoeft niet te verbazen dat Steiner veel over ‘de ledematen’ heeft gezegd, als deel van de lichamelijk bekeken drieledige mens. 
En dat weer vanuit vele gezichtspunten. En steeds vrijwel meteen in tegenstelling tot enerzijds het hoofd, anderzijds de romp.
Het is eigenlijk onmogelijk iets – in dit geval – over de ledematen duidelijk te maken, zonder de andere twee daarbij te betrekken.
Steiner maakt met deze methode waar wat hij bijv. op blz. 116 (vert) beweerde:

Durch dieses Tatsachen-aufeinander-Beziehen bekommen wir reale Begriffe.

Door feiten met elkaar in verband te brengen, krijgen we reële begrippen.
GA293/113    
Vertaald/116

En bijv. hier: Real lernt man die Dinge aber nur kennen, wenn man sie in der Welt wirklich aufeinander be­ziehen kann.

Je leert de dingen pas in hun realiteit kennen, wanneer je ze in de wereld reëel met elkaar in verband kan brengen.
GA 301/42  
Op deze blog  vertaald 42

Een goede oefening is om overal bij de opmerkingen over de ledematen jezelf steeds af te vragen waar een tegenstelling is te vinden en hoe die dan is bij het hoofd en/of de romp.

Vorm 

Wanneer ik nu van alles te berde breng, zijn dat geen ‘bewijzen’, maar in het ‘wijzen op’ kan er iets duidelijk worden van waar het in deze voordracht om gaat.

Bij het ingaan op de karakteristieken van hoofd en romp nam ik het ‘beetpakken’. Dit lukte bij de romp niet zodanig als we dat bij het hoofd kunnen. Leggen wij onze handen om een hoofd, dan ervaren we dat we het min of meer omvatten. In dit opzicht kan je de borst niet omvatten – letterlijk niet – en hier word je al geconfronteerd met ‘de grotere bol’ die Steiner tekent:

Ik geef hier de opmerkingen over hoofd en romp nog een keer weer, omdat ze een eenheid vormen met de tekst die hieronder specifieker over de ledematen gaat:

De tegentellingen:

Blz. 152  vert. 148

Wir haben darauf aufmerksam gemacht, wie im wesentlichen die Kopfform die Form des Kugeligen ist, wie in dieser kugeligen Kopfform das eigentliche leibliche Wesen des menschlichen Hauptes liegt. Wir haben dann darauf aufmerksam gemacht, daß der Brustteil des Menschen ein Fragment einer Kugel ist, so daß also, wenn wir schematisch zeichnen, wir dem Kopfe eine Kugelform, dem Brustteil eine Mondenform geben und daß wir uns klar sind, daß in dieser Mondenform ein Kugelfragment, ein Teil einer Kugel enthalten ist. Daher werden wir uns sagen müssen: Wir können ergänzen die Mondform des menschlichen Brustgliedes. Und Sie werden nur dann dieses Mittelglied der menschlichen Wesenheit, die menschliche Brustform, richtig ins Auge fassen können, wenn Sie sie auch als eine Kugel betrachten, aber als eine Kugel, von der nur ein Teil, ein Mond sichtbar ist und der andere Teil unsichtbar ist. Sie sehen daraus vielleicht, daß in denjenigen älteren Zeiten, in denen man mehr die Fähigkeit gehabt hat als später, Formen zu sehen, man nicht unrecht hatte, von Sonne dem Kopf entsprechend, von Mond der Brustform entsprechend zu sprechen. Und wie man dann, wenn der Mond nicht voll ist, von dem Mond eben nur ein Kugelfragment sieht, so sieht man von dem menschlichen Mittelgliede in der Brustform eigentlich nur ein Fragment. Daraus können Sie ersehen, daß die Kopfform des Menschen hier in der physischen Welt etwas verhältnismäßig Abgeschlossenes ist. Die Kopfform zeigt sich physisch als etwas Abgeschlossenes. Sie ist gewissermaßen ganz dasjenige, als was sie sich gibt. Sie verbirgt am allerwenigsten von sich.
Der Brustteil des Menschen verbirgt schon sehr viel von sich; er läßt ctwas von seiner Wesenheit unsichtbar. Es ist sehr wichtig für die Erkenntnis der Wesenheit des Menschen, das ins zu fassen, daß vom Brustteil ein gut Stück unsichtbar Ljnd so können wir sagen: Der Brustteil zeigt uns nach der Seite, nach rückwärts, seine Leiblichkeit; nach vorwärtst er in das Seelische über. Der Kopf ist ganz Leib; der Drustteil des Menschen ist Leib nach rückwärts, Seele nach vorwärts. Wir tragen also einen wirklichen Leib nur an uns, in- dem wir unser Haupt auf den Schultern ruhen haben. Wir haben an uns Leib und Seele, indem wir unsere Brust heraus- gliedern aus dem übrigen Brustteil und sie durcharbeiten, durchwirken lassen von dem Seelischen.

hoofd:
We hebben erop gewezen dat de vorm van het hoofd in essentie die van de bol is, en dat deze bolle vorm van het hoofd het eigenlijke, lichamelijke wezen van het menselijk hoofd uitdrukt.

romp:
Vervolgens hebben we erop gewezen dat de borst van de mens een fragment van een bol is, zodat we dus — wanneer we het schematisch tekenen — het hoofd een bolle vorm en de borst de vorm van een maansikkel kunnen geven en het ons zodoende duidelijk is dat deze maansikkel een fragment, een deel van een bol is. Met andere woorden, we kunnen de sikkelvorm van de menselijke borst completeren. En u zult dit middengebied van het wezen van de mens, de vorm van de borst, slechts dan op de juiste wijze zien, wanneer u ook dit als een bol beschouwt — maar dan als een bol waarvan slechts een gedeelte, een sikkel, zichtbaar is en waarvan het andere gedeelte onzichtbaar is.

hoofd:
Daaraan kunt u wellicht zien, dat men in vroeger tijd, toen men meer dan later het vermogen had vormen te zien, geen ongelijk had, wanneer men zei dat de vorm van het hoofd overeenkomt met de zon

romp:
en de vorm van de borst met de maan. En zoals men ook slechts een fragment ziet van de maan, wanneer ze niet vol is, zo ziet men in de vorm van de borst eigenlijk slechts een fragment van het middengebied van de mens.

hoofd:
U ziet dus dat het hoofd van de mens hier in de fysieke wereld een tamelijk voltooide vorm heeft. De vorm van het hoofd manifesteert zich fysiek als iets voltooids. Ze is als het ware helemaal zoals zij zich voordoet. Ze verbergt het minst van zichzelf.

romp:
Het borstgedeelte verbergt al heel veel van zichzelf; het laat een deel van zijn wezen onzichtbaar. Voor het inzicht in het wezen van de mens is het zeer belangrijk voor ogen te houden, dat een groot stuk van het borstgedeelte onzichtbaar is. En zo kunnen we zeggen: het borstgedeelte toont aan de achterkant zijn fysieke verschijningsvorm, naar de voorkant gaat het over in de ziel.

hoofd:
Het hoofd is geheel en al lichaam;

romp:
de borst van de mens is naar achteren toe lichaam en naar voren toe ziel.

hoofd
Het werkelijk lichamelijke aan ons is dus alleen het hoofd dat op de schouders rust.

romp
We hebben lichaam en ziel doordat we in onze borst, als afgezonderd deel van de gehele borst, de ziel opnemen en laten werken.

In een andere schets verschijnen dan de ledematen:

Blz. 154  vert. 150

Nun sind eingesetzt in diese beiden Glieder des Menschen, namentlich zunächst für die äußere Betrachtung, in den Brustteil die Gliedmaßen. Das dritte ist ja der Gliedmaßenmensch. 

Nu zijn er in deze beide delen van de mens ledematen ingeplant, uiterlijk gezien vooral in het borstgedeelte. Het derde deel is immers de ledematenmens. 

Allereerst valt op dat Steiner hier spreekt over ‘ingeplant’, een vertaling van ‘eingesetzt’. Omschrijvingen van ‘einsetzen’ zijn o.a.: [als Teil] in etwas setzen, hineinbringen, einfügen, einarbeiten (woordenboek Duden), dus ‘als deel erin brengen, invoegen, inbouwen. Duidelijk bewegingen van buitenaf.

In dezelfde alinea spreekt Steiner over ‘stralen’.

Ik voer dit niet als bewijs op, maar het is weer interessant om ernaar te verwijzen.
De kleuter tekent in een bepaalde fase van zijn kleutertijd de mens bijna ‘oer’. In de verschillende artikelen over de betekenis van de kleutertekeningen kom je ook tegen dat het sterke vermoeden bestaat dat de kleuter niet alleen zijn ontwikkeling van dat ogenblik tekent, maar ook de grotere wetmatigheden in de wording van de mens(heid).
In vele tekeningen kun je niet om het stralenkarakter van de door de kleuter getekende ledematen heen, die bovendien nog eens heel duidelijk ‘eingesetzt” – ingeplant – zijn:

Ook anatomisch vertonen de ledematen hun ‘stralenkarakter’ in de vorm van de pijpbeenderen:

Uit: Lothar VogelDer dreigliedrige Mensch‘  niet vertaald

Staan we nog iets langer stil bij ‘straal, radius’ weten we dat deze vanuit een middelpunt naar de periferie – de cirkelomtrek – loopt.
Als we een wijzend gebaar maken, strekken we deze ‘radiusmens’ van ons af, de ruimte in – eventueel nog versterkt door onze uitgestrekte wijsvinger.

Als we in de verte iets willen zien, willen we dat a.h.w. naar ons toehalen. En lukt dat niet, dan pakken we een verrekijker – die – i.t.t. het woord – alles dichterbij ons brengt.
We kunnen hier ook wel iets van een tegenstelling in beleven. Het willen concentreren in ons hoofd – het ver weg beeld – en het ‘stralend’ wegwijzen naar de verte. De concentratie in de ‘kleine bol’ en het uitwaaieren als stralen in een veel grotere bol.

Blz. 153  vert. 150

Den Gliedmaßenmenschen können wir nur verstehen, wenn wir ins Auge fassen, daß andere Stücke übriggeblieben sind von der Kugelform als beim Brustteil. Beim Brustteil ist ein Stück von der Peripherie übriggeblieben. Bei den Gliedmaßen ist mehr übriggeblieben etwas von dem Inneren, von den Radien der Kugel, so daß also die inneren Teile der Kugel angesetzt sind als Gliedmaßen.

De ledematenmens kunnen we alleen begrijpen, wanneer we voor ogen houden dat bij de ledematenmens andere stukken van de bolvorm zijn overgebleven dan bij de borst. Bij het borstgedeelte is een stuk van de periferie overgebleven. Bij de ledematen is meer iets van het binnenste overgebleven, van de radiussen van de bol, zodat de binnenste delen van de bol dus de ledematen vormen.

Ook i.v.m. de pijpbeenderen spreekt Steiner over een ‘metamorfose’, net zoals bij de wervels, eveneens in relatie tot de beenderen van het hoofd.
Over deze metamorfose volgt een apart artikel – nog niet oproepbaar.

Als het om ‘menskunde’ gaat, gaat het dus om het begrijpen, het kennen van wat een mens is.
Dit kennen kan alleen als we de mens in relatie brengen met de kosmos. In vele voordrachten wijst hij daarop:

Der Mensch muß wiederum das Außerirdische finden, dann wird er sich selbst finden.

De mens moet opnieuw het kosmische vinden, dan zal hij zichzelf vinden.
GA 209/29
Niet vertaald

Überall müssen wir dazu kommen, den Menschen im Zusammenhang mit dem ganzen Weltenall zu betrachten. Und verstehen können wir den inneren Aufbau des Menschen auch nur, wenn wir ihn im Zusammenhang mit dem Weltenall betrachten.

Bij alles moeten we ertoe komen de mens in samenhang te zien met het hele universum. We kunnen de inwendige bouw van de mens dan ook alleen maar begrijpen, wanneer we die in relatie tot de kosmos bekijken.
GA 208/150
Niet vertaald   

( ) überall müssen wir dazu kommen, den Menschen im Zusammenhang mit dem ganzen Weltenall zu betrachten. Und verstehen können wir den inneren Aufbau des Menschen auch nur, wenn wir ihn im Zusammenhang mit dem Weltenall betrachten.

Op elk terrein moeten we zien te bereiken dat we de mens bekijken in samenhang met het hele universum. De vorm van de mens kunnen we alleen maar begrijpen wanneer we die in relatie zien tot de kosmos.
GA 208/150
Niet vertaald

Wenn man die Magnetnadel studiert und wollte sie hur so studieren, daß man sagt, sie richtet sich durch ihre inneren Kräfte, so würde man niemals die nord-südlichen Kräfte der Magnetnadel verstehen. Man muß sich klar sein darüber, daß die ganze Erde zwei Kräfte hat, daß von außen die Pole der zwei Kräfte bestimmt werden. So ist es auch ein Unding, den Menschen auf den Seziertisch hinzulegen und sein ganzes Wesen aus dem, was innerhalb seiner Haut ist, erklären zu wollen. Man braucht die ganze Welt, um das, was im Menschen und am Menschen ist, wirklich verstehen zu können.

Wanneer je de magneetnaald nader bekijkt en je doet dat alleen maar zo dat je zegt dat deze de richting aanneemt door de krachten die erin zitten, dan zou je nooit de noord-zuid gerichte krachten van de magneetnaald begrijpen. Je moet goed begrijpen dat de hele aarde twee krachten heeft, dat de polen van die twee krachten van buitenaf bepaald worden. Het is een onzinnig iets om de mens op de snijtafel te leggen om dan zijn hele wezen te willen verklaren uit wat daar dan binnen zijn huid ligt. Je hebt de hele wereld nodig om te begrijpen wat de mens in zich heeft en wat aan hem te zien is. 
GA 208/158
Niet vertaald

En naar de kosmos werd al verwezen toen het hoofd besproken werd: de zon; de romp: de maan. En nu ligt het voor de hand om dan de ledematen aan de ‘sterren’ te verbinden, gezien het stralende ervan. Maar in deze voordracht gebeurt dat niet, in andere wel.

Wanneer het om ‘het middelpunt’ gaat, is het hoofd niet kosmisch: dat heeft zijn middelpunt in zichzelf geconcentreerd. In onze ‘kersenpit‘; de romp heeft het middelpunt ‘dat al heel ver weg is‘. Zie terug: de tegenstelling hoofd-romp

Blz. 157  vert. 153

Und wo hat denn das Gliedmaßensystem den Mittelpunkt? Jetzt kommen wir auf die zweite Schwierigkeit. Das Gliedmaßensystem hat den Mittelpunkt im ganzen Umkreis. Der Mittelpunkt des Gliedmaßensystems ist überhaupt eine Kugel, also das Gegenteil von einem Punkt. Eine Kugelfläche. Über- all ist der Mittelpunkt eigentlich; daher können Sie sich überallhin dreben und von überallher strahlen die Radien ein. Sie vereinigen sich mit Ihnen.
Was im Kopfe ist, geht vom Kopfe aus; was durch die Gliedmaßen geht, vereinigt sich in Ihnen. Deshalb mußte ich auch in den anderen Vorträgen sagen: Sie müssen sich die Gliedmaßen eingesetzt denken.

En waar is het middelpunt van het ledematenstelsel? Met deze vraag komen we op de tweede moeilijke kwestie. [de eerste is de metamorfose] Het ledematenstelsel heeft zijn middelpunt in de gehele periferie. Het middelpunt van het ledematenstelsel is een bol – het omgekeerde dus van een punt. Het oppervlak van een bol. Dat middelpunt is eigenlijk overal; daardoor kunt u naar alle kanten bewegen; van alle kanten richten de stralen van de bol zich naar binnen. Ze verenigen zich met u.

Dat is nog lastig. Je zou toch makkelijk van een punt een bol kunnen maken, als je maar aan het vergroten blijft. Maar het is geen punt, dus ook geen vergrote, want dan bleef er in de bol toch een middelpunt. Wanneer je bijv. je armen langs je oren verticaal omhoog wijst en ze dan resp. maar links en rechts laat zakken, heb je in het verlengde twee stralen die nooit in één middelpunt bij elkaar kunnen komen. Als we de hemelkoepel – ook onder onze planeet – als bol nemen, zonder middelpunt, kunnen er van alle kanten lijnen naar ons worden getrokken. Zoiets stel ik mij erbij voor.

In andere voordrachten bijv. v.a. GA 201 t/m GA 209 die de overkoepelende titel hebben: ‘De mens in samenhang met de kosmos’ spreekt Steiner over de invloed van de maan of van Mars op de ledematen, maar ook over aardse – tellurische – invloeden. Dan wordt het ‘dit middelpunt is eigenlijk overal’ iets duidelijker. 
Ook zie je aan ‘maan en Mars’ dat het om ‘planeten’ gaat. In GA 209 gaat Steiner veel dieper in op de samenhang van de ledematen met de dierenriem.
Dus ruwweg gesproken gaat het bij de ledematen om ‘de sterren’, waartoe dan ook de aarde moet worden gerekend. 

In de 11e, 13e en 14e voordracht van de ‘Algemene menskunde’ komt Steiner steeds weer op dit onderwerp terug.

Blz. 156     vert. 153

Dan weer een tegenstelling:

Was im Kopfe ist, geht vom Kopfe aus; was durch die Gliedmaßen geht, vereinigt sich in Ihnen.

Wat in het hoofd is, gaat van het hoofd uit; wat door de ledematen gaat, gaat naar binnen en concentreert zich daar.

Deshalb mußte ich auch in den anderen Vorträgen sagen: Sie müssen sich die Gliedmaßen eingesetzt denken.

Daarom ook moest ik in de andere voordrachten zeggen: u moet zich de ledematen voorstellen als zijnde ingeplant.

De andere voordrachten: in ieder geval voordracht 7 in GA 294:

Für die Gleidmaβen rufen Sie die Vorstellung hervor, daβ sie eben an dem Rumpf dranhängen und eingesetzt sind. Eingesetzt in den menschlichen Organismus-weiter kann man mit den Kindern nicht gehen-denn die Gliedmaβen setzen sich nach innen fort in den morphologischen Anlagen des Menschen und hängen da mit den Verdauungs-und Geschlechtsorganen zusammen, die nur eine Fortsetzung der Gliedmaβen nach innen sind. Aber daß die Gliedmaßen in den Organismus eingesetzt sind, von außen, diese Vorstellung rufen Sie stark in den Kindern hervor. Damit bekommt das Kind zunächst eine Formvorstel­lung vom Menschen.

En de ledematen beschrijft u dan zo dat ze aan de romp hangen en daar ingeplant zijn. Het kind zal veel niet kunnen begrijpen, maar u roept toch sterk de voorstelling op dat de ledematen ingeplant zijn in het menselijk organisme. Verder kunt u hier niet gaan, want in de morfologische structuur van de mens zetten de ledematen zich naar binnen toe voort en hangen daar samen met de spijsverterings- en geslachtsorganen, die enkel een voortzetting van de ledematen naar binnen toe zijn. Maar dat de ledematen ingeplant zijn in het organisme, van buitenaf, deze voorstelling moet u krachtig oproepen. Daarmee krijgt het kind om te beginnen een voorstelling van de vorm van de mens.
GA 294/98
Vertaakd/104  

Dit ‘van buitenaf’ wijst dus op de krachtwerking vanuit ‘de kosmos’ (en de aarde, zoals in andere voordrachten beschreven en in feite hier ook, want er staat ‘de hele wereld omvat’, vertaald met ‘kosmos’) en dat ‘iets’ wil ons doorstralen en doet dat door de ledematen en wordt aan het einde zichtbaar. Dat is echter maar ‘een minuscuul deeltje‘ – van wat we zijn.
In Steiners ogen zijn we geestelijke wezens en drieledig opgevat: hoofd: het meest fysieke: lichaam, daartussen de romp: ziel en de ledematen: geest.

In [1-9] komt dit concreet aan de orde: Steiner gebruikt hier de begrippen ‘allerphysischt’ – meest fysieke – voor het hoofd, wanneer we daarmee reflecterend, na-denkend en abstract-intellectueel leren; ‘halb-überphysisch’ – half-bovenfysiek –  wanneer het om bijv. ritme gaat, over rekenen – dat is niet iets van het hoofd – en ‘überphysisch’ – bovenfysiek – wanneer het om het kunstzinnige gaat – het scheppende – het geestelijke.
Dit kunstzinnige werken wordt gezien als ‘van/met de wil – en die vindt zijn fysieke uitdrukking in de ledematen! 

Blz.  157      vert. 155

Wir sind wirklich eine ganze Welt, nur daß dasjenige, was da von außen in uns herein will, an seinem Ende sich verdichtet und sichtbar wird. Ein ganz winziger Teil von dem, was wir sind, wird in unseren Gliedmaßen sichtbar, so daß die Gliedmaßen etwas Leibliches sind, das aber nur ein ganz winziges Atom ist von dem, was eigentlich da ist im Gliedmaßensystem des Menschen: Geist. Leib, Seele und Geist ist im Gliedmaßensystem des Menschen. Der Leib ist in den Gliedmaßen nur angedeutet; aber in den Gliedmaßen ist ebenso das Seelische drinnen, und es ist drinnen das Geistige, das im Grunde genommen die ganze Welt umfaßt.

Wij zijn werkelijk een hele kosmos, [er staat: een hele wereld en dat is exacter want het gaat niet alleen om invloeden vanuit de kosmos, maar ook vanuit de aarde, zoals dat in andere voordrachten beschreven staat, o.a.in  GA 202/17  alleen wat daar van buitenaf ons door wil stralen, dat verdicht zich slechts aan het uiteinde en wordt alleen daar zichtbaar. Een minuscuul deeltje van wat we eigenlijk zijn, wordt zichtbaar in onze ledematen, zodat de ledematen weliswaar iets fysieks zijn, maar slechts een miniem deeltje van wat eigenlijk leeft in de ledematen van de mens: het geestelijke. 

Tijdens de behandeling van de dierkunde in GA 294 voordracht 7 komt dit voor de kinderen op een bepaalde manier aan de orde, namelijk in de beleving dat wij het meest mens zijn met onze handen (want er is nog een verschil tussen de bovenste en de onderste ledematen)  Steiner over dierkunde (w.o. GA 294)

Dus ‘geestelijk’ mens-zijn zit niet in het kunnen denken, maar in het kunnen handelen, in de wil. (En wanneer we de wil in het denken brengen, met o.a. de meditatieve oefeningen die Steiner daarvoor geeft, wordt ook het denken weer ‘ver-geestelijk-t’)

Dan benadert Steiner e.e.a. vanuit de omgekeerde richting:

Blz. 158  vert. 154

Nun könnte man auch noch eine andere Zeichnung vom Menschen machen. Man könnte sagen: Der Mensch ist zunächst eine riesengroße Kugel, die die ganze Welt umfaßt, dann eine kleinere Kugel, und dann eine kleinste Kugel. Nur die kleinste Kugel wird ganz sichtbar; die etwas größere Kugel wird nur zum Teil sichtbar; die größte Kugel wird nur in ihren Einstrahlungen am Ende hier sichtbar, das übrige bleibt unsichtbar. So ist der Mensch aus der Welt heraus gebildet in seiner Form.
Und wiederum im mittleren System, im Brustsystem, haben wir die Vereinigung des Kopfsystems und des Gliedmaßensystems. Wenn Sie das Rückgrat mit den Ansätzen der Rippen betrachten, so werden Sie sehen, daß das der Versuch ist, sich abzuschließen nach vorne. Nach rückwärts ist das Ganze abgeschlossen, nach vorne ist nur der Versuch gemacht des Abschließens; er gelingt nicht ganz. Je mehr die Rippen dem Kopfe zugeneigt sind, desto mehr gelingt es ihnen, sich abzuschließen, aber je weiter nach unten gelegen, desto mehr mißlingt es ihnen. Die letzten Rippen kommen nicht mehr zusammen, weil ihnen da entgegenwirkt diejenige Kraft, die dann in den Gliedmaßen von außen kommt.

Nu zou men ook nog een andere tekening van de mens kunnen maken. Men zou kunnen zeggen: de mens is in de eerste plaats een reusachtige bol, die de gehele kosmos omvat; vervolgens een kleinere bol en een nog kleinere. Alleen de kleinste bol wordt geheel zichtbaar; de grotere bol wordt slechts ten dele zichtbaar; de grootste bol wordt alleen zichtbaar aan de uiteinden van de stralen – de rest blijft onzichtbaar. Zo heeft de mens vanuit de kosmos zijn vorm gekregen. We keren terug naar het middengebied, het borststelsel, waar het hoofdstelsel en het ledematenstelsel samengaan. Wanneer u kijkt naar de ruggengraat met de aanhechtingen van de ribben, dan zult u zien dat dat de poging is zich naar voren toe af te sluiten. Van achteren is het geheel afgesloten, naar voren toe is het bij een poging gebleven: het afsluiten lukt niet helemaal. Hoe dichter de ribben bij het hoofd liggen, des te meer lukt het hun zich af te sluiten, maar hoe verder ze naar onderen liggen, des te minder lukt het. De laatste ribben sluiten zich niet meer aaneen, aangezien ze daar tegengewerkt worden door de kracht die van buiten komt en in de ledematen leeft.
Zie de afbeeldingen van de ribbenkast.

Er volgt nog een tegenstelling hoofd-ledematen:

Blz. 159  vert. 155

Nun werden Sie gerade aus dem, was ich Ihnen so gesagt habe, erkennen, meine lieben Freunde, daß die Gliedmaßen eben mehr der Welt zugeneigt sind, der Kopf mehr dem ein- zelnen Menschen zugeneigt ist. Wozu werden dann also die Gliedmaßen besonders neigen? Sie werden zur Welt neigen, in der der Mensch sich bewegt und selbst seine Stellung immerfort verändert. Sie werden zur Bewegung der Welt Beziehung haben. Fassen Sie das gut auf: die Gliedmaßen haben Beziehung zur Bewegung der Welt.

Nu zult u, beste vrienden, juist naar aanleiding van wat net gezegd is kunnen inzien, dat de ledematen meer op de wereld zijn gericht en het hoofd meer op de individuele mens is gericht. Waarnaar zullen de ledematen dus met name gericht zijn? Naar de wereld, waarin de mens zich beweegt en zelf zijn positie voortdurend verandert. De ledematen zullen in verband staan met de bewegingen van de wereld. Neemt u dat goed in u op: de ledematen zijn betrokken op de bewegingen van de wereld.

Indem wir in der Welt herumgehen, indem wir handelnd auftreten in der Welt, sind wir der Mensch der Gliedmaßen. 

In ons bewegen, in ons handelen in de wereld, zijn we ledematenmens.

hoofd:

Er hat auch die Aufgabe, in sich fortwährend die Bewegung der Welt zur Ruhe zu bringen. 

Het hoofd heeft ook de opgave om voortdurend het bewegen van de wereld in zichzelf tot rust te brengen.

en:

So sitzt Ihre Seele im Kopf, der sich von den Gliedmaßen weiterbefördern läßt, ruhig drinnen und bringt die Bewegung innerlich zur Ruhe.

Zo zit uw ziel in rust in het hoofd, dat zich door de ledematen laat voortbewegen, en brengt de beweging innerlijk tot rust.

( ) so beruhigt in Ihnen der Kopf dasjenige, was die Gliedmaßen als Bewegung vollbringen können in der Welt.

Zo brengt het hoofd ook alle bewegingen die de ledematen in de wereld uitvoeren in uzelf tot rust.
Und der Brustteil steht mitten darinnen. Der vermittelt die Bewegung der Außenwelt mit dem, was das Haupt, der Kopf zur Ruhe bringt.

Het borstgedeelte bevindt zich daar midden tussen. Dat gedeelte verbindt de bewegingen van de buitenwereld met dat wat door het hoofd tot rust wordt gebracht.

Het is voor hier nu te uitgebreid, maar wat Steiner in GA 294 al in de 1e voordracht aan de orde stelt over wat de invloed is van de leerstof en de manier waarop we dat brengen, heeft met de rust van het hoofd en de beweging van de ledematen te maken. Vanaf blz. 18, vertaling vanaf blz. 

Nu klinkt het vrij gemakkelijk:

Blz. 160   vert.

Denken Sie sich jetzt: es geht geradezu unsere Absicht als Messsch darauf hin, die Bewegung der Welt durch unsere Gliedmaßen nachzuahmen, aufzunehmen. Was tun wir denn da? Wir tanzen. Sie tanzen in Wirklichkeit; das andere Tanzen ist nur ein fragmentarisches Tanzen. Alles Tanzen ist davon ausgegangen, Bewegungen, die die Planeten, die anderen Weltenkörper ausführen, die die Erde selbst ausführt, in den Bewegungen, in den Gliederbewegungen der Menschen zur Nachahmung zu bringen.

Denkt u zich eens in: ons doel als mens is nu juist de bewegingen van de wereld door onze ledematen na te bootsen, op te nemen. Wat doen we dan? We dansen. U danst in feite; wat men gewoonlijk dansen noemt, is maar een deel van het echte dansen. Het was het uitgangspunt van elk dansen, de bewegingen van de planeten en andere hemellichamen — ook van de aarde – in de bewegingen van de ledematen na te bootsen.

Hiermee heb ik nog weinig concrete verbinding. ‘Ons doel als mens’, ‘bewegingen van de wereld nabootsen’.

Kijkend naar de bewegingen van de planeten, kan je nog wel iets voelen voor ‘dansen’, maar ik beleef in mijzelf niet dat ik ‘bewegingen van de wereld naboots’.

Hier ‘danst’ Mercurius (1937)

Hier Venus (1937

Uit: Hermann von Baravalle ‘Die Erscheinungen am Sternenhimmel

En dan volgt nog een verklaring waarom we ‘brommen’, neuriën en zingen:

Aber wie ist denn das nun mit dem Kopfe und mit der Brust, wenn wir die kosmischen Bewegungen tanzend nachbilden in unseren Bewegungen als Mensch? Sehen Sie, da ist es so, im Kopfe und in der Brust, als wenn sich die Bewegungen, die wir in der Welt ausführen, stauen würden. Sie können sich nicht fortsetzen durch die Brust in den Kopf hinein, denn der Kerl ruht auf den Schultern, der läßt die Bewegungen nicht sich fortsetzen in die Seele hinein. Die Seele muß in Ruhe an den Bewegungen teilnehmen, weil der Kopf auf den Schultern ruht. Was tut sie daher? Sie fängt an, von sich aus dasjenige zu reflektieren, was die Glieder tanzend ausführen. Sie fängt an zu brummen, wenn die Glieder unregelmäßige Bewegungen ausführen; sie fängt an zu lispeln, wenn die Glieder regelmäßige Bewegungen ausführen, und sie fängt gar an zu singen, wenn die Glieder ausführen die harmonischen kosmischen Bewegungen des Weltalls. So setzt sich um die tanzende Bewegung nach außen in den Gesang und in das Musikalische nach innen.

Maar hoe zit dat dan met het hoofd en met de borst, wanneer we de kosmische bewegingen dansend nadoen in onze bewegingen als mens? Welnu, het lijkt alsof de bewegingen die we in de wereld maken worden tegengehouden in het hoofd en in de borst. Ze kunnen zich niet door de borst tot in het hoofd voortzetten, want dat heerschap rust op de schouders — die laat de bewegingen niet door tot in de ziel. De ziel moet in rust aan de bewegingen deelnemen, omdat het hoofd op de schouders rust. Wat doet de ziel dus? Ze begint vanuit zichzelf te reflecteren wat de ledematen dansend uitvoeren. Ze begint te brommen wanneer de ledematen onregelmatige bewegingen uitvoeren; ze begint te fluisteren wanneer de ledematen regelmatige bewegingen uitvoeren en ze begint zelfs te zingen wanneer de harmonische kosmische bewegingen door de ledematen uitgevoerd worden. Zo wordt de dansende beweging, die naar buiten gericht is, naar binnen toe omgezet in zang en muziek.

Daarover is meer te vinden in GA 283 vdr. 7 mrt. 1923. Vertaald

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 10 alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2367

/

./

./

./

Wat op deze blog staat

VRIJESCHOOL – 4e klas – dierkunde (16)

 

Tijdens een gesprek in de leraarskamer werd op een dag door mij -bovenbouw biologieleraar- de opmerking gemaakt: bovenbouwers zouden “werkend” een stuk benedenbouw moeten meemaken. Onmiddellijk volgde een uitnodiging een periode dierkunde in de 4e klas te komen geven, waarop ik met enthousiasme inging. Ik zou het inhoudelijke deel van de periode verzorgen; de klasselerares, mejuffrouw Bolt, zou het teken-, schilder- en boetseerwerk voorbereiden en begeleiden.
Al tijdens mijn voorbereiding realiseerde ik me met schrik, dat ik eigenlijk niet wist, hoe je een 4e klas aanspreekt, iets vertelt, laat staan hoe je dit pedagogisch en didactisch verantwoord doet. Nooit was ik dan ook nerveuzer dan vóór de eerste ochtend van deze periode.
Mens- en dierkunde zou behandeld worden, uitgaande van de gestalte, van de vormen, van datgene wat je kunt waarnemen.
In de 3e klas hebben de kinderen het verhaal van de schepping van de mens gehoord: “en God schiep de mens naar Zijn beeld, naar het beeld Gods schiep Hij hen, man en vrouw schiep Hij hen.”
Nu, in de 4e klas, gaan we samen kijken naar dat beeld Gods, we proberen achter de geheimen te komen, die de mens en de dieren ons te vertellen hebben over zichzelf.
De eerste vraag die ik stelde: “Waaraan herken ik een mens als mens, bijvoorbeeld als ik hem in de verte zie lopen?” bleek al direct te abstract. Toch kwamen er leuke antwoorden: “Ze hebben allemaal verschillende gezichten” en: “ze hebben allemaal verschillende kleren aan.”
Maar wat hebben nu alle mensen gemeenschappelijk? Een meisje zei toen: “Ze lopen allemaal rechtop.”
Met dat antwoord was plotseling duidelijk wat ik met mijn vraag had bedoeld en kwamen van alle kanten de antwoorden los. Toch zei ik die eerste ochtend vaak: “Stel je eens voor …”, niet bedenkend dat dat voor een vierdeklasser erg moeilijk is. Hij moet nog echt zien, voelen, boetseren, en ontdekt daardoor de vormen. Dus liet ik, op suggestie van mejuffrouw Bolt, de kinderen voelen aan hun en hun buurmans hoofd.

We ontdekten van de mensengestalte, dat deze bestaat uit hoofd, romp -lijf in kindertaal- en ledematen. Het hoofd bleek rond van vorm als de zon. Afgesloten, hard van buiten, met zijn geheimen van binnen en 7 poorten – de zintuigen- naar de buitenwereld. Het vertoont een vrij geringe, maar fijne beweeglijkheid (mimiek).
De ledematen daarentegen zijn langgestrekt van vorm -als sterrenstralen-, zeer beweeglijk, zacht van buiten, stevig van binnen. Er werd opgemerkt dat alleen de mens echte handen en voeten heeft, dat de voeten alleen maar geschikt zijn om ons te dragen en om te lopen, maar dat de handen alles kunnen: bouwen en graven, grijpen en slaan, schilderen, boetseren, musiceren, bidden, zegenen, groeten en gebaren. Maar: wij moeten werktuigen en instrumenten bedenken om een heleboel dingen net zo goed te kunnen als dieren, die immers speciale graaf- of grijppoten hebben. Omgekeerd: hoe moeilijk is het niet voor een ezeltje om luit te leren spelen! (Grimm)
De romp bleek alles “tussenin” te hebben; afwisselend hard en zacht, half omhullend, je kunt er de vorm van de maansikkel in zien, met hart en longen binnen die omhulling, waarvan de beweging ritmisch is.
Alles wat we zo samen gevonden hadden, werd opgeschreven in een echt periodenschrift, waarbij het voor mij een erg goede oefening was, duidelijk en groot, in 4e klastaal op het bord voor te schrijven wat in de schriften zou komen. De kinderen hadden ook al een hoofd en twee maal een mensenfiguur geboetseerd en ze maakten in hun schrift verrukkelijke tekeningen bij de tekst.
Toen kwam het moment dat de dierkunde begon. Een ochtend om niet gauw te vergeten.
De inktvis was als eerste dier gekozen. Het lukte me, helemaal inktvis te worden en een spannend verhaal te vertellen over dat wonderlijke dier met zijn kop met armen, met zijn haken, zijn inkt en zijn kleuren als het opgewonden is. De stilte in de klas na afloop was een belevenis, en het was geweldig te zien hoe de kinderen toen met waskrijt op grote vellen aan het tekenen gingen.
Na de inktvis volgden mossel en slak, muis, hamster en bever en tot slot paard en kameel, steeds vanuit het dier zelf verteld.
Aan het eind van de periode spraken we er over, met welk deel van de mens inktvis (mossel en slak) het meest overeenkwamen -zij werden kopdieren genoemd-. Muizen waren meer rompjes op hele kleine pootjes en paard en kameel vooral poten-ledematen.
De kinderen hebben ook geschilderd, eerst de mens, later nog paard of kameel en enorm veel getekend, ook gedichtjes gemaakt,
In de loop van de tijd ben ik me verschillende dingen gaan realiseren, maar vooral: dat je als benedenbouw-klassenleraar een duizendpoot moet zijn; creatief, steeds weer in staat iets nieuws te bedenken, maar ondertussen de touwen in handen houdend, je richtend op wat de kinderen van je vragen. En dat het onmogelijke van dit vak,
vrijeschoolleraar te zijn, is dat je het tot nu toe tenminste- eigenlijk nergens kon leren dan alleen maar in de klas.
Ik vind het dan ook erg fijn, de kans gekregen te hebben “werkend” een stuk benedenbouw te leren kennen en mijn respect en bewondering voor de kunst van mijn benedenbouwcollega’s is door dit “werken” enorm gegroeid.
N.Amons-Smink, Geert Grooteschool, okt.1974

Dierkunde: alle artikelen

933