Maandelijks archief: augustus 2016

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 308 – inhoudsopgave

.

 

RUDOLF STEINER

DE WORDENDE MENS

5 voordrachten gehouden te Stuttgart van 8 april tot en met 11 april 1924 en over een conferentie. [1]

EERSTE VOORDRACHT

Stuttgart, dinsdag 8 april 1924

Opvoedkunst op basis van ware menskunde. Karakteristieke kenmerken van de moderne cultuur: experimenten aan uiterlijke fenomenen en het zich distantiëren van de mens door de mens. — De onderverdeling van de mens in lichaam, ziel en geest als basis voor de op antroposofische geesteswetenschap berustende menskunde. Over de samenwerking van de leraarsziel met de kinderziel. Over de noodzaak dat de opvoeder zijn hele menselijk aardeleven in de hand neemt, en niet alleen een kleine levensfase. Fundamentele zaken omtrent het verband van het ongebreidelde temperament van de leraar met de lichamelijk-psychisch-geestelijke constitutie van het kind en later optredende ziekteverschijnselen. Pedagogische gezichtspunten voor de afzonderlijke ontwikkelingsfasen van het kind: in de eerste zevenjaar is het belangrijkste de mens, in de tweede zevenjaar de in levende levenskunstenaarschap overgaande mens; in de derde zevenjaar vraagt het kind wat men zelf heeft geleerd.

TWEEDE VOORDRACHT

Stuttgart, ff april 1924

Leren lezen in de ontwikkelingvan de mens. Didactiek en de levensvoorwaarden voor de pedagogie Over het probleem van de door de wetenschap steeds geëiste bewijsvoering en de desbetreffende grondhouding van de geesteswetenschap. Het kind als een soort zintui-gorgaan. De erfelijkheidskrachten in relatie tot het totale wezen van het kind. De invloed van de krachten die de mens uit zijn vooraardse leven meebrengt. Het religieuze beleven van het kind en de religieuze gezindheid van de leraar. Opmerkingen in verband met ‘Het grote raadsel’ van Maeterlinck. Het kind in zijn relatie tot zijn omgeving in de periode vóór de tandenwisseling. Het kind als artiest. Over de betekenis van het beeldend vormgegeven onderwijs behandeld aan het voorbeeld van het aanleren van de letters. Het leerplan als een kopie van wat men aan de ontwikkeling van de mens kan aflezen.

DERDE VOORDRACHT

Stuttgart, 10 april 1924, s ochtends

Het leren begrijpen van de wezensdelen door boetseren, muziek en spraak Over het juiste lezen’ in de menselijke natuur, beschreven aan de bewustzijnsontwikkelingvan de mens. Enkele resultaten van ‘innerlijk schouwen’ van het wezen van het kind vóór en na de tandenwisseling; de betekenis van de ademhaling en bloedsomloop voor de ontwikkeling tussen tandenwisseling en geslachtsrijpheid, en de daaruit volgende pedagogische consequenties aan de hand van o.a. het voorbeeld van dikkere en dunnere kinderen. – De kunsten en hun relatie met de wezensdelen van de mens: het zich-inleven in het plastisch vormgeven als voorbereiding op de etherische mens; het begrijpen van het astraal-lichaam door innerlijk beleven van de intervallen; het

VIERDE VOORDRACHT

Stuttgart, 10 april 1924, ’s avonds

De kunstzinnige aanpak van lesgeven Over de betekenis van de door de leraar ‘steeds opnieuw te beleven wereldbeschouwing’ voor het opvoeden en lesgeven. Waarom het leren schrijven aan het leren lezen vooraf moet gaan. Het inrichten van het periodeonderwijs. Het erbij betrekken van de kosmos in het wereldbeeld van de opvoeder, getoond aan de hand van de ontwikkeling van de planten: Goethes metamorfosevisie; uitbreiding en samentrekking als spiegelbeeld van kosmische krachten in de plant; het inwerken van zon en maan op de plantengroei; de aarde als levend wezen; kosmische inzichten als basis voor het kunstzinnig-beeldend vormgeven van de lesstof. – Over de betekenis van de diervormen in hun relatie tot de mens (stier, leeuw, adelaar, mens). Het beleven van de vrijheid en de daarmee verbonden opgaven van de opvoeder.

VIJFDE VOORDRACHT

Stuttgart, 11 april 1924

De morele opvoeding Pedagogie en de volwassen mens De vernieuwing van het enthousiasme uit een in de geest gepakte wereldkennis. In de eerste zevenjaar: het bevorderen van de ‘religieus te noemen overgave’ van het kind door een priesterlijk wijze van opvoeden. In de tweede zevenjaar: het herleven van deze overgave op een hoger psychisch niveau, zodat het natuurlijk kunstzinnig ontvangen van de wereld wordt ontwikkeld. De opvoeder als autoriteit in verband met de morele ontwikkelingvan het kind. Opvoeding als zelfopvoeding, subjectief en objectief De uitwerking van de opvoeding op latere levensfasen. De spreuk ‘In de ban van de stof raken …’.

 

 

[1] GA 308: Die Methodik des Lehrens und die Lebensbedingungen des Erziehens

Steiner: alle pedagogische voordrachten

Steiner: alle artikelen op deze blog

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Advertenties

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis- kerstverhaal (14-1)

.

Het vreemde kind

In een huisje aan de rand van een bos woonde een arme dag­loner die met grote moeite in zijn onderhoud voorzag met houthakken. Hij had een vrouw en twee kinderen, een jongen­ en een meisje; het waren goede, gehoorzame kinderen en zij maakten de vreugde van hun ouders uit. Zij hielpen ook flink mee als het erop aankwam iets te verdienen. Toen deze goede mensen bij elkaar zaten en hun schamel brood aten, werd er zachtjes op de deur geklopt. Buiten sneeuwde het en de wind joeg de vlokken hoog op.
Een fijn stemmetje riep buiten: ‘Ach, laat mij binnen in jullie huis! Ik ben een arm kind en ik heb niets te eten. Onderdak heb ik ook niet en ik sterf bijna van honger en kou. O, laat mij toch binnen!”
De kinderen sprongen op van hun stoel, openden de deur en riepen: “Kom toch binnen, arm kind. We hebben zelf niet erg veel, maar we zullen eerlijk met je delen!”
Het vreemde kind kwam binnen, en warmde zijn half bevroren handen en voeten bij de kachel. De kinderen gaven het te eten. Daarna zeiden ze: “Je zult wel moe zijn. Kom, ga maar in ons bed liggen. Wij zullen vannacht op de bank bij de kachel slapen.”
Het vreemde kind antwoordde: “Mijn vader in de hemel dankt jullie daarvoor!”

De kinderen brachten hun kleine gast in hun kamertje, hielpen hem in bed, dekten hem toe en dachten: “Wat hebben wij het nog goed! Wij hebben onze warme kamer en ons lekker bedje. Het arme kind heeft niets dan de hemel als dak en de grond als ligplaats.”
Toen de ouders naar bed gingen, legden de kinderen zich neer op de bank bij de kachel en zeiden tegen elkaar: “Het vreemde kind zal wel genieten in ons warme bed. Slaap lekker!”
De goede kinderen sliepen vast tot de vroege morgenstond. Toen werd de kleine Marie wakker en wekte haar broer: “Valentijn! word wakker! Luister eens naar die mooie muziek!”
Voor het huis hoorden zij muziek en zang. Zij waren een beetje bang en toch weer niet. Voorzichtig slopen zij naar het venster om te zien wat er buiten gebeurde. In het oosten gloeide het morgenrood. Voor het huis zagen zij een aantal kinderen staan. Zij hadden zilverkleurige jurkjes aan en in de hand droegen zij gouden harpen. Terwijl zij verbaasd naar buiten staarden, voelden zij een lichte aanraking op hun schouder. Toen zij omkeken zagen zij het vreemde kind voor hen staan. Het kind zei:  “Ik ben het Christuskind, dat in de wereld rondgaat om goede kinderen geluk en vreugde te brengen. Jullie hebt mij deze nacht geherbergd, omdat jullie dachten, dat ik een arm kind was. Ik geef jullie beiden mijn zegen.”
Toen ging het kind naar buiten en brak een tak van een dennenboom af, die dicht bij het huis stond en zei: “Dit takje plant ik in de grond hier. Het zal een boom worden en ieder jaar vrucht dragen.”
Toen verdwenen zowel het kind als de engelen die gezongen en gespeeld hadden.

Het dennentakje echter groeide en werd een kerstboom. Die was behangen met gouden appeltjes en zilveren noten. Elk jaar bloeit de boom één maal.

In de kersttijd.

(Italiaans kerstverhaal van Fr.Pocci)

.

Kerstverhalen: alle

Kerstmis: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Kerstmis                         jaartafel

.

1159

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – 1e klas – schrijven en lezen (2-10)

.

DUIMELOT

Uit het schrijfonderwijs van een eerste klas

Zijn geboorte ging niet van een leien dakje. Tenslotte zag hij toch het levenslicht. Een monter knaapje is het, deze Duimelot, met zijn rode kniebroek, blauw hesje, gele kousen, bruine schoenen en een rode muts.

Op een dag bevond hij zich midden in het bos zonder dat hij wist waar hij vandaan  kwam, noch wie zijn vader of moeder waren, ja, hij wist niet eens dat hij Duimelot heette.
Nadat hij een poosje oplettend om zich heen had gekeken, zei hij bij zichzelf: ‘Jij bent toch eigenlijk wel een vrolijk kereltje, je hebt ogen waarmee je zelfs de kleine vogeltjes daarboven in het nest kan zien; een neus die je de wonderbaarljke geur van de bosgrond laat reuken; een mond waarmee je kan proeven – en hij stopte er de laatste bosbessen in – en oren waarmee je horen kan hoe de vogels zingen’. Hij klapte in zijn handen en ging dieper het bos in.

De dennen spreidden hun groene takkenschermen over hem uit. Langzaam ging de zon als een rode vuurbal achter de bomen onder. Duimelot zag een vogeltje dat juist naar zijn nestje terugkeerde en zich daarin klaarmaakte voor de nacht. ‘Ieder vogeltje heeft een nest en ieder haasje een leger waarin het ’s nachts beschermd kan slapen. Ik heb zoiets niet.” Terwijl hij dit dacht, kwam hij precies langs een bosje waarvan de storm aan de ene kant akken afgebroken had, aan de andere kant echter lagen de takken tot op de grond gebogen. Een beter onderkomen voor de nacht zou hij wel niet kunnen hebben vinden! Dus zocht hij blaadjes en gras en maakte onder het groene dek een bedje. Hij kreeg een lange droom, die ik nu niet ga vertellen en de volgende morgen had hij maar één gedachte: Ja, ik wil waar gaan naar waar ik iets goeds kan  doen.’

Vanaf het eerste verhaaltje hielden de kinderen van Duimelot.

Tenslotte had hij ons toch maar de D van het bladerdak geschonken.

Maar hoe zou het verdergaan? Om de twee of drie dagen zou het verhaaltje moeten leiden tot een verinnerlijkt beeld, zo mogelijk tot een uitgebreide bordtekening, deze weer tot een voorwerp of een levend wezen – dat ons een bepaalde letter zou schenken.

Zo ontmoette Duimelot eens een verhalenverteller, die huilend op een boomstronk zat, omdat niemand meer naar zijn verhalen wilde luisteren. Duimelot en de kinderen natuurlijk wel. Op deze manier kregen we de B uit het sprookje van Grimm: ‘Het winterkoninkje en de beer’; uit het Herdersjongetje de K (koning) en de H (herder).
De kunstgreep van een verhaal in een verhaal lukte weliswaar, maar de kinderen vroegen toch weer naar Duimelot en hoe het nu verder ging met hem.

De volgende schrijfperiode viel in de adventstijd en was een ‘klinkerperiode’. Omdat klinkers heel anders gebracht worden dan medeklinkers (hier: engelen uit de hemel kwamen over de hemelsbrug naar de mensen toe en brachten hun zeven waardevolle geschenken), moest Duimelot met zijn avonturen nog even wachten. De klinkerperiode – geheel gedragen door de adventsstemming – werd heel mooi en toch bleven de kinderen maar vragen wanneer Duimelot nou weer terugkwam. Ondanks dat ze hem nog maar kort kenden, leefde hij zo in de kinderen, dat hij zelfs op ons carnaval kwam.

In de derde schrijfperiode was hij uiteindelijk zo levendig aanwezig dat zijn geschiedenis als vanzelf verteld kon worden. Nadat hij afscheid genomen had van de verhalenverteller, marcheerde hij tot aan de rand van het grote bos. Er was een hevige storm losgebarsten die aan de bomen rukte en op een aan de bosrand gelegen meer wild dansende golven veroorzaakte. Midden op het meer schommelde een bootje met daarin de koningszoon en dat dreigde ieder ogenblik om te slaan. Duimelot riep alle goede geesten van de aarde, het water en de lucht op om te helpen en meteen dook er een grote groene vis omhoog die een aan het scheepje hangend touw greep en het met zijn bek naar de reddende oever sleepte.
De golven (Duits: Wellen) hadden ons de W geschonken, de vis (Duits: Fisch) de F.

Na een lange zwerftocht kwam Duimelot in een berglandschap. Daar waren kristalbergen en grotten vol met glanzend goud. Plotseling voelde hij dat de grond onder zijn voeten beefde; toen hij naderbij kwam bemerkte hij een reus die op een dermate manier tierde en schold dat de aarde ervan schudde. Hij schold op een lijkwit dwergje dat hij ervan beschuldigde zijn noten te hebben gestolen. ‘Nee,’ zei het op een steen knielende dwergje met een bevend stemmetje: ‘Ik heb dat niet gedaan, maar onze vriend daarboven,’ en hij wees met een gestrekte arm naar een eekhoorntje. De reus geloofde hem niet en wilde hem net pakken of Duimelot riep de goede geesten te hulp. Een adelaar die juist hoog in de lucht cirkelde, dook naar beneden, greep het mannetje en bracht het naar zijn kabouterhol. Duimelot had zulke goede ogen dat hij kon zien waar de adelaar de dwerg afzette en toen hij daar aankwam, vond hij de ingang van een grot die glansde van goud, waarin het dwergje geriefelijk woonde. Met een feestmaal  van gierstebrij en bessensaus bedankte de dwerg onze Duimelot.
In dit verhaal schonk de reus ons de R, het dwergje (Duits: Zwerglein) de Z en de grot de G.

Duimelot vervolgde zijn weg. Weldra werd het nacht en hij had nog geen onderkomen. Toen zag hij in de verte een zwak lichtje. Toen hij dichterbij kwam, bemerkte hij een slang met een kroon van goud op zijn kop. ‘Een mooie goedenavond, lieve vrouw koningin slang. Kunt u mij helpen aan een onderkomen voor de nacht?’ ‘O, dat kan ik wel’, antwoordde de slang, ’niet ver hier vandaan bevindt zich een slot. Wanneer je driemaal op de ijzeren deur klopt, zal deze vanzelf opengaan. Loop dan door alle zalen. In de twaalfde mag je op bed gaan liggen en uitrusten.’
‘Maar hoe vind ik dat slot? Het is toch al donker.’ De slang leek hem te gebaren: ‘Je moet je omdraaien.’ Toen gleed ze geruisloos weg. Toen Duimelot zich omdraaide, zag hij een lichtende gestalte die een kandelaar met een kaars droeg, die hem voorging tot aan de poort van het slot. Alles gebeurde, zoals de slang hem had gezegd.
De slang (Duits: Natter) schonk ons natuurlijk de N; de kandelaar (Duits: Leuchter) de L en de poort (Duits Tor) de T.

Om de laatste schrijfperiode van dit schooljaar voor te bereiden, ontmoette Duimelot de volgende morgen nog de oude koning, die ziek en verdrietig op zijn gouden troon zat in de troonzaal. Duimelot vroeg hem, waarom hij zo verdrietig en ziek was. Toen vertelde de oude koning hem dat niemand hem meer kon helpen. Hij leed aan een ziekte die hem als een innerlijk vuur verteerde. Alleen wanneer iemand erin zou slagen hem iets van de aardekracht, de luchtkracht en de kracht uit de bron van het levenswater te brengen, kon hij genezen.
Zo bracht ons het volgende verhaal de P van paddenstoel, de V van vogel en de Q van bron (Duits Quelle).

Duimelot is door zijn goede daden verlost – hij was een koningszoon – hij hoorde van de oude koning wie zijn ouders waren en is op een zeilschip S (Duits: Seegelschiff) over het grote water in het rijk van zijn ouders naar huis teruggekeerd.

Sieglinde Fischer, Erziehubgskunst jrg.52 nr.1 jan.1988

.

Grimm: ‘Het winterkoninkje en de beer’(102);
het Herdersjongejte (152)

periode-onderwijs

Rudolf Steiner over schrijven en lezen  m.n. 3 en 5

1e: schrijven en lezen: alle artikelen

1e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas – letterbeelden

.

1096

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – vrijeschoolpedagogie.com

.

Deze blog is vanaf nu te bereiken met

vrijeschoolpedagogie.com

 

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament ( 33)

.

ROMEINS SOLDAAT; GEVANGENIS

leven O.T. 149

1. Romeins soldaat.
De kledij van een soldaat bestaat uit: 1. tunica militaris, een wollen hemd met korte mouwen, 2. een sagum, sagulum, een wollen mantel, die tot de knie reikt en op de rechterschouder met een gesp (fibula) werd vastgemaakt, 3. een cingulum militare, een gordel (a). Van zijn wapenen: 4. de helm van de infanterie (6), 5. een scutum, een langwerpig schild (c), uit hout vervaardigd, met leer overtrokken en metaalbeslag. Het werd aan de linkerarm gedragen; bovendien droeg de legioensoldaat een harnas met metalen platen voor borst en rug, of ook wel een soort maliënkolder. — Tot de wapens van de aanval behoorden: de gladius, het korte, rechte tweesnijdende zwaard (d) dat meer tot steken dan tot houwen diende en was bevestigd of aan een bandelier, die over de linkerschouder liep, of aan de gordel; de werpspies (e) (pilum) 2 m. lang met een houten schacht en een buigzaam, ijzeren, spits-toelopend gedeelte.

leven O.T. 150

2. Centurio (naar een grafteekening).
De centuriones (in de Statenvertaling „hoofdman over honderd”) hadden een helm en een harnas van een beter soort en met meer versieringen. De centuriones zijn van gemeen soldaat door moed en trouw in het leger opgeklommen en door de veldheer tot officier bevorderd.

leven O.T. 151

3. Carcer Mamertinus.
Een oude Romeinse gevangenis „een kerker, die uitgehouwen in de Tarpeïsche rots ter zijde van het Kapitool, een oeroude historische vermaardheid bezit niet enkel om de staatsgevangenen Jugurtha, Catilina en Vercingetorix, die er doodhongerden, maar ook om zijn gruwzame ondoordringbaarheid. De Romeinse schrijver Sallustius rilde van de duisternis en de stank, die daar heersten, als hij er maar aan dacht. Nog kunnen we heden naar dat lugubere oord van meterdikke basaltmuren (a) afdalen. ’t Zijn twee verdiepingen. Met hun zwarte lage welving dreigen de zwetende muren angstig boven ons hoofd; geen spleet liet eertijds het licht door. Een ronde opening (b) in de vloer van de bovenste kerker was de enige toegang tot de half-verdronken kelder beneden, en hierdoor werden de ongelukkigen tussen ’t ongedierte en de schenkels hunner voorgangers neergelaten” (B. H, Molkenboer). Deze gevangenis wordt door de traditie aangewezen als de kerker van Petrus en Paulus in Rome. Het relief vertoont de apostelen; links om de zuil zijn martelwerktuigen (c); daarbeneden een putje (d) door bronwater gevoed; de inscriptie (e) verhaalt hoe de gevangenbewaarders bekeerd werden.
Reeds in het oude Jeruzalem deed een onderaards gewelf (Jer. 37 : 16) of een slijkerige cisterne (Jer. 38 : 6) als gevangenis dienst [daarnaast ook wel een lokaal aan de noordelijke poort van het binnenste voorhof van de tempel, Jer. 20 : 2; of het voorhof van het paleis van de koning, waar de wacht verblijf hield, Jer. 32 : 2].

leven O.T. 152

4. Gesel.
De Romeinse geesel bestond uit enkele lederen riemen, die aan een stok verbonden en aan het einde van kleine stukjes zink of ijzer voorzien waren. De straf werd verzwaard door de gebogen houding van de gestrafte, die tot op de gordel ontbloot was. Het aantal slagen was in het Joodse recht 40 min 1; (2 Cor. 11 : 24) hetzij om het getal 40 niet te overschrijden; hetzij dat men met de 3 riemen 13 slagen gaf (dus 13 X 3).

.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

.

1095

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kleuterklas – herfst (2-3)

.

HERFST MET DE KLEUTERS

Dankzij de harmonie en het ritme in de kosmos kan het heelal bestaan. Als we
on-ritmisch worden, worden we ziek. Voelen we het ritme niet, dan hebben we geen tijd meer, de tijd heeft ons, we hebben het te druk. Het gaat om het juiste ritme van de dag, het jaar, het leven.

Daarom is het zo fijn dat we hier vier jaargetijden hebben. Lente, zomer, herfst en winter. De zomer is nog maar net voorbij, het is najaar. Opeens voel je op een ochtends de zomer is voorbij, het is herfst geworden. Door de jaren heen heb ik gehoord dat de meeste mensen niet van de herfst houden. Er is zo’n spreekwoord? “Als de blaadjes vallen ….” ’t Wordt koud, nat en donkerder en toch ….

Zo mooi is het park in de herfst, nevelig, nevelvrouwen boven de vijvers, het zonlicht getemperd tot gouden schijn, je moet de sfeer proeven en ruiken. Niet in de stad natuurlijk, maar buiten in het park of bos, ook wel in een tuin, hoewel deze er soms wat melancholisch uit kan zien. Prachtig de herfstbladeren met hun warme kleuren en toch zo doorzichtig, anders doorzichtig dan in de lente. Vruchten overal. Overal oogst die binnen gehaald wordt … wat is onze oogst?

De vruchten aan de bomen soms verrassend tussen de bladeren. We hebben in de klas St.-Michaël gevierd, vroeger ’t boerenfeest van de oogst… Heerlijk zoet waren de druiven als laatste zomergroet van de zon, peren, noten, appels. Wat kun ja niet allemaal doen met zo’n appel! Snij je die in dunne plakjes en houd je ze tegen het licht, je ziet de bloem, en de gaatjes van de pitten zijn een ster. Dwars doormidden een hart. Dan kan het nog een “toverappel” worden of een paddenstoel, ja, noem maar op wat zo’n appel niet kan in de kleuterklas.

Dennenappels zijn ook fijn en veel mee te doen. Vrouwtjes, bomen, herfstvogels. De zaden van de dennenappel die zo mooi naar beneden dwarrelen, daarna maken we ze van papier, dat we mooi kleuren, “dwarrelaars”.Verzamelen van kastanjes en eikels. Van alles wat we bijeen zoeken maken we een grote herfsttuin. En alle kinderen maken op een papieren schaaltje ieder voor zichzelf ook een mooi herfsttuintje.

Het lopen door de afgevallen bladeren! Straks zijn ze droog en ritselen ze zo leuk.

Nu kijken we dóór de afgevallen bladeren, zijn ze licht? Schijnt ’t licht er nog door of zijn ze al donker? Van de bladeren die we drogen, maken we een mooi schilderij tussen broodpapier.

Michaëlssprookjes vertellen van de overwinning door moed. De draken worden overwonnen. Eindeloos kan gespeeld worden van de kippen en van Prins Herfst. Vliegeren is ook fijn in de herfst.

In november is de oogst binnen. Wolken jagen door de lucht, het stormt, de bomen zijn kaal, het wordt St-Maarten! Op 11 november vieren we het feest van St.-Maarten. Was er in de zomer veel licht van buiten, nu moet het van binnen gaan schijnen. Uit de donkere aarde halen we de knolraap, suikerbiet of wortel en maken daar ruimte in om het licht te laten schijnen in de duisternis. Je gaat van buiten naar een huis toe. Buiten in de storm moet je het lichtje van de lantaren hoeden. Héél vroeger offerden we aan de Goden na de oogst. De arme mensen gingen met hun lantaren langs de boeren om ook iets van de oogst te krijgen voor de lange koude winter. Veel liedjes zijn daarvan overgeleverd.

Er wordt nog St.-Maarten gevierd in verschillende streken van ons land. In de kleuterklas komen meestal de ouders helpen de wortelen of knollen uit te hollen’. Dat worden dan ware kunststukken] Een echt vóórfeest met de ouders, en kinderen. Op Sint-Maarten lopen we met de lichtjes en zingen sintaartenliedjes. Sint-Maarten schenkt de bedelaar de helft van zijn mantel.- Iets van jezelf schenken aan de ander is niet altijd vanzelfsprekend. Het is een wilsdaad.

Veel kleuters verheugen zich erop om met de “grote” kinderen van de school ook nog in ’t donker door het Vondelpark te lopen met hun eigen lichtjes. Dat is een beleven, ’n lichtje in je lantaren en vele lichtjes om je heen.

H.Sweers-van Woggelum, Geert Grooteschool Amsterdam, nov.1974

.

[1-1] Jaarfeesten door het jaar
[1-2] Jaarfeesten door het jaar -peuter/kleuterklas
[2-1] Herfst met peuters
[2-2] Herfst: oogstfeest (dorsen, malen, bakken)
[2-3] Herfst met kleuters

[3-1] Michael (20)
[3-2] Michaël (29)

jaarfeesten: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: peuters/kleuters

 

1094

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaargetijden – herfst (2)

 

Wilde vruchten in bossen en langs wegen

Aan het eind van de zomer rijpen de vruchten. Als we daar in de komende winter van willen genieten, moeten we nu actief worden. Allerlei soorten sap en jam kunnen we maken.
Een aantal suggesties.

Het is alweer bijna afgelopen. September, toch vaak nog zulk prachtig weer brengend, is de herfstmaand, de maand van Michaël die ons al groot en ernstig staat op te wachten om de wintermaanden tegemoet te gaan. We moeten weer bij ons zelf terugkomen na een zomer van laat maar waaien en vakantie vieren.

Voor stadsmensen is dat moeilijker, buitenmensen hebben in juli al de weilanden gemaaid en het hooi opgeslagen en augustus- oogstmaand brengt zeker veel werk met zich mee. Het koren moet gebonden en op schoven gezet vóór het onweer losbarst. Wie de afscheidsgaven van de zomer niet op een landje heeft staan moet nu zoeken en verzamelen. Bramen, natuurlijk, en bosbessen, maar er zijn nog veel meer wilde vruchten waar we ons mee kunnen wapenen vóór de winter komt.

Ik noem er hier een aantal met wat suggesties voor de verwerking. Wat het zoeken en plukken betreft, een goede flora is wel belangrijk want er is veel giftigs tussen al dat rode en zwarte schoons.

Amerikaanse Vogelkers (Prunus Serotina). In bossen. Rauw zijn de vruchten zoet maar bitter, gekookt zijn ze pas écht lekker. Bijvoor­beeld voor gelei.

Lijsterbes (Sorbus aucuparial). In bossen en langs wegen. Niet rauw eten, niet echt giftig maar wel sterk laxerend. Voor gelei.

Wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia)

Meidoorn (Crataegus spec.). Bossen, hagen en duinen. Vooral geschikt om samen met andere vruchten tot gelei verwerkt te wor­den. Pluk ze niet overrijp dan bevatten ze veel geleermiddel.

Mispel (Mespilus germanica). In bossen en heggen, vooral in het zuiden van ons land, verder in tuinen. Rauw lekker als ze goed rijp zijn, gepoft als appels in de oven ook heerlijk.

Rijpe mispels

Wilde Appel (Malus Sylvestris). In bossen en langs wegen. Rauw niet lekker, gepoft met veel zoetigheid wel. Als geleermiddel in gelei heel waardevol.

Malus sylvestris fruit, Vosseslag.jpg

Zwarte Vlier (Sambucus Nigra). In bossen, heggen, duinen etc. Verwar nooit zwarte vlier met kruidvlier die giftig is. De eerste heeft houtige stengels en de tweede groene kruidachtige. Voor sap en gelei.

 

kruidvlier:Attich.jpg

Beuk (Fagus Sylvatica L). In parken en bos­sen. Rauw zijn beukennootjes een klein beetje giftig, niet al te veel zo eten. Geroosterd zijn ze prima consumeerbaar, het meel kan tot brood gebakken worden, als je dóór blijft ma­len krijg je beukennootjespasta.

Beuk (boom)

Hazelaar (Corylus avellana). In parken en bossen. Rauw lekker, geroosterd of in brood of taart heerlijk.

gevlochten strpVoor wie bezwaar heeft tegen veel suiker en toch echte gelei wil is het leuk om te weten dat Agar-agar (Kanten) een goed bindmiddel is voor gelei. Gebruik dan potten met twist off-deksels en zet die na het vullen en dichtdraaien omgekeerd weg. Zo blijft het allemaal best goed tot het volgende jaar.

 

 

In de bibliotheek zijn  nog wel boeken waar meer bekend en onbekend zoek- en vindbaar lekkers in staat. Een heel leuk en betaalbaar boekje vond ik ‘Eetbare  wilde vruchten, zaden en noten, door Erik en Marian de Graaf uit de serie Ecologische Alternatieven van de Kleine Aarde.

 

En dan nog voor wie op z’n speurtochten naar bovenstaande vruchten langs een verlaat korenveld loopt: probeer van de boer wat tarwe of haverstro los te krijgen. Want ook dat hoort bij deze tijd, vlechten met goudgeel stro. Er zijn natuurlijk heel ingewikkelde dingen te doen met stro maar het is ontspannend om er gewoon lange vlechten van te maken. Daar kun je dan verder mee werken. Maak er kransen van, en harten, sterren en zonnen en hang ze dan op boven de eettafel om dank te zeggen aan een zomer die misschien niet ideaal was maar toch weer goed voor ons heeft gezorgd.

 

Nikole Karrèr, Jonas 1, 31-08-1984

 

Over vruchten

Jaarfeesten: jaargetijden en seizoenen

 

1093

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

.

.