VRIJESCHOOL – 1e klas – schrijven (2-9)

.

Vervolg op dit artikel waarmee het 1 geheel vormt.
De schrijver gaat in op het verschil klinker-medeklinker. Hij neemt een sprookje om de kinderen verschillende beelden te geven waaruit de medeklinkers worden ontwikkeld.
Voor de klinkers vertelt hij een heel ander verhaal – zelf bedacht – om de sfeer te creëren waarin of waaruit de klinkers stammen.
Vaak zie je in dit soort verhalen dat er gekozen wordt voor de geestelijke wereld: de engelen worden te hulp geroepen. Dat kan op zich heel mooi en beeldend zijn, maar draagt ook het gevaar in zich dat het geheel ‘te zoet, te heilig’ wordt en daarmee vaak te onecht.
Een ander probleem dat nauwelijks gezien wordt is, dat je zelf overtuigd moet zijn van de realiteit van deze wereld, wil je erover kunnen vertellen. Anders wordt het een (vrijeschool?)maniertje en met het maniertje komt dan steeds meer de realiteit van deze geestelijke wereld in de ‘één-pot-nat’- verhalendoos – hetzelfde geldt voor het gebruik van de elementairwereld.
De schrijver maakkt m.i. een te overdreven onderscheid tussen de wereld van de klinkers en de medeklinkers. Hij stelt de laatste toch in een soort negatief daglicht, wat volgens mij niet op werkelijkheid berust: er kan hier geen sprake zijn van positief en negatief en vermeden moet worden dat dit gevoel op kinderen wordt overgebracht.
De tekst in blauw en de verwijzingen zijn van mij.

Met het oog hierop – zie dus het slot van het eerste deel van het artike– vertelde ik de kinderen op de eerste schooldag een klein verhaal, natuurlijk aangepast aan hun bevattingsvermogen. Hier in het kort weergegeven: Er was eens een tweeling, een jongen en een meisje die nog kleiner waren dan jullie (de schoolkinderen!), want zij gingen nog niet naar school. Ze waren er maar al te graag naar toe gegaan, want ze zagen steeds weer hoe hun ouders lazen of rekenden; moeder breide of naaide, oudere broertjes of zusjes hun huiswerk maakten, tekenden enz. en dat hadden ze ook zo graag gekund.
Daar kwam op een avond, toen ze al tot hun beschermengel hadden gebeden en in hun bed lagen, deze bij hen en hij zei dat hij hen wilde helpen; ze moesten er echter een lange reis voor maken, terug naar de hemel, vanwaar zij gekomen waren. Toen nam hij ze in zijn armen en vloog hoog, hoog, voorbij maan en sterren tot in de hemel. Daar werden ze in prachtige ruimtes gebracht. In de eerste zag je meteen prachtige platen en vormen op de muur en die leefden en bewogen zich enz. en toen kwamen die naar hen toe, zweefden en dansten in een wonderbaarlijke rij en ze zongen hemelse liederen. Dat waren echter, zoals de engel zei, nog ongeboren kinderzielen die nog geboren moesten worden op aarde! De kinderen daarentegen vatten moed en pakten hen bij de hand, liepen met hen mee in de maat en op het ritme en bewogen hun armen zoals zij; ja, ze konden ook de liederen meezingen toen ze het probeerden. Glimlachend leidde de engel hen in een andere kamer waar de mooiste verhalen op de muur te lezen waren met gouden letters die vanzelf bij elkaar gingen staan als je iets wilde lezen, want dat konden de kinderen nu en als ze maar hun hand ophieven , konden ze met hun vinger al alle letters in de lucht en op de muur schrijven of de mooiste figuren tekenen en de meest bonte kleuren maken. En ze konden de dansende engeltjes en de fonkelende sterren buiten tellen en hun aantallen uitrekenen als er dan eens verdwenen of erbij kwamen, zich verdeelden en weer bij elkaar kwamen enz. En ze waren erg gelukkig dat ze het allemaal zo snel begrepen en toen de engel ze weer aanspoorde om terug te gaan, waren ze blij om alles wat ze gezien en geleerd hadden aan hun ouders te kunnen vertellen en te laten zien.
Op de lange weg naar huis werden ze echter zo moe, dat ze in de armen van de engel in slaap vielen en pas wakker werden toen de zon in hun bed scheen en moeder hen wakker maakte. Ze sprongen er snel uit, maakten zich klaar en wilden hun ouders vertellen en vooral laten zien wat ze in de hemel geleerd hadden – maar, ach heden! – daar waren ze op de terugweg zowat het meeste vergeten en schrijven en lezen en rekenen konden ze niet meer zoals toen. Vader troostte ze, toen ze moesten huilen en hij zei: ‘Dat geeft helemaal niets, jullie hebben het nu een keer gezien en gekund en nu gaan jullie weldra naar school en daar zullen jullie alles weer leren en je ook herinneren wat je nu bent vergeten en dan zullen jullie het nog veel beter kunnen en ook niet meer vergeten zolang je leeft!’ –

Vanuit deze stemming probeerde ik daarna het eerste onderwijs vorm te geven; uitgaande van de aanwijzingen van Dr.Steiner, te beginnen met schilderen, d.w.z. eenvoudige kleurbelevingen met primaire kleuren in tegenstellingen en verbindingen, kleine dramatische voorvallen, vriendelijke of ruzie-achtige enz. uiteindelijk ook bij gelegenheid in voorstellingen n.a.v. sprookjes en verhalen, niet zozeer als illustratie, maar meer de stemming weergevend.

Waren zo – als grenslijnen tussen de verschillende kleuren – de eerste vormen en lijnen ontstaan, kon ook met het eerste tekenen ( met kleurpotloden) begonnen worden met de simpelste lijnen, rechte en ronde, open en gesloten, zich herhalend, elkaar kruisend, aanvullend enz in vrije levendige vormen – zonder het schoolmeesterachtige natekenen van voorwerpen – zo de kinderen de eerste beleving van vorm gevend. Ondersteund en beter begrepen werden deze door het voor-tekenen van de lijnen met de hand – ook eens een keer met de voet of het hoofd – in de lucht, nadoen met de armen, ze lopen met de voeten enz. Ook hier weer bij gelegeneheid de terechte poging figuren en onderwerpen uit sprookjes enz. te verbeelden, zoals bijv. de heilige Nicolaas of zon, maan en sterren aan de hemel, het kribje met Maria en Jozef, de engel, enz, waarbij toch de kleur het belangrijkste was!
Aan de graagte om vormen direct te beleven door aanraken en beetpakken werd tegemoetgekomen in het boetseren met was of plasticine, waarbij bijv. menselijke gestalten dikwijls karakteristiek gelijkende vormen, al naar gelang het temperament, tevoorschijn kwamen!

Met dit alles was de overgang naar de eerste schrijfpogingen tot stand gekomen die met de grote Latijnse letters beginnen, als de laatste – ach, die zo gevoelloze en levenloze nakomelingen van het oude zinvol-levendige beeldenschrift van een mensheid met fantasie begaafd  (hiërogliefen uit Egypte!).
Wij begonnen met de klinkers, de zuiverste uitdrukkingsklanken van het menselijk zielenleven en we werden daarbij geholpen en begeleid door de euritmiebewegingen, het echte schrift van de ziel! We hieven de armen en strekten ze in een hoek als om iets moois te bewonderen en tekenden onszelf op het bord, ongeveer zo:
A 6of van opzij A 7
A 8 of naar beneden en kwamen zo, een ‘ah!’ sprekend, tot de letter A 9

 

 

 

 

.

 

.

 

We knielden – met de herinnering aan de heldere glans in de hemel – eerbiedig en beschroomd, in ernstige aanbidding voor het kind Gods, en we strekten de zich kruisende armen en handen een beetje afwerend, dit beeld navoelend:

E 4

 

 

en kwamen zo tot de
E 5 waaruit dan later de scherpe

E 6

 

 

 

ontstond.

.
We juichten van vreugde en geluk met onze kleine vrienden waarbij we ons helemaal in het licht voelden, ja zelf een klein lichtje, een kaarsje op het altaar van de eeuwigheid, waarbij vrolijk verbaasd

I 5
klonk:

I 8of met plezier op iets wijzend met een krachtig Ik-gevoel 
I 6

 

 

 

en we hadden de

I 5

enigzins verwarrend is deze lettervorm die zich hier voordoet als J (jee) i.p.v. I (ie) 

We maakten een rond gebaar naar het verdwijnende licht; wanneer we met een vertederende blik naar een mooie bloem keken of naar een lieve vriend en de armen, zelfs onze mond tot maakten :

O 4

 

 

Ten slotte hieven we de armen, in duisternis levend, verdrietig heimwee hebbend, pijn hebbend of met veel eerbied de armen van onder naar boven:

U 3

 

Of we kwamen uit een diepe afgrond waar we wegkwijnden met een violette via een roze O, een mooie licht-tere blauwe  bij een hoopvolle groene en vonden uiteindelijk ons verlangen bevredigd in een heldere gele I.

Hoe anders zijn de medeklinkers!
Daarin leeft niet meer de luidruchtige vreugde of de stille smart van de mensenziel, zoals in de vocalen; daarin leeft enkel alleen ongearticuleerd geluid, zielloos, [1] zonder klank en stem, zoals botten en pezen alleen ondersteunen het warme innerlijke leven: daar nog een stukje hemel met de muziek; hier het rumoer van de aardse, onderaardse machten –
‘Beenderen en dierskelet’ [2]

De vocalen, dat leerde ons de beleving, die leren wij in heel hun schoonheid en zuiverheid eigenlijk alleen maar in de hemel kennen, de consonanten daarentegen met hun harde, zij het ook karakteristieke lelijkheid op aarde, ja onder de aarde in de hel, bij de duivel!
Ook naar hem gingen we op weg; want hij is heel slim en geestig, zelfs geleerd en knap soms, en wanneer het lukt, moedig tot hem door te dringen ( zoals de jonge molenaarszoon in het sprookje ‘De drie gouden haren van de duivel’ [3] die de drie gouden haren van zijn hoofd haalt! en vele andere), die kan, wanneer hij zijn ogen en in ’t bijzonder zijn oren gebruikt, deemoedig, stil en wakkeer zoals de mieren, veel van hem leren, wat hem geluk brengt in de wereld.
Wij leerden zelfs – met de molenaarszoon! – de medeklinkers door hem kennen. Want toen deze op de terugweg bij de bron waaruit volgens zijn raad weer edele wijn zou vloeien, zag hij in het stromen ervan van schaal naar schaal: [4]

B 5

de

B 6

 

 

 

en net zo zag hij in de appelboom die weer gouden appels droeg

B 7 de en ook nog vele dieren en natuurwezens zoals de beer, de bij, bloem en berg enz.

 

 

 

.

In de ronde maan met zijn vriendelijke brede mond

M 2

 

zoals uiteindelijk in elke menselijke mond, zien we – zoemend en neuriënd!  de

M 3

 

 

 

 

.

in iedere dennenboom 
T 3

 

 

(Duits: Tanne)  een

T 4

 

 

 

 

.

in ieder huis

H 3

 

 

 

de

H 4

 

 

 

 

.

in ieder dak

D 6

 

de

D 7

 

 

 

 

.

Een trotse prins die vol verachting P-h, P-h (een soort afkeuring) sprak

P 2  was eigenlijk maar een

 

P 3

 

 

 

 

 

.

een koning met de scepter:
K 6

 

 

een:
K 7

 

 

 

.

.

de slang bracht de vorm van de
S 5

 

 

 

.

.

De trouwe Johannes uit het sprookje [5] keek vanaaf het schip naar de golven

W 2

 

de W:
W 3

 

 

 

.

in iedere vis (Duits: Fisch):

F 3

 

 

 

 

de F:
F 4

 

 

 

 

.

in iedere vogel:

V 1

 

 

de:

V 2

 

 

 

 

 

.

Hij zelf echter, aan het roer staande

R 1

 

 

 

 

vormde de:

R 2

 

 

 

 

.

Overal was het verbeeldende leven.

.

 

Rudolf Treichler, Mitteilungen jrg. 1926/27 nr 5, febr. 1927

.

In het volledige artikel volgt hierna iets over het rekenen

[1] Zoals in mijn inleiding al opgemerkt: de medeklinkers zijn niet zielloos: je kunt er o.a. veel antipathie (als één van de twee componenten van de ziel!) mee uitdrukken.

[2] Uit Goethes Faust

[3] Grimm: Sprookje 29

[4] Wat de schrijver hier precies wil, is niet zo duidelijk.

[5] Grimm: sprookje 6

.

1e klas – schrijven: alle artikelen 

Rudolf Steiner over: schrijven en lezen

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas: alle letterbeelden

 

1086

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

3 Reacties op “VRIJESCHOOL – 1e klas – schrijven (2-9)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – Schrijven en lezen – alle artikelen | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: VRIJESCHOOL – 1e klas – rekenen (12) | VRIJESCHOOL

  3. Pingback: VRIJESCHOOL – 1e klas – achtergronden | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.