Tagarchief: medeklinkeer

VRIJESCHOOL – 1e klas – schrijven (2-9)

.

Vervolg op dit artikel waarmee het 1 geheel vormt.
De schrijver gaat in op het verschil klinker-medeklinker. Hij neemt een sprookje om de kinderen verschillende beelden te geven waaruit de medeklinkers worden ontwikkeld.
Voor de klinkers vertelt hij een heel ander verhaal – zelf bedacht – om de sfeer te creëren waarin of waaruit de klinkers stammen.
Vaak zie je in dit soort verhalen dat er gekozen wordt voor de geestelijke wereld: de engelen worden te hulp geroepen. Dat kan op zich heel mooi en beeldend zijn, maar draagt ook het gevaar in zich dat het geheel ‘te zoet, te heilig’ wordt en daarmee vaak te onecht.
Een ander probleem dat nauwelijks gezien wordt is, dat je zelf overtuigd moet zijn van de realiteit van deze wereld, wil je erover kunnen vertellen. Anders wordt het een (vrijeschool?)maniertje en met het maniertje komt dan steeds meer de realiteit van deze geestelijke wereld in de ‘één-pot-nat’- verhalendoos – hetzelfde geldt voor het gebruik van de elementairwereld.
De schrijver maakt m.i. een te overdreven onderscheid tussen de wereld van de klinkers en de medeklinkers. Hij stelt de laatste toch in een soort negatief daglicht, wat volgens mij niet op werkelijkheid berust: er kan hier geen sprake zijn van positief en negatief en vermeden moet worden dat dit gevoel op kinderen wordt overgebracht.
De tekst in blauw en de verwijzingen zijn van mij.

Met het oog hierop – zie dus het slot van het eerste deel van het artike– vertelde ik de kinderen op de eerste schooldag een klein verhaal, natuurlijk aangepast aan hun bevattingsvermogen. Hier in het kort weergegeven: Er was eens een tweeling, een jongen en een meisje die nog kleiner waren dan jullie (de schoolkinderen!), want zij gingen nog niet naar school. Ze waren er maar al te graag naar toe gegaan, want ze zagen steeds weer hoe hun ouders lazen of rekenden; moeder breide of naaide, oudere broertjes of zusjes hun huiswerk maakten, tekenden enz. en dat hadden ze ook zo graag gekund.
Daar kwam op een avond, toen ze al tot hun beschermengel hadden gebeden en in hun bed lagen, deze bij hen en hij zei dat hij hen wilde helpen; ze moesten er echter een lange reis voor maken, terug naar de hemel, vanwaar zij gekomen waren. Toen nam hij ze in zijn armen en vloog hoog, hoog, voorbij maan en sterren tot in de hemel. Daar werden ze in prachtige ruimtes gebracht. In de eerste zag je meteen prachtige platen en vormen op de muur en die leefden en bewogen zich enz. en toen kwamen die naar hen toe, zweefden en dansten in een wonderbaarlijke rij en ze zongen hemelse liederen. Dat waren echter, zoals de engel zei, nog ongeboren kinderzielen die nog geboren moesten worden op aarde! De kinderen daarentegen vatten moed en pakten hen bij de hand, liepen met hen mee in de maat en op het ritme en bewogen hun armen zoals zij; ja, ze konden ook de liederen meezingen toen ze het probeerden. Glimlachend leidde de engel hen in een andere kamer waar de mooiste verhalen op de muur te lezen waren met gouden letters die vanzelf bij elkaar gingen staan als je iets wilde lezen, want dat konden de kinderen nu en als ze maar hun hand ophieven , konden ze met hun vinger al alle letters in de lucht en op de muur schrijven of de mooiste figuren tekenen en de meest bonte kleuren maken. En ze konden de dansende engeltjes en de fonkelende sterren buiten tellen en hun aantallen uitrekenen als er dan eens verdwenen of erbij kwamen, zich verdeelden en weer bij elkaar kwamen enz. En ze waren erg gelukkig dat ze het allemaal zo snel begrepen en toen de engel ze weer aanspoorde om terug te gaan, waren ze blij om alles wat ze gezien en geleerd hadden aan hun ouders te kunnen vertellen en te laten zien.
Op de lange weg naar huis werden ze echter zo moe, dat ze in de armen van de engel in slaap vielen en pas wakker werden toen de zon in hun bed scheen en moeder hen wakker maakte. Ze sprongen er snel uit, maakten zich klaar en wilden hun ouders vertellen en vooral laten zien wat ze in de hemel geleerd hadden – maar, ach heden! – daar waren ze op de terugweg zowat het meeste vergeten en schrijven en lezen en rekenen konden ze niet meer zoals toen. Vader troostte ze, toen ze moesten huilen en hij zei: ‘Dat geeft helemaal niets, jullie hebben het nu een keer gezien en gekund en nu gaan jullie weldra naar school en daar zullen jullie alles weer leren en je ook herinneren wat je nu bent vergeten en dan zullen jullie het nog veel beter kunnen en ook niet meer vergeten zolang je leeft!’ –

Vanuit deze stemming probeerde ik daarna het eerste onderwijs vorm te geven; uitgaande van de aanwijzingen van Dr.Steiner, te beginnen met schilderen, d.w.z. eenvoudige kleurbelevingen met primaire kleuren in tegenstellingen en verbindingen, kleine dramatische voorvallen, vriendelijke of ruzie-achtige enz. uiteindelijk ook bij gelegenheid in voorstellingen n.a.v. sprookjes en verhalen, niet zozeer als illustratie, maar meer de stemming weergevend.

Waren zo – als grenslijnen tussen de verschillende kleuren – de eerste vormen en lijnen ontstaan, kon ook met het eerste tekenen ( met kleurpotloden) begonnen worden met de simpelste lijnen, rechte en ronde, open en gesloten, zich herhalend, elkaar kruisend, aanvullend enz in vrije levendige vormen – zonder het schoolmeesterachtige natekenen van voorwerpen – zo de kinderen de eerste beleving van vorm gevend. Ondersteund en beter begrepen werden deze door het voor-tekenen van de lijnen met de hand – ook eens een keer met de voet of het hoofd – in de lucht, nadoen met de armen, ze lopen met de voeten enz. Ook hier weer bij gelegeneheid de terechte poging figuren en onderwerpen uit sprookjes enz. te verbeelden, zoals bijv. de heilige Nicolaas of zon, maan en sterren aan de hemel, het kribje met Maria en Jozef, de engel, enz, waarbij toch de kleur het belangrijkste was!
Aan de graagte om vormen direct te beleven door aanraken en beetpakken werd tegemoetgekomen in het boetseren met was of plasticine, waarbij bijv. menselijke gestalten dikwijls karakteristiek gelijkende vormen, al naar gelang het temperament, tevoorschijn kwamen!

Met dit alles was de overgang naar de eerste schrijfpogingen tot stand gekomen die met de grote Latijnse letters beginnen, als de laatste – ach, die zo gevoelloze en levenloze nakomelingen van het oude zinvol-levendige beeldenschrift van een mensheid met fantasie begaafd  (hiërogliefen uit Egypte!).
Wij begonnen met de klinkers, de zuiverste uitdrukkingsklanken van het menselijk zielenleven en we werden daarbij geholpen en begeleid door de euritmiebewegingen, het echte schrift van de ziel! We hieven de armen en strekten ze in een hoek als om iets moois te bewonderen en tekenden onszelf op het bord, ongeveer zo:
A 6of van opzij A 7
A 8 of naar beneden en kwamen zo, een ‘ah!’ sprekend, tot de letter A 9

 

 

 

 

.

 

.

 

We knielden – met de herinnering aan de heldere glans in de hemel – eerbiedig en beschroomd, in ernstige aanbidding voor het kind Gods, en we strekten de zich kruisende armen en handen een beetje afwerend, dit beeld navoelend:

E 4

 

 

en kwamen zo tot de
E 5 waaruit dan later de scherpe

E 6

 

 

 

ontstond.

.
We juichten van vreugde en geluk met onze kleine vrienden waarbij we ons helemaal in het licht voelden, ja zelf een klein lichtje, een kaarsje op het altaar van de eeuwigheid, waarbij vrolijk verbaasd

I 5
klonk:

I 8of met plezier op iets wijzend met een krachtig Ik-gevoel 
I 6

 

 

 

en we hadden de

I 5

enigzins verwarrend is deze lettervorm die zich hier voordoet als J (jee) i.p.v. I (ie) 

We maakten een rond gebaar naar het verdwijnende licht; wanneer we met een vertederende blik naar een mooie bloem keken of naar een lieve vriend en de armen, zelfs onze mond tot maakten :

O 4

 

 

Ten slotte hieven we de armen, in duisternis levend, verdrietig heimwee hebbend, pijn hebbend of met veel eerbied de armen van onder naar boven:

U 3

 

Of we kwamen uit een diepe afgrond waar we wegkwijnden met een violette via een roze O, een mooie licht-tere blauwe  bij een hoopvolle groene en vonden uiteindelijk ons verlangen bevredigd in een heldere gele I.

Hoe anders zijn de medeklinkers!
Daarin leeft niet meer de luidruchtige vreugde of de stille smart van de mensenziel, zoals in de vocalen; daarin leeft enkel alleen ongearticuleerd geluid, zielloos, [1] zonder klank en stem, zoals botten en pezen alleen ondersteunen het warme innerlijke leven: daar nog een stukje hemel met de muziek; hier het rumoer van de aardse, onderaardse machten –
‘Beenderen en dierskelet’ [2]

De vocalen, dat leerde ons de beleving, die leren wij in heel hun schoonheid en zuiverheid eigenlijk alleen maar in de hemel kennen, de consonanten daarentegen met hun harde, zij het ook karakteristieke lelijkheid op aarde, ja onder de aarde in de hel, bij de duivel!
Ook naar hem gingen we op weg; want hij is heel slim en geestig, zelfs geleerd en knap soms, en wanneer het lukt, moedig tot hem door te dringen ( zoals de jonge molenaarszoon in het sprookje ‘De drie gouden haren van de duivel’ [3] die de drie gouden haren van zijn hoofd haalt! en vele andere), die kan, wanneer hij zijn ogen en in ’t bijzonder zijn oren gebruikt, deemoedig, stil en wakkeer zoals de mieren, veel van hem leren, wat hem geluk brengt in de wereld.
Wij leerden zelfs – met de molenaarszoon! – de medeklinkers door hem kennen. Want toen deze op de terugweg bij de bron waaruit volgens zijn raad weer edele wijn zou vloeien, zag hij in het stromen ervan van schaal naar schaal: [4]

B 5

de

B 6

 

 

 

en net zo zag hij in de appelboom die weer gouden appels droeg

B 7 de en ook nog vele dieren en natuurwezens zoals de beer, de bij, bloem en berg enz.

 

 

 

.

In de ronde maan met zijn vriendelijke brede mond

M 2

 

zoals uiteindelijk in elke menselijke mond, zien we – zoemend en neuriënd!  de

M 3

 

 

 

 

.

in iedere dennenboom 
T 3

 

 

(Duits: Tanne)  een

T 4

 

 

 

 

.

in ieder huis

H 3

 

 

 

de

H 4

 

 

 

 

.

in ieder dak

D 6

 

de

D 7

 

 

 

 

.

Een trotse prins die vol verachting P-h, P-h (een soort afkeuring) sprak

P 2  was eigenlijk maar een

 

P 3

 

 

 

 

 

.

een koning met de scepter:
K 6

 

 

een:
K 7

 

 

 

.

.

de slang bracht de vorm van de
S 5

 

 

 

.

.

De trouwe Johannes uit het sprookje [5] keek vanaaf het schip naar de golven

W 2

 

de W:
W 3

 

 

 

.

in iedere vis (Duits: Fisch):

F 3

 

 

 

 

de F:
F 4

 

 

 

 

.

in iedere vogel:

V 1

 

 

de:

V 2

 

 

 

 

 

.

Hij zelf echter, aan het roer staande

R 1

 

 

 

 

vormde de:

R 2

 

 

 

 

.

Overal was het verbeeldende leven.

.

 

Rudolf Treichler, Mitteilungen jrg. 1926/27 nr 5, febr. 1927

.

In het volledige artikel volgt hierna iets over het rekenen

[1] Zoals in mijn inleiding al opgemerkt: de medeklinkers zijn niet zielloos: je kunt er o.a. veel antipathie (als één van de twee componenten van de ziel!) mee uitdrukken.

[2] Uit Goethes Faust

[3] Grimm: Sprookje 29

[4] Wat de schrijver hier precies wil, is niet zo duidelijk.

[5] Grimm: sprookje 6

.

1e klas – schrijven: alle artikelen 

Rudolf Steiner over: schrijven en lezen

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas: alle letterbeelden

 

1086

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over schrijven en lezen (3)

.
Onderstaand artikel is – zonder toestemming – in z’n geheel – je kunt dus van diefstal spreken – op een blog gezet dat suggereert van mij te zijn, maar het niet is.

.

Tekst in blauw van mij; in groen van Steiner; in zwart de vertaling daarvan. ‘Niet vertaald’ wil zeggen: er is geen officiële vertaling; deze vertaling is dan van mij. Verbetersuggesties welkom: pieterhawitvlietatgmailpuntcom
.

VERSCHIL KLINKER-MEDEKLINKER
Omdat het in Steiners pedagogische opvattingen steeds gaat over de opgroeiende mens en over wat leerstof aan dit opgroeien kan bijdragen, ligt het voor de hand dat juist die puur menselijke vermogens als muzikaliteit, kunstzinnigheid, fantasie – kortom wat dieren niet hebben – in het onderwijs veel aandacht verdienen. En inzicht in hun wezen. En vanuit zijn eigen inzichten – de antroposofie – belicht Steiner in diverse voordrachten ook het puur menselijke vermogen van het kunnen spreken.
Telkens zal hij weer karakteriseren. Vanuit verschillende invalshoeken het fenomeen beschouwen, zonder te snel met definities te komen.
Omdat we in het schrijven in zekere zin weergeven wat we spreken – gesproken zouden (willen) hebben – en bij het lezen dat geschreven gesprokene weer gaan uitspreken, ligt het voor de hand dat hij ingaat op het spreken, op het gebruik maken van spreek – spraakklanken.

Zelf ga ik graag uit van de drieledige mens als denkend, voelend en willend wezen, daarbij in dit verband de karakteristiek wakker, slapen en dromen gebruikend.
In het denken, aldus Steiner – en voor iedereen is de waarheid van die woorden te ervaren – is de mens het meest wakker, helder.
Voor wat in de gevoelswereld gebeurt, is dat al veel moeilijker te constateren. Lang niet altijd weten we de oorzaak van onze zielenroerselen; in dit gebied heerst veel meer ‘de schemering’ als we het wakkere denken ‘overdag’ zouden noemen. En wat de stofwisseling – het gebied van de wil – betreft: daarin hebben we geen enkel inzicht tijdens het leven dat we leiden: niemand heeft er weet van wat zich afspeelt in zijn spijsvertering op de ogenblikken dat hij intensief aan het werk is, met iets bezig is, maar ook niet wanneer hij volledig relaxt. Daar heerst ‘de nacht’. Daarvan zegt Steiner ‘Daar slapen we altijd’. En van onze ziel, ons gevoelsleven: ‘Daar slapen we ’s nachts, maar overdag manifesteert het zich als iets ‘dromends’. Een pendelen tussen wakker en slaap. Een voortdurend komen en gaan van gevoelens. Waar komen ze vandaan en waar gaan ze heen. In ieder geval: uit ons en de wereld in. Maar ook in de wereld gebeuren dingen die bij ons binnenkomen en daar een gevoel teweegbrengen. Vanuit deze optiek zijn de woorden van Steiner over de ziel als ‘een vermogen om de binnenwereld tot buitenwereld te maken en de buitenwereld tot binnenwereld’, eveneens ware woorden. Dit ‘in-uit’ is een van dè kenmerken van de ziel. En – ik moet hier bij het spreken blijven – we uiten! ons in het spreken. En we verinnerlijken onze gevoelens tot gedachten als we gaan nadenken, tot gezichtspunten komen, die we eerst beleven en in ons zelf formuleren, onder woorden brengen, vóór we ze werkelijk onder woorden brengen en de wereld in laten gaan. Dit ‘onder woorden brengen’ – mooie uitdrukking trouwens – doe ik hier, alsof ik tegen de lezer spreek, maar omdat die er niet is, vertrouw ik deze woorden toe aan dit digitale papier en hoop dat ze gelezen worden. Maar daarmee heb ik ze ook weer geuit.
Je voelt natuurlijk dat hier het ‘wakker-zijn’ op de voorgrond treedt.
Die is vrijwel afwezig wanneer ons iets overkomt.
Er gebeuren soms vreselijke dingen: rampen. Nu die tegenwoordig altijd wel door iemand gefilmd worden, moet je er eens op letten wat er geroepen wordt:
Ai – meestal aaaaaaa i; ook met de o; oei! met een langgerekte oe; neeeee, oooo.
Bij het vuurwerk zijn de aaahhh’s en oooooh’s niet van de lucht. ‘Wau’ met langgerekte au; zoooo heeeei.
We hebben hier te maken met de wereld van de klinkers.

Je kunt ook bijna tegenovergestelde uitingen horen:

Wanneer baasjes hond maar niet wil komen: kom hierrrrrrr! Of wanneer iets niet mag: nnnee, nnneee en nog eens nnnee! Of ssssssstt!
Of wanneer mensen een meningsverschil dreigen te krijgen: het volume van de stem neemt toe, maar het gebruik van de medeklinkers wordt scherper, feller.
En hier valt het woord ‘medeklinker’.
En met het oog op wat Steiner zegt – hieronder aangehaald – hoeveel woorden zijn er niet die vooral met medeklinkers nabootsen wat er in de wereld klinkt: plons, krak, floep – de klinker kun je eigenlijk weglaten of deze klinkt heel zwakjes mee.
Ik zag eens een kind huppelend en met een doos vol knopen rammelend: ‘Hij (de doos) zegt: kukurrekukku, kukurrukuku, de u (kort) nauwelijks uitgesproken.

Er zijn zulke mooie nabootsingen: knetteren, knisperen, knikkeren, rammelen enz.

Geen wonder dat Steiner dus – het gaat om het echte leven – bij het aanleren van de schrijfletters het verschil tussen de klinker en de medeklinker sterk benadrukt.

Deze opmerking van Steiner is vanuit het bovenstaande volledig te begrijpen:

Soweit die Sprache aus Selbst­lauten besteht, hat sie ein Musikalisches in sich; soweit sie aus Mitlauten, aus Konsonanten besteht, hat sie ein Plastisches, ein Malerisches in sich. Und im Sprechen liegt eine wirkliche Synthese, eine wirkliche Verbindung von musikalischen mit plastischen Elementen im Men­schen.

Voor zover de taal bestaat uit klinkers, is ze muzikaal; voor zover ze uit medeklinkers, consonanten bestaat, is ze plastisch, schilderend. En in het spreken vindt er een werkelijke synthese plaats, een werkelijke verbinding van muzikale en plastische elementen.
GA 294/28-29
vertaald/26

=

In het kort komt het erop neer dat de medeklinker uit een beeld wordt ontwikkeld van iets concreets dat in de wereld voorkomt: vis, vogel, beer, koning, enz.
De klinker echter is een klank die veel meer een zielenstemming tot uitdrukking brengt: aaah, ooooh enz.
Voor de ontwikkeling van de klinkerletter kun je dus geen tastbaar voorwerp nemen.
De I kun je niet uit de bloem iris halen; wel uit het gebaar dat een kind maakt met zijn arm (en vinger) in de lucht, wanneer het antwoordt op de vraag: ‘Wie weet…..?’  ‘Ik, ik’.

‘Karakteristiek’, zoals Steiner opmerkt, is dat bij de lettervorm ook iets kan doorklinken van de aard van de klank die erbij hoort. Zo zal de S eerder bij een slang gedacht worden, dan bij een slak, de S heeft veel meer iets ‘sissends’ dan iets ‘slijmerigs’. (1)   (2)

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas – letterbeelden

So wie sich die Selbstlaute auf das Lauten von uns selbst beziehen, so die Konsonanten auf die Dinge; da klingen die Dinge mit. Daher werden Sie finden, daß Selbstlaute aufgesucht werden müssen als Gefühlsnuancen. Mitlaute: F, B, M und so weiter müssen aufgesucht werden als Nachahmung äußerer Dinge.


Zoals de klinkers (Duits: Selbstlaute) op het klinken van ons zelf betrekking hebben, zo de medeklinkers (Duits: Mitlaute) op de dingen; daar klinken de dingen mee. U zult dan ook vinden, dat de klinkers gezocht moeten worden als gevoelsnuances. Medeklinkers – f, b m [het Duits heeft hier hoofdletters!] enzovoort – moeten gezocht worden als nabootsing van dingen in de buitenwereld. ( )
GA 294/27/28
vertaald/26

=

Mitlaute werden immer auf Nachahmungen äußerer Dinge zurückgeführt werden können, Selbst­laute dagegen auf die ganz elementare Äußerung der menschlichen Gefühlsnuancen den Dingen gegenüber. Daher können Sie die Sprache geradezu auffassen als ein Begegnen von Antipathie und Sympathie. Die Sympathien liegen immer in den Selbstlauten, die Antipathien immer in den Mitlauten, in den Konsonanten. Wenn Sie auf diese Art die Sprache nehmen als auf Innerliches hinweisend in den Selbst­lauten, als auf Äußerliches hinweisend in den Mitlauten, dann werden Sie in die Lage kommen, leicht Zeichnungen für die Mitlaute zu finden. Dann werden Sie nicht bloß das anzuwenden brauchen, was ich in den nächsten Stunden geben werde als Bilder von Mitlauten, sondern Sie werden sich selbst Bilder machen können und dadurch werden Sie es erreichen, daß Sie selbst den inneren Kontakt mit den Kindern be­kommen, was viel besser ist, als wenn Sie nur das äußere Bild auf­nehmen.

.

Medeklinkers zal men altijd kunnen herleiden tot nabootsingen van dingen in de buitenwereld, klinkers daarentegen tot de elementaire uiting van menselijke gevoelsnuances ten opzichte van de dingen. Daardoor kunt u de taal werkelijk opvatten als een ontmoeting van antipathie en sympathie. De sympathieën liggen altijd in de klinkers, de antipathieën in de medeklinkers, de consonanten. Beschouwt u de taal als iets wat verwijst naar een binnenwereld – in de klinkers – en verwijst naar de buitenwereld – in de medeklinkers – dan zult u in staat zijn heel gemakkelijk tekeningen voor de medeklinkers te vinden. ( ) U kunt zelf beelden maken en daardoor bereiken dat u zelf innerlijk contact krijgt met de kinderen – en dat is veel beter dan het beeld klakkeloos over te nemen.
GA 294/30
vertaald/26

=

Deze laatste zin is misschien wat raadselachtig voor de mensen die geen vrijeschoolklas hebben (gehad). Wanneer je iets speciaals voor je klas wilt maken, moet je je intensiever met de kinderen bezig houden; zo bouw je als vanzelf  ‘meer’ contact op. Dan blijkt ook vaak dat de kinderen op hun manier uiting geven aan het feit dat je speciaal voor hen iets hebt gemaakt: een gedicht, een spel, een toneelstuk, een verhaal, vooral hun getuigschriftspreuk, enz. En dat is ook een vorm van intensiever contact.

Wenn Sie es die einzelnen Buchstaben aus dem Bilde heraus lernen las­sen, so hat das Kind eine Beziehung zur lebendigen Wirklichkeit. Aber Sie dürfen nie versäumen, die Buchstabenformen so aufzuschreiben, wie sie sich aus einem Bilde ergeben, und Sie mussen immer Rücksicht darauf nehmen, daß Sie die Mitlaute, die Konsonanten, als Zeichnung von äußeren Dingen erklären – nie aber die Selbstlaute, die Vokale. Bei den Selbstlauten gehen Sie immer davon aus, daß sie wiedergeben das menschliche Innere und seine Beziehung zur Außenwelt.

 

Wanneer u een kind de afzonderlijke letters laat leren vanuit het beeld, dan heeft het kind een verbinding met de levende werkelijkheid.U mag nimmer verzuimen de vormen van de letters zo op te schrijven als ze uit het beeld voortkomen en u moet er steeds op letten dat u de medeklinkers, de consonanten, verklaart als een tekening van dingen in de buitenwereld – nooit echter de klinkers, de vocalen. bij de klinkers gaat u er altijd vanuit dat ze het innerlijk van de mens weergeven en zijn relatie tot de buitenwereld.
GA 294/72
vertaald/62

=

Man muss versuchen, die Resonanz, die im Selbstlaut ertönt, aus dem Gefühl herauszuholen.

.

Men moet proberen de weergave van een gevoel over te brengen, men moet proberen om de weerklank die in de klinker leeft uit het gevoel naar boven te halen.
GA 294/73
vertaald/63

=


Eine umfassende Betrachtung des Menschenwesens, vor allen Dingen eine wirklich geschulte Beobachtung des kindlichen Sprechens selbst zeigt, wie das Gemüt des Menschen ganz anders engagiert ist beim Lernen der sogenannten Selbstlaute. Die Dinge werden ja gefühlsmäßig ge­lernt. Aber schult man sich seine Beobachtung, so sieht man, wie alles Selbstlautliche, alles Vokalische dadurch entsteht, daß das Innere des Menschen in gewisse Erlebnisse kommt, die so sind, wie einfache oder komplizierte Interjektionen, Gefühlsausbrüche, innere Erlebnisse. Im Vokalischen lebt sich das Innere des Menschen aus. Im Konsonantischen zeichnet der Mensch äußere Vorgänge nach. Er zeichnet äußere Vor­gänge nach durch seine eigenen Organe; aber er zeichnet sie nach. Es ist schon das Sprechen selber ein
Nachzeichnen der äußeren Vorgänge durch das Konsonantische, und ein Tingieren, ein Durchmalen dieses Nachzeichnens mit dem Vokalischen. So ist auch das Schreiben ur­sprünglich so ein Nachmalen, ein Nachzeichnen.
 
.

Een omvattende waarneming van het mensenwezen, vooral een werkelijk geschoolde waarneming van het spreken van kinderen zelf, toont hoe het gemoed van de mens heel anders betrokken is bij het leren van de zogenaamde klinkers. Die worden gevoelsmatig geleerd. Maar wanneer je je waarneming schoolt, dan zie je hoe alles van de klinker, alles van de vocaal ontstaat omdat het innerlijk van de mens tot bepaalde belevingen komt die dan zo zijn als eenvoudige of gecompliceerde interjecties (taalkundig: tussenwerpsel). Uitbarstingen van gevoel, innerlijke belevingen. In het vocale drukt zich het innerlijke van de mens uit. In wat met de consonanten samenhangt tekent de mens uiterlijke processen na. Hij tekent uiterlijke processen na met zijn eigen organen; maar hij tekent ze na. Het spreken zelf is al een natekenen van uiterlijke processen door het consonantische en alles wat met het vocale samenhangt kleurt deze tekening. Oorspronkelijk is ook het schrijven op deze wijze een naschilderen, natekenen.
GA 301/79
Niet vertaald

=

So -Steiner gaf hier een voorbeeld van een medeklinker-kann ich es machen für alles, was konsonantisch ist. Für die Selbstlaute finde ich, wenn ich das innere Seelenleben zu Hilfe nehmen, wie ich das Bild überführen kann in den Buchstaben.

.

Op deze manier kan ik het doen voor alles wat consonantisch is. Voor de klinkers vind ik hoe ik in het beeld in een letter kan omzetten, wanneer ik het gevoelsleven  als hulp neem.
GA 304a/174
Niet vertaald

=

( ) derjenige, der nun nicht bloß auf das Äußerliche der Sprache schaut, wie nun die Sprache schon einmal geworden ist als Bedeutungssprache – unsere Sprachen sind ja fast alle Bedeutungssprachen, wir haben in den Wor­ten kaum mehr etwas anderes als Zeichen für das, was draußen ist -, derjenige, der von da zurückgeht auf das Seelische, das in den Wor­ten lebt, das überhaupt in der Sprache lebt, der kommt schon zurück zu dem sogenannten Laut. Denn alles Konsonantische hat einen ganz anderen Charakter als alles Vokalische. ( )

.

Degenen die niet alleen naar het uiterlijk van de taal kijkt, zoals de taal nu eenmaal geworden is, als betekenistaal – onze talen zijn bijna allemaal betekenistalen, we hebben in de woorden nauwelijks meer iets anders dan tekens voor wat buiten is – degene die van daaruit teruggaat op wat aan ziel in de woorden leeft, dat zeer zeker in de taal leeft, komt weer terug op de zgn. klinker. Want al het consonantische heeft een heel ander karakter dan al het vocale.
GA 306/86
Niet vertaald

=

Wie muß das Kind lesen und schreiben ler­nen? Es ist ja eigentlich eine viel größere Misere damit verbunden als man, da man ja das Lesen- und Schreibenlernen als eine Notwendig­keit ansieht, mit brutalem Menschensinn gewöhnlich meint. Man sieht es als eine Notwendigkeit ein, also muß das Kind unter allen Umstän­den dazu dressiert werden, lesen und schreiben zu lernen. Aber be­denken Sie, was das für das Kind heißt! Die Menschen haben nicht die Neigung, wenn sie einmal erwachsen sind, sich in die kindliche Seele hineinzuversetzen, was das Kind erlebt, wenn es lesen und schreiben lernt. Da haben wir in unserer heutigen Zivilisation Buchstaben, a, b, c und so weiter; sie stehen in gewissen Bildern vor uns. Ja, das Kind hat den Laut «ah». Wann gebraucht es ihn? Der Laut ist ihm Ausdruck einer inneren Seelenverfassung. Es gebraucht diesen Laut, wenn es in 310/56 Bewunderung, in Erstaunen oder in einer ahnlichen Seelenverfassung vor etwas steht. Den Laut versteht es; der hängt mit der menschlichen Natur zusammen. Oder es hat den Laut «eh». Wann gebraucht es die­sen? Wenn es andeuten will: Da ist etwas an mich herangetreten, was ich erlebt habe, was in meine Natur eingreift. Wenn mich jemand sticht, sage ich «eh!». Und so ist es auch mit den Konsonanten. Jeder Laut entspricht einer Lebensäußerung; die Konsonanten ahmen eine äußere Welt nach, die Vokale drücken das aus, was man in der Seele innerlich erlebt.

.

Hoe moet het kind leren lezen en schrijven? Daarmee is eigenlijk veel grotere ellende verbonden dan men met het brute mensenverstand gewoonlijk denkt; men beschouwt immers het leren lezen en schrijven als een noodzaak; dus moet het kind onder alle omstandigheden worden gedresseerd om te leren lezen en schrijven. Maar stelt u zich eens voor wat dat voor een kind betekentl De mensen hebben niet meer de neiging, als ze eenmaal volwassen zijn, zich te verplaatsen in de kinderziel, in wat het kind beleeft wanneer hij leert lezen en schrijven. In onze huidige beschaving hebben we letters: a, b, c enzovoort. Zij staan in bepaalde beelden voor ons. Het kind heeft de klank a‘. Wan­neer gebruikt een kind deze? Voor hem is deze klank uitdrukking van een innerlijke zieletoestand. Hij gebruikt deze klank wanneer hij in bewondering, of in verbazing, of in een soortgelijke ziele- stemming iets meemaakt. Het kind kan de klank begrijpen: die hangt samen met de menselijke natuur. Of neem de klank ‘e’ wanneer gebruikt het kind die? Als hij aan wil geven dat er iets op hem af is gekomen – dat heeft hij beleefd – wat in zijn wezen ingrijpt. Als iemand hem steekt, zegt hij ‘e!’.
En zo gaat het ook met de medeklinkers, de consonanten. Elke klank komt overeen met een levensuiting. De medeklinkers boot­sen een uiterlijke wereld na, de klinkers of vokalen drukken uit wat men van binnen beleeft.
GA 310/55-56/
Vertaald 58-59

=

Für die Konsonanten werden Sie überall etwas finden, wo Sie von Dingen ausgehen können. Sie müssen nur suchen. Sie werden überall so etwas finden, um den Anfangslaut, den Anfangsbuchstaben aus einem Worte entstehen zu lassen. Für die Vokale ist es nicht so leicht. ( )
Und so werden Sie – wenn Sie inneres Seelisches, namentlich eurythmische Begriffe vor das Kind hinstellen, es selber in diese Lage versetzen -, so werden Sie auch die Vokale herausbringen. Die Eu­rythmie wird Ihnen da eine ungeheuer starke Hilfe geben können, weil schon die Laute im Eurythmischen gebildet sind. (  )Man kann tatsäch­lich aus der Geste, aus der Gebärde, die Vokale bekommen.

.

Wat de consonanten betreft, kun je overal iets vinden wanneer je van voorwerpen uitgaat. Je moet maar even zoeken. Je zal overal iets vinden om de beginklank, de beginletter uit een woord te laten ontstaan. Voor de vocalen is het niet zo makkelijk. ( )
En zo kun je – wanneer je diepere gevoelens, namelijk euritmische begrippen aan het kind geeft, het zelf in die omstandigheid brengen -, dan kun je ook de vocalen
ontwikkelen. De euritmie kan daarbij een heel sterk hulpmiddel zijn, omdat de klanken in de euritmie al gevormd zijn. (  ) Je kan inderdaad uit de gebaren, uit het gebaar, de vocalen halen.
GA 311/33
Vertaald/33-34

=

(1)  GA 311 voordracht 6/106
(2)  Schrijven in de 1e klas (3)

Rudolf Steiner over schrijven en lezen:

[1]   onze huidige lettervormen zijn ontstaan in het verleden; de vormen staan niet meer in verband met hun oorsprong; voor kinderen zijn het (wezens-)vreemde tekens

[2] om aan kinderen de lettertekens aan te leren, daarbij uitgaand van een beeld, is het niet nodig om de historische beelden te gebruiken. Eigen fantasie is voldoende.

[4] hoofdletter of kleine letter
De hoofdletter uit het oorspronkelijke Latijnse schrift. Het eerste schrijven is meer een tekenen: het gaat om het beeld en de klank.

[5] de conventionele letter wordt aangeleerd vanuit een beeld, eerst schilderend/tekenend of tekenend/schilderend; Steiners voorbeelden daarvan uit alle pedagogische voordrachten.

[6] de menskundige achtergronden van de schrijf- en leesmethode. Kunstzinnig werken: schilderen/tekenen; maar ook: vanuit de wil; totale mens – deel mens:hoofd; abstractie en intellect(ualisme); allerfysieks-halffysiek-bovenfysiek

[7] over de manier van leren lezen: van het geheel naar de delen – maar niet fanatiek; over leesmethodes (uit zijn tijd): spelmethode, klankmethode, normaalwoordenmethode; deze in verband gezien met het verschil klinker-medeklinker (zie [3])

[8] Steiners methode, mits consciëntieus gevolgd, kost meer tijd dan reguliere methodes. Dat wordt heden ten dage nog steeds schromelijk verward met ‘achter lopen’.

schrijven/lezen: alle artikelen

Rudolf Steiner over…..: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: letterbeelden

857

 

 

 

 

 

 

 

 

.