Maandelijks archief: april 2020

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over vormtekenen (GA 294)

.

Een van de unieke vrijeschoolvakken is het vormtekenen.

In zijn pedagogische voordrachtenreeksen GA 293 t/m/ 311 legt Steiner uit wat hij met dit vak beoogt en geeft hij aanwijzingen hoe het (niet) te geven.

GA 294

Wanneer Steiner is ingegaan op de werking van het kunstzinnige op de wil, komen ‘oorspronkelijke vormen’ ter sprake, die hij ook op bord tekent:

Dan komt er iets wat lang niet door iedere vrijeschoolleerkracht ter harte wordt genomen, waarschijnlijk omdat de achtergronden te weinig zijn/worden bestudeerd.
Dat komt waarschijnlijk omdat men simpelweg denkt dat het vrijeschoolonderwijs – altijd – beeldend moet zijn.
Maar wanneer je Steiners aanwijzing volgt om ‘alles tot in de finesses’ te weten, kun je bv. uit GA 293, voordracht 3 en 8 [→ artikel] over bovenstaande vormen leren dat ze a.h.w. ‘in de mens zitten’ en dat het om deze pure vormen gaat, wat in deze voordrachten (GA 294) wordt benadrukt:

Daher werden wir im Zeichnen nicht darauf ausgehen, du sollst dieses oder jenes nachahmen, sondern wir werden ihm ursprüngliche Formen im Zeichnen beibringen, werden ihm beibringen, einen Winkel so zu machen, einen andern so; wir werden versuchen, ihm den Kreis, die Spirale beizubringen. Wir werden also von den in sich geschlossenen Formen ausgehen, nicht davon, ob die Form dieses oder jenes nachahmt, sondern wir werden sein Interesse an der Form selbst zu erwecken versuchen.

Daarom zullen we er bij het tekenen niet op uit zijn het een of ander na te bootsen, maar zullen we het kind oorspronkelijke vormen bijbrengen. We zullen het leren de ene hoek zo, de andere zo te maken. We proberen om het de cirkel en de spiraal aan te leren. We zullen dus uitgaan van op zichzelf staande vormen, niet van vormen die iets nabootsen. We zullen proberen bij het kind interesse voor de vorm zelf op te wekken.

En even daarvoor klonk ook al bij ‘het op papier zetten van vormen’:

wobei wir nur absehen müssen von allem bloß äußerlichen Nachahmen.

Daarbij moeten we wel al het uiterlijk nabootsen vermijden.

Daaruit kan de conclusie getrokken worden dat niet aan het kind iets onbegrijpelijks wordt aangeleerd wanneer we een spiraal met hem tekenen, maar wanneer we die dus op kinderniveau tot een ‘slakkenhuis;degraderen,  we daarmee de (Steiner:) ‘kosmische vormen’ eigenlijk infantiliseren

Mag het kind dat helemaal niet zeggen dat het een ‘slakkenhuis’ ziet als het klaar is met de spiraal te tekenen?

Ja, graag zelfs. En als je zulke vormen hebt getekend, is het heel interessant na te gaan – te gaan waarnemen – waar we die vormen in de wereld overal tegenkomen.

Steiner verwijs hier naar een voordracht waarin hij iets over het acanthusblad in de Griekse kunst zegt:

Erinnern Sie sich an den Vortrag, in welchem ich versucht habe, ein Gefühl zu erwecken für die Entstehung des Akanthusblattes. Ich habe darin ausgeführt, daß der Gedanke, man habe dabei das Blatt der Akanthuspflanze nachgeahmt in der Form, wie er in der Legende auftritt, ganz falsch ist, sondern das Akanthusblatt ist einfach entstanden aus einer inneren Formgebung heraus, und man hat nachträglich gefühlt: das sieht der Natur ähnlich. Man hat also nicht die Natur nachgeahmt. –

Denkt u nog eens aan de voordracht waarin ik geprobeerd heb gevoel te wekken voor het ontstaan van het acanthusblad. Ik heb toen uiteengezet dat de gedachte dat daarbij het blad van de acanthusplant is nagebootst – een gedachte die ook in een legende optreedt – volstrekt onjuist is. Het acanthusblad is gewoon uit een innerlijke vormgeving ontwikkeld, en pas achteraf is het gevoel ontstaan dat het op iets uit de natuur lijkt. Men heeft dus niet de natuur nagebootst.

Das werden wir beim zeichnerischen und malerischen Element zu berücksichtigen haben. Dann wird endlich das Furchtbare aufhören, was so sehr die Gemüter der Menschen verwüstet. Wenn ihnen etwas vom Menschen Gebildetes entgegentritt, dann sagen sie: Das ist natürlich, das ist unnatürlich. -Es kommt gar nicht darauf an, das Urteil zu fällen: Dies ist richtig nachgeahmt und so weiter. – Diese Ähnlichkeit mit der Außenwelt muß erst als ein Sekundäres aufleuchten. Was im Menschen leben muß, muß das innere Verwachsensein mit den Formen selbst sein.

Dat zullen we bij het tekenen en schilderen in gedachten moeten houden. Dan zal eindelijk die verschrikkelijke benadering ophouden die zo verwoestend op het gemoed van mensen werkt. Wanneer ze iets zien wat door mensen gevormd is, dan zeggen ze: ‘Dat is natuurlijk, dat is onnatuurlijk.’ Het gaat er helemaal niet om een dergelijk oordeel te vellen, of iets natuurgetrouw gemaakt is of niet. De gelijkenis met de buitenwereld moet pas in tweede instantie aan de dag treden. Wat in de mens moet leven, is een innerlijke verbinding met de vormen zelf.

Das Gefühl für innere Gesetzmäßigkeit wird in der Zeit vom 7. bis zum 14. Jahre nie durch äußerliches Nachahmen erweckt. 

Het gevoel voor innerlijke wetmatigheid wordt in de tijd van zeven tot veertien jaar nooit door uiterlijk nabootsen gewekt.
GA 294/16-17
Vertaald/26-28

Dan volgen nog opmerkingen die we weer in verband kunnen brengen met de zintuigen [→ Algemene menskunde [8-4-6]

Wanneer we een vorm met de kinderen willen gaan tekenen, is het goed om deze niet meteen op het bord te zetten, maar dat je deze als leerkracht ‘in de lucht’ voordoet.
Dat kan door met je rug naar de kinderen te gaan staan en de vorm met je rechterhand (de meeste kinderen zijn rechts)  voordoet; je kan – en naarmate de kinderen jonger zijn is dat nodig, anders spiegelen ze jouw voorbeeld door nabootsing- de kinderen aankijkend de vorm dan voordoen met jouw linkerarm/hand. 
Dit voordoen, en even later doen de kinderen het alleen, brengt het oog in beweging en wanneer het met (grote) aandacht gebeurt, is daar wilskracht voor nodig – dat voel je al wanneer je naar het topje van je vinger MOET  blijven kijken. Op deze manier verinnerlijkt het kind de vorm, alvorens deze te gaan tekenen. 
(Wie moeite heeft met de begrippen -boven-mens en -onder-mens, kan daarover in Algemene menskunde [1-9]

Daher wird man den Gedanken durchaus hegen müssen, daß man gewissermaßen das, was im ganzen Menschen veranlagt ist, in den oberen Menschen, in den Nerven-Sinnes-menschen hineinnimmt, indem man zum Künstlerischen geht. Sie tra­gen die Empfindung in das Intellektuelle hinauf, indem Sie entweder des Mittels des Musikalischen oder des Mittels des Zeichnerisch-Plasti­schen sich bedienen. Das muß in der richtigen Weise geschehen. Heute schwimmt alles durcheinander, insbesondere wenn das Künstlerische gepflegt wird. Wir zeichnen mit der Hand und wir plastizieren auch mit der Hand – und dennoch ist beides völlig verschieden. Das kann
insbesondere dann zum Ausdruck kommen, wenn wir Kinder in das Künstlerische hineinbringen. Wir müssen, wenn wir Kinder ins Pla­stische hineinbringen, möglichst darauf sehen, daß sie die Formen des Plastischen mit der Hand verfolgen. Indem das Kind sein eigenes Formen fühlt, indem es die Hand bewegt und zeichnerisch irgend etwas macht, können wir es dahin bringen, daß es mit dem Auge, aber mit dem durch das Auge gehenden Willen die Formen verfolgt. Es ist durch­aus nicht etwas die Naivität des Kindes Verletzendes, wenn wir das Kind anweisen, selbst mit der hohlen Hand die Körperformen nach­zufühlen, wenn wir es aufmerksam machen auf das Auge, indem es die Wendungen des Kreises zum Beispiel verfolgt, und ihm sagen: Du machst ja selbst mit deinem Auge einen Kreis. Das ist nicht eine Ver­letzung der Naivität des Kindes, sondern es ist ein Inanspruchnehmen des Interesses des ganzen Menschen. Daher müssen wir uns bewußt sein, daß wir das Untere des Menschen hinauftragen in das Obere, in das Nerven-Sinneswesen.

Daarom moeten we steeds voor ogen houden, dat wij dat wat in de hele mens aanwezig is, als het ware optillen naar de bovenste mens, de zenuw-zintuigmens, wanneer we ons op kunstzinnig gebied begeven. U tilt het gevoel op tot in het intellect door middel van muziek of van tekenen en boetseren. Dat moet op de juiste manier gebeuren. Tegenwoordig vloeit alles door elkaar, vooral in het kunstzinnig onderwijs. We tekenen met de hand en we boetseren ook met de handen – en toch zijn die twee totaal verschillend. Dat kan bij uitstek naar voren komen wanneer we kinderen op weg helpen in het kunstzinnige. Wanneer we kinderen laten boetseren, moeten we er zo goed mogelijk op letten dat ze de vormen van het boetseerwerk met de hand volgen. Of wanneer het kind voelt wat het zelf vormt terwijl het zijn hand beweegt bij het tekenen, kunnen we het ertoe brengen de vormen te volgen met het oog, dat wil zeggen met de door het oog gaande wil. Het is beslist geen inbreuk op de onbevangenheid van een kind als we het kind aanmoedigen om zelf met de holle hand de geboetseerde vormen af te tasten, of als we het attent maken op zijn ogen wanneer die bijvoorbeeld de kromming van een cirkel volgen, en zeggen: je maakt zelf met je ogen ook een cirkel. Dat is geen inbreuk op de onbevangenheid van een kind, het is een appèl aan de interesse van de hele mens. Daarom moeten we erop letten dat we het onderste deel van de mens toevoeren naar het bovenste deel, naar het zenuw-zintuiggebied.
GA 294/18
Vertaald/30

In de 4e voordracht komt Steiner met de twee ‘oervormen’ de rechte en de ronde/kromme, waarmee hij de 1e-klassers wanneer die nauwelijks op school zijn, a.h.w. hun oergrond toont. 

Zie hiervoor: Rudolf Steiner over de 1e klas

.

Rudolf Steiner over vormtekenen: alle artikelen

Vormtekenenalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2108

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over vormtekenen – alle artikelen

.

Een kleine inhoudsopgave bij de opmerkingen die Rudolf Steiner in de pedagogische voordrachten (GA 293-311) maakte over vormtekenen. 

De bladzijden verwijzen naar de vertaling

GA 293   vertaald  →  artikel
In voordracht 3 en 8 opmerkingen over resp. ‘geometrische vormen’ en ‘gezichts- en bewegingszin.
 

GA 294    vertaald  → artikel
Blz.26 e.v.: Het gaat om de pure vorm; niet nabootsen van uiterlijke vormen; die kunnen achteraf ‘gezien’ worden.
Blz. 30: de bewegingszin en het oog
Blz. 64 e.v.: het eerste schooluur: kennismaken met de rechte en de ronde.
GA 295     vertaald  →  artikel
Blz. 23: het gaat om de innerlijke beleving van de vorm; niet natekenen;
Blz. 29 e.v. t/m blz. 45 voorbeelden en uitleg van de tekeningen die individueel bedoeld zijn voor de verschillende temperamenten.
(Deze tekeningen heb ik in verband gebracht met Steiners aanwijzingen voor het ‘rekenen met temperamenten’. Zie 1e klas: rekenen alle artikelen
Blz. 143: tekenen van vormen, louter om wille van de vormen.
Blz. 155: geometrische vormen puur om de vorm, absoluut niet natekenen.


GA 301
    vertaald → artikel
Blz. 80: vormen als voorbereidende schrijfoefeningen; vingervaardigheid werkt terug op het intellect.
Blz.103: vormen innerlijk volgen en beleven;
Zie ook GA 303

GA 303    vertaald artikel
Blz. 297: ontwikkelen van zin voor realiteit en schoonheid

GA 307    vertaald → artikel
Blz. 225 e.v.: symmetrie-oefeningen in samenhang met de aard van het etherlijf; a-symmetrische-oefeningen met metamorfosekarakter

GA 311    vertaald artikel
Blz. 72 e.v. : symmetrie en innerlijk vormgevoel; symmetrie links-rechts en bovern-onder; oefeningen met een bepaalde innerlijke metamorfose, a.h.w. ‘veranderend bij elkaar horend’ =das sich-entsprechen=
.

Vormtekenenalle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.
2107

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over vormtekenen (GA 293)

.

Een van de unieke vrijeschoolvakken is het vormtekenen.

In zijn pedagogische voordrachtenreeksen GA 293 t/m/ 311 legt Steiner uit wat hij met dit vak beoogt en geeft hij aanwijzingen hoe het (niet) te geven.

In GA 293 gaat het niet zo concreet over vakken of lesstof, hierin worden vooral de menskundige achtergronden van het vrijeschoolonderwijs uiteengezet.

Omdat de lesstof gezien wordt als ‘middel’ en niet als ‘doel’ om de jonge mens in zijn ontwikkeling te begeleiden, is ‘menskunde’ in de verschillende vakken terug te vinden: de antroposofische inzichten omgewerkt tot pedagogie en didactiek.

Menskundige achtergronden voor het vormtekenen vinden we in GA 293 niet concreet uitgesproken.
A.h.w. via ‘een omweg’ vinden we toch een aantal opmerkingen die m.n. voor de ‘geometrische vormen’ (driehoek, cirkel, spiraal enz) van belang zijn.

Die staan in voordracht 3 en voordracht 8. In laatstgenoemde bieden de opvattingen over de gezichtszin en de bewegingszin aanknopingspunten.

In vormtekenen [1-1] merk ik daarover op: Voor nadere uitleg, zie [3-8-1] en
[8-4-6]
Door de samenhang met de bewegingszin pleit het er sterk voor het tekenen van deze geometrische vormen staand te laten uitvoeren.

‘In de verticaal’ roept toch meer het beeld van staan op dan van zitten.

.

Rudolf Steiner over vormtekenen: alle artikelen

Vormtekenen: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2106

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vormtekenen – alle artikelen

.

Rudolf Steiner over vormtekenen
Zijn opmerkingen over vormtekenen uit de pedagogische voordrachten 293 t/m 311

[1-1] Vormtekenen
Pieter HA Witvliet over: de verschillende soorten vormtekeningen: temperamentsoefeningen, voorbereidende schrijfoefeningen; geometrische vormen; (a)-symmetrische vormen; vlechtvormen; meetkundige figuren, dynamisch tekenen. Welke doe je zittend, welke staand.

[1-2] Vormtekenen
Pieter HA Witvliet
over: de verschillende materialen, stiftjes, blokjes, krijtjes, potloden; papier of schrift?

[1-3] Vormtekenen
Pieter HA Witvliet: kanttekeningen bij een filmpje

[2-1] Vormtekenen
Pieter HA Witvliet over: het boek ‘Formenzeichnen, Menschenkunde und Erziehung band 47; de inleiding wordt weergegeven; vormtekenen als nieuw vak van Steiner; innerlijk vormgevoel wekken; de inhoudsopgave van het boek

[3-1] Spiraal
Melly Uyldert over: de spiraal als oermotief’; de eeuwig wentelende samenhang van hemel en aarde; ‘dag-en nachtzijde’; draaibergen; de boom die wordt …; hinkelbaan in spiraalvorm; reïncarnatie van de ziel;

Vormtekenen als voorbereiding voor het schrijven
Deel 2, met vele voorbeelden
.

Meer op deze blog

En op Luc Cielen: vormtekenenklas 1    klas 2    klas 3
.

Vrijeschool in beeldalle beelden
.

2105

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vormtekenen (1-2)

.
Pieter HA Witvliet
.

Een van de unieke vrijeschoolvakken is het vormtekenen.

In zijn pedagogische voordrachtenreeksen GA 293 t/m/ 311 legt Steiner uit wat hij met dit vak beoogt en geeft hij aanwijzingen hoe het (niet) te geven.

In dit artikel werden de verschillende soorten vormtekeningen belicht en de vraag ‘zitten of staan‘ onderzocht.

Het MATERIAAL

Het vormtekenonderwijs begint in de eerste klas en je kan er op de basisschool mee verdergaan tot in de 6e.
Tijdens die jaren wordt de motoriek van de kinderen fijner. Dat gaat deels van nature en tegelijkertijd wordt er in de klas aan de verfijning van de motoriek gewerkt.
Dat betekent dat een 6e-klasser beter in staat is een dun potlood te hanteren dan een net schoolrijpe 1-klasser.
Voor de laatste komt dus ‘iets dikkers’, niet te klein en niet te zwaar in aanmerking.
De logische conclusie mag worden getrokken dat naarmate het kind in zijn hand vaardiger wordt, het tekenmateriaal dunner kan worden.
Nooit mag je echter als leerkracht de kinderen in een situatie brengen waarbij krampachtigheid optreedt.
Dat geldt niet alleen voor het vormtekenen, maar ook voor het ‘gewone’ tekenen en al helemaal voor het (voorbereidende) schrijven.

Ergens rond de jaren 1950 ontwikkelde Anke-Usche Clausen in samenwerking met de firma Stockmar de nu zo bekende staafjes en blokjes, daar zij geen  materiaal geschikt vond om zo kunstzinnig te werken als de vrijeschoolpedagogie vereist. De staafjes, ook wel stiften, stiftjes genoemd.

Ook op vraag van Clausen ontwikkelde Stockmar materiaal om ‘schilderend te tekenen’.
Er was Steiner veel aan gelegen dat kinderen een gevoel voor kunstzinnigheid kunnen ontwikkelen; kleuren kunnen beleven, hun kleurige uitwerking. Dat ze ook zelf uitdrukking kunnen geven aan kunstzinnige ‘kleurigheid’.

Om dit te bereiken moet je je terdege bewust zijn van het verschil ‘lijn-vlak‘.

Steiner:

Dann muß man sich selber sehr stark damit durchdringen, daß das bloße Zeichnen schon etwas Unwahres hat. Das Wahrste ist das Emp­finden aus der Farbe heraus, etwas unwahrer ist schon das Empfinden aus dem Helldunkel heraus, und das Unwahrste ist das Zeichnen. Das Zeichnen nähert sich als solches schon durchaus jenem abstrakten Ele­ment, das als Ersterbendes in der Natur vorhanden ist. Zeichnen sollten wir eigentlich nur so, daß wir uns dabei bewußt werden: wir zeichnen im wesentlichen das Tote. Mit Farben malen sollten wir so, daß wir uns dabei bewußt sind: wir rufen aus dem Toten das Lebendige hervor. -Was ist denn schließlich die Horizontlinie? Wenn wir einfach einen Bleistift nehmen und die Horizontlinie hinzeichnen, so ist das ein Abstraktes, ein Ertötendes, Unwahres gegenüber der Natur, die immer zwei Strömungen hat: das Tote und das Lebendige. Wir schälen die eine Strömung heraus und behaupten, das sei Natur. Wenn ich aber sage, ich sehe ein Grünes, und ich sehe ein Blaues, die sich voneinander schei­den, dann wächst die Horizontlinie aus dem Aneinandergrenzen der Farben heraus, dann sage ich eine Wahrheit. So werden Sie allmählich darauf kommen, daß die Form der Natur wirklich aus der Farbe her­aus entsteht, daß daher das Zeichnen ein Abstrahierendes ist. Von sol­chen Dingen sollte man eine gute Vorstellung, eine gute Empfindung schon in dem heranwachsenden Kinde erzeugen, weil dies sein ganzes Seelenwesen belebt und in ein richtiges Verhältnis zur Außenwelt bringt.

Verder moeten we heel goed tot ons laten doordringen dat in het pure tekenen al een element van onwaarheid schuilt. Het meest waar is het ervaren vanuit de kleur, minder waar is al het zien vanuit het licht-donker en het minst waar is het tekenen. Het tekenen komt als zodanig al dicht bij de abstracte tendens die als sterfproces in de natuur aanwezig is. Wij zouden eigenlijk alleen zo moeten tekenen, dat we ons daarbij bewust worden dat we in feite het dode tekenen. We zouden met kleuren zo moeten schilderen dat we ons daarbij bewust zijn dat we uit het dode het levende voorschijn roepen. Wat is bijvoorbeeld de horizon eigenlijk? Als we gewoon een potlood pakken en de lijn van de horizon tekenen, dan is dat abstract, dood, onwaar vergeleken bij de natuur, die altijd twee stromingen heeft: het dode en het levende. We lichten er de ene stroming uit en beweren dat dat de natuur is. Maar wanneer ik zeg: ik zie groen en blauw die zich van elkaar scheiden, dan groeit de horizon vanzelf uit het aan elkaar grenzen van beide kleuren. Dan spreek ik de waarheid.

GA 294/41       vertaald/51

Voor bovenstaande manier van tekenen werd het ‘blokje’ ontwikkeld.

Daarmee kunnen dan bv. dit soort tekeningen ontstaan:

Meer vanuit de kleur:

Of meer naar de voorstelling gaand:

 

 

In haar boek – waaruit bovenstaande tekeningen komen – Schöpferisches Gestalten mit Farden – benadrukt Clausen: ‘de blokjes schilderen, de stiften tekenen’, d.w.z. trekken lijnen.

DE BLOKJES SCHILDEREN, DE STIFTEN TREKKEN LIJNEN

Het getuigt van te weinig professionele vakkennis wanneer je vormtekent met blokjes.

Enerzijds geeft het staafje een mooie dikke lijn en kunnen 1e-klassers het goed vasthouden, mits….ze niet gedwongen worden een (klein) afgebroken stukje te moeten gebruiken.
Het stiftje is kwetsbaar en kan breken als het valt of wanneer er te veel druk mee wordt uitgeoefend.
Afhankelijk van de gebruikte papiersoort in combinatie met (door nog te grove motoriek) te veel druk, kan de beweging nadelig worden beïnvloed doordat het krijt op het papier ‘stroopt’, waardoor het papier tijdens het oefenen ook kan scheuren, vaak zeer tot verdriet van het kind.
Dit kan worden voorkomen door enerzijds goed papier te gebruiken of anderzijds door het dikke kleurpotlood te nemen, dikker dan het ‘gewone’. 
Het Lyra driekantig dik potlood is mij uitstekend bevallen.
Ook die geeft een mooie, kleurige lijn, is zacht waardoor er bijna nooit een scherpe punt aan zit. En is, ook bij een nog mindere motoriek, goed te hanteren.

Wanneer de kinderen ouder worden en dus de motoriek fijner, kan er ook met o.a. Filia krijt worden gewerkt; en natuurlijk met het dunne potlood. 

SCHRIFT of PAPIER

Het gaat bij vormtekenen om het oefenen, het doen van de vorm, vele keren.
Dat kan het beste op een groot vel (A-3). Is de vorm nog niet goed, dan ga je er nog een maken, gewoon over of door de eerste heen, zo kan je makkelijk aftasten of de volgende vormen beter worden. Is de voorkant vol, dan op de achterkant, daarna een nieuw vel. Enz.

Een gulden regel bij het vormtekenen is: nog eens en nog eens.

Het is fijn dat er gewerkt wordt op grote vellen papier. A-3 formaat.
Voor de jongste kinderen zou dat papier zo sterk moeten zijn dat het niet scheurt door een nog wat onbeholpen gebruik van het wasstiftje (zie boven). 

Sterker papier is duurder.
Bij het gebruik van het dikke potlood kun je wat dit betreft met goedkoper papier toe.
Door het gebruik van het stiftje (met te veel druk) kan het papier gaan meebewegen tijdens het tekenen. Dan moet het met de andere hand worden vastgehouden, wat het vrije bewegen niet ten goede komt.
Ook dat gebeurt bij gebruik van het dikke potlood nauwelijks.
Een andere oplossing is het vastplakken van het papier (op de 4 hoeken). 
Maar dat is weer een hele organisatie en is bij het gebruik van het dikke potlood ook niet nodig.

Naarmate de kinderen ouder worden en passend bij de opdracht, kan er ook op A-4 papier worden gewerkt.

Omdat het om oefenen en nog eens oefenen gaat, is vormtekenen in een schrift een onding!

Het verschil in vele malen proberen op een blad en in één keer goed in een schrift – je gaat in een schrift niet blad na blad gebruiken om dezelfde tekening te oefenen – is voor mij net zo als het verschil in ‘begripsvorming’ en ‘karakteriseren’ en: dit laatste ‘leeft’, is beweeglijk; in één keer goed is ‘het begrip’: zó en niet anders.

Het schrift is voor mij te statisch, te veel ‘hoofd’ a.h.w.

In één keer mooi kan bij vormtekenen in wezen niet.

Een schrift kan alleen als ‘opslag’ van de geoefende vorm. Wanneer die wordt beheerst, kan het voor een kind een uitdaging zijn om die , nu wél in één keer, zo mooi mogelijk in een – groot – schrift vast te leggen. Maar NA de oefenweg!
In het schrift komt de beweging tot rust. 

Dan is ook ‘het versieren’ aan de orde. 
Vormtekenen is niet: mooie kleurtjes maken!
Maar, een vormtekening die beheerst wordt, die eventueel in een schriftje ‘rust’, kan natuurlijk met mooie kleuren omlijst, versierd worden. Om het helemaal áf te maken. Daar sterft de vormtekening een mooi dood, zeg maar.

Bij leerplan alle artikelen vind je wat Steiner en Caroline von Heydebrand als leerstof voor de verschillende klassen beschreven hebben.

Wat Steiner in de verschillende voordrachten opmerkte wordt beschreven in aparte artikelen: nog niet oproepbaar.

.

Zie ook: opmerkingen n.a.v. een filmpje over vormtekenen
.

2104

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Vormtekenen (1-1)

.

Een van de unieke vrijeschoolvakken is het vormtekenen.

In zijn pedagogische voordrachtenreeksen GA 293 t/m/ 311 legt Steiner uit wat hij met dit vak beoogt en geeft hij aanwijzingen hoe het (niet) te geven.

Er zijn verschillende soorten vormtekeningen te onderscheiden:

1. De geïndividualiseerde temperamentsoefeningen, beschreven in GA 295, 3e vdr. → artikel
Dit onderwerp is door mij uitvoerig behandeld in samenhang met het vak rekenen ‘in temperamenten’ voor de 1e klas:

In dit artikel worden de vormtekeningen voor het flegmatische en cholerische temperament besproken:
(1) Temperament en rekenen (1)
optellen ‘flegmatische en cholerisch’.

In dit artikel worden de vormtekeningen voor het sanguinische en melancholische temperament besproken:
(2) Temperament en rekenen (2)
vermenigvuldigen ‘sanguinisch en melancholisch.

2. De voorbereidende schrijfoefeningen
Opmerkingen daarover in GA 301 → artikel

3. De geometrische figuren  (op zich)
Opmerkingen daarover in:
GA 293 → artikel
GA 294 → artikel
GA 295 → artikel
GA 301 → artikel

4. De (a-)symmetrie-oefeningen
Opmerkingen daarover in:
GA 303 → artikel
GA 307 → artikel
GA 311 → artikel

5.De vlechtvormen

6.Andere vormen

7.Meetkundige figuren
Wanneer in de meetkundeperioden wetmatigheden geleerd zijn die toegepast kunnen worden, bv. het verdelen van een cirkelboog door de straal of wanneer bv. 5-hoeken en/of -sterren geconstrueerd kunnen worden, is het mogelijk met deze figuren de prachtigste composities te maken die ook nog eens kunstzinnig verwerkt kunnen worden, m.n. met kleur.

De vormen horen, zodra passer en liniaal hun intrede doen. strikt genomen bij de meetkunde en niet bij ‘het vormtekenen’.

Voor het tot stand komen van deze vormen uit de meetkunde in de 6e klas:
zie de beschreven periode in de artikelen: [2-3/1] e.v.
Voorbeelden: vrijschool in beeld

ZITTEN OF STAAN

1.De temperamentsoefeningen

Het gaat hier niet om ‘grootse’ bewegingen. De tekening van de sanguinicus leent zich zeker niet om staand te worden uitgevoerd. De benodigde concentratie voor de afwisseling vraagt dat je ‘dicht bij je werk’ blijft.
De aard van de melancholicus brengt met zich mee dat hij/zij de tekening liever zittend maakt. Er is ook geen reden dat staan beter zou zijn.
Dat ligt iets anders voor de cholericus: hij vindt het wellicht fijner om te staan, om wat grotere bewegingen te kunnen maken; strikt noodzakelijk is het niet.
Voor de flegmaticus zou het wellicht goed zijn, weer eens even ‘in de verticaal’ te komen. Voor de tekening is het niet noodzakelijk.

2. De voorbereidende schrijfoefeningen

Hoewel het ‘inoefenen’, het vertrouwd raken met de vorm die geoefend gaat worden, gediend is met staan: in  grote gebaren de leerkracht na kunnen doen, moet de oefening op papier zittend worden gedaan; immers: als we schrijven zitten we.

3.De geometrische figuren

Hierbij gaat het om bv. cirkel, driehoek, vierkant, rechthoek, ellips, spiraal, ruit e.d., de figuren die Steiner tot de ‘kosmische vormen’ rekent.
In GA 293, voordracht 3 en 8 komt naar voren dat deze vormen vooral ervaren worden door de ‘verticale mens’ in ons. Voor nadere uitleg, zie [3-8-1] en
[8-4-6] Door de samenhang met de bewegingszin pleit het er sterk voor deze vormtekeningen staand uit te vormen. ‘In de verticaal’ roept toch meer het beeld van staan op dan van zitten.

4.De (a)-symmetrische oefeningen

Allereerst zullen deze oefeningen staand nagedaan worden wanneer de leerkracht deze voortekent in de lucht. Bij de verwerking op papier verdient staan de voorkeur, omdat je hier – dat geldt steeds wanneer je staat en veel minder bij het zitten – afstand kan nemen van wat je gedaan hebt, om het vanuit een ‘hoger’ overzicht opnieuw en dus beter te doen, te corrigeren e.d. Het maakt de grotere beweging mogelijk, waardoor ‘vanuit het hele lijf’ realistischer wordt.

5.De vlechtvormen

Vlechtvormen zijn geen aanwijzing van Rudolf Steiner. 
Ze zijn op zeker ogenblik in een klas geïntroduceerd n.a.v. het werk van Rudolf Kutzli ‘Lango-bardische Kunst‘. 
Om de vlechtvormen zelf te leren tekenen, ontwikkelde Kutzli een ‘oefenweg’ en noemde deze: “Entfaltiung schöpferischer Kräfte durch lebendiges Formenzeichnen’.
Bij deze vlechtvormen zij de ‘kruisingen’ essentieel: waar de ene lijn stopt en de ander doorloopt. Om dat punt gaat het. 
Dat zou je een ‘bewustzijnspunt van het Ik’ kunnen noemen. Een kruispunt.
In de 4e klas wordt bij het handwerken de kruissteek geoefend. Ook dit kruis wordt in verband gebracht met genoemd ‘ik-ontwikkelingsmoment’.
Het is dus niet vreemd dat iemand met de vlechtvormen in de 4 klas is begonnen, te meer, daar Steiner voor de 4e klas geen specifieke vormen heeft aangegeven.
Wel geometrische. [zie Rudolf Steiner over vormtekenen – nog niet oproepbaar] 
Voor Kutzli is het ‘kruismoment’ ‘HET’ moment van de tekening en in zijn cursus kan dat alleen tot stand komen vanuit een soort ritmisch tekenen, waarbij het bovenlijf zich actief beweegt en zich actief inhoudt, waarbij ook nog eens meer en minder nadruk wordt gegeven aan de dikte van de lijn. 

Het hoeft verder geen betoog dat wanneer je met de kinderen vlechtvormen tekent op basis van de methode van Kutzli, ze niet anders dan kunnen staan.

5. De andere vormen

Ook voor de 5e (en hogere) klassen heeft Steiner geen aanwijzingen (meer) gegeven voor het vak vormtekenen.
In Zwitserland heeft de vrijeschoolleerkracht Hans Rudolf Niederhäuser zich veel moeite getroost om vormen voor deze klassen te vinden. 
Daar de 5e klas als vertelstof ‘Griekse mythologie’ heeft, heeft Niederhäuser o.a. meandervormen voor deze klas gebruikt.
De motieven om te staan of te zitten houden elkaar in evenwicht.

6.De meetkundige figuren
Uiteraard is het werk met passer en liniaal alleen zittend mogelijk.

Er zou nog een zevende vorm te noemen zijn met het werk dat vooral door Ernst Bühler tot ontwikkeling is gebracht, het ‘dynamisch tekenen’. [in Formenzeichnen
Ik heb de indruk dat deze vorm in het (Nederlandse?) vrijeschoolonderwijs geen grote plaats is gaan innemen. 

Bij leerplan alle artikelen vind je wat Steiner en Caroline von Heydebrand als leerstof voor de verschillende klassen beschreven hebben.

Wat Steiner in de verschillende voordrachten opmerkte wordt beschreven in aparte artikelen: nog niet oproepbaar.

.

Zie ook: opmerkingen n.a.v. een filmpje over vormtekenen
.

2103

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 8 (8-5)

.

Enkele gedachten bij blz. 134 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan het slot van voordracht 8 geeft Steiner nog een klein resumé van gezichtspunten waaronder we de mens kunnen beschouwen, ja zelfs moeten beschouwen, willen we hem werkelijk kennen. 

In de 6e en 7e voordracht werd het standpunt ‘vanuit de geest’ gekozen; voordracht 2 ging vooral uit van de ‘de ziel’ en in de komende voordrachten wordt ook uitgegaan van het ‘het lichaam’. 

Blz. 137/138   vert. 134

GEEST

Der Geist muß ergriffen werden durch Bewußtseinszustände, wie Wachen, Schlafen und Träumen.

De geest moet men begrijpen door middel van verschillende bewustzijnsgesteldheden zoals waakbewustzijn, droombewustzijn en ‘slapend bewustzijn’.

Aer wir reden nicht richtig von dem Geist, wenn wir nicht beschreiben, wie er sich in Bewußtseinszuständen auslebt;

Maar nogmaals: we bespreken de geest niet adequaat, wanneer we niet beschrijven hoe de geest zich in bewustzijnstoestanden uit;

ZIEL

Das Seelische wird ergriffen durch Sympathie und Antipathie, das heißt durch Lebenszustände; das tut sogar die Seele fortwährend im Unterbewußten. Die Seele haben wir eigentlich im astralischen Leib, das Leben im ätherischen Leib, und zwischen beiden ist eine fortwährende Korrespondenz im Inneren, so daß sich von selbst das Seelische in den Lebenszuständen des ätherischen Leibes auslebt.

Het zielenleven wordt begrepen door sympathie en antipathie, dat wil zeggen door levenstoestanden; dat doet de ziel zelfs voortdurend in het onderbewuste. De ziel hebben we eigenlijk in het astrale lichaam en het leven in het etherlichaam en tussen beide is een voortdurende inwendige correspondentie, zodat het zielengebied zich als vanzelf uit in de levenstoestanden van het etherlichaam.

Wir reden nicht richtig von der Seele, wenn wir nicht zeigen, wie sie zwischen Sympathie und Antipathie sich auslebt,

 We bespreken de ziel niet adequaat, wanneer we niet aantonen hoe zij zich beweegt tussen sympathie en antipathie.

LICHAAM

Und der Leib wird wahrgenommen durch Formzustände.

En het lichaam wordt waargenomen door vorm-toestanden.

Wir reden nicht richtig vom Leibe, wenn wir ihn nicht in wahrhaften Formen erfassen.

We bespreken het lichaam niet adequaat, wanneer we dit niet in werkelijke vormen begrijpen. 

In de 7e voordracht van GA 294, een dag eerder uitgesproken dan deze 8e , heeft Steiner al een begin gemaakt met deze morfologie, i.v.m. de dierkunde. In GA 293 komt dat in voordracht 10 aan de orde. Daarbij zal ik dan ook genoemde 7e voordracht betrekken

Door alle pedagogische voordrachten heen waarschuwt Steiner wel een keer om niet  van ‘schema’s uit te gaan, omdat deze de werkelijkheid altijd  tekort doen. In deze voordracht op blz. 125 [8-3]

Denn nur dadurch, daß sie dieses unschematische Denken in sich aufnehmen, kommen sie mit ihrer Seele der Wirklichkeit nahe.

Alleen door niet in schema’s te denken, kom je dichter bij de werkelijkheid.
GA 296/73
Vertaald

Door de bespreking van de vorige voordrachten heen, hebben we kunnen zien dat ‘schematiseren’ wel kan helpen zicht te krijgen op het geheel, mits we maar voortdurend alles op elkaar betrekken, bewust de verschillende standpunten innemen. Ook Steiner zelf maakt veelvuldig gebruik van schema’s om iets te verduidelijken.

Zo zou, wat er tot nog toe aan de orde is geweest, in deze schets kunnen worden samengevat:

 

                                                               HOOFD
  GEEST                        zenuw-zintuigstelsel 
afbraak                  rust
    wakker                                              denken                      

                                                               voorstelling

    ——                                                    antipathie

 

                                                               ROMP
     ZIEL                               ademhaling/bloedsomloop                 ritme
 
dromen                                             voelen                   

                                                            sympathie

                                                          LEDEMATEN
LICHAAM                         stofwisselingsstelsel   opbouw        beweging   slapen                                               willen                  

 

 

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 8 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

2102

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.