VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 8 (8-4-1)

.

DE TWAALF ZINTUIGEN

[1] DE IK-ZIN

GA 293 [1]  blz. 124/125 (pdf)  vert. 126/127

( ) weil man einfach nicht beachtet, daß der Mensch ein ähnliches Verhältnis zu seiner Umwelt hat, wenn er das Ich eines anderen Menschen
wahrnimmt, wie er es hat, wenn er eine Farbe wahrnimmt durch den
Sehsinn. (  )

Wanneer de mens het ik van een ander mens waarneemt, heeft hij eenzelfde soort relatie tot de wereld om hem heen als wanneer hij een kleur waarneemt met zijn gezichtsvermogen.

Wenn einer an die Ich-Vorstellung denkt, so denkt er zunächst an seine
eigene Seelenwesenheit; dann ist er gewöhnlich zufrieden. Fast machen
es die Psychologen auch so. Sie bedenken gar nicht, daß es etwas völlig
Verschiedenes ist, ob ich durch das Zusammennehmen dessen, was ich
an mir selbst erlebe, zuletzt die Summe dieses Erlebens als «Ich» bezeichne oder ob ich einem Menschen gegenübertrete und durch die
Art, wie ich mich zu ihm in Beziehung setze, auch diesen Menschen als
ein «Ich» bezeichne. Das sind zwei ganz verschiedene geistig-seelische Tätigkeiten. Das eine Mal, wenn ich meine Lebenstätigkeiten in der
umfassenden Synthesis «Ich» zusammenfasse, habe ich etwas rein Innerliches; das andere Mal, wenn ich dem anderen Menschen gegenübertrete und durch meine Beziehung zu ihm zum Ausdruck bringe, daß
er auch so etwas ist wie mein Ich, habe ich eine Tätigkeit vor mir, die
im Wechselspiel zwischen mir und dem anderen Menschen verfließt.
Daher muß ich sagen: Die Wahrnehmung meines eigenen Ich in meinem Inneren ist etwas anderes, als wenn ich den anderen Menschen als
ein Ich erkenne. Die Wahrnehmung des anderen Ich beruht auf dem
Ich-Sinn, so wie die Wahrnehmung der Farbe auf dem Sehsinn, die
des Tones auf dem Hörsinn beruht. Die Natur macht es dem Menschen
nicht so leicht, beim «Ichen» das Organ des Wahrnehmens so offen zu
sehen wie beim Sehen. Aber man könnte gut das Wort «Ichen» gebrauchen für das Wahrnehmen anderer Iche, wie man das Wort Sehen gebraucht beim Wahrnehmen der Farbe. Das Organ der Farbenwahrnehmung ist außen am Menschen; das Organ der Wahrnehmung der Iche
ist über den ganzen Menschen ausgebreitet und besteht in einer sehr
feinen Substantialität, und daher reden die Menschen nicht vom IchWahrnehmungsorgan. Dieses Ich-Wahrnehmungsorgan ist etwas anderes als das, was bewirkt, daß ich mein eigenes Ich erlebe. Es ist sogar ein gewaltiger Unterschied zwischen dem Erleben des eigenen Ich
und dem Wahrnehmen des Ich bei einem anderen. Denn das Wahrnehmen des Ich bei einem anderen ist im wesentlichen ein Erkenntnisvorgang, wenigstens ein der Erkenntnis ähnlicher Vorgang; das Erleben des eigenen Ich dagegen ist ein Willensvorgang.

Denkt iemand aan de ik-voorstelling, dan denkt hij het eerst aan zijn eigen zielewezen; dan is hij meestal al tevreden.
Maar er is sprake
van twee totaal verschillende dingen, wanneer ik alles wat ik van mezelf ervaar onder één noemer breng en het totaal daarvan ‘ik’ noem, en wanneer ik tegenover iemand anders sta en door de wijze waarop ik me met de ander verbind ook die ander een ‘ik’ kan noemen. Dat zijn twee totaal verschillende activiteiten van geest en ziel.
Wanneer ik al mijn doen en laten samenvat in de alomvattende synthese ‘ik’, dan is dat een louter innerlijk proces. Wanneer ik tegenover een ander sta en door mijn relatie tot de ander tot uitdrukking breng dat ook hij iets dergelijks is als mijn ik, dan is dat een activiteit die zich in de wisselwerking tussen mij en de ander afspeelt.
Ik moet dus zeggen dat het waarnemen van mijn eigen ik in mijn innerlijk iets anders is dan het inzien dat een ander mens ook een ik is. De waarneming van het ik van een ander berust op de ik-zin, zoals de waarneming van kleur berust op de gezichtszin en de waarneming van klank op het gehoor. De natuur maakt het de mens niet zo gemakkelijk om het waarnemingsorgaan voor het ik net zo duidelijk te zien als dat van het zien. Maar men zou heel goed het woord ‘ikken’ kunnen gebruiken voor het waarnemen van het ik van anderen, zoals men het woord ‘zien’ gebruikt voor het waarnemen van kleur. Het waarnemingsorgaan voor kleur zit aan de buitenkant van de mens; het orgaan dat het ik waarneemt, is over de gehele mens uitgestrekt en bestaat uit een zeer fijne substantie; daarom merken de mensen het niet op. Dit waarnemingorgaan voor het ik is iets anders dan dat wat bewerkstelligt dat ik mijn eigen ik ervaar. Er is zelfs een geweldig groot verschil tussen het ervaren van het eigen ik en het waarnemen van het ik van een ander. Het laatste is in essentie een kenproces, althans een proces dat met het kennen verwant is; het eerste is een wilsproces.

Deze Ik-zin begrijpen lijkt op het eerste gezicht niet zo moeilijk.
Want als je er over nadenkt en nog niet alles gelezen wat er nog meer bijkomt. kom je makkelijk tot deze conclusie, waarvan Steiner weet dat vele mensen die trekken:
.
Eigentlich sieht man vom äußeren Menschen seine Gestalt, man hört seine Töne, und dann weiß man, daß man selbst so menschlich ausschaut wie der andere Mensch, daß man drinnen in sich ein Wesen hat, das denkt und fühlt und will, das also auch seelisch-geistig ein Mensch ist. – Und so schließt man durch Analogie: Wie in mir selbst ein denkendes, fühlendes, wollendes Wesen ist, so ist es auch beim anderen. – Ein Analogieschluß von mir selbst auf
den anderen wird vollzogen.

Je ziet eigenlijk de gestalte van een mensenlichaam, je hoort wat voor klanken de ander produceert en je weet dat je er zelf ook zo als een mens uitziet en dat je in jezelf een wezen hebt dat denkt, voelt en wil en dat de mens dus ook ziel en geest heeft. En analoog daaraan concludeer je: zoals in mijzelf een denkend, voelend en willend wezen bestaat, zo is dat ook bij die ander. -Dat is een conclusie naar analogie, waarbij je redeneert van jezelf naar de ander. 

Toen ik voor het eerst met deze inzichten kennis maakte, heb ik dat ook gedacht. Zo meende ik het te moeten begrijpen.
Niet wetende dat ik me daarmee onder de ‘abstractelingen’ schaarde ‘die een dwaasheid begaan’.
Dat heeft mij niet weerhouden te proberen minder abstract te zijn, maar dat valt tot op heden niet mee.
Want er gebeurt tussen de twee mensen-Ikken iets heel anders: 

Das Wechselverhältnis zwischen dem einen Menschen
und dem anderen schließt etwas ganz anderes in sich. Stehen Sie einem Menschen gegenüber, dann verläuft das folgendermaßen: Sie nehmen den Menschen wahr eine kurze Zeit; da macht er auf Sie einen
Eindruck. Dieser Eindruck stört Sie im Inneren: Sie fühlen, daß der
Mensch, der eigentlich ein gleiches Wesen ist wie Sie, auf Sie einen
Eindruck macht wie eine Attacke. Die Folge davon ist, daß Sie sich
innerlich wehren, daß Sie sich dieser Attacke widersetzen, daß Sie
gegen ihn innerlich aggressiv werden. Sie erlahmen im Aggressiven, das
Aggressive hört wieder auf; daher kann er nun auf Sie wieder einen
Eindruck machen. Dadurch haben Sie Zeit, Ihre Aggressivkraft wieder
zu erhöhen, und Sie führen nun wieder eine Aggression aus. Sie erlahmen darin wieder, der andere macht wiederum einen Eindruck auf
Sie und so weiter. Das ist das Verhältnis, das besteht, wenn ein Mensch
dem anderen, das Ich wahrnehmend, gegenübersteht: Hingabe an den
Menschen – innerliches Wehren; Hingabe an den anderen – innerliches
Wehren; Sympathie – Antipathie; Sympathie – Antipathie. Ich rede
jetzt nicht von dem gefühlsmäßigen Leben, sondern nur von dem wahrnehmenden Gegenüberstehen. Da vibriert die Seele; es vibrieren: Sympathie – Antipathie, Sympathie – Antipathie, Sympathie – Antipathie.

De wisselwerking tussen twee mensen behelst nog iets heel anders. Staat u tegenover iemand dan gaat het als volgt. U neemt de ander gedurende korte tijd waar; hij werkt op u in, maakt een indruk op u. Deze indruk stoort u in uw innerlijk: u voelt dat de ander, die eigenlijk eenzelfde wezen is als u, een indruk maakt als van een aanval. Het gevolg is dat u zich innerlijk teweerstelt, dat u zich verzet tegen deze aanval, dat u innerlijk agressief tegen hem wordt. Uw agressie neemt weer af en houdt op; daardoor kan de ander weer op u inwerken. Daardoor heeft u de tijd uw agressie weer te versterken en dan maakt u innerlijk weer een agressieve beweging. Die agressie neemt weer af, de ander kan weer een indruk op u maken enzovoort. Dat is de relatie tussen twee mensen, wanneer de een het ik van de ander waarneemt: overgave aan de ander — innerlijke afweer; overgave — afweer; sympathie — antipathie; sympathie — antipathie. Ik heb het nu niet over het gevoelsleven, maar alleen over het waarnemen van de ander tegenover je. Daarbij vibreert de ziel in sympathie — antipathie, sympathie – antipathie, sympathie – antipathie. [2]

Nu zou er ook nog iets anders gebeuren. Ik weet (nog) niet of dat te maken heeft met een eervaring die ik heb – en die anderen ook hebben – dat het moeilijk is om wanneer je tegenover de ander zit of staat en met hem spreekt, steeds naar de ogen te kijken, je wendt je blik steeds af om weer terug te keren enz.’of je kijkt niet meer naar de ogen, maar naar de mond, ook niet zo lang; in de aandacht lijkt dat wel op ‘meer’, ‘minder’, alsof er iets is van ‘wakkerder’ en ‘minder wakker’. 

Blz. 126 (pdf) vert. 128/129

Aber es ist noch etwas anderes der Fall. Indem die Sympathie sich
entwickelt, schlafen Sie in den anderen Menschen hinein; indem die
Antipathie sich entwickelt, wachen Sie auf und so weiter. Das ist ein
sehr kurz dauerndes Abwechseln zwischen Wachen und Schlafen in
Vibrationen, wenn wir dem anderen Menschen gegenüberstehen. Daß
es ausgeführt werden kann, verdanken wir dem Organ des Ich-Sinnes.Dieses Organ des Ich-Sinnes ist also so organisiert, daß es nicht in seinem wachenden, sondern in einem schlafenden Willen das Ich des anderen erkundet – und dann rasch diese Erkundung, die schlafend vollzogen wird, in die Erkenntnis hinüberleitet, das heißt, in das Nervensystem hinüberleitet. So ist, wenn man die Sache richtig betrachtet,
die Hauptsache beim Wahrnehmen des anderen doch der Wille, aber
eben gerade der Wille, wie er sich nicht wachend, sondern schlafend
entwickelt; denn wir spinnen fortwährend schlafende Augenblicke in
den Wahrnehmungsakt des anderen Ich ein. Und was dazwischen liegt,
ist schon Erkenntnis; das wird rasch abgeschoben in die Gegend, wo
das Nervensystem haust, so daß ich nennen kann die Wahrnehmung
des anderen wirklich einen Erkenntnisvorgang, aber wissen muß, daß
dieser Erkenntnisvorgang nur eine Metamorphose eines schlafenden
Willensvorganges ist. So ist also auch dieser Sinnesvorgang ein Willensvorgang, nur erkennen wir ihn nicht als solchen. Wir leben nicht bewußt alles Erkennen, das wir im Schlafe erleben.

Bij de ontwikkeling van sympathie geeft u zich slapend over aan de ander;0 bij de antipathie wordt u wakker enzovoort. Wanneer we tegenover een ander staan wisselen waken en slapen elkaar in zeer kortstondige trillingen af. Dat dit mogelijk is, hebben we te danken aan het orgaan van de ik-zin. Dit orgaan is dus zo opgebouwd dat het niet in de wakkere wil, maar in een slapende wil het ik van de ander waarneemt en dan snel deze slapend voltrokken waarneming tot kennis brengt, dat wil zeggen, in het zenuwstelsel brengt. Wanneer men de zaak dus precies bekijkt, dan is de hoofdzaak bij het waarnemen van de ander toch de wil en wel niet de wakkere, maar de slapend verlopende wil. Bij het waarnemen van een ander ik vallen we voortdurend kort in slaap. En wat daartussen ligt, behoort al tot het gebied van het kennen. Dat wordt fluks doorgeschoven naar het gebied van de zenuwen. Daarom kan ik de waarneming van een ander inderdaad een kenproces noemen, maar ik moet dan wel voor ogen houden dat dit kenproces slechts een metamorfose is van een slapend wilsproces. Zo is ook dit zintuigproces een wilsproces, alleen herkennen we het niet als zodanig. We zijn ons niet van elk kennen bewust dat we slapend doormaken.

Op blz. 137  vert. 133

voegt Steiner hierover nog toe:

Ich habe noch hinzuzufügen, daß Ich-Sinn, Gedankensinn, Hörsinn und Sprachsinn mehr Erkenntnisse sind, weil der Wille darin eben der schlafende Wille ist, der wirklich schlafende Wille, der in seinen Äußerungen vibriert mit einer Erkenntnistätigkeit. So lebt schon in der Ich-Zone des Menschen Wille, Gefühl und Erkenntnis, und sie leben mit Hilfe von Wachen und Schlafen.

Ik moet hier nog aan toevoegen dat de ik-zin, de gedachtezin, de gehoorzin en de taalzin meer kenniszintuigen zijn, omdat de wil daarin slaapt, werkelijk slaapt en in zijn uitingen meetrilt met een ken-activiteit. Zo leven zelfs in de zone van het ik van de mens willen, voelen en kennen, en wel met behulp van waken en slapen.

.

[1] GA 293   vertaald
[2] Steiner verwijst hier naar GA 4, Filosofie van de vrijheid/v.a. b;z.212

Zintuigenalle artikelen

Algemene menskunde: zintuigen [8-4]

Algemene menskunde: voordracht 8 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

 

2084

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.