VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 8 (8-4-2)

.

Artikel in opbouw

Enige opmerkingen bij blz. 129 vert.

.
DE TWAALF ZINTUIGEN

2. GEDACHTEZIN

Bij de Ik-zin gaat het dus NIET om het waarnemen van het eigen Ik, maar om dat van iemand anders; precies zo is het met de gedachtezin.

Blz.. 132     vert. blz. 129

Dann haben wir als nächsten Sinn, aber getrennt von dem Ich-Sinn und von allen übrigen Sinnen, denjenigen zu beachten, den ich bezeichne als Gedankensinn. Gedankensinn ist nicht der Sinn für die Wahrnehmung eigener Gedanken, sondem für das Wahrnehmen der Gedanken der anderen Menschen.

Het volgende zintuig is wat ik de gedachtezin noem, die los staat van de ik-zin en van alle andere zintuigen. De gedachtezin is niet het zintuig voor de waarneming van eigen gedachten, maar voor de waarneming van gedachten van andere mensen.

Over de samenhang denken-taal is veel gefilosofeerd. De mening heerst dat we met de taal ook altijd de gedachten in ons opnemen. Maar volgens Steiner kun je met je gedachtezin even goed gedachten waarnemen die liggen in ruimtelijke gebaren als gedachten die liggen in de gesproken taal.

Vor allen Dingen sind die Leute so sehr von der Zusammengehörigkeit von Sprache und Denken beeinflußt, daß sie glauben, mit der Sprache wird immer auch das Denken aufgenommen. Das ist ein Unding. Denn Sie könnten die Gedanken durch Ihren Gedankensinn ebenso als liegend in äußeren Raumesgebärden wahrnehmen wie in der Lautsprache. Die Lautsprache vermittelt nur die Gedanken. Sie müssen die Gedanken für sich selbst durch einen eigenen Sinn waIrrnehmen. 

Men is zozeer beïnvloed door de samenhang van taal en denken dat men meent dat we met de taal altijd ook de gedachten in ons opnemen. Dat is een onzinnig idee. Met uw gedachtezin kunt u namelijk even goed gedachten waarnemen die liggen in ruimtelijke gebaren als gedachten die liggen in de gesproken taal. De gesproken taal geeft alleen maar uiting aan gedachten. U moet de gedachten zelf met het daarbij behorende zintuig waarnemen.

Wij waren eens in het niet meer bestaande Joegoslavië op vakantie. Dat was toen nog een tamelijk streng communistisch land en je mocht er niet vrij kamperen. We vroegen wel bij tijd en wijle aan bewoners van boerderijen of we daar onze tent mochten opzetten. Toen we een keer een oprit opliepen, kwam er een oude vrouw op ons af die – het voor ons zo bekende ‘wegwerpgebaar’ maakte. We keerden dan ook om. Later hoorden wij dat dit een gebaar van uitnodiging was.
Hadden wij dit geweten, dan zouden wij in het gebaar haar gedachte: ‘Komen jullie maar’ hebben kunnen ‘lezen’. We zouden haar in ieder geval zonder woorden hebben begrepen. 

Steiner bevestigt deze ervaring min of meer met:

Und wenn einmal für alle Laute die eurythmischen Zeichen ausgebildet sind, so braucht Ihnen der Mensch nur vorzueurythmisieren und Sie lesen aus seinen eurythmischen Bewegungen ebenso die Gedanken ab, wie Sie in der Lautsprache sie hörend aufnehmen. Kurz, der Gedankensinn ist etwas anderes, als was im Lautsinn, in der Lautsprache wirkt. – Dann haben wir den eigentlichen Sprachsinn.

Wanneer ooit voor alle klanken de euritmische gebaren ontwikkeld zijn,° dan hoeft iemand u slechts voor te euritmiseren en u leest aan zijn euritmische gebaren even goed de gedachten af als u ze in de klanken van de taal kunt horen. Met andere woorden, de gedachtezin is iets anders dan wat in de klankzin, wat in de klankentaal werkt. Met dit laatste komen we bij de eigenlijke taalzin.

°euritmisch: De euritmie is een nieuwe bewegingskunst, die door Steiner is ontwikkeld. Daarbij is het lichaam het instrument om een muziekstuk of een literair werk (proza of poëzie) zichtbaar te maken. Vgl. Euritmie, spraakvorming en toneelkunst, WV-I13; Eurythmie. Die Offenbarung der sprechenden Seele, GA 277; Jelle van der Meulen/Willemijn Otte, Bezield bewegen. Wat is euritmie?, Zeist 1992.

De euritmische gebarentaal

Aan het eind van de opmerkingen over de gedachtezin, zien we voor de ‘woordzin’, nieuwe karakteristieknamen: klank-zin en taalzin.

GEDACHTEZIN ALS BEWUSTZIJNSZIN

Bij de Ik-zin gaat Steiner uitvoerig in op de kwaliteit van de de ‘bovenste’ zintuigen als ‘kenniszintuigen’ t.o. de gevoels- maar vooral de wilszintuigen.

Op blz. 137  vert. 133 voegt hij nog toe:

Ich habe noch hinzuzufügen, daß Ich-Sinn, Gedankensinn, Hörsinn und Sprachsinn mehr Erkenntnisse sind, weil der Wille darin eben der schlafende Wille ist, der wirklich schlafende Wille, der in seinen Äußerungen vibriert mit einer Erkenntnistätigkeit. So lebt schon in der Ich-Zone des Menschen Wille, Gefühl und Erkenntnis, und sie leben mit Hilfe von Wachen und Schlafen.

Ik moet hier nog aan toevoegen dat de ik-zin, de gedachtezin, de gehoorzin en de taalzin meer kenniszintuigen zijn, omdat de wil daarin slaapt, werkelijk slaapt en in zijn uitingen meetrilt met een ken-activiteit. Zo leven zelfs in de zone van het ik van de mens willen, voelen en kennen, en wel met behulp van waken en slapen.

.

GA 293   vertaald

Zintuigenalle artikelen

Algemene menskunde: zintuigen [8-4]

Algemene menskunde: voordracht 8 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

2085

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.