VRIJESCHOOL – 2e klas vertelstof – Sint-Joris (3-16)

.

RIDDER JORIS

Eens in het verre Morgenland in de tijd na de komst van Jezus Christus leefden er dappere ridders die de ‘ridders van de gerechtigheid’ werden genoemd. Onherkenbaar trokken ze door de landen. Waar een kwaad, wild dier een landstreek vernielde of waar brutale rovers de mensen op eenzame wegen overvielen en beroofden, kwamen zij er op een dag aan.
De wilde dieren werden bestreden, de rovers gestraft of weggejaagd. Niemand wist waar en wanneer die ridders zouden opduiken om de mensen die in nood zaten te helpen. Dat kon diep in het bos zijn, op een afgelegen weg of midden in een drukke stad.
Zo waren deze ridders van de gerechtigheid een vaste hoop voor de zwakken en een schrik voor de booswichten.
Welke eed ze hadden gezworen bij hun ridderschap, wist niemand, maar wel wist men dat ze nooit langer dan drie dagen op dezelfde plaats bleven.

In deze tijd was er een mooie stad aan zee, met de naam Silena. De muren liepen beschermend tot aan de kust. Een hooggelegen slot was de woning van de koning die over dit land regeerde.

Sinds lange tijd heerste er veel verdriet en was er veel leed in deze stad. Van tijd tot tijd dook uit het water een draak op. Half vliegend, half kruipend bewoog hij zich over het land, roofde dieren uit de veekudden, verwoestte hutten en verslond ook mensen. Niemand, ook de soldaten van de koning niet, had tot nog toe dit ondier kunnen weren. De koning liet aan een wijs man in de bergen vragen wat er moest gebeuren. De kluizenaar gaf als raad:

‘Wanneer de zee onrustig wordt, bindt dan twee schapen bij de oever vast waar hij meestal uit het water komt. Hij zal ze opvreten en weer terug gaan in zee.

De raad werd opgevolgd. Toen de draak weer kwam, slokte hij de schapen op en keerde om. Maar er was nog geen jaar voorbij of de draak nam met dit voedsel geen genoegen meer. Hij vrat de schapen wel op, maar ging weer over het land en zijn verwoestingen begonnen weer van voor af aan.

Opnieuw zond de koning boden naar de kluizenaar. Toen deze hoorde dat het allemaal weer erger was geworden, was hij zeer bedroefd en hij sprak: ‘Kom na drie dagen terug om mijn raad te vernemen!’

Toen de boden na deze tijd weer bij hem kwamen, wilde hij de raad eerst niet geven. Doch zij drongen er bij op aan: ‘Zonder uw raad durven wij niet terug te keren. De koning zou ons de schuld geven dat u niet met ons heeft gesproken.’ Toen gaf de kluizenaar de droevige boodschap: ‘Wanneer deze draak weer tevreden gesteld moet worden, wil hij zuiver mensenbloed proeven. Dat kan het lichaam van een jonge vrouw hem geven!’

Deze woorden brachten de boden over aan de koning.

De ontsteltenis was groot. Uiteindelijk bleef er niets anders over dan de jonge vrouwen uit de stad bijeen te brengen en door het lot de ongelukkige te kiezen die het offer zou zijn.

Bij de zee bevond zich een rots die men de drakensteen noemde, omdat de draak daar in de buurt uit het water opdook. Daarheen werd de jonge vrouw gebracht die het rode staafje had getrokken. Ze werd geblinddoekt en aan de steen vastgebonden.
De draak dook op, verslond haar en keerde onmiddellijk weer in het water terug.

Maar onder het volk ontstond gemor, omdat de koning zijn dochter niet mee had laten loten en toen er weer een nieuwe loting moest plaatsvinden, liep een huilende menigte tot voor het slot en riep: ‘Prinses Elees moet ook meeloten! ‘Prinses Elees moet ook meeloten!

De koning kon tegen de wil van het volk niet langer op, want ook zijn raadsheren waren het met deze stemmen eens. Dus stond ook Elees net als de andere jonge vrouwen van de stad in de rij om het lot te trekken. De opperraadsheer had een zakje van zwart fluweel met daarin vele dunne staafjes. Aan de bovenkant zagen die er allemaal hetzelfde uit. De onderhelft was bij alle wit, behalve bij één: dat offerstaafje was aan de onderkant rood als bloed. Bij wie een wit staafje trok, sprong het hart van vreugde op. Elees trok het rode….

Hoewel haar vader en moeder bitter huilden en weeklaagden, werd hun dochter naar de drakensteen gebracht. Toen men haar aan een ijzeren ring wilde vastmaken, zoals men dat gewend was, smeekte Elees: ‘Bind mij niet vast aan de steen. Ik zal niet vluchten en mijn ogen zal ik zelf met mijn witte sluier verhullen.’ Toen deed ze de fijne stof over haar hoofd en ging tegen de rotssteen staan.
Boven op de muur van het slot stonden haar ouders, smeekten de oude goden dat er een wonder zou mogen geschieden en dat hun dochter gered mocht worden.

In de zee begon het te woelen, er ontstonden hoge golven die tegen de drakenrots aanklotsten.

Maar nu verscheen er op de hoogte van de nabij gelegen heuvels een ridder op een wit paard. Zijn uitrusting glansde in het licht van de zon. Hij moet van de gebeurtenissen gehoord hebben, want toen hij diep beneden zich aan het water de jonge vrouw  op de drakenrots aanschouwde, slaakte hij een kreet. Zijn paard sprong heuvelafwaarts op het opschuimende water af. Daar verscheen uit het ziedende water de kop van de draak. Begerig flikkerden zijn tanden in de grote muil. Maar toen het monster uit het water oprees, stond daar de ridder met zijn zwaard en sterke lans. Na een hevig gevecht doorstak hij het schubbige lijf van het ondier. Met een vreselijke doodskramp stortte de draak terug in zee en liet een streep donker bloed achter en zonk.

Toen het tumult met de wapenen begon, tilde Elees de sluier op en maakte van dichtbij de hevige strijd mee.
Toen de draak in de diepe golven verzonk, zag ze de vreemde, wonderbare ridder van zijn paard afstijgen. Hij stootte zijn zwaard in de grond en knielde neer en bad. Met verbazing zag Elees dat hij in de richting van de weggezonken draak het teken van het kruis maakte. Toen zag ze dat er ook op het schild van de ridder een rood kruisteken stond. Nog altijd beefde ze over haar hele lijf door de doorgemaakte schrik.
Toen de ridder haar zijn sterke hand reikte en haar van de steen naar beneden hielp, stroomde er rust en nieuwe moed in haar hart.

Vanaf de stadsmuren waar veel volk de strijd meebeleefd had, hief een groot gejuich aan. De poorten gingen open en de menigte stroomde in drommen naar de drakensteen. Elees en haar bevrijder werden jubelend omringd. Vol geluk sloten de ouders hun dochter in de armen. Ten aanschouwen van het hele volk vroeg de koning naar de naam van de ridder: ‘Onbekende, edele ridder en redder, zeg mij uw naam, dat ik u kan danken en zeg mij in welk teken uw strijd stond.

Toen wees de ridder op het kruisteken op zijn schild en sprak:
‘Joris is mijn naam. In het teken van Christus strijd ik en Michael de hemelse strijder tegen de duisternis geeft mij kracht.’

Het volk verzamelde zich rondom Joris en verlangde van hem dat hij over dit teken zou spreken. Hij klom op de drakensteen en verkondigde aan het volk de boodschap van het kruis van Jeruzalem.

Graag had de koning de koene ridder in zijn land gehouden en hem zijn dochter tot vrouw gegeven. Maar op de derde dag nam hij afscheid om nieuwe daden te verrichten.
Bij zijn vertrek bond Elees haar sluier als aandenken boven aan zijn lans en die wapperde als een vaantje toen hij achter de heuvel van het palmenbos verdween.

Joris 9

 

Jakob Streit: Ich will dein Bruder sein

2e klas vertelstofalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld2e klas

.

2098

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.