Maandelijks archief: mei 2013

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (11)

.

ZOMERTIJD RIJPINGSTIJD

Johannes de Doper: profeet van de ommekeer

Loom hangt de lucht boven het land. De hitte zindert en broeit dagenlang, je kunt er niet aan ontkomen. De gloeiende hitte wordt je teveel, je snakt naar adem, iedere beweging wordt vertraagd.
En dan ineens op een avond barst het onweer los. De bliksem flitst onop­houdelijk en zet alles in een geel-groen licht. Ratelende donderslagen rollen over de stad, en dan komt de regen. Het hemelwater stroomt langs de ra­men, het gutst door de goten, het bor­relt uit de putjes, en de planten neigen hun takken onder de last van zoveel water. De volgende morgen hangen ze nog diep gebogen naar de grond. Maar dan is de bui over, de hemel is opge­klaard, de lucht is weer blauw met on­schuldige witte wolkjes. Een nieuwe dag is aangebroken.
Dit woeste geweld van de elementen en de opklaring daarna is karakteris­tiek voor de hoogzomer. De frisse, onstuimige groei in de plantenwereld is over zijn hoogtepunt heen. Het is de tijd van rijping, de vruchten stoven in de zon en nemen de warmte in zich op. Als de zomer ten einde loopt, kan er geoogst worden, bij manden vol. Wat een rijkdom!
Ook voor de schoolkin­deren is het een rijpingstijd: wat ze opgenomen hebben in het afgelopen schooljaar, rijpt in de vakantietijd, in de tijd van het ‘vacuüm’, waar ogen­schijnlijk niets gebeurt. De rijping vol­trekt zich ‘onderhuids’, maar na deze ‘lege tijd’ kun je de vruchten plukken. Waar ruimte is voor rijping in alle rust, smaken de vruchten zoet en sappig! In iedere gezonde, rijpe vrucht ligt het zaad voor een nieuwe plant verborgen. Het schijnbaar dode zaad, de pit, de kern, zegt de Engelsman, bergt nieuw leven in zich. De plant ontwikkelt zich in de tijd en in de ruimte, volgens een ritme dat voor iedere plant een bepaal­de variatie is van een soort oer-ritme: uitbreiden en samentrekken in stengel en blad. Tenslotte is het of de hele 
plant zijn mooiste uitbreiding vormt in de bloem, maar tegelijk voltrekt zich in het hart van de bloem de laat­ste samentrekking. Wij genieten van de ontzaglijke rijkdom aan kleuren, waarmee de bloemen ons hart verwar­men. Maar we denken pas aan die ver­borgen harde ‘kern’ als de bloem ver­welkt. De gedachte daaraan: dat het leven in die onooglijke pitjes voortge­zet wordt, helpt ons over een gevoel van droefheid heen. De mooie, kleuri­ge bloemen vergaan, maar het punt van ommekeer tot iets nieuws, houden we in de hand. En daarmee moeten we aan de slag.

Johannes de Doper
Aan het begin van deze rijpingstijd staat een machtige gestalte, die zelf een ‘rijpe vrucht’ was van alle culturen die de mensheid tot dan toe had ge­kend. Het evangelie van Markus begint met een aanhaling uit het Oude Testa­ment, die deze voorloper van een nieuwe tijd beschrijft: ‘Zoals geschre­ven is in het boek van Jesaja de pro­feet: Zie, ik zend mijn Engel voor uw aangezicht uit: hij zal u de weg berei­den. Een stem hoort men roepen in de eenzaamheid: baant de weg van de Heer. maakt zijn paden recht. –
Zo was Johannes de Doper in de woestijn en verkondigde de doop der ommekeer tot bevrijding der zonden.
Op 24 juni vieren we het feest van Jo­hannes de Doper. Hij is de enige heili­ge op de oude kerkelijke kalender van wie niet de sterfdag wordt gevierd, maar de geboortedag. In de geboorte herkennen we dat punt van om­keer, het begin van iets nieuws. Hij is de laatste machtige profeet van Israël, de verkondiger van een nieuwe tijd, de profeet van de ommekeer. En opdat de mensen de geboorte van dat nieuwe kunnen meemaken, doopt hij allen die tot hem komen ‘uit het gehele land Judea en de stad Jeruzalem’, in het water van de Jordaan. ‘Tot bevrijding der zonden’ staat er dan nog bij. Het levende, stromende water bevrijdde, maakte los uit een soort verstarring, een te sterke gebondenheid aan het li­chaam. En als je wat meer los komt van dat fysieke lichaam en het teveel aan zorg daarvoor, dan kun je de op­dracht van Johannes begrijpen: ‘En het volk vroeg hem: Wat moeten we doen? Hij gaf hun ten antwoord: wie twee gewaden heeft, geve een aan wie er geen heeft, en wie voedsel heeft, doe desgelijks.’ Zo spreekt hij ook de tollenaars en de soldaten aan in hun speciale functie: neem niet meer dan je toekomt. Hij veroordeelt niet het beroep; dat doet ook later Jezus niet. Hij wijst op dat kleine punt van inner­lijke vernieuwing, dat iedereen in zijn eigen situatie moet leren ontdekken. Merkwaardig eigenlijk dat Johannes geboren wordt en leeft en werkt in Judea, het droogste en steenachtigste gebied van het oude Israël. Er lijkt een overeenkomst te zijn met de innerlijke ‘verharding’ waaruit de mensen bevrijd moeten worden. Alsof het juist daar het meeste nodig was dat deze grote persoonlijkheid optrad. Hij die het ja­renlang in de eenzaamheid van de woestijn had uitgehouden, kon het nu opnemen tegen de innerlijke woestijn waarin de mensen leefden. Nadrukke­lijk wordt vermeld dat er ook mensen kwamen uit de stad Jeruzalem. Was het de ‘steenwoestenij’ die zij ont­vluchtten of waren het de duistere praktijken van de koningen, die toen over de stad heersten? Een feit is dat men bang was aan het hof voor de machtige stem van Johannes, die de Farizeeërs en Sadduceeërs, de alom ge-eerde en gevreesde wetsgeleerden, aan­sprak met ‘Gij adderengebroed’.
Alles wat Johannes doet en zegt, is zo nieuw en verrassend voor zijn volgelin­gen, dat hem de vraag wordt gesteld of hij niet zelf degene is die komen zal, de Christus. Maar hij antwoordt: ‘Ik ben de stem van een roepende in de eenzaamheid.’ Hij is de stem, niet het Woord zelf, maar de stem is het woord het meest nabij. Zonder de menselijke stem kan het woord niet klinken in de wereld. En daarom ge­tuigt Johannes de Doper van het Woord.

Ontmoetingen
Er worden in de evangeliën twee exis­tentieel belangrijke ontmoetingen be­schreven van Johannes met Jezus, en beide keren heeft de ontmoeting met een geboorte te maken. De eerste ont­moeting wordt beschreven in het Lukas-evangelie. Maria gaat op weg naar haar nicht Elizabeth in Judea. Zij ont­moeten elkaar in het huis van Zacharias: ‘En toen Elizabeth de groet van Maria hoorde, geschiedde het dat het kind opsprong in haar schoot’. Enige maanden later wordt het kind Johan­nes geboren. Over de jaren daarna wordt niet geschreven, maar die ‘stille tijd’ zou je misschien kunnen aanvaar­den met het woord ‘rijping’. En als dan de tijd rijp is. vindt de volgende ontmoeting plaats, dertig jaar later. Bij de doop in de Jordaan schept Johan­nes door zijn rituele handeling ruimte, waardoor het Christuswezen geboren kan worden in de mens Jezus van Nazareth.

Het ongelooflijke is, dat hij, ook voor de Doop, in Jezus volkomen zijn meerdere erkende.’ Ik ben niet waard zijn schoenriem los te maken’. En toch zei Jezus later van hem, dat hij groter was dan wie ooit op aarde was geboren. De ‘lijfspreuk’ van Johannes was: ‘Hij moet groeien, ik moet afne­men’; en daarmee stelde hij zich ten volle in dienst van het nieuwe dat ge­boren wilde worden.

Het Isenheimer altaar
In de Franse stad Colmar in de Vogezen staat, in een voormalig klooster, een groot schilderij van Matthias Grünewald, die in de 16e eeuw leefde. Het stelt de Kruisiging voor en is oorspron­kelijk het middenpaneel van een drie­luik. Het wordt het Isenheimer altaar genoemd.

Rechts van de Gekruisigde staat Jo­hannes de evangelist die Maria onder­steunt, en een knielende Maria Magdalena. Links staat de geweldige gestalte van Johannes de Doper. Achter hem zie je de woorden (in het Latijn): ‘Hij moet groeien, ik moet afnemen.’ In de linkerhand draagt hij een opengeslagen boek en met zijn rechterhand wijst hij, duidelijk en gebiedend, naar de Ge­kruisigde. Aan zijn voeten staat een jong lam met de kruisstaf; bloed stroomt uit de nek in een gouden kelk. Dit offerlam wijst op een andere uit­spraak van Johannes: ‘De volgende dag zag hij Jezus tot zich komen en hij sprak: Zie het Lam Gods, dat de zon­delast der wereld op zich neemt.’ (Joh. 1).
Maar niet alleen Jezus, ook Johannes zelf was een offerlam, een ‘slacht-offer’. Kort na de Doop in de Jordaan werd hij gevangen genomen door dienaren van koning Herodes, en onthoofd. Het blijkt echter, dat door zijn dood de werkzaamheid van de Christus kon gaan groeien. Het ‘afne­men’ van Johannes moest door een nulpunt heen, voordat het nieuwe be­gin werkelijk kon komen.
Grünewald heeft Johannes de Doper naast het kruis afgebeeld, alsof hij daarmee zeggen wilde: ‘Al is hij niet in levenden lijve erbij geweest, hij was er toch bij op een andere wijze. Mede door zijn leven en sterven is dit moge­lijk geworden’.
Door en in het stromende water van de Jordaan had Jo­hannes reeds vele kleine oasen gescha­pen in de innerlijke woestijn der men­sen. Groene plekken waar van alles groeien kon, en waar later het zaad van het Christuswoord uitgestrooid kon worden.

Johannes wijst ons op het kruis van Golgotha, op de dood, op het nulpunt. Dat was het moment van de omme­keer waardoor de Opstanding mogelijk werd, de kiem van een nieuw begin. Die ommekeer zal voor ons dan ook betekenen: ruimte scheppen om be­wust het christelijk element binnen te laten in je leven. Dat betekent een le­ren omgaan met en herkennen van ‘dode punten’ in je leven, in het ver­trouwen dat daaruit iedere keer weer iets nieuws geboren kan worden.

 Marieke Anschütz in ‘Jonas’ 21 van 15 juni 1979)

Grunewald_Isenheim1

John_baptist_angel_of_desert

 

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

.

187-177

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over ‘antroposofisch onderwijs’

.

Rudolf Steiner heeft bij verschillende gelegenheden – niet alleen in zijn pedagogische voordrachten! – gewezen op het feit dat de vrijeschool géén wereldbeschouwelijke school hoort te zijn, maar een:


METHODESCHOOL
De vrijeschool is een methodeschool. De methode van lesgeven en de omgang met het kind stoelt op de menskundige inzichten die Rudolf Steiner in vele van zijn boeken en voordrachten verwoord heeft.

Steiners visie wordt antroposofie genoemd.

Het vrijeschoolonderwijs is geen antroposofisch onderwijs: Steiners visie wordt niet onderwezen of aangeleerd.

Voorbeeld: wanneer Steiner beschrijft dat het jonge(re) kind een bewegingsmens is en de beweging in verband brengt met de menselijke wil als deel van een drieledigheid, dan wordt op grond van dit gegeven bv. in de rekenles bij het aanleren van de tafels van vermenigvuldiging, veel gelopen, gesprongen, geklapt en gestampt. Dit bewegen is geïnspireerd door antroposofie. Klappen, stampen, springen en lopen is slechts beweging en heeft met antroposofie niets van doen.

meer voorbeelden:

‘antroposofisch’ onderwijs  [1]   [2]   [3]

 

Het gebruik van ‘antroposofisch onderwijs, antroposofische school, antroposofische leraar’ werkt begripsverwarring in de hand.

Het gebruik  ‘vrijeschool, vrijeschoolonderwijs, vrijeschoolleerkracht heeft dat bezwaar niet.

Rudolf Steiner:

1)
DIE BEFRUCHTENDE WIRKING DER ANTHROPOSOPHIE
Die vielen böswilligen Naturen, die heute da sind, um alles mögliche Unzutreffende über die anthroposophische Bewegung und was damit zusammenhängt, zu sagen, die werden daraus gleich wieder Kapital schlagen und sagen: Diese Anthroposophen wollen, daß ihre Weltanschauung überall vertreten ist. Nun, die Waldorfschule ist aus unserer Mitte heraus begründet worden, ohne daß damit in irgendeiner Weise eine Weltanschauungsschule gegründet worden ist. Gerade das Gegenteil einer Weltanschaungsschule sollte begründet werden. Das ist immer wieder und wieder betont worden. Und wer da glaubt, die Waldorfschule sei «eine anthroposophische Schule», der kennt sie eben ganz und gar nicht.
.

DE BEVRUCHTENDE WERKING VAN DE ANTROPOSOFIE
De vele kwaadwillende naturen die er tegenwoordig zijn om over de antroposofische beweging en wat ermee samenhangt, alles wat mogelijk is te zeggen wat er niet toe doet, die zullen er gelijk weer munt uit slaan en zeggen: Deze antroposofen willen, dat hun wereldbeschouwing overal vertegenwoordigd is.
Welnu, de vrijeschool is van ons uit gesticht zonder dat daarmee op een of andere manier een wereldbeschouwelijke school opgericht is. Juist het tegendeel van een wereldbeschouwelijke school moest gesticht worden. Daarop is steeds weer de nadruk gelegd. En wie  zou willen geloven dat de vrijeschool ‘een antroposofische school’ is, die kent deze absoluut niet.
GA 76/90
Niet vertaald

   0-0-0

2)
DIE AUFGABE DER ANTHROPOSOPHIE
Da möchte ich zunächst einmal erwähnen, daß ja der Unterricht in der Waldorfschule auf unsere Erkenntnis von der Entwicklung des Menschen gebaut ist. Nicht wahr, die Waldorfschule ist ganz sicher keine Weltanschauungsschule, aber was an pädagogischer Geschicklichkeit, an pädagogischer Methodik, pädagogischer Handhabung der Dinge gerade aus anthroposophischer Seelenverfassung heraus erreicht werden kann, das soll eben in die Praxis umgesetzt der Waldorfschule zugute kommen.
.

DE OPDRACHT VAN DE ANTROPOSOFIE
Dan zou ik allereerst willen opmerken dat het onderwijs op de vrijeschool op onze kennis van de ontwikkeling van de mens stoelt. Niet waar, de vrijeschool is zeer zeker geen wereldbeschouwelijke school, maar wat aan pedagogische vaardigheid, aan pedagogische methode, pedagogische toepassing van zaken die uit een antroposofische zielenstemming  tot stand gebracht kunnen worden, dat moet in de praktijk worden omgezet en aan de vrijeschool ten goede komen.
GA 77a/86
niet vertaald

0-0-0

3)
DIE AUFGABE DER ANTHROPOSOPHIE
Was vorhin gesagt und oftmals betont worden ist, muß festgehalten werden: Die Waldorfschule will als solche keine Weltanschauungsschule sein. Daß ihr anthroposophi-sche Seelenverfassung zugrunde liegt, das ist eben nur insofern [der Fall], als sie sich in die erzieherische Praxis umsetzt. So handelt es sich jetzt zunächst bei dem, was in der Waldorfschule vorliegt, um eine Entwicklung dessen, was auf rein pädagogischem Wege aus der anthroposophischen Bewegung heraus erreicht werden kann. Eine Weltanschauungsschule kann und will die Waldorfschule nach keiner Richtung hin sein.
.

DE OPDRACHT VAN DE ANTROPOSOFIE
Wat voordien gezegd werd en waarop dikwijls de nadruk werd gelegd, moet worden vastgehouden: de vrijeschool wil als zodanig geen wereldbeschouweliljke school zijn. Dat aan haar basis een antroposofisch gestemd zijn ligt, is maar in zoverre het geval, waar ze in opvoedkundige praktijk wordt omgezet. Daarom gaat het op de vrijeschool eerst om ontwikkeling van wat langs puur pedagogische weg  uit de antroposofische beweging bereikt kan worden. Een wereldbeschouwelijke school kan en wil de vrijeschool in geen enkel opzicht zijn.
GA 77a/94
niet vertaald

0-0-0

4)
DIE AUFGABE DER ANTHROPOSOPHIE
Was schließlich der eine oder andere Anthroposoph für eine Ansicht hat in bezug auf Weltanschauungsfragen, das spielt dabei keine Rolle, sondern es handelt sich darum, daß Anthroposophie in der Schule und alledem, was dazu gehört, nur in pädagogischer Praxis wirken will.
.

DE OPDRACHT VAN DE ANTROPOSOFIE
Wat uiteindelijk de een of andere antroposoof voor mening heeft met betrekking tot wereldbeschouwelijke vragen, dat speelt hierbij geen rol, maar het gaat erom dat antroposofie in de school en bij alles wat daarbij hoort, alleen in de pedagogische praktijk werkzaam wil zijn.
GA 77a/94
niet vertaald

0-0-0

5)
DIE AUFGABE DER ANTHROPOSOPHIE
Das muß aber streng festgehalten werden, daß die Absichten der Waldorfschule nach keiner Richtung hin Weltanschauungsabsichten sind. Es soll nicht zu einer Anthroposophie dressiert werden, sondern Anthroposophie will nur pädagogische Praxis darin werden.
.

DE OPDRACHT VAN DE ANTROPOSOFIE
Hieraan moet streng worden vastgehouden: de bedoeling van de vrijeschool is in geen enkel opzicht een wereldbeschouwellijke school te zijn. Antroposofie moet niet tot een of andere dressuur worden, maar antroposofie wil slechts werkzaam zijn in de pedagogische praktijk.
GA 77a/95
niet vertaald

0-0-0

6)
DIE AUFGABE DER ANTHROPOSOPHIE
Nun ist ja die Waldorfschule natürlich keine Institution für Eremiten oder Sekten, sondern sie ist eine Institution, die sich voll ins Leben hineinstellen will, die für das gegenwärtige, ganz praktische Leben aus den Kindern tüchtige Menschen machen will. Daher handelt es sich darum, den Unterricht so einzurichten, daß man auf der einen Seite den streng pädagogischen Anforderungen gerecht wurde, und auf der anderen Seite handelt es sich darum, daß die Waldorfschule eben nicht irgendeine Institution von Sonderlingen ist.
.

DE OPDRACHT VAN DE ANTROPOSOFIE
Nu is de vrijeschool natuurlijk geen instelling voor kluizenaars of sekten, maar het is een instelling die vol in het leven wil staan; die uit de kinderen flinke mensen wil maken die praktisch in het leven staan. Daarom gaat het erom het onderwijs zo te organiseren dat je enerzijds de strenge pedagogische eisen aankan en anderzijds gaat het erom dat de vrijeschool niet op de een of andere manier in instelling is voor zonderlingen.
GA 77a/95
niet vertaald

0-0-0

7)
DIE AUFGABE DER ANTHROPOSOPHIE
Sie sehen, es handelt sich nicht darum, irgendwie aus parteimäßigen Anschauungen, durch Weltanschauung oder so etwas, zu wirken, sondern lediglich darum, Anthroposophie in pädagogische Praxis umzusetzen.
.

DE OPDRACHT VAN DE ANTROPOSOFIE
U ziet, het gaat er niet om, uit wat voor partijachtige gezichtspunten, door wereldbeschouwing of zoiets, te werken, maar alleen daarom dat antroposofie omgewerkt wordt tot pedagogische praktijk.
GA 77a/96
niet vertaald

0-0-0

8)
DIE AUFGABE DER ANTHROPOSOPHIE
Das Ideal wäre, daß die Kinder zunächst – weil ja Anthroposophie nur für Erwachsene ausgebildet ist, wir haben keine Kinderlehre, sind auch noch nicht in der Lage gewesen, eine solche haben zu wollen -, nicht wüßten, daß es eine Anthroposophie gibt, sondern daß sie objektiv gehalten würden, und durchaus so also in das Leben hineingestellt würden.
.

DE OPDRACHT VAN DE ANTROPOSOFIE
Het ideaal is dat de kinderen vooralsnog  – omdat antroposofie  alleen maar ontwikkeld is voor volwassenen – we hebben geen leer voor de kinderen en zijn ook nog niet in de omstandigheden gekomen er een te willen hebben – niet weten dat er zoiets als antroposofie bestaat, maar dat deze objectief blijft en dat zij beslist op die manier in het leven komen te staan.
GA 77a/96
niet vertaald

0-0-0

9)
DIE AUFGABE DER ANTHROPOSOPHIE
Das muß durchaus festgehalten werden, daß es sich niemals darum handeln kann, daß die Waldorfschule in irgendeiner Weise eine Weltanschauungsschule oder so etwas ist. Das ist sie in gar keiner Richtung, sondern sie will die Kinder zu dem machen, wodurch sie tüchtige Menschen in der unmittelbaren Gegenwart sind, also in dem Leben, in das wir hineingestellt sind innerhalb von Staat und von allem, um was es sich handelt, daß sie da tüchtig drinnenstehen.
.

DE OPDRACHT VAN DE ANTROPOSOFIE
Men moet zich er beslist streng aan houden, dat het er nooit om kan gaan, dat de vrijeschool op de een of andere manier een wereldbeschouwelijke school is of zoiets. Dat is ze niet, in geen enkel opzicht; maar ze wil de kinderen zo vormen dat deze als krachtige mensen in hun tijd staan, dus in het leven waarin we geplaatst zijn, binnen een staat en bij alles waarom het gaat is dat zij daar krachtig in staan.
GA 77a/96
niet vertaald

0-0-0

10)
DIE AUFGABE DER ANTHROPOSOPHIE
Es ist ja wohl selbstverständlich, daß die Waldorf schule nicht etwa Dreigliederungsideen in die Schule hineinträgt. Durch die Bestrebungen der Waldorfpädagogik kann das nicht geschehen. Parteimäßiges wird in die  Waldorfschule nicht hineingetragen von anthroposophischer Seite aus.
.

DE OPDRACHT VAN DE ANTROPOSOFIE
Het is toch vanzelfsprekend dat de vrijeschool niet zoiets als de idee van de driegeleding in de school brengt. Dat kan door wat de vrijeschool nastreeft niet plaatsvinden. Partijachtige zaken worden van antroposofische zijde niet in de vrijeschool gebracht.
GA 77a/96
niet vertaald

0-0-0

11)
DIE AUFGABE DER ANTHROPOSOPHIE
Unsere Schule will, wie gesagt, nur pädagogische Praxis ins Leben setzen, nicht Weltanschauung
.

DE OPDRACHT VAN DE ANTROPOSOFIE
Onze school wil, zoals gezegd, alleen maar pedagogische praktijk in het leven brengen, geen wereldbeschouwing.
GA 77a/97
niet vertaald

0-0-0

12)
DIE AUFGABE DER ANTHROPOSOPHIE
Es ist durchaus niemals mein Bestreben gewesen, dafür zu agieren, daß die Kinder in diesen freien Religionsunterricht hineinkommen. Sie kamen zahlreich, aber es ist wirklich nicht das Bestreben, dem äußeren Ruf der Schule dadurch zu schaden, daß es etwa auf solchen Umwegen zustande käme, daß [man sagte, daß] diese Schule eine Weltanschauungsschule sei.
.

DE OPDRACHT VAN DE ANTROPOSOFIE
Het is zeer zeker niet mijn bedoeling ervoor te pleiten dat de kinderen naar dit vrije godsdienstonderwijs gaan. Ze kwamen in grote getale, maar het is echt niet de bedoeling de openbare naam van de school te beschadigen met zoiets als dat er langs een omweg iets gedaan wordt waarvan men zegt dat deze school een wereldbeschouwelijke school is.
GA 77a/99
niet vertaald

0-0-0

13)
GEISTESWISSENSCHAFT ALS ERKENNTNIS DER GRUNDIMPULSE SOZIALER GESTALTUNG
Es sollte dieses Sich-auf-anthroposophischen-BodenStellen so sein, daß – und aus den gegenwärtigen Zeitverhältnissen heraus mußte das sein – die Waldorfschule ja nicht etwa eine Weltanschauungsschule sein sollte, nicht eine Schule, in der man etwa Anthroposophie lehrt. Das war ja nicht die Absicht.
.

GEESTESWETENSCHAP ALS INZICHT IN DE BASALE IMPULS VAN DE SOCIALE ORGANISATIE
Dit zich baseren op antroposofie moet zo zijn – dat – en gezien de tegenwoordige tijdsomstandigheden moet dit zo – de vrijeschool niet zoiets als een wereldbeschouwelijke school is waarin je antroposofie leert. Dat was niet de bedoeling.
GA 199/9
niet vertaald

0-0-0

14)
GEISTESWISSENSCHAFT ALS ERKENNTNIS DER GRUNDIMPULSE SOZIALER GESTALTUNG
Die Waldorfschule sollte nicht etwa eine Weltanschauungsschule sein, nicht eine Schule, in der man etwa Anthroposophie  lehrt. Das war ja nicht die Absicht. () Aber außer dem war es durchaus nicht die Absicht, eine Weltanschauungsschule zu begründen, sondern es war die Absicht, was sich an praktischen, pädagogisch-didaktischen Impulsen ergeben kann aus unserer geisteswissenschaftlichen Anschauung und aus unserem geisteswissenschaftlichen Wollen heraus, daß das einmal in Erziehung und im Unterricht der Jugend wirklich angewendet werde. Also in der Handhabung des Unterrichts, in der Handhabung des ganzen Schulwesens, nicht im Inhalte, sollte das Anthroposophische zum Ausdrucke kommen in der besonderen Artung der Pädagogik und Didaktik und der verschiedenen Unterrichtsmethoden.
.


GEESTESWETENSCHAP ALS INZICHT IN DE BASALE IMPULS VAN DE SOCIALE ORGANISATIE
De vrijeschool moet geen  wereldbeschouwelijke school zijn, niet een school waarin men zoiets als antroposofie aanleert. Dat was niet de bedoeling. ( ) Het was beslist niet de bedoeling een wereldbeschouwelijke school te stichten, maar het was de bedoeling om dat wat het resultaat kan zijn van onze antroposofische kijk en van ons geesteswetenschappelijk willen, als praktische, pedagogisch-didactische impulsen te gebruiken in de opvoeding van en het lesgeven aan de jeugd. Dus in het toepassen in het onderwijs; in de toepassing van het school-zijn, in de bijzondere vorm van pedagogie en didactiek en de bijzondere onderwijsmethoden moet de antroposofie tot uiting komen – niet in de inhoud.
GA 199//9-10
niet vertaald

0-0-0

15)
GEISTESWISSENSCHAFT ALS ERKENNTNIS DER GRUNDIMPULSE SOZIALER GESTALTUNG
Aber außer dem war es durchaus nicht die Absicht, eine Weltanschauungsschule zu begründen, sondern es war die Absicht, was sich an praktischen, pädagogisch-didaktischen Impulsen ergeben kann aus unserer geisteswissenschaftlichen Anschauung und aus unserem geisteswissenschaftlichen Wollen heraus, daß das einmal in Erziehung und im Unterricht der Jugend wirklich angewendet werde. Also in der Handhabung des Unterrichts, in der Handhabung des ganzen Schulwesens, nicht im Inhalte, sollte das Anthroposophische zum Ausdrucke kommen in der besonderen Artung der Pädagogik und Didaktik und der verschiedenen Unterrichtsmethoden.

.
GEESTESWETENSCHAP ALS INZICHT IN DE BASALE IMPULS VAN DE SOCIALE ORGANISATIE
Maar buiten dat (antroposifusch goedsdienstonderwijs) was het absoluut niet de bedoeling een wereldbeschouwelijke school op te richten, maar het was de bedoeling om wat zich aan praktische, pedagogisch-didactische impulsen kan komen uit onze geesteswetenschappelijke opvattingen en uit ons geesteswetenschappelijk willen, dat dit nu in de opvoeding en het onderwijs van de jeugd daadwerkelijk gebruikt kan worden. Dus in de uitvoering van heel het schoolwezen, niet in het inhoudelijke, moet de antroposofie tot uitdrukking komen in de bijzondere vorm van pedagogie en didaktiek en in de verschillende onderwijsmethoden.
GA 199/10
niet vertaald

0-0-0

16)
GEISTESWISSENSCHAFT ALS ERKENNTNIS DER GRUNDIMPULSE SOZIALER GESTALTUNG
Und so könnte Und so könnte ich vieles im einzelnen anführen, aus dem Sie ersehen würden,
wie, ohne daß man auch nur im entferntesten abstrakt Anthroposophie lehrt, gerade die Methodik, die Art der Behandlungsweise von Anthroposophie befruchtet werden kann .(  )
.

En zo zou ik veel kunnen aangeven waaraan u zou kunnen hoe, zonder dat men ook maar in de verste verte abstracte antroposofie aanleert, juist de methodiek, de manier van werken door de antropsofie geïnspireerd kan worden. (  )

GA 199/11
niet vertaald

0-0-0

17)
DIE BRÜCKE ZWISCHEN DER WELTENGEISTIGKEIT UND DEM PHYSISCHEN DES MENSCHEN
In der Waldorfschule bekommen die katholischen Schüler vom katholischen Pfarrer den Religionsunterricht, die evangeli­schen Schüler vom evangelischen. Nur diejenigen Schüler, die das nicht wollen, die lassen wir dann unterrichten von solchen, die einen freien Religionsunterricht geben. Aber wir haben keine Weltanschauungs­schule gemacht.
.

DE BRUG TUSSEN DE WERELDGEEST EN DE FYSIEKE MENS
Op de vrijeschool krijgen de katholieke leerlingen godsdienstles van de pastoor, de evangelische kinderen van de dominee. Alleen de leerlingen die dit niet willen, krijgen dan les van hen die een vrij godsdienstonderwijs geven. Maar wij hebben geen wereldbeschouwelijke school gemaakt.
GA 202/159
niet vertaald

0-0-0

18)
DIE VERANTWORTUNG DES MENSCHEN FÜR DIE WELTENTWICKLUNG
Es bleibt zum Beispiel durchaus rich­tig, daß so etwas wie unsere Waldorfschule keine Weltanschauungsschule sein soll.

Het blijft bijv. absoluut juist, dat zoets als onze vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn
GA 203/45
niet vertaald

0-0-0

19)
DIE VERANTWORTUNG DES MENSCHEN FÜR DIE WELTENTWICKLUNG
Deshalb ist es ungerecht, wenn der Glaube verbreitet wird, daß wir in der Waldorfschule oder in irgend etwas, was wir pädagogisch einrichten, dogmatische Anthroposophie treiben wollen. Wir wollen weder dogmatische Anthroposophie treiben, noch den einzelnen Wissenschaften irgendwie Anthroposophie auf­drücken.
.

DE VERANTWOORDELIJKHEID VAN DE MENS VOOR DE WERELDONTWIKKELING
Daarom is het onterecht als het geloof verbreid wordt, dat wij op de vrijeschool of in iets anders wat we pedagogisch inrichten, aan dogmatische antroposofie zouden willen doen. Wij willen noch aan dogmatische antroposofie doen, noch de verschillende wetenschappen antroposofie opdringen.
GA 203/102
Niet vertaald

0-0-0

19)
DIE VERANTWORTUNG DES MENSCHEN FÜR DIE WELTENTWICKLUNG
( ) dieser aus allen Ecken heraus pfeifende Angriff zunächst zurückgewiesen werden, wenn es sich darum handelt, daß auf irgendeinem Wissenschaftsgebiete oder auf dem Schulgebiete wir Anthroposophie als Lehrmeinung in die Welt hineintragen wollten.
.

DE VERANTWOORDELIJKHEID VAN DE MENS VOOR DE WERELDONTWIKKELING
Deze van alle kanten komende lage aanvallen moeten vooralsnog afgewezen worden wanneer het erom gaat dat op welk wetenschappelijk gebied dan ook of op het gebied van de school wij antroposofie als leer in de wereld zouden willen uitdragen.
GA 203/103
Niet vertaald

0-0-0

20)
DIE VERANTWORTUNG DES MENSCHEN FÜR DIE WELTENTWICKLUNG
(  ) aber wir selbst können uns von diesen Wahrheiten durchdringen lassen und werden dann die Möglichkeit finden, aus der Art und Weise, wie vorgegangen wird, den Leuten zu zeigen, daß wir ebenso weit davon 203/109 entfernt sind, Dogmatik in die Schule einzuführen, wie davon, Leute, die sich zu einer bestimmten Dogmatik bekennen,(

DE VERANTWOORDELIJKHEID VAN DE MENS VOOR DE WERELDONTWIKKELING
( ) wij kunnen onszelf laten doordringen van deze waarheden en dan zullen we ook de mogelijkheid vinden om door de manier waarop we werken aan de mensen te laten zien dat het verre van ons staat dogma’s in de school te brengen en mensen in de school te halen die zich voor een bepaalde dogmatiek uitspreken.
GA 203/109
Niet vertaald

0-0-0

21)
DIE VERANTWORTUNG DES MENSCHEN FÜR DIE WELTENTWICKLUNG
Das ist auch bei unserer Stuttgarter Waldorfschule eingehalten wor­den, wo Sie sehen, daß wir gar kein Interesse daran hatten, etwa den Kindern Anthroposophie beizubringen. Wir wollen eine solche Unter­richtsmethode haben, die man eben nur durch Anthroposophie gewinnen kann. Und das ist etwas rein Sachliches. Aber für diejenigen Kinder, die es wollen oder deren Eltern wollen, daß sie in der katholischen Reli­gionslehre unterrichtet werden, kommt ein katholischer Pfarrer, und für diejenigen, die evangelischen Religionsunterricht bekommen sollen, kommt der evangelische Pfarrer in die Waldorfschule. Wir legen diesen Menschen kein Hindernis entgegen. Nur war es nötig in der heutigen Zeit, wo so viele Eltern, namentlich Eltern aus dem Proletariat, über­haupt nicht mehr daran denken, ihre Kinder in den katholischen oder evangelischen Religionsunterricht zu schicken, diese Leute zu fragen, ob sie vielleicht einen freien, aus anthroposophischer Erziehung heraus­geborenen Religionsunterricht haben wollen. Und da zeigte es sich aller­dings, daß diejenigen, die sonst religionslos erzogen würden, die über­haupt in gar keinen Bekenntnisunterricht heute mehr hineingehen wür­den, sehr zahlreich zum sogenannten anthroposophischen Religions­unterricht kommen, der aber nicht Anthroposophie lehrt, sondern der eben nur aus Anthroposophie herausgeboren ist. Daß nun diese Kinder eifriger bei ihrem Religionsunterricht sind als die beim katholischen oder evangelischen Pfarrer, dafür können wir ja nichts, sondern ver­mutlich der katholische oder der evangelische Pfarrer. Daß die Sache so weit getrieben worden ist, daß nach und nach eine Anzahl Kinder zum anderen Religionsunterricht herübergegangen ist, und daß es so weit gekommen ist, daß dann, ich glaube, der evangelische Religions­lehrer gesagt hat: Nächstens werde ich überhaupt niemanden hier haben in meiner Klasse, weil mir alle davonlaufen -, das ist auch ganz gewiß nicht unsere Schuld. War es uns etwa darum zu tun, irgendwelche Dogmatik an die Kinder heran­zubringen? Wir haben gar kein Interesse daran.

 

DE VERANTWOORDELIJKHEID VAN DE MENS VOOR DE WERELDONTWIKKELING
Daar houden we  aan op de vrijeschool in Stuttgart en u kunt zien dat wij helemaal niet geïnteresseerd zijn om de kinderen zoiets als antroposofie bij te brengen. Wij willen een zo’n onderwijsmethode hebben, die je alleen door antroposofie kan ontwikkelen. En dat is iets puur zakelijks. Maar voor de kinderen die dat willen of van wie de ouders willen dat katholiek godsdienstonderwijs krijgen, komt een katholieke pastoor en voor degenen die evangelisch godsdienstonderwijs moeten krijgen komt de evangelische zielzorger op de vrijeschool. Wij maken het die mensen niet moeilijk. Nu was het nodig om in deze tijd waarin zoveel ouders, bijv. onder de arbeiders, er helemaal helemaal niet over denken om hun kinderen naar het katholieke of evangelisch godsdienstonderwijs te laten gaan, om deze mensen te vragen of zij wellicht een vrij godsdienstonderwijs wilden hebben dat uit de antroposofische opvoeding is ontstaan. En toen bleek toch wel dat degenen die anders zonder religie opgevoed zouden worden, die vandaag de dag al helemaal naar geen enkel confessioneel onderwijs zouden zijn gegaan, in groten getale naar het zgn. antroposofisch godsdienstonderwijs komen, waarin echter geen antroposofie aangeleerd wordt, maar dat alleen uir de antroposofie ontstaan is.Dat deze kinderen bij hun godsdienstonderwijs meer ijver aan de dag leggen als de kinderen bij de katholieke of evangelische pastors, daar kunnen wij niets aan doen, vermoedelijk wel de katholieke of de evangelische pastor. Dat het dan zover gekomen is dat steeds weer een paar kinden overgestapt zijn naar het andere godsienstonderwijs en dat dan, ik geloof de evangelische dodsdienstleraar heeft gezegd: straks heb ik helemaal niemand meer in mijn klas, omdat ze allemaal weglopen -, dat is ook echt niet onze schuld. Was het ons dan erom te doen een of andere dogmatiek aan de kinderen te geven? We zijn er niet in geïnteresseerd.
GA 203/109
Niet vertaald

0-0-0

22)
DIE VERANTWORTUNG DES MENSCHEN FÜR DIE WELTENTWICKLUNG
Ich wollte namentlich darauf hinweisen, wie man nicht sagen darf, wir trügen in jenen Schul­impuls, der allerdings herausgeboren ist aus der Geistesschau, oder wir trügen in unsere praktischen Maßnahmen irgend etwas hinein, was nur eine theoretische Weltanschauung wäre.

DE VERANTWOORDELIJKHEID VAN DE MENS VOOR DE WERELDONTWIKKELING
Ik wil er namelijk op wijzen dat men niet mag beweren dat wij in deze schoolimpuls die uit het schouwen van de geest geboren is  of dat we in onze activiteit in de praktijk iets binnenhalen wat alleen maar een theoretische wereldbeschouwing zou zijn.
GA 203/116
Niet vertaald

0-0-0

23)
DAS SONNENMYSTERIUM UND DAS MYSTERIUM VON TOD UND AUFERSTEHUNG
Sie finden heute in Stuttgart die sogenannte Waldorfschule, in  nicht etwa Anthroposophie, so wie sie Sie gewöhnlich gelehrt wird, von Erwachsenen den Kindern beigebracht werden soll, denn sie ist keine Weltanschauungsschule. Es wird dort der Religionsunterricht katholisch von katholischen Priestern, evangelisch von evangelischen Pastoren gemäß ihren religiösen Anschauungen unterrichtet. Diejenigen, die keine besondere religiöse Erziehung verlangen, von denen so viele in Deutschland sind, die werden von uns in bezug auf das Religiöse mit einer besonders für sie bereiteten religiösen Ubersetzung des Anthroposophischen versorgt. Das aber, was erreicht werden soll durch die Waldorfschule, tritt dann ein, wenn das Anthroposophische ins Leben übergeht, in die wirklich praktische Erziehungskunst, in die Pädagogik und die Didaktik, in alles Erzieherische und Unterrichtliche überhaupt. Das, was der Lehrer tut, wie er erzieht, wie er unterrichtet, das ist es» was lebendig ist in seiner ganzen Persönlichkeit.

.

HET ZONNEMYSTERIE EN HET MYSTERIE VAN DOOD EN OPSTANDING
U vindt tegenwoordigin Stuttgart de zgn. vrijeschool waarop niet zoiets als antroposofie zoals u het gewoonlijk onderwezen wordt, door de volwassenen aan de kinderen bijgebracht moet worden, want het is geen wereldbeschouwelijke school.Her katholieke godsdienstonderwijs wordt katholiek gegeven door de pastoor, het evangelische door de dominee overeenkomstig hun religieuze opvattingen. Degenen die geen bijzondere religieuze opvoeding verlangen waarvan er in Duitsland zo veel zijn, die krijgen een door ons wat het religieuze betreft een bijzondere omwerking van antroposofische inhouden. Maar wat echter bereikt moet worden door de vrijeschool, gebeurt pas dan, wanneer het antroposofische overgaat in wat leeft, in de werkelijk praktische opvoedkunst, in de pedagogie en de didactiek, dus in alles wat opvoedkundig en onderwijskundig is. Wat de leraar doet, hoe hij opvoedt, hoe hij lesgeeft, is wat leeft in zijn persoonlijkheid.
GA 211/161
niet vertaald

0-0-0

DAS SCHICKSALSJAHR 1923 IN DER GESCHICHTE DER ANTHROPOSOPHISCHEN GESELLSCHAFT
Die Waldorfschule, die sorgfältig als eine Nicht-Weltanschauungsschule gehalten werden soll, hat allen Grund, keinen einzigen Lehrer in den Vorstand zu schicken.
.

HET LOTSJAAR 1923 IN DE GESCHIEDENIS VAN DE ANTROPOSOFISCHE VERENIGING
De vrijeschool die zorgvuldig een niet-wereldbeschouwelijke school moet blijven, heeft alle reden geen enkele leraar af te vaardigen in het bestuur.
GA 259/215
niet vertaald

0-0-0

24)
DAS SCHICKSALSJAHR 1923 IN DER GESCHICHTE DER ANTHROPOSOPHISCHEN GESELLSCHAFT
Anthroposophie geht darauf aus, keine anthroposo­phische Weltanschauungsschule zu gründen, sondern eine allgemeine Menschheitsschule. Daß etwas anthroposophisch sein kann, ohne daß es «anthröposophisch» zu sein braucht, das sind Dinge, die bei dieser Gelegenheit herauskommen müssen an eklatanten Beispielen.
.

Antroposofie beroept zich erop niet een antroposofische wereldbeschouwelijke school te stichten, maar een algemene mensenschool. Dat iets antroposofisch kan zijn, zonder dat het ‘antroposofisch’ hoeft te zijn, dat zijn dingen die bij deze gelegenheid met de overduidelijkste voorbeelden naar voren moeten komen.
GA 259/323
niet vertaald

0-0-0

25)
DAS SCHICKSALSJAHR 1923 IN DER GESCHICHTE DER ANTHROPOSOPHISCHEN GESELLSCHAFT
In weiten Kreisen über Mitteleuropa hinaus wird anerkannt, daß die Waldorfschule nicht die Weltanschauungsschule einer sektiererischen Bewegung ist, sondern daß sie eine allgemein-pädagogische Bedeutung hat. Die Waldorfschul-Pädagogik hat in vielen nichtanthroposophi­schen Kreisen Beachtung gefunden.
.

HET LOTSJAAR 1923 IN DE GESCHIEDENIS VAN DE ANTROPOSOFISCHE VERENIGING
In brede kring over geheel Midden-Europa erkent men dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school is van een sektarische beweging, maar dat ze een algemeen-pedagogische betekenis heeft. De vrijeschoolpedagogie werd in veel niet-antroposofische kringen gezien.
GA 259//392
niet vertaald

0-0-0

 26)
ZUR EINFÜHRUNG Über die Schulhandlungen
Als wir in Stuttgart die Waldorfschule begründet hatten, mußte in dem Sinne der Absicht, daß die Waldorfschule absolut nicht eine Weltanschauungsschule sein sollte, sondern daß sie eine Schule sein sollte, in welcher bloß didaktisch und pädagogisch, also in der Handhabung des Unterrichtes dasjenige vertreten werden sollte, was aus der Anthroposophie kommen kann, die Einrichtung getroffen werden, daß das eigentliche Religiöse, also in diesem Sinne das Weltanschauliche, übertragen wurde den Seelsorgern der betreffenden Konfessionen.

.
INLEIDEND:  Over de handeling
Toen wij in Stuttgart de vrijeschool opgericht hadden, was het de bedoeling dat de vrijeschool absoluut geen wereldbeschouwelijke school moest zijn, maar dat deze een school zou zijn waarin uitsluitend didactisch en pedagogisch, dus in het uitvoeren van het onderwijs, datgene aanwezig zou zijn, wat uit de antroposofie komen kan, en georganiseerd worden dat het eigenlijke godsdienstonderwijs, dus in die zin het wereldbeschouwelijke aan de zielzorgers van de betreffende godsdiensten overgedragen werd.
GA 269/17
Niet vertaald

0-0-0

27)
ALGEMEINE MENSCHENKUNDE
Uns liegt gar nichts daran, unsere Prinzipien, den Inhalt unserer Weltanschauung dem werdenden Menschen beizubrengen. Wir streben nicht danach, eine dogmatische Erziehung zu bewirken. Wir streben danach, daß dasjenige, was wir durch die Geisteswissenschaft haben gewinnen können, lebendige Erziehungstat werde. Wir streben an, in unserer Methodik, in unserer Didaktik das zu haben, was aus der lebendigen Geisteswissenschaft als seelische Menschenbehandlung hervorgehen kann. 

Also eine Weltanschauungsschule werden wir nicht begründen. Eine erziehungs-künstlerische Schule werden wir uns bemühen, mit der Waldorfschule zu schaffen.»
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
Het gaat er ons helemaal niet om de opgroeiende mens onze ‘dogma’s’, onze principes, de inhoud van ons wereldbeeld bij te brengen. We streven ernaar dat inzichten die verworven zijn door de geesteswetenschap tot levende opvoedingsdaad worden. We streven ernaar dat onze methode, onze didactiek behelst, wat uit de levende geesteswetenschap kan worden tot een omgaan met de ziel van de mens. 
GA 293/15
vertaald/214

0-0-0

28)
ALGEMEINE MENSCHENKUNDE
Also eine Weltanschauungsschule werden wir nicht begründen. Eine erziehungs-künstlerische Schule werden wir uns bemühen, mit der Waldorfschule zu schaffen.
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
We zullen dus geen school stichten die een bepaald wereldbeeld leert. We zullen proberen met de vrijeschool een opvoed-kunstzinnige school te creëren.
GA 293/16
vertaald/215

0-0-0

29)
ALGEMEINE MENSCHENKUNDE
Wir wollen hier in der Waldorfschule keine Weltanschauungsschule einrichten. Die Waldorfschule soll keine Weltanschauungsschule sein in der wir die Kinder möglichst mit anthroposphischen dogmen vollstopfen. Wir wollen keine anthroposophische Dogmatik lehren, Anthroposophie ist kein Lehrinhalt, aber wir streben hin auf praktische Handhabung der Anthroposophie. Wir wollen umsetzen dasjenige, was auf anthroposophischem Gebiete gewonnen werden kann, in wirklicheUnterrichtspraxis.
Auf den Lehrinhalt der Anthroposophie wird es viel weniger ankommen als auf die praktische Handhabung dessen, was in pädagogischer Richting im allgemeinen und im Speziell-Methodischen im besonderen aus der Anthroposophie werden kann, wie Anthroposophie in Handhabung des Unterrichts übergehen kann.
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
We willen hier in de vrijeschool geen wereldbeschouwelijk onderwijs geven. De vrijeschool moet geen school zijn waarin een bepaalde wereldbeschouwelijke overtuiging geleerd wordt, waarin we de kinderen met antroposofische dogma’s volproppen. We zullen in onze lessen geen antroposofische dogma’s onderwijzen. Antroposofie is geen lesinhoud – we streven ernaar de antroposofie in de praktijk te brengen. We zullen de inzichten die de antroposofie ons schenkt, omzetten in werkelijke lespraktijk.
Het zal niet zozeer aankomen op de theoretische achtergrond van de antroposofie, als wel op het praktische hanteren  van wat uit de antroposofie in de pedagogie in het algemeen en in de methodische aanpak in het bijzonder kan worden. Het gaat erom hoe de antroposofie in het onderwijs in praktijk gebracht kan worden.
GA 293/216
vertaald/15

o-o-o

30)
IDEE UND PRAXIS DER WALDORFSCHULE
Wir werden wahrhaftig keine einseitige Weltanschauungsschule errichten. Wer glaubt, daß wir eine «Anthroposophenschule» gründen wollen, oder wer das verbreitet, der glaubt oder verbreitet eine Verleum­dung. Das wollen wir ganz und gar nicht, und wir werden es zei­gen, daß wir es nicht wollen.
Das heißt, wir werden uns nicht darauf einlassen, irgendeine Weltanschau­ungsschule zu begründen, wir wollen nicht den Inhalt der Anthro­posophie in unsere Schule hineintragen, wir wollen etwas anderes.Anthroposophie ist Leben, ist nicht bloß eine Theorie. Und Anthroposophie kann übergehen in die Gestaltungsfähigkeit, in die Handhabung des Unterrichts – insofern Anthroposophie pädago­gisch werden kann, insofern durch Anthroposophie die Fertigkeit gewonnen werden kann, zum Beispiel besser das Rechnen zu lehren, als es bisher gelehrt wurde, besser das Schreiben, besser die Sprachen, besser die Geographie zu lehren, als sie bis jetzt gelehrt wurden. Also insofern eine Methode für diese Schule geschaffen werden soll durch Anthroposophie, insofern streben wir. Wir er­streben Methodik, Unterrichtspraxis. Das ist es, in was wir auslau­fen lassen möchten dasjenige, was aus einer wirklichen Erkenntnis des Geistigen wahrhaftig folgen wird. Wir werden eben so lesen lehren, wir werden so schreiben lehren und so weiter, wie es der Wesenheit des Menschen angemessen ist. Dadurch werden wir zunächst ganz absehen von dem, was man uns wahrscheinlich un­terstellen wird: daß wir durch eine Schule schon bei den Kindern Propaganda machen wollen für Anthroposophie. Das werden wir nicht wollen.Wir werden nur streben, zu unterrichten insofern, als durch das Durch­lebtsein mit anthroposophischen Impulsen gut unterrichtet und erzogen werden kann.
.

IDEE EN PRAKTIJK VAN DE VRIJESCHOOL
Wij zullen werkelijk geen eenzijdige wereldbeschouwelijke school oprichten. Wie gelooft dat wij een ‘antroposofenschool’ willen stichten of wie dat verspreidt, die gelooft en verspreidt een leugen. Dat willen wij helemaal niet en we zullen aantonen dat wij dat niet willen.
Dat betekent dat wij ons niet inzetten om een of andere wereldbeschouwelijke school te grondvesten, wij willen de inhoud van de antroposofie niet de school binnenbrengen, we willen iets anders.
Antroposofie is leven, is niet alleen maar een theorie. En antroposofie kan overgaan in een vaardigheid gestalte, vorm te geven aan het onderwijs in die mate waarin antroposofie pedagogie kan worden, in die mate waarin uit antroposofie vakbekwaamheid kan ontstaan om bv. het rekenen beter aan te leren dan dit tot nog toe aangeleerd werd, beter het schrijven, beter de talen, beter de aardrijkskunde aan te leren dan deze tot nog toe aangeleerd werden. Dus in zoverre als een methode door de antroposofie in het leven geroepen wordt, in die mate streven wij dit na.
Wij streven naar methodiek, naar onderwijspraktijk. Daarin willen wij graag laten uitmonden wat in waarheid volgen zal uit de kennis van de geest. Dus daarom leren wij zo het lezen en het schrijven aan enz., zoals dit in overeenstemming is met het wezen van de mens.
Daarom zien wij beslist af van wat men ons in de schoenen wil schuiven: dat wij door een school bij de kinderen al reclame willen maken voor antroposofie. Dat willen wij niet.
Wij streven er alleen naar in die mate les te geven zoals door het doortrokken zijn van antroposofische impulsen goed les geven en opvoeden mogelijk kan worden.
GA 297/40
Niet vertaald

o-o-o

In de voordrachtenreeks GA 297 staat ook een opmerking van Emil Molt, de oprichter van de vrijeschool in Stuttgart:

Und ich möchte hier gleich bemerken, damit es gar keine Mißverständnisse gibt, daß unsere Schule keinesfalls eine Weltanschauungsschule sein soll und keinesfalls das gepflegt werden soll als solches, daß aber immerhin ausgesprochen werden muß, daß es der Geist der anthroposophi­schen Weltauffassung war, welcher mich zu diesem Schritt bewogen hat.

En ik zou hier meteen willen opmerken, zodat er helemaal geen misverstanden over bstaan, dat onze school in geen geval een wereldbeschouwelijke school zal zijn en dat in geen geval iets dergelijks gekoesterd zal worden; dat echter toch uitgesproken moet worden dat het de geest van de antroposofische wereldbeschouwing was die mij tot deze stappen aanzette.
GA 297/64

0-0-0

31)
IDEE UND PRAXIS DER WALDORFSCHULE
Es soll im strengsten Sinne zunächst das festgehal­ten werden, daß die Waldorfschule nicht eine Weltanschauungsschule  ist. Dasjenige, was aus der Weltanschauung genommen wird, die wir hier seit Jahrzehnten vertreten, das soll nicht dogma­tisch an die Kinder herangebracht werden. Das soll nur dazu ver­wendet werden – weil es verwendet werden kann -, die Unter­richtsmethodik, die ganze Behandlungsweise des Unterrichts zu verbessern, zu reformieren. ( )
Wir wollen nicht in der Verbreitung irgendeiner Weltanschauung dasjenige suchen, was mit der Waldorfschule geleistet werden soll, sondern wir wollen, daß eine neue Unterrichtsmethode, Unterrichtsbehandlung, eine neue Erziehungsmethode und Erziehungsbehandlung aus dem herausquelle, was wir hinstellen können.
.

IDEE EN PRAKTIJK VAN DE VRIJESCHOOL
In de meest strikte zin van het woord moet er allereerst aan worden vastgehouden dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school is.
Datgene wat wij uit de wereldbeschouwing halen die wij hier sinds tientallen jaren vertegenwoordigen, dat moet niet dogmatisch aan kinderen aangeboden worden. Dat moet alleen maar toegepast worden, – omdat het toegepast kan worden –  om de onderwijsmethodiek, om heel het onderwijskundig handelen te verbeteren, te vernieuwen. (  )
In wat met de vrijeschool gepoogd wordt,  willen wij niet zoeken het verspreiden van een of andere wereldbeschouwing , maar wij willen, dat wat wij kunnen neerzetten, uitmonden kan in  een nieuwe onderwijsmethode, een nieuwe onderwijsaanpak, een nieuwe opvoedingsmethode en een nieuwe  pedagogische aanpak.
GA 297/86-87
Niet vertaald

o-o-o

32)
IDEE UND PRAXIS DER WALDORFSCHULE
Schon beginnt man das, was der Nerv der Waldorfschule ist, zu verkennen und deshalb das, was mit der Waldorfschule gewollt wird, zu verleumden, wenn auch unbewußt. Man glaubt, weil diejenigen, die an ihrer Wiege stehen, von der Geisteswissenschaft ausgehen, diese Waldorfschule sei eine «Weltanschau­ungsschule», eine Schule, in der den Kindern Anthroposophie bei­gebracht wird. Man ahnt gar nicht, wie sehr man, indem man das voraussetzt – sei es nun anhängerisch oder gegnerisch -, noch in alten Vorstellungen drinnensteht. Wir haben es gar nicht nötig, Anthroposophie dadurch zur Geltung zu bringen, daß wir sie als Weltanschauung zur Geltung bringen, daß wir einzelne anthropo­sophische Begriffe entfalten und darauf sehen, daß die Kinder diese aufnehmen, wie sie früher religiöse Vorstellungen aufgenommen haben. Nein, das betrachten wir nicht als unsere Aufgabe.Wir suchen nicht, irgendeine neue Weltanschauung in dieser Form in die Schu­le hineinzutragen. Wir wollen etwas anderes. Wir sehen darauf hin, wie unsere anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft, weil sie herstammt von menschlichen Organisationskräften, übergeht in menschliche Geschicklichkeit, in menschliches Können, wie sie unmittelbar ausfließt in den menschlichen Willen. Wie wir pädago­gisch tätig sind, wie wir in der Schule handeln, wie wir uns den Unterrichtsstoff einteilen, wie wir den Lehrplan, die Lehrziele ge­stalten, also alles das, was methodische Handhabe des Unterrichts ist, was vom bloßem Wissen, von der bloßen Weltanschauung hinüberfließt in die Geschicklichkeit, in das Können des Erziehers, das ist dasjenige, was wir für unsere Aufgabe halten.
.

IDEE EN PRAKTIJK VAN DE VRIJESCHOOl
Nu al begint men dat, wat de kracht van de vrijeschool is, foutief te beoordelen en om die reden, zij het dan onbewust,  kwaad te spreken over dat wat wij met de vrijeschool willen. Men gelooft, omdat degenen die aan haar wieg staan, van de geesteswetenschap uitgaan, dat deze vrijeschool een ‘wereldbeschouwelijke’ school is, een school waarin de kinderen antroposofie bijgebracht wordt. Men heeft er geen flauw idee van, hoezeer men, wanneer men dit veronderstelt – of het nu aanhangers of tegenstanders zijn – nog met een oude voorstelling van zaken leeft. 
Wij hebben het helemaal niet nodig om de antroposofie tot zijn recht te laten komen, om deze als wereldbeschouwing te doen gelden, dat wij afzonderlijke antroposofische begrippen ten toon spreiden en erop toezien dat de kinderen deze aannemen, zoals ze voorheen godsdienstige voorstellingen aangenomen hebben. Neen, dat beschouwen wij niet als onze opdracht. Wij proberen niet een of andere nieuwe wereldbeschouwing in deze vorm de school binnen te brengen.
Wij willen iets anders.
Wij zien erop toe dat onze antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap, omdat deze stamt uit heel de  menselijke  wezenskracht, overgaat in menselijke vaardigheid, in dat waartoe een mens in staat is, hoe deze direct uitstroomt in de menselijke wil.
Hoe wij opvoedkundig actief zijn, wat wij in de school doen, hoe we de lesstof indelen, hoe we het leerplan, de leerdoelen vormgeven, alles dus wat de methodische basis is van het onderwijs, wat van het alleen maar weten, van alleen maar wereldbeschouwing, overgaat in de vaardigheid, in het kunnen van de opvoeder, dat is het wat wij als onze opdracht zien.
GA 297/104
Niet vertaald

o-o-o

33)
IDEE UND PRAXIS DER WALDORFSCHULE
Manches andere, was auf eine ähnliche Art auf den Menschen wirken soll wie das, was immerzu durch den Genius der Sprache gewirkt hat, wird wirken, wenn allgemeine Menschheitsbildung schon durch die Tätigkeit der niedersten Schule – die nicht als Weltanschauungsschule, sondern durch rationell betriebenen Un­terricht wirken will – verbreitet wird.
.

IDEE EN PRAKTIJK VAN DE VRIJESCHOOL
Nog veel meer wat op eenzelfde manier op de mens moet werken, zoals datgene wat voortdurend door de taalgenius heeft gewerkt, zal werkzaam zijn, wanneer een algemene mensvorming al door het werken in de laagste klassen van de school – die niet als wereldbeschouwelijke school wil werken, maar door rationeel uitgevoerd onderwijs, gangbaar wordt.
GA 297/112
Niet vertaald

o-o-o

34)
IDEE UND PRAXIS DER WALDORFSCHULE
Daher beurteilt derjeni­ge schlecht, was wir wollen, der uns nachsagt, wir wollten ein neues Bekenntnis, eine Weltanschauung in die Schule hineintragen.In unserer Freien Waldorfschule in Stuttgart, deren oberste Lei­tung mir ja unterstellt ist und die ich von Zeit zu Zeit wiederum zu inspizieren habe, da habe ich, da von mir der Lehrplan und die ganze Konstitution herrührt, von vorneherein gesagt: Das ist un­möglich, daß wir den Inhalt einer Weltanschauung in die Schule hineintragen.
.

IDEE EN PRAKTIJK VAN DE VRIJESCHOOL
Daarom beoordeelt diegene slecht wat wij willen, wanneer hij achter onze rug om vertelt dat wij een nieuw geloof, een wereldbeschouwing binnen de school willen brengen. In onze vrijeschool in Stuttgart waarvan ik de leiding heb gekregen en die ik van tijd tot tijd moet inspecteren, heb ik, omdat van mij  het leerplan en de structuur komt, van meet af aan gezegd: Het is onmogelijk dat wij de inhoud van een wereldbeschouwing de school binnenhalen.
GA 297/216
Niet vertaald

o-o-o

35)
IDEE UND PRAXIS DER WALDORFSCHULE
Wir können, weil wir eben nicht eine Weltanschauung in die Schule hineintragen wollen, durchaus im wahren, echten Sinne tolerant sein in dieser Beziehung. Und diese Toleranz trägt in der Praxis wahrlich keine schlechten Früchte. Denn dasjenige, was wir suchen, ist nicht, eine Weltanschauung in die Schule hineinzutragen oder ein Bekenntnis, sondern eine praktische Pädagogik und Didaktik, die aus Geisteswissenschaft und nur aus Geisteswissen­schaft kommen kann. Ein ganz sachliches pädagogisches Interesse haben wir bei der Einrichtung unserer Schule und nicht, Propagan­da zu machen für irgendeine Weltanschauung. Und derjenige, der das letztere behauptet, wir hätten ein Interesse aus unserer Gei­steswissenschaft, für diese Propaganda zu machen, für eine Weltan­schauung Propaganda zu machen, der lügt. Nur derjenige beurteilt das, was wir wollen, richtig, der da weiß, wie wir nichts anderem dienen wollen als dem praktischen Leben durch dasjenige, was diesem Leben gegenüber nicht in weltfremden Fernen steht, son­dern gerade durch diese Erkenntnis, wie ich sie Ihnen eben ge­schildert habe, mit dem praktischen Leben zusammenhängt.
.

IDEE EN PRAKTIJK VAN DE VRIJESCHOOL
Wij kunnen, omdat wij juist niet een wereldbeschouwing in de school willen brengen, in dit opzicht juist in ware, echte zin tolerant zijn. En deze tolerantie draagt in de praktijk werkelijk geen slechte vruchten. Want datgene wat wij zoeken, is niet een wereldbeschouwing in de school te brengen of een geloof, maar een praktische pedagogie en didactiek die uit de geesteswetenschap en alleen uit de geesteswetenschap kan komen. Een geheel zakelijke interesse hebben wij bij het vormgeven van onze school en niet om propaganda te maken voor een of andere wereldbeschouwing. En diegene die dit laatste beweert, wij zouden er in geïnteresseerd zijn om vanuit onze geesteswetenschap voor deze reclame te maken, propaganda te voeren voor een wereldbeschouwing, die liegt.
Slechts diegene beoordeelt dat wat wij willen juist, die weet dat wij niets anders willen dienen dan het praktische leven, wat niet mijlen ver afstaat van dit praktische leven, maar nu net door de kennis die ik hier zojuist voor U  geschetst heb, met het praktische leven samenhangt.
GA 297/217
Niet vertaald

o-o-o

36)
IDEE UND PRAXIS DER WALDORFSCHULE
Die Waldorfschule in Stuttgart ist keine Weltanschauungsschule. Wir haben nicht ein Interesse daran, etwa Anthroposophie theore­tisch wie eine Religion an die Kinder heranzubringen. 0 nein, das ist nicht dasjenige, was wir als die Hauptsache betrachten. Wir lassen, weil das in der Gegenwart auch gar nicht anders sein kann, durchaus den Eltern und den Kindern selbst ihre Freiheit.Wir haben aber nicht ein Interesse, die Waldorfschule zu einer unmittelbaren Weltanschauungsschule zu machen, sondern wir wollen dasjenige, was die anthroposophische Erkenntnis gibt, eben in die pädagogische Kunst, in die Handha­bung dieser pädagogischen Kunst hineinfließen lassen. Wie man es macht mit dem Kinde, nicht was man an das Kind heranbringt, das ist es, um was es sich bei uns handelt.

.
IDEE EN PRAKTIJK VAN DE VRIJESCHOOL
De vrijeschool in Stuttgart is geen wereldbeschouwelijke school. We zijn er niet in geïnteresseerd, zoiets als antroposofie theoretisch als een godsdienst aan de kinderen aan te bieden. O nee, dit is niet hetgeen wij als hoofdzaak zien. Wij laten, omdat dit in de huidige tijd ook helemaal niet anders kan, absoluut de ouders en de kinderen zelf vrij. Wij zijn er echter niet in geïnteresseerd om de vrijeschool in directe zin tot een wereldbeschouwelijke school te maken, maar wij willen datgene wat de antroposofische kennis oplevert, nu juist in de pedagogische kunst, in het uitoefenen van deze pedagogische kunst laten instromen. Hoe men het met het kind aanpakt, niet wat men het kind aanbiedt, is waar het bij ons om gaat.
GA 297/257
Niet vertaald 

o-o-o

37)
IDEE UND PRAXIS DER WALDORFSCHULE
Anknüpfend an die Gründung der Waldorf-Astoria-Schule, die, wie erneut zu wiederholen sich als notwendig erwies, keine Weltanschauungsschule ist, sondern in der eine geistige Erkenntnis der

menschlichen Wesenheit, eine Erkenntnis der geistigen Wachstumsbedingun­gen des werdenden Menschen methodisch angewandt werden soll.
.

IDEE EN PRAKTIJK VAN DE VRIJESCHOOL
Wat betreft de oprichting van de Waldorf-Astoriaschool (vrijeschool) die – het bleek opnieuw nodig te herhalen dat het geen wereldbeshouwelijke school is, maar waarin een geestelijk kennen van het wezen mens, een kennen van de geestelijke voorwaarden tot groei van de zich ontwikkelende mens als methode gehanteerd dienen te worden.
GA 297/277
Niet vertaald

0-0-0

38)
ERZIEHUNG ZUM LEBEN
In dieser Freien Wal­dorfschule werden diejenigen Impulse einer wirklichen Menschenerkenntnis pädagogisch-didaktisch ausgebaut, die aus anthro­posophisch orientierter Geisteswissenschaft fließen können. (  ) Wer die Waldorfschule  kennen lernen will, der muß vor allen Dingen anthroposo­phisch orientierte Geisteswissenschaft kennen lernen. Aber nicht so, wie man sie von außen kennen lernt, wo man den Leuten vormacht, daß es sich um irgendeine vertrackte, nebulose Mystik, um Sektiererei handelt; nein, von innen muß man diese anthroposo­phisch orientierte Geisteswissenschaft kennen lernen, wie sie aus dem vollen Menschentum dasjenige herausschöpft, was der Mensch als sinnliches und als übersinnliches Wesen innerhalb der Welt und innerhalb der Zeit in Wirklichkeit ist.
.

OPVOEDING VOOR HET LEVEN.
In deze vrijeschool worden die impulsen van een werkelijke kennis omtrent de mens pedagogisch-didactisch uitgewerkt, die van de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap uit kunnen gaan.
Wie de vrijeschool wil leren kennen, die moet allereerst de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap leren kennen. Maar niet zodanig dat men deze van buitenaf leert kennen, wanneer men de mensen voorspiegelt dat het om een of andere ingewikkelde, vage mystiek, om sektarisme gaat; nee, van binnenuit moet men deze  antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap leren kennen, hoe deze uit het volle menszijn datgene te voorschijn haalt wat de mens als zintuiglijk en bovenzintuiglijk wezen in de wereld en in de tijd in werkelijkheid is.
GA 297A/15
Niet vertaald

o-o-o

39)
ERZIEHUNG ZUM LEBEN
Da möchte ich zunächst einmal erwähnen, daß ja der Unterricht in der Waldorfschule auf unsere Erkenntnis von der Entwicklung des Menschen gebaut ist. Nicht wahr, die Wal­dorfschule ist ganz sicher keine Weltanschauungsschule, aber was an pädagogischer Geschicklichkeit, an pädagogischer Methodik, pädagogischer Handhabung der Dinge gerade aus anthroposophi­scher Seelenverfassung heraus erreicht werden kann, das soll eben in die Praxis umgesetzt der Waldorfschule zugute kommen.
.

OPVOEDING VOOR HET LEVEN.
Nu zou ik allereerst nog een keer willen opmerken, dat het onderwijs in de vrijeschool op onze kennis van de ontwikkeling van de mens gebaseerd is. Niet waar, de vrijeschool is zeer zeker geen wereldbeschouwelijke school, maar wat aan pedagogische bekwaamheid, aan pedagogische methodiek, het pedagogisch toepassen van de dingen met name uit de antroposofische zielenstemming bereikt kan worden, dat moet nu juist in het praktische omgezet worden en de vrijeschool ten goede komen.
GA 297A/72
Niet vertaald

o-o-o

40)
ERZIEHUNG ZUM LEBEN
Was vorhin gesagt und oftmals betont worden ist, muß festgehalten werden: Die Wal­dorfschule will als solche keine Weltanschauungsschule sein. Daß ihr anthroposophische Seelenverfassung zugrunde liegt, das ist eben nur insofern [der Fall], als sie sich in die erzieherische Praxis um­setzt. So handelt es sich jetzt zunächst bei dem, was in der Waldorf­schule vorliegt, um eine Entwicklung dessen, was auf rein päd­agogischem Wege aus der anthroposophischen Bewegung heraus erreicht werden kann. Eine Weltanschauungsschule kann und will die Waldorfschule nach keiner Richtung hin sein.

Was schließlich der eine oder andere An­throposoph für eine Ansicht hat in bezug auf Weltanschauungsfra­gen, das spielt dabei keine Rolle, sondern es handelt sich darum, daß Anthroposophie in der Schule und alledem, was dazu gehört, nur in pädagogischer Praxis wirken will.

 

OPVOEDING VOOR HET LEVEN.
Wat al eerder is gezegd en dikwijls benadrukt, moeten we vasthouden: de vrijeschool  wil geen wereldbeschouwelijke school zijn. Dat aan haar een antroposofische zielenstemming ten grondslag ligt, is alleen het geval in zoverre deze omgezet wordt in de praktijk van de pedagogie. Derhalve het gaat  nu allereerst, bij wat in de vrijeschool plaatsvindt, om een ontwikkeling van datgene wat langs puur pedagogische weg uit de antroposofische beweging  gewonnen kan worden. Een wereldbeschouwelijke school kan en wil de vrijeschool in geen enkel opzicht zijn.
Wat uiteindelijk de een of andere antroposoof aan denkbeelden heeft over wereldbeschouwelijke vraagstukken, speelt daarbij geen rol; het gaat er  om dat antroposofie in de school en in alles wat daarbij hoort, alleen in de praktijk van het opvoeden werkzaam wil zijn.
GA 297A/78
Niet vertaald

o-o-o

41)
ERZIEHUNG ZUM LEBEN
Das muß aber streng festgehalten werden, daß die Absichten der Waldorf­schule nach keiner Richtung hin Weltanschauungsabsichten sind. Es soll nicht zu einer Anthroposophie dressiert werden, sondern Anthroposophie will nur pädagogische Praxis darin werden.Nun ist ja die Waldorfschule natürlich keine Institution für Eremiten oder Sekten, sondern sie ist eine Institution, die sich voll ins Leben hineinstellen will, die für das gegenwärtige, ganz praktische Leben aus den Kindern tüchtige Menschen machen will.

Daher handelt es sich darum, den Unter­richt so einzurichten, daß man auf der einen Seite den streng päd­agogischen Anforderungen gerecht wurde, und auf der anderen Sei­te handelt es sich darum, daß die Waldorfschule eben nicht irgend­eine Institution von Sonderlingen ist.
Sie sehen, es handelt sich nicht darum, irgendwie aus partei­mäßigen Anschauungen, durch Weltanschauung oder so etwas, zu wirken, sondern lediglich darum, Anthroposophie in pädagogische Praxis umzusetzen.
.

OPVOEDING VOOR HET LEVEN.
Er moet streng aan worden vastgehouden dat de opzet van de vrijeschool in geen enkel opzicht de bedoeling heeft wereldbeschouwelijk te zijn. Er moet geen dressuur tot antroposofie zijn, antroposofie moet er slechts  voor de pedagogische praktijk zijn.
Natuurlijk is de vrijeschool geen instituut voor kluizenaars of sektarisme, maar een instituut dat zich in het volle leven plaatsen wil, die voor het praktische leven van nu, van kinderen capabele mensen wil maken.
Daarom gaat het erom het onderwijs zo in te richten dat men enerzijds zich streng houdt aan de pedagogische eisen en aan de andere kant gaat het erom dat de vrijeschool niet een of ander instituut van zonderlingen is.
U ziet dat het er niet om gaat vanuit een of ander partijprogramma of een wereldbeschouwing te werken of zoiets, maar alleen om antroposofie om te werken tot pedagogie in de praktijk.
GA 297A/79
Niet vertaald

o-o-o

42)
ERZIEHUNG ZUM LEBEN
Das Ideal wäre, daß die Kinder zunächst – weil ja Anthroposophie nur für Erwachsene ausgebildet ist, wir haben keine Kinderlehre, sind auch noch nicht in der Lage gewesen, eine solche haben zu wollen – nicht wüßten, daß es eine Anthro­posophie gibt, sondern daß sie objektiv gehalten würden, und durchaus so also in das Leben hineingestellt würden. Diese Dinge sind nicht im Ideal zu erreichen; auch wenn sich der Lehrer noch so viel bemüht, objektiv zu bleiben, so lebt doch das eine Kind im Kreise dieser Eltern, das andere im Kreise jener Eltern; es gibt auch anthroposophische Fanatiker, da bringen die Kinder, wie sie auch sonst allerlei hereinbringen, anthroposophische Ungezogenheiten, die es auch gibt, in die Schule hinein. Das muß durchaus fest­gehalten werden, daß es sich niemals darum handeln kann, daß die Waldorfschule in irgendeiner Weise eine Weltanschauungsschule oder so etwas ist. Das ist sie in gar keiner Richtung, sondern sie will die Kinder zu dem machen, wodurch sie tüchtige Menschen in der unmittelbaren Gegenwart sind, also in dem Leben, in das wir hin­eingestellt sind innerhalb von Staat und von allem, um was es sich handelt, daß sie da tüchtig drinnenstehen. Es ist ja wohl selbstver­ständlich, daß die Waldorfschule nicht etwa Dreigliederungsideen in die Schule hineinträgt. Durch die Bestrebungen der Waldorfpäd­agogik kann das nicht geschehen. Parteimäßiges wird in die Wal­dorfschule nicht hineingetragen von anthroposophischer Seite aus.
Unsere Schule will, wie gesagt, nur pädagogische Praxis ins Leben setzen, nicht Weltanschauung.


OPVOEDING VOOR HET LEVEN.
Het ideale zou zijn wanneer de kinderen om te beginnen, omdat antroposofie gestalte gekregen heeft voor volwassenen, we hebben geen kinderleer, we zijn ook nog niet in staat geweest om zo iets te willen, geen weet zouden hebben van antroposofie, dat het voor hen zakelijk gehouden wordt en dat ze dus op deze wijze in het leven geplaatst worden.
Deze dingen zijn qua ideaal niet te bereiken, ook al doen de leerkrachten nog  zo veel moeite objectief te blijven, want het ene kind woont bij deze ouders, het andere bij die ouders; er zijn ook antroposofische fanatici; dan brengen de kinderen, zoals die van alles mee naar school nemen, antroposofische ongepastheden, die er ook zijn, mee naar school.
Hieraan  moet beslist vastgehouden worden, dat het er nooit om kan gaan dat de vrijeschool op een of andere manier een wereldbeschouwelijke school of iets dergelijks is. Dat is deze in geen enkel opzicht, maar ze wil de kinderen zo vormen dat die in het leven van nu capabele mensen zijn, dus in het leven waarin wij staan, in staatsverband en in alles waar het om gaat, dat ze daar capabel voor zijn. En het is natuurlijk vanzelfsprekend dat de vrijeschool niet de ideeën over de driegeleding de school binnenbrengt. Door wat de vrijeschool beoogt kan dat niet gebeuren. Van de kant van de antroposofie kan er in de vrijeschool niet zoiets als van een partij binnengebracht worden.
Onze school wil, zoals gezegd, slechts pedagogische praktijk in het leven brengen, geen wereldbeschouwing.
GA 297A/79
Niet vertaald

o-o-o

43)
ERZIEHUNG ZUM LEBEN
Es ist durchaus niemals mein Bestreben gewesen, dafür zu agieren, daß die Kinder in diesen freien Religionsunterricht hin­einkommen. Sie kamen zahlreich, aber es ist wirklich nicht das Bestreben, dem äußeren Ruf der Schule dadurch zu schaden, daß es etwa auf solchen Umwegen zustande käme, daß (man sagte, daß) diese Schule eine Weltanschauungsschule sei.
.

OPVOEDING VOOR HET LEVEN.
Ik heb er zeker nooit naar gestreefd er voor te pleiten dat de kinderen naar dit vrijeschoolgodsdienstonderwijs zouden komen. Ze kwamen in groten getale, maar het is werkelijk niet het streven de naam van de school te schaden dat het zo’n beetje langs zulke omwegen tot stand zou komen, dat (dat werd beweerd) deze school een wereldbeschouwelijke school zou zijn.
GA 297A/82
Niet vertaald

o-o-o

44)
RUDOLF STEINER IN DER WALDORFSCHULE
So, meine sehr verehrten Anwesenden, möchten wir aus einem neuen Geiste heraus diese Waldorfschule gestalten. Und Sie werden bemerkt haben auch, was diese Schule nicht werden soll. Jedenfalls soll sie nicht eine Weltanschauungsschule werden. Derjenige, der da sagen wird: die anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft gründe die Waldorf­schule und wolle nun ihre Weltanschauung hineintragen in diese Schule- ich sage das jetzt am Eröffnungstage -, der wird nicht die Wahrheit sprechen. Uns liegt gar nichts daran, unsere «Dogmen», unsere Prinzi­pien, den Inhalt unserer Weltanschauung dem werdenden Menschen beizubringen. Wir streben nicht danach, eine dogmatische Erziehung zu bewirken. Wir streben danach, daß dasjenige, was wir haben gewinnen können durch die Geisteswissenschaft, lebendige Erziehungstat werde. Wir streben an, in unserer Methodik, in unserer Didaktik dasjenige zu  haben, was aus der lebendigen Geisteswissenschaft als seelische Men­schenbehandlung hervorgehen kann. Aus der toten Wissenschaft kann nur Wissen kommen, aus der lebendigen Geisteswissenschaft wird Methodik, wird Didaktik, wird Handgriffliches im geistig-seelischen Sinne hervorgehen. Daß wir lehren, daß wir erziehen können, das streben wir an.

 

RUDOLF STEINER IN DE VRIJESCHOOL
Dus, zeer geachte aanwezigen, wij zouden vanuit een nieuw elan deze vrijeschool  vorm willen geven. En u zult ook gemerkt hebben wat deze school niet moet worden. In ieder geval moet ze geen wereldbeschouwelijke school worden. Degene die daar zou zeggen: de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap heeft de vrijeschool opgericht en wil nu haar wereldbeschouwing deze school binnenbrengen – dat zeg ik nu op de openingsdag – die spreekt de waarheid niet.
Wij hebben er geen belang bij  de wordende mens onze ‘leerstellingen’, onze principes, het inhoudelijke van onze wereldbeschouwing  bij te brengen. Wij streven er niet naar een dogmatische opvoeding tot stand te brengen. Wij streven ernaar dat hetgeen wij uit de geesteswetenschap hebben kunnen halen, tot een levende opvoedingshandeling wordt. Wij streven ernaar wat uit de levende geesteswetenschap kan komen, in onze methodiek, in onze didactiek zit, voor de behandeling van de menselijke ziel. Uit de dode wetenschap kan alleen maar weten komen, uit de levende geesteswetenschap zal methodiek, zal didactiek voortkomen, zal vanuit de optiek geest en ziel  iets praktisch voortkomen.
Dat we kunnen onderwijzen , dat we kunnen opvoeden, daar streven wij naar.
GA 298/32
Gedeeltelijk vertaald***

o-o-o

45)
RUDOLF STEINER IN DER WALDORFSCHULE
Also eine Weltanschauungsschule werden wir nicht begründen. Eine erziehungs-künstlerische Schule werden wir uns bemühen mit der Waldorfschule zu schaffen.

 

RUDOLF STEINER IN DE VRIJESCHOOL
Dus een wereldbeschouwelijke school zullen wij niet oprichten. Wij zullen ons inzetten om met de vrijeschool een school op te richten waar opvoeden als een kunst beschouwd wordt.
GA 298/33
Gedeeltelijk vertaald***

o-o-o

46)
RUDOLF STEINER IN DER WALDORFSCHULE
Fürchten Sie durchaus nicht, daß wir aus dieser Schule eine Weltan­schauungsschule machen wollen und etwa anthroposophische oder andere Dogmen den Kindern eintrichtern wollen. Das fällt uns nicht ein. Wer so etwas sagen würde, daß wir den Kindern gewisse Dinge, die gerade anthroposophische Überzeugungen sind, beibringen wollen, der würde nicht die Wahrheit sagen. Wir wollen vielmehr gerade aus dem, was uns Anthroposophie ist, eine pädagogische Kunst entwickeln. Das «Wie» im Unterricht, das ist es, was wir gewinnen wollen aus unserer geistigen Erkenntnis. Nicht wollen wir den Kindern dasjenige eintrich­tern, was wir meinen, sondern wir glauben eben, daß sich Geisteswissen­schaft von jeder anderen Wissenschaftsart dadurch unterscheidet, daß sie den ganzen Menschen ausfüllt, ihn auf allen Gebieten geschickt macht, vor allen Dingen in bezug auf die Behandlung von Menschen.

 

RUDOLF STEINER IN DE VRIJESCHOOL
Weest u niet bang dat wij van deze school een wereldbeschouwelijke school willen maken en de kinderen zoiets als antroposofie of andere leerstellingen willen inpompen. Dat komt niet bij ons op. Wie zoiets zou zeggen dat wij de kinderen bepaalde dingen zouden willen bijbrengen die nu net antroposofische overtuigingen zijn, die zou niet de waarheid spreken. Wij willen veel eerder, juist uit wat antroposofie is, een pedagogische kunst ontwikkelen. Wij willen het “hoe” in het onderwijs ontwikkelen uit onze kennis van de geest. Wij willen de kinderen niet inpompen wat wij denken, maar we geloven wel dat geesteswetenschap zich van alle andere wetenschapsvormen onderscheidt, dat deze heel de mens tot inhoud heeft, hem voor elk gebied vaardig maakt, in het bijzonder met betrekking tot het omgaan met mensen.
GA 298/81
Gedeeltelijk vertaald***

o-o-o

47)
RUDOLF STEINER IN DER WALDORFSCHULE
Ein drittes Wort möchte ich an Euch, meine lieben Lehrer, richten. Ihr seid vereinigt mit dem Geist einer Geistesweltanschauung. Ihr versucht nach den besten Kräften, die in Euch wurzeln, im Sinne nicht einer Weltanschauungsschule, im Sinne der Durchdringung alles Erziehungs­wesens mit einer durchgeistigten Gesinnung, die Seelen der werdenden Menschen zu erkennen, an diesen Seelen der werdenden Menschen zu arbeiten.


RUDOLF STEINER IN DE VRIJESCHOOL
Ten derde zou ik mij tot U, mijn beste leraren, willen richten.
U bent verbonden met de geest van een geestelijke wereldbeschouwing. U probeert met uw beste krachten die in u zijn in de zin van, niet een wereldbeschouwelijke school, maar in de zin van het doordríngen van heel de opvoeding met een van geest doortrokken instelling om de zielen van de wordende mensen te kennen en aan deze zielen van de wordende mensen te werken.
GA 298/91
Gedeeltelijk vertaald***

 o-o-o

48)
RUDOLF STEINER IN DER WALDORFSCHULE
Immer wieder müssen wir sagen: Es ist uns gar nicht darum zu tun, etwa Anthroposophie in die Schule hineinzutragen. Darüber werden sich die Eltern nicht zu beklagen haben, daß wir Anthroposophie als Weltan­schauung in die Schule hineintragen wollen. Aber gerade so, wie wir es vermeiden, Weltanschauung, Anthroposophie in die Schule hineinzutragen, möchten wir es anstreben, diejenige pädagogische Geschicklich­keit, die nur kommen kann aus anthroposophischer Durchbildung, in der Handhabung des Unterrichts, in der Behandlung des Kindes geltend zu machen.


RUDOLF STEINER IN DE VRIJESCHOOL

Steeds opnieuw moeten we zeggen: Het is ons er helemaal niet om te doen iets van antroposofie in de school binnen te brengen. Dat wij antroposofie als wereldbeschouwing de school binnenbrengen daarover zullen de ouders zich niet te beklagen hebben. Maar net zo als wij vermijden wereldbeschouwing, antroposofie in de school te brengen, zo willen wij er wel naar streven die pedagogische bekwaamheid die slechts ontstaan kan door antroposofische ontwikkeling, tot uiting te laten komen  in het uitvoeren van het onderwijs, in de behandeling van het kind.
GA 298/128
Gedeeltelijk vertaald***

o-o-o

49)
RUDOLF STEINER IN DER WALDORFSCHULE
(  )  es muß geschaffen werden aus echter Menschenerkenntnis Lehrplan, Lehrziel; alles aus echter Menschenerkenntnis, wie sie sich nur auf dem Boden der Anthroposophie ergibt. Da bekommt man auch eine allgemein menschli­che Schule, keine Weltanschauungsschule, keine Sektenschule, sondern wirklich eine allgemein menschliche Schule.

RUDOLF STEINER IN DE VRIJESCHOOL
( ) het leerplan, het leerdoel moet tot stand gebracht worden uit echte menskunde; alles uit echte menskunde, zoals die slechts op basis van antroposofie kan ontstaan. Dan krijgt je ook een algemeen menselijke school, geen wereldbeschouwelijke school, geen sekteschool  maar een werkelijk algemeen menselijke school.
GA 298/183
Gedeeltelijk vertaald***

o-o-o

50)
KONFERENZEN  MIT DEN LEHRERN DER FREIEN WALDORFSCHULE
Wir wollen hier in der Waldorfschule keine Weltanschauungsschule einrichten. Die Waldorfschule soll keine Weltanschauungsschule sein, in der wir die Kinder möglichst mit anthroposophischen Dog­men vollstopfen. Wir wollen keine anthroposophische Dogmatik lehren, aber wir streben hin auf praktische Handhabung der Anthro­posophie. Wir wollen umsetzen dasjenige, was auf anthroposophi­schem Gebiet gewonnen werden kann, in wirkliche Unterrichts­praxis.

 

(Rudolf Steiner) IN VERGADERING MET DE LEERKRACHTEN VAN DE VRIJESCHOOL STUTTGART
Wij willen hier met de vrijeschool geen wereldbschouwelijke school openen. De vrijeschool moet geen wereldbeschouwelijke school zijn waarin we de kinderen zoveel mogelijk volstoppen met antroposofische leerstellingen. Wij willen geen antroposofische leerstellingen aanleren, maar wij streven ernaar de antroposofie in de praktijk toe te passen. Wij willen dat wat op antroposofisch gebied gewonnen kan worden, omwerken tot werkelijke onderwijspraktijk.
GA 300a/63
Niet vertaald

o-o-o

51)
KONFERENZEN  MIT DEN LEHRERN DER FREIEN WALDORFSCHULE
Das könnte das Schönste sein, was man macht, ohne daß man zur Weltanschauungsschule wird, wenn man reine Menschenerkenntnis zugrunde legte, und jede Minute die Päd­agogik neu belebte.

(Rudolf Steiner) IN VERGADERING MET DE LEERKRACHTEN VAN DE VRIJESCHOOL STUTTGART.
Dat zou het mooiste kunnen zijn, wat men doet, zonder dat men een wereldbeschouwelijke school wordt, wanneer men pure menskunde als basis heeft en de pedagogie iedere minuut nieuw leven inblaast.
GA 300a/80
Niet vertaald

o-o-o

52)
KONFERENZEN  MIT DEN LEHRERN DER FREIEN WALDORFSCHULE
Nicht wahr, das Anthroposophische ist eine Weltanschauung, und die wollen wir als solche durchaus nicht in unsere Schule hineintragen. Wir müssen aber jenes religiöse Gefühl, welches von dieser Weltanschauung der Menschenseele vermittelt wird, für die Kinder, deren Eltern es ausdrücklich verlangen, entwickeln.

 

(Rudolf Steiner) IN VERGADERING MET DE LEERKRACHTEN VAN DE VRIJESCHOOL STUTTGART.
Niet waar, het antropososfische is een wereldbeschouwing en die willen wij als zodanig beslist niet in onze school brengen. We moeten echter dat religieuze gevoel dat uit deze wereldbeschouwing aan de menselijke ziel gegeven kan worden, ontwikkelen voor de kinderen van wie de ouders dat nadrukkelijk verlangen.
GA 300a/98
Niet vertaald

o-o-o

53)
KONFERENZEN  MIT DEN LEHRERN DER FREIEN WALDORFSCHULE
Unmittelbar formell ist ja die Waldorfschule keine anthroposophische Institu­tion, sondern eine freie Schöpfung, die ja allerdings auf der Grund­lage der anthroposophischen Pädagogik aufgebaut ist, aber die sowohl durch die Art, wie sie dem Publikum, wie auch durch die Art, wie sie den gesetzlichen Institutionen gegenübersteht, eben keine anthroposophische Institution ist, sondern eine Schule für sich, die die anthroposophische Pädagogik aufgenommen hat.

 

(Rudolf Steiner) IN VERGADERING MET DE LEERKRACHTEN VAN DE VRIJESCHOOL STUTTGART.
Zo direct formeel is de vrijeschool geen antroposofisch instituut, maar een vrije creatie, die echter gebouwd is op de basis van de antroposofische pedagogie, maar die èn door de manier waarop zij tegenover het publiek staat, alsmede de manier waarop zij tegenover de wettelijke instellingen staat, toch geen antroposofisch instituut is, maar een school op zich, die plaats biedt aan de antroposofische pedagogie.
GA 300c/112
Niet vertaald

o-o-o

54)
KONFERENZEN  MIT DEN LEHRERN DER FREIEN WALDORFSCHULE
Es ist eben damals großer Wert darauf gelegt bei der Gründung, die Schule als eine von der Anthroposophischen Gesellschaft unabhängige Institution zu schaffen. Damit stimmt logisch ganz gut überein, daß der Religions­unterricht von den Religionsgemeinschaften aus besorgt wird, der freie Religionsunterricht von der Anthroposophischen Gesellschaft aus, daß die Anthroposophische Gesellschaft mit dem freien Reli­gionsunterricht darinnensteht wie die anderen religiösen Gemein­schaften. Die Anthroposophische Gesellschaft gibt eigentlich den Religionsunterricht und den Kultus. Das können wir jederzeit sagen und mit vollem Recht sagen, wenn uns vorgehalten wird, die Wal­dorfschule sei eine anthroposophische Schule.

 

(Rudolf Steiner) IN VERGADERING MET DE LEERKRACHTEN VAN DE VRIJESCHOOL STUTTGART.
Toen, bij de oprichting, is er grote waarde aan gehecht, de school als een instituut te stichten, onafhankelijk van de antroposofische vereniging. Daarmee is in overeenstemming dat logischerwijze de godsdienstlessen door de godsdienstgenootschappen worden gegeven, het vrije godsdienstonderwijs door de antroposofische vereniging; dat de antropososfische vereniging daar net zo in staat als de andere religieuze gemeenschappen. Eigenlijk geeft de antroposofische vereniging het godsdienstonderwijs en voltrekt de cultus.
Dat kunnen we iedere keer zeggen en terecht, wanneer  men ons verwijt dat de vrijeschool een antroposofische school is.
GA 300c/119
Niet vertaald

o-o-o

55)
KONFERENZEN  MIT DEN LEHRERN DER FREIEN WALDORFSCHULE
( ) Wir müssen dagegenhalten, daß wir die Anthroposophie erweitert haben, um solche Dinge machen zu können, die allgemein menschlich sind, müßten zeigen, daß die Anthroposophie geeignet ist, etwas allgemein Menschliches zu bringen. Wir müssen das aber auch im einzelnen einhalten. Wir müssen nicht zu stark den Eindruck hervorrufen, daß wir Anthroposophie dozieren. Wir müssen die anthroposophische Wahrheit verwerten in der Schule, nicht daß wir theoretisch Anthroposophie dozieren.

(Rudolf Steiner) IN VERGADERING MET DE LEERKRACHTEN VAN DE VRIJESCHOOL STUTTGART.
( ) We moeten daar tegenin brengen dat wij de antroposofie verruimd hebben om die dingen te kunnen doen die algemeen menselijk zijn, zouden moeten aantonen dat de antroposofie in staat is iets algemeen menselijks te brengen. We moeten niet zo zeer de indruk vestigen dat wij antroposofie doceren. In de school moeten we staan voor de antroposofische waarheid, niet voor het doceren van theoretische antroposofie.
GA 300c/138
Niet vertaald

o-o-o

56)
DIE ERNEUERUNG DER PÄDAGOGISCH-DIDAKTISCHEN KUNST DURCH GEISTESWISSENSCHAFT
So waren wir genötigt, ganz in freier Weise denjenigen, die gewissermaßen anthroposophischen Religionsunterricht haben wollten, den wir niemand aufdrängten, denn die Waldorfschule ist keine Weltanschauungsschule, diesen anthropo­sophischen Religionsunterricht auch zu geben. Er wird gegeben, aber nicht weil wir für Anthroposophie als Weltanschauung agitieren. Es ist etwas ganz anderes, für Anthroposophie als Weltanschauung zu agitieren oder dasjenige, was anthroposophische Geisteswissenschaft geben kann, für die pädagogische Kunst fruchtbar zu machen. Wir agitieren nicht für dasjenige, was der Inhalt ist, wir agitieren für das Können, wenn wir das agitieren nennen wollen.

 

DE VERNIEUWING VAN DE PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE KUNST DOOR GEESTESWETENSCHAP.
Dus waren wij genoodzaakt, op een heel vrije manier, degenen die in zekere zin antroposofisch godsdienstonderwijs wilden hebben, dat wij aan niemand opdrongen, want de vrijeschool is geen wereldbeschouwelijke school, dit antroposofische godsdienstonderwijs ook te geven. Het wordt gegeven, maar niet omdat wij propaganda maken voor een antroposofische wereldbschouwing. Het is iets heel anders of je propaganda maakt voor antroposofie als wereldbeschouwing of dat je, met wat antroposofie geven kan, de pedagogische kunst vruchtbaar maakt. Wij maken geen propaganda voor de inhoud, wij maken propaganda voor het kunnen, als we dat al propaganda willen noemen.
GA 301/181
Niet vertaald

 o-o-o

57)
MENSCHENERKENNTNIS UND UNTERRICHTSGESTALTUNG
Nun kann natürlich in unsere Schule das eigentliche Geistesleben nur dadurch hineinkommen, daß sich unsere Lehrerschaft eben aus Anthroposophen zusammensetzt. Dadurch, nicht durch dasLehren der Anthroposophie – unsere Schule darf eben nicht Weltanschauungsschule sein -, aber durch die ganze Art und Weise, wie sich unsere Lehrer verhalten, durch dasjenige, was sie in ihrer Seele tragen, wird wie durch seelische Imponderabilien das Geistig-Seelische in unsere Schule hineingetragen.

 

MENSENKENNIS EN DE VORMGEVING ERVAN IN HET ONDERWIJS.
Nu kan het eigenlijke geestesleven natuurlijk alleen daardoor onze school binnenkomen doordat het lerarencollege zich uit antroposofen vormt. Door de hele manier waarop de leraren zich gedragen, doordat wat ze in hun ziel dragen, wordt het geestes-ziele-element in onze school binnengebracht, door de onweegbare psychische factoren, de imponderabilia van de ziel. Daardoor, en niet door les te geven in antroposofie, want onze school mag geen wereldbeschouwelijke school zijn.
GA 302/57
Vertaald

o-o-0

58)
DIE GESUNDE ENTWICKLUNG DES LEIBLICH-PHYSISCHEN ALS GRUNDLAGE DER FREIEN ENTFALTUNG DES SEELISCH-GEISTIGEN
Sehen Sie, die Waldorfschule, und überhaupt jede Schule, die aus anthroposophischer Bewegung hervorgehen würde, legt natür­lich keinen Wert darauf, etwa Anthroposophie den Kindern beizubringen, in der Form wie sie heute da ist. Sie würde das sogar für das Allerverkehrteste betrachten, zu dem man sich wenden könnte. Denn Anthroposophie, wie sie heute vorliegt, hat man ja zunächst mit den Erwachsenen, manchmal schon mit recht grau gewordenen Menschen zu besprechen. Sie ist daher auch so eingerichtet in ihrer Literatur und in der Art und Weise, wie sie an den Menschen herantritt, daß sie die Form hat, wie man zu Erwachsenen spricht und wie man Erwachsene eben anredet. Ich würde es daher für das Allerverkehrteste ansehen müssen, wenn man dasjenige, was in meiner «Theosophie» steht oder in meinem Buche «Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten?», irgendwie dem Kinde vermitteln wollte. Das kann niemals der Fall sein, denn man würde das Kind, verzeihen Sie den etwas trivialen Ausdruck, dadurch, daß man etwas ganz Ungeeignetes für dieses Alter an es heranbringt, zum – man sagt im Deutschen – Aus-der-Haut-Fah­ren bringen. Das kann es dann nicht ausführen, aber es steckt in ihm diese Sehnsucht, aus der Haut zu fahren.
Nicht darauf kommt es also an, in die Schule als solche etwas hin-einzutragen, was heute anthroposophischer Inhalt ist, sondern darauf kommt es an, daß Anthroposophie ja nicht eine Theorie, nicht eine theoretische, in Ideen bloß sich ergehende Weltanschauung ist, son­dern Lebenssystem ist, den ganzen Menschen in Anspruch nimmt. (  ) auf diese pädagogisch-didaktische Kunst kommt es an.
Also eine methodische Schule soll gerade die Waldorfschule sein, und das Methodische soll herausgeholt werden aus der anthroposophischen Weltanschauung.
Also eine methodische Schule soll gerade die Waldorfschule sein, und das Methodische soll herausgeholt werden aus der anthroposophischen Weltanschauung. 


DE GEZONDE ONTWIKKELING VAN HET LICHAAM ALS BASIS VOOR EEN VRIJE ONTPLOOIING VAN GEEST EN ZIEL
Ziet u, de vrijeschool en überhaupt iedere school die uit de antroposofische beweging zou voortkomen, hecht er geen waarde aan de kinderen antroposofie bij te brengen in de vorm waarin die nu beschikbaar is. Dat zouden we als de grootste fout beschouwen waaraan we ons schuldig kunnen maken. Want antroposofie zoals die nu beschikbaar is, moet immers allereerst met de volwassenen, soms met de mensen van al wat oudere leeftijd worden besproken. Zij is daarom ook zó ingericht en ze benadert de mensen op zó’n manier dat ze de vorm heeft die gebruikt wordt als je tegen volwassenen praat en volwassenen aanspreekt. Ik zou het daarom als de grootste fout moeten beschouwen als we datgene wat in mijn boek Theosofie staat, of in mijn boek De weg tot inzicht in hogere werelden1 op een of andere manier aan het kind zouden willen overbrengen. Dat kan nooit het geval zijn, want door­dat we het kind iets aanleren wat totaal niet geschikt is voor deze leeftijd, zouden we het, vergeeft u mij de triviale uit­drukking, uit zijn vel laten springen. Dat kan het dan welis­waar niet, maar in hem zit wel dit verlangen uit zijn vel te springen. Het gaat er dus niet om in de school als zodanig antropo­sofische inhoud binnen te brengen, maar het gaat erom dat antroposofie niet een theorie, niet een theoretische, zich alleen in ideeën uitputtende wereldbeschouwing is, maar een levenssysteem dat de hele mens omvat.  (  )  Pedagogisch didactische kunst, daar gaat het om.
Dus juist de vrijeschool moet een methodische school zijn en dat methodische moet uit de antroposofische wereldbe­schouwing gehaald worden. 
GA 303/143-144
Vertaald/156-157

 o-o-o

59)
DIE GESUNDE ENTWICKLUNG DES LEIBLICH-PHYSISCHEN ALS GRUNDLAGE DER FREIEN ENTFALTUNG DES SEELISCH-GEISTIGEN
Also eine Weltanschauungsschule wollten wir ganz gewiß nicht schaffen, wie man leicht denken könnte, wenn man äußerlich hört: da haben die Anthroposophen eine Schule begründet; sondern es handelt sich darum, Anthroposophie in die pädagogische Praxis hineinzutragen.

 

DE GEZONDE ONTWIKKELING VAN HET LICHAAM ALS BASIS VOOR EEN VRIJE ONTPLOOIING VAN GEEST EN ZIEL
We wilden zeer zeker geen school op basis van een wereld­beschouwing oprichten. Dat zou men gemakkelijk kunnen denken als men hoort zeggen: de antroposofen hebben een school opgericht. — Nee, het gaat erom antroposofie pedago­gisch in praktijk te brengen.
GA 303/146
Vertaald/159

0-0-0

60)
ERZIEHUNGS-UND UNTERRICHTSMETHODEN AUF ANTHROPOSOFISCHER GRUNDLAGE
Wenn die Waldorfschule ihren Ausgangspunkt genommen hat von anthroposophischer Geisteswissenschaft, so ist sie deshalb keineswegs, und das bitte ich durchaus zu berücksichtigen, eine Weltanschauungsschule. Am wenigsten handelt es sich bei dieser Waldorfschule darum, die anthroposophische Dogmatik, wenn ich mich so ausdrücken darf, die anthroposophische Überzeugung als solche in die Schule hineinzu­tragen. Weder eine Weltanschauungsschule möchte die Waldorfschule sein noch irgendeine sektiererische Schule, denn das alles liegt eigentlich nicht, trotzdem man es zumeist glaubt, im Charakter der anthroposo­phischen Geisteswissenschaft.Dasjenige aber, was aus anthroposophischer Grundlage aus der Wal­dorfschule gemacht werden soll, das ist eine Methodenschule, eine Schule, welche die gewöhnlichen Anregungen für die Pädagogik, für die Methodik, für die Didaktik aus anthroposophisch orientierter Geistes­wissenschaft heraus holt.

 

OPVOEDINGS- EN ONDERWIJSMETHODEN OP ANTROPOSOFISCHE BASIS.
Ook al heeft de vrijeschool haar uitgangspunt in de antroposofische geesteswetenschap genomen, dan is zij en ik vraag u dat beslist onder  ogen te zien, daarom nog geenszins een wereldbeschouwelijke school. Nog het minst gaat het er bij deze school om, antroposofische leerstellingen, als ik mij zo mag uitdrukken, de antroposofische overtuiging als zodanig, in de school  te brengen.
De vrijeschool wil noch een wereldbeschouwelijke school zijn, noch een of andere sektenschool, want dit alles ligt eigenlijk niet, hoewel men dit meestal gelooft, in het wezen van de antroposofische geesteswetenschap.
Datgene echter, wat op basis van de antroposofie van de vrijeschool gemaakt moet worden, is een methodeschool, een school die de alledaagse aanwijzingen voor pedagogie, methodiek en didactiek uit de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap haalt.
GA 304/94
Niet vertaald

o-o-o

61)
ERZIEHUNGS-UND UNTERRICHTSMETHODEN AUF ANTHROPOSOFISCHER GRUNDLAGE
Wie gesagt, nicht Dogmen sollen hineingetragen werden in die

Schule ( )

OPVOEDINGS- EN ONDERWIJSMETHODEN OP ANTROPOSOFISCHE BASIS.
Zoals gezegd: leerstellingen moeten niet in de school binnengebracht worden. ( )
GA 304/95
Niet vertaald

0-0-0

62)
ANTHROPOSOPHISCHE MENSCHENKUNDE UND PÄDAGOGIK
Die Waldorfschule ist, das möchte ich hier auch ausdrücklich betonen, keine Weltanschauungs schule. Wir wollen nicht junge Anthroposophen in der Waldorfschule erziehen, sondern wir wollen die Anthroposophie dazu benützen, daß die Waldorfschule im rechten Sinne des Wortes eine Methodenschule sein kann. Das ist sie. Nur die richtige Erziehungsme­thode wollen wir auf allen Gebieten gewinnen durch Anthroposophie. Es ist eine Verleumdung, wenn gesagt wird: in der Waldorfschule solle Anthroposophie gelehrt werden. 

(  ) Aber wir sind streng darauf bedacht, daß wir es nicht mit einer Weltanschauungs­schule, sondern mit einer Methodenschule zu tun haben. Einer Metho­denschule in weitestem Sinne, so daß das Richtige an das Kind in der richtigen Weise und im richtigen Zeitpunkte herangebracht wird. Also nur für die Kinder, die freiwillig dazukommen, ist der freie Religionsun­terricht da.

ANTROPOSOFISCHE MENSENKENNIS EN PEDAGOGIE
De vrijeschool is, dat zou ik hier ook nadrukkelijk willen onderstrepen, geen wereldbeschouwelijke school. Wij willen in de vrijeschool geen jonge antroposofen opvoeden, maar wij willen de antroposofie gebruiken opdat de vrijeschool in de juiste betekenis van het woord een methodenschool kan zijn. Dat is ze. Alleen de juiste opvoedmethode willen wij door  antroposofie bereiken. Het is laster wanneer er gezegd wordt: in de vrijeschool moet antroposofie aangeleerd worden.

(Nadat Steiner over het godsdienstonderwijs heeft gesproken, zegt hij dat ook de vrijeschool een vorm van godsdienstonderwijs heeft, maar alleen voor de kinderen voor wie de ouders het willen)

Maar we letten er streng op dat we niet met een wereldbeschouwelijke school van doen hebben, maar met een methodenschool. Een methodenschool in de ruimste zin van het woord, zodat het kind het juiste op de juiste manier en op het juiste tijdstip bijgebracht kan worden. Dus het godsdienstonderwijs is er alleen voor de kinderen die er vrijwillig heen gaan.
GA 304a/141
Vertaald, 1998 im uitgave van (toen) Vrij Ped.Centrum, nu Begeleidingsdienst v vrijescholen

0-0-0

63)
ANTHROPOSOPHISCHE MENSCHENKUNDE UND PÄDAGOGIK
Das liest man ab aus dem Wesen des Kindes, was man zu machen hat. Und so handelt es sich darum, aus der Menschenerkenntnis heraus die Methode zu finden. Unsere Waldorfschule ist eine Methodenschule.

ANTROPOSOFISCHE MENSENKENNIS EN PEDAGOGIE
Dat  (het leren schrijven vooraf moet gaan aan het leren lezen) lees je af aan het wezen van het kind. En het gaat erom vanuit de kennis omtrent de mens de methode te vinden. Onze vrijeschool is een methodeschool.
GA 304a/158

0-0-0

64)
ANTHROPOSOPHISCHE MENSCHENKUNDE UND PÄDAGOGIK
(  ) daß ich wenigstens mit ein paar Strichen in der kurzen Zeit die Dinge andeuten konnte, die einer auf anthroposophischer Geisteswissenschaft begründeten Metho­dik pädagogischer Kunst zugrunde liegen. Denn nur Methodik will unsere Aufgabe sein, Methodik, nicht irgendein aus irgendeiner Phanta­sie heraus geborenes soziales Ideal oder dergleichen, sondern dasjenige, was die Menschennatur selber fordert, das wollen wir zum Gegenstand der Erziehung machen. Wir wollen uns nicht vorstellen als Menschen: so oder so muß der Mensch werden aus unserem eigenen Bedürfnis heraus, sondern wollen in richtiger Weise auf das werdende Kind hinschauen können und uns von dem Kinde, das die göttlichen Geistesmächte auf die Welt heruntergeschickt haben, sagen lassen können: so will ich werden. – So spricht der Gott in dem Kinde: so will ich werden. Diese Frage wollen wir durch unsere Erziehungsmethode für das Kind nach der besten Weise, wie es der Mensch kann, für das kindliche Alter durch pädagogische Kunst lösen. Diese Frage wollen wir mit unserer pädagogischen Kunst beantworten können.

ANTROPOSOFISCHE MENSENKENNIS EN PEDAGOGIE
(   ) dat ik tenminste met een paar korte penseelstreken  die zaken kon aangeven die ten grondslag liggen aan een methode van pedagogische kunst die gebouwd is op antroposofische mensenkunde. Enkel en alleen methodiek wil onze opgave zijn; methodiek, niet een of ander aan een of andere fantasie ontsproten sociaal idee of iets dergelijks, maar alleen datgene wat de mensennatuur vraagt willen wij tot object van opvoeding maken. Wij willen het ons niet zo voorstellen als zou de mens moeten worden wat wij graag willen dat hij wordt, maar wij willen op de juiste manier naar het kind kijken en ons door het kind dat door de goddelijk-geestelijke machten naar de aarde is gezonden, laten inspireren: zo wil ik worden. Want zo spreekt God zich in het kind uit: zo wil ik worden.
Die vraag willen wij door onze opvoedmethode voor het kind op de beste manier waarop een mens dat kan in de kinderleeftijd door onze pedagogische kunst oplossen. Deze vraag willen wij met onze pedagogische kunst kunnen beantwoorden.
GA 304a/162

0-0-0

65)
DIE GEISTIG-
SEELISCHEN GRUNDKRÄFTE DER ERZIEHUNGSKUNST
Es ist die Waldorf­schule keine Weltanschauungsschule, sondern eine Methodenschule.So waren wir genötigt, einen besonderen Religionsunterricht zu geben vom anthroposophischen Gesichtspunkte aus. Das ist nicht, um Anthroposophie in die Schule hineinzutragen. Selbst im anthroposophischen Religions­unterricht lehren wir den kleinen Kindern nicht Anthroposophie, son­dern wir versuchen in der Natur diejenigen Symbole und Gleichnisse zu finden, die nach dem Religiösen hinleiten.Wer meint, daß es uns mit der Waldorfschule um eine Anthroposophenschule zu tun ist, der versteht weder die Waldorfschul-Pädagogik, noch ver­steht er die Anthroposophie.

OPVOEDING EN ONDERWIJS
De vrijeschool is geen wereldbeschouwelijke school, maar een methodeschool.
We waren ook genoodzaakt een bijzondere vorm van godsdienstonderwijs te geven vanuit antroposofische gezichtspunten. Zelfs in het antroposofische godsdienstonderwijs leren wij de kleine kinderen geen antroposofie aan, maar we proberen in de natuur die symbolen en gelijkenissen te vinden die tot het religieuze voeren.
Wie denkt dat het ons met de vrijeschool te doen is om een antroposofenschool, die begrijpt noch de vrijeschoolpedagogie, noch de antroposofie.
GA 305/155
vertaald
Hier is de vertaling gebruikt uit een uitgave van 1977, blz.166

o-o-o

66)
DIE GEISTIG-SEELISCHEN GRUNDKRÄFTE DER ERZIEHUNGSKUNST
Sie werden das fühlen aus dem ganzen Auswirken des Milieus in der Waldorfschule, daß über allem Unterricht ein christlicher Charak­ter liegt, daß also tatsächlich religiöses Leben in der Waldorfschule waltet, trotzdem wir vom Anfange an es nicht darauf angelegt haben, aus der Waldorfschule irgend etwas zu machen, was mit Konfessio­nellem etwas zu tun hat. Ich muß es wiederholt und wiederholt sagen:

das Waldorfschul-Prinzip ist nicht ein Prinzip, das eine Welt­anschauungsschule machen will, sondern eine Methodenschule. Was erreicht werden soll durch eine Methode, die auf Menschenerkenntnis beruht, ist dasjenige, daß man aus Kindern physisch gesunde und kräf­tige, seelisch freie und geistig klare Menschen macht.

OPVOEDING EN ONDERWIJS
U zal het kunnen voelen door heel het resultaat van het vrijeschoolmilieu dat heel het onderwijs een christelijk karakter heeft; dat er inderdaad een religieus leven heerst op de vrijeschool, hoewel wij vanaf het begin er niet naartoe gewerkt hebben om van de vrijeschool wat ook maar te maken dat met confessie te maken heeft. Ik moet het steeds maar weer zeggen: het vrijeschoolprincipe is niet het principe dat een wereldbeschouwelijke school wil maken, maar een methodeschool. Wat bereikt moet worden door een methode die op menskunde berust, is dat men van kinderen mensen maakt die fysiek gezonde en krachtig zijn, met een vrije ziel en een heldere geest.
GA 305/157
vertaald
Hier is de vertaling gebruikt uit een uitgave van 1977, blz.169

                                                                0-0-0

67)
DIE PÄDAGOGISCHE PRAXIS VOM GESICHTSPUNKTE GEISTESWISSENSCHAFTLICHER MENSCHENERKENNTNIS
Wir dürfen ja gar nicht in fanatischer, sektiererischer Weise Kin­der so erziehen, daß sie dann ins Leben nicht hineinpassen.

We mogen natuurlijk niet op een fanatieke, sektarische manier kinderen zo opvoeden, dat ze dan voor het leven niet deugen.
GA 306/135
Vertaald
geen gebruik gemaakt van de bestaande vertaling – blz. in de vertaling mij niet bekend

0-0-0

68)
DIE PÄDAGOGISCHE PRAXIS VOM GESICHTSPUNKTE GEISTESWISSENSCHAFTLICHER MENSCHENERKENNTNIS
Dasjenige, was mit einer auf der Grundlage der anthroposophischen Forschung angestrebten Pädagogik und Di­daktik verfolgt wird, das ist nicht ein Lebensfremdmachen und ein Hinaufführen der Kinder in mystische Nebel, sondern das ist gerade ein Durchgeistigen und Durchseelen des Leibes, so daß dieser Leib für das Erdenleben, so lange er in demselben ist, tüchtig ist, und aus der Tüchtigkeit wiederum die innere Sicherheit schöpfen kann.

 

DE PEDAGOGISCHE PRAKTIJK VANUIT HET GEZICHTSPUNT VAN GEESTESWETENSCHAPPELIJKE MENSKUNDE
Wat beoogd wordt met het streven naar een pedagogie en een didactiek op basis van antroposofisch onderzoek is niet kinderen vervreemden van het leven en ze in mystieke nevelen hullen, maar het is juist het lichaam een geestelijke en een zielenbasis geven, zodat dit lichaam een aardeleven lang, goed doorwerkt is en dat zo weer innerlijke zekerheid gecreëerd kan worden.
GA 306/151
Vertaald
geen gebruik gemaakt van de bestaande vertaling – blz. in de vertaling mij niet bekend

0-0-0

69)
DIE PÄDAGOGISCHE PRAXIS VOM GESICHTSPUNKTE GEISTESWISSENSCHAFTLICHER MENSCHENERKENNTNIS
Nur eben sind wir ja wegen der heutigen Verhältnisse in die Notwendigkeit ver­setzt, den eigentlichen Religionsunterricht, weil wir keine Weltan­schauungsschule sind, sondern eine pädagogische Schule, und weil wir eigentlich nur den Wert darauf legen, daß bei uns nach naturge­mäßer Methodik gelehrt wird – wir haben Anthroposophie eben des­halb zugrunde gelegt, weil wir glauben, daß daraus eine wirklich richtige Pädagogik herausquillt, aber wir wollen nicht Anthroposo­phen dressieren in der Waldorfschule ; deshalb ist es so, daß wir den katholischen Religionsunterricht von katholischen Pfarrern, den evan­gelischen Religionsunterricht von evangelischen Pfarrern erteilen las­sen.

 

DE PEDAGOGISCHE PRAKTIJK VANUIT HET GEZICHTSPUNT VAN GEESTESWETENSCHAPPELIJKE MENSKUNDE.
We zijn nu eenmaal door de actuele verhoudingen genoodzaakt het eigenlijke godsdienstonderwijs – omdat wij geen wereldbeschouwelijke school zijn, maar een pedagogische school en omdat wij er eigenlijk alleen de nadruk op leggen dat bij ons volgens een natuurlijke methode onderwezen wordt — we hebben de antroposofie juist daarom als basis, omdat we geloven dat daaruit een echt goede pedagogie voort kan komen, wij willen geen antroposofische dresseur in de vrijeschool —  de katholieke godsdienstles door katholieke pastoors, het evangelische godsdienstonderwijs door evangelische pastors te laten geven.
GA 306/178
Niet vertaald

0-0-0

70)
DIE PÄDAGOGISCHE PRAXIS VOM GESICHTSPUNKTE GEISTESWISSENSCHAFTLICHER MENSCHENERKENNTNIS
Wir wollen nicht eine Weltanschauungs- oder Konfessionsschule haben, auch nicht in anthroposophischem Sinne, aber schließlich wird natürlich gerade die anthroposophische Methodik recht fruchtbar in diesem freien Religionsunterricht, in dem nicht etwa Anthroposophie gelehrt wird, sondern in dem so gearbeitet wird, wie ich es jetzt me­thodisch charakterisiert habe.

DE PEDAGOGISCHE PRAKTIJK VANUIT HET GEZICHTSPUNT VAN GEESTESWETENSCHAPPELIJKE MENSKUNDE.
Wij willen geen wereldbeschouwelijke- of een confessionele school hebben, ook niet in antroposofische  zin, maar uiteindelijk wordt natuurlijk de antroposofische methodiek pas vruchtbaar in deze vrije godsdienstlessen, waarin niet zoiets als antroposofie aangeleerd wordt, maar waarin zo gewerkt wordt, zoals ik  zoëven de methode gekarakteriseerd heb.
GA 306/178
Niet vertaald

0-0-0

71)
GEGENWÄRTIGES GEISTESLEBEN UND ERZIEHUNG
Heute ist aber die Menschheit durchaus auf dem Wege nach der Suche des Menschen, der reinen, ungetrübten, undifferenzierten Menschlichkeit. Daß dieses angestrebt werden mußte, das geht ja schon hervor aus der Art und Weise, wie die Waldorfschule eingerichtet wurde. Es war zunächst der Gedanke, den Proletarierkindern der Waldorf-Astoria-Fabrik einen Unterricht zu geben. Und weil derjenige, der die Waldorf-Astoria-Fabrik leitete, in der Anthroposophischen Gesellschaft war, so wendete er sich an mich, um diesen Unterricht einzurichten. Ich selber konnte diesen Unterricht nicht anders als aus den Wurzeln der Anthroposophie heraus einrichten. So entstand die WaIdorfschule zunächst als eine ganz allgemeine, sogar könnte man sagen, 307/15 aus dem Proletariat herausgebildete Menschheitsschule. Und nur weil derjenige, der zuerst den Gedanken an diese Schule hatte, zu gleicher Zeit Anthroposoph war, wurde diese Schule anthroposophisch.
So dass hier die Tasache vorliegt, dass aus einer sozialen Wurzel heraus allerdings das pädagogische Gebilde herausgekommen ist, das in bezug auf den ganzen Unterrichtsgeist, auf seine ganze Unterrichtsmethode seine Wurzel in der Anthroposophie sucht; aber nicht so, daß wir im entferntesten eine anthroposophische Schule haben, sondern nur weil wir glauben, daß Anthroposophie sich in jedem Momente soweit selbst verleugnen kann, daß sie eben nicht eine Standesschule, eine Weltanschauungsschule oder sonst irgendeine Spezialschule, sondern eine allgemeine Menschheitsschule zu gestalten in der Lage ist.

OPVOEDING EN MODERNE CULTUUR.
Maar tegenwoordig is de mensheid beslist op weg om de mens, de zuivere, onvertroebelde, ongediffe­rentieerde menselijkheid te zoeken. Dat dit nagestreefd moest worden komt al naar voren uit heel de wijze waarop de vrijeschool werd ingericht. Het begon met het idee om de kinderen van de proletariërs in de Waldorf-Astoria-fabriek onderwijs te geven. En omdat degene die deze fabriek leid­de, lid was van de Antroposofische Vereniging, wendde hij zich tot mij om dit onderwijs in te richten. Ikzelf kon dit onderwijs niet anders dan vanuit de wortels van de antropo­sofie inrichten. Zo ontstond de vrijeschool eerst als een heel algemene, je zou zelfs kunnen zeggen, vanuit het proletari­aat ontwikkelde mensheidsschool. En alleen omdat degene die eerst het idee voor deze school had tegelijk antroposoof was, werd deze school antroposofisch. Het is dus een gege­ven feit dat dit pedagogisch geheel beslist uit een sociale wor­tel voortgekomen is en met betrekking tot de hele onderwijsgeest, tot zijn hele onderwijsmethode zijn wortels in de antroposofie zoekt. Maar het is niet zo dat we ook maar in de verste verte een antroposofische school hebben. Nee, het is alleen antroposofisch omdat we geloven dat antroposofie zich op elk moment in die mate zelf kan verloochenen dat ze in staat is tot de vorming niet van een school voor een be­paalde stand, wereldbeschouwing of welke speciale andere school dan ook, maar van een algemene mensheidsschool.
GA 307/14-15
Vertaald/

0-0-0

72}
GEGENWÄRTIGES GEISTESLEBEN UND ERZIEHUNG
Dieses Allgemein-Menschliche im Unterrichts- und Erziehungswesen, das ich für die verschiedensten Unterrichtszweige charakterisieren mußte, das muß sich im Waldorfschul-Prinzip besonders dadurch ausleben, daß diese Waldorfschule nach keiner Richtung hin eine Schule der religiösen oder philosophischen Überzeugung oder eine Schule einer bestimmten Weltanschauung ist. Und nach dieser Richtung war es ja natürlich notwendig, gerade für ein Schulwesen, das sich aus der Anthroposophie heraus entwickelt hat, darauf hinzuarbeiten, daß nun ja diese Waldorfschule weit, weit davon entfernt sei etwa eine Anthroposophenschule zu werden oder eine anthroposophische Schule zu  sein. Das darf sie ganz gewiß nicht sein. Man möchte sagen: jeden Tag aufs neue strebt man wieder danach, nun ja nicht irgendwie durch den Übereifer eines Lehrers, oder durch die ehrliche Überzeugung, die ja selbstverständlich bei den Waldorfschullehrern für die Anthroposophie vorhanden ist, da sie Anthroposophen sind, irgendwie in eine anthroposophische Einseitigkeit zu verfallen. Der Mensch, nicht der Mensch einer bestimmten Weltanschauung, muß in didaktisch-pädagogischer Beziehung einzig und allein für das Waldorfschul-Prinzip in Frage kommen.

 

OPVOEDING EN MODERNE CULTUUR.
Dit algemeen-menselijke in onderwijs en opvoeding dat ik voor de meest verschillende onderdelen van het onderwijs moest karakteriseren, moet in de beginselen van het vrijschoolonderwijs in het bijzonder daarin tot uiting komen dat deze vrijeschool in geen enkel opzicht een school met een godsdienstige of filosofische overtuiging of een school van een bepaalde wereldbeschouwing is. En in dit opzicht was het natuurlijk noodzakelijk voor een schooltype dat zich vanuit de antroposofie ontwikkeld heeft, er naar te streven dat nu juist deze vrijeschool in de verste verte niet een antroposofenschool wordt of een antroposofische school is. Dat mag ze zeer beslist niet zijn. Je zou willen zeggen: iedere dag opnieuw streeft men er weer naar juist niet op de een of andere manier, door een overijverige leraar of door de eerlijke overtuiging die immers vanzelfsprekend bij vrijeschoolleerkrachten voor de antroposofie aanwezig is indien ze antroposoof zijn, op de een of andere manier tot een antroposofische eenzijdigheid te vervallen. Enkel en alleen de mens, niet de mens met een bepaalde wereldbeschouwing,  moet in didactisch-pedagogisch opzicht voor het vrijeschoolprincipe in aanmerking komen.
GA 307/203
Vertaald/260

0-0-0

73)
GEGENWÄRTIGES GEISTESLEBEN UND ERZIEHUNG
Der freie Religionsunterricht, der ist auch nicht darauf abgestellt, theoretische Anthroposophie in die Waldorfschule hineinzutragen. Das würde ganz falsch sein. Die anthroposophische Überzeugung ist bis heute für Erwachsene ausgebildet, und man spricht ja über Anthroposophie zu Erwachsenen. Man kleidet daher alle Begriffe, alle Empfindungen in dasjenige, was für Erwachsene gut ist. Dasjenige, was in 307/205 unserer anthroposophischen Literatur für Erwachsene bestimmt ist, einfach zu nehmen und es nun in die Schule hineinzutragen, hieße gerade dem Pädagogisch-Didaktischen im Waldorfschul-Prinzip schnurstracks zuwiderhandeln .(  ) So darf man auch nicht unter dem freien Religionsunterricht der Waldorfschule, der sogar mit einem entsprechenden Kultus verbunden ist, sich etwas vorstellen wie eine in die Schule hineingetragene anthroposophische Weltanschauung.

OPVOEDING EN MODERNE CULTUUR
Dit vrije godsdienstonderwijs, dat is er ook niet op ge­richt theoretische antroposofie in de vrijeschool binnen te brengen. Dat zou helemaal verkeerd zijn. De antroposofi­sche overtuiging is tot de huidige dag voor volwassenen
ont­wikkeld, en je spreekt over antroposofie tot volwassenen, nietwaar. Je drukt daarom alle begrippen, alle gevoelens uit in dat wat voor volwassenen goed is. Wat in onze antropo­sofïsche literatuur voor volwassenen bestemd is, eenvoudig­weg te pakken en het in de school binnen te brengen, zou betekenen lijnrecht in strijd met juist het pedagogisch-didactische in het vrijeschoolprincipe te handelen. (  ) Zo mogen we ons ook niet bij het vrije godsdienstonder­wijs van de vrijeschool, dat zelfs met een passende kultus verbonden is, iets voorstellen als een in de school binnenge­brachte antroposofische wereldbeschouwing.
GA 307/203
Vertaald/260

0-0-0

74}
GEGENWÄRTIGES GEISTESLEBEN UND ERZIEHUNG
Anthroposophie, so wie diese für Erwachsene heute vorgetragen wird, wird ganz gewiß nicht in die Waldorfschule hineingetragen  ( )

OPVOEDING EN MODERNE CULTUUR
Antroposofie, zoals die tegenwoordig voor volwassenen wordt gebracht, wordt heel zeker niet in de vrijeschool ge­bracht.
GA 307/204
Vertaald/260

 

0-0-0

75)
GEGENWÄRTIGES GEISTESLEBEN UND ERZIEHUNG
Und auch bei der Einrichtung der Waldorfschule hat uns eigentlich das vorgeleuchtet, ich habe es ja erwähnt, nicht mit dem starren Dogmatismus, den man bei der Anthroposophie zu finden glaubt, nun irgend etwas in die Schule hineinzutragen, sondern soviel als möglich gerade nichts von dem in die Schule hineinzutragen, was man für Erwachsene als Anthroposophie gibt; lediglich die Anthroposophie so zu haben, daß sie in einem wird die Kraft, den Menschen ganz unbefangen zu erkennen, alles unbefangen in der Welt anzuschauen, um dann auch alles durch die Tat unbefangen angreifen zu können.

OPVOEDING EN MODERNE CULTUUR
En ook bij de inrichting van de vrijeschool was het ons duidelijk – ik heb het al gezegd – dat wij niet met een star dogmatisme waarvan men denkt dat bij de antroposofie te kunnen vinden, ook maar iets binnen de school te brengen, maar zoveel mogelijk juist niets van wat voor de volwassene antroposofie is,  de school binnen te brengen; maar alleen antroposofie zodanig te hebben dat ze in iemand een vermogen wordt de mens onbevangen te leren kennen; alles in de wereld onbevangen waar te nemen om daarna ook alles door het doen onbevangen aan te pakken.
GA 307/251
Vertaald/319

                                                                              o-o-o

76)
DIE METHODIK DES LEHRENS UND DIE LEBENSBEDINGUNGEN
DES ERZIEHENS
Eine Erziehung, wie diese auf Anthroposophie begründete – nicht Anthroposophie als Weltanschauung den Menschen aufdrängende, sondern auf Anthroposophie begründete, weil Anthroposophie echte Menschenerkenntnis nach Leib, Seele und Geist liefert- (
)


DE ONDERWIJSMETHODE EN DE EXISTENTIËLE VOORWAARDEN VOOR HET OPVOEDEN
Een opvoeding zoals die op antroposofie stoelt -geen antroposofie als wereldbeschouwing de mens opgedrongen, maar op antroposofie stoelend, omdat antroposofie echte mensenkennis naar lichaam, ziel en geest brengt ( )
GA 308/85
Niet vertaald 

0-0-0

77)
ANTHROPOSOPHISCHE PÄDAGOGIK UND IHRE VORAUSSETZUNGEN
 Man soll aber nun ja nicht glauben – dieser Irrtum kann leicht entstehen -, daß irgend bei denjenigen Persönlichkeiten, die sich zu Anthroposophie bekennen, der Drang besteht, anthroposophische Schulen zu begründen, Schulen, in denen Anthroposophie als Weltanschauung, wie es nun heute ein­mal ist, an die Stelle anderer, verstandesmäßiger, herzmäßiger Welt­anschauungen gesetzt werden soll. Das ist zunächst gar nicht die Ab­sicht, und es ist wichtig, daß man berücksichtige, daß das gar nicht die Absicht ist. Die Pädagogik, von der hier gesprochen wird, will in sich aufnehmen aus Anthroposophie lediglich die methodischen und didak­tischen Elemente im Erziehen und Unterrichten. Und nur weil die be­rechtigte Ansicht bestehen kann bei denjenigen, die in Anthroposophie wirklich eindringen, daß diese imstande ist, aus ihrer Menschenerkennt­nis heraus auch die entsprechenden wirklich praktischen Regeln zur Menschenbehandlung zu finden, deshalb darf auch angenommen wer­den, daß in die Handhabung, in die Methode, in das Wie des Lehrens und Erziehens durch die Anthroposophie dasjenige hineinkommt, was überhaupt notwendig ist.

Ich möchte nun wie als eine Anmerkung erwähnen, daß wir ja in Stuttgart, wo wir in der Lage sind, seit Jahren im Sinne der anthroposophischen Pädagogik in der Waldorfschule zu wirken, auch nach außen hin ganz klar erkennen ließen, daß es nicht darauf ankommt, Anthroposophie als solche in die Schule hineinzutragen. Wir haben einfach den Religionsunterricht als solchen übergeben für katholische Kinder dem katholischen Priester, für evangelische Kinder dern evan­gelischen Pfarrer, und nur für diejenigen Kinder, deren Eltern wün­schen, daß sie eine freie Religionslehre bekommen, für die werden freie Religionslehren aus der Anthroposophie heraus gegeben; so daß das Weltanschauungsmäßige in der Waldorfschule eigentlich nicht be­rührt wird.
Ferner ist das noch zu beachten, daß zunächst auch nicht gedacht werden soll, daß irgend die Begründung von Schulen im weitesten Umfange ein Ziel und Ideal sein muß desjenigen, was mit anthroposo­phischer Pädagogik erzielt wird. Gewiß, will man rein in anthroposo­phischer Methodik unterrichten, braucht man Musterschulen. Solche Musterschulen sind schon dringend notwendig. Aber da die anthro­posophische pädagogische Kunst zunächst ein Methodisch-Didaktisches sein soll, also das Wie des Unterrichts betont, so handelt es sich darum, daß sie überallhin, in jede Art von Schule, in jede Art des Unterrichts durch den einzelnen Lehrer gebracht werden kann. 

UITGANGSPUNTEN VAN HET VRIJESCHOOLONDERWIJS
Nu moet je echter niet geloven – die vergissing kan makkelijk gemaakt worden – dat bij deze of gene personen die achter de antroposofie staan, de behoefte gevoeld wordt, antroposofische scholen te stichten; scholen waarin de antroposofie als wereldbeschouwing zou moeten komen in plaats van andere wereldbeschouwingen, intellectuele, meer vanuit het hart, zoals dat tegenwoordig nu eenmaal gaat. Dat is, om te beginnen, helemaal de bedoeling niet en het is belangrijk dat je er rekening mee houdt, dat dat helemaal de bedoeling niet is. De pedagogie waarover hier gesproken wordt, neemt uit de antroposofie enkel en alleen de methodische en didactische elementen bij het opvoeden en onderwijzen. En slechts omdat de gerechtvaardigde opvatting kan bestaan bij hen die daadwerkelijk in de antroposofie doordringen dat deze in staat is uit haar menskunde ook de adequate, werkelijk praktische regels bij de omgang met de mens te vinden, daarom ook mag worden aangenomen  dat in die omgang, in de methode, in het hoe van het onderwijzen en opvoeden door de antroposofie daarbij komt, wat daadwerkelijk nodig is.
Ik zou nu  willen opmerken, dat wij in Stuttgart, waar we in staat zijn, sinds jaren in de zin van de antroposofische pedagogie op de vrijeschool te werken, ook naar de buitenwereld heel duidelijk lieten weten, dat het er niet op aankomt, antroposofie als zodanig in de school te introduceren. We hebben eenvoudig het godsdienstonderwijs als zodanig overgedragen aan de priester voor de katholieke kinderen en aan de evangelische dominee voor de evangelische kinderen en alleen voor die kinderen waarvan de ouders wilden dat ze een vrije godsdienstleer zouden krijgen, voor hen worden vrije godsdienstlessen gegeven vanuit de antroposofie; zodat wereldbeschouwing op de vrijeschool eigenlijk niet aan bod komt.
Verder moet je er nog rekening mee houden dat om te beginnen ook niet moet worden gedacht dat ergens de stichting van scholen in de ruimste zin van het woord een doel en ideaal moet zijn van wat met antroposofische pedagogie nagestreefd wordt. Zeker, wanneer je puur met antroposofische methodiek les wil geven, heb je modelscholen nodig. Dergelijke modelscholen zijn al dringend nodig. Maar omdat de antroposofische pedagogische kunst allereerst een methodisch-didactische moet zijn, dus het hoe van het onderwijs benadrukt, gaat het erom dat ze overal, in elke school, in elke vorm van onderwijs door de individuele leraar in praktijk gebracht kan worden.
GA 309/23-24
vertaald/23-24

0-0-0

78)
DIE PÄDAGOGISCHE WERT DER MENSCHENERKENNTNIS UND DER KULTUURWERT DER PÄDAGOGIK
Es zeigt sich dadurch, daß der begeistertste Anthroposoph, wenn er zum Beispiel Geschichtslehrer wird, sofort in die Tendenz verfällt, nun in die Geschichtsauffassung Anthroposophie hineinzutragen und eigent­lich statt Geschichte Anthroposophie lehren will. Das ist auch wieder­um etwas, was man versuchen muß zu vermeiden.

MENSKUNDE, PEDAGOGIE EN CULTUUR
Het blijkt al uit het feit dat een enthousiaste antroposoof die bijvoorbeeld geschiedenisleraar wordt, meteen de neiging krijgt om voortaan in de geschiedenisles antroposofie in te brengen en eigenlijk in plaats van geschiedenis antroposofie wil doceren. Dat is wederom iets wat we moeten vermijden.
GA 310/111
vertaald /117

0-0-0

79)
DIE PÄDAGOGISCHE WERT DER MENSCHENERKENNTNIS UND DER KULTUURWERT DER PÄDAGOGIK
(  ) alles, was in dieser Schule ist, ist nicht etwa daraufhin angelegt, sie zu einer Weltanschauungsschule zu machen.

MENSKUNDE, PEDAGOGIE EN CULTUUR
Wat er in de school plaatsvindt, is er immers niet op uit om deze tot een verzuilde school te maken.
GA 310/174
vertaald /182

0-0-0

80)
DIE PÄDAGOGISCHE WERT DER MENSCHENERKENNTNIS UND DER KULTUURWERT DER PÄDAGOGIK
Wir wollen nur praktische Grundsätze für den Unterricht und die Erziehung haben. Wir wollen nicht Anthroposophie in die Schule hineintragen, weil wir keine Sekte sind, weil wir das ganz Allgemein-Menschliche wollen.

MENSKUNDE, PEDAGOGIE EN CULTUUR
We willen slechts praktische principes voor onderwijs en opvoeding. Het gaat ons er niet om, antroposofie de school in te brengen; we zijn geen sekte en we willen het algemeen-menselijke.
GA 310/174
vertaald /182

0-0-0

81)
Und wenn es ein wenig gelungen ist, gerade mit diesen Vorträgen über pädagogische Kunst, zu zeigen, wie Anthro­posophie keine sektiererische Phantastik ist, sondern etwas, was ge­wissermaßen mit mathematischer Nüchternheit auftreten möchte -sobald man ins Geistige hineinkommt, wird eben die mathematische Nüchternheit begeistert, denn Begeisterung ist ein Wort, das mit Geist zusammenhängt, und man kann gar nicht anders, als begeistert zu  werden, auch wenn man ganz mathematisch nüchtern ist, wenn man vom Geiste zu reden und zu handeln hat; wenn also Anthroposophie heute noch von manchen wie eine Schwärmerei angesehen wird – man wird schon sehen, daß sie durchaus auf realen Grundlagen fußt: sie will im weitesten Sinne des Wortes Lebenspraxis sein.

Hopelijk is het een beetje gelukt om met deze voordrachten over pedagogische kunst te laten zien dat de antroposofie geen sektarische fantasterij is, maar iets wat in zekere zin met mathematische nuchterheid wil opereren. Zodra je het geestelijke betreedt, wordt de mathema­tische nuchterheid tot geestdrift. Geestdrift is immers een woord dat samenhangt met geest. En als je de geest moet bespreken en behandelen, kun je niet anders dan geestdriftig worden, ook al ben je mathematisch nuchter. Dus ook al wordt de antroposofie nu nog door sommigen versleten voor dweperij, toch zal men wel gaan inzien dat ze absoluut op een reële basis is gestoeld: ze wil in de ruimste zin van het woord praktisch leven zijn.
GA 310/174
vertaald /187

0-0-0

82)
DIE KUNST DES ERZIEHENS AUS DEM ERFASSEN DER MENSCHENWESENHEIT
Denn was kann heute dem Menschen zur Menschenerkenntnis verhelfen? Anthro­posophie! Das ist gar nicht aus einem sektiererischen, fanatischen Untergrunde heraus gesagt. Wenn heute einer Menschenerkenntnis haben will, muß er eben Anthroposophie in sich aufnehmen. Wenn man aber aus Menschenerkenntnis – und das ist doch natürlich – un­terrichten soll, muß man sich diese Menschenerkenntnis erwerben. Was ist das Natürliche? Daß man sie sich durch Anthroposophie erwirbt.Fragt also heute jemand über die Grundlage einer neuen Päd­agogik, was muß man ihm sagen? Anthroposophie, die ist die Grund­lage einer neuen Pädagogik! Ja, aber nun bestreben sich sehr viele Menschen unter uns selber, Anthroposophie möglichst zu verleugnen, und die Pädagogik ohne Anthroposophie propagieren zu wollen; sie möchten nichts merken lassen, daß Anthroposophie dahinter ist.

Want hoe komt tegenwoordig de mens aan menskunde? Door antroposofie! Dat is helemaal niet vanuit een sektarische, fanatieke achtergrond gezegd. Wanneer iemand in deze tijd menskunde wil hebben, moet hij antroposofie in zich opnemen. Wanneer je echter uit menskunde – en dat is toch een natuurlijke zaak – onderwijs wil geven, moet je je deze menskunde eigen maken. Wat is dan vanzelfsprekend? Dat je je die door antroposofie eigen maakt.Zou er nu iemand naar de grondslag van een nieuwe pedagogie vragen, wat zou je hem moeten zeggen? Antroposofie, dat is de basis voor een nieuwe pedagogie! Maar ja, ook veel mensen uit onze kringen, doen hun best de antroposofie zo veel mogelijk te ontkennen en propageren de pedagogie zonder antroposofie; zij willen er niets van laten merken, dat antroposofie de basis vormt.
GA 311/11-12
Vertaald/11-12

0-0-0

83)
DIE KUNST DES ERZIEHENS AUS DEM ERFASSEN DER MENSCHENWESENHEIT
Da ich immer nur vom Praktischen aus spreche, so muß ich sagen, die Waldorfschul-Methode ist eine Erziehungsmethode, nicht irgend etwas, was eine Weltanschauung oder etwas Sektiererisches in die Schule hineintragen soll. So kann ich auch da nur von dem Leben in dem Waldorfschul-Prinzip selber sprechen.

DE KUNST VAN HET OPVOEDEN VANUIT HET BESEF: WAT IS DE MENS
Omdat ik steeds vanuit het praktische redeneer, moet ik zeggen dat de vrijeschoolmethode een opvoedingsmethode is, niet een of ander iets wat een wereldbeschouwing of iets sektarisch in de school wil brengen. Dus kan ik hier slechts van het leven in de vrijeschool zelf spreken.
GA311/140
Vertaald/140

0-0-0

84)
DIE KUNST DES ERZIEHENS AUS DEM ERFASSEN DER MENSCHENWESENHEIT
Wir können ohnehin schwer gerade Religionslehrer finden, und deshalb sehen wir es nicht einmal besonders gern, wenn zu viele Kinder herüberkommen, auch schon deshalb nicht, damit die Schule nicht in den Geruch kommt, eine anthroposophische Konfessionsschule zu sein. Das wollen wir durchaus nicht.

DE KUNST VAN HET OPVOEDEN VANUIT HET BESEF: WAT IS DE MENS
Bovendien kunnen we niet genoeg godsdienstleraren vinden en daarom vinden we het nog niet eens fijn als er teveel kinderen komen, ook al niet opdat de school niet het odium op zich laadt een antroposofisch-conventionele school te zijn. Dat willen we absoluut niet.
GA 311/142
Vertaald/142

0-0-0

85)
 VOM EINHEITSSTAAT ZUM DREIGLIEDRIGEN SOZIALEN ORGANISMUS
Es ist versucht worden, auf geisteswissenschaftlicher Grundlage Päd­agogik als Erziehungskunst zu begründen. Diese Waldorfschule will nicht eine Weltanschauungsschule sein. Diejenigen Menschen sagen die Unwahrheit, welche sagen, sie will eine Schule sein, in die anstelle alter Weltanschauungen anthroposophisch orientierte Gei­steswissenschaft schon in das Kind hineingetragen wird. Darum handelt es sich gerade bei dieser Schule nicht, sondern darum handelt es sich, daß das, was als Geisteswissenschaft hier gemeint ist, eben den Willen des Menschen erfassen kann, sein Handeln durch­dringen kann und daß dasjenige, was in anderen Weltanschauungen nur Gedanke, Idee bleibt, bei der anthroposophisch orientierten geisteswissenschaftlichen Weltanschauung methodisch gefaßt wer­den kann. Daher handelt es sich bei der Waldorfschule in Stuttgart nicht darum, was man inhaltlich an die Kinder heranbringen will, sondern es handelt sich darum, daß unsere Geisteswissenschaft in ihr Methode wird, wird dasjenige, was die Grundlage abgibt zu der Verrichtung im Lehren, im Erziehen, zum Handeln, zum Wollen des Lehrers.
Dazu gehört aber allerdings, daß diese Pädagogik, diese Erzie­hungskunst gebaut werde auf wirkliche Menschenkenntnis.

 

VAN DE EENHEIDSSTAAT TOT HET DRIEGELEDE SOCIALE ORGANISME
Er is geprobeerd om op basis van geesteswetenschap pedagogie als opvoedkunst te grondvesten. Deze vrijeschool beoogt niet een  wereldbeschouwelijke school te zijn. Die mensen spreken onwaarheid die zeggen dat zij  een school wil zijn waarin, i.p.v. oude wereldbeschouwingen, er bij de kinderen al antroposofisch gerichte geesteswetenschap  ingestampt wordt. Daar gaat het bij deze school juist niet om, maar het gaat erom dat wat hier als geesteswetenschap bedoeld is, op de wil van de mens kan werken, zijn handelen kan doordringen en datgene wat in andere wereldbeschouwingen slechts gedachte, idee blijft, bij de antroposofisch georiënteerde wereldbeschouwing als methode gebruikt kan worden.
Daarom gaat het er bij de vrijeschool in Stuttgart niet om wat men er bij het kind inhoudelijk inpompen wil, maar het gaat erom dat onze geesteswetenschap in de school methode wordt, wordt tot dat wat de basis legt voor de onderwijswerkzaamheden, het opvoeden, het doen, de intentie van de leerkracht.
Maar daarbij hoort beslist, dat deze pedagogie, deze opvoedkunst stoelt op echte mensenkennis.
GA 334/114-115
Niet vertaald

o-o-o

86}
PRIESTERKURSE 1
Sehen Sie, als wir die Waldorfschule gegründet haben – es ist nicht ein Beispiel, aber es ist wenigstens eine Ähnlichkeit vorhanden -, gingen wir darauf aus, keine Weltanschauungsschule, keine Anthro­posophenschule zu gründen, sondern lediglich in Pädagogik und Didaktik das hineinzubringen, was hineingebracht werden kann durch Anthroposophie, ergab sich dann die Notwendigkeit, auch einen freien anthropo­sophischen Religionsunterricht zu erteilen. Aber ich halte in allen Einzelheiten, namentlich in meinem eigenen Verhalten zu der Sache, streng darauf, daß dieser anthroposophische Religionsunterricht nicht in die Konstitution dieser Schule hineinfällt, sondern daß er ebenso von außen hineinkommt wie der katholische, wie der evange­lische Religionsunterricht, so daß nicht die Schule als solche aus sich heraus diesen Religionsunterricht gibt, sondern daß sie eben einfach der anthroposophischen Gemeinschaft gestattet, denjenigen Kindern, bei denen es die Eltern wollen, diesen anthroposophischen Religions­unterricht zu geben, wie den evangelischen Kindern der evangelische und den katholischen Kindern der katholische Religionsunterricht gegeben wird.

 

PRIESTERCURSUS 1
Kijk, toen wij de vrijeschool opgericht  hebben ( ) gingen we ervanuit geen wereldbeschouwelijke school, een antroposofenschool op te richten, maar slechts datgene wat van de antroposofie in pedagogie en didactiek ingebracht kan worden, in te brengen; toen ontstond ook de noodzaak een vrij antroposofisch godsdienstonderwijs te geven. Maar ik houd mij er stipt aan tot in alle details, ook wat betreft mijn eigen verhouding tot de zaak, dat dit antroposofische godsdienstonderwijs niet binnen de schoolinstelling valt, maar dat dit net zo van buitenaf komt als het katholieke, het evangelische godsdienstonderwijs van buiten komt, zodat de school niet als zodanig van haar uitgaande dit godsdienstonderwijs geeft, maar slechts toestemming geeft aan de antroposofische gemeenschap, aan de kinderen wiens ouders dat verlangen, dit antroposofische onderwijs net zo te geven als aan de evangelische kinderen evangelisch godsdienstonderwijs,aan  de katholieke kinderen katholiek godsdienstonderwijs gegeven wordt.
GA 342/62/63

o-o-o

87)
PRIESTERKURSE 1
Sehen Sie, als wir hier die Waldorfschule errichtet haben – ich möchte Ihnen gewissermaßen aus dem unmittelbar gegenwärtigen Leben heraus die Dinge zeigen -, als wir hier die Waldorfschule errichtet haben, da handelte es sich darum zunächst, daß das mehr aus dem Zeitbewußtsein heraus geschehen mußte und der Welt klar-zumachen, daß wir nicht das Bestreben haben, mit dieser Waldorf­schule eine Weltanschauungsschule zu begründen. Es ist die schlimmste Verleumdung der Waldorfschule, wenn in der Außenwelt immer wieder gesagt wird – und die Dinge pflanzen sich schon bis nach Amerika hinüber fort -, sie sei dazu da, um den Kindern Anthroposophie beizubringen. Dazu ist sie nicht da! Sie ist keine Weltanschauungsschule. In die Pädagogik und Didaktik kann dasje­nige einfließen, was man durch Anthroposophie gewinnen kann. Es soll nur in der pädagogischen Behandlung selber dasjenige liegen, was die Anthroposophie ergründen kann.

PRIESTERCURSUS 1
Ziet u, toen wij hier de vrijeschool gesticht hebben – ik zou U graag tot op zekere hoogte de dingen uit het huidige actuele leven willen laten zien – toen wij hier de vrijeschool opgericht hebben, ging het er allereerst om dat dit meer vanuit het tijdsbesef moest gebeuren en de wereld duidelijk te maken dat wij er niet naar streven met deze vrijeschool een wereldbeschouwelijke school te stichten. Het is de ergste kwaadsprekerij over de vrijeschool, wanneer in de omringende maatschappij steeds weer gezegd wordt – en deze zaken worden al tot in Amerika verspreid – die is er om de kinderen antroposofie bij te brengen. Daarom bestaat deze niet! Het is geen wereldbeschouwelijke school. In de pedagogie en didactiek kan datgene instromen wat uit de antroposofie gehaald kan worden. In het pedagogisch handelen zelf moet datgene aanwezig zijn waarvan antroposofie de basis kan zijn.
GA 342/93

o-o-o

88)
PRIESTERKURSE 1
Wir haben Anthroposophie nicht als irgendeinen Gegenstand im Lehrplan der Schule, sondern geradeso wie der katholische und der evangelische wird der anthroposophische Religionsunterricht von außen herange­tragen. Wir haben versucht, eine Methodik dafür zu bekommen und so weiter.

PRIESTERCURSUS 1
Wij hebben antroposofie niet als een of ander vak in het leerplan van de school, maar net zo als het katholieke en het evangelische wordt het antroposofische godsdienstonderwijs van buitenaf gegeven. Wij hebben geprobeerd er een methode voor te ontwikkelen enz.
GA 342/94

0-0-0

89)
PRIESTERKURSE 2
Als wir in Stuttgart die Waldorfschule begründet hatten, mußte in dem Sinne der Absicht, daß die Waldorfschule absolut nicht eine Weltanschauungsschule sein sollte, sondern daß sie eine Schule sein sollte, in welcher bloß didaktisch und pädagogisch, also in der Handhabung des Unterrichtes dasjenige vertreten werden sollte, was aus der Anthroposophie kommen kann, die Einrichtung getroffen werden, daß das eigentliche Religiöse, also in diesem Sinne das Weltanschauliche, übertragen wurde den Seelsorgern der betref­fenden Konfessionen’

PRIESTERCURSUS 2
Toen wij in Stuttgart de vrijeschool hadden opgericht, overeenkomstig de bedoeling dat de vrijeschool absoluut geen wereldbeschouwelijke school zou zijn, maar een school waarin alleen datgene wat vanuit de antroposofie kan komen  didactisch en pedagogisch toegepast kan worden in het  onderwijs, moest het zo georganiseerd worden, dat de eigenlijke godsdienst, dus in deze zin het wereldbeschouwelijke, overgedragen werd aan de geestelijken van de betrokken godsdiensten.
GA 343/309

o-o-o

90)
PRIESTERKURSE 2
Wir waren gewissermaßen gezwungen, einen Re­ligionsunterricht im Sinne der anthroposophischen Weltanschauung einzurichten, und ich suchte das in der Weise zu tun, daß davon tatsächlich prinzipiell getrennt wurde die Leitung der Schule, die absolut neutral sich zu diesen Dingen verhalten sollte, die es nur als ihre Aufgabe betrachtet, pädagogisch-didaktisch zu wirken. Ich be­trachte es als eine durchaus prinzipiell wichtige Sache, daß die Lei­tung der Schule selbst und alles das, was in die Leitung der Schule einfließt, nichts zu tun hat mit diesem Religionsunterricht, so daß die Vertreter dieses Religionsunterrichtes geradeso in die Schule hineingestellt sind wie der römisch-katholische und die verschiede­nen evangelischen Religionslehrer. Altkatholiken gab es da nicht, sonst würde auch für die gesorgt worden sein.
Damit war also der anthroposophische Religionsunterricht, wie man ihn vielfach nannte – ich selber halte nicht viel von Namen -, inauguriert und wurde nun auch in der Weise begonnen, wie man ihn nach der anthroposophischen Überzeugung führen muß, näm­lich dadurch, daß er möglichst ins Leben hineingestellt wird, und daß gewissermaßen Bibelerkenntnis und namentlich Evangeliener­kenntnis als die Krönung des ganzen Religionsunterrichtes heraus­kommen.

PRIESTERCURSUS 2
We werden in zekere zin gedwongen een godsdienstonderwijs in te richten vanuit de antroposofische wereldbeschouwing en ik probeerde dat op die manier te doen dat de schoolleiding er principieel niets mee van doen had, want die moet absoluut neutraal zijn wat deze dingen betreft; die heeft slechts als opdracht pedagogisch-didactisch te werken. Ik beschouwde het als een zeer besliste principiële zaak dat de leiding van de zelf zelf en alles waarmee de leiding van de school te maken krijgt, niets van doen had met dit godsdienstonderwijs, zodat de vertegenwoordigers van dit godsdienstonderwijs net zo de school zouden binnenkomen als de katholieke of de evangelische godsdienstleraren. Oudkatholieken waren er niet, anders was er voor deze ook zorg gedragen. Daarmee was het antroposofische godsdienstonderwijs, zoals het vaak wordt genoemd – ik zelf houd niet van die naam – een feit en er werd ook op die manier mee begonnen zoals men dat vanuit een antroposofische overtuiging moet doen, namelijk door het in het leven te plaatsen en dat er in zekere zin bijbelkennis en vooral ook kennis van het evangelie als bekroning van heel dat godsdienstonderwijs uit zou komen.
GA 343/310

0-0-0

91)
KONFERENZEN  MIT DEN LEHRERN DER FREIEN WALDORFSCHULE

Es würde ja wünschenswert sein, daß gerade in diesem Lebensalter -es sind etwa Achtzehnjährige – die Schüler ein abschließendes Ver­ständnis gewinnen würden für das Historisch-Künstlerische und schon aufnehmen würden das Spirituelle, ohne ihnen anthro­posophische Dogmatik beizubringen, in Literatur, Kunstgeschichte und Geschichte. 

(Rudolf Steiner) IN VERGADERING MET DE LEERKRACHTEN VAN DE VRIJESCHOOL STUTTGART.

Het zou wenselijk zijn dat juist op deze leeftijd – het gaat om ongeveer achttienjarigen – de leerlingen een afsluitend begrip ontwikkeld zouden hebben voor het historisch-kunstzinnige en al begrip zouden kunnen opbrengen voor het spirituele zonder hen antroposofische dogma’s bij te brengen, in literatuur, kunstgeschiedenis en geschiedenis.
GA 300C/34

 

Wanneer er geen verwijzing is naar een vertaling, is deze van mij.
Voor fouten in de vertaling of voorstellen tot verbetering:

pieterhawitvliet  gevolgd door apenstaartje gmail punt com

.
Rudolf Steiner: alle artikelen
.
vrijeschool en antroposofie: alle artikelen

186-176

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (10)

.

SINT-JANSFEEST VIEREN

Voor het eerst wil ik het feest van Johannes echt vieren. En ik heb het ge­voel met bijna lege handen te staan. Wat uiterlijkheden heb ik wel: 24 juni, vuur, dansen, zingen, muziek, de zon staat op z’n hoogste punt – in de Tweelingen, ja … en straks daalt-ie weer naar Michaelstijd, reidansen, Johannes de Doper.

Verder heb ik een handvol herinneringen aan stemmingen, landschappen, vakanties …
Maar dat betekent nog niet dat ik feest kan vieren, straks. Hoe vind ik de mogelijkheid om het feest zo tot een stuk van mezelf te ma­ken, dat het tot in de materiële wereld duidelijk is dat ik het Sint-Jansfeest vier? Waar haal ik de kracht vandaan om steeds even opzij te zetten wat we aan dagelijkse beslommeringen en in­nerlijke stemmingen soms met geweldi­ge dwang of wil leiden?
Deze keer wil ik me voorbereiden. Heb ik ergens één ‘heilig’ plekje dat me eraan herinnert dat ik met zon, aarde en sterren mee – wandel door het jaar en door haar grote feesten ben gegaan? Nu is de zon weer op haar hoogste punt aangeland.

Hoe vind ik verbinding met de Zon ?
Hoe beleef ik de Aarde?
Wat hebben de sterren me te zeggen?
Deze hoge zonnestand geeft voor onze noordelijke aardehelft aan dat de aarde het moment van uiterste uitademing heeft bereikt. Een uitademing waar de hele natuur in meegaat: (…)
Ook de mensen ervaren deze uitademingstoestand, bewust of onbewust.
Ook wij zijn in de zomertijd helemaal  gericht op de waarneming van de buitenwereld’.   

Rinke Visser

Alléén kan ik dat niet, onmogelijk. Uit dat wat mensen schrijven of zeggen, of wat we met elkaar bespre­ken over ervaringen, herinneringen, waarnemingen over de midzomertijd, en over Johannes de Doper zal langza­merhand een beeld ontstaan over het ‘waarom’ van het feest.

‘Ik moet afnemen, hij moet groeien’.
Johannes de Doper

‘Johanni-stemming zouden we moeten leren voelen als de ingang tot de geestesimpuls en de uitgang uit de zintuigelijke impuls’
Rudolf Steiner

Zo’n gesprek kan een enorme gebeur­tenis zijn: een aantal mensen probeert een tijdlang hun persoonlijke belangen en gevoelens terug te houden, en spre­ken uit eigen ervaring over het feest -terwille van het feest -. Een enthousias­me kan daarvan uitgaan, een ruimte wordt gemaakt waarin elke keer weer een aspect van het feest gestalte kan krijgen. Dit proces kon je van Pinkste­ren leren.

Straks moet ik opletten, niet mee-in-slapen met de natuur. De natuur zal op het hoogtepunt van haar bloei zijn – hoe zal alles er uit zien, hoe is het licht ook weer, wat is er aan de hemel en op de aarde te zien? Wat zal me dat zeggen? Hoe ziet bij­voorbeeld het verloop van de Sint-Jansdag er uit?

En ik kan voelen: welke impulsen, we­zenlijke stemmingen en gevoelens zijn er in deze tijd, bij mij en de

‘Zo biedt de Johannestijd ons de gele-
genheid om een beetje meer dan ge-
woonlijk los te komen van onze eigen
subjectiviteit                             Rinke Visser

mensen om me heen; ook onderling. En ik kan iets doen: welke initiatieven neem ik, wat heb ik gedaan tot nu toe, wat ga ik straks na de zomer doen? Hoe staat dit feest tussen de andere grote jaarfeesten? En wie was eigenlijk Johannes? Wat heeft hij gedaan en wat heeft hij me daarmee te zeggen?

‘… terwijl het juist daarom gaat, dat de mens zijn wezen vrij maakt voor het Christuswezen. Volgens het woord van Johannes: Ik moet afnemen, hij
moet groeien’.
      Henk Sweers

En ik hoop dat als ik zoveel doe als me mogelijk is – samen met anderen, soms alleen – om het Johannesfeest voor te bereiden, straks, op de dag zelf dit feest zo in me te voelen, dat ik wéét hoe ik het tot in het materiële kan uitdrukken. Dan zal ik weer een ‘stukje Zon’ feestelijk binnen laten.

.

(Els Boekelaar, ‘Jonas’ 21, 16 juni 1978)

.

St.-Jan: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

185-175

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (9)

.

HET FEEST VAN SINT-JAN

‘Kom tot inkeer, want het Rijk der hemelen is nabij. . .’ (Matt. 3:2)

Het is hoogzomer. De aarde heeft uitge­ademd. Kosmos en aarde zijn één. De aarde is zonneland, ‘Oostland’, geworden.
‘Bekeert U, komt tot inkeer, verander uw gezindheid’, zei Johannes de Doper, ‘want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen’.
Dit is de tijd waarin men tot inkeer, tot nieuwe gedachten, tot nieuwe ideeën komen kan.

Wanneer men in Colmar naar het Isenheimer altaar gaat in het museum Unter den Linden, dan vindt men daar de bekende tekst van Sint-Jan de Doper uitgebeeld: ‘Hij moet groeien. Ik moet afnemen.’
Daarin ligt de diepste gedachte van het Sint-Jansfeest opgesloten. Augustinus (354 – 430) zei in een preek op een 21ste juni: ‘Opdat de mens mocht vernederd worden, is heden Johannes geboren, nu de dagen beginnen af te nemen. Opdat God verheven worde’ is Christus geboren op die dag, waarop de da­gen beginnen te groeien’ (Homil. 289)
In de vóór-christelijke tijd was de 24ste juni de grootste dag van de midzomerfeesten en daarom speelde hij in ’t Germaanse volksle­ven met zijn offervuren en offermaaltijden een voorname rol. Zoals het met vele hei­dense feesten ging, werd ook dit feest gekerstend. Het zomer-zonnestilstand-feest werd de tegenpool van het Kerstfeest. Dit in overeenstemming met het Lukasevangelie, dat ons verhaalt, dat de moeder van Sint-Jan, Elisabeth, de nicht van Maria, reeds 6 maan­den zwanger was, toen Maria Jezus in haar schoot ontving. Tegelijk met de feesten wer­den ook de heidense gebruiken op christelij­ke wijze verklaard. Het baden in stromend water, oorspronkelijk een vruchtbaarheidsritus, deed men nu ter ere van ’s Heren doopsel in de Jordaan.
Dezelfde betekenis kreeg ook het dauwtrappen tijdens de hoog-zomerdagen. Planten op Sint-Jansdag ge­plukt, bezitten grote magische, genezende kracht. Bomen en struiken ziet men opnieuw uitschieten, alsof het lente is: de zogenaam­de sint-jans-loten. Het sint-janskruid, ook wel ‘jaag-de-duivel’ genoemd, heeft het ver­mogen, boze geesten te verdrijven. De Sint-Jansnacht is een van de geheimzinnigste tovernachten. Dan moet de wichelroede gesne­den worden. Dan plukt men het sint – jans­kruid. Dan durft de schipper niet uit te va­ren. . .

Op Terschelling kende men tot voor kort nog het ‘oppe-rid‘. Oorspronkelijk een rij­dende processie van met bloemen versierde wagens ter ere van Sint-Jan naar de op het oostelijk deel van het eiland gelegen Sint-Janshoek. Het werd later gedaan op de tweede zondag na Sint-Jan. Heel vroeger werd in de achterste huifkar een houten beeld van de Doper meegevoerd. Het moet een prachtig gezicht geweest zijn: De wagens waren groen geschilderd, de wielen rood. De huif was helder wit. De meisjes ook in ’t wit. De jongens in ’t nieuw, maar meer stemmig gekleed. De wagens waren rijk versierd met alle bloemen van het eiland. De gebruiken, de heilige ritus der liederen, ‘Naar het Ro­zenland zo zijne wij gevaren’, de speelman, de liefde. . .

Het oudste Sint-Janslied dat we kennen, luidt:

Naar Oostland willen wij rijden,
Naar Oostland willen wij mee.
Al over die groene heide.
Daar is er een betere stee.

Als wij binnen Oostland komen,
Al onder dat hoge huis fijn,
Daar worden wij binnen gelaten,
Zij heten ons wellekom zijn.

Ja, wellekom willen wij wezen,
Ja, wellekom willen wij zijn,
Daar zullen wij t’ avond en morgen
Nog drinken den koelen wijn.

Wij drinken de wijn er uit schalen
En ’t bier ook zoveel ’t ons belieft.
Daar is ’t ons vrolijk te wezen,
Daar woont er mijn zoete lief!

Een passender lied is in de hoogzomerdagen nauwelijks denkbaar, ‘oostland’ is het Wal­halla der Germanen, het Zonneland, de He­mel, het geestesland. Het ‘hoge huis’ van de kosmos neemt ons op. Daar drinken wij ‘de koele wijn’. Wijn heeft te maken met ons Zelf, ons ‘Ik’. Het is een symbool voor ons lichaamsbloed, waarin ons Ik huist. Daarom werd het ook in de christelijke kerk het symbool voor het bloed van Christus. ‘Bier’ is de gevulgariseerde ‘mede’, de wijs­heidsdrank der goden uit de Germaanse my­thologie.

De heerser van dit feest, die woont in het sterrrenbeeld van de Tweelingen, was bij on­ze voorvaderen de god Vro (oud-noors Freyr). Daarom is het er ‘vro-lijk’ voor ons, want van hem stamt onze blijdschap. En wie is mijn ‘Lief? Niet ‘ons’ lief, maar ‘mijn eigenste Lief? — ‘Lief hangt samen met ‘leven’. Leest u er vele sprookjes maar op na: Het lief, de liefste is altijd het beeld voor het meest eigene van de mens: Zijn ‘ziel’, zijn hogere wezen, zijn ‘Ik’. Dat woont in ‘zonneland’.

Als overblijfsels van de grote zomeroffers treft men op vele plaatsen nog de Sint – Jans­vuren aan. Zij werden ontstoken met ‘zuiver vuur’, dat wil zeggen vuur, dat door wrijven van hout was gemaakt. De mensen namen van dit vuur mee naar huis, om er hun haardvuur (fornuis) mee te ontsteken.
In Neder­land zijn de meeste Sint-Jansvuren overge­gaan naar Petrus en Paulusdag, vijf dagen na Sint-Jan. Petrus is de wachter aan de hemel­poort.
Om het vuur werd gedanst. In Oost-Vlaanderen en West-Brabant kent men nog het gebruik van de Rozenhoed. Deze hangt aan een koord, dat over de straat gespannen is. Daaronder wordt ook gedanst en gezongen:

‘Sinte Pieter, der is goed
Al voor onze Rozenhoed…’

Het was eertijds gewoonte om bloemenkran­sen, kruiden en notenbladeren (een oud-keltisch gebruik) in het offervuur te werpen en er dan overheen te springen.

Merkwaardig is het, dat de grote oorlogen, de wereldbranden, omstreeks deze midzomertijd uitbraken. Dat kan men ook waarne­men bij het weer. Hoe komt het dat, terwijl de hele zomer rustig en zonnig is, vaak juist met midzomer een hagelcatastrofe de rijpen­de vrucht op het veld en in de boomgaard verwoest? – Ongebonden, kosmische krach­ten breken los. De natuur alléén kan de mens niet meer voorwaarts helpen. De oude mys­teriën hebben geen kracht meer in de tegen­woordige tijd. Wil de mens nog aan het oude vasthouden, wil hij met aardse middelen de hemel vinden, dan trekt hij het onheil over zich heen. De extase bij de zomervuren ruk­te de mensen van de aarde los en de hemel antwoordde in openbaringen. Zo ontvingen de druïden in heel noordwest Europa in die tijd hun inspiraties. De zomer-zonnewende was het uur, waarop men door extase de gaven der goden kon ontvangen. Heden kan dat niet meer. Wij kunnen ons niet meer losmaken van de aarde. Wij moe­ten op de aarde de hemel der geestelijke wer­kelijkheid vinden.

Shakespeare schilderde nog de natuurwezens, de geesten, die hun spel drijven met de mens in deze zomernacht. Als de mens niet voldoende leeft in de vrijheid van zijn geest, in zonnig bewustzijn, dan zal hij in een doffe slaperigheid verzinken. Dan worden de krachten, die hem zouden kunnen helpen en leiden, de krachten van zijn ondergang.
De maatgevende mensen in de verschillende landen waren bij het uitbreken van de we­reldoorlogen, wel beschouwd, niet goed bij hun bewustzijn! Nog hoort men overal de kreet: ‘Ik moet groeien’.
Men streeft naar macht, terwijl het juist daarom gaat, dat de mens zijn wezen vrij maakt voor het Christus­wezen. Volgens het woord van Johannes:’ Ik moet afnemen, hij moet groeien’. De zon heeft haar hoogste stand bereikt. Zij begeeft zich op de terugweg. De dagen wor­den korter, de nachten lengen, ik moet af­nemen…’.

Omkranst met de gaven van Moeder Natuur, talloze geplukte bloemen, rozen en duizend­schoon, allemaal ten dode opgeschreven kin­deren der aarde, viert de mens het feest van de eeuwige levens-zon: ‘Hij moet groeien!’

( Henk Sweers, ‘Jonas” nr.21, 18 juni 1976)
.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

 

184-174

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (8)

.

SINT-JAN

Bij de Germaanse en Noorse volken werd het midzomerfeest gevierd ter ere van Balder, de stralende Zonnegod.
Op de langste dag van het jaar – de zomerzonnewende – ontstak men het vreugdevuur en danste men er rondom.
De midzomernacht was de kortste nacht van het jaar: in de hoge Noorse streken was de zon in het middernachtelijk uur nog niet ten onder. De korte zomernachten omstreeks deze tijd waren licht-doorweven. De mensen zagen elfen en feeën dansen.
Na de 
kerstening werd het midzomerfeest verbonden met  Sint- Jan: dat is Johannes de Doper, een gestalte uit de Evangeliën. In Lucas wordt beschreven, hoe Johannes zes maanden eerder geboren werd dan Jezus: de “naamdag van Sint – Jan”,  zoals de kinderen zingen, valt precies een half jaar na de kerstnacht,  (24 december –24 juni) dat is enkele dagen na de zomerzonnewende.

Wat is zijn boodschap; wat spreekt hij tot ons in de taal van het zomerfeest?

Waar gaan we doorheen, als we de zomerzonnewende op ons in laten werken?

Het is inderdaad een wende, een ommekeer. De zonnebaan is niet meer stijgend, de dagen worden langzaam korter. De bloesems vallen uit, on-ooglijk, in het verborgene rijpt de vrucht. Schoon was de schijn!

Johannes zegt van zichzelf: “Ik moet afnemen”,  degene voor wie hij de wegbereider is, moet groeien. “Keert u om, ver­andert uw gezindheid”,  roept de Stem-in-de-Woestijn.
Nu neemt hij ons mee in de stijgende vlammen van het vuur naar omhoog naar de  sterren, als het even kan, in onze streken! Naar de hoogten van de Kosmos, waar de bronnen zijn van het leven.
Uitbundig dansen we om het vuur; warmte doorzindert ons; als we thuiskomen is de geur van het vuur nog in onze kleren!
Even waren we uitgetild boven de aardsheid, de zwaarte, de koude van ons bestaan.

We kunnen ons verliezen in deze verrukkelijke extase om daarna weer uitgeput terug te vallen in onze oude alledaagsheid, in het horizontale  vlak.

We kunnen ook iets meenemen vanuit de grote hoogten, waarheen wij stegen, uit dat rijk van licht en warmte.

Terwijl de natuur in ons afneemt, onze levensbloesem verdort, kan er binnen in ons iets gaan gloeien. De natuur overrompelt ons korte tijd met de volheid van het leven,   overstroomt ons met scheppende krachten.

Dan onttrekt het leven zich weer aan ons oog, en worden wij naar binnen geleid, tot inkeer gebracht om het leven nu in het verborgene te zoeken.
Vuurwerk in de nacht versproeit zich, de leegte sluit zich weer aaneen.

De vlammen van Sint -Jan voeren ons naar een rijk van vol­heid, waar de  Levenszon ons doorgloeit.

Het is alles een beeld, dat verwijst naar een Werkelijkheid, waarin wij nog niet staan,   wellicht.

Deze pijn voel ik, wanneer ik terugzie op de mooie woorden die ik schreef.

Maar laten wij met onze kinderen onbekommerd dansen om het vuur.
.

(Map de Voogd, nadere gegevens ontbreken)

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

 

183-173

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (7)

.

SINT-JAN: KEERPUNT IN HET JAAR

Het marmotje is dood. Het ligt stilletjes uitgestrekt op het stro, de oogjes half dicht. Een kleine hand streelt voorzichtig het vacht­je met de bonte vlekken. “Het is net of hij slaapt”, fluistert het meisje met tranen in haar ogen. “Maar hij ademt niet meer”. De dood heeft het diertje aangeraakt en toen stond zijn hartje stil.

Bij de dood houdt ook de mens op met ademen. Hij blaast de laatste adem uit. Wanneer zuigt hij de eerste adem in? Dat doet hij bij de ge­boorte. De schreeuw van de pasgeboren baby is een hap naar lucht, is een dwingende voorwaarde om een loopbaan op aarde te beginnen. Als die schreeuw niet meteen komt, wordt die door een klap opgewekt. Het kind moet ademen om zuurstof te brengen in alle vezels van zijn lijfje.
Iedere keer dat een kind geboren wordt, voltrekt zich wat we kennen uit het Oberufer Paradijsspel: Godvader roept Adam wakker en blaast hem zijn adem in, zodat hij kan opstaan en leven. Wat is ademen? Lichamelijk is het voor ons een op-en neergaande be­weging, waarvan de snelheid bepaald wordt door de gemoedstoestand of de uiterlijke beweging. Als je zit, zal je adem rustig gaan. Als je hard loopt, ga je hijgen. Van schrik, vreugde of spanning kan je adem sneller gaan of stokken, plotseling ophouden.
Het in- en uitademen is een ritmisch gebeuren, dat we ook kunnen herkennen in de afwisseling van dag en nacht. In de nacht ademen we ons bewustzijn uit in de slaap; de volgende morgen ademen wij het weer in en worden wakker voor de aarde. In de doodslaap ademen wij onze ziel uit, en tegelijk gaat daarmee onze dag- en nachtademing over in een nog grotere adembeweging: die van het ene aardeleven naar het andere. Het ademen moet geleerd worden. Het wiegenkind heeft zijn huiluurtjes “om de longen te oefenen”. Het eigen ritme moet nog gevonden worden.
Hier op aarde leert het de tijd kennen: er zijn vaste punten in de dagwaarop het gewassen wordt, gevoed en verschoond. Er is een tijd om  te spelen, om wakker te zijn, en er is een tijd om te slapen. Het moet allemaal geleerd worden. Daarom is het goed, als die ordening in de tijd er is.
Is een sfeer van rust en regelmaat echter voldoende om een kind goed te leren ademen? Er is, dacht ik, nog een derde element nodig, een element dat niet gemakkelijk te beschrijven is, en toch zeer voor de hand ligt. Dat derde element zijn wij zelf.

Onze overdracht, onze liefdevolle blik maken de regelmaat tot een levend ritme, waardoor een sfeer ontstaat waarin een kind kan ademen. Waar onderling wantrouwen heerst, oneerlijkheid en gekonkel – daar broeit een sfeer waarin je niet kan ademen, niet kan leven. Je krijgt het er benauwd van. In een omgeving waar onderling begrip heerst, open­heid ten opzichte van elkaar en onbevangenheid tegenover elkaars streven – daarin kan je ademen, leven, groeien en werken. Dat wil niet zeggen, dat er voortdurend pais en vree is! Integendeel, dat zou stil­stand betekenen. Waar het ritme van de adem leeft, is beweging, een heen en weer gaan tussen twee uitersten, en bepaald door een on­zichtbaar, maar sterk aanwezig Midden. Zoals in de ritmische beweging van de “schuine streepjes“-tekening de gestalte zichtbaar wordt zonder scherp omlijnde contouren – zo zal ook ieder in een ademende gemeenschap al zijn gedachten, gevoelens en handelingen laten “richten” doordat gemeenschappelijk gewilde Midden, of dat nu een gezin is of een lerarencollege, een kerkgemeente of een andersoortige samenwerkingsgroep.

Wat heeft nu dit alles te maken met het Sint – Jansfeest? We zouden de woorden van Johannes de Doper: “Komt tot inkeer!” en “Hij moet wassen, ik moet afnemen”, ook eens kunnen bekijken vanuit dat ademaspect. Ieder jaar is anders, en verloopt anders, maar alle jaren hebben een gemeenschappelijk ritme, een heen- en teruggaande beweging, in en uit, de ademhaling van de seizoenen. Dat is in deze gematigde streken nog het zuiverste te beleven. Met Kerstmis, dat enkele dagen na de winterzonnewende valt, begint de zon te stijgen tot hij op 21 juni op zijn hoogtepunt is aangekomen. Tijdens het klimmen langs de hemelbaan lokt de zon met zijn stralen de bladeren uit de bomen, de planten uit de grond.

Kort na het hoogste punt, op 24 juni, de geboortedag van Johannes de Doper, zet de ommekeer in. Tot dan toe heeft de aarde – en wij ook -uitgeademd, maar zoals we merken aan onze eigen lichamelijke adem­haling – er is een grens, een punt van omkeer.
Wat is Sint- Jansdag anders dan het keerpunt van de grote jaarlijkse ademhaling? Nu begint heel langzaam het in-ademen weer, de zon daalt, over 2 maanden pas echt merkbaar. Als je je dat zo in het groot voorstelt, wordt ook het begrip “tijd” anders. Ik moet daarbij denken aan een gedicht van M. Vasalis:

Ik droomde dat ik langzaam leefde…..
langzamer dan de oudste steen.
Het was verschrikkelijk: om mij heen
schoot alles op, schokte of beefde,
wat stil lijkt.’k Zag de drang waarmee
de boomen zich uit de aarde wrongen
terwijl ze heesch en hortend zongen;
terwijl de jaargetijden vlogen
verkleurende als regenbogen…..

(fragment}

Een mens komt op aarde om te leren ademen. Dat is het ook wat de Sint- Janstijd ons wil zeggen: zoek rustpunten in de dag, in het jaar als tegenwicht voor de zuigende kracht van de uiterlijke dingen. Er is zo ontzaglijk veel dat ons naar buiten trekt, uit onszelf trekt en ons in ademnood brengt. Wijzelf moeten voor onszelf de mogelijkheid scheppen om tot inkeer te komen, opdat wat gebloeid heeft, in alle rust vrucht kan zetten.

Op de Zeister Vrije School probeert men al 50 jaar lang kinderen goed te leren ademen, zodat er later als zij volwassen zijn, rust kan zijn in hun doen en laten, in hun handelen en zijn in de wereld. Rustgevend en toch voortdurend in beweging, ademend – ik wens het allen toe die voor de klas staan, opdat zij de kunst van het ademhalen kunnen over­brengen op de leerlingen.

Marieke Anschütz, nadere gegevens onbekend
.

St.-Jan: alle artikelen
.
Jaarfeesten: alle artikelen

.

182-172

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (6)

.

SINT – JAN: EEN FEEST IN DE BUITENLUCHT

Een feest vieren wil eigenlijk zeggen: bewust blijven stilstaan bij een bepaal­de gebeurtenis. Een hulpmiddel daarbij is het uiterlijk vertoon van versie­ringen, in welke vorm dan ook. Dat geldt voor elk feest. Maar als je het op de juiste wijze wil vieren, moet je toch een duidelijk beeld hebben van de ach­tergrond van het betreffende feest. Het kennen van die achtergrond geeft de zin aan en kan je tot richtsnoer zijn bij het vorm geven van dat feest. Is er eenmaal een bepaalde vorm gevonden, die bevredigend is, dan kan deze jaren­lang gehandhaafd blijven. Dat is de tijd van de traditie. Maar er komt een tijd dat die uiterlijke vorm zijn zin ver­liest, namelijk als de feestvierders zich niet meer bewust zijn van de achter­grond van het feest. Dan gaat de uiter­lijke vorm een eigen leven leiden. Het is heerlijk voor een huismoeder of een leraar om bij ieder jaarfeest te kunnen terugvallen op een bepaalde wijze van vieren. Het is een houvast in een druk, bezig bestaan. En toch zou je het moeten opbrengen om ieder jaar opnieuw, bij ieder jaarfeest, de diepere zin ervan in je bewustzijn te halen. Het heeft in de praktijk vaak het resul­taat, dat je ieder jaar toch weer be­paalde nieuwe vormen vindt, en enke­le oude vormen loslaat. Iedere keer wordt datgene dat je zelf, misschien jaren geleden, al tastend hebt opgezet, van binnenuit vernieuwd. Al is het nieuwe onderdeel dat je toevoegt, ook nog zo klein – daardoor kan je die feestdag, die feesttijd toch ieder jaar weer opnieuw ‘be-leven’, levend ma­ken in jezelf, in je gezin, in je klas. En dat werkt bevredigend. Je voelt je, voor deze keer tenminste, tevreden. Je krijgt voor je inspanning om iets nieuws toe te voegen, innerlijke vrede terug. Het jaarfeest dat we nu tegemoet gaan, is het feest van Sint Jan. In de Vrijekleuterscholen klinkt in deze tijd een liedje:

 Sint Jan, Sint Jan Sint Jan die komt eran !Sint Jan gaat komen, Je ziet het aan de bomen Sint Jan, Sint Jan, Sint Jan die komt eran!

Het Sint Janslot, de laatste frisgroene uiteinden van de takken in struiken en bomen, herinnert ons eraan dat de on­stuimige groeikracht van het voorjaar nu gaat af ebben. De sprankelende fris­heid van de lente is voorbij. Zo schoon, zo zuiver schoven de nieuwe bladeren uit de zwellende knoppen, teergroen van kleur. Het licht speelde er door­heen. Nu wordt de tint van de bladeren don­kerder, het blad zelf steviger, aardser -het schermt het licht af. Zie, hoe de kastanjeboom zijn honderden brede handen uitstrekt om zijn wortelvoet te beschutten tegen teveel zon of teveel regen. Zelfs de berk heeft zijn stralen­de prilheid verloren. In een lentebos wijs je elkaar de enke­le blaadjes die uitkomen. De ene boom is daarmee vroeger dan de andere, staat gunstiger om licht en zonne­warmte op te vangen. In de hoogzomer is het soms of je in broeierige hitte de aarde zwaar hoort ademen. Het zomerbos is één grote donkergroene koepel geworden, ge­steund door vele, vele zuilen, en je ze­gent de schaduwrijke koelte als de hitte buiten te groot wordt. Zover is het weliswaar nog niet in de tijd van Sint-Jan. Maar de zon heeft zijn hoogste punt overschreden en daalt langzaam, heel langzaam naar de aarde toe tot hij vlak voor Kerstmis de aarde het dichtst genaderd is.
Vlak na dat dieptepunt, in de allergrootste duisternis vieren wij de geboorte van het Christuskind, de komst van het Licht. Het feest van Sint-Jan, kort na het kosmische keerpunt van de zomerzonnewende, en het feest van Kerstmis kort na de winterzonnewende, staan lijnrecht tegenover elkaar. Maar de beide jaarfeesten hebben direct met elkaar te maken, vullen elkaar aan. Het één is niet zonder het ander te denken. In de kersttijd met de vier daaraan voorafgaande adventsweken, zal het ons moeite kosten om terug te denken aan het Sint-Jansfeest, in de hitte van de zomertijd. De warmte van het vuur beleven we, midden in de kou en de duisternis van de winter, anders dan een halfjaar geleden.

Johannes de Doper
Toch wordt het ons gemakkelijk ge­maakt om de verbinding te leggen. Als de engel Gabriël bij Maria binnen­treedt, kondigt hij haar niet alleen de geboorte aan van het kind Jezus, maar ook van het kind Johannes, dat later de Doper zal heten. Op 24 juni, de naamdag van Johannes de Doper, moeten we niet achteruit, maar vooruit denken. Hoog over de zomer heen, via Michael en Sint-Maarten en de stille adventsweken, komen we bij het Kerstfeest aan. Geen gemakkelijke opgave, en toch geeft dat de zin aan het Johannesfeest. Vergeleken met de welige woekering van uiterlijke vormen in de kersttijd, is het Sint-Jansfeest een so­ber feest. Eigenlijk is het zelfs een ver­geten feest, behalve enkele traditione­le vormen van vieren in bepaalde land­streken. Weliswaar hebben de vrijescholen dit feest in ere hersteld. Er brandt een vuur, voor zover de brand­weer dat toelaat, er wordt gezongen, er wordt muziek gemaakt en een ver­haal verteld. Het is een feest voor allen, voor velen en liefst in de buitenlucht. Er is echter meer nodig om de Johannestijd in zijn essentie te vatten. Waar­om is dit feest weer op de sokkel gehe­sen? In de uiterlijke gang van zaken lijkt het veel op het oude zonnewendefeest. Het kost ons echter moeite om dat natuurlijke, kosmische gebeu­ren in ons bewustzijn te dragen. We zijn ervan vervreemd door de civilisa­tie. Bovendien voldoet het ons niet meer om alleen ‘natuurmensen’ te zijn. Wij vragen naar een innerlijke oorzaak, een innerlijk houvast. En dat ligt bij het Sint-Jansfeest in de ommekeer. Net als in de kersttijd zouden we er een gewoonte van moeten maken de evangeliën op te slaan op de naamdag van Sint-Jan.
We lezen in Mattheus 3: ‘In die dagen trad Johannes de Doper op en verkondigde zijn boodschap in de woestijn van Judea. Hij sprak: ‘Komt tot inkeer! Want het Rijk der hemelen is nabij gekomen.’
Van Johannes de Doper werd gezegd, dat hij groter was dan wie ooit op aar­de was geboren, maar kleiner dan de minste in het hemelrijk. Op een Rus­sische icoon uit 1620 staat hij afge­beeld, reusachtig groot en met engelen­vleugels, oprijzend uit het kameelha­ren kleed. Tussen mens en engel staat hij. Johannes de Doper roept tot in­keer, hij schudt de mensen wakker, vaak met harde woorden die pijn doen –

Het is een situatie, die wij herkennen. Op een pijnlijke manier wakker ge­schud worden, is onaangenaam, maar het wekt iets in ons dat ons dwingt tot inkeer, tot confrontatie met onszelf. En als het ons lukt afstand te nemen en onszelf te bekijken als door de ogen van een ander, dan kunnen we komen tot een besluit dat leidt tot de ommekeer. Het is een zeer reële erva­ring, dat wij soms 180º moeten draai­en in ons leven. Wie op dood spoor zit, moet omkeren. Om deze gedachte wat meer inhoud te geven, moeten we zoeken naar een voorbeeld waaraan we de gedachte kunnen toetsen. Daartoe kiezen we een voorbeeld dat uitstijgt boven het leven van alledag; dat in zijn groots­heid voor ons allen herkenbaar is; dat voor ons een oerbeeld kan zijn. Zulke voorbeelden zijn te vinden in de Legenda Aurea, heilige legenden, verzameld en opgetekend door Jacobus de Voragine.

Heiligenlegenden 
In de tweede klas van de vrijescholen is het thema: fabels en heiligenlegen­den. Het kind op weg ontmoet zijn ‘dierlijke’ eigenschappen. De kinderen leven daar sterk in mee, want zij ken­nen en herkennen ‘het dier’ in anderen en soms ook in zichzelf. Aan de andere kant zijn er ongekende mogelijkheden in ieder kind: je kunt je als mens boven het dierlijke verhef­fen. Je kan leren je neigingen te be­heersen, te kanaliseren, uit de eenzij­digheid op te heffen door de tegenge­stelde kant te ontwikkelen. Maar dat kost vaak een ontzaglijke inspanning, een vaste wil en volharding. Kiezen voor die moeilijke weg vergt inkeer en kan resulteren in een ommekeer. Over die weg wordt de kinderen ook verteld. Het is toekomst voor ze, zoals de dierverhalen hen in beeldvorm wij­zen op eigenschappen die ze meene­men uit het verleden. Maar ze kunnen leven naar die toekomst toe, en de beelden uit de heiligenlegenden dragen zij mee op hun levensweg als een kost­bare schat. In vele van deze heiligenlevens voltrekt zich een dergelijke ommekeer als waarvan sprake is in de Johannestijd. Je zou dat het ‘Sint- Jansmotief’ kun­nen noemen. Prachtig is dat waar te nemen in het leven van Franciscus van Assissi. In zijn jonge jaren leeft hij er op los. Hij is rijk, vechtlustig, avon­tuurlijk, vrolijk en goedhartig. Dan wordt dit leven doorkruist door een zware ziekte. Franciscus krijgt ruim de tijd om na te denken, tot inkeer te ko­men. En als hij weer gezond is, heeft hij het besluit genomen een totaal an­dere weg in te slaan. Het is een moei­lijke weg, want dat wilsbesluit is het eerste van een hele reeks. Voortdu­rend wordt hij voor een keus gesteld, steeds weer moet hij aftasten wat de goede weg is. Maar hoe verder hij komt in zijn leven hoe zekerder hij weet te kiezen. Ook dat is voor ons een ervaringsfeit.

Sint-Joris
In de legende van de heilige George (Sint-Joris) is zijn strijd met de draak algemeen bekend. Minder bekend is dat George als legeroverste in dienst van de keizer op een goede dag ineens gesteld werd voor de keus, die zijn le­ven totaal veranderde. De haat tegen de christenen was weer opgelaaid, de vervolgingen waren in volle gang. Toen nam ridder Joris het besluit om niet langer zwijgend aan de kant te blijven staan. Hij had een hoge rang in het keizerlijk leger en hij moet geweten hebben, wat de gevolgen wa­ren. Hij ging voor de keizer staan en maakte hem verwijten over de wrede vervolgingen. De keizer wilde zijn uit­stekende overste niet missen en trachtte hem van gedachten te doen veran­deren. Maar George volhardde in zijn keus en moest ‘door duizend doden’ gaan voor hij stierf als martelaar.

Tot twee keer toe een ommekeer, de essentie van het Johannesfeest. Juist in een tijd van het jaar dat we geneigd zijn ‘er-uit’ te vliegen, worden we op­geroepen tot ‘in-keer’. Merkwaardige paradox. Het is de wekroep om jezelf niet te verliezen in de roes van de zo­mer. Toch is het goed te bedenken, dat we in ons dagelijks leven ook steeds weer trachten stand te houden in allerlei wisselende en verrassende si­tuaties, waarin we verzeild raken. Dat lukt alleen maar, als we ernaar streven steeds weer rustpunten te zoeken in die stroom van gebeurtenissen. Punten van ‘in-keer’, in wat voor vorm dan ook. Zo kunnen we het Sint-Jansmo­tief met ons meedragen door het jaar heen.

 Marieke Anschütz, Jonas’ nr.21, 16 juni 1978)

 

John_baptist_angel_of_desert

 Roemeens icoon, Sint-Jan

.
Sint-Jan: alle artikelen
.
Jaarfeesten: alle artikelen
.
2e klas: vertelstof
.
VRIJESCHOOL  in beeld: 2e klas

 

181-171

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (4)

.

Het feest van Sint-Jan

 

‘DE BIJL IS AAN DE WORTEL DER BOMEN GELEGD’

De christelijke feesten hebben alle iets te maken met de beleving van de natuur in de tijd waarin ze vallen. Dat wordt vaak verklaard als een slimme aanpassing van de christenen aan de heidense gebruiken. Het is de vraag of die verklaring juist is. In onderstaand artikel onderzoekt Jacobus Knijpenga in hoeverre er een wezenlijke verwantschap is tussen de jaarfeesten in christelijke zin en de
hoofd­momenten van het natuurlijke leven.

Opvallend is dat de data van de christelijke gedenkdagen steeds later vallen dan de hoog­tepunten in de natuur en wel enkele dagen. Zo valt midwinter op 21 of 22 december, Kerstmis op 24 december; Pasen op een zon­dag na de voorjaarsevening; dit kan zelfs wel eens vijf weken later zijn, maar ook twee da­gen. Het feest van Johannes de Doper (Sint- Jan) valt, evenals het Kerstfeest, twee à drie dagen na de zonnewende, terwijl tenslotte het feest van de aartsengel Michaël op 29 september ongeveer een week later valt dan de herfstevening. Daaruit kan reeds duidelijk blijken dat deze feesten niet bedoeld zijn als vervanging van de natuurfeesten. Ze zijn er als het ware aan toegevoegd zoals de doop aan de natuurlijke geboorte. In deze kenschetsing wordt ervan uitgegaan dat Hemelvaart en Pinksteren bij het paas­feest behoren. Ze hebben als het ware het­zelfde thema. Zo behoren ook de advents­tijd en de tijd van driekoningen bij het kerstfeest en ontstaat dus een groot kruis door het jaar: Kerstmis in de winter, het feest van Johannes in de zomer er precies tegenover en aan de andere arm van het kruis Pasen in het voorjaar en er tegenover in de herfst het feest van Michaël. Het is deze kruisvorm in het jaar, die in belangrijke mate het
gezichts­punt vormt waaruit gezocht kan worden naar de samenhang van de feesten met de natuur.

Zo is duidelijk dat het kerstfeest gevierd wordt als het licht weer toeneemt en het Sint-Jansfeest als de dagen korter worden. In de loop van het natuurlijke jaar zijn deze feesten elkaars tegenpolen. Het zijn beide lichtfeesten; als de zon nog zwak is vieren we het feest van het innerlijke licht, als de zon haar hoogtepunt zojuist gepasseerd is vieren we het feest van Johannes als van een groot kosmisch wezen. Johannes was veel meer dan een mens, ja zelfs meer dan een profeet naar de woorden die Christus over hem spreekt. Op Russische iconen wordt hij bij de doop in de Jordaan vaak bovenmenselijk groot geschilderd, waarbij Jezus normaal ge­schilderd wordt. Men kan hier denken aan de woorden van Johannes: hij moet toene­men, ik moet afnemen.

Het uiterlijke licht neemt af na de zomerzonnewende, we gaan de tijd tegemoet waarin het weer meer op verinnerlijking aankomt, al is dat in het begin nog niet goed merkbaar. Maar juist omdat het in ons natuurbeleven nog niet merkbaar is, roept het Johannesfeest ons tot bewustzijn. Vergelijkenderwijs is hetzelfde het geval wanneer men het mid­den van het leven gepasseerd is: het eigen­lijke beleven van het midden moet dan nog komen, maar zowel fysiek als psychisch be­ginnen de doodskrachten het te winnen van de geboortekrachten en men kan de tijd na 35 jaar beter vormen als men zich dat be­wust is. Dat kan bijvoorbeeld behoeden voor een ‘tweede jeugd’, die altijd toch ook een beetje ridicuul aandoet. Hierbij sluit een ander element van Johannes aan: hij is een boeteprediker. Dat wil zeg­gen dat hij de mensen steeds wijst op hun ei­gen innerlijke houding als voorbereiding op de ontmoeting met de Messias. Bij de Jor­daan woonde hij in de woestijn en zijn voed­sel bestond uit de eenvoudigste voortbreng­selen van de natuur. Dit leven in de woestijn was een ‘teken’. Een teken maakt een inner­lijke situatie doorzichtig. De bloeitijd van het jodendom was voorbij, het geestesleven van het joodse volk was een woestijn gewor­den, dor en droog terwijl het geestelijk voed­sel dat de leiders te bieden hadden hard was. Wie toch nog iets daarin vond moest de geva­ren van wilde bijen trotseren om nog enige zoetigheid te verwerven. Johannes sprak het zo uit: ‘De bijl is aan de wortel der bomen gelegd’. De boom is altijd een beeld van de verbinding van hemel en aarde. Alle religies kennen hun heilige bo­men. De boom strekt zijn kruin uit naar de hemel en ontvangt uit de hogere sferen het licht waardoor hij leven kan. Maar tegelijker­tijd wortelt hij in de aarde en haalt van daar­uit zijn voedsel. Beide elementen zijn nodig voor de geestelijke groei van de mens. Wan­neer de bijl aan de wortel van de bomen wordt gelegd, wordt deze geestelijke groei onmogelijk. Meestal is de boom dan ook al dood. Dat is de verkondiging van Johannes: de oude tijden zijn voorbij. In deze oude tij­den vond men de mogelijkheid tot geestelij­ke ontplooiing vanuit een bepaalde natuurlij­ke samenhang waartoe men behoorde.

Deze soort religie neemt nu met Johannes de Doper een einde. Een uiting van Jezus: ‘Jo­hannes is de grootste van degenen, die uit vrouwen geboren zijn maar de geringste in het rijk der hemelen is meer dan hij’ duidt aan dat de tijd waarin de geboorte in een be­paald volk of in een bepaalde familie beslis­send was voor het geestelijk leven van een mens, voorbij was. Men kan ook denken aan woorden als: ‘God kan uit deze stenen voor Abraham kinderen verwekken’. De afstamming geldt niet meer. Vanaf Jo­hannes de Doper geldt iets anders en Johan­nes maakt daarmee een begin: de individuele mens moet zelf zijn weg vinden. Bij Johan­nes betekende dit: eerst inzicht krijgen in de eigen ontoereikendheid. De doop bewerkte inzicht in de eigen zonden, de tekortkomin­gen. Deze zelfkennis is de eerste stap op de weg naar een eigen ontwikkeling wanneer ze niet verlammend werkt, maar wanneer er te­vens gewezen wordt op toekomstige moge­lijkheden. Johannes deed dat door de norma­le beroepsgewoonten van de mensen, die bij hem kwamen, te doorbreken. Soldaat zijn betekende: leven van plundering. Wie dat niet deed werd nooit rijk. Voor de belasting­ambtenaren gold iets dergelijks. Men pachtte het recht om belastingen (tol) te innen. Deze tollenaars moesten weer aan hun trekken ko­men door te overvragen. Dat was het norma­le beroepspatroon. Daarin een rechtvaardige houding te vinden, vereiste iedere keer weer een individuele beslissing. Men kon nooit meer handelen vanuit het groepsmotief.

Wanneer we nu terugkeren tot het feest van Johannes, dan zien we dat dit gevierd wordt na de zomerzonnewende. Historisch is dit ge­fundeerd in het feit dat Johannes een half jaar eerder werd geboren dan Jezus, volgens het evangelie van Lukas. Maar dat is niet be­slissend. Beslissend is het innerlijke karakter van Johannes: de tijd van de bloei van de na­tuur is voorbij en het zal er na de zomerzon­newende steeds meer op aankomen dat we gaan leven uit de krachten die we zelf ont­wikkelen. Deze krachten zijn als die van een boom. Ze moeten enerzijds van boven ko­men, anderzijds uit de aarde. Niemand van ons ontwikkelt zich los van het verleden. We brengen uit eigen incarnaties iets mee en we brengen iets mee door onze geboorte in een bepaald volk of een bepaalde familie. We kunnen dankbaar zijn voor wat we uit het verleden ontvangen, zoals we dankbaar kun­nen zijn voor wat de zomer ons brengt. Maar ook dat is niet alleen natuurlijk. In het voor­jaar waren het Pasen, Hemelvaart en Pinkste­ren, allemaal feesten die ons iets gegeven hebben van wat uit hogere werelden komt.
Dankbaar heffen we onze kruin omhoog, zoals we ook dankbaar kunnen zijn voor alles wat anderen voor ons doen, waardoor wij weer verder kunnen. In de natuur uit zich dat in de st.- jansloot, nog een laatste keer wordt ons iets geschonken, als het ware een wenk dat de schenkende machten ons niet in de steek laten. In de geestelijke ontwikkeling gaat het evenzo: wat wij eventueel aan vruchten voortbrengen, is nooit denkbaar zonder dat wat ons geschonken werd.

Zo wordt het feest van Johannes de Doper een dankfeest, maar met een zeer ernstige ondertoon  mens doe er wat mee. De wereld moet verder. En dat wordt gewild door geestelijke machten, maar ze hebben het aan ons toevertrouwd. Zo is het in de loop van de natuur: de vruchten komen straks door wat hemel en aarde ons schenken, maar wij moeten ze zelf oogsten en verwerken. Dat is de verantwoording waartoe Johannes oproept en die straks door Michaël zal worden opgenomen.
.

( Jacobus Knijpenga, ‘Jonas’ nr.21, 12 juni 1981)
.

St.-Jan: alle artikelen

 

Jaarfeesten: alle artikelen

 

180-170

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (3)

.

ST.- JANSFEEST VIEREN

Enkele jaren terug maakte ik eens de hele rij jaarfeesten mee zonder kinderen. Van St.- Michaël over Kerst naar Pasen en Pinksteren tot St. – Jan.
Vooral op het laatste feest miste ik kinderen: voor mij was het maar een half feest geweest. Ik was méér gewoon. Het is alsof de kin­deren de volwassenen laten feest vieren, leren feest vieren, in plaats van omgekeerd. Zeker met St.- Jan, in het midden van de zomertijd, op 24 juni.
In deze tijd van het jaar reikhalst de aarde naar de kosmos. Na de koude kille wintertijd waar het leven zich binnen de aarde had teruggetrokken, groeien plant en bloem, boom en struiken nu naar de zon toe. Het leven op aarde dijt uit: bloemengeuren, muggen en insecten vullen de lucht. De vogels vliegen hoger.

Kinderen zijn groter dan we denken. Op een bepaalde manier zijn ze nog meer “uitgedijd’. Ze zijn nog meer één met de kosmos en de natuur. Ze reiken nog bijna tot aan de hemel.  Over zo’n klein wiegkindje ligt er nog een hemelse glans. Iedereen is lief en aardig: het brengt de hemel op aarde. De kleine peuter begrijpt nog de kosmische taal van de natuur. Met volle overgave laat het de keitjes in het beekje “ploepen”, het fladdert met de vlinders mee. Het is bijvoorbeeld geen fabeltje dat kleuters in de klas de storm en het onweer aankondigen met eigen geraas. Ze zijn nog veel gevoeliger voor de geladenheid van de lucht dan wij. Voor de natuurmens van vroeger – en denk maar gerust terug tot aan de oude Grieken – had de donder en de bliksem nog iets te ver­tellen.

“Word als de kinderen, word een natuurmens in dit heerlijke seizoen !”, zouden  we kunnen uitroepen.
De lentepracht lokte ons naar buiten. Zon en zee roepen. Op je rug in het warme zand, neemt de blauwe hemel je zo mee naar verre landen. En dan komt het St.-Jansfeest in een van de kortste nachten van het jaar! We zullen een groot vreugdevuur aansteken en eromheen dansen en zingen, het hoofd getooid met een weelderige bloemenkrans. Als de sterren al lang aan de hemel zullen stralen en het vuur zal gaan liggen zijn, zullen we erover springen. Over het vuur of over de sterren ? Laat ons dan vooral naar de kleine kinderen richten en blij zijn om de warmte en het licht, en eens dat het vuur brandt, er geen minuut meer van wijken. Proberen te doorvoelen wat het vuur van ons wil: het wil geestdrift, enthousiasme wekken. Uitbundigheid !

Voor de moderne mens is er echter een gevaar aan verbonden. Als we té uitbundig worden, té uithuizig dan verliezen we ons ware zelf en onze medemens uit het oog. Dan gaan we lekker genieten van wat de zomer ons biedt, en de rest kan ontploffen. Egotrippen heet dat met een modern woord.

Een kleuter heeft nog het recht egocentrisch in de wereld te staan. Wij, opvoeders, zijn het kind nog veel verschuldigd. Met de warme mantel van onze liefde kleden we het en leiden het zo de wereld bin­nen. In de lagere schoolleeftijd krijgt het kind de opdracht: nu moet je leren sociaal worden, je leren invoegen in de kring van grote en kleine mensen om je heen. De autoriteit is de stem – van buiten af – die dit zegt en naar wie het kind bereid is om te luisteren. Rond de puberteit leert de jonge mens voor het eerst luisteren naar de eigenste “stem” van binnen.
St.- Jan de Doper zei van die stem: ‘Niet ik, maar de Christus in mij” En ook nog: “Hij (de Christus) moet groeien, ik moet afnemen.”

Enkele jaren terug krijg ik een lijstje in handen met daarop 12 te oefenen deugden en hun relatie tot de 12 maanden van het jaar: een innerlijke ontwikkelingsweg waarvoor men kan kiezen. Voor de hoog-zomermaand juli staat er:
“Unselfishness, selbstlosigkeit, onzelfzuch­tigheid”.
Vanuit de gezichtshoek van het St.- Jansfeest kan ik dat be­grijpen. St.- Jan de Doper is diegene die het Christuswezen vooraf is gegaan en die Hem aankondigde. Hij zag dat het keerpunt in de tij­denronden was aangebroken.

Wij, moderne mensen, kunnen ons niet meer verenigen met de kosmos zoals vroeger om méér mens te worden. Wij zouden uitzinnig worden. Het typisch menselijke voor ons is niet “de inkeer”.
Als wij de Christus willen zoeken, moeten we hem niet meer in de kosmos zoeken, maar in onszelf.
Met het St.- Jansfeest begint de rij van jaarfeesten weer toe te gaan naar Kerstmis.   Toch heeft iedereen het gevoel dat het de laatste schakel is aan de ketting van Kerst over Driekoningen, Pasen, Pinksteren…    Dat komt omdat het St.- Jansfeest het keerpunt is. Ik vind St.- Jansfeest vieren op een mooie manier niet zo gemakkelijk. En u ?

Maar met de kinderen wordt het een stuk eenvoudiger.
Alvast een kleuterliedje uit het boekje ‘De gouden poort’ om in de sfeer te komen….

(87) Een liedje om te dansen:

Tot op het feest!

( juffie Martine, nadere gegevens ontbreken.)

 

St.-Jan: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

179-169

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (2)

.

ST.- JANSFEEST

In het midden van de Zomertijd
is ’t naamdag van Sint-Jan.
Wij vieren hem met zang en spel…..’

zingen de kinderen straks weer.

Zon, bloemen, muziek,  dansen,  zingen en een groot vuur, waar we overheen springen en waar we later omheen zitten, als het smeulend nog warmte geeft in de donkere avond. Nog wat zingen,  mijmeren,  luisteren naar de stilte die neerdaalt en met een warme gloed nog op de wangen, terug naar huis onder de wijde sterrenhemel….

Johannesfeest – 24  juni – valt vlak na de langste dag van het  jaar, die tevens een wendepunt is waarop de dagen langzaam weer gaan korten.

Johannesfeest ~ naamdag van Johannes de Doper die sprak: ‘lk moet afnemen,  Hij  (Christus) moet groeien.’ Ook Johannes stond op een wendepunt.

In vroegere tijden viel de langste dag op de 24e juni en was die zomerzonnewende een feest van extase, van het buiten zichzelf geraken. Zoals de mens in de winter meer naar binnen trekt, wakker bij zichzelf is, trekt de zomer hem eruit, als in een lome droom.

En het uitstijgen, als een soort inslapen was in de mid-zomernacht een toppunt van een religieus beleven, omdat de mens daarbuiten de Godheid vond in kosmische hoogten. De mens had nog die vanzelfsprekende verbondenheid met het ritme der natuur.

Die oude, natuurlijke extase bracht dan door de verbonden­heid met de Goddelijke wereld, inspiratie mee terug, nieuwe kracht weer mee naar beneden.

Maar deze natuurlijke verbondenheid verdween meer en meer (verbondenheid hield immers ook gebondenheid in) om plaats te maken voor een meer afstandelijk,  verstandelijk bewustzijn, een stuk vrijheid ook.

En Johannes stond op dat wendepunt. Hij vertegenwoordigt de oude natuurverbonden mens. lk moet afnemen, Hij moet  groeien.’

Johannes is in de zomer geboren, Christus is in de winter geboren.

De winter waarin innerlijke wakkerheid aan de orde is. Niet meer het uitstromen in de omgeving maar het innerlijk ruimte maken: niet ik;  maar Christus in mij.’ Zo wordt het vuur een offervuur op dat wendepunt.

Het Johannesfeest wat we nu ná de zonnewende vieren, spant de boog van ‘oud’ naar ‘nieuw’.

Eerst zingen we:

‘Onder de bomen op het gras,
dansen wij en springen wij in huppelpas.’

Maar, zegt Johannes zelf: ‘de bijl ligt aan de wortel van de bomen.’
De boom als verbondenheid tussen hemel en aarde.’Elke boom die geen vrucht draagt wordt in het vuur geworpen.’

Eerst dansen we om een laaiend, louterend, vreugdevuur.

‘Flamme empor leuchte uns
Führ uns zum Heil in dir…’ *

En dan de sprong erover.

Er is moed voor nodig om het uiterlijke vuur te bedwingen. En als we later rond het nog smeulende vuur zitten, nemen de vlammen steeds meer af, om innerlijk een  gloed te ontsteken.

En dat vuurtje van innerlijke activiteit moeten we dan brandend zien te houden in de tijd die komen gaat.
.

(Literatuur: Emil Bock De jaarfeesten als kringloop door het  jaar)
.

( Ivon Hummel, nadere gegevens onbekend)
.

St.-Jan: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

* over dit lied doet een onzinnige bewering de ronde…..

.

178-168

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (1)

.

HET JAARFEEST VAN ST.-JAN

In het midden van de Zomertijd
Is ’t naamdag van Sint-Jan!
Wij vieren hem met zang en spel,
Sint-Jan, de heil’ge man.
Johannesdag in zomertijd
Doet bloeien het leven al.
Wij toeven hier vol dankbaarheid
In ’t veld, bij berg en dal!’  (op berg,   in’t dal)

Zo luidt het aloude lied. Het Sint-Jansfeest wordt buiten gevierd, zelfs in de regen, als dat niet anders kan. Men trekt naar buiten, zingt, speelt en danst; en tenslotte wordt een prachtig vuur ontstoken.

Bij het knetteren van het hout en het loeien van de vlammen geniet men luidruchtig. Zo’n vuur zie je niet elke dag! Sommigen ook staren mijmerend in het vuur, denken aan van allerlei, herinneren zich veel.

Het feest heeft twee kanten. De vrolijke, luidruchtige en opgewonden stemming. En de meer nadenkende, bespiegelende kant. Waardoor komt dat?

De zon is steeds hoger gestegen, elke dag. Warmte, geurend gras, bonte bloemen, verse bloesems, het is alles opgewekt, mooi en gezond. De ziel wordt naar buiten gezogen. Men is gauw “buiten zichzelf”. Die uitdrukking is heel juist. Maar dit natuurgebeuren geeft de mens behalve vreugde ook een moment van bezinning.

Johannes, de grote profeet, was in het geheel niet vrolijk op zijn naamdag. Hij wist, dat andere tijden moesten komen. Hij wist ook, dat zijn tijd voorbij was; dat de mensen een geweldig gebeuren zouden missen, wanneer zij niet met andere ogen in het leven zouden gaan staan.

“Verandert uw gezindheid!” riep Johannes, staande bij de Dode Zee tussen de zoutkristallen, 400 meter lager dan de normale zeespiegel. Hij doopte de bekeerlingen in het hel­dere water van de heilige Jordaanrivier. Hier speelde zich ook het intieme drama af, waarvan de Evangelies gewagen: de jonge Jezus kwam daar om zich te laten dopen. De duif van de Heilige Geest daalde op Jesus neer, beeld voor de verbinding van het Christuswezen met het lichamelijke van Jezus, beeld van de éénwording van hemel en aarde. Johannes mocht deze doop, deze éénmalige, unieke gebeurtenis, voltrekken.

Maar zelf wist hij, dat zijn tijd voorbij was: “Hij moet groeien, ik moet afnemen.” En ook de zon begint na de Sint-Jansdag op 24 juni weer af te nemen. Het uiterlijke, glanzende en schone licht moet verdwijnen en zal vervangen moeten worden door een innerlijk licht, dat de mens moet ontwikkelen door méér mens te worden. Een tweede, politiek drama voltrok zich, toen Johannes korte tijd daarna gevangen werd genomen en in zijn cel werd vermoord op instigatie van koningin Herodias.

De vrolijkheid van het Sint-Jansfeest is niet zo zorge­loos als ze er uit ziet.

Ook in onze tijd is het hard nodig, dat men, naast de technische en cultuurhistorische verworvenheden een nieuwe gezindheid ontwikkelt.

Het materialisme is in onze tijd nog zeer machtig. Maar overal zoemen en snorren de vuurvliegjes van een nieuw bewustzijn, dat een geestelijk tegenwicht moet vormen tegen de geest van atomisme en computergestuurde onmenselijkheid. Daarbij kan het Sint-Jansfeest ons helpen.

(Paul Veltman, vrijeschool Leiden, nadere gegevens onbekend)

.

St.-Jan: alle artikelen

 

Jaarfeesten: alle artikelen

.

177-167

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Getuigschriften (3) Illustraties

.

ILLUSTRATIES BIJ GETUIGSCHRIFTEN 

Van Ruud Gersons ontving ik volgend bericht:

Maken getuigschriftspreuken illustraties overbodig?

Zoals bekend worden de getuigschriften vaak schitterend geïllustreerd. Uren zijn  collega’s in de weer om de meest fantastische tekeningen of schilderingen te maken. Maar wat gebeurt daarmee? In het gunstigste geval staat zo’n beeld een aantal weken op de schoorsteen. Boven het bed van het kind hangen, gaat meestal niet, want het zit vast aan het getuigschrift. Op zich is er natuurlijk niets mis met die noeste vlijt. Maar je kunt de vraag stellen wat voor het kind werkzamer is: een getuigschriftenspreuk (waar je óók op moet zwoegen!) of een mooie illustratie.

Feit is, dat als je goed om je heen kijkt, je een aantal collega’s er bijna aan onderdoor ziet gaan. Eén uur per illustratie bij een klas van 30 kinderen, is al gauw één hele werkweek er bij. Ik weet dat er collega’s zijn die in de getuigschriftentijd “op de automatische piloot” les geven. Is hier niet sprake van een “heilig moeten”?

Natuurlijk moet iedereen dit voor zichzelf weten, maar één ding is zeker: in de tijd van Rudolf Steiner werden er wél getuigschriftspreuken gemaakt, maar zeker geen illustraties. Ik heb als kind zelf op de Vrije School les gehad van een juf die Rudolf Steiner persoonlijk had meegemaakt. Later heeft zij mij verzekerd dat het niet Steiners bedoeling was, dat getuigschriften “plaatjes” kregen. De getuigschriften zelf moesten altijd kort, zakelijk en “to the point” zijn.

Iets anders is het natuurlijk als je zelf geen affiniteit hebt met het maken van gedichten. Dan kan een illustratie een goed alternatief zijn. Maar allebei? Het probleem is, dat als enkele leraren illustraties maken, je bijna niet kunt achter blijven. Jouw getuigschrift zou dan erg kaal over komen. Ik zou er een lans voor willen breken binnen het lerarenteam dit eens aan de orde te stellen!

Beste Ruud,

Je stukje is me uit het hart gegrepen.
Niet alleen het gevoel dat je bijna niet kunt achterblijven – ook de kinderen en de ouders vinden een prachtig geïllustreerd getuigschrift mooier dan een zonder tekening/schildering. Vaak wordt daaraan de kwaliteit afgemeten; niet aan waarom het gaat: de spreuk.

Er valt zeker wat voor te zeggen om dat wat je aflevert zo mooi mogelijk te laten zijn; een extra kunstzinnig geschenkje; maar als dan nachten doorwerken en lesgeven op de automatische piloot het gevolg zijn?…….

Van jaren terug herinner ik mij nog getuigschriften uit Duitse scholen: geen illustraties. Hoe is dat nu? Hoe is dat in andere landen? (Als Nederlandse leerkrachten het daar tenminste niet geïntroduceerd hebben?)

.

Rudolf Steiner:  over getuigschriften

Getuigschriften: alle artikelen

.
176-166

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Getuigschriften (2)


.

GETUIGSCHRIFTEN

Toen ik in 1971 voor mijn (eerste) eerste klas de getuigschriften moest maken, wist ik nog niet zo duidelijk hoe dat gedaan moest worden.

Oudere collega’s vertelden me dat het ging om 2 dingen: een verslag voor de ouders en een beeld voor het kind, waarin het zichzelf zou kunnen herkennen.

Ik vond dat geen gemakkelijke opgave. Het deel voor de ouders was aanzienlijk makkelijker te realiseren dan dit beeld voor het kind.

De voorbeelden ‘een beeld voor het kind’ die ik onder ogen kreeg waren vrijwel allemaal geschreven stukjes proza; er was ook een enkel gedicht bij.
Niemand had het over ‘een spreuk die voor het kind een bepaalde levensrichting zou moeten bevatten.’
De voordrachten waarin Steiner iets zegt over het getuigschrift, had ik of nog niet gelezen of ze waren nog niet als GA verschenen, zoals bv. “die Konferenzen’ die pas in 1975 gedrukt werden.

Ik herinner me tevens dat er leerkrachten waren die buitengewoon mooi konden tekenen of schilderen en die het getuigschrift tot ware kunstwerkjes verhieven.
Ik kon dat helemaal niet zo en voelde me ver achterblijven bij wat ik dacht te moeten presteren.

In het najaar van 1971 sprak Oscar Klinkenberg in de pedagogische vergadering over een boekje van Heinz Müller:
‘Von der heilenden Kraft des Wortes und der Rhythmen’.

Ik ben hem daarvoor nog steeds dankbaar – een stille, wat teruggetrokken collega, die ernaar streefde alles zo verzorgd mogelijk voor zijn klas te doen; uit zijn wezen sprak een grote betrokkenheid voor Steiners pedagogie.

Hij was het dus die mij met de ‘methode Müller’ op het spoor zette, voortaan voor de kinderen, i.p.v. stukjes proza, “spreukachtige gedichtjes” te maken, op basis van het ritme waarmee je ook helpend werken kan aan het ritmische-, het gevoelsleven van het kind.

Nog weer later las ik dat Steiner ‘een spreuk’ voor het kind heel wezenlijk vond, maar tot nog toe ben ik bij hem nergens in dit verband een opmerking tegengekomen over ritme en temperament.

Uit bovengenoemd boek van Heinz Müller:

‘Wat zijn getuigschriftspreuken en hoe gebruik je ze in het onderwijs’

Toen de vrijeschool in Stuttgart in september 1919 opgericht was, deed zich al snel de vraag voor hoe vaak en op welke manier men rapporten zou geven. Eerst vond Rudolf Steiner het nodig dat ze 2x per jaar gemaakt zouden worden. Spoedig bleek dat noch de overheid, noch de ouders dat eisten. Zo bleef het bij de rapporten die aan het eind van het schooljaar werden gegeven.
(Hoewel ‘Zeugnis’ rapport en getuigschrift betekent, is het woord getuigschrift in de vrijescholen ingeburgerd geraakt. Wanneer dit wordt bedoeld, heb ik ‘Zeugnis’ met getuigschrift vertaald; in andere gevallen met rapport.)
‘Het getuigschrift(formulier) heeft een grote vrije ruimte waarop de klassenleerkracht over het kind schrijft. Rudolf Steiner hechtte er de grootst mogelijke waarde aan, dat hier een zo individueel mogelijk beeld van het kind zou worden weergegeven. Daarbij moest vermeden worden, dat men negatieve opmerkingen zou plaatsen. De leerkracht zou zich zo liefdevol als mogelijk in het karakter, in de vaardigheden, maar ook in de tekortkomingen en zwakten van zijn leerling moeten verdiepen en dat alles op de meest toegenegen manier weergeven.

Pas dan zou zo iets als een beoordeling van de prestaties moeten volgen. Uiteraard moet het beeld dat geschetst wordt getrouw en eerlijk zijn. Maar ook hier zou je iedere veroordelende beoordeling moeten vermijden. Daartegenover zouden wegen ter verbetering getoond moeten worden.
Terwijl je je in dit deel van het getuigschrift uitsluitend richt tot de ouders van de kinderen van de laagste klassen, zou je de leerlingen van de middenklassen moeten betrekken bij wat je hen te zeggen hebt. Stimuleren en liefdevol toespreken, maar geen opmerkingen die aanzetten tot eerzucht moeten ook bij de meest onbeholpen leerling zijn te vinden. Net zo kun je met humor aansluiting proberen te vinden bij de grootste lummel.

Tot slot moet de klassenleerkracht in een ‘getuigschriftspreuk’ samenvatten wat hij denkt dat voor zijn leerling een wegwijzer kan zijn in het komend schooljaar.

In een vergadering van 26 mei 1921 vat Rudolf Steiner zelf kort samen wat hij van een getuigschrift verwacht:

=We  zijn het erover eens dat we de getuigschriften maken zoals vorig jaar. Een zo getrouw mogelijk beeld. Onderaan weer voor ieder kind een spreuk op het getuigschrift die voor de individualiteit van het kind richtinggevend kan zijn.=

Rudolf Steiner legde er verschillende keren de nadruk op, dat het goed zou zijn wanneer de klassenleerkracht deze spreuken zelfstandig zou maken.

In het bijzonder in de grote stad komen de kinderen ’s morgens door de reclame die ze onderweg zien en in ’t bijzonder door het drukke verkeer in een toestand op school die je meteen zo snel mogelijk moet verbeteren, voor je überhaupt tot zinnig werken kan komen. Het is belangrijk dat het lawaai en de hectiek van de straat niet verder gaan in het lokaal. Het beste kom je daaraan tegemoet wanner je er voor zorgt dat de kinderen rustig in de rij staan en door hun klassenleerkracht met een handdruk begroet worden, wanneer ze het lokaal binnenkomen. Dan blijf je bij hen tot het sein klinkt dat de lessen beginnen. In deze tijd kunnen er kleine mededelingen worden opgeschreven in het schriftje ‘school-thuis’; af en toe moet er geld worden ingezameld of de spullen voor het schilderen worden klaargezet. (Eenmaal per week wordt er gewoonlijk met waterverf geschilderd).
Als begin van de lessen spreken leerkracht en kinderen samen de ochtendspreuk.
Dan volgt een klein muzikaal deel. In de laagste klassen spelen de kinderen eenstemmig blokfluit, later komen daar andere instrumenten bij. Ook zingen wordt a capella en met instrumentale begeleiding geoefend. Aansluitend een reeks spraakoefeningen die individueel en in koor worden geoefend, waarbij je erop let dat het heel precies gaat. Wanneer je weinig leerlingen hebt, kun je misschien de spreuken van alle kinderen laten spreken. In de erg grote klassen, zoals ik ze moest leiden, maakten we een indeling die interessante groepjes opleverde. Ieder kind sprak namelijk zijn spreuk op de dag waarop het werd geboren, waarbij op maandag de zondagskinderen de rij openden. De eerste weken na de grote vakantie sprak de leerkracht iedere spreuk zo goed mogelijk voor. Later was dat niet meer nodig. Vol bewondering merkte de klassenleerkracht dat in de bovengenoemde 
groepering zich vaak merkwaardige lotsovereenkomsten toonden. Zo was er eens in een klas in de woensdaggroep een samengaan van kinderen die hulp voor hun gezondheid nodig hadden, zo alsof ze de mercuriusdag hadden gekozen om hun aardeleven te beginnen.
Ook de vriendschap vóór schooltijd werd in de getuigschriftspreukengroep van dezelfde weekdag teruggevonden.
Je zou aan iedere leerkracht willen aanraden die samenhangen eens na te gaan.
Voor het grootste deel zijn de ervaringen die je daarmee opdoet van zo’n broze en intieme aard dat je ervoor schroomt ze in woorden samen te vatten.
Na al deze voorbereidingen zijn de kinderen zo ver dat ze de les kunnen volgen, zonder dat er nog storende invloeden van straat het werken hinderen. Bovendien wordt door dit vertrouwelijk kunstzinnig werken met de kinderen de mogelijkheid geschapen dat ze op een heel andere manier dat wat in het onderwijs geboden wordt, in zich opnemen dan wanneer je je eenvoudigweg intellectueel tot hen zou richten.
De grootste vreugde beleeft de klassenleerkracht wanneer hij op ouderbezoek merkt hoe de getuigschriftspreuk bij het kind een plaats is gaan innemen. Hoe vaak heeft hij niet kunnen waarnemen dat de kinderen onder elkaar over hun getuigschrift praten en er trots op zijn. Dan mag hij hopen dat het woord werkelijk zijn weg gevonden heeft naar gevoel en wil, zoals Rudolf Steiner het zegt: ‘Veel meer dan met ons denken hangt het woord samen met ons gevoel en nog veel sterker met wat in onze wil ligt, omdat nu eenmaal het voelen tot een veel onderbewuster deel van onze ziel hoort dan het denken, en het willen tot het nog diepere onderbewustzijn van onze ziel hoort dan het gevoel. Wanneer de mens een woord uitspreekt, zo verhoudt zich dit tot het denken als een soort teken; tot het voelen verhoudt het zich veel intiemer. Het is veel meer in samenhang met het voelen; en heel in het bijzonder hangt het samen met de wil.’
(Das Reich der Sprache –GA 162 (welke voordracht: nog niet gevonden)

Hoe verantwoordelijk is het werken met getuigschriftspreuken, hoeveel kun je op het gebied van zielenhygiëne niet bereiken wanneer je  met volledige inzet ernaar streeft! ‘
(vertaling van blz. 15-19, uitg. 1967)

Ssteeds meer collega’s gingen ertoe over de gezichtspunten en ervaringen van Heinz Müller te gebruiken om voor hun leerlingen de getuigschriftspreuken te maken.

In de ‘Lerarenbrief’ van april 2013 verscheen een artikel van Ruud Gersons. Met toestemming volgt het hier:

Over de getuigschriftspreuken

De tijd van de getuigschriftspreuken nadert. Toen ik nog aan de Zeister Vrije School werkte, heb ik eens mijn gedachten over dit onderwerp opgeschreven. (Ik werk nu aan de Stichtse Vrije School voor VO, bovenbouw dus.) Het leek mij tijd worden, dat mijn beslommeringen beschikbaar komen voor col­lega’s die met dit onderwerp nog wat aarzelingen hebben. Vandaar dit artikel. Waarbij ik meteen aan­teken, dat onderstaande mijn eigen visie is op het thema van de getuigschriftspreuken en dus zeker niet als zaligmakend beschouwd mag worden. Ik geef mijn mening graag voor een betere.

Mijn inspiratiebron was het boekje Von der heilenden Kraft des Wortes und der Rhythmen -Die Zeugnissprüche in der Erziehungskunst RudolfSteiners, van Heinz Müller (Verl. Freies Geistesleben, Stuttgart 1995).
Maar waar hij de opwekkende en tot rust komende ritmen be­spreekt, ben ik het niet helemaal met hem eens en ben mijn eigen weg gegaan.

Zoals bekend, bestaat het getuigschrift uit twee delen: een deel voor de ouders en een deel voor het kind zelf. Over het deel dat bestemd is voor de ouders, zou ook een heleboel te zeggen zijn. Maar ik beperk mij tot het deel dat voor het kind bestemd is. Rudolf Steiner zag voor zich, dat het kind zichzelf zou kunnen herkennen in een beeld, of een gedicht, zodanig dat het har­moniserend en stimulerend zou kunnen werken. Vanaf het begin van de Waldorfschool kregen de leerlingen van de onderbouw een eigen beeld of gedicht, waaraan zij innerlijk zouden kunnen groeien. In de loop van de jaren heb ik zelf vele getuigschriftspreuken gemaakt en hoe ik daarbij te werk ben gegaan, wil ik hier uit de doeken doen.

Mijn uitgangspunten bij de getuigschriftenspreuken:

• De spreuk moet “homeopathisch” werken, d.w.z. aansluiten bij wat er is en dat geleide­lijk omvormen vanuit de eenzijdigheid in het tegenovergestelde, zodat een evenwichtig “midden” ontstaan kan.

  • Het eerste deel van de spreuk sluit met het ritme aan bij het temperament van het kind. Het tweede deel brengt een ommekeer teweeg en gaat over in het tegenovergestelde temperamentritme. (Dus bijv. van cholerisch naar flegmatisch en omgekeerd. Van melan­cholisch naar sanguinisch en omgekeerd).
  • Ik begin dus naar twee ritmen te zoeken voor een kind: het eigen temperamentritme én het tegenovergestelde. Grove indeling: van op­wekkend naar rustig, of juist andersom. Fijnere indeling: van het ene temperament overvoeren in het tegenovergestelde. Soms komen beide indelingen tegelijk voor en ver­sterken elkaar.
  • Heb ik eenmaal een geschikt ritme gevon­den, waarop goed gelopen kan worden, dan zoek ik daar zinvolle beelden bij, die aan­sluiten bij de ritmen, zodat ze deze verster­ken. Bijv. een melancholisch beeld bij een melancholisch beginritme. Dan een sangui­nisch beeld bij een opwekkend, sanguinisch ritme. Dat kind moet dus uit de melancholie “gewekt” worden.
  • Mijn getuigschriftspreuken hebben dus meestal twee coupletten. (Soms wijk ik hier­van af.)
  • Bij de overgang van het eerste naar het tweede couplet veranderen dus zowel het ritme als het beeld! Dit moet een “verster­kend effect” opleveren.

Diverse ritmen

Opwekkend, versnellend:

l)    v-      cholerisch    (kort lang)                           jambe

2)   v v – sanguinisch (kort kort lang)                  anapest

3)   – –    niet uitgesproken gekoppeld aan een temperament
(lang lang)                                                                    spondeus (gevolgd door bijv.
jambe

4)  – v v – niet uitgesproken gekoppeld aan een temperament
(lang kort kort lang)                                                 choriambus

Deze ritmen hebben gemeen dat ze eindigen op een ‘lange’, beklemtoonde lettergreep. Als je deze rit­men loopt, dan zul je merken dat je op een korte a.h.w. een aanloop neemt om te eindigen op die laat­ste, krachtige lange. Vandaar het opwekkende karakter van deze ritmen.

Tot rust komend, afremmend:

l) -v   flegmatisch (lang kort)                             trochee

2)  – v v niet uitgesproken gekoppeld aan een temperament
(lang kort kort)                                                        dactylus

3)  v – v melancholisch maar ook wel als “harmonisch” ritme aangeduid
door Steiner
(kort lang kort)                                                        amfibrachys

4) v – – v                   (kort lang lang kort)          naam mij onbekend

Deze ritmen hebben gemeen dat ze eindigen op een ‘korte’, onbeklemtoonde lettergreep. Als je deze ritmen loopt, dan zul je merken dat je op die laatste korte a.h.w. afremt. Vandaar het tot rust komende karakter van deze ritmen.

Voorbeelden van werkwijze voor de vier temperamenten

1.Een sanguinisch kind
De spreuk zal opwekkend beginnen en dan tot rust voeren.

Bijv. van de opwekkende anapest (v v -) over­gaan naar de melancholische (of door Steiner “harmonisch” genoemde) amfibrachys (v – v ).

Voor een heel drukke, motorisch propulsieve jongen (klas 2) die zijn onrust kwijt moet en tot innerlijke rust moet komen. Dus van bewe­ging naar rust.

Zie het water dat schuimt                 (v v -)
Zie het water dat spat
Naar omlaag kolkt de stroom
Spettert alles zo nat.

In de stroom staat een man        (v v -)
Draagt een kind op zijn rug
O hoe zwaar is zijn last
Kan niet voort, noch terug

Maar dicht bij de oever                (v – v / v – v)
Spreekt tot hem het kind:            (v – v / v -)
“O, Offerus gij                                   (v-v/ v-)
die trotseert weer en wind           (v v – / v v -)
Christophorus doop ik                  (v – v / v – v)
Zo is uw naam,                                  (- v / v -)
Ja drager van Christus,                (v – v / v – v)
Zo heet gij voortaan!”                   (v-v/ v -)

2. Een flegmatisch kind
De spreuk zal rustig, slepend beginnen, maar overgaan in een opwekkend ritme.

Begin bijv. met trochee (- v), eindig met anapest (v v -)

Een flegmatisch joch (klas 1) is een dromer. Hij moet wakker worden en aan de slag!

’t Nachtlijk duister gaat verdwijnen           (- v)
Zie de morgenzon reeds schijnen
Helder is de dageraad
Wekt mij op tot werk en daad

Wakker en blij                                                      (- v v -)
Doe ik mijn plicht
Want Godes licht
Voel ik in mij!

3. Een melancholisch kind
De spreuk start vanuit een harmonisch ritme als amfibrachys (v – v), waarna overgegaan wordt naar een opwekkend ritme, bijv. de cho­riambus (- v v -) en tenslotte weer iets tot rust komend met dactylus (-v v).

Voor een tenger, schuchter, melancholisch meisje, klas 2. Zij moet uit haar schulp treden en extroverter worden. Ze kan veel als ze ge­stimuleerd wordt.

(Thema: Legende Elisabeth von Thüringen)

Een winterse deken lag over de aarde                          (v – v)
De zieken en armen, waarheen zij ook staarden
Zij vonden geen liefde, geen zorg en geen eten
Zij voelden zich eenzaam en koud en vergeten

Daar kwam een vrouw: Elisabeth                                  (- v v -)
Sterk was haar wil, groot was haar trouw
Zieken en armen, zij gaf hen te eten;
Elisabeths goedheid werd nimmer vergeten!          (- v v)

4. Een cholerisch kind
De spreuk krijgt een krachtig begin, bijv. anapest (v v -) overvoerend in dactylus (- v v ) of amphybrachys (v – v) of trochee (- v)

Of beginnen met spondeus of choriambus, beiden opwekkend.

Voor een cholerisch meisje (klas 2) dat heel veel in haar mars heeft, maar erg bepalend is in de klas. Ze mag wat minder hoog van de toren blazen. De herhaalwoorden geven extra kracht weer in de spreuk.

Schip in de storm                 (- v v -)
Storm op de zee
Zee beukt en bruist
Schip neem mij mee!

Storm ga liggen                      (- v)
Storm verlies je
’t Schip zeilt ook wel bij een briesje.

Zoals Ruud hier uiteenzet, ben ik ook vele jaren te werk gegaan.
Hij maakt tot slot in zijn artikel nog een aantal opmerkingen; in cursief zet ik daarbij mijn opmerkingen.

Opmerkingen

1. Pas op met te veel trocheeën (- v) of jambes (v -) na elkaar.
Dan wordt lopen snel tot hinken en dat is gauw vermoeiend. Niet meer dan een paar re­gels met deze “hink”-ritmen.
Dit onderschrijf ik helemaal

2. De geboortedag van het kind in de week
In een aantal vrijescholen loopt de leerling de spreuk op de dag in de week dat hij/zij is ge­boren. Ben je op zaterdag geboren, dan komt jouw spreuk op de vrijdag. Op zondag geboren? Dan ben je ’s maandags aan de beurt.
Deze werkwijze wordt door Müller beschreven. Ik heb deze in mijn eigen klassen niet toegepast. Ik wilde graag het ritme, zoals Ruud dit hierboven zo gedegen beschrijft, met de kinderen oefenen en koos daarvoor een tijd van 4 weken – de tijdseigenschap van het etherlijf.
In de 1e week zei het kind de spreuk op; in de 2e week kwamen daar de bewegingen klappend bij en daarna ook het lopen. De klas sprak dan – het lopende kind niet – zoals hierboven ook aangegeven. Omdat er meer dan 1 kind een beurt krijgt, kun je hier wel kiezen voor ‘dinsdagkinderen enz., maar dat hoeft niet.

3.  Gang van zaken
Een goed moment om dit te doen is meteen na de ochtendspreuk. Dit gebeurt ook meestal zo.
Je kunt natuurlijk ook de klas mee laten re­citeren. Het betreffende kind loopt dan op het ritme. Je kunt ook het betreffende kind de spreuk laten reciteren, terwijl de hele klas er op loopt. Klappen in de handen kan uiteraard het lopen afwisselen.
Zo leren ze elkaars spreuken kennen en dus ook iets van de geheimen van elkaars tempera­menten, eenzijdigheden en de oplossingen daarvoor – zonder dat dit natuurlijk besproken wordt. Als Marietjes spreuk begint met een be­schrijving van iets tragisch’, zal de klas het er wel mee eens zijn, dat het bij haar past. Haar tweede couplet brengt de oplossing. Als Johns spreuk begint met “bulderend onweer” zal ook iedereen snappen dat dat bij John past. Zijn spreuk eindigt met de zon die weer doorbreekt tussen de wolken. Zo leren ze van elkaar.
Het betreffende kind laten lopen én opzeg­gen tegelijk, lijkt me niet juist, (zoals ook de euritmist niet beweegt en tegelijk spreekt) maar dat is gevoelsmatig.

Geheel mee eens.

4.  Hoe lang er mee werken?
Meestal wordt begonnen na de zomervakan­tie. Het is heel goed als het kind tijdens de va­kantie de spreuk thuis al uit z’n hoofd heeft ge­leerd. Dan kun je na de vakantie er snel mee aan de slag. Maar dan? Het hele schooljaar? Lijkt mij niet. Al was het alleen maar omdat het kind innerlijk groeit en niet te lang steeds maar bezig wil zijn met thema’s van het vorige schooljaar (zie punt 5). Tot de herfstvakantie is mooi; tot de kerstvakantie kan, maar dat moetje aftasten. Tot wanneer heb je het gevoel, dat het nog werkzaam is? Dat is, denk ik, de kernvraag.
Dit zijn m.i. allemaal gezichtspunten die kunnen gelden; met mijn methode van 4 weken, kwamen alle kinderen ongeveer 2x per jaar aan de beurt. Maar soms kon je na verloop van tijd zien dat het ritme inderdaad werkzaam was geworden; dan was de noodzaak om verder te oefenen ook niet meer aanwezig.

5.De keuze van de beelden
Het lijkt logisch in de vertelstof van het af­gelopen jaar te duiken, om tot een zinvol beeld voor een leerling te komen. Zoals uit de voor­beelden te zien is, gebruikte ik (aanvankelijk) zelf ook de vertelstofthema’s. Geleidelijk aan ben ik daar van afgestapt, want dit houdt ook een gevaar in. Stel je vindt een mooi beeld uit de legende van Franciscus van de tweede klas. Dan moet die leerling daar in de derde klas mee aan de slag. Maar dan is hij qua leeftijdsfase al over het legendenstadium heen. Je zadelt de leer­ling dan dus op met iets ouds. Daarom kun je ook hele neutrale onderwerpen nemen, die altijd te gebruiken zijn. Bijv: de natuur, de storm of de wind, de rivier, de waterval, de ondergaan­de- of opkomende zon – of maan; verder iets uit de planten- of dierenwereld, enz.
Ik heb het zelden een bezwaar gevonden om beelden uit de vertelstof te geven. Wat bv. uit het leven van Franciscus als beeld gegeven kan worden, verliest zijn kracht niet, wanneer het kind ouder wordt; dat is misschien wel zo wanneer je uit de sprookjes een beeld haalt met kabouters, bv.
Beelden uit de natuur hebben inderdaad een veel ‘eeuwiger’ karakter.

6.  De verspreiding van mijn eigen spreuken
Ik beschik over vele tientallen spreuken, die ik in de loop van de jaren voor kinderen heb ge­schreven. Daar rust geen patent op. Omdat het temperamentspreuken zijn, zijn die algemeen toepasbaar. Wil je van mijn spreuken gebruik maken, dan mail ik ze je toe.

Wil je contact hierover, wil je meer weten, of heb je vragen, mail mij dan.’

Ruud Gersons Stichtse Vrije School, Zeist
Vrije School Studiecoaching: vss(apenstaartje)hotmail (punt) nl

Hier verschillen Ruud en ik wel van mening.
Ik heb steeds het gevoel gehad dat een getuigschriftspreuk gemaakt wordt voor dat ene, bijzondere kind. Dus dat het een ‘eenmalige’ spreuk is.
(Dat wil niet zeggen dat je deze spreuk niet eens zou kunnen gebruiken om met een ander kind ( in een andere klas) een ritme te oefenen.) Maar een eenmaal gemaakte spreuk jaren achtereen ook aan andere kinderen geven als getuigschriftspreuk ontneemt mij het gevoel iets unieks aan dit unieke kind te geven.

Ik weet het: je stelt jezelf een hoge opdracht en het is makkelijker om in een stencil of boekje wat te zoeken waarvan je het gevoel hebt dat het bij dit kind past; ik had er ieder jaar wel behoefte aan, want het lukte niet voor ieder kind naar tevredenheid iets te vinden. Dat dwong mij er ook wel toe bestaande beelden te gebruiken; ik paste soms een enkel woord aan; maar het voelde voor mij niet goed – net of ik toch tekort schoot.

En hoe gaat dat in de praktijk: ‘heb jij nog een spreuk voor een sanguinicus, enz.?, want als je de spreuken beschouwt als temperamentspreuken, zoals Ruud hier zegt, is daar niets op tegen.

En als je  een spreuk neemt die iemand anders heeft gemaakt, moet zijn of haar naam daar dan bijstaan?

Rudolf Steiner noemt steeds ‘een spreuk’ voor de individualiteit van het kind.
(Ik ben niet tegengekomen dat hij ook spreekt over een ‘gedicht’, maar dat kan mij ontgaan zijn)

Het woord spreuk hangt samen met sprookje (beeld) met spraak en spreken; een spreekwoord is eigenlijk in dit opzicht ook een spreuk.
Opvallend is dat een spreekwoord kernachtig zegt waarom het gaat.

Zo heet een boekje van Herbert Hahn met getuigschriftspreuken en gedichten: ‘Schritt für Schritt wird Weg gewonnen’.

Hiermee wil ik niet zeggen dat langere spreuken (of zijn het dan gedichten geworden?) geen zeggingskracht zouden hebben; maar altijd ligt hier op de loer dat door het teveel aan woorden de zeggingskracht minder wordt.

M.i. zijn de ritmen voor de temperamenten ondergeschikt aan het eigenlijke beeld.

Tot slot Müller nog eens:
Rudolf Steiner legde verschillende keren er de nadruk op, dat het goed zou zijn wanneer de klassenleerkracht deze spreuken zelfstandig zou maken.
.

Pieter Witvliet met medewerking van Ruud Gersons
.

Zie ook Audrey McAllen

.

Getuigschriften: alle artikelen

Rudolf Steiner:  over getuigschriften

.

175-165

 

 

 

 

 

 

 

.