Maandelijks archief: november 2013

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (11)

recepten

Als het bijna Kerstfeest is,  is het leuk om alvast met de kinderen wat te bakken: |
een tulband of koekjes,  bv. met behulp van vormpjes (sterren, hartjes, boompjes) of ze zelf mooie vormen laten maken. Ze kunnen dan weer versierd worden met nootjes of rozijnen of na het bakken met gekleurd glazuur

5) anijskoekjes; 1)borstplaat; 8) borstplaat;15)havermoutvlokkenmakronen;  11)honingbrood; 10)Jan-in-de-zak; 14)kaneelsterren; 4)kruidkoek; 2)kwarkdessert; 13)pepperkakehus (Zweeds); 3)peperkoekjes (Zweeds); 6)stol; 7) ster: Lebkuchen; 12)volkorenkoek;

dranken:
9)Glühwein
16) warme wijn
17)anijsmelk

 

1)borstplaat
250 gram suiker
met 6 eetlepels water of melk op een lage vlam aan de kook brengen, zodat de suiker goed oplost, ongeveer 10 minuten zachtjes laten pruttelen. Halverwege er een scheutje room bij doen, roerend wat laten afkoelen en in de vorm gieten.

Hierbij kun je ook verschillende smaken maken,
bv.1 eetlepel water of melk vervangen door 1 lepel gemberstroop
of in plaats van water of melk koffie gebruiken.
Ook een beetje cacao erdoor is lekker en geeft een mooie kleur.
Allemaal heel zoet natuurlijk, maar wel lekker.

En dan is het eindelijk kerstavond en wordt de kerstboom versierd met allerlei mooie (zelfgemaakte) dingen, spannend om alles van het vorige jaar weer tevoorschijn te halen en weer te herkennen.

Een gedichtje van Rie Cramer:

Wij hebben een Kerstboom,
wij hebben een boom
en wij mochten helpen versieren.
We hebben de zilveren sterren geplakt,
en slingers van gouden papieren.
We hebben appels en noten verguld
en dennenappels bij vrachten.
Vanavond steekt moeder de kaarsjes aan,
vanavond mogen wij binnen gaan,
ik kan haast zolang niet wachten!

Iedereen veel plezier en een heel goede kerstvakantie toegewenst!

(Bep kroeze, nadere gegevens onbekend)

.

2)kwarkdessert
3 bakjes kwark a 250 gram,
3 eieren, 1 ci­troen (sap en schil),
6 ruime eetlepels suiker,
1 eetlepel orangeade,
1 eetlepel sukade,
1 eetlepel rozijnen,
een half kopje melk,
6 blad gelatine,
1/8 liter slagroom.

Gelatine meteen in ruim koud water — ieder blad apart erin — weken. Kwark, eigeel, citroen­sap en geraspte schil met een derde van de suiker krachtig roeren tot een homogeen ge­heel, daarna nog enkele minuten kloppen met de garde.

Gedroogde vruchten toevoegen.
Eiwit met de ene, slagroom met de andere helft van de resterende suiker stijfkloppen.
Melk goed heet laten worden, niet koken.
Pannetje van het vuur nemen en blad voor blad de gelatine uit het koude water halen, uitknijpen en onder voortdurend roeren in de melk laten glijden en oplossen.
Aan het einde van deze ceremonie zal de melk al behoorlijk zijn afgekoeld. Aan de an­dere kant lost gelatine alleen op in hete vloeistof — dus moet men nog even wachten alvorens het door de kwark te roeren.
Daarna het eiwit en als laatste de slagroom erdoorheen werken.
In kleine vormpjes doen en koud wegzetten.
Reken maar liefst 10 uur in de koelkast!

Deze lekkernij smaakt ook heerlijk zonder slagroom, dat is natuurlijk beter voor de lijn, vooral als je het geregeld serveert.
Als de slagroom verstek laat gaan, de suiker meteen in het begin gebruiken.
Erg droge kwark met een kopje yoghurt aanlengen.

(Katja Lobbe, Jonas 8/9/, 19-12-1975)

.

3)Zweedse peperkoekjes  ca. 125 stuks
150 gram bruine basterdsuiker
1 1/2 dl. stroop
1/2  theel. gemberpoeder
1/2 theel. kaneel
1/2 theel. kruidnagelen
150 gram boter
1  ei
2  theel. bakpoeder
650 gram bloem

Breng suiker, stroop en kruiden aan de kook.
Voeg bakpoeder toe en doe het mengsel over in een schaal over de boter.
Roer daarin tot de boter smelt.
Meng dan het ei en het meel erdoor.
Kneed het deeg daarna op het aanrecht.
Rol het uit met een deegrol en maak koekjes in ronde vorm.

Leg ze op goed beboterde bakplaten en bak ze gaar in een middelmatig (225.) warme oven.

(bron onbekend)
.

4)kerstkruidkoek
250 gr boter
250 gr suiker
250 gr rozijnen
250 gr  krenten
120 gr citroensnippers
120 gr sinaasappelsnippers
500 gr meel

beetje kaneel, nootmuskaat, kardamon, 1 pakje bakpoeder, 4 eieren, 1/8 l melk

Boter en suiker schuimig roeren,
eieren toevoegen,
dan de’vruchten,
ten slotte het gezeefde meel met de bakpoeder.

Het deeg ca. 5 mm dik op het bakblik uitrollen.
Bij 200 gr 40 a 60 minuten bakken.
Nog warm met sinaaaappelglazuur bestrijken en in stukken snijden
.

(bron onbekend)
.

5)Anijskoekjes       (voor kleine kinderen).
3 eieren
200 gr aardappelmeel
200 gr suiker
1 pakje vanillesuiker
250 gr meel
1 lepel anijs (  gemalen anijszaad)#
ei en suiker schuimig roeren,

dan meel met vanillesuiker en anijs, doormengen tot het een zeer stevig deeg is.
Vormen uitsteken en bakken bij matige hitte.
.

(bron onbekend)
.

6) bakerkindje om op te eten
Terwijl ik naar de kale boomtoppen en de grijze lucht kijk, denk ik aan het baksel van Duitse origine, dat beneden in de berging ligt te wachten, om op kerstavond bij een kop koffie ‘aangesneden’ te worden:
de echte Dresdner Christstollen.

Laat mij meteen een misverstand opruimen: De ‘echte’ is geen krentenbrood en dient dus beslist niet met boter te worden besmeerd. Alles wat hij nodig heeft aan vet zit in zijn deeg verwerkt — zuivere roomboter en (zeer) veel gemalen amandelen. De echte stolle is derhalve heel erg zwaar en marsepeinachtig (in zijn geheel, niet alleen als er spijs in zit als concessie aan een buitenlandse gewoon­te). Zonder een sterk bakje koffie is hij nau­welijks te nuttigen.

‘Dresdner Christstollen’ is een van de oudste aan ons bekende baksels. De naam is ont­staan uit het oud-hoogduitse woord ‘stollo’, dat betekent onder meer stijl en stal en is een heilig symbool voor het bakerkindje in de krib van Bethlehem.
Omstreeks 1300 heeft men voor het eerst stollen gebakken in Saksen, dat toen al be­kend stond om zijn exquisiete keuken.

Het waren vooral Saksische fijnproevers — vorsten en geestelijken voorop — aan wie de uitvinding te danken is.
Door de eeuwen heen is de stolle geraffi­neerder geworden. De internationaal be­faamde naam is te danken aan bakker Jeremias Kreutzkamm. Zijn beroemde ‘Konditorei-café’ aan de oude Markt in Dresden was al in 1825 een rendez-vous plaats van kunste­naars en vooraanstaande burgers. Bakker Kreutzkamm was hofleverancier van de ko­ning van Saksen en Polen, die met Kerstmis een sympatieke gewoonte toepaste: Hij liet aan vrienden en trouwe ambtenaren een ech­te Dresdner Kreutzkammstolle overhandigen.
Ik zou u graag nog een heleboel willen vertel­len over knusse oude tradities in Saksen, waar ik als kind bij mijn grootmama in Dresden de zalige sfeer proefde.
Zo’n ‘bakerkind­je’ moet een bepaalde tijd rusten, totdat de heerlijke ingrediënten zich volop kunnen ontplooien. Van te voren even snoepen is er beslist niet bij. Geen kind, dat dit in zijn hoofd zou hebben gehaald. Na de mis, onder het beieren van de klokken, liepen de fami­lies door de besneeuwde kerstnacht naar huis. En als later de geur van de versgezette koffie door de kamer zweefde en zich meng­de met het aroma van de bijenwaskaarsen aan de kerstboom, pas dan mocht de eerste plak van de reuzenstol gesneden worden. Dit deed traditiegetrouw de heer des huizes. Een echte stolle moet in Saksen namelijk 8 pond wegen! Er zijn speciale snijplanken van helder ahornhout met een kribvormig onder­stel, daar ligt het op, het bakerkindje. Als u er ooit een proeft, geniet dan met kleine hapjes,zodat de subtiele smaak ten volle tot zijn recht komt.

Ieder met enige bakervaring kan met dit re­cept van een echte Duitse stol, een behoor­lijk resultaat op tafel brengen.

1000 gr bloem,
100 gr zoete amandelen,
50 gr bittere amandelen,
100 gr fijn gesne­den sukade,
500 gr boter,
200 gr suiker,
500 gr rozijnen (goud-geel van kleur),
de ge­raspte schil en het sap van een citroen,
gist of bakpoeder.

Bij gebruik van gist wordt 3 dl melk toege­voegd, bij bakpoeder minder melk gebrui­ken.
Vorm van deze ingrediënten een stevig deeg en zet de stol op een ingevet bakblik in een goed voorverwarmde oven.
Baktijd en ovenstand als bij zwaar cakedeeg.
Om te bestrijken en bestrooien: Een pond roomboter smelten en met zachte kwast op de korst strijken, ca 100 gr witte suiker er over strooien, daarna bestuiven met poeder­suiker.
.

(Katja Lobbe, Jonas 7, 5-12-1975)
.

7) Lebkuchensterren
125 gram honing
150 gram suiker
20 gram boter
1 klein ei

samen tot een schuimige massa roeren.

Dan 1 voor 1 de volgende ingre­diënten erbij doen, roerend:

20 gram gemalen hazelnoten
20 gram lebkuchen (of koek) kruiden
mespunt nootmuskaat
3/4 deciliter koffie
20 gram cacao
10 gram hertshoornzout*(Duits)
of 2 flinke theelepels bakpoeder
4oo gram meel

*het hertshoornzout moet in de koffie worden opge­lost. Het gaat pas werken bij verhitting;
bakpoeder begint al te werken als het nat wordt.
Als het deeg klaar is moet het een paar uur rusten. Dan uitrollen tot ongeveer een halve cm en er koeken uitsteken in alle mogelijke vormen.
Ongeveer 20 minuten bakken in een hete oven,  200′.
Daarna ze of, als ze nog warm zijn, bestrijken met citroenglazuur, of als ze afgekoeld zijn, met cho­colade glazuur.

citroenglazuur
100 gram poedersuiker zonder klontjes roeren met 1 eetlepel citroensap en 1 eetlepel hete melk of water.
De citroen kan ver­vangen worden door ander vocht!
Gedurende 5 minuten flink roeren.
Als je de koeken echt dekkend wilt glazuren moet je het wat dikker laten, anders iets verdunnen en dan krijg je een doorschijnend laagje.

Op de koude koeken kan

chocolade glazuur
100 gram poedersuiker met 3 eetlepels hete melk roeren.
Intussen 100 gram chocola boven een pan heet water smelten samen met een klein klontje boter.
Dit mengen met de suikermassa.
Over de koeken strijken en hard laten worden.
Eventueel kan je er taartversiersel in drukken, bv. zilveren balletjes.

Andere mogelijkheid is om ze te versieren met eiwitglazuur.

Eiwitglazuur:
klop 1 eiwit stijf en roer daar zo­veel poedersuiker door tot het nog maar heel traag van de lepel afloopt.
Nu kan je er figuren mee spuiten.
Ook kan je er alle mogelijke versiersels mee opplakken.
Het wordt heel hard.

Lebkuchen moeten een tijdje liggen; daar worden  ze lekkerder van.  Ze worden wel zacht(er) maar niet oudbakken. Daarom zijn ze zo geschikt om er versierde koeken mee te maken!

Kerstboompjes:
een aantal sterren van verschillen­de grootte op elkaar plakken met eiwitglazuur. Laat ze daarbij iets verspringen en zet de grootste onder en de kleinste boven.  Zo ontstaat de vorm van een sparrenboom. Eventueel met wat poedersui­ker bestrooien.
.

(bron onbekend)
.

8) kerstkransjes
150 gram bloem
100 gram boter .
75 gram basterdsuiker
1  mespunt zout
1  ei
100 gram amandelen
1 eetlepel suiker

Breek het ei in een kopje,
klop het los met een vork en doe de helft in een deegkom
Doe da bloem, de boter, de basterd suiker en het zout er bij.
Snij met twee messen de boter in kleine stukjes en kneed  daarna met één hand alles door elkaar tot een bal (niet te lang kneden)
Leg de amandelen een paar minuten in kokend water en pel de bruine velletjes er af.
Snij de amandelen in dunne flinter­tjes

Strooi wat bloem op een droog aanrecht en rol het deeg tot een overal even dikke plak,  ongeveer zo dik als een gulden.
Steek met een koekjesring of een omgekeerd glas rondjes uit het deeg en maak daarna met een appelboor of dop van een fles in het midden van de koekjes een gat.
Maak van de deegresten een nieuwe plak en snij  daar nog meer kransjes uit.
Bestrijk de kransjes met het  losgeklopte ei en bestrooi ze met de gesnipperde amandelen en de suiker.
Leg de kransjes op een beboterd bakblik dat je in het midden van een niet te hete oven schuift.
Bak de kransjes in onge­veer 1  kwartier bruin.

9) Glühwein
1 fles rode tafelwijn
1 fles water
1 kleine citroen of 2 sinaasappels
5-6 kruidnagels
stukje pijpkaneel
ca. 150 gr. suiker

Was de citroen of de sinaasappels schoon en steek er de kruidnagels in.
Wijn en water met de suiker en de citroen of sinaasappels en de pijpkaneel in een gesloten pan tegen de kook aan brengen en 2 uurtjes laten trekken.
.

10) Jan-in-de-zak
300 gr. bloem
150 gr. krenten,
rozijnen en
sukade
1 ei
20 gr. gist
2 dl. lauwe melk
1/2 theelepel zout
1 linnen zak

Doe de bloem in een kom.
Voeg ei en melk toe tot een beslag.
Vervolgens de krenten, rozijnen en sukade, het zout en de met lauwe melk aangemaakte gist.
Laat het beslag 3 kwartier rijzen op een lauwwarme plek.
Spoel de linnen zak met lauw water en bestrooi hem van binnen met bloem. Vorm een brood van het deeg en doe dit in de zak.
Bind de zak zo dicht dat het deeg nog verder kan rijzen.
Kook de pudding gedurende ca. 2 uur in een pan met kokend water.
Plaats een diep bord omgekeerd op de bodem van de pan, zodat de zak niet aan de bodem van de pan gaat kleven.
De pudding is gaar als een breinaald er droog uitkomt.
Laat de pudding zonder zak opdrogen en geef er stroop, boter en basterdsuiker bij.

11)honingbrood
1 kop melk
1 kop honing
1/4 kop zachte boter
2 geklopte eieren
2 1/2 kop volkoren meel of half wit, half volkoren
1 theelepel zout
1 eetlepel bakpoeder
1/2 kop walnoten

Voeg melk en honing samen. Roer het boven de vlam tot een mengsel. Klop boter, eieren , bloem, zout en bakpoeder er door tot alles goed vermengd is. Vouw de noten in. Doe het in een ingevette broodvorm. Bak het één uur bij 160; laat het 15 min. in de vorm afkoelen. Snij het pas als het koud is.

12)volkorenkoek
150 gr boter
150 gr rietsuiker
rasp en schil van een halve citroen
2 eieren
250 gr tarwemeel
3 theelepels bakpapier
snufje zout
1 dl melk
150 gr rozijnen
De eerste drie ingrediënten losroeren, de eieren erdoor kloppen en daarna het meel met bakpoeder en zout. Dan de melk. Rozijnen er doorheen en alles in een beboterde boterkoekvorm. Gaar bakken (als er niets aan de breinaald blijft plakken) in 30 à 40 minuten bij 200 in een voorverwarmde oven

13) We maken een “pepperkakehus

In de Scandinavische landen is het een goede gewoonte om voor Kerstmis een huisje of kerkje van een soort speculaasdeeg te maken. Misschien ook eens een idee voor ons ? We proberen het – het geeft veel plezier en we komen helemaal in Kerststemming.

We bedenken eerst wat voor huisje we gaan “bakken”, een eenvoudig vierkant huisje met schuin dak en schoorsteen of een ingewikkelde kerk.

Voor de eerste keer het huisje maar ! We kunnen er een papiermodel van maken, de delen uitknippen – een soort bakpatroon dus.

Eerst het deeg. Niet helemaal ons speculaasdeeg, voor het huisje moet het harder zijn, het moet goed uit te rollen zijn, en te eten !

We hebben nodig:
3 dl suiker,
2 dl stroop,
125 gr margarine,
1 eetlepel kaneel,
1 eetlepel gemberpoeder,
1 theelepel kruidnagelpoeder (of speculaaskruiden)
1/2 eetlepel bicarbonaat (dubbele koolzuresoda),
3 dl water
17 dl meel – wit

1.Suiker en stroop gaan in een grote pan op het vuur, zacht pitje, en roeren totdat de suiker is opgelost – ongeveer 10-15 min. Het mengsel wordt nu dunner.

2.Kruiden en bicarbonaat in een kom mengen.

3.De margarine in de pan erbij totdat het smelt – daarna de kruiden en tenslotte het koude water. Vuur uit. Roeren totdat het afgekoeld is.

4. Nu het meel er beetje bij beetje door kneden. Als het deeg goed kneedbaar wordt, uit de pan halen en op de aanrecht of tafel verder kneden.

5.Het deeg uitrollen tot ongeveer 4 mm dik. De papieren patroondelen erop leggen en uitsnijden. Op de bakplaat leggen. Tussen de huisdelen wel ruimte laten voor het eventueel toch wat uitlopen van de koekdelen.

Kleine stukken samen op een plaat, baktijd ca 5 min.

Grote stukken samen, baktijd ca 9 min.

Ovenstand op 225°•

Zijn de delen toch wat rafelig uitgelopen, dan bijsnijden als het nog warm is.

Nu af laten koelen.

Om het huis in elkaar te zetten smelten we suiker in een pannetje op een plaatje op een zacht pitje. Het moet vloeibaar worden en warm gehouden worden, anders wordt het hard.

Dan de huisdelen aan elkaar “lijmen” met de vloeibare suiker. Gebruik een mes hiervoor, en pas op de vingers. Houdt de stukken vast totdat de suiker hard geworden is.

Als ondergrond kunnen we ook een groot stuk koek gebruiken.

Als alles er op en er aan zit, kan ons huis versierd worden.

We kunnen er ramen en deuren op “tekenen” met een mengseltje van eitwit met poedersuiker of water met poedersuiker (een heel klein beetje water voor heel veel poedersuiker). Poedersuiker eroverheen strooien als sneeuw staat heel echt.

Hebben we nog deeg over dan kunnen we bomen om ons huis maken of zomaar figuren die we versieren en ophangen aan een rood lint aan de kerstboom of voor het raam.

Ons “pepperkakehus” krijgt een plaats op de kersttafel, een kaarsje erbij en wij kunnen Kerstmis vieren. Veel succes !|.

Gonnie Kok, nadere gegevens ontbreken
.

14)kaneelsterren
9 eiwitten
500 gr. poedersuiker
sap van 1 citroen
500 gr. gemalen amandelen
125 gr. suiker om uit te rollen

Eiwitten tot stevige sneeuw slaan, de suiker ermee vermengen. Van deze massa ca. 10 eetlepels afnemen. In de rest van de sneeuw de andere ingrediënten doen en 20 min. laten rusten.
Van de massa steeds kleine delen op besuikerd blad 1 cm. dik uitrollen, sterren uitsteken op bakblik overbrengen dat goed ingevet en met meel is bestrooid. Twee uur goed laten drogen, dan de resterende eiwitmassa in een spuitzak doen mét een klein gat en dun op de sterren spuiten.
20 min. bakken bij 180°C.
.
15)havermoutvlokkenmakronen
 350 gr. havermoutvlokken
250 gr. suiker
3 eieren
50 gr. boter
1/16 l. melk
1 pakje bakpoeder
sap van 1 sinaasappel en 1 citroen
50 gr. citroensnippers
ronde ouwel
Suiker en eieren schuimig roeren,
boter en andere ingrediënten toevoegen,
dan beetje bij beetje de havermoutvlokken.
De massa met een koffielepel op kleine ronde, stukjes ouwel verdelen en bij 180 C. ca. 20 min. bakken.
.
 16)warme wijn
1 fles rode wijn
1 fles water
1 citroen
enige kruidnagelen
een stukje pijpkaneel
ca. 75 gr. suiker
De wijn met 1 fles water verdunnen. De kruidnagelen in de citroen steken en deze met de pijpkaneel een half uur of langer in de wijn laten trekken.
Zorgen dat de wijn niet kookt. De kruiden uit de wijn nemen en deze afmaken met suiker.
.
17)anijsmelk
1 liter melk
2 lepels anijszaad
40 gr. suiker
De melk aan de kook brengen. het zaad in een gaasje binden en in de melk laten aftrekken, een half uur of langer. Het aftreksel zo nodig zeven en de suiker er doorroeren
.
 
Kerstmis: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis ( 10)

De bijenstaat en het kerstgebeuren

In de insectenwereld nemen de zoge­naamd sociaal levende insecten (bijen, hommels, wespen, mieren en termie­ten) als groep een heel bijzondere plaats in.

Elk individu vormt een deel van een samenlevingsvorm, die slechts als geheel kan bestaan. Binnen deze groep nemen de bijen wel een héél bijzondere plaats in. Hun samenleving is strikt gebonden aan een streng wetmatige drieledig­heid: een koningin, duizenden werk­sters (50- 60.000) en enkele honderden darren.

Het bijenvolk, zoals wij het heden ten dage kennen, is de vrucht van eeuwen lange domesticering. De bijenteelt werd al 5000 jaar geleden door de Egyptenaren beoefend. Gedurende de middel­eeuwen stond zij in hoog aanzien in West-Europa.

Immers, honing was het enige zoetmiddel. Zowel de kerkelijke als de wereld­lijke heren hadden altijd meerdere im­kers in dienst, om kerkruimten en burchtzalen van kaarsen te voorzien. Heden ten dage is de imkerij als beroep nagenoeg verdwenen, maar de interesse in deze boeiende samenleving zeker niet.

Volgen we dit wonderbaarlijke bijenorganisme in zijn activiteiten door de vier jaargetijden heen, dan zien we in het vroege voorjaar, wanneer de lente de eerste lover en bloemenpracht tot ontwikkeling laat komen, een grote bedrijvigheid voor een kast of korf. De bijen zijn met hun reinigingsvlucht be­zig en brengen al de eerste stuifmeelkorrels (bijvoorbeeld van wilg, krokus) en wat nectar naar hun woning. De koningin begint, na haar winterrustperiode weer aan de vernieuwing en op­bouw van haar volk, bijgestaan door de werksters die haar de winter door trouw gebleven zijn. Eitje voor eitje wordt in de zeshoekige cellen gedepo­neerd en bij een temperatuur van 35° C opgekweekt. Na 21 dagen lopen de nieuwe werksters uit en zullen de oude gaan vervangen, die nu hun taak volbracht hebben en sterven.
Langzaam neemt de grootte, en daar­mee ook de activiteit van het volk toe. Tussen de werksters die zich vlijtig over hun raten bewegen, neemt men hier en daar ook darren waar. Deze on­beholpen, bedelende , dikke nietsnut­ten krijgen aan het begin van de zomer hun enige taak toegewezen: ze be­vruchten de jonge koninginnen, die elk voorjaar door het volk worden ge­kweekt ter vervanging van de oude. Deze oude koningin vliegt met een deel van het volk weg en zoekt een andere woning.

De nieuwe koningin zet het werk van de oude voort. Ze legt in het
hoogsei­zoen gemiddeld 2000 eieren per dag. Vlijtig vliegen de werksters in de zo­mermaanden op de zogenaamde drachtplanten en verzamelen de nectar en het stuifmeel voor broedsel en eigen ge­bruik. Gedurende deze tijd wordt te­vens een wintervoorraad aangelegd. Deze bestaat uit honing, die in een ein­deloos proces uit nectar  en kliersecreet bereid wordt.

Langzaam worden de dagen korter en koeler. De eerste najaarsstormen hui­len over de bijenbehuizing en het volk trekt zich uit de periferie (buitenwe­reld) in het centrum (behuizing) terug. De koningin legt nu bijna geen eitjes meer en het broednest verdwijnt. De darren, die hun taak gedurende de zo­mermaanden volbracht hebben wor­den nu onverbiddelijk uit het volk ge­stoten en sterven voor de kast. De eerste sneeuw daalt op aarde neer en bedekt alles met een glinsterend wit kleed. Dicht opeengedrongen, zacht pulserend gaat het bijenvolk de winter in.

Aanschouwen we het beeld van dit or­ganisme binnen de wanden van de be­huizing, dan valt het op dat de konin­gin altijd omgeven is door een aantal werksters, die haar gedienstig zijn. Het aantal is in het mooiste geval twaalf, nooit meer.

In de bedrijvige zomermaanden, wan­neer de koningin over de raten loopt, is deze hofhouding ongeordend om haar geen gegroepeerd. In het najaar neemt de activiteit van het hele bijen­organisme langzaam af en komt aan het begin van de winter tot rust. Was rond de Johannestijd het volk als totaliteit in een open, ontvangend gebaar naar de buitenwereld toe gericht, nu tegen de herfsttijd is het gebaar omhullend, van de buitenwereld afgekeerd. In het centrum van deze ronde vorm bevindt zich de koningin, die nu een regelmati­ge twaalfstralige ster van werksters om zich heen heeft staan. Het gevaar van naar buiten gericht leven in de zomer en naar binnen gekeerde rust in de winter, krijgt bij het waarnemen van dit stervormige beeld opeens meer inhoud. Men beleeft bij zichzelf niet al­leen deze zelfde beweging, maar wordt tevens bij het aanschouwen van deze twaalfstralige ster op een innerlijke houding gewezen: namelijk een hou­ding van naar binnen gekeerde rust. Een rust die nodig is om een
inwen­dige ster, ontstaan door een uitwendig liefdevol benaderen van de wereld gedurende de lente-, zomer- en herfstmaanden, als een inwendige kracht in zichzelf te laten rijpen.

kerst bijen

(Gerard Copijn, Jonas 8/9, 15-12-1978)

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Advent (16)

Advent en Kerstmis

Het is nog donker !s ochtends als we opstaan, de dagen worden korter en de nachten langer. De kinderen komen moeilijk uit hun bed, ze zouden eigenlijk de dag pas willen beginnen als de zon op komt.
Gelukkig komt er plotseling een morgen dat het gras wit is en er een flinterdun laagje ijs op het water van een oude bloempot ligt.
De winter is begonnen!
Vanaf nu wordt iedere morgen dit tastbare bewijs van de winter gecontroleerd en gemeten. Zou er sneeuw en ijs komen met kerstmis?

De natuur staat nu uiterlijk helemaal stil, de bladeren zijn van de planten en bomen af. Alleen de dennen staan fier met hun takken omhoog groen te zijn, alsof ze willen aantonen dat het leven doorgaat, heel klein teruggetrokken in de dunne naalden, zoals al het leven zich even terug houdt in de aarde.

In deze donkere koude tijd vieren we advent.
Vier zondagen voor kerstmis maken we van dennengroen een krans, waar we vier kaarsen op zetten.
Iedere zondag wordt er een kaarsje meer aangestoken, hoe donkerder de dagen hoe meer we wachten op de komst van het heldere licht aan de hemel van kerstmis.

Op de eerste adventmaandag op school lopen de kinderen in de spiraal van de adventstuin, geleid door de engel, naar de grote kaars in het midden en ont­steken daar allemaal hun eigen kaarslichtje dat in een sterappel staat.
In het paradijs groeide de levensboom, de boom van goed en kwaad, met zijn stralende appels. Nadat Adam en Eva van de vruchten gegeten hadden, doofde het licht en werden zij uit het paradijs verdreven. Door hard werken op aarde en met het vermogen steeds nieuw leven te scheppen, zal de mens zelf dit licht weer bewust aan moeten steken. Dat sterappeltje met zijn sterretje bin­nenin symboliseert dat teruggetrokken paradijslicht dat de mens met behulp van de komst van Christus weer ontsteken moet.

Op de jaartafel in de klassen zien we nu de stal van Bethlehem en in de eerste adventweek liggen er mooie stenen en kristallen. In de tweede week komt daar iets groeiends en bloeiends uit de plantenwereld bij. De derde week verschij­nen de dieren bij de stal en de vierde week de mens, de herders op het veld.
Zo maken we alle vormen van het bestaan op aarde nog eens zichtbaar en kunnen de kinderen eerbied en bewustzijn ontwikkelen voor al het leven op aarde.

In Scandinavië wordt op 13 december het Luciafeest gevierd, dit feest valt precies voor de twaalf donkerste nachten voor kerstmis. Met haar verlichte kaarsenkroon wekt zij ‘s ochtends vroeg de mensen voor het ontbijt al zing­end over God die in de duistere nacht zijn kinderen licht heeft gebracht. We zien dat de oude heidense lichtfeesten uit het noorden samenvallen met het kerstfeest.Dit Germaanse Julfeest werd ook op 25 december gevierd. Twaalf nachten rustte de zon en moest ook de mens rusten: er mocht niet gewerkt wor­den. Uit Scandinavië kennen we ook het Droomlied van Olav Asteson, die de in­wijding beschrijft die deze twaalf nachten duurde.

Diezelfde twaalf nachten zijn, ook de twaalf heilige nachten van kerstmis, die duren tot 6 januari als de drie wijzen uit het oosten het kind bereiken.

Ook de a helpt ons bij de voorbereiding op de komst van het kind Jezus. Iedere dag een luikje openmaken, waarachter steeds weer iets zicht­baar wordt van het leven op aarde en het naderende grote gebeuren, maakt ons ook van binnen steeds stiller. Langzamerhand leggen we de haast, de onrust en het steeds jachtiger leven van alle dag naast ons neer. We krijgen behoefte aan een mooie wereld, wandelen in de natuur, behoefte aan een aarde bedekt met sneeuw. Een witte kerst bedekt het gewone “vuile” leven, het milieu, de onrust en de eenzaamheid op straat. De wereld is dan stiller, geluid wat we niet willen horen, wordt letterlijk en figuurlijk gedempt.

Toch moet de mens zelf, op eigen kracht, al zijn innerlijke vermogens mee naar binnen nemen, zoals de aarde , de natuur dat ook doet om ontvankelijk te zijn voor de grote vernieuwende kracht die het vieren van de kerstnacht en de geboorte van het kind Jezus ons wil schenken.
De twaalf heilige nachten geven ons de tijd en gelegenheid ons klaar te maken voor de maanden daarna waarin we zelf deze nieuwe gaven weer door moeten dragen in de wereld.
“Vrede op aarde in mensen een welbehagen” is geen cadeautje van het kerstkind, maar is de steeds terugkerende en moeilijker wordende opdracht aan ons allemaal.                                                                                               Op alle Vrije Scholen wordt de kersttijd intensief gevierd. Dit feest zo in het onderwijs geïntegreerd te mogen meemaken, geeft onze kinderen misschien de gelegenheid later kerstmis en zijn opgaven beter te begrijpen en in te voelen.
En als de leraren van de school de kerstspelen als geschenk aan de kinderen opvoeren, is dat meer dan een toneelstuk opvoeren, meer dan het kerst­verhaal in beeld brengen, dan is dat de verwezenlijking van een kerstopgave die zij met elkaar op zich nemen voor de aan hen toevertrouwde leerlingen.
In alle klassen staat een kerstboom met voor ieder levensjaar van Jezus een roos, dertig rode rozen en drie witte rozen voor de laatste drie jaren van de Christus. Laat het kerstfeest voor iedereen een Christusfeest zijn!

(Annemieke Zwart, nadere gegevens onbekend)

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (9)

Het kerstfeest

Wat is het Kerstfeest eigenlijk voor een feest? Is het een feest van herdenking? Een feest, waarbij wij willen terug­denken aan een gebeurtenis die bijna 2000 jaar geleden heeft plaatsgevonden en die vele mensen zo belangrijk vinden, dat zij hem graag  ieder jaar opnieuw in hun herinnering terugroepen om hem in eerbied, vreugde en dankbaarheid te gedenken? Natuurlijk is het Kerstfeest eigenlijk het feest aller feesten, omdat er bovendien bij ieder mens die dat zou willen zoeken, iets gebeuren kan omdat er in hem zich iets voltrekken kan, waardoor hij niet meer helemaal dezelfde is die hij tevoren was, maar rijker is geworden?

In het paradijsspel zien wij Adam staan tegenover God-vader. Hij beleeft  de wereld van het Goddelijke buiten zich, maar is er tegelijk zo in thuis, dat hij met God-vader kan spreken. En zo kan hij ook de Goddelijke wil vernemen.

Maar dan komt de verdrijving uit het paradijs en daardoor is Adam en met hem de mensheid, niet meer thuis in de wereld van God-vader en heeft hij de mogelijkheid om met God te spreken, verloren.

Alle voor-christelijke volkeren hebben de goddelijke wereld buiten zich beleefd, in de wonderen van de schepping en van de natuur. Zij beleefden het goddelijke in de sterrenhemel, in de afzonderlijke sterrenbeelden, de tekenen van de dierenriem of de planeten. Anderen beleefden het in de elementen: het water, de lucht, het vuur of de aarde. Weer anderen in de bossen of in de zee, in de meren of op de bergen. Of ook wel in bepaalde dieren of in bomen of planten.

Maar hoe groot die verscheidenheid ook geweest moge zijn, steeds was het in de wereld buiten hen, dat zij de ontmoeting met de goddelijke wereld zochten te vinden. En steeds ook beleefden zij in de loop der eeuwen, dat het moeilijker en moeilijker werd die goddelijke wereld te vinden en vandaaruit de stem te vernemen, die aan de mensen op aarde de goddelijke wil en de goddelijke leiding kon openbaren. Het was zeker niet zo, dat alle mensen de goddelijke stem konden horen. En op de duur waren het slechts weinigen, en hun aantal werd steeds kleiner in de loop van de eeuwen, die de goddelijke wil aan de mensen door konden geven. En deze koningen, pilas­ters of profeten hadden een langdurige en veelomvattende scholing doorgemaakt, voordat het hun mogelijk gemaakt was de stem uit de goddelijke wereld te vernemen.
En zo beleefden al deze volkeren steeds sterker, en bij ieder van hen heeft dat op hun wijze zijn neerslag gevonden in hun mythen, dat de wereld van de goden zich meer en meer van de mensen terugtrok, zich.voor hen afsloot en ontoegankelijk dreigde te worden; dat ‘Adam uit het paradijs verdreven was‘.
Deze ïGötterämmerung’ moest hen op de duur met angst en wanhoop vervullen. Maar al deze volkeren beleefden ook, ieder van hen weer op hun wijze, dat er voor een verre, maar toch langzaam naderbij komende toekomst een straal van hoop verkondigd werd.

Dit was de alomvattende verwachting, dat eens de Messias zou komen, als wij ons willen uitdrukken in de vorm, waarin deze toekomstbelofte bij het Joodse volk leefde. Maar daar dus niet alleen, ook bij alle voor-christelijke volkeren.
De ver­wachting dat, nadat de mensheid zijn verbinding met de god­delijke wereld steeds meer verloren had zien gaan, er een goddelijk wezen zou zijn, dat door zijn onmetelijke offerkracht de goddelijke wereld naar de mensen toe zou brengen. Daardoor zou de onverbiddellijk voortgaande ontwikkeling, die tenslotte tot het totaal verloren gaan van iedere, ver­binding van de mensen met de goddelijke wereld zou leiden, omgebogen kunnen worden, waardoor aan de mensheid een nieuw toekomstperspectief geschonken zou zijn.

Deze “komst van de Messias” nu voltrok zich aan het begin van onze jaartelling. Het is de ver boven alle andere historische feiten uitstekende, alles beheersende gebeurtenis die het eenmalige middelpunt van de mensheidsgeschiedenis als geheel vormt. Het is eigenlijk een reeks van gebeur­tenissen, die staan als mijlpalen langs de weg van een onbeschrijfelijk groots proces: de geboorte van Jezus van Nazareth, de doop in de Jordaan, de kruisiging op Golgotha, de Opstanding op de morgen van het Paasfeest, de Hemelvaart en het Pinkstergebeuren, om de voornaamste ervan te noemen. Maar de geboorte van het Jezuskind in Bethlehem is de eerste daarvan; het teken, dat dat proces zijn aanvang heeft genomen en zich voltrekken zal; het teken, dat de verwachting veler volkeren nu begonnen is in vervulling te gaan.

Wijze mensen wisten dit ook. Mensen als de heilige drie koningen uit het Morgenland; maar ook de oude wijze herder uit het kerstspel, die het zo uitspreekt:

Hij quam hier op ter aerden eropdat hij onser hem ontferm
en maek’ ons in sijnen hemelrijck
even selfs d’enghelen gelijck.

Nu de mogelijkheid van een weg uit de diepte omhoog hierdoor voor de mensheid geschapen was, betekent dit niet, dat eens een toestand, zoals die in het paradijs bestond, weer terug zal keren. Ten koste van de verjaging uit het paradijs had de mens zich een vrijheid verworven en deze vrijheid moet behouden blijven. Niet meer zal de mens de goddelijke wereld buiten zich kunnen ontmoeten. Het offer van het hoge Christuswezen, dat om de mensheid te redden als goddelijk wezen in vrijheid het mensenlot van de dood heeft willen ondergaan, bracht tot stand dat ieder mens, wanneer hij dat wil en deze wil tot een daad wil maken, de Christus kan ontmoeten binnen in zich, in zijn eigen hart. Daarmee is de ontmoeting van de mens met de goddelijke wereld een fundamenteel andere geworden. En men hoeft geen christen in de gangbare betekenis van het woord te zijn om dit te mogen beleven.

De buitengewone betekenis van het Kerstfeest is nu, dat deze heilige feesttijd meer dan welke andere dag of tijd van het jaar het voor de mensen mogelijk maakt de kiem voor deze ontmoeting met de Christus te ontvangen. Men kan in alle realiteit zeggen, dat in de kersttijd het Chistuskind elk jaar opnieuw geboren wil worden in de harten van al die mensen die het daar ontvangen willen. En zo kan het Kerstfeest dus nog oneindig veel meer zijn dan een feest van herdenking.

Toen in een ver verleden, na de zondvloed, God met Noah en­ het Joodse volk zijn verbond sloot, schonk hij de mensheid ten teken daarvan het wonder van de aan de hemel verschijnende regenboog. Wanneer in een verre toekomst de mensheid de tocht omhoog, waartoe de mogelijkheid met het mysterie van Golgotha geschonken werd, misschien een groot eind weegs gegaan zal zijn, wat zal er dan, zo kan men zich vragen, langzamerhand met de kleurenboog gaan gebeuren?

Die zal dan ongetwijfeld, een andere vorm, een metamorfose gaan vinden. Wellicht kan men daar reeds nu met Kerstmis iets van beleven. Misschien kan men een herinnering aan de kleurenboog terugvinden in de glanzende ogen van de kleine kinderen. Zij immers kunnen het heilige Kerstfeest, het feest van de geboorte van het Kind, nog zo in overgave en in werkelijkheid beleven, als het nu in onze tijd buiten hen nog aan vrijwel niemand mogelijk is.

(C.R.Klinkenberg, vrijeschool Den Haag, geen verdere gegevens)

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – achtergronden

Over de Kerstspelen

Velen hebben de Kerstspelen in de afgelopen weken gezien.  In een vorig artikel trachtte ik iets over ontstaan en historie van Kerstfeest en Kerstspelen in het algemeen te schrijven. Dit keer wil  ik het over de Kerstspelen van Oberufer in het bijzonder hebben.

Rudolf Steiners leermeester in de Duitse taal- en letterkunde, professor Schröer, ontdekte deze spelen, gaf de tekst uit en schreef er een kostelijk boekje over. Schroer meende, dat hij iets zeer bijzonders ontdekt had. Sindsdien zijn er in Duitsland, Oostenrijk en Frankrijk zeer veel lekenspelen gevonden, veel meer dan Schröer er in zijn tijd kende. De litteraire wetenschap heeft hem in het gelijk gesteld: de spelen van Oberufer zijn verreweg de mooiste!

Rudolf Steiners verdienste is zeker, dat hij deze Kerstspelen behoedde voor bij­zetting in de ijskast der filologische wetenschap. Ondanks bepaalde wijzigingen -waarover later – zijn het schilderachtige beeldkarakter en de natuurlijke eenvoud springleven gebleven door de opvoeringen in Vrije Scholen.

In Schröers tijd werden de Kerstspelen in Oberufer en omgeving opgevoerd vanaf de eerste Adventszondag tot en met Driekoningen. Eerst werd het Kerstspel gespeeld, daarna het Paradijsspel en vervolgens een klucht. Het Kerstspel bestond uit drie gedeelten: Jozefs tocht met Maria naar Bethlehem en de blijde Geboorte, het Herderspel en het Drie Koningenspel.                                                    \

Schröer geeft een levendige beschrijving, hoe de spelerstroep onder aanvoering van de ‘meesterzanger’, die Kerstboom en ster droeg, op de grote dag uit het huis van de leermeester (regisseur) te voorschijn kwam. Lang niet ieder jaar was het mogelijk de geschikte spelers te vinden, zodat de verwachtingen steeds hoog gespan­nen waren.

Er bestond een vaste volgorde en ook was er een vast aantal dubbelrollen. Zoals gezegd, werd een vrouwenrol door een boerenjongen gespeeld, aangezien vrouwspersonen niet op de planken mochten verschijnen.

Achter de meesterzanger liep de Engel Gabriël, die in alle spelen optrad. Daarna kwamen Jozef en Maria, die ook de Eva speelde. Vervolgens verschenen de drie Koningen: voorop de rode Koning Melchior, die steeds ook voor God-Vader in het Paradijsspel speelde, dan de blauwe Balthasar, tenslotte Caspar, de
Morenkoning. Hij had een zwarte lap voor het gezicht, die snel verwijderd kon worden, wanneer hij voor Adam moest spelen. Dan volgde de zwartbaardige Koning Herodes, die ook de overspelige schoenlapper in de Carnavalsklucht moest voorstellen. Vervolgens kwam de Duivel, geheel  in het zwart, met, horentjes en een staart.  In de hand hield hij een koehoorn, waarop hij lustig toeterde. Achter hem liepen de Hogepriester en de Schriftgeleerden. Vervolgens, kwam de Hoofdman van Herodes. Deze moest een knappe kerel zijn, want in de klucht moest hij de even fraaie als ontrouwe kleermakersvrouw voorstellen. Maar hij had ook nog andere nevenfuncties.Volgens traditie moest hij de ster dragen en naar voren treden, wanneer de Kerstspelers een concurrerende spelerstroep van een ander dorp ontmoetten, (Men trok ook naar de naburige dorpen om te spelen).
Dan ontspon zich een wedstrijd tussen de twee Hoofdmannen, wie de meeste vragen van de ander kon beantwoorden. De winnaar mocht dan met zijn troep in het dorp spelen, de verliezer trok af met zijn schare. Achter de Hoofdman kwamen de lakei, de page en de soldaten, die ook de rollen van waarden en geburen vervulden. Geheel achteraan kwamen de Herders: de groene Gallas, de blauwe Witok, de rode Stichl alsmede de ruige, stokoude Crispijn, zo dik in het bont, dat hij wel een kreupele beer geleek.

Wanneer de spelers zich gereed maakten, liep de Duivel naar buiten. Luid toeterend nodigde hij ieder uit naar de spelen te komen, zelfs sprong hij op voorbij rijdende wagens, maakte ieder aan het schrikken en bracht het dorp in rep en roer.
Spoedig vulden de banken in de herberg zich met toehoorders. Men zat aan drie
kanten om de open toneelruimte heen, de vierde kant was afgesloten met een gordijn, waarachter de spelers zich konden verkleden. Daarna kon het spel beginnen.
De buitengewoon belangrijke rol van de Duivel  in de spelen verdient alle aandacht.
Wat heeft dit vreeswekkend personage niet allemaal te doen! Weliswaar slaat hij Adam en Eva in boeien en zet Herodes aan tot de afschuwelijke kindermoord, maar ook bewaart hij met zijn knuppel de orde in de zaal, zet tronen en stoel en neer, stoft ze keurig af, schuift ze weer weg, nodigt de spelers uit om op te staan, laat hen weer zitten, geeft zwaard en mandaat aan, haalt Adams jutezak weg, maakt grappen, kortom, hij is behalve duivel ook potsenmaker en vooral toneelknecht.
In deze duivelsrol ligt een even belangrijk kunstzinnig moment als een diepzinnige achtergrondfilosofie. Het volmaakt-boze kan op het toneel eigenlijk niet worden uitgebeeld, het is alleen dragelijk door humor, waardoor – en vooral voor kinderen – ook ontspanning mogelijk wordt. Maar al  is een geheel, serieuze en onafhankelijke duivel onverdraaglijk, hij is ook onmogelijk en ondenkbaar in het licht van Gods Almacht. Hij moet:dan ook een taak in bet goddelijke wereldplan hebben: de duivel  is een dienaar Gods, die weliswaar steeds het boze   wil, maar desondanks de goede gang van zaken bevordert; een diepe gedachte over het boze, die o.a. zeer duidelijk in Goethes Faust vinden is. De duistere duivelsrol geeft bovendien de lichtende figuren extra reliëf. De Engel mag steeds de proloog en de epiloog spreken, dus: in eenvoudige woorden aan­kondigen wat men te zien zal krijgen en na afloop als echte lekenspeler
veront­schuldigingen aanbieden voor datgene wat men gezien heeft..

Tussen Engel en Duivel, rechts en links van het toneel, speelt alles zich af. Alleen in het Paradijsspel wordt een tipje van de sluier opgelicht om deze licht-duisterpolarteit  in zijn oorsprong te verklaren.

Het eigenlijke Kerstspel.
De Engel Gabriel en het Jezuskind beheersen dit warme en kleurrijke spel. Het boze komt alleen om de hoek kijken bij de ongastvrije waarden. Zeer mooi gevonden is de aan het spel voorafgaande Verkondiging of Annunciatie: Maria blijft alleen achter de de Engel komt haar de blijde boodschap brengen. Daarna begint pas het eigenlïjke spel met de proloog van de Engel. Liederen van de ‘Kompanij’ sluiten elke scene af. Met uiterst sobere middelen wordt de moeizame tocht van Jozef en zijn jonge vrouw Maria naar Bethlehem uitgebeeld.

De drie waarden waren oorspronkelijk man, vrouw en dienstmaagd. Deze laatste verwijst Jozef en Maria naar de stal. Later werden het drie aparte waarden, van wie de namen Rufinus en Titus luiden. De boze waard heet volgens een Pressburgs manuscript Servilus.               Bijzonder mooi en indrukwekkend is in het Qberuferspel, dat de Engel de ster laat neerdalen boven Maria die de armen omhoog strekt en zo het kind naar de geest ontvangt.
Jozef beleeft deze geboorte slapend mee. Er is geen pop of enig echt kind. Het kind moet men zich voorstellen. In de traditionele Kerstspelen bleef Jozef wakker en trachtte onhandig licht te maken, dat steeds weer uitging. Daardoor werd de aandacht van Maria afgeleid, die dan ineens het kind had.

De middeleeuwse traditie, die Jozef vaak als een oude, kuchende stoethaspel voor­stelde, is historisch niet juist en vindt ook geen steun in de bijbel (die in die tijd ook niet gelezen mocht worden).

We zullen meer van dergelijke dingen tegenkomen, die dan ook niet essentieel zijn voor de spirituele kracht en het beeldend vermogen van deze Kerstspelen.Na de geboorte komen de Herders aan de beurt. Zij behoorden tot de onaanzienlijksten in het land. Zij lopen in de stoet ook geheel achteraan in Oberufer. Maar bij deze sociaal misdeelden komt de Engel het eerst. Hoe warm wordt de boodschap ontvangen en wat kost het hun weinig moeite om van hun armoetje nog iets te offeren.
Interessant is het, dat in het spel de blijde boodschap van de Engel al wordt voor­bereid, doordat de oude Witok tijdens het eten over de verwachting van de Messias spreekt, hetgeen de herders al spoedig doet springen van vreugde. Meestal hadden de middeleeuwse herdersscènes grote uitvoerigheid: er waren eindeloos veel klachten over koude, wolven en slechte tijden.  In het spel van Oberufer is dit duidelijk be­kort. Wat wij bij de opvoering niet meer doen, is het rondlopen van de Engel op de lichamen der slapende herders.  In Oberufer mochten de herders niets laten merken. Zo maakten zij de toeschouwers duidelijk, dat een Engel een aards gewicht heeft. De tocht van de Herders naar Bethlehem wordt door hun vrolijke dans ingeleid. Liederen en tekst bij de aanbidding en offering in de stal zijn van een grote schoonheid en innigheid.
Het Herdersspel besluit met de merkwaardige scène, waarin de oude herder Crispijn aankomt. Deze vierde herder is doof, half blind en een beetje simpel. Hij heeft het wonder gemist, een beeld voor de mens die in zijn leven de hogere impulsen niet kan vinden.

Het Driekoningenspel.
Zoals reeds gezegd is, vormde het Drie Koningenspel het slot van het Kerstspel. Rudolf Steiner maakte het daarvan los, een gerechtvaardigde maatregel, want het Driekoningenspel was oorspronkelijk even zeer een apart spel als het dat nu is.
Dat het een deel van het Kerstspel was, is hier en daar nog te merken.

Het Driekoningenspel mist de inleiding door de Sterrenzanger en het heeft ook geen openingslied. Er is alleen een korte proloog van de Engel. De spelers die ‘af’ zijn, zitten toch duidelijk zichtbaar op de achtergrond. Rechts, de goede helft, wordt geaccentueerd door de blinkende Koningsgestalten en de Engel ; links zitten de duivel, soldaten, schriftgeleerden en Herodes.  ‘Lichte’ en ‘donkere’ helft van het toneel geven sterke accenten aan de felle dramatiek van dit spel, dat voor de kleine kinderen ook ongeschikt wordt geacht.
In het eerste gedeelte ontdekken de Drie Koningen elk voor zich de ster, besluiten op reis te gaan en ontmoeten elkaar niet ver van Jeruzalem. Opvallend is het, dat Koning Melchior zelf het heilige Kind en de Moedermaagd in de ster waarneemt, ter­wijl de door hem geraadpleegde wijze;en sterrenwichelaar Viligratia dat niet kan en slechts over dit fenomeen de boeken kan raadplegen. Hier wordt als beeld het hogere, schouwende bewustzijn gesteld tegenover het traditionele weten, het Schriftgeleerdenschap. Later herhaalt deze tegenstelling zich op negatieve wijze in de scène van Herodes met de Schriftgeleerden.

De aandacht wordt verplaatst naar de linkerhelft, waar Herodes, de ‘vierde koning’, heerst. Verontrust door de lichtglans der Driekoningen, laat hij de Schriftgeleerden komen om hen te raadplegen over de ‘nieuwgeboren conink’. Hij die uit historie of traditie bekend is met de waardige houding, der échte Joodse priester, kan grote moeite hebben met de drie trappelende en drukdoende nerveuzen uit het Oberuferspel. Men moet dan ook weten, dat deze Schriftgeleerden duidelijk niet historisch zijn, maar een traditioneel middeleeuwse voorstelling uitbeelden. Het is eigenlijk verbluffend om uit de tekst te horen, dat deze Schriftgeleerden weten: de geboorteplaats en het Messiaanse karakter, van het heilige kind, het niet-wereldlijke van Christus’Koninkrijk en de Kruisdood. Toch worden zij er niet koud of warm van, het is “wetenschap”, geen ervaring van schouwend beleven. Daardoor dreigt ondanks het onhistorische deze scène als beeld een diepe betekenis:
vanuit het intellect en de traditie kan men de levende Christus niet vinden. De brullende en dan weer vosachtige Koning Herodes is in ‘het spel wel grotendeels historisch. Men leze Flavius Jozefus biografie van Herodes maar eens na. Herodes was geen Jood naar een Arabier, die zich als satelliet van de Romeinse Keizer tot Koning van Judea wist op te werpen, bijzonder mooi is het lied na de duistere scène, waarin Herodes zich definitief met de Duivel verbindt. Alles straalt van licht. De heilige familie komt op, niets kwaads vermoedend, en de drie Koningen brengen hun offer en aanbidden het kind, tot welks dood Herodes al besloten heeft. Na dit schone middengedeelte van het spel volgt dan de kindermoord en de duistere dood van Herodes en zijn Hoofdman.

In Oberufer moest de duivel met groot geweld tussen de soldaten met getrokken zwaarden (echte) springen om Herodes te halen.

Een aantal soldaten stond met gekruiste zwaarden voor de troon om hun koning te beschermen. De Duivel kreeg zo menig bloedige schram en hij mocht zich dan ook tevoren met een flinke slok moed indrinken! De duivel haalde ook de Hoofdman tot slot.
Een prachtig lied Wilt singhen en jubileren, daterende uit 1328 sloot het spel af.

 Het Paradijsspel.
Dit korte felle drama van Adam en Eva tussen Engel en Duivel, met God-Vader op de achtergrond, behandelt de schepping en de zondeval van het eerste mensenpaar. In zijn soort is dit spel misschien wel meest gave van de drie. Vooral de slotbeelden zijn zeer mooi en indrukwekkend.
De duivel slaat Adam en Eva in kettingen na hun uitdrijving uit het paradijs -geen bijbels, wel een traditioneel gegeven.
Na het neerwerpen van de Duivel vallen de kettingen van Adam en Eva af. Door het eten van de ‘Boom der Kennis’ zullen zij het goed en kwaad kunnen beseffen. De ‘Boom des Levens’ echter zal hun verborgen blijven. Daarin kan pas verandering komen, wanneer de Christus op aarde komt, gelijk de Engel  in zijn epiloog aankondigt. Over de achtergronden van het Paradijsspel zou nog zeer veel meer te zeggen zijn, dat nu achterwege moet blijven.

Evenals na een trilogie van Griekse tragedies een zeer uitbundig en realistisch
Satyrspel werd opgevoerd, zo had men in Oberufer de Vastenavondklucht van de ontrouwe kleermakersvrouw. Haar minnaar, de schoenmaker, sluipt steeds het huis binnen en vermomt zich als spook, hetgeen allerhande primitieve grapjasserij met zich meebrengt.                                                                          ‘

Alleen op de eerste Adventszondag werd dit kluchtige spel niet opgevoerd. Men zong onder aanvoering van de meesterzanger gewijde liederen. Dit werd zolang volgehouden totdat de laatste gast uit de herberg was verdwenen,

Men zou nog veel meer van de Kerstspelen kunnen zengen. Voorlopig moge dit volstaan. Wie interesse voor hen opbrengt, kan ervaren, dat zij ieder jaar in waarde stijgen.

(P.C.Veltman, nadere gegevens onbekend)

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (8-1)

Het Kerstfeest, symbool van het leven

De zomer is arm aan feestdagen, terwijl de winter er rijk mee gezegend is. De primitieve volken leefden in het algemeen van landbouw en zij hadden het te druk met maaien en oogsten om aan feestvieren te denken. ’s Winters echter ais vele arbeid rustte, haalden zij hun schade in: zij vierden het Midwinterfeest.
De vraag rijst wat onze feestdagen, die veelal een christe­lijk karakter dragen, te maken hebben met die heiden­se gedenkdagen. Het antwoord hierop is: de christe­nen verboden bij het brengen van hun evangelie, niet direct alle heidense gebruiken en gewoonten. Zij gaven aan die feesten alleen een christelijke betekenis.
Zo werd het grote Midwinterfeest gesymboliseerd tot het grootste van de christenheid: de geboorte van Gods zoon in Bethlehemsstal.

Door de kerstening van die oude feesten, vinden we nog in onze tijd overblijfselen van heidense gebruiken in de tegenwoordige feesten terug.

Herinneringen aan het verleden
Vele oude gewoonten leven ook thans nog op het platteland voort.
In de meeste steden, waar de techniek hoogtij viert, verdween al spoedig het geloof aan heksen en wonde­ren, aan geheimzinnige gebeurtenissen en aan oude legenden. Wanneer we dan toch nog hier en daar een oud gebruik tegenkomen, is dat een herinnering aan het verleden.

Het Kerstfeest was ook vroeger al een feest met een eigenaardig huiselijk karakter. Wafels en pannenkoeken vormen ongetwijfeld het oudste gebak, dat door onze voorvaderen op feestdagen als Kerstmis werd
geprefereerd.
’s Avonds voor de grote feestdag houdt men zich bezig met „koeken bakken” en „wafelgebak”. In de Middeleeuwen waren reeds wafels en varkens­vlees bij de kerstviering vooral in Vlaanderen, onaf­scheidelijk, wat op menig Vlaamse miniatuur verdui­delijkt wordt De wafel heeft zich als huiselijk gebak alleen voor Kerstmis en Nieuwjaar gehandhaafd. In de provincie Groningen (niet alleen in de stad) worden ronde Nieuwjaarswafels of z.g. „Piepertjes” aan de gelukwenser gegeven, meestal kinderen, die een kussensloop bij zich hebben om al de verzamelde lekkernijen in te bergen.

Het zou te veel plaatsruimte vragen om tot in de finessses na te gaan waarvan die gebruiken afkomstig zijn. We volstaan met te vertellen dat ze van Germaanse oorsprong zijn. De Germanen slachtten omstreeks het einde van het jaar dieren en offerden deze. Later werden diervormen van brood gemaakt en deze werden bij een gemeenschappelijke offermaaltijd ge­nuttigd. Doch los van alle offermaaltijden heeft zich het gebruik om op christelijke feestdagen dergelijke koeken te bakken en te eten, in het geloof aan wonder­dadige kracht gehandhaafd.

Heidense gebruiken, die volgens de christelijke ziens­wijze onschadelijk waren, heeft men laten voortbe­staan. Zo bakte men tot in het midden van de 19e eeuw op Allerzielen in Vlaanderen en Zuid-Limburg steeds zogenaamde „zieltjeskoeken”. In de buurt van Oudenaarde moet nog het gebruik in zwang zijn op Kerstmis de eerste pannenkoek te verbranden. Geloof en bijgeloof hebben steeds een grote rol ge­speeld bij de gebruiken op bepaalde feestdagen en niet in het minst op Kerstmis en Nieuwjaar. Er zijn in Vlaanderen verschillende bedevaartsplaatsen, waar men brood laat wijden om het als voorbehoedsmiddel tegen ziekte aan te wenden. In onze zuidelijke provincies geschiedt dit nog elk jaar op 3 november, Sint Hubertusdag. Daar wijdt men broden die door mens en dier genuttigd worden om stuipen tegen te gaan; de honden worden daardoor tegen hondsdolheid behoed.

Een zeer bijzonder kerstbroodje is dat van Geleen. Op Kerstdag werpt de koster dat uit te toren en de jeugd van Geleen, Lutterade en Krawinkel vecht er jaarlijks om. Wie de meeste broodjes machtig wordt, is de broodjeskoning. De koster mag in eik huis een brood halen, het zogenaamde korsbrood dat onder de behoeftigen wordt uitgedeeld.

In de duivekater of deuvekater bezitten we in ons land het merkwaardigste offerbrood. De duivekater gaat op de oudste vorm van het offer terug, tot de eerste tijd van de akkerbouw. Toen riepen de mensen de vruchtbaarheidsdemon aan en deze dacht men steeds als een haas, bok, zwijn of kat. Bij ons schijnt de kater het meest als Vruchtbaarheids­geest vereerd te zijn, aan wie men – na het bloedige offer – tenslotte het broodoffer bracht.

Vuren in de Kerstnacht
Bij het kerstvuur ontbrak vroeger nooit het kerstblok. Zo’n blok dat soms zeven dagen brandde, werd weken van te voren uitgezocht en klaar gelegd. Als de jongens in de omgeving van Hasselt (O.) het kerstblok binnen brachten zongen ze:

„Kerstavondje, Kerstavondje
Dan kookt mijn moeder rijstebrij
Mijn vader is naar Hasselt toe
En haalt er pekelhering bij.”

In Friesland was het „achteraanblok” bekend; dit blok diende als achterwand van het grote hout- of turfvuur en het werd vaak jaren achtereen gebruikt. Dit ge­beurde ook in andere delen van het land. Wat de bete­kenis van dit houtvuur betreft, verdient het wel de aandacht, dat juist in de geheimzinnigste periode der twaalf nachten (van Kerstmis tot Driekoningen) en met het later gekerstende Joelfeest dit vuur werd gestookt. Mythologen hebben verklaard, dat het sto­ken van vuren in die tijd terug te brengen is op het geloof der heidenen, dat de zon op het kritieke mo­ment, als haar kracht het zwakst is, kan worden ge­holpen door de magische handeling van vuren branden op aarde. Later dacht men dat deze aardse vuren de boze geesten konden verdrijven.

Dat eerste, de zon willen helpen, vinden we ook terug in het houden van „ommetochten”, die vroeger heel veel en nu nog een enkele maal in de midwintertijd op het platteland worden gehouden.

Vaak speelt het paard daarbij een rol. De Sint Stephanus- of Steffensritten op de 2e Kerstdag (in Groningen en de Achterhoek) zijn nog het meest bekend. Men beschrijft met zo’n tocht een kring rond een dorp, of een groep dorpen, gelijk aan de kring die de zon be­schrijft. Paarden waren heilige dieren en werden ge­bruikt voor het brengen van offers en ook in het ver­haal van de zonnewagen komen zij voor. Door de ver­meende zonbeweging na te bootsen trachtte men de zon te helpen.

In de Kerstnacht werd men ingelicht over de gebeur­tenissen, die in het nieuwe jaar zouden plaatsvinden. Voor het naar bed gaan legde menige Friese boer twaalf vers gesneden uienschijfjes op een rij naast elkaar en op ieder een klein hoopje zout. Zij stelden de twaalf maanden voor. De volgende morgen kon men zien, welke maand van het a.s. jaar droog of nat weer zouden zijn. Iets van die zegenbrengende kracht schijnt ook de Kerst- of midwinterhoorn te bezitten, waarop de Twentse boer van de eerste adventszondag (vier weken vóór Kerstfeest) af tot Driekoningen boven de waterput blaast. Een boer uit Weerselo zei mij eens: „ik blaas op mijn hoorn om de kracht, die nodig is voor leven en sterven”.

De boom des levens
We kunnen ons thans het Kerstfeest niet meer voor­stellen zonder dat eenvoudige symbool: de kerstboom, en toch is het nog geen eeuw geleden, dat in Neder­land de kerstbomen geheel onbekend waren. Dat een dergelijk symbool heden ten dage eigenlijk door heel Europa zo dankbaar wordt aanvaard, is een van de treffendste bewijzen van de universaliteit van dit
decemberfeest. Nooit is die universaliteit duidelijker gebleken dan in de laatste wereldoorlog, toen de vrede tussen de mensen van deze aarde verder verwijderd scheen dan ooit, doch de soldaten voor een enkel etmaal de vijandelijkheden staakten, voor zover dat mogelijk was, om ook in de loopgraven nog iets van een kerststemming te beleven.

Vrij algemeen is onder het volk de mening verbreid, dat de gewoonte om met Kerstmis een kerstboom te versieren stamt van een heidens gebruik om bomen te vereren. Deze mening is ongegrond en historisch onaanvaardbaar.

Deskundigen beschouwen de kerstboom als een stammeling van de middeleeuwse „boom des leven”, die de toenmalige kerkbezoekers in portaal of voor­plein der kerk, aantroffen. Deze „boom des levens” werd nagebootst in het woonhuis, maar dan aanvan­kelijk niet als kerstboom; eerst de later er aan ge­hechte symboliek van christusboom deed hem regel­matig met Kerstmis terugkeren, waardoor hij „kerst”-boom werd en tevens zijn versiering met sterretjes, klokjes en blinkende snuisterijen kreeg. Om meer dan één reden laat zich vermoeden, waarom juist de den werd uitverkoren als de feestboom. In het koude, sombere jaargetij, waarin alle leven uit de natuur gebannen schijnt, staat de den als de eeuwig groene, altijd levende boom. Hierom hechtte men aan de den al gauw een symbolische waarde. Symbool van het leven en na de kerstening teken van het nieuwe leven.

Om praktische redenen heeft de den het gewonnen van de ook wel altijd groenende maar spichtige en stekelige hulststruik, die later wel fragmentarisch als mistletoe en als kersttafelversiering werd aangewend. Reeds de oude Germanen zagen blijkbaar in de den een bijzonderheid.
De runentekens en de ornamenten op urnen uit die tijd vertonen vaak de dennentakfiguur. De denneboom zal de geliefde boom voor Kerstmis blijven, nu de traditie en de christelijke symboliek hem hebben aanvaard als de kerstboom bij uitstek.

(J. H. Kruizinga, Vacature, 08-12-1977)

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (7)

Os en ezel

Het kind in de kribbe en daarnaast Maria en Jozef en twee dieren. Twee domme dieren! – os en ezel. Een merkwaardig beeld: het hoogste mensenwezen, omge­ven door dieren, die bepaald niet bijdra­gen aan de verhevenheid van het geheel. Doen ze een beroep op ons sentiment? Daarvoor zijn de beelden te oud. Al heel vroeg worden ze bij de kribbe geschilderd. Is het de armoe van de stal die ermee wordt geaccentueerd? Russische legenden laten Maria, de gods­moeder, de dieren zegenen vanwege hun zware arbeidsleven. Komen we er zo iets dichter bij?
De ezel en de os waren in elk geval voor de boer onmisbare werkkrach­ten. Ze moesten het zware werk doen: lasten dragen, de ploeg trekken. Slechts voor latere geslachten, die paarden en machines kenden, was het ezeltje aan­doenlijk, de os dom. In oudere tijden waren zij voor de boer goedkope werk­krachten, niet al te gewillig, maar bruik­baar.

Ieder weet nog hoe Franciscus van Assisi (1182-1226) zijn lichaam betitelde als zijn broeder ezel, die weinig eten en veel slaag moest hebben. Franciscus had een grote liefde voor het kerstfeest en in 1224, toen hij twee en veertig jaar oud was, liet hij een kribbe maken voor de kerstmis met een levende os en ezel er­naast. Hij wilde alles ‘met lichamelijke ogen zo duidelijk mogelijk voor zich zien’.

Franciscus verachtte broeder ezel niet. De dieren waren voor hem schepselen die hij met liefde tegemoet trad. Wat een merk­aardige verhouding tot het lichaam: liefde ervoor te hebben en het tegelijkertijd weinig eten en veel slaag geven! Komt broeder ezel daardoor niet tot de hoogste prestaties? Hij voelt het als je van hem houdt, maar als je hem in de watten legt, wordt hij lui!

Het lichaam is er niet om ervan te genie­ten, maar om het te gebruiken — zoals de boer zijn ezel gebruikt. Het is een goed instrument, onder de schepselen het hoogste. Wat primitieve kunst van af de vierde eeuw in de aanwezigheid van de ezel uitdrukt, kan met moderne middelen worden begrepen.
Het lichaam van de mens is het hoogst ontwikkelde natuurlijke organisme. Alle organen ervan zijn bij de dieren ook te vinden.
De menselijke handen bijvoor­beeld, maar die zijn dan grijp- of klimorganen, vleugels of vinnen of voorpoten, instrumenten om de aarde te betreden of om te woelen. De menselijke handen zijn voor geen van deze taken volledig bere­kend, maar ze zijn het eigenlijke schep­pende orgaan van de mens. Met de han­den worden we ‘makers’; de Grieken noemden dat ‘potiètès’, poëet, dichter. ‘Verdichten kan de mens ideeën door zijn lichamelijke orgaan. Zo is ons hele lichaam instrument voor de geest. Zou men er dan geen eerbied voor hebben? Maar dan toch een ezel? Ja, want het is eigenzinnig, wil om zich zelf verzorgd worden. Elk ogenblik dat het lichaam geen lastdier meer is voor de geest, gaat het doel op zich zelf worden. Daarom is de ezel een voortdurend ideaal-beeld: ‘Broeder ezel’.

De os is in de beeldende kunst even oud als de ezel, en komt steeds samen met hem voor bij de kribbe. Eveneens een merkwaardig beest — eigenlijk een stier. De stier is de uitdrukking van vruchtbaar­heid, van uitbundige levenskracht, maar ook agressief. De os is de tot rust geko­men stier, van zijn voortplantingskrachten beroofd. De voortplantingskracht heeft zich omgezet in werkkracht.
Mensen hebben deze kracht ook in zich. Het lichaam wordt tot leven gewekt, het plant zich voort, het geneest van ziekten -dit is allemaal stierkracht.
Deze scheppen­de kracht is bij de stier in dienst van het lichaam gesteld. Ook daarvoor heeft de mens organen. Ze behoren tot die, die het meeste gelijken op de overeenkomstige organen bij de hogere dieren. Maar een oude sterrenwijsheid deelde deze organen niet in bij het sterrenbeeld van de Stier. Men zag het hele lichaam als uitwerking van de krachten van de Dierenriem. Daarbij kwam het strottenhoofd bij de Stier: het orgaan waarmee wij het woord voe­ren.

Eens was het woord Schepperwoord. Maar het Woord heeft nooit iets stoffe­lijks geschapen – het Woord schept levens­vormen, voor ons uiterlijk oog onzicht­baar. De levensvormen, tesamen het zoge­naamde ether- of levenslichaam vormend, zijn bewegelijk, zoals ideeën bewegelijk zijn, zoals het woord er ‘is’ en dan weer voorbij is. Maar misschien heeft het zich ergens afgedrukt in de ziel en werkt daar verder. Zo werkt ons levenslichaam vor­mend, maar is zelf in eeuwige beweging en metamorfose.

De Stierkrachten kunnen bij de mens af­zakken. Ze kunnen uitsluitend in dienst worden gesteld van het nuttige, het prak­tische. Dan zijn ze een os geworden, dom­me krachten. Het grootse geweld is weg, het is domme trekkracht geworden. De os bij de kribbe? Is het ons vreemd? Als het woord dienstbaar wordt, zijn
ma­gische kracht opgeeft om te dienen tot onderling verstaan, als het woord ook stil en luisterend wordt, is het dan niet als de os, die met zijn adem warmte geeft aan het kind? Het grootse, machtige is weg, het kan gewoon, burgerlijk worden, maar het kan ook dienend warmte geven. Warmte geven de dieren door hun adem aan het kind in de kribbe. Wat de mens door erfelijkheid krijgt: zijn fysiek- en levenslichaam, zij vormen de warme dienstbaarheid voor wat van boven komt. Middeleeuwse beelden uit de tijd van de vierde tot de dertiende eeuw, maar ver­taald in onze tijd toch reëel beleefbaar.

(J.Knijpenga, Jonas 08-12-1971)

De os en de ezel

In deze dagen voor Kerstmis verschijnen in en nabij ker­ken fraaie kerststallen. Franciscus van Assisi kreeg van paus Honorius III in 1223 toe­stemming om de geboorte van Jezus via kerststallen uit te beelden. Deze dierenvriend bouwde zijn eerste stal in een bos bij het Italiaanse Greccio. Bijzonder was de kerststal thuis. Voor de inrichting van de stal gingen we naar het bos om mos te halen. Daar
ver­dween deze illegaal verworven buit in de bruine fietstas. Een­maal thuis haalden we de kerststal van zolder en het feest kon beginnen. De stal werd op de drie koningen na ingericht. De engel kreeg een plek boven in de nok. Onder de gipsen beeldjes van schapen, honden en herders waren de namen van ons negen tellende gezin geschreven. Omdat de drie koningen met hun kameel pas op zes januari aan konden komen maakten zij eerst een reis door ons huis. Dat wilde zeggen dat de konin­gen Melchior, Balthasar en de zwarte Kaspar nog even geduld moesten hebben. Ondertussen liepen ze trappen op, slaapka­mers in en via de zolder weer naar beneden. Na hun reis door het huis kwamen zij ver­moeid op zes januari bij de stal aan.
Een bijzondere positie in de kerststal namen de Os en de Ezel in. Een romantische ge­dachte, het kindje Jezus rillend van de kou in de kribbe op het
stro. Jezus wordt warm gehou­den door de adem van de os en de ezel. Het is een beetje te­leurstellend dat in geen van de Evangeliën überhaupt over de os en de ezel bij de kribbe wordt geschreven. Voor de oudste afbeelding van de os en de ezel in relatie tot Kerstmis gaan we terug naar het jaar 343. Op een marmeren sarco­faag staan een os en een ezel met het kindje Jezus afgebeeld.
In Spanje en Italië mag in een kerststal een ‘Caganer’ niet ontbreken. Het is een poepend mannetje dat in de achttiende eeuw door de Napolitanen in de kerststal werd geïntrodu­ceerd. Hij staat door de be­vruchting van de grond sym­bool als geluksbrenger.

(Hans van Eeden in een dagblad, nadere gegevens onbekend)