Maandelijks archief: november 2013

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (11)

.

RECEPTEN

Als het bijna Kerstfeest is, is het leuk om alvast met de kinderen wat te bakken: |
een tulband of koekjes,  bIJv. met behulp van vormpjes (sterren, boompjes, hartjes of ze zelf moie vormen laten maken. Ze kunnen dan weer versierd worden met nootjes of rozijnen of na het bakken met gekleurd glazuur

[5] anijskoekjes;   [1] borstplaat;  [8] borstplaat  [15] havermoutvlokkenmakronen [11] honingbrood   [10] Jan-in-de-zak  [14]kaneelsterren  [4] kruidkoek [2] kwarkdessert [13] pepperkakehus (Zweeds)  [3] peperkoekjes (Zweeds)  [6] stol
[7] ster: Lebkuchen  [12] volkorenkoek;

dranken:
[17] anijsmelk  [9] Glühwein  [16] warme wijn

1)borstplaat
250 gram suiker met 6 eetlepels water of melk op een lage vlam aan de kook brengen, zodat de suiker goed oplost, ongeveer 10 minuten zachtjes laten pruttelen. Halverwege er een scheutje room bij doen, roerend wat laten afkoelen en in de vorm gieten.

Hierbij kun je ook verschillende smaken maken,
bijv. 1 eetlepel water of melk vervangen door 1 lepel gemberstroop
of in plaats van water of melk koffie gebruiken.
Ook een beetje cacao erdoor is lekker en geeft een mooie kleur.
Allemaal heel zoet natuurlijk, maar wel lekker.

En dan is het eindelijk kerstavond en wordt de kerstboom versierd met allerlei mooie (zelfgemaakte) dingen, spannend om alles van het vorige jaar weer tevoorschijn te halen en weer te herkennen.

Een gedichtje van Rie Cramer:

Wij hebben een kerstboom,
wij hebben een boom
en wij mochten helpen versieren.
We hebben de zilveren sterren geplakt,
en slingers van gouden papieren.
We hebben appels en noten verguld
en dennenappels bij vrachten.
Vanavond steekt moeder de kaarsjes aan,
vanavond mogen wij binnen gaan,
ik kan haast zolang niet wachten!

Iedereen veel plezier en een heel goede kerstvakantie toegewenst!

(Bep Kroeze, nadere gegevens onbekend)

.

2)kwarkdessert
3 bakjes kwark a 250 gram,
3 eieren, 1 ci­troen (sap en schil),
6 ruime eetlepels suiker,
1 eetlepel orangeade,
1 eetlepel sukade,
1 eetlepel rozijnen,
een half kopje melk,
6 blad gelatine,
1/8 liter slagroom.

Gelatine meteen in ruim koud water — ieder blad apart erin — weken. Kwark, eigeel, citroen­sap en geraspte schil met een derde van de suiker krachtig roeren tot een homogeen ge­heel, daarna nog enkele minuten kloppen met de garde.

Gedroogde vruchten toevoegen.
Eiwit met de ene, slagroom met de andere helft van de resterende suiker stijfkloppen.
Melk goed heet laten worden, niet koken.
Pannetje van het vuur nemen en blad voor blad de gelatine uit het koude water halen, uitknijpen en onder voortdurend roeren in de melk laten glijden en oplossen.
Aan het einde van deze ceremonie zal de melk al behoorlijk zijn afgekoeld. Aan de an­dere kant lost gelatine alleen op in hete vloeistof — dus moet men nog even wachten alvorens het door de kwark te roeren.
Daarna het eiwit en als laatste de slagroom erdoorheen werken.
In kleine vormpjes doen en koud wegzetten.
Reken maar liefst 10 uur in de koelkast!

Deze lekkernij smaakt ook heerlijk zonder slagroom, dat is natuurlijk beter voor de lijn, vooral als je het geregeld serveert.
Als de slagroom verstek laat gaan, de suiker meteen in het begin gebruiken.
Erg droge kwark met een kopje yoghurt aanlengen.

(Katja Lobbe, Jonas 8/9/, 19-12-1975)

.

3)Zweedse peperkoekjes  ca. 125 stuks
150 gram bruine basterdsuiker
1 ½ dl. stroop
½ theel. gemberpoeder
½ theel. kaneel
½ theel. kruidnagelen
150 gram boter
1  ei
2  theel. bakpoeder
650 gram bloem

Breng suiker, stroop en kruiden aan de kook.
Voeg bakpoeder toe en doe het mengsel over in een schaal over de boter.
Roer daarin tot de boter smelt.
Meng dan het ei en het meel erdoor.
Kneed het deeg daarna op het aanrecht.
Rol het uit met een deegrol en maak koekjes in ronde vorm.

Leg ze op goed beboterde bakplaten en bak ze gaar in een middelmatig (225º) warme oven.

(bron onbekend)
.

4)kerstkruidkoek
250 gr boter
250 gr suiker
250 gr rozijnen
250 gr  krenten
120 gr citroensnippers
120 gr sinaasappelsnippers
500 gr meel

beetje kaneel, nootmuskaat, kardamon, 1 pakje bakpoeder, 4 eieren, 1/8 l melk

Boter en suiker schuimig roeren,
eieren toevoegen,
dan de vruchten,
ten slotte het gezeefde meel met de bakpoeder.

Het deeg ca. 5 mm dik op het bakblik uitrollen.
Bij 200 gr 40 à 60 minuten bakken.
Nog warm met sinaaaappelglazuur bestrijken en in stukken snijden
.

(bron onbekend)
.

5)Anijskoekjes       (voor kleine kinderen).
3 eieren
200 gr aardappelmeel
200 gr suiker
1 pakje vanillesuiker
250 gr meel
1 lepel anijs (gemalen anijszaad), ei en suiker schuimig roeren, dan meel met vanillesuiker en anijs, doormengen tot het een zeer stevig deeg is.
Vormen uitsteken en bakken bij matige hitte.
.

(bron onbekend)
.

6) bakerkindje om op te eten
Terwijl ik naar de kale boomtoppen en de grijze lucht kijk, denk ik aan het baksel van Duitse origine, dat beneden in de berging ligt te wachten, om op kerstavond bij een kop koffie ‘aangesneden’ te worden:
de echte Dresdner Christstollen.

Laat mij meteen een misverstand opruimen: De ‘echte’ is geen krentenbrood en dient dus beslist niet met boter te worden besmeerd. Alles wat hij nodig heeft aan vet zit in zijn deeg verwerkt — zuivere roomboter en (zeer) veel gemalen amandelen. De echte stolle is derhalve heel erg zwaar en marsepeinachtig (in zijn geheel, niet alleen als er spijs in zit als concessie aan een buitenlandse gewoon­te). Zonder een sterk bakje koffie is hij nau­welijks te nuttigen.

‘Dresdner Christstollen’ is een van de oudste aan ons bekende baksels. De naam is ont­staan uit het oud-Hoogduitse woord ‘stollo’, dat betekent onder meer stijl en stal en is een heilig symbool voor het bakerkindje in de krib van Bethlehem.
Omstreeks 1300 heeft men voor het eerst stollen gebakken in Saksen, dat toen al be­kend stond om zijn exquisiete keuken.

Het waren vooral Saksische fijnproevers — vorsten en geestelijken voorop — aan wie de uitvinding te danken is.
Door de eeuwen heen is de stolle geraffi­neerder geworden. De internationaal be­faamde naam is te danken aan bakker Jeremias Kreutzkamm. Zijn beroemde ‘Konditorei-café’ aan de oude Markt in Dresden was al in 1825 een rendez-vous plaats van kunste­naars en vooraanstaande burgers. Bakker Kreutzkamm was hofleverancier van de ko­ning van Saksen en Polen, die met Kerstmis een sympatieke gewoonte toepaste: Hij liet aan vrienden en trouwe ambtenaren een ech­te Dresdner Kreutzkammstolle overhandigen.
Ik zou u graag nog een heleboel willen vertel­len over knusse oude tradities in Saksen, waar ik als kind bij mijn grootmama in Dresden de zalige sfeer proefde.
Zo’n ‘bakerkind­je’ moet een bepaalde tijd rusten, totdat de heerlijke ingrediënten zich volop kunnen ontplooien. Van te voren even snoepen is er beslist niet bij. Geen kind, dat dit in zijn hoofd zou hebben gehaald. Na de mis, onder het beieren van de klokken, liepen de fami­lies door de besneeuwde kerstnacht naar huis. En als later de geur van de versgezette koffie door de kamer zweefde en zich meng­de met het aroma van de bijenwaskaarsen aan de kerstboom, pas dan mocht de eerste plak van de reuzenstol gesneden worden. Dit deed traditiegetrouw de heer des huizes. Een echte stolle moet in Saksen namelijk 8 pond wegen! Er zijn speciale snijplanken van helder ahornhout met een kribvormig onder­stel, daar ligt het op, het bakerkindje. Als u er ooit een proeft, geniet dan met kleine hapjes, zodat de subtiele smaak ten volle tot zijn recht komt.

Ieder met enige bakervaring kan met dit re­cept van een echte Duitse stol, een behoor­lijk resultaat op tafel brengen.

1000 gr bloem,
100 gr zoete amandelen,
50 gr bittere amandelen,
100 gr fijn gesne­den sukade,
500 gr boter,
200 gr suiker,
500 gr rozijnen (goud-geel van kleur),
de ge­raspte schil en het sap van een citroen,
gist of bakpoeder.

Bij gebruik van gist wordt 3 dl melk toege­voegd, bij bakpoeder minder melk gebrui­ken.
Vorm van deze ingrediënten een stevig deeg en zet de stol op een ingevet bakblik in een goed voorverwarmde oven.
Baktijd en ovenstand als bij zwaar cakedeeg.
Om te bestrijken en bestrooien: Een pond roomboter smelten en met zachte kwast op de korst strijken, ca 100 gr witte suiker er over strooien, daarna bestuiven met poeder­suiker.
.

(Katja Lobbe, Jonas 7, 5-12-1975)
.

7) Lebkuchensterren
125 gram honing
150 gram suiker
20 gram boter
1 klein ei

samen tot een schuimige massa roeren.

Dan 1 voor 1 de volgende ingre­diënten erbij doen, roerend:

20 gram gemalen hazelnoten
20 gram lebkuchen (of koek) kruiden
mespunt nootmuskaat
¾ deciliter koffie
20 gram cacao
10 gram hertshoornzout*(Duits)
of 2 flinke theelepels bakpoeder
400 gram meel

*het hertshoornzout moet in de koffie worden opge­lost. Het gaat pas werken bij verhitting;
Bakpoeder begint al te werken als het nat wordt.
Als het deeg klaar is moet het een paar uur rusten. Dan uitrollen tot ongeveer een halve cm en er koeken uitsteken in alle mogelijke vormen.
Ongeveer 20 minuten bakken in een hete oven,  200º.
Daarna ze of, als ze nog warm zijn, bestrijken met citroenglazuur, of als ze afgekoeld zijn, met cho­colade glazuur.

citroenglazuur
100 gram poedersuiker zonder klontjes roeren met 1 eetlepel citroensap en 1 eetlepel hete melk of water.
De citroen kan ver­vangen worden door ander vocht!
Gedurende 5 minuten flink roeren.
Als je de koeken echt dekkend wilt glazuren moet je het wat dikker laten, anders iets verdunnen en dan krijg je een doorschijnend laagje.

Op de koude koeken kan

chocolade glazuur
100 gram poedersuiker met 3 eetlepels hete melk roeren.
Intussen 100 gram chocola boven een pan heet water smelten samen met een klein klontje boter.
Dit mengen met de suikermassa.
Over de koeken strijken en hard laten worden.
Eventueel kan je er taartversiersel in drukken, bv. zilveren balletjes.

Andere mogelijkheid is om ze te versieren met eiwitglazuur.

Eiwitglazuur:
klop 1 eiwit stijf en roer daar zo­veel poedersuiker door tot het nog maar heel traag van de lepel afloopt.
Nu kan je er figuren mee spuiten.
Ook kan je er alle mogelijke versiersels mee opplakken.
Het wordt heel hard.

Lebkuchen moeten een tijdje liggen; daar worden  ze lekkerder van.  Ze worden wel zacht(er) maar niet oudbakken. Daarom zijn ze zo geschikt om er versierde koeken mee te maken!

Kerstboompjes:
een aantal sterren van verschillen­de grootte op elkaar plakken met eiwitglazuur. Laat ze daarbij iets verspringen en zet de grootste onder en de kleinste boven.  Zo ontstaat de vorm van een sparrenboom. Eventueel met wat poedersui­ker bestrooien.
.

(bron onbekend)
.

8) kerstkransjes
150 gram bloem
100 gram boter .
75 gram basterdsuiker
1  mespunt zout
1  ei
100 gram amandelen
1 eetlepel suiker

Breek het ei in een kopje,
klop het los met een vork en doe de helft in een deegkom
Doe de bloem, de boter, de basterdsuiker en het zout erbij.
Snij met twee messen de boter in kleine stukjes en kneed daarna met één hand alles door elkaar tot een bal (niet te lang kneden)
Leg de amandelen een paar minuten in kokend water en pel de bruine velletjes eraf.
Snij de amandelen in dunne flinter­tjes

Strooi wat bloem op een droog aanrecht en rol het deeg tot een overal even dikke plak, ongeveer zo dik als een gulden.
Steek met een koekjesring of een omgekeerd glas rondjes uit het deeg en maak daarna met een appelboor of dop van een fles in het midden van de koekjes een gat.
Maak van de deegresten een nieuwe plak en snij daar nog meer kransjes uit.
Bestrijk de kransjes met het losgeklopte ei en bestrooi ze met de gesnipperde amandelen en de suiker.
Leg de kransjes op een beboterd bakblik dat je in het midden van een niet te hete oven schuift.
Bak de kransjes in onge­veer 1  kwartier bruin.

9) Glühwein
1 fles rode tafelwijn
1 fles water
1 kleine citroen of 2 sinaasappels
5-6 kruidnagels
stukje pijpkaneel
ca. 150 gr. suiker

Was de citroen of de sinaasappels schoon en steek er de kruidnagels in.
Wijn en water met de suiker en de citroen of sinaasappels en de pijpkaneel in een gesloten pan tegen de kook aan brengen en 2 uurtjes laten trekken.
.

10) Jan-in-de-zak
300 gr. bloem
150 gr. krenten,
rozijnen en
sukade
1 ei
20 gr. gist
2 dl. lauwe melk
½ theelepel zout
1 linnen zak

Doe de bloem in een kom.
Voeg ei en melk toe tot een beslag.
Vervolgens de krenten, rozijnen en sukade, het zout en de met lauwe melk aangemaakte gist.
Laat het beslag 3 kwartier rijzen op een lauwwarme plek.
Spoel de linnen zak met lauw water en bestrooi hem van binnen met bloem. Vorm een brood van het deeg en doe dit in de zak.
Bind de zak zo dicht dat het deeg nog verder kan rijzen.
Kook de pudding gedurende ca. 2 uur in een pan met kokend water.
Plaats een diep bord omgekeerd op de bodem van de pan, zodat de zak niet aan de bodem van de pan gaat kleven.
De pudding is gaar als een breinaald er droog uitkomt.
Laat de pudding zonder zak opdrogen en geef er stroop, boter en basterdsuiker bij.

11)honingbrood
1 kop melk
1 kop honing
¼ kop zachte boter
2 geklopte eieren
2½ kop volkoren meel of half wit, half volkoren
1 theelepel zout
1 eetlepel bakpoeder
½ kop walnoten

Voeg melk en honing samen. Roer het boven de vlam tot een mengsel. Klop boter, eieren , bloem, zout en bakpoeder erdoor tot alles goed vermengd is. Vouw de noten in. Doe het in een ingevette broodvorm. Bak het één uur bij 160º; laat het 15 min. in de vorm afkoelen. Snij het pas als het koud is.

12)volkorenkoek
150 gr boter
150 gr rietsuiker
rasp en schil van een halve citroen
2 eieren
250 gr tarwemeel
3 theelepels bakpapier
snufje zout
1 dl melk
150 gr rozijnen
De eerste drie ingrediënten losroeren, de eieren erdoor kloppen en daarna het meel met bakpoeder en zout. Dan de melk. Rozijnen er doorheen en alles in een beboterde boterkoekvorm. Gaar bakken (als er niets aan de breinaald blijft plakken) in 30 à 40 minuten bij 200 in een voorverwarmde oven

13) We maken een “pepperkakehus

In de Scandinavische landen is het een goede gewoonte om voor Kerstmis een huisje of kerkje van een soort speculaasdeeg te maken. Misschien ook eens een idee voor ons ? We proberen het – het geeft veel plezier en we komen helemaal in kerststemming.

We bedenken eerst wat voor huisje we gaan “bakken”, een eenvoudig vierkant huisje met schuin dak en schoorsteen of een ingewikkelde kerk.

Voor de eerste keer het huisje maar! We kunnen er een papiermodel van maken, de delen uitknippen – een soort bakpatroon dus.

Eerst het deeg. Niet helemaal ons speculaasdeeg, voor het huisje moet het harder zijn, het moet goed uit te rollen zijn, en te eten !

We hebben nodig:
3 dl suiker,
2 dl stroop,
125 gr margarine,
1 eetlepel kaneel,
1 eetlepel gemberpoeder,
1 theelepel kruidnagelpoeder (of speculaaskruiden)
½ eetlepel bicarbonaat (dubbele koolzuresoda),
3 dl water
17 dl meel – wit

1.Suiker en stroop gaan in een grote pan op het vuur, zacht pitje, en roeren totdat de suiker is opgelost – ongeveer 10-15 min. Het mengsel wordt nu dunner.

2.Kruiden en bicarbonaat in een kom mengen.

3.De margarine in de pan erbij totdat het smelt – daarna de kruiden en ten slotte het koude water. Vuur uit. Roeren totdat het afgekoeld is.

4. Nu het meel er beetje bij beetje door kneden. Als het deeg goed kneedbaar wordt, uit de pan halen en op de aanrecht of tafel verder kneden.

5.Het deeg uitrollen tot ongeveer 4 mm dik. De papieren patroondelen erop leggen en uitsnijden. Op de bakplaat leggen. Tussen de huisdelen wel ruimte laten voor het eventueel toch wat uitlopen van de koekdelen.

Kleine stukken samen op een plaat, baktijd ca 5 min.

Grote stukken samen, baktijd ca 9 min.

Ovenstand op 225°.

Zijn de delen toch wat rafelig uitgelopen, dan bijsnijden als het nog warm is.

Nu af laten koelen.

Om het huis in elkaar te zetten smelten we suiker in een pannetje op een plaatje op een zacht pitje. Het moet vloeibaar worden en warm gehouden worden, anders wordt het hard.

Dan de huisdelen aan elkaar “lijmen” met de vloeibare suiker. Gebruik een mes hiervoor, en pas op de vingers. Houdt de stukken vast totdat de suiker hard geworden is.

Als ondergrond kunnen we ook een groot stuk koek gebruiken.

Als alles er op en er aan zit, kan ons huis versierd worden.

We kunnen er ramen en deuren op “tekenen” met een mengseltje van eitwit met poedersuiker of water met poedersuiker (een heel klein beetje water voor heel veel poedersuiker). Poedersuiker eroverheen strooien als sneeuw staat heel echt.

Hebben we nog deeg over dan kunnen we bomen om ons huis maken of zomaar figuren die we versieren en ophangen aan een rood lint aan de kerstboom of voor het raam.

Ons “pepperkakehus” krijgt een plaats op de kersttafel, een kaarsje erbij en wij kunnen Kerstmis vieren. Veel succes !|.

Gonnie Kok, nadere gegevens ontbreken
.

14)kaneelsterren
9 eiwitten
500 gr. poedersuiker
sap van 1 citroen
500 gr. gemalen amandelen
125 gr. suiker om uit te rollen

Eiwitten tot stevige sneeuw slaan, de suiker ermee vermengen. Van deze massa ca. 10 eetlepels afnemen. In de rest van de sneeuw de andere ingrediënten doen en 20 min. laten rusten.
Van de massa steeds kleine delen op besuikerd blad 1 cm. dik uitrollen, sterren uitsteken op bakblik overbrengen dat goed ingevet en met meel is bestrooid. Twee uur goed laten drogen, dan de resterende eiwitmassa in een spuitzak doen mét een klein gat en dun op de sterren spuiten.
20 min. bakken bij 180°C.
.
15)havermoutvlokkenmakronen
 350 gr. havermoutvlokken
250 gr. suiker
3 eieren
50 gr. boter
1/16 l. melk
1 pakje bakpoeder
sap van 1 sinaasappel en 1 citroen
50 gr. citroensnippers
ronde ouwel
Suiker en eieren schuimig roeren,
boter en andere ingrediënten toevoegen,
dan beetje bij beetje de havermoutvlokken.
De massa met een koffielepel op kleine ronde, stukjes ouwel verdelen en bij 180 C. ca. 20 min. bakken.
.
 16)warme wijn
1 fles rode wijn
1 fles water
1 citroen
enige kruidnagelen
een stukje pijpkaneel
ca. 75 gr. suiker
De wijn met 1 fles water verdunnen. De kruidnagelen in de citroen steken en deze met de pijpkaneel een half uur of langer in de wijn laten trekken.
Zorgen dat de wijn niet kookt. De kruiden uit de wijn nemen en deze afmaken met suiker.
.
17)anijsmelk
1 liter melk
2 lepels anijszaad
40 gr. suiker
De melk aan de kook brengen. het zaad in een gaasje binden en in de melk laten aftrekken, een half uur of langer. Het aftreksel zo nodig zeven en de suiker er doorroeren
.
 Kerstmisalle artikelen

jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldKerstmis    jaartafel

 383-361

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis ( 10)

.

DE BIJENSTAAT EN HET KERSTGEBEUREN

In de insectenwereld nemen de zoge­naamd sociaal levende insecten (bijen, hommels, wespen, mieren en termie­ten) als groep een heel bijzondere plaats in.

Elk individu vormt een deel van een samenlevingsvorm, die slechts als geheel kan bestaan. Binnen deze groep nemen de bijen wel een héél bijzondere plaats in. Hun samenleving is strikt gebonden aan een streng wetmatige drieledig­heid: een koningin, duizenden werk­sters (50 – 60.000) en enkele honderden darren.

Het bijenvolk, zoals wij het heden ten dage kennen, is de vrucht van eeuwen lange domesticering. De bijenteelt werd al 5000 jaar geleden door de Egyptenaren beoefend. Gedurende de middel­eeuwen stond zij in hoog aanzien in West-Europa.

Immers, honing was het enige zoetmiddel. Zowel de kerkelijke als de wereld­lijke heren hadden altijd meerdere im­kers in dienst, om kerkruimten en burchtzalen van kaarsen te voorzien. Heden ten dage is de imkerij als beroep nagenoeg verdwenen, maar de interesse in deze boeiende samenleving zeker niet.

Volgen we dit wonderbaarlijke bijenorganisme in zijn activiteiten door de vier jaargetijden heen, dan zien we in het vroege voorjaar, wanneer de lente de eerste lover en bloemenpracht tot ontwikkeling laat komen, een grote bedrijvigheid voor een kast of korf. De bijen zijn met hun reinigingsvlucht be­zig en brengen al de eerste stuifmeelkorrels (bijvoorbeeld van wilg, krokus) en wat nectar naar hun woning. De koningin begint, na haar winterrustperiode weer aan de vernieuwing en op­bouw van haar volk, bijgestaan door de werksters die haar de winter door trouw gebleven zijn. Eitje voor eitje wordt in de zeshoekige cellen gedepo­neerd en bij een temperatuur van 35° C opgekweekt. Na 21 dagen lopen de nieuwe werksters uit en zullen de oude gaan vervangen, die nu hun taak volbracht hebben en sterven.
Langzaam neemt de grootte, en daar­mee ook de activiteit van het volk toe. Tussen de werksters die zich vlijtig over hun raten bewegen, neemt men hier en daar ook darren waar. Deze on­beholpen, bedelende, dikke nietsnut­ten krijgen aan het begin van de zomer hun enige taak toegewezen: ze be­vruchten de jonge koninginnen, die elk voorjaar door het volk worden ge­kweekt ter vervanging van de oude. Deze oude koningin vliegt met een deel van het volk weg en zoekt een andere woning.

De nieuwe koningin zet het werk van de oude voort. Ze legt in het
hoogsei­zoen gemiddeld 2000 eieren per dag. Vlijtig vliegen de werksters in de zo­mermaanden op de zogenaamde drachtplanten en verzamelen de nectar en het stuifmeel voor broedsel en eigen ge­bruik. Gedurende deze tijd wordt te­vens een wintervoorraad aangelegd. Deze bestaat uit honing, die in een ein­deloos proces uit nectar  en kliersecreet bereid wordt.

Langzaam worden de dagen korter en koeler. De eerste najaarsstormen hui­len over de bijenbehuizing en het volk trekt zich uit de periferie (buitenwe­reld) in het centrum (behuizing) terug. De koningin legt nu bijna geen eitjes meer en het broednest verdwijnt. De darren, die hun taak gedurende de zo­mermaanden volbracht hebben wor­den nu onverbiddelijk uit het volk ge­stoten en sterven voor de kast. De eerste sneeuw daalt op aarde neer en bedekt alles met een glinsterend wit kleed. Dicht opeengedrongen, zacht pulserend gaat het bijenvolk de winter in.

Aanschouwen we het beeld van dit or­ganisme binnen de wanden van de be­huizing, dan valt het op dat de konin­gin altijd omgeven is door een aantal werksters, die haar gedienstig zijn. Het aantal is in het mooiste geval twaalf, nooit meer.

In de bedrijvige zomermaanden, wan­neer de koningin over de raten loopt, is deze hofhouding ongeordend om haar heen gegroepeerd. In het najaar neemt de activiteit van het hele bijen­organisme langzaam af en komt aan het begin van de winter tot rust. Was rond de Johannestijd het volk als totaliteit in een open, ontvangend gebaar naar de buitenwereld toe gericht, nu tegen de herfsttijd is het gebaar omhullend, van de buitenwereld afgekeerd. In het centrum van deze ronde vorm bevindt zich de koningin, die nu een regelmati­ge twaalfstralige ster van werksters om zich heen heeft staan. Het gevaar van naar buiten gericht leven in de zomer en naar binnen gekeerde rust in de winter, krijgt bij het waarnemen van dit stervormige beeld opeens meer inhoud. Men beleeft bij zichzelf niet al­leen deze zelfde beweging, maar wordt tevens bij het aanschouwen van deze twaalfstralige ster op een innerlijke houding gewezen: namelijk een hou­ding van naar binnen gekeerde rust. Een rust die nodig is om een inwen­dige ster, ontstaan door een uitwendig liefdevol benaderen van de wereld gedurende de lente-, zomer- en herfstmaanden, als een inwendige kracht in zichzelf te laten rijpen.

kerst bijen

(Gerard Copijn, Jonas 8/9, 15-12-1978)

.

Kerstalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeldKerstmis     jaartafel

.

382-360

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (9)

.

HET KERSTFEEST

Wat is het kerstfeest eigenlijk voor een feest? Is het een feest van herdenking? Een feest, waarbij wij willen terug­denken aan een gebeurtenis die bijna 2000 jaar geleden heeft plaatsgevonden en die vele mensen zo belangrijk vinden, dat zij hem graag  ieder jaar opnieuw in hun herinnering terugroepen om hem in eerbied, vreugde en dankbaarheid te gedenken? Natuurlijk is het kerstfeest eigenlijk het feest aller feesten, omdat er bovendien bij ieder mens die dat zou willen zoeken, iets gebeuren kan omdat er in hem zich iets voltrekken kan, waardoor hij niet meer helemaal dezelfde is die hij tevoren was, maar rijker is geworden?

In het Paradijsspel zien wij Adam staan tegenover God-vader. Hij beleeft de wereld van het goddelijke buiten zich, maar is er tegelijk zo in thuis, dat hij met God-vader kan spreken. En zo kan hij ook de goddelijke wil vernemen.

Maar dan komt de verdrijving uit het Paradijs en daardoor is Adam en met hem de mensheid, niet meer thuis in de wereld van God-vader en heeft hij de mogelijkheid om met God te spreken, verloren.

Alle voor-christelijke volkeren hebben de goddelijke wereld buiten zich beleefd, in de wonderen van de schepping en van de natuur. Zij beleefden het goddelijke in de sterrenhemel, in de afzonderlijke sterrenbeelden, de tekenen van de dierenriem of de planeten. Anderen beleefden het in de elementen: het water, de lucht, het vuur of de aarde. Weer anderen in de bossen of in de zee, in de meren of op de bergen. Of ook wel in bepaalde dieren of in bomen of planten.

Maar hoe groot die verscheidenheid ook geweest moge zijn, steeds was het in de wereld buiten hen, dat zij de ontmoeting met de goddelijke wereld zochten te vinden. En steeds ook beleefden zij in de loop der eeuwen, dat het moeilijker en moeilijker werd die goddelijke wereld te vinden en vandaaruit de stem te vernemen, die aan de mensen op aarde de goddelijke wil en de goddelijke leiding kon openbaren. Het was zeker niet zo, dat alle mensen de goddelijke stem konden horen. En op de duur waren het slechts weinigen, en hun aantal werd steeds kleiner in de loop van de eeuwen, die de goddelijke wil aan de mensen door konden geven. En deze koningen, pilas­ters of profeten hadden een langdurige en veelomvattende scholing doorgemaakt, voordat het hun mogelijk gemaakt was de stem uit de goddelijke wereld te vernemen.
En zo beleefden al deze volkeren steeds sterker, en bij ieder van hen heeft dat op hun wijze zijn neerslag gevonden in hun mythen, dat de wereld van de goden zich meer en meer van de mensen terugtrok, zich voor hen afsloot en ontoegankelijk dreigde te worden; dat ‘Adam uit het paradijs verdreven was’‘.
Deze Götterämmerung’ moest hen op de duur met angst en wanhoop vervullen. Maar al deze volkeren beleefden ook, ieder van hen weer op hun wijze, dat er voor een verre, maar toch langzaam naderbij komende toekomst een straal van hoop verkondigd werd.

Dit was de alomvattende verwachting, dat eens de Messias zou komen, als wij ons willen uitdrukken in de vorm, waarin deze toekomstbelofte bij het Joodse volk leefde. Maar daar dus niet alleen, ook bij alle voor-christelijke volkeren.
De ver­wachting dat, nadat de mensheid zijn verbinding met de god­delijke wereld steeds meer verloren had zien gaan, er een goddelijk wezen zou zijn, dat door zijn onmetelijke offerkracht de goddelijke wereld naar de mensen toe zou brengen. Daardoor zou de onverbiddellijk voortgaande ontwikkeling, die tenslotte tot het totaal verloren gaan van iedere ver­binding van de mensen met de goddelijke wereld zou leiden, omgebogen kunnen worden, waardoor aan de mensheid een nieuw toekomstperspectief geschonken zou zijn.

Deze “komst van de Messias” nu voltrok zich aan het begin van onze jaartelling. Het is de ver boven alle andere historische feiten uitstekende, alles beheersende gebeurtenis die het eenmalige middelpunt van de mensheidsgeschiedenis als geheel vormt. Het is eigenlijk een reeks van gebeur­tenissen, die staan als mijlpalen langs de weg van een onbeschrijfelijk groots proces: de geboorte van Jezus van Nazareth, de doop in de Jordaan, de kruisiging op Golgotha, de Opstanding op de morgen van het Paasfeest, de Hemelvaart en het Pinkstergebeuren, om de voornaamste ervan te noemen. Maar de geboorte van het Jezuskind in Bethlehem is de eerste daarvan; het teken, dat dat proces zijn aanvang heeft genomen en zich voltrekken zal; het teken, dat de verwachting veler volkeren nu begonnen is in vervulling te gaan.

Wijze mensen wisten dit ook. Mensen als de heilige Drie Koningen uit het Morgenland; maar ook de oude wijze herder uit het kerstspel, die het zo uitspreekt:

Hij quam hier op ter aerden erm
opdat hij onser hem ontferm
en maek’ ons in sijnen hemelrijck
even selfs d’enghelen gelijck.

Nu de mogelijkheid van een weg uit de diepte omhoog hierdoor voor de mensheid geschapen was, betekent dit niet, dat eens een toestand, zoals die in het Paradijs bestond, weer terug zal keren. Ten koste van de verjaging uit het Paradijs had de mens zich een vrijheid verworven en deze vrijheid moet behouden blijven. Niet meer zal de mens de goddelijke wereld buiten zich kunnen ontmoeten. Het offer van het hoge Christuswezen, dat om de mensheid te redden als goddelijk wezen in vrijheid het mensenlot van de dood heeft willen ondergaan, bracht tot stand dat ieder mens, wanneer hij dat wil en deze wil tot een daad wil maken, de Christus kan ontmoeten binnen in zich, in zijn eigen hart. Daarmee is de ontmoeting van de mens met de goddelijke wereld een fundamenteel andere geworden. En men hoeft geen christen in de gangbare betekenis van het woord te zijn om dit te mogen beleven.

De buitengewone betekenis van het kerstfeest is nu, dat deze heilige feesttijd meer dan welke andere dag of tijd van het jaar het voor de mensen mogelijk maakt de kiem voor deze ontmoeting met de Christus te ontvangen. Men kan in alle realiteit zeggen, dat in de kersttijd het Chistuskind elk jaar opnieuw geboren wil worden in de harten van al die mensen die het daar ontvangen willen. En zo kan het kerstfeest dus nog oneindig veel meer zijn dan een feest van herdenking.

Toen in een ver verleden, na de zondvloed, God met Noah en­ het Joodse volk zijn verbond sloot, schonk hij de mensheid ten teken daarvan het wonder van de aan de hemel verschijnende regenboog. Wanneer in een verre toekomst de mensheid de tocht omhoog, waartoe de mogelijkheid met het mysterie van Golgotha geschonken werd, misschien een groot eind weegs gegaan zal zijn, wat zal er dan, zo kan men zich vragen, langzamerhand met de kleurenboog gaan gebeuren?

Die zal dan ongetwijfeld, een andere vorm, een metamorfose gaan vinden. Wellicht kan men daar reeds nu met Kerstmis iets van beleven. Misschien kan men een herinnering aan de kleurenboog terugvinden in de glanzende ogen van de kleine kinderen. Zij immers kunnen het heilige kerstfeest, het feest van de geboorte van het Kind, nog zo in overgave en in werkelijkheid beleven, als het nu in onze tijd buiten hen nog aan vrijwel niemand mogelijk is.
.

(C.R.Klinkenberg, vrijeschool Den Haag, geen verdere gegevens)

.

Kerstmisalle artikelen

jaarfeestenalle artikelen

kerstspelenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld:  advent    jaartafel       Kerstmis    jaartafel

.

381-359

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – achtergronden

.

OVER DE KERSTSPELEN

Velen hebben de Kerstspelen in de afgelopen weken gezien.  In een vorig artikel trachtte ik iets over ontstaan en historie van kerstfeest en kerstspelen in het algemeen te schrijven. Dit keer wil ik het over de kerstspelen van Oberufer in het bijzonder hebben.

Rudolf Steiners leermeester in de Duitse taal- en letterkunde, professor Schröer, ontdekte deze spelen, gaf de tekst uit en schreef er een kostelijk boekje over. Schröer meende, dat hij iets zeer bijzonders ontdekt had. Sindsdien zijn er in Duitsland, Oostenrijk en Frankrijk zeer veel lekenspelen gevonden, veel meer dan Schröer er in zijn tijd kende. De literaire wetenschap heeft hem in het gelijk gesteld: de spelen van Oberufer zijn verreweg de mooiste!

Rudolf Steiners verdienste is zeker, dat hij deze Kerstspelen behoedde voor bij­zetting in de ijskast der filologische wetenschap. Ondanks bepaalde wijzigingen – waarover later – zijn het schilderachtige beeldkarakter en de natuurlijke eenvoud springlevend gebleven door de opvoeringen in vrijescholen.

In Schröers tijd werden de kerstspelen in Oberufer en omgeving opgevoerd vanaf de eerste adventszondag tot en met Driekoningen. Eerst werd het Kerstspel gespeeld, daarna het Paradijsspel en vervolgens een klucht. Het Kerstspel bestond uit drie gedeelten: Jozefs tocht met Maria naar Bethlehem en de blijde Geboorte, het Herderspel en het Drie Koningenspel.                                                    \

Schröer geeft een levendige beschrijving, hoe de spelerstroep onder aanvoering van de ‘meesterzanger’, die kerstboom en ster droeg, op de grote dag uit het huis van de leermeester (regisseur) te voorschijn kwam. Lang niet ieder jaar was het mogelijk de geschikte spelers te vinden, zodat de verwachtingen steeds hoog gespan­nen waren.

Er bestond een vaste volgorde en ook was er een vast aantal dubbelrollen. Zoals gezegd, werd een vrouwenrol door een boerenjongen gespeeld, aangezien vrouwspersonen niet op de planken mochten verschijnen.

Achter de meesterzanger liep de engel Gabriël, die in alle spelen optrad. Daarna kwamen Jozef en Maria, die ook de Eva speelde. Vervolgens verschenen de drie Koningen: voorop de rode Koning Melchior, die steeds ook voor God-Vader in het Paradijsspel speelde, dan de blauwe Balthasar, ten slotte Caspar, de
Morenkoning. Hij had een zwarte lap voor het gezicht, die snel verwijderd kon worden, wanneer hij voor Adam moest spelen. Dan volgde de zwartbaardige Koning Herodes, die ook de overspelige schoenlapper in de Carnavalsklucht moest voorstellen. Vervolgens kwam de duivel, geheel  in het zwart, met, horentjes en een staart.  In de hand hield hij een koehoorn, waarop hij lustig toeterde. Achter hem liepen de hogepriester en de schriftgeleerden. Vervolgens, kwam de hoofdman van Herodes. Deze moest een knappe kerel zijn, want in de klucht moest hij de even fraaie als ontrouwe kleermakersvrouw voorstellen. Maar hij had ook nog andere nevenfuncties. Volgens traditie moest hij de ster dragen en naar voren treden, wanneer de kerstspelers een concurrerende spelerstroep van een ander dorp ontmoetten, (men trok ook naar de naburige dorpen om te spelen).
Dan ontspon zich een wedstrijd tussen de twee hoofdmannen, wie de meeste vragen van de ander kon beantwoorden. De winnaar mocht dan met zijn troep in het dorp spelen, de verliezer trok af met zijn schare. Achter de hoofdman kwamen de lakei, de page en de soldaten, die ook de rollen van waarden en geburen vervulden. Geheel achteraan kwamen de herders: de groene Gallas, de blauwe Witok, de rode Stichl alsmede de ruige, stokoude Crispijn, zo dik in het bont, dat hij wel een kreupele beer geleek.

Wanneer de spelers zich gereed maakten, liep de duivel naar buiten. Luid toeterend nodigde hij ieder uit naar de spelen te komen, zelfs sprong hij op voorbij rijdende wagens, maakte ieder aan het schrikken en bracht het dorp in rep en roer.
Spoedig vulden de banken in de herberg zich met toehoorders. Men zat aan drie
kanten om de open toneelruimte heen, de vierde kant was afgesloten met een gordijn, waarachter de spelers zich konden verkleden. Daarna kon het spel beginnen.
De buitengewoon belangrijke rol van de duivel  in de spelen verdient alle aandacht.
Wat heeft dit vreeswekkend personage niet allemaal te doen! Weliswaar slaat hij Adam en Eva in boeien en zet Herodes aan tot de afschuwelijke kindermoord, maar ook bewaart hij met zijn knuppel de orde in de zaal, zet tronen en stoel en neer, stoft ze keurig af, schuift ze weer weg, nodigt de spelers uit om op te staan, laat hen weer zitten, geeft zwaard en mandaat aan, haalt Adams jutezak weg, maakt grappen, kortom, hij is behalve duivel ook potsenmaker en vooral toneelknecht.
In deze duivelsrol ligt een even belangrijk kunstzinnig moment als een diepzinnige achtergrondfilosofie. Het volmaakt-boze kan op het toneel eigenlijk niet worden uitgebeeld, het is alleen dragelijk door humor, waardoor – en vooral voor kinderen – ook ontspanning mogelijk wordt. Maar al is een geheel, serieuze en onafhankelijke duivel onverdraaglijk, hij is ook onmogelijk en ondenkbaar in het licht van Gods Almacht. Hij moet:dan ook een taak in bet goddelijke wereldplan hebben: de duivel is een dienaar Gods, die weliswaar steeds het boze wil, maar desondanks de goede gang van zaken bevordert; een diepe gedachte over het boze, die o.a. zeer duidelijk in Goethes Faust te vinden is. De duistere duivelsrol geeft bovendien de lichtende figuren extra reliëf. De engel mag steeds de proloog en de epiloog spreken, dus: in eenvoudige woorden aan­kondigen wat men te zien zal krijgen en na afloop als echte lekenspeler veront­schuldigingen aanbieden voor datgene wat men gezien heeft.

Tussen engel en duivel, rechts en links van het toneel, speelt alles zich af. Alleen in het Paradijsspel wordt een tipje van de sluier opgelicht om deze licht-duisterpolarteit  in zijn oorsprong te verklaren.

Het eigenlijke Kerstspel
De engel Gabriel en het Jezuskind beheersen dit warme en kleurrijke spel. Het boze komt alleen om de hoek kijken bij de ongastvrije waarden. Zeer mooi gevonden is de aan het spel voorafgaande Verkondiging of Annunciatie: Maria blijft alleen achter, de de engel komt haar de blijde boodschap brengen. Daarna begint pas het eigenlïjke spel met de proloog van de engel. Liederen van de ‘Kompanij’ sluiten elke scène af. Met uiterst sobere middelen wordt de moeizame tocht van Jozef en zijn jonge vrouw Maria naar Bethlehem uitgebeeld.

De drie waarden waren oorspronkelijk man, vrouw en dienstmaagd. Deze laatste verwijst Jozef en Maria naar de stal. Later werden het drie aparte waarden, van wie de namen Rufinus en Titus luiden. De boze waard heet volgens een Pressburgs manuscript Servilus.
Bijzonder mooi en indrukwekkend is in het Oberuferspel, dat de engel de ster laat neerdalen boven Maria die de armen omhoog strekt en zo het kind naar de geest ontvangt.
Jozef beleeft deze geboorte slapend mee. Er is geen pop of enig echt kind. Het kind moet men zich voorstellen. In de traditionele kerstspelen bleef Jozef wakker en trachtte onhandig licht te maken, dat steeds weer uitging. Daardoor werd de aandacht van Maria afgeleid, die dan ineens het kind had.

De middeleeuwse traditie, die Jozef vaak als een oude, kuchende stoethaspel voor­stelde, is historisch niet juist en vindt ook geen steun in de Bijbel (die in die tijd ook niet gelezen mocht worden).

We zullen meer van dergelijke dingen tegenkomen, die dan ook niet essentieel zijn voor de spirituele kracht en het beeldend vermogen van deze kerstspelen. Na de geboorte komen de herders aan de beurt. Zij behoorden tot de onaanzienlijksten in het land. Zij lopen in de stoet ook geheel achteraan in Oberufer. Maar bij deze sociaal misdeelden komt de engel het eerst. Hoe warm wordt de boodschap ontvangen en wat kost het hun weinig moeite om van hun armoetje nog iets te offeren.
Interessant is het, dat in het spel de blijde boodschap van de engel al wordt voor­bereid, doordat de oude Witok tijdens het eten over de verwachting van de Messias spreekt, hetgeen de herders al spoedig doet springen van vreugde. Meestal hadden de middeleeuwse herdersscènes grote uitvoerigheid: er waren eindeloos veel klachten over koude, wolven en slechte tijden.  In het spel van Oberufer is dit duidelijk be­kort. Wat wij bij de opvoering niet meer doen, is het rondlopen van de engel op de lichamen der slapende herders. In Oberufer mochten de herders niets laten merken. Zo maakten zij de toeschouwers duidelijk, dat een engel geen aards gewicht heeft. De tocht van de herders naar Bethlehem wordt door hun vrolijke dans ingeleid. Liederen en tekst bij de aanbidding en offering in de stal zijn van een grote schoonheid en innigheid.
Het Herdersspel besluit met de merkwaardige scène, waarin de oude herder Crispijn aankomt. Deze vierde herder is doof, half blind en een beetje simpel. Hij heeft het wonder gemist, een beeld voor de mens die in zijn leven de hogere impulsen niet kan vinden.

Het Driekoningenspel
Zoals reeds gezegd is, vormde het Drie Koningenspel het slot van het Kerstspel. Rudolf Steiner maakte het daarvan los, een gerechtvaardigde maatregel, want het Driekoningenspel was oorspronkelijk even zeer een apart spel als het dat nu is.
Dat het een deel van het Kerstspel was, is hier en daar nog te merken.

Het Driekoningenspel mist de inleiding door de Sterrenzanger en het heeft ook geen openingslied. Er is alleen een korte proloog van de engel. De spelers die ‘af’ zijn, zitten toch duidelijk zichtbaar op de achtergrond. Rechts, de goede helft, wordt geaccentueerd door de blinkende koningsgestalten en de engel; links zitten de duivel, soldaten, schriftgeleerden en Herodes. ‘Lichte’ en ‘donkere’ helft van het toneel geven sterke accenten aan de felle dramatiek van dit spel, dat voor de kleine kinderen ook ongeschikt wordt geacht.
In het eerste gedeelte ontdekken de Drie Koningen elk voor zich de ster, besluiten op reis te gaan en ontmoeten elkaar niet ver van Jeruzalem. Opvallend is het, dat Koning Melchior zelf het heilige Kind en de Moedermaagd in de ster waarneemt, ter­wijl de door hem geraadpleegde wijze en sterrenwichelaar Viligratia dat niet kan en slechts over dit fenomeen de boeken kan raadplegen. Hier wordt als beeld het hogere, schouwende bewustzijn gesteld tegenover het traditionele weten, het schriftgeleerdenschap. Later herhaalt deze tegenstelling zich op negatieve wijze in de scène van Herodes met de schriftgeleerden.

De aandacht wordt verplaatst naar de linkerhelft, waar Herodes, de ‘vierde koning’, heerst. Verontrust door de lichtglans der Driekoningen, laat hij de schriftgeleerden komen om hen te raadplegen over de ‘nieuwgeboren conink’. Hij die uit historie of traditie bekend is met de waardige houding, der échte joodse priester, kan grote moeite hebben met de drie trappelende en drukdoende nerveuzen uit het Oberuferspel. Men moet dan ook weten, dat deze schriftgeleerden duidelijk niet historisch zijn, maar een traditioneel middeleeuwse voorstelling uitbeelden. Het is eigenlijk verbluffend om uit de tekst te horen, dat deze schriftgeleerden weten: de geboorteplaats en het Messiaanse karakter van het heilige kind, het niet-wereldlijke van Christus’ Koninkrijk en de kruisdood. Toch worden zij er niet koud of warm van, het is “wetenschap”, geen ervaring van schouwend beleven. Daardoor krijgt ondanks het onhistorische deze scène als beeld een diepe betekenis: vanuit het intellect en de traditie kan men de levende Christus niet vinden. De brullende en dan weer vosachtige Koning Herodes is in het spel wel grotendeels historisch. Men leze er Flavius Jozefus’ biografie van Herodes maar eens na. Herodes was geen Jood, maar een Arabier, die zich als satelliet van de Romeinse Keizer tot Koning van Judea wist op te werpen. Bijzonder mooi is het lied na de duistere scène, waarin Herodes zich definitief met de duivel verbindt. Alles straalt van licht. De heilige familie komt op, niets kwaads vermoedend, en de drie Koningen brengen hun offer en aanbidden het kind, tot welks dood Herodes al besloten heeft. Na dit schone middengedeelte van het spel volgt dan de kindermoord en de duistere dood van Herodes en zijn hoofdman.

In Oberufer moest de duivel met groot geweld tussen de soldaten met getrokken zwaarden (echte) springen om Herodes te halen.

Een aantal soldaten stond met gekruiste zwaarden voor de troon om hun koning te beschermen. De duivel kreeg zo menig bloedige schram en hij mocht zich dan ook tevoren met een flinke slok moed indrinken! De duivel haalde ook de hoofdman tot slot.
Een prachtig lied ‘Wilt singhen en jubileren’, daterende uit 1328, sloot het spel af.

Het Paradijsspel
Dit korte felle drama van Adam en Eva tussen engel en duivel, met God-Vader op de achtergrond, behandelt de schepping en de zondeval van het eerste mensenpaar. In zijn soort is dit spel misschien wel het meest gave van de drie. Vooral de slotbeelden zijn zeer mooi en indrukwekkend.
De duivel slaat Adam en Eva in kettingen na hun uitdrijving uit het paradijs – geen Bijbels, wel een traditioneel gegeven.
Na het neerwerpen van de duivel vallen de kettingen van Adam en Eva af. Door het eten van de ‘Boom der Kennis’ zullen zij het goed en kwaad kunnen beseffen. De ‘Boom des Levens’ echter zal hun verborgen blijven. Daarin kan pas verandering komen, wanneer de Christus op aarde komt, gelijk de engel  in zijn epiloog aankondigt. Over de achtergronden van het Paradijsspel zou nog zeer veel meer te zeggen zijn, dat nu achterwege moet blijven.

Evenals na een trilogie van Griekse tragedies een zeer uitbundig en realistisch
Satyrspel werd opgevoerd, zo had men in Oberufer de Vastenavondklucht van de ontrouwe kleermakersvrouw. Haar minnaar, de schoenmaker, sluipt steeds het huis binnen en vermomt zich als spook, hetgeen allerhande primitieve grapjasserij met zich meebrengt.

Alleen op de eerste adventszondag werd dit kluchtige spel niet opgevoerd. Men zong onder aanvoering van de meesterzanger gewijde liederen. Dit werd zolang volgehouden totdat de laatste gast uit de herberg was verdwenen.

Men zou nog veel meer van de Kerstspelen kunnen zeggen. Voorlopig moge dit volstaan. Wie interesse voor hen opbrengt, kan ervaren, dat zij ieder jaar in waarde stijgen.

(P.C.Veltman, nadere gegevens onbekend)

.

kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: kerstspel  Kerstmis    jaartafel

.

380-358

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (8-1)

.

HET KERSTFEEST, SYMBOOL VAN HET LEVEN

De zomer is arm aan feestdagen, terwijl de winter er rijk mee gezegend is. De primitieve volken leefden in het algemeen van landbouw en zij hadden het te druk met maaien en oogsten om aan feestvieren te denken. ’s Winters echter ais vele arbeid rustte, haalden zij hun schade in: zij vierden het Midwinterfeest.
De vraag rijst wat onze feestdagen, die veelal een christe­lijk karakter dragen, te maken hebben met die heiden­se gedenkdagen. Het antwoord hierop is: de christe­nen verboden bij het brengen van hun evangelie, niet direct alle heidense gebruiken en gewoonten. Zij gaven aan die feesten alleen een christelijke betekenis.
Zo werd het grote Midwinterfeest gesymboliseerd tot het grootste van de christenheid: de geboorte van Gods zoon in Bethlehemsstal.

Door de kerstening van die oude feesten, vinden we nog in onze tijd overblijfselen van heidense gebruiken in de tegenwoordige feesten terug.

Herinneringen aan het verleden
Vele oude gewoonten leven ook thans nog op het platteland voort.
In de meeste steden, waar de techniek hoogtij viert, verdween al spoedig het geloof aan heksen en wonde­ren, aan geheimzinnige gebeurtenissen en aan oude legenden. Wanneer we dan toch nog hier en daar een oud gebruik tegenkomen, is dat een herinnering aan het verleden.

Het kerstfeest was ook vroeger al een feest met een eigenaardig huiselijk karakter. Wafels en pannenkoeken vormen ongetwijfeld het oudste gebak, dat door onze voorvaderen op feestdagen als Kerstmis werd geprefereerd.
’s Avonds voor de grote feestdag houdt men zich bezig met „koeken bakken” en „wafelgebak”. In de middeleeuwen waren reeds wafels en varkens­vlees bij de kerstviering vooral in Vlaanderen, onaf­scheidelijk, wat op menig Vlaamse miniatuur verdui­delijkt wordt. De wafel heeft zich als huiselijk gebak alleen voor Kerstmis en Nieuwjaar gehandhaafd. In de provincie Groningen (niet alleen in de stad) worden ronde Nieuwjaarswafels of z.g. „Piepertjes” aan de gelukwenser gegeven, meestal kinderen, die een kussensloop bij zich hebben om al de verzamelde lekkernijen in te bergen.

Het zou te veel plaatsruimte vragen om tot in de finessses na te gaan waarvan die gebruiken afkomstig zijn. We volstaan met te vertellen dat ze van Germaanse oorsprong zijn. De Germanen slachtten omstreeks het einde van het jaar dieren en offerden deze. Later werden diervormen van brood gemaakt en deze werden bij een gemeenschappelijke offermaaltijd ge­nuttigd. Doch los van alle offermaaltijden heeft zich het gebruik om op christelijke feestdagen dergelijke koeken te bakken en te eten, in het geloof aan wonder­dadige kracht gehandhaafd.

Heidense gebruiken, die volgens de christelijke ziens­wijze onschadelijk waren, heeft men laten voortbe­staan. Zo bakte men tot in het midden van de 19e eeuw op Allerzielen in Vlaanderen en Zuid-Limburg steeds zogenaamde „zieltjeskoeken”. In de buurt van Oudenaarde moet nog het gebruik in zwang zijn op Kerstmis de eerste pannenkoek te verbranden. Geloof en bijgeloof hebben steeds een grote rol ge­speeld bij de gebruiken op bepaalde feestdagen en niet in het minst op Kerstmis en Nieuwjaar. Er zijn in Vlaanderen verschillende bedevaartsplaatsen, waar men brood laat wijden om het als voorbehoedsmiddel tegen ziekte aan te wenden. In onze zuidelijke provincies geschiedt dit nog elk jaar op 3 november, Sint-Hubertusdag. Daar wijdt men broden die door mens en dier genuttigd worden om stuipen tegen te gaan; de honden worden daardoor tegen hondsdolheid behoed.

Een zeer bijzonder kerstbroodje is dat van Geleen. Op Kerstdag werpt de koster dat uit de toren en de jeugd van Geleen, Lutterade en Krawinkel vecht er jaarlijks om. Wie de meeste broodjes machtig wordt, is de broodjeskoning. De koster mag in eik huis een brood halen, het zogenaamde korsbrood dat onder de behoeftigen wordt uitgedeeld.

In de duivekater of deuvekater bezitten we in ons land het merkwaardigste offerbrood. De duivekater gaat op de oudste vorm van het offer terug, tot de eerste tijd van de akkerbouw. Toen riepen de mensen de vruchtbaarheidsdemon aan en deze dacht men steeds als een haas, bok, zwijn of kat. Bij ons schijnt de kater het meest als Vruchtbaarheids­geest vereerd te zijn, aan wie men – na het bloedige offer – tenslotte het broodoffer bracht. zie Sinterklaas 23

Vuren in de kerstnacht
Bij het kerstvuur ontbrak vroeger nooit het kerstblok. Zo’n blok dat soms zeven dagen brandde, werd weken van te voren uitgezocht en klaar gelegd. Als de jongens in de omgeving van Hasselt (O.) het kerstblok binnen brachten zongen ze:

„Kerstavondje, Kerstavondje
Dan kookt mijn moeder rijstebrij
Mijn vader is naar Hasselt toe
En haalt er pekelhering bij.”

In Friesland was het „achteraanblok” bekend; dit blok diende als achterwand van het grote hout- of turfvuur en het werd vaak jaren achtereen gebruikt. Dit ge­beurde ook in andere delen van het land. Wat de bete­kenis van dit houtvuur betreft, verdient het wel de aandacht, dat juist in de geheimzinnigste periode der twaalf nachten (van Kerstmis tot Driekoningen) en met het later gekerstende Joelfeest dit vuur werd gestookt. Mythologen hebben verklaard, dat het sto­ken van vuren in die tijd terug te brengen is op het geloof der heidenen, dat de zon op het kritieke mo­ment, als haar kracht het zwakst is, kan worden ge­holpen door de magische handeling van vuren branden op aarde. Later dacht men dat deze aardse vuren de boze geesten konden verdrijven.

Dat eerste, de zon willen helpen, vinden we ook terug in het houden van „ommetochten”, die vroeger heel veel en nu nog een enkele maal in de midwintertijd op het platteland worden gehouden.

Vaak speelt het paard daarbij een rol. De Sint-Stephanus- of Steffensritten op de 2e Kerstdag (in Groningen en de Achterhoek) zijn nog het meest bekend. Men beschrijft met zo’n tocht een kring rond een dorp, of een groep dorpen, gelijk aan de kring die de zon be­schrijft. Paarden waren heilige dieren en werden ge­bruikt voor het brengen van offers en ook in het ver­haal van de zonnewagen komen zij voor. Door de ver­meende zonbeweging na te bootsen trachtte men de zon te helpen.

In de kerstnacht werd men ingelicht over de gebeur­tenissen, die in het nieuwe jaar zouden plaatsvinden. Voor het naar bed gaan legde menige Friese boer twaalf vers gesneden uienschijfjes op een rij naast elkaar en op ieder een klein hoopje zout. Zij stelden de twaalf maanden voor. De volgende morgen kon men zien, welke maand van het a.s. jaar droog of nat weer zouden zijn. Iets van die zegenbrengende kracht schijnt ook de kerst- of midwinterhoorn te bezitten, waarop de Twentse boer van de eerste adventszondag (vier weken vóór kerstfeest) af tot Driekoningen boven de waterput blaast. Een boer uit Weerselo zei mij eens: „ik blaas op mijn hoorn om de kracht, die nodig is voor leven en sterven”.

De boom des levens
We kunnen ons thans het kerstfeest niet meer voor­stellen zonder dat eenvoudige symbool: de kerstboom, en toch is het nog geen eeuw* geleden, dat in Neder­land de kerstbomen geheel onbekend waren. Dat een dergelijk symbool heden ten dage eigenlijk door heel Europa zo dankbaar wordt aanvaard, is een van de treffendste bewijzen van de universaliteit van dit decemberfeest. Nooit is die universaliteit duidelijker gebleken dan in de laatste wereldoorlog, toen de vrede tussen de mensen van deze aarde verder verwijderd scheen dan ooit, doch de soldaten voor een enkel etmaal de vijandelijkheden staakten, voor zover dat mogelijk was, om ook in de loopgraven nog iets van een kerststemming te beleven.

Vrij algemeen is onder het volk de mening verbreid, dat de gewoonte om met Kerstmis een kerstboom te versieren, stamt van een heidens gebruik om bomen te vereren. Deze mening is ongegrond en historisch onaanvaardbaar.

Deskundigen beschouwen de kerstboom als een stammeling van de middeleeuwse „boom des leven”, die de toenmalige kerkbezoekers in portaal of voor­plein der kerk, aantroffen. Deze „boom des levens” werd nagebootst in het woonhuis, maar dan aanvan­kelijk niet als kerstboom; eerst de later eraan ge­hechte symboliek van christusboom deed hem regel­matig met Kerstmis terugkeren, waardoor hij „kerst”-boom werd en tevens zijn versiering met sterretjes, klokjes en blinkende snuisterijen kreeg. Om meer dan één reden laat zich vermoeden, waarom juist de den werd uitverkoren als de feestboom. In het koude, sombere jaargetij, waarin alle leven uit de natuur gebannen schijnt, staat de den als de eeuwig groene, altijd levende boom. Hierom hechtte men aan de den al gauw een symbolische waarde. Symbool van het leven en na de kerstening teken van het nieuwe leven.

Om praktische redenen heeft de den het gewonnen van de ook wel altijd groenende maar spichtige en stekelige hulststruik, die later wel fragmentarisch als mistletoe en als kersttafelversiering werd aangewend. Reeds de oude Germanen zagen blijkbaar in de den een bijzonderheid.
De runentekens en de ornamenten op urnen uit die tijd vertonen vaak de dennentakfiguur. De denneboom zal de geliefde boom voor Kerstmis blijven, nu de traditie en de christelijke symboliek hem hebben aanvaard als de kerstboom bij uitstek.

(J. H. Kruizinga, Vacature, *08-12-1977)

.

Kerstmis: alle artikelen

jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldKerstmis    jaartafel

.

379-357

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (7)

.

OS EN EZEL

Het kind in de kribbe en daarnaast Maria en Jozef en twee dieren. Twee domme dieren! – os en ezel. Een merkwaardig beeld: het hoogste mensenwezen, omge­ven door dieren, die bepaald niet bijdra­gen aan de verhevenheid van het geheel. Doen ze een beroep op ons sentiment? Daarvoor zijn de beelden te oud. Al heel vroeg worden ze bij de kribbe geschilderd. Is het de armoe van de stal die ermee wordt geaccentueerd? Russische legenden laten Maria, de gods­moeder, de dieren zegenen vanwege hun zware arbeidsleven. Komen we er zo iets dichter bij?
De ezel en de os waren in elk geval voor de boer onmisbare werkkrach­ten. Ze moesten het zware werk doen: lasten dragen, de ploeg trekken. Slechts voor latere geslachten, die paarden en machines kenden, was het ezeltje aan­doenlijk, de os dom. In oudere tijden waren zij voor de boer goedkope werk­krachten, niet al te gewillig, maar bruik­baar.

Ieder weet nog hoe Franciscus van Assisi (1182-1226) zijn lichaam betitelde als zijn broeder ezel, die weinig eten en veel slaag moest hebben. Franciscus had een grote liefde voor het kerstfeest en in 1224, toen hij tweeënveertig jaar oud was, liet hij een kribbe maken voor de Kerstmis met een levende os en ezel er­naast. Hij wilde alles ‘met lichamelijke ogen zo duidelijk mogelijk voor zich zien’.

Franciscus verachtte broeder ezel niet. De dieren waren voor hem schepselen die hij met liefde tegemoet trad. Wat een merk­aardige verhouding tot het lichaam: liefde ervoor te hebben en het tegelijkertijd weinig eten en veel slaag geven! Komt broeder ezel daardoor niet tot de hoogste prestaties? Hij voelt het als je van hem houdt, maar als je hem in de watten legt, wordt hij lui!

Het lichaam is er niet om ervan te genie­ten, maar om het te gebruiken — zoals de boer zijn ezel gebruikt. Het is een goed instrument, onder de schepselen het hoogste. Wat primitieve kunst vanaf de vierde eeuw in de aanwezigheid van de ezel uitdrukt, kan met moderne middelen worden begrepen.
Het lichaam van de mens is het hoogst ontwikkelde natuurlijke organisme. Alle organen ervan zijn bij de dieren ook te vinden.
De menselijke handen bijvoor­beeld, maar die zijn dan grijp- of klimorganen, vleugels of vinnen of voorpoten, instrumenten om de aarde te betreden of om te woelen. De menselijke handen zijn voor geen van deze taken volledig bere­kend, maar ze zijn het eigenlijke schep­pende orgaan van de mens. Met de han­den worden we ‘makers’; de Grieken noemden dat ‘potiètès’, poëet, dichter. Verdichten kan de mens ideeën door zijn lichamelijke orgaan. Zo is ons hele lichaam instrument voor de geest. Zou men er dan geen eerbied voor hebben? Maar dan toch een ezel? Ja, want het is eigenzinnig, wil om zich zelf verzorgd worden. Elk ogenblik dat het lichaam geen lastdier meer is voor de geest, gaat het doel op zich zelf worden. Daarom is de ezel een voortdurend ideaal-beeld: ‘Broeder ezel’.

De os is in de beeldende kunst even oud als de ezel, en komt steeds samen met hem voor bij de kribbe. Eveneens een merkwaardig beest — eigenlijk een stier. De stier is de uitdrukking van vruchtbaar­heid, van uitbundige levenskracht, maar ook agressief. De os is de tot rust geko­men stier, van zijn voortplantingskrachten beroofd. De voortplantingskracht heeft zich omgezet in werkkracht.
Mensen hebben deze kracht ook in zich. Het lichaam wordt tot leven gewekt, het plant zich voort, het geneest van ziekten – dit is allemaal stierkracht.
Deze scheppen­de kracht is bij de stier in dienst van het lichaam gesteld. Ook daarvoor heeft de mens organen. Ze behoren tot die, die het meeste gelijken op de overeenkomstige organen bij de hogere dieren. Maar een oude sterrenwijsheid deelde deze organen niet in bij het sterrenbeeld van de Stier. Men zag het hele lichaam als uitwerking van de krachten van de Dierenriem. Daarbij kwam het strottenhoofd bij de Stier: het orgaan waarmee wij het woord voe­ren.

Eens was het woord Schepperwoord. Maar het Woord heeft nooit iets stoffe­lijks geschapen – het Woord schept levens­vormen, voor ons uiterlijk oog onzicht­baar. De levensvormen, tesamen het zoge­naamde ether- of levenslichaam vormend, zijn bewegelijk, zoals ideeën bewegelijk zijn, zoals het woord er ‘is’ en dan weer voorbij is. Maar misschien heeft het zich ergens afgedrukt in de ziel en werkt daar verder. Zo werkt ons levenslichaam vor­mend, maar is zelf in eeuwige beweging en metamorfose.

De Stierkrachten kunnen bij de mens af­zakken. Ze kunnen uitsluitend in dienst worden gesteld van het nuttige, het prak­tische. Dan zijn ze een os geworden, dom­me krachten. Het grootse geweld is weg, het is domme trekkracht geworden. De os bij de kribbe? Is het ons vreemd? Als het woord dienstbaar wordt, zijn
ma­gische kracht opgeeft om te dienen tot onderling verstaan, als het woord ook stil en luisterend wordt, is het dan niet als de os, die met zijn adem warmte geeft aan het kind? Het grootse, machtige is weg, het kan gewoon, burgerlijk worden, maar het kan ook dienend warmte geven. Warmte geven de dieren door hun adem aan het kind in de kribbe. Wat de mens door erfelijkheid krijgt: zijn fysiek- en levenslichaam, zij vormen de warme dienstbaarheid voor wat van boven komt. Middeleeuwse beelden uit de tijd van de vierde tot de dertiende eeuw, maar ver­taald in onze tijd toch reëel beleefbaar.

(J.Knijpenga, Jonas 08-12-1971)

DE OS EN DE EZEL

In deze dagen voor Kerstmis verschijnen in en nabij ker­ken fraaie kerststallen. Franciscus van Assisi kreeg van paus Honorius III in 1223 toe­stemming om de geboorte van Jezus via kerststallen uit te beelden. Deze dierenvriend bouwde zijn eerste stal in een bos bij het Italiaanse Greccio. Bijzonder was de kerststal thuis. Voor de inrichting van de stal gingen we naar het bos om mos te halen. Daar
ver­dween deze illegaal verworven buit in de bruine fietstas. Een­maal thuis haalden we de kerststal van zolder en het feest kon beginnen. De stal werd op de drie koningen na ingericht. De engel kreeg een plek boven in de nok. Onder de gipsen beeldjes van schapen, honden en herders waren de namen van ons negen tellende gezin geschreven. Omdat de drie koningen met hun kameel pas op zes januari aan konden komen, maakten zij eerst een reis door ons huis. Dat wilde zeggen dat de konin­gen Melchior, Balthasar en de zwarte Kaspar nog even geduld moesten hebben. Ondertussen liepen ze trappen op, slaapka­mers in en via de zolder weer naar beneden. Na hun reis door het huis kwamen zij ver­moeid op zes januari bij de stal aan.
Een bijzondere positie in de kerststal namen de Os en de Ezel in. Een romantische ge­dachte, het kindje Jezus rillend van de kou in de kribbe op het
stro. Jezus wordt warm gehou­den door de adem van de os en de ezel. Het is een beetje te­leurstellend dat in geen van de Evangeliën überhaupt over de os en de ezel bij de kribbe wordt geschreven. Voor de oudste afbeelding van de os en de ezel in relatie tot Kerstmis gaan we terug naar het jaar 343. Op een marmeren sarco­faag staan een os en een ezel met het kindje Jezus afgebeeld.
In Spanje en Italië mag in een kerststal een ‘Caganer’ niet ontbreken. Het is een poepend mannetje dat in de achttiende eeuw door de Napolitanen in de kerststal werd geïntrodu­ceerd. Hij staat door de be­vruchting van de grond sym­bool als geluksbrenger.
.

(Hans van Eeden in een dagblad, nadere gegevens onbekend)

.

Kerstalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeldKerstmis     jaartafel

.

378-356

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (6-1)

.

DE DAG VOOR KERSTMIS

Het is koud als we buiten komen. We gaan op weg naar het bos om te zien wat we nog kunnen vinden aan padde­nstoelen en zwammen. Het is al zo laat in het jaar. We lopen onder de kale bo­men en merken hoe licht het bos is. Ij­verig speuren we tussen de natte brui­ne bladeren. We vinden er meer dan we dachten. De kinderen zien ze vaak eerder dan ik, paddenstoelen met een forse hoed, maar ook zo klein als een speldenknop. Op een bemoste stronk zelfs een hele zwerm stuifzwammen. In een blikje verzamelen we omgeval­len paddenstoelen, losgeraakte stukjes mos en een eikenblad met galappels. Ik ben iedere keer weer verrast met hoe­veel plezier de kinderen zo’n opdracht uitvoeren. Ze willen weten, ze willen de aarde leren kennen, en het is heer­lijk om door hun ogen de aarde steeds weer nieuw te zien.

Er stonden twee bomen in het para­dijs: de boom des levens en de boom der kennis. De eerste mensen aten van de verboden vrucht en hun ogen wer­den geopend, voor de aarde en voor hun eigen lichaam. Zij werden zich be­wust van goed en kwaad en met dat bewustzijn haalden zij de dood binnen. Het menselijk bestaan werd ein­dig. Maar niet alleen het einde, ook het begin kreeg duidelijk gestalte. Na­dat Adam en Eva verdreven waren uit het Paradijs, werden hen twee kinde­ren geboren, Kain en Abel, en later nog een derde zoon Seth. Toen de mens een sterfelijk wezen werd en het leven op aarde begrensd en gebannen tussen geboorte en dood – toen kreeg de vrouw haar naam: Eva, moeder van alle levenden.

In vroeger eeuwen werden Adam en Eva meestal afgebeeld, staande zoals God hen gemaakt had, naast de boom, ‘die in het midden staat’, elk aan een kant. De slang die Eva verleidde, slin­gert zich om de stam van de boom. Hoewel zij geen christelijke heiligen zijn in de eigenlijke zin van het woord, zijn zij toch opgenomen in de oude kerkelijke kalender en wel op een heel bijzondere dag: 24 december, de dag voor Kerstmis, is aan hen gewijd. Zo wordt een grote boog gespannen, een regenboog van belofte en hoop, over de hele mensheid vanaf de eerste schepping tot aan het begin van een nieuwe tijd.

Tot Adam wordt gezegd: ‘In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten’. De aarde wordt om zijnentwil ver­vloekt en zal alleen verlost kunnen worden door het werk van zijn han­den, door zijn liefde en belangstelling voor de grond die hem draagt. Vele van de geheimen van de aarde zijn ons zo bekend en vertrouwd, dat we de verwondering daarover verloren heb­ben. Maar het is niet vanzelfsprekend dat uit het zaad dat in de omgeploeg­de akker wordt uitgestrooid, straks goudgele korenaren opgroeien. En het is elke keer een wonder dat de onoog­lijke bloemen van de druivenranken vrucht zetten, zodat in de herfst de zware trossen geoogst kunnen worden. Het eten van de verboden vrucht is van verleiding tot opdracht geworden.

Met Eva is het anders gesteld. Tot haar werd gezegd: ‘Met smart zult gij voort­aan kinderen baren’. In het Paradijs had zij onbewust gegeten van de vruchten van de levensboom, de mo­gelijkheid om leven verder te dragen heeft zij behouden, toen de engel met het vlammende zwaard de weg terug afsloot. Iets van het Paradijs is in haar bewaard gebleven, maar ook op haar rust de vloek van de zondeval: leven schenken, ruimte maken voor nieuw leven, voor nieuwe vormen is een smartelijke ervaring geworden, een proces van bewustwording. Zo zou je Adam en Eva kunnen zien als de twee polen waartussen de mens zich voort­durend beweegt. De lange weg van lij­den, ervaringen en schuld maakt de mens pas werkelijk tot mens. Wat ons dan uiteindelijk de mogelijk­heid geeft om door te gaan en steeds weer opnieuw te beginnen – dat wordt uitgedrukt door de wijze waarop de Russische kerk Pasen beleeft. Niet het opengebroken graf zien we op de ikonen, een beeld dat we hier in het wes­ten zo goed kennen. We vinden de af­beelding van Stille Zaterdag, de zoge­naamde ‘Nederdaling ter Helle’. In het Grieks worden deze schilderingen aangeduid met ‘anastasis’, dat wil zeggen ‘opstanding’. Het is voor de Russische mens dé uitbeelding van Pasen. In een wervelende beweging verschijnt de lichtend witte gestalte van Christus voor de gestorvenen, de gebroken poorten van de hel onder zijn voeten tredend. Hij draagt het kruis in de ene hand en met de andere grijpt Hij Adam vast, niet bij de hand maar bij de pols, waar het leven klopt, en Hij laat hem opstaan. Eva ligt geknield aan de andere kant tot ook zij mag op­staan en verdergaan.

Op de avond voor de nacht waarin de Verlosser van de wereld wordt gebo­ren, worden we in gedachten terugge­voerd naar de geestelijke oorsprong van ons aardse bestaan: een stukje pa­radijselijke vrede daalt neer, niet van­zelfsprekend voor ieder voelbaar en herkenbaar, – alleen als wij het werke­lijk van harte willen.

kerst nederdaling ter helle
nadere gegevens onbekend

.

Kerstalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeldKerstmis     jaartafel

.

377-355

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Nicolaas – alle artikelen

.

1.Verhalen
Nikola de barmhartige, A Remizov
voorwoord; legende: de wonderlijke graanvermeerdering; Nikola de barmhartige: de stijgbeugel;
1-2 Sint-Nicolaas de wonderdoener

Dan Udo de Haes: Sint-Nicolaas en Maria

2.St.-Nicolaas, een geschenk
Marieke Anschütz over: St.-Nicolaas door de jaren heen; gebrandschilderde ramen; kathedralen; karakter van het schenken en ontvangen

3.St.-Nicolaas en Advent
Jacobus Knijpenga over: advent;St.-Nicolaas als adventsheilige; Sint en Piet: eenheid; Michaël;  confrontatie met ons eigen oerbeeld; verwachting; stilte; dood; Parcival, Sigune en Schionatulander

4.Op het spoor van Sinterklaas
A.Heering over: de historische Nicolaas, Myra, Bari; Gerardo Cioffari- nicolaaskenner; Nicolaas van Myra naar Bari

5.Sint-Nicolaas
Frans Everga over: historie, symboliek: wit/zwart, schoorsteen, pakje, schoen enz

6.Sint-Nicolaas
Henk Sweers over: zijn betekenis nu; (symbolen) beelden uit Germaanse mythologie

7.Sint-Nicolaas
Johanna Knottenbelt over: de historische Nicolaas; andere ‘Nicolazen’; wonderen: goudstukken aan meisjes, de vermoorde jongens, drie veldheren; schilders van nicolaastaferelen: Masaccio, Fesellino; ontstaan patronaten; over Zwarte Piet; Sinterklaas in verschillende landen; Spanje; twee bisschoppen Nicolaas; Peter v. Amiens en de nicolaascultus; graalsstroming; Bernard van Clairveaux, Nicolaaskerken;  Luther verbiedt het feest; ook in steden verbod; sinterklaasommegangen; verband met Germanen; Zwarte Piet als duivel; St.-Nicolaas en de elementen; schoen en gedicht;

8.Saint Nicolas
Nicole Karèr en Jan Thjo over: Sint-Nicolaas in de Elzas geeft lekkernijen; zijn helper: Père Fouettard; Recpeten van Elzasser Lebkuchen, warme Sint-Nicolaasdrank (bisschopswijn), quiche lorraine,

9.Sint-Nicolaas
Hans Jacobs over: historie; patronaten; symboliek; populariteit en verboden;

10.Sint-Nicolaas
Nicolaas Matsier over: veruiterlijking van het feest door Kerstman?; Studies over hem: Meisen en Jones, Louis Janssen; zijn gang door Europa; op Ameland;

11.De stoomboot uit Italië lijkt logischer
Spanje? Bari;  verleden en legendes; folklore in Nederland; 5 dec. is sterfdag; Rupert, voorloper van Zwarte Piet?

12.De goedheiligman als bindmiddel
Jaap Huisman over: een bezoek aan Myra; verleden van de Sint; patronaten; Bari

13.Sint-Nicolaas, Nederlandser kan niet
Martijn Hover over: reformatieverbod; schilderij Jan Steen; de kleding van de Sint

14.De psychologische betekenis van Sint-Nicolaas
Kater en Wielick over: pepernoten, vruchtbaarheidsrite; vergelijking met Wodan; geven en ontvangen; midwinter; Mithras; 5, 6 december? E.e.a n.a.v.  J. A. M. Meerloo in zijn essay over „Sint-Nicolaas en de psychologie van het geven”.

15.Een heilige om van te snoepen
Hans Jacobs over: professor Rita Chesquiere: ‘Van Nicolaas van Myra tot Sinterklaas’, symboliek: Germaanse invloeden; van straat naar huiskamer door protestants verbod;

16.Sinterklaas bestond écht
Stad en Streek over: over zijn leven; Bari; Sint in Spanje, Zwarte Piet, geen neger;  ontstaan kerstman, symboliek

17.Sinterklaas en Père Noël
Bertrand Verhelst over: waarin verschillen ze: afkomst, heiligheid, kleding, manier van optreden; hun knechten: Zwarte Piet en Père Fouettard – streng en wat angstaanjagend; enkele anekdotes: een sanitaire stop van beide heren, een jongetje schrijft een brief om hulp

18.Sinterklaas
Lili Chavannes over: Sint en Piet: tegenstellingen; surprises, gedichten

19.Marsepein
Lauren Toorians over: de oorsprong die niets met brood (pain, pane) heeft te maken;
Ray Simoen over boek: Ignace Proot ‘Marsepein, van modelleren tot proeven’
Puck Kerkhoven over: banketletter; chocoladeletter en runeteken;

Recepten: pepernoten: grote en kleine; worstletter; bisschopswijn; cakehart; chocoladelettertjes; dubbelspeculaas; suikerhart; borstplaat; marsepein; amandelspijs; gevulde speculaas

20.Sint-Nicolaas
Theo Cremers, hulpsint, over: zo word je hulpsint; hoe gedraag je je; schminken; namen van de kleding

21.Cadeautjes
Dorry: dreigen met Zwarte Piet? Te veel cadeautjes maakt ontevreden; cadeautjesuggesties voor vanaf 1 jr – 6jr; wat doe je op pakjesavond: verstopideeën;
surprises: voorbeelden van cadeautjes voor ‘de’ klas
Merit Zandee: potlodenetui;
Beppie en Karin: vulpenzakje;
Juultje v.d.Stok: surprisedoosje

22.Het feest van het kind
Marika Ortmans over:  gedicht van Harriët Laurey; de sint; patronaten; zout; kindervriend

23.Lof der zoetheid
J.H.Kruizinga over: tradtioneel gebak in verschillende streken van ons land: Groningen-fieterknuten; Achterhoek-dikkevretsavond; duivekater; Drenthe/Achterhoek-nieuwjaar; Zuid-Limburg-weggeman; Brabant-nieuwjaarsplats; worstebrood, kersttimp en krentenkater

24.Sint-Nicolaas
Theo Holleman over: ontstaan van speculaas, koeken voor de goden in het verleden; Romeinen; Speculaas

25.Snoepgoed
Froukje Hardam-v.Omme over: het snoepgoed van nu wortelt in oude gebruiken – Joelfeest; roe en vruchtbaarheid; koekjes; Odin en Sint-Nicolaas; huidig snoepgoed verwant met oude symboliek

26.Sint-Nicolaas in de poppenkast
Jenny Crum over: een eenvoudig poppenkastspel voor kleuters; voorbeeld van poppenkast en enkele kleding

27.Sint-Nicolaas bestaat niet
Wendela van Mansvellt over: jeugdherinneringen aan de twijfel’; kinderen gaan een keer twijfelen aan het bestaan van de goedheiligman
Hoe en wanneer vertel ik dat Sinterklaas niet bestaat; lieg je als je je kind laat geloven; tips om ‘het’ te vertellen (zie ook 28); 

28.Hoe Sinterklaas stierf en toch voortleefde
Pieter HA Witvliet over: Een verhaal om het Sinterklaasgeheim te onthullen

29.Zachtjes gaan de paardevoetjes
Pieter HA Witvliet over: een domme fout: IK moet naar bedje toe, niet HIJ

30-1.Zwartepietdiscussie
Zwarte Piet is symbool; geen maatschappelijke realiteit

30-2 Zwarte Piet verbleekt

30-3/1 Zwarte Piet krijgt de zwartepiet
I
n een artikel in Het Parool wordt de conclusie getrokken: Een vrolijk volksfeest kan en mag niet de bedoeling hebben dat mensen zich gediscrimineerd voelen. Maar om Zwarte Piet als slaaf af te schilderen, is historisch onjuist.

30-3/2 Zwarte Piet krijgt de zwartepiet
De tegenstanders van Zwarte Piet zijn ervan overtuigd dat Zwarte Piet racistisch is en een symbool van de slavernij.
Maar historisch klopt dat niet: Piet Emmer in Trouw

30-3 Ter verdediging van Zwarte Piet
Marcel Bas over de historische Zwarte Piet; boekrecensie

31.Vijf december ha dat is de blijde dag
Sint-Nicolaas in het verleden, in Nederland; hoe werd het gevierd; Sint-Nicolaas op de Waddeneilanden; in Friesland (Grouw)

.

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

.

376-354

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten Kerstmis (5)

.

HET FEEST VAN DE GEBOORTE

Er is in de laatste jaren*, binnen kerke­lijke kringen, wel eens overwogen het kerstfeest in tweeën te splitsen. Men wil dit doen uit verontrusting over de verregaande veruiterlijking, waarin het de laatste tijd is geraakt. Van de vie­ring op 25 en 26 december – zo zegt men – is toch niets meer te redden. Laat het dan maar blijven voortbe­staan waarin het langzamerhand is ontaard: het feest van de Horeca, van de relatiegeschenken – voor f. 150 miljoen per jaar – van de kerstkaarten – voor meer dan f. 60 miljoen per jaar – van de ‘happenings’ met popmuziek in de kerken. In plaats daarvan wil men het feest verschuiven van 25 – 26 de­cember naar Driekoningen op 6 janua­ri. ‘Laat dit voortaan het feest zijn van het Licht, in plaats van het feest van de lichtreclame’. Zo kan het, als feest van de Geboorte, worden beschermd tegen alle veruiterlijking. Met deze ver­plaatsing kan dan op 25 december weer zoiets als het oude Saturnaliafeest van de Romeinen worden ge­vierd, waarop de viering van Kerstmis tegenwoordig is gaan lijken.

Historisch gezien, is dit niet eens zo’n ingrijpende verandering. In de eerste twee en een halve eeuw na Christus werd Kerstmis niet gevierd op 25 december, maar op 6 januari, Epifanie, waarop niet de geboorte van Jezus werd gevierd maar de ‘Verschijning’ van Christus bij de Johannesdoop in de Jordaan. (Het Griekse woord Epifa­nie betekent verschijning.) Tevens is dit het feest van de Drie Koningen. Natuurlijk zullen er voor zo’n ver­schuiving over de drempel heen van de jaarwisseling, veel weerstanden moe­ten worden overwonnen. Niet alleen weerstanden op commercieel gebied maar ook op kerkelijk gebied. Het kerstfeest zal dan niet zozeer het feest van de Geboorte van het Jezuskind in de stal, of in de grot van Bethlehem zijn, maar van het verschijnen van het Christuswezen, als een geboorte. Min­der naar het verleden gericht en meer naar de toekomst gericht. Men kan daarbij denken aan de laatste woorden uit het Mattheüsevangelie: ‘En zie, Ik­zelf ben met u al de dagen, tot de vol­einding der wereld’. Natuurlijk zou dat een verlies zijn.

Voor veel mensen zijn juist de herin­neringen aan Kerstmis zoals jaar in jaar uit, in de familiekring werd gevierd, een kracht gebleven waaruit zij nog verder kunnen leven. Toch is vooral voor een moderne gene­ratie, een kerstviering tegenwoordig niet veel meer dan een ‘idylle’ bij het stalletje en de kerstboom, geheel ver­vreemd van de wereld waarin zij leeft, en waartegen eventueel zo hard moge­lijk geschopt moet worden. Maar of een verplaatsing naar een an­dere dag daarin enige verandering zal brengen?

Bovendien, de viering van het kerst­feest is niet een aangelegenheid van één of twee feestdagen. Het is het feest van de Geboorte, in de vier adventsweken voorbereid, zich voortzet­tend in de ‘twaalf heilige nachten’ – tussen 24 december en 6 januari – en uitlopend in het Epifaniefeest.

Waar het op aankomt is het beleven van deze continuïteit.

Dat is belang­rijker dan het kerstfeest ‘veilig te stel­len’ door het naar een andere dag te verplaatsen.
Kerstmis en Driekoningen vullen elkaar aan. Het feest waarop wij de aan­bidding van de herders gedenken en het feest waarop wij de verering van de koningen gedenken. De herders, die aan het Kind enkele gaven van de aarde offeren. De konin­gen die, geleid door sterrenwijsheid, vanuit het Oosten de weg naar het Je­zuskind in Bethlehem hebben gevon­den, en daar hun geheimzinnige offers, goud, wierook en mirre, schenken. Dat zijn de twee aspecten van het Ge­boortefeest die niet los van elkaar kunnen worden gezien, evenals het Lucasevangelie, waarin de komst van de herders wordt beschreven, niet kan worden losgemaakt van het
Mattheüs­evangelie, waarin de komst van de ko­ningen wordt beschreven. Herders en koningen staan niet op zichzelf. In de geschiedenis van Euro­pa hebben zij de sporen van tweeërlei ontwikkeling getrokken: de weg van de liefde en de weg van de wijsheid.
In de schilderkunst herkent men deze sporen: in de innige vroomheid en verstilde aandacht waarmee bijvoorbeeld een Vlaamse schilder zoals Hugo van der Goes het geboorteverhaal uit het Lucasevangelie heeft uitgebeeld, naast de feestelijke rijkdom van het wonder van knielende koningen, waarmee schilders zoals Gentile da Fabriano en Benozzo Gozzoli in Florence het ver­haal uit Mattheüs hebben afgebeeld. In de voorstelling die iets later Leonardo da Vinci hiervan geeft, krijgt de uitbeelding een haast apocalyptisch karakter. De Wijzen uit het Oosten brengen hun offers, maar in de donke­re schaduwen waaruit zij naar voren komen, speelt zich de tragiek af van al diegenen die de aanblik van het Kind, van ‘het Licht dat schijnt in de duis­ternis’, nauwelijks kunnen verdragen. ‘De tijd is vervuld, het Koninkrijk Gods is nabijgekomen, verandert uw gezindheid’.

Door dit schilderij van Leonardo ruist het woord van Johannes de Doper als stormwind, oproepend, ergens in een ver perspectief, visioenen van
ruï­nes, stijgerende paarden en strijdge­woel. Temidden daarvan het – kind, spelend met de geschenken der oude wijze koningen. Het beeld van de herders is innig en koesterend, maar in het beeld van de koningen wordt iets weerspiegeld van de impulsen die de loop van de ge­schiedenis beheersen…

Het Droomlied van Olaf Asteson
Daarmee is ook de overgang naar het Epifaniefeest aangeduid: de doop in de Jordaan met het ‘incarnatus est’ van de Christus op aarde.
‘Het Ko­ninkrijk Gods is nabijgekomen, veran­dert uw gezindheid’.

Hemelse wijsheid op aarde neergedaald om in mensenzielen te ontkiemen. Tegenover deze Verschijning, naar de toekomst gericht, wijkt iedere idylle, van een viering van het geboortefeest in de vertrouwde familiesfeer. Op dit contrast wijst een ander groot kunstwerk: het ‘Droomlied van Olaf Asteson’.

Enkele jaren geleden – 1975 – heeft in een kerstaflevering van Jonas hiervan een vertaling gestaan. Ik verwijs hierbij naar deze tekst. [niet op deze blog]

Dit lied werd in 1850 ontdekt door een predikant in Telemarken in een eenzaam dal in de bergen van Noorwe­gen. De naam Olaf Asteson is sterk met het verleden verbonden. Olaf be­tekent erfgenaam. Hij die van zijn voorouders geestelijk leven geërfd heeft. Aste is liefde, die zich door de bloedsbanden voortplant. Van genera­tie tot generatie.

Oeroud verleden. Duisternis in mid­wintertijd. Ruisend water. Sparren, sneeuwbergen.

Daaruit maakt zich het droomland van Olaf Asteson los. Hij is ingeslapen bij de kerkdeur op 24 december. Hij ont­waakt na de twaalfde dag. Hetgeen hij heeft beleefd, staat helder voor zijn geest: Wat de gestorvenen beleven, wanneer zij door de poort van de dood zijn gegaan. Het ontwaken na de dood. Maar Olaf Asteson is niet dood. Hij wordt wakker op aarde. Een initia­tie. Het woord komt van het latijnse ‘initium’ dat begin betekent. Dat heeft niets meer te maken met de geboorte­stroom vanuit de bloedsbanden, maar met het begin van een geestelijk ont­waken.

Drie beelden
Over wat hij heeft beleefd, geeft hij wéér in drie beelden, in drie episoden van zijn tocht door het hiernamaals.

Het eerste beeld speelt zich af, hoog in de wolken en in de diepte van de zee:
Ik ben geweest als de wolken zo hoog en dieper nog dan de zee… wie volgen wil het spoor van mijn voet vergaat er het lachen alree.

Dan komt hij voor de Gjallarbrug:
Die hangt daar heel hoog in de wind. Drie wachters bewaken de toegang: Een kwade slang en een bijtende hond in het midden een dreigende stier. Daarna komt de beproeving in de we­reld van de elementen; de duizeling­wekkende hoogte boven de afgrond, de diepte van het moeras, waar de grond onder je voeten wegzakt.

Het tweede beeld beschrijft ‘Broksvalin’, het land waar de zielen staan voor het wereldgericht. Waar iedere daad. die men vroeger gedaan heeft weer op je terugslaat. Een jonge man die een kind heeft vermoord moet dit in alle eeuwigheid op zijn armen dragen. De gierigaard moet rondwaren in een mantel van lood omdat hij in tijden van duurte enghartig was voor wie iets vroeg. Zijn loden ziel, zwaar van hebzucht, is hem nu tot een mantel geworden.

Ten slotte het derde beeld. Wie op aar­de ‘aan de armen schoenen heeft ge­geven, behoeft op de boze doornige heide geen doornen te vrezen’. ‘Wie brood heeft uitgedeeld, hem doet de hond op de Gjallarbrug geen kwaad. Wie koren heeft uitgedeeld, hij be­hoeft de hoorn van de stier niet te vre­zen. Wie armen kleren heeft gegeven, Hij hoeft niet te vrezen het rijk van de geest als het blauwende ijsveld wenkt.’

Apokalypse

Het ‘Droomlied van Olaf Asteson’.

Het lied van slapen en waken. Van slapen op aarde, van het ontwaken in de geestelijke wereld. Het is het lied van de twaalf heilige nachten tussen Kerstmis en Driekonin­gen, tussen Kerstmis en Epifanie. Een ander beeld dan dat van de idylle bij de kerstboom. Biedt deze tijd mis­schien een surrogaatbeeld daartegen­over? Men kan hierbij denken aan de film ‘Apocalypse now’, waarin de jeugd het vagevuur van een oorlog in het Verre Oosten, of.. .de hel van een andere oorlog die ons in de toekomst bedreigt, kan ondergaan. Dat alles, na de televisiebeelden van de Holocaust, zes maanden geleden, met de ver­schrikkingen van het tot het verleden behorende Derde Rijk van Hitler.

Apocalypse betekent letterlijk ‘onthul­ling’. Holocaust betekent brandoffer. Twee woorden die, losgemaakt van hun bijbelse achtergrond als namen van filmprojecten, die vele miljoenen dollars hebben gekost, vanuit Amerika over de wereld worden verspreid. Heb­ben zij misschien toch iets te maken met een ontwaken in een ‘apocalyp­tisch’ tijdperk, zoals de komende 21 jaar wel eens worden genoemd?
Met het overschrijden van een drempel tus­sen de 20e en de 21e eeuw? Of, het moge nog eens worden herhaald, met de woorden van Johannes de Doper: ‘Verandert uw gezindheid’?

Wie zich niet afsluit in het eigen gezin, binnen de eigen wereldbeschouwing, binnen de eigen politieke partij, bin­nen de eigen vakorganisatie, is zich van dit alles wel wat bewust. Bewust ook van de anonieme machten waar­achter de mens verborgen is geraakt. Bewust van de vele sluiers waarmee tegenwoordig menselijke verhoudin­gen worden toegedekt: de sluiers van een ‘vrije marktorde’, de sluiers van ‘het geld’.

Wat zou er niet allemaal ‘onthuld’ kunnen worden, om van achter al die sluiers de mens weer tot verschijning te brengen…?

Daarover zal in het komende jaar in Jonas nog veel kunnen worden ge­schreven, opdat zichtbaar wordt, niet alleen de mens maar vooral ook zijn onderlinge verbondenheid en weder­zijdse afhankelijkheid in de mensheid.

‘Wir sind auf einer Mission. Zur Bildung der Erde sind wir berufen.’

Woorden van Novalis, die twee eeu­wen geleden zijn geschreven en mis­schien pas over twee eeuwen ten volle zullen worden begrepen.

‘Bildung der Erde.’ Gestalte geven aan de leefbaarheid op aarde. Dat zag No­valis als een christelijke opgave. Daarin lag voor hem de betekenis van het Geboortefeest en de zin van de komst van Christus op aarde.

(Arnold Henny, Jonas 8/9, *14-12-1979)

.

Kerstalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeldKerstmis     jaartafel

.

375-354

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

­

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – achtergronden

.

ACHTERGRONDEN VAN DE KERSTSPELEN

Gaarne wil ik trachten te voldoen aan het verzoek om iets te vertellen over de kerstspelen, zoals wij die nu kennen en zoals ze in honderden vrijescholen over de hele wereld en in andere ‘antroposofische’ instituten en werkverbanden, in vele talen, over de hele wereld worden gespeeld. We spreken dan over de drie spelen: paradijsspel, kerstspel en driekoningenspel, waarvan het middelste ook een trilogie is. Het bestaat nl. uit een verkondiging (die zeer wel apart, bv. met advent zou kunnen worden gespeeld), een geboortespel en een herdersspel.

Zoals we de spelen nu kennen, zijn het noch typisch middel­eeuwse spelen, noch ‘primitieve’ spelen, in die zin dat men alleen met de juiste stemming ( ‘een vroom gemoed’) deze spe­len aankan. Men moet erop studeren, men moet met een zekere mate van kennis van zaken de spelen instuderen, en met name moet men de moeilijkheden die muziek en het zingen bieden, niet on­derschatten (vroeger werden de spelen helemaal gezongen).
Vooral moet men zich hoeden voor het gevaar van de routine, in de zin van: ‘de meeste spelers kennen hun rol nog van vorig jaar, dit maal zal het met een enkele repetitie ook wel gaan.’ Datgene waar het in de spelen om gaat, moet telkens weer nieuw ontstaan. Het laat zich  niet forceren.
Naast het zojuist genoemde ‘vroom gemoed’ is ook veel geduld, kennis van achtergronden en spirituele zin, alsmede een groeien naar een sociaal-kunstzinnig geheel in de groep waarin het wordt gespeeld, nodig. Eén ding moet van meet af aan duidelijk worden ge­steld: in oorsprong zijn de spelen niet voor kinderen bedoeld, maar voor volwassenen.
Het pedagogisch inzicht van Rudolf Steiner, de ver­anderde tijd waarin wij leven, (in geesteswetenschappelijke zin spreekt men van het ontwakende bewustzijnszielentijdperk) en zeker niet in het allerminst de bewerking die Rudolf Steiner zelf aan deze stukken heeft gegeven, maken het mogelijk en gewenst om ze regelmatig aan zoveel moge­lijk mensen te tonen. Men mag zeker stellen, dat hij ze van de grond af aan nieuw heeft willen schrijven en arrangeren, maar dat hij dit werk volgens eigen zeggen, niet helemaal heeft kunnen voltooien.
Als men de ons bekende versie vergelijkt met de teksten die Rudolf Steiner als student heeft gekregen van zijn leraar Karl Julius Schroër, dan vallen de verschillen duidelijk op (zie ‘Ansprachen zu den Weihnachtspielen aus altem Volkstum, gehalten in Dornach 1915 bis 1924, Rudolf Steiner Verlag, Dornach/Schweiz).
Rudolf Steiner over: de kerstspelen

Als nu de vraag gesteld wordt: hoe en waar zijn deze spelen ontstaan, dan moet men zeggen: in het verre verleden, met bepaalde wortels tot in de tradities van het Griekse drama. Als pogingen om elkaar als mensen onderling uiterlijk-fysieke gebeurtenissen, evengoed als innerlijke zielenbelevenissen in beelden te vertellen. Men leefde tot in het begin van onze jaartelling nog sterk in de sfeer van de ‘oerbeelden’, de platonische schouwingen, en minder in abstracte denkinhouden en gedachtegangen. Het ‘denkbeeld’ was nog heel levend. Op grond van in het begin van de vijftiger jaren en later, gevonden oude perkamenten rollen in de Dode Zee en in de Sinaï, heeft men kunnen vaststellen dat de gebeurte­nissen die in de spelen worden beschreven, ook uiterlijk op aarde heb­ben plaatsgevonden. Tegelijk echter waren het beelden voor ziele-ontwikkelingen en mensheidontwikkelingen (Paradijsspel !).
Men kan de spelen ook zo beleven, dat men ontdekt: iedereen is een beetje iedere uitgebeelde gestalte; het geheel zit in iedereen en iedereen is het geheel. De waard zit in ons, ook Adam c.q. Eva. We hebben de herders in ons, evenals de schriftgeleerde, enz. Men kan spreken van een beeldencanon, van apocalyptische beelden, van ‘runen’ in de wereldgeschiedenis, die men moet leren lezen.
Ook lag er later een poging aan ten grondslag om de Heilige Schrift, waarvan men in de kerk alleen in het Latijn vernam, in de eigen volks­taal in beelden te kunnen beleven.

Het werk dat Rudolf Steiner aan deze spelen heeft verricht, bestaat hoofdzakelijk uit het verwijderen van door tijd en plaats ontstane ‘aangroeisels’ en het terugzoeken van de oorspronkelijke oerbeelden.
Zo worden deze spelen verwant aan de mythe, sprookjes, sagen en legenden, die zo talrijk in de eerste duizend jaren van onze jaartelling zijn ontstaan. Door de bewerking van Rudolf Steiner werden ze als het ware ‘modern’, of beter nog: tijdloos.

Het Paradijsspel is voornamelijk episch van karakter. Het speelt zich duidelijk af in de sfeer van de Vader God. Het is het meest monumentale van de drie spelen. Wie regel voor regel overdenkt, ontdekt diep verborgen – soms maar even aangeduide – wetmatig­heden van mensheids- en wereldontwikkeling vanaf een oerverleden tot in een verre toekomst:
‘Tot ik U langzaam wederkeren heet!’
Het is het kortste spel, dat tegelijkertijd alles omvat. Het krijgt daardoor
boven­menselijke maatstaven. De oude Grieken zouden het zeker op kothurnen hebben gespeeld, hoge laarzen, waar­door de acteurs bovenmenselijk groot leken! Een spel dat om veel, maar sterk gevulde pauzes vraagt, om plechtigheid, om zeer duidelijk gearticuleerde taal, kortom om stijl. Geen woord mag er verloren gaan. Het is het verhaal van de grote belofte, waar Lucifer ingrijpt in een poging om het Goddelijke bestel te doorbreken. Lucifer is, in tegenstelling tot de Duivel uit het Drie Koningenspel : een vlammend verleidelijk licht-schaduwwezen, ijdel en hoogmoedig, overmoedig zelfs.

Het eigenlijke kerstspel is voornamelijk lyrisch van karakter. Hier staat de Zoon centraal. Eerst is er de Ver­kondiging (zie afbeelding, ets van Dürer):
kerst Dürer Verkondiging

die zoals onze kalen­ders ons leren, in het voor­jaar, nl. op 24 maart valt. De centrale zin, ja het oermotto, dat aan het opvoeren van alle kerstspelen ten grondslag ligt, zijn de woorden: “Ziet de dienstmaagd (de dienst­knecht) des Heren, mij ge­schiede naar uw woord!”
Wie zo een gesprek mocht voeren met de bode van de Heilige Geest, die kan niet meer zonder Godsvertrouwen zijn. Daarom is Maria altijd de opgewekte, troostende lichtgestalte. Nooit melancholisch. Zelfs de zwaarte van de aardse geboorte wordt overstraald door het licht, waarvan zij weet, omdat zij, zoals Rudolf Steiner eens uitlegde, kan schouwen in het rijk van de levenskrachten. Daarom beeldt Rafaël haar steeds uit met een glimlach, en vindt men in de kathedraal van Chartres een Madonna die in een boek leest, waar op de bladzijden duidelijk een alfa en een omega staan; een duidelijke rune is het gebaar van Josef, die zich afwendt bij de geboorte. Een oude legende zegt, dat Josef niet kon geloven dat Maria een kind zou krijgen van de Heilige Geest en niet vanuit de tradities van het Joodse volk. Hij wil haar verlaten, tot dat ook hem de Engel verschijnt (helaas niet in ons spel) en hij daarna haar volkomen kan aanvaarden.

Een rune is ook de tocht van de herders door het duister. Men kan niet
aan­nemen dat drie mannen die in hetzelfde dorp wonen, daar de weg niet zouden kennen. Het is een innerlijk licht dat zij zoeken, dat dan tenslotte in het ‘hardstikke donker’ in de verte voor hen verschijnt.

De waarden waren oorspronkelijk: een protserige waard, zijn gierige vrouw en zijn dienstmaagd. Men moet de teksten daar weer aan aanpassen. Een
spiri­tuele regie leert dat men het veld met de herders rechts* op het toneel moet zien (gezien vanuit de toeschouwers) en de boom met de rozen en de kribbe, links op het toneel. [dit is een soort tegenspraak met wat de auteur bij het driekoningenspel zegt]
Een oerbeeld is dat ook de herders, evenals de waarden en andere groepen van figuren in de spelen, in drievoud verschijnen. Het beeld van de drieledige mens. Drie leeftijden, drie temperamenten, drie geschenken, enz. Het is ook als een geheimzinnige rune te beschouwen dat men de herders, evenals de drie koningen, daar waar dat kan, in een gelijkzijdige driehoek opgesteld ziet, evenals het feit dat de herders liggend slapen en de openbaring van de Engel ontvangen, terwijl de Koningen daarbij geknield zijn.
Al is dit spel een lyrisch spel genoemd, het mag nooit sentimenteel worden. De humor komt een ruime plaats toe, evenals de echte vroomheid.

Terwijl het middelste spel de gebeurtenissen weergeeft volgens het evangelie van Lucas, beschrijft het driekoningenspel de gebeurtenissen zoals Mattheüs die overlevert. Het driekoningenspel is voornamelijk dramatisch van karakter. Het ingrijpen van de Heilige Geest wordt hier op meerdere plaatsen duidelijk: in de wijsheid van de Drie Koningen, in de waarschuwing van de engel die Jozef en Maria maant te vluchten voor Herodes’ geweld, maar vooral in de verschijning van Maria voor Herodes met de woorden: “Machtige koning, gedenk aan barmhartigheid”.
In overeenstemming met de traditie is dit ouderpaar heel anders dan bij Lucas. Het kind ligt niet op stro zoals bij Lucas, maar zit op de knie bij de moeder en neemt de geschenken in ontvangst. Dit is het spel van licht (rechts) en van duisternis (links) met het Kind in het midden.

Het getal vier speelt in dit spel een geheimzinnige rol. In het kerstspel verscheen naast de drie herders een vierde, een geheel andere dan zij.
Zo ziet men hier naast de drie koningen als vierde of het Kind, of Herodes.
Het is alsof het spel in deze beeldenopzet als het ware de keuze aan de
toeschouwer laat. Naast de drie schriftgeleerden zien we een vierde, nl.
Viligratia. Het element van de vrijheid komt in zekere zin ook nog op een ander moment naar voren. Maria met haar kind stelt Herodes als het ware voor de keuze: zal hij uit inzicht het goede doen, of zullen boze krachten in hem triomferen. Als de heilige stem van het geweten spreekt zij tot hem in hem. Maar er is een geweldige strijd in en om de ziel van Herodes gaande.
Boven staan de drie schriftgeleerden, het uiterste van menselijk intellect, intolerantie, fanatisme levensvreemde paragrafendienaren, Ik-loze figuren die hun wensen aan hun schriftrollen hebben verpand. Het zijn, zeker in het Jerusalem van die dagen, machtige figuren. Zou Herodes hun anders wel om raad vragen?

Onder Herodes, als het ware zijn onderste mens zijnde, zijn driftleven aansprekend, staan de drie boze trawanten, lakei, hoofdman en soldaat, tot elke misdaad in staat, eveneens Ik-loze wezens, gewillige uitvoerders van Herodes’ opwellingen.
We mogen denken aan hetgeen reeds Schiller schreef over Formtrieb en Stofftrieb. In het midden wilde hij de ‘Spieltrieb’ als de bron van Goddelijke fantasie en scheppingskracht, als de bron ook van het geweten zien. In het vrijeschoolonderwijs spelen deze beschouwingen van Schiller een grote rol. In het midden heeft Herodes nu juist ………..een groot gat! Tevergeefs doet Maria bij hem een beroep op dat midden, op die bron van moraliteit. Onwillekeurig rijst bij mij bij deze scène steeds het beeld op dat Zadkine voor de stad Rotterdam heeft gemaakt; een wanho­pig mens wiens hart uit het lichaam is gerukt.
Is dat niet het beeld van Herodes? Is dat niet het beeld van vele tijdsziekten? Hoe veel wordt er in onze antroposofische therapeutica gewerkt juist aan de versterking van de krachten van het midden! Dat zijn de krachten van Maria! De duivel in dit spel draagt, vergeleken met de duivel van het paradijsspel, meer satanische trekken. Deze duivel is meer de cynische intrigant, de som­bere Heer des Doods.
De drie schriftgeleerden zijn niet in de eerste plaats karikaturen van Joden. Ook andere figuren in deze spelen zijn Joden! Zij zijn karikaturen, oerbeelden van menselijke eenzijdigheden. Pathologische verschijnselen van ‘zieke’ mensen, verschijnselen die bij ieder van ons in meerdere of mindere mate kunnen voorkomen, zoals Schiller al beschreef. Juist de krachten van het midden moeten de pathologieën overwinnen.
Iets dergelijks geldt ook voor hetgeen de drie boze trawanten symboliseren, zeker als hun driften ongebreideld kunnen voortwoekeren. Toch is er in de ziel van Herodes nog één sprankje menselijkheid overgebleven. Het berouw, de wens om het vreselijke dat gedaan is, gedeeltelijk althans weer ongedaan te maken door een tegendaad te stellen. De hoofdman, die ook in Herodes is, spreekt berouw uit en brengt het offer van zijn leven. In dit gedeelte van onze spelen is, zoals u ziet, het runekarakter sterk aanwezig. De beelden willen gelezen en dan begrepen worden!
In deze grootse en grote beeldencanon die door de drie spelen voor ons wordt uitgerold ligt – zoals Rudolf Steiner eens zei – de hele mensheidsontwikkeling uitgebeeld. Het spelen van deze spelen brengt ons in het grensgebied tussen toneel en cultus, als ik dat zo mag zeggen. Maar is niet al het toneel uit de cultus ontstaan, in oorsprong?
In de veelheid van beelden lijkt mij voor velen van ons direct van toepassing: de wil van de herders om met zijn drieën op weg te gaan, om door het donker heen het huis te vinden waar een licht brandt, om daar te vragen of zij ons “daorgunder mogten wijsen, hoe dat me moeten gaen, om dra comen bij dat kinde aen!’

(Carel Eckhart, nov. 1987, nadere gegevens onbekend)

*In Den Haag spelen de herders – vanuit de zaal gezien – links op het toneel. Veltman motiveerde die kant op basis van aanwijzingen in Steiners  Dramatische Kurs.

.

Kerstspelen: alle artikelen

Antrovista: archief V.O.Kover de kerstspelen

VRIJESCHOOL in beeld: Kerstspelen

.

374-353
.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (4)

.

KERSTMIS

Een nachtgebeuren vol tegenstellingen

De kersttijd is, ondanks het ideaal van rust en vrede, bij uitstek een tijd van haast en prikkelbaarheid. Het is niet de enige tegenstelling waar­mee Kerstmis ons confronteert. ‘Juist in het middernachtelijk uur, waar de duisternis het grootst is, valt de geboorte van de ‘God van het Licht’.

Zoals een geboorte niet mogelijk is zonder voorafgaande conceptie en zwangerschap, zo is Kerstmis – bij uitstek het ‘geboortefeest’  -niet denkbaar zonder de voorafgaande ‘ver-wachtings-tijd’ van advent. En zoals op een geboorte de doop kan vol­gen of op zijn minst de naamgeving als een bevestiging van de incarnatie, zo volgt – van­uit dezelfde harmonische wetmatigheid – aansluitend aan de kersttijd het feest van de epifanie (verschijning van boven) ook wel driekoningentijd genoemd. Op de zesde ja­nuari, wanneer dit feestgetijde begint, wordt de doop van Jezus in de Jordaan herdacht, waar hij in zekere zin zijn eigenlijke naam en wezen ontvangt, namelijk Christus. Aan het begin van het christelijke jaar, (daar­over schreef ik in Jonas van 1 april 1983 uit­voeriger in het artikel ‘Wanneer is het jaar ja­rig?’) staat dus een drieheid van feesten, die innerlijk zodanig met elkaar samenhangen, dat we zelfs van een drieëenheid kunnen spreken. Dat deze wat overmoedige woord­keuze wellicht toch gerechtvaardigd is, blijkt hopelijk uit het navolgende.

Avond

De schepping van de wereld, zoals deze in het eerste boek van Mozes (Genesis) is be­schreven, wordt voltrokken gedurende zes, respectievelijk zeven dagen. Hoewel we ons uiteraard van een dergelijke dag niet de voor­stelling van een etmaal van 24 uur moeten maken, heeft deze tijdspanne kennelijk toch het karakter van een dag: ‘En het was avond geweest, en ochtend geweest: een wereld­dag’.

Hoe groot en lang een dergelijke goddelijke werelddag ook is, zij gaat – zoals iedere dag – ten einde en wordt door een andere gevolgd. De avondschemering, het einde van een wereldomvattende tijdspanne zien wij bij­voorbeeld in verschillende voorchristelijke culturen, waar het licht van de godenwereld voor de mensen verduisterd werd. Of het nu in Egypte de ‘versluierde Isis ‘werd genoemd of in Griekenland ‘de grote Pan is dood’ of dat in de Germaanse mythologie sprake is van de ‘godenscheme­ring’, overal klinkt eenzelfde stemming van ondergang van het licht, van avondscheme­ring, van zonsondergang. Maar tegelijkertijd groeit in al deze culturen de verwachting van de komst van het godde­lijke licht op aarde. Om die reden spreekt men wel van ‘adventsculturen’. Over advent heerst de stemming van het ein­de van de dag, avondschemering. In dit ver­band is het tekenend dat bij de adventscultuur bij uitstek, het jodendom, de tempel zodanig is gebouwd, dat het allerheiligste in het westen is gelegen. Het religieuze leven is naar het westen, naar de zonsondergang ge­keerd.
Het is ook opvallend, hoe niet zozeer de zon, maar  juist de maan zo’n grote rol speelt in de joodse godsdienst. De volle maan werd als symbool gezien zowel van de hogepriester als ook van het volledig vervuld zijn van heilza­me wijsheid. Nog belangrijker is de nieuwe maan (n.b. juist in het westen te zien, even nadat de zon is ondergegaan!) omdat bij de nieuwe-maanbijeenkomsten aan de profeten de gelegenheid werd gegeven tot het volk te spreken. Meerdere malen lezen wij bij de profeet Ezechiël: ‘En het gebeurde op de eerste der maand (letterlijk, dus maan­maand), dat het woord van de Heer tot mij geschiedde, zeggende…’ Kennelijk heeft het wezen en de verschijning van de God der joden, Jahve, te maken met dat hemellichaam, dat door zijn schijngestalten aan de avondhemel een wassen, een wor­ding, dus ook een verwachting uitspreekt. Met advent – zo kunnen we zeggen – is onze innerlijke blik naar het westen gericht; avondstemming, einde van de dag. De wassende maan spreekt (of sprak?) een profe­tische taal van verwachting, van wording.

Nacht

Zoals op de avond de nacht volgt, zo volgt Kerstmis op advent, want is het kerstfeest niet inderdaad bij uitstek een gebeuren van de nacht?

De koude en de duisternis in deze tijd (al­thans op het noordelijk halfrond) drukken uit dat we ons in de ‘nacht van het jaar’ bevin­den. Kerstmis is het enige christelijke feest dat te middernacht wordt gevierd, hetgeen ook in het Duitse woord Weihnachten tot uitdrukking komt. Het is in dit verband nau­welijks een toeval te noemen, dat midden in deze tijd van de ’13 heilige nachten’ onze jaarwisseling valt: ook weer een midder-nachtsgebeuren.

Kortom, zoals advent avondkarakter heeft, zo is Kerstmis een nachtgebeuren. Tevens kunnen we ieder jaar waarnemen, dat het een feesttijd vol tegenstellingen is. Tegenover de duisternis en de koude wordt – meer dan welke tijd ook – licht en warmte beleefd. Het is zeer de vraag of dat van het vele kaars­licht komt, of dat juist het ontsteken van kaarsen een uitdrukking, een gevolg is van dit innerlijk beleefde licht. Ook andere tegenstellingen nemen we waar: ondanks het ideaal van de rust en de vrede van Kerstmis, is er nauwelijks een tijd te be­denken waarin zo veel gehaast wordt, zo prikkelbaar en gespannen nog van alles gere­geld moet worden.

Tegenover de vele goede wensen over en weer, zowel mondeling als schriftelijk als blijkt dat we aan elkaar denken, staat het feit dat er juist met Kerstmis zoveel bittere een­zaamheid wordt geleden. Kerstmis lijkt een feest van tegenstellingen te zijn, het geboor­teuur van het Christendom, dat wel ‘de gods­dienst van de paradoxen’ wordt genoemd. Juist in het middernachtelijk uur, waar de duisternis het grootst is, valt de geboorte van de ‘God van het Licht’. ‘Wanneer de nood het hoogst is, is de redd­ing nabij’. Dit is eenvoudig uitgedrukt (en zo bekend dat het als gemeenplaats klinkt) wat in werkelijkheid een machtig en heilig gebeuren is: het innerlijke, goddelijke licht wordt veelal pas zichtbaar in een tijd van nood, van ontbering, van duisternis. Bij bepaalde inwijdingmethoden wordt een belangrijke graad van ontwikkeling geken­merkt door deze paradox, namelijk het bele­ven van het goddelijke licht in de grootste duisternis. Om die reden wordt deze mijlpaal op de weg naar inwijding ook wel ‘het schou­wen van de zon te middernacht’ genoemd. Kerstmis vraagt een waakzaamheid in een tijd waarin wij normaal slapen, opdat het in­tieme,  ‘onzichtbare’ gebeuren toch ‘zicht­baar’ wordt, namelijk de geboorte van het licht in de duisternis, de zon te middernacht.

Dageraad

Op de dertien heilige nachten van de kersttijd volgt het feest van de epifanie (verschijning van boven). Wij kunnen deze overgang beleven als een dageraad, als een eerste ochtendgloren na de stille nacht.
In het Noorse epos ‘Het droomlied van Olav Asteson (oorspronkelijk reeds circa 400 n.C. ontstaan) wordt bezongen hoe Olav de heilige kerstnacht door een diepe slaap wordt bevangen en dan door de belevenis van een wonderlijke droom een inwijdingsweg gaat. ‘Hij ontwaakte eerst op de dertien­de dag, toen het volk reeds ter kerke ging’. Het lied waarin Asteson zijn middernachte­lijk schouwen – bij het licht van de dageraad – vertelt, eindigt met de woorden: ‘Sta op nu, gij Olav Asteson, lang hebt ge geslapen!’
Deze woorden doen me herinneren – temeer daar ze op driekoningendag zijn uitgespro­ken – aan een reliëf op een kapiteel in de kerk van Autun (Frankrijk) waarop de ‘drie wijzen uit het Morgenland’ slapend zijn afgebeeld, waarbij een engelgestalte met de ene hand hen behoedzaam maar duidelijk wekt en met de andere hand in de richting wijst waar de ster verscheen. Epifanie gaat met een ontwaken gepaard, een opstaan en een op weg gaan, de nieuwe dag tegemoet.

Het element van de ster zou ons weliswaar juist weer aan de nacht herinneren, maar bij nader inzien blijkt deze ster juist het karak­ter te hebben van de vroege morgen, van het ochtendgloren.

Het Mattheüsevangelie beschrijft hoe de ko­ningen of priesterwijzen uit het Oosten ko­men, dus uit het Morgenland, waar zij ‘Zijn ster hebben zien opgaan’. Het is ook begrij­pelijk dat na de allesoverheersende goden­schemering en de daaropvolgende nacht de geboorte van God op aarde wordt aangekon­digd in het teken van een nieuwe dag, in het opkomende licht van een ‘scheppingsdag’. De ster is sinds mensenheugenis het teken ge­weest van de individualiteit van de mens, zijn eigenlijke wezen, zijn ik. In het oude spijker­schrift van de Syriërs betekent het symbool de engel,

kerst Syrisch symbool

de genius die de mens leidt. De priesterwijzen uit het Oosten hebben ‘Zijn ster zien opgaan’, die ster namelijk waarmee Christus zijn eigen wezen tot uit­drukking brengt wanneer hij ons dat open­baart met de woorden: Tk ben de wortel en de stam van David, de blinkende Morgenster’ (Openbaringen 22).

Het wezen van Christus komt tot uitdruk­king bij de overgang van de nacht naar de dag, waar het eerste morgenrood de dag aan­kondigt en de zon in het oosten opkomt. Zo­als het allerheiligste van de joodse tempel in het westen is gelegen, aan de avondkant van zonsondergang, zo staat het altaar van de christelijke kerk naar het oosten gericht. Het altaar staat daarmee letterlijk en figuurlijk in het teken van Pasen, van dood en opstan­ding: ‘En zeer vroeg in de morgen van de eer­ste dag van de week, toen de zon opging, kwamen zij aan het graf’ (Marcus 16).

Mythe van de 20e eeuw

De drieëenheid van advent, Kerstmis en epi­fanie, die weerspiegeld is in avond, nacht en ochtend krijgt nog een bijzondere glans door het licht, dat van maan, zon en sterren daar­op schijnt.

In de zogenaamde kleine apocalypse, zoals deze onder andere in het Lucasevangelie is opgenomen en die volgens christelijke tradi­tie in de adventtijd wordt gelezen, wordt beschreven dat er ‘tekenen zullen verschijnen in zon, maan en sterren’ en hoe de mensen ‘in die tijd zullen schouwen de Zoon des Mensen’.
In de ‘grote’ apocalypse, de Openbaring van Johannes, wordt ook een teken beschreven, waar zon, maan en sterren een belangrijke rol spelen. Aan dat beeld wordt hier herinnerd omdat het tevens in het teken staat van de geboorte, dus van het kerstgebeuren. Johannes beschrijft daar:
‘En een groot teken werd zichtbaar in de hemel: een vrouw, gehuld in de zon, de maan onder haar voeten, op haar hoofd een kroon van twaalf sterren; en zij was zwanger en riep in de weeën en pijnen der baring’.

Tegenover dit beeld van de vrouw die gehuld is in drievoudig hemellicht, verschijnt ‘een ander teken…: zie een vuurrode draak met zeven hoofden en tien hoornen en op zijn hoofden zeven diademen; zijn staart veegde een derde van de sterren des hemels weg en wierp ze in de aarde’.
Hoewel een dergelijke beschrijving voor ons nuchtere 20ste-eeuwers meer van een sprookje weg heeft dan van de realiteit, mogen we anderzijds zeggen, dat het wellicht bij uitstek de mythe van de 20-ste eeuw genoemd mag worden.
Zelden heeft het denken van de mens zo’n eenzijdig intellectualistisch en verstard ka­rakter gehad als in deze tijd, zodat een man als Albert Einstein waarschuwend zegt: ‘Wanneer ons denken niet verandert, zijn de dagen van de geciviliseerde mensheid geteld’.
Ook de tegenoverliggende pool in ons zielenleven, de wil, leeft zich in vele opzichten eenzijdig en onbeheersd uit. De draak wordt beschreven met deze beide polen in hun ex­treem: de zeven koppen en de staart. Het harmoniserende, evenwichtscheppende mid­den ontbreekt daar volledig. De extreme een­zijdigheden bedreigen de verwerkelijking van grote idealen.

De grootste en belangrijkste impulsen kun­nen juist hun verwerkelijking vinden, kunnen ‘geboren’ worden wanneer dat ‘andere den­ken’ (om met Einstein te spreken) de veelzij­digheid en de helderheid heeft als een kroon van twaalf sterren. Wanneer de krachten, die vaak zo onbewust in ons wilsleven rumoeren souverein kunnen worden beheerst, dat we ze in handen krijgen, of ook ‘onder de voe­ten’, en wanneer ten slotte de krachten van het midden, die met het hart te maken heb­ben (en die juist bij het dreigende beeld van de draak ontbreken), groot en allesomvat­tend worden als een warme, stralende zon die ons omhult.

De volgorde van christelijke feesten blijkt onderworpen te zijn, of – beter gezegd -blijkt de uitdrukking te zijn van een wijs­heidsvolle orde: in de Michaëlstijd wordt met het zwaard en de weegschaal de draak bestreden en bedwongen. In de mate waarin dit laatste is gelukt, kan ook het geesteskind dat in onze ziel groeit, geboren worden.

Dit is Kerstmis

(Maarten Udo de Haes, Jonas 8/9/, 16-12-1983)

 .

Kerstalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeldKerstmis     jaartafel

.

373-352

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Advent (15)

.

ADVENT IN DE 1E KLAS

Vrijdagmiddag (27 november*) kwamen enkele ouders de kerst­stal en kerstgroep brengen. Nieuwsgierig en blij heb ik alles bekeken. Nieuwsgierig, omdat ik niet wist hoe het eruit zou zien en blij omdat het een fijn gevoel is om te weten dat ouders je helpen en dingen voor je maken.

Hoe het eruit ziet? Kom maar kijken, ik ben er erg tevreden mee en wil iedereen die hieraan mee­gewerkt hebben heel erg bedanken.

Advent is voor mij de eerste keer, dat ik dit met een eigen klas beleef. Dit stukje werd aan de vooravond van de advent geschreven. Alles is voorbereid en doorgesproken, de klas ziet er gezellig uit en ik heb al zin om te beginnen.

Deze hele periode door hebben we iedere dag bij het begin een vast adventgebeuren.
s Morgens komen de kinderen de klas in. We beginnen met de spreuk. Dan mag de engel (iedere dag een ander kind) de kaars in de adventkrans aansteken. Op de grond van de klas ligt een spiraalvorm van dennengroen, die naar het midden toe voert, waar een grote kaars staat. Elk kind mag bij ’t zingen en spelen van adventsliederen een eigen kaarsje aan deze grote kaars (die door de engel wordt aangestoken) gaan aansteken. Als dit gebeurd is, mag de engel een poortje van de adventkalender open maken en een pak­je uitpakken van de “adventslinger”. Daarna wordt er een verhaal verteld uit “Ma­ria’s kleine ezel” van Gunhild Sehlin. Wanneer dit gebeurd is gaan de kaarsen uit en spelen we het kerstspel.
Dan pas begint het hoofdonderwijs.

(Dit artikel – van juffie Huls, *nadere gegevens onbekend – ging nog verder met een voorbeeld uit het schrijfonderwijs)
 .

Adventalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent spiralen e.d.    jaartafel

.

372-351

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (3)

.

ADVENT EN KERSTMIS

Het is nog donker ’s ochtends als we opstaan, de dagen worden korter en de nachten langer. De kinderen komen moeilijk uit hun bed, ze zouden eigenlijk de dag pas willen beginnen als de zon opkomt. Gelukkig komt er plotseling een morgen dat het gras wit is en er een flinterdun laagje ijs op het water van een oude bloempot ligt.
De winter is begonnen!
Vanaf nu wordt iedere morgen dit tastbare bewijs van de winter gecontroleerd en gemeten. Zou er sneeuw en ijs komen met Kerstmis? De natuur staat nu uiterlijk helemaal stil, de bladeren zijn van de planten en bomen af. Alleen de dennen staan fier met hun takken omhoog groen te zijn, alsof ze willen aantonen dat het leven doorgaat, heel klein teruggetrokken in de dunne naalden, zoals al het leven zich even terughoudt in de aarde.

In déze donkere koude tijd vieren we advent. Vier zondagen voor Kerstmis maken we van dennengroen een krans, waar we vier kaarsen op zetten. Iedere zondag wordt er een kaarsje meer aangestoken, hoe donkerder de dagen hoe meer we wachten op de komst van het heldere licht aan de hemel van Kerstmis. Op de eerste adventmaandag op school lopen de kinderen in de spiraal van de adventstuin, geleid door de engel, naar de grote kaars in het midden en ont­steken daar allemaal hun eigen kaarslichtje dat in een sterappel staat. In het paradijs groeide de levensboom, de boom van goed en kwaad, met zijn stralende appels. Nadat Adam en Eva van de vruchten gegeten hadden, doofde het licht en werden zij uit het paradijs verdreven. Door hard werken op aarde en met het vermogen steeds nieuw leven te scheppen zal de mens zelf dit licht weer bewust aan moeten steken. Dat sterappeltje met zijn sterretje binnenin symboliseert dat teruggetrokken paradijslicht dat de mens met behulp van de komst van Christus weer ontsteken moet.

Op de jaartafel in de klassen zien we nu de stal van Bethlehem en in de eerste adventweek liggen er mooie stenen en kristallen.
In de tweede week komt daar iets groeiends en bloeiends uit de plantenwereld bij.
De derde week verschij­nen de dieren bij de stal en de vierde week de mens, de herders op het veld. Zo maken we alle vormen van het bestaan op aarde nog eens zichtbaar en kunnen de kinderen eerbied en bewustzijn ontwikkelen voor al het leven op aarde.

In Scandinavië wordt op 13 december het Luciafeest gevierd, dit feest valt precies voor de twaalf donkerste nachten voor kerstmis. Met haar verlichte kaarsenkroon wekt zij !s ochtends vroeg de mensen voor het ontbijt al zing­end over God die in de duistere nacht zijn kinderen licht heeft gebracht. We zien dat de oude heidense lichtfeesten uit het noorden samenvallen met het kerstfeest. Dit Germaanse Julfeest werd ook op 25 december gevierd. Twaalf nachten rustte de zon en moest ook de mens rusten: er mocht niet gewerkt wor­den. Uit Scandinavië kennen we ook het Droomlied van Olav Asteson, die de in­wijding beschrijft die deze twaalf nachten duurde.

Diezelfde twaalf nachten zijn ook de twaalf heilige nachten van Kerstmis, die duren tot 6 januari als de drie wijzen uit het Oosten het kind bereiken.

Ook de adventkalender helpt ons bij de voorbreiding op de komst van het kind Jezus. Iedere dag een luikje openmaken, waarachter steeds weer iets zicht­baar wordt van het leven op aarde en het naderende grote gebeuren, maakt ons ook van binnen steeds stiller. Langzamerhand leggen we de haast, de onrust en het steeds jachtiger leven van alle dag naast ons neer. We krijgen behoefte aan een mooie wereld, wandelen in de natuur, behoefte aan een aarde bedekt met sneeuw. Een witte kerst bedekt het gewone “vuile” leven, het millieu, de onrust en de eenzaamheid op straat. De wereld is dan stiller, geluid dat we niet willen horen wordt letterlijk en figuurlijk gedempt.

Toch moet de mens zelf, op eigen kracht, al zijn innerlijke vermogens mee naar binnen nemen, zoals de aard, de natuur, dat ook doet, om ontvankelijk te zijn voor de grote vernieuwende kracht die het vieren van de kerstnacht en de geboorte van het kind Jezus ons wil schenken. De twaalf heilige nachten geven ons de tijd en gelegenheid ons klaar te maken voor de maanden daarna waarin we zelf deze nieuwe gaven weer door moeten dragen in de wereld.
“Vrede op aarde in mensen een welbehagen” is geen cadeautje van het Kerstkind, maar is de steeds terugkerende en moeilijker wordende opdracht aan ons allemaal.

Op alle vrijescholen wordt de kersttijd intensief gevierd. Dit feest zo in het onderwijs geïntegreerd te mogen meemaken, geeft onze kinderen misschien de gelegenheid later Kerstmis en zijn opgaven beter te begrijpen en in te voelen. En als de leraren van de school de kerstspelen als geschenk aan de kinderen opvoeren is dat meer dan een toneelstuk opvoeren, meer dan het kerst­verhaal in beeld brengen, dan is dat de verwezenlijking van een kerstopgave die zij met elkaar op zich nemen voor de aan hen toevertrouwde leerlingen.

In alle klassen staat een kerstboom met voor ieder levensjaar van Jezus een roos, dertig rode rozen en drie witte rozen voor de laatste drie jaren van de Christus. Laat het kerstfeest voor iedereen een Christusfeest zijn.

(Annemieke Zwart, nadere gegevens onbekend)

.

advent: alle artikelen

Kerstmis: alle artikelen

jaarfeesten: alle artikelen

kerstspelen: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent    jaartafel       Kerstmis    jaartafel

.

371-350

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (2)

.

KOSMISCH BEELD VAN DE WINTER

KERSTMIS ALS KEERPUNT VAN ZON EN MAAN

Zoals de ritmen van de natuur in verband ge­bracht kunnen worden met de grote jaarfees­ten, zo kan men ook een samenhang zien tussen de verschijnselen aan de sterrenhemel en het kerstfeest.
De onderlinge standen van zon en maan spelen daarbij een belangrijke rol.
Doordat die verschijnselen elk jaar weer optreden in deze tijd, geven ze steeds op­nieuw de mogelijkheid de verbintenis tot stand te brengen met bepaalde geestelijke werkelijkheden.
De jaargetijden worden in de natuur vooral gekenmerkt door de wijze waarop de plan­tenwereld zich in haar cyclus van ontkiemen, opbloeien, zaaddragen en afsterven manifes­teert. Deze cyclus is in haar jaarritme in sterke mate afhankelijk van de invloeden die zij uit de kosmos ontvangt. De zon levert daartoe een belangrijke bijdrage door haar wisselende lichtstroom. Het zonnejaar hangt samen met de beweging van de zon door de twaalf tekens van de dierenriem:
Ram, Stier, Tweelingen, Kreeft, Leeuw, Maagd, Weegschaal, Schorpioen, Schutter, Steenbok, Waterman en Vissen.
Sommige van deze tekens, overigens niet te verwarren met de beelden die dezelfde naam dragen — de beelden en de tekens van de die­renriem zijn in de loop van 2000 jaar één plaats ten opzichte van elkaar verschoven —, sommige van deze tekens kunnen zich hoog boven de horizon verheffen. De Kreeft spant hierbij de kroon. Andere beschrijven maar een heel klein boogje boven de horizon, zoals de Steenbok. Eind december- begin ja­nuari doorloopt de zon het teken Steenbok. De dagen zijn kort, de nachten lang. Een paar dagen na het moment van de zonne­wende (22 december) valt het kerstfeest.
In de huiskamers branden de kaarsen. De lichtwereld is te ervaren als binnenwereld, de bui­tenwereld is donker en koud. Ook de aarde heeft zich, tenminste op het noordelijk halfrond, geheel in zichzelf terug­getrokken. In haar jaarlijkse lichtademritme beleeft de aarde het moment van diepe in­ademing. Niet de uiterlijke kosmische zon overstraalt het aardeleven; het is een naar binnen genomen zonlicht waardoor de aarde innerlijk doorlicht wordt.

In deze tijd van het jaar heeft de aarde zich geheel van de kosmos afgesloten. De mens kan dat mee beleven. Niet de wijde ruimte roept de aandacht van de zintuigen, het is de innerlijke aardewereld, waarmee de mens zich verbonden kan voelen.

Twee wegen
De herders uit het Lucasevangelie was het mogelijk om vanuit hun oude aardeverbondenheid inspiratief de verandering van de aardekwaliteiten te beleven ten tijde van het kerstgebeuren.
In deze tijd kan men vanuit het moderne bewustzijn weer een toegang zoeken naar datgene wat men ‘aardegeest’ zou kunnen noemen. Herders hoorden engelenstemmen die de geboorte verkondigden. De wereld van de geest sprak zich uit in de sfeer der elementen.
In het Mattheüsevangelie vinden we de ge­beurtenissen rond de geboorte van Jezus heel anders beschreven. Wijze koningen uit het Oosten lezen aan de sterrenhemel af dat een belangrijke geboorte op aarde heeft plaatsgevonden. Imaginatief wordt door hen een uiterlijke constellatie van Jupiter en Saturnus begrepen als een kosmisch teken.
Langs twee wegen vinden aankondigingen van een geboorte plaats, door twee poorten wordt een wezen zichtbaar dat hemel en aar­de verenigt.
Tot het kosmisch beeld van de kersttijd be­hoort ook de maan. In de bijbel staat be­schreven hoe de god Jahve de komst van het Christuswezen op aarde voorbereidde.
Het Christuslicht kon in de tijd van voorberei­ding nog niet direct door de mens ervaren worden. Indirect, als door een spiegel, wordt dit licht zichtbaar gemaakt door de oudtesta­mentische god van Mozes: Zoals de maan het zonlicht zichtbaar maakt. Ten tijde van de Kerst vindt ten aanzien van zon en maan een keer­punt plaats: na de kortste dag (22 december) zal de zon in kracht toenemen, de volle maan die in deze tijd zijn hoogste stand be­reikt, zal hierna elke maand lager aan de he­mel staan. Dit kosmisch fenomeen van het maan-zonkeerpunt in de wintertijd is te ver­staan als beeld voor het aanbreken van het tijdperk van het zonnewezen Christus, waar­mee de voorbereidende taak van Jahve ten einde is. Op welke wijze kan het dierenriemteken Steenbok, het teken waarin de zon in de kersttijd staat, iets zeggen over de kwalitei­ten van de kerstdagen en de twaalf heilige nachten daarna?

Das Künftige ruhe auf Vergangenem
Vergangenes erfühle Künftiges
Zu kraftigem Gegenwartsein’,
Zo begint de spreuk waarin Rudolf Steiner het teken Steenbok karakteriseert.
Steenbok, keerpunt der zon, keerpunt der tijden. Eerbied voor het verleden, de tijden der voorbereiding, strevend naar de toe­komst, bewust staan in het heden.

Kerst — jaarwisseling — heilige nachten van uiterlijke verstilling, vol innerlijk leven.

‘Das Künftige ruhe auf Vergangenem.
Vergangenes erfühle Künftiges . . . .’

Deze woorden klinken in de kersttijd van de etherische dierenriem.
.

Rinke Visser, Jonas 8/9, 19-12-1975

.

Kerst: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: Kerstmis     jaartafel

.

370-349

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – advent (14)

.

ADVENT, 1 JANUARI, PASEN

Wanneer is het jaar jarig:

Is advent, de eerste januari of Pasen het begin van het jaar?
‘Het jaar is een kringloop, zodat van een begin en einde in absolute zin geen sprake kan zijn.’

Maarten Udo de Haes doet in zijn artikel een poging tot het vinden van een beginpunt.

Wanneer een ring of de schakel van een ket­ting geen zichtbare naad vertoont of kenne­lijk niet gesoldeerd of gelast is, zal het onmo­gelijk, zelfs zinloos zijn een begin en einde aan te wijzen.

Ook bij de kringloop in de levende natuur, kunnen we moeilijk begin en einde bepalen. Wanneer we bijvoorbeeld naar de kringloop in de plantenwereld kijken, dan kunnen we terecht zeggen dat deze begint wanneer het zaad in de aarde valt. Maar is het bestaan van die zaadkorrel niet ondenkbaar zonder de vrucht, die daarvóór is ontstaan, terwijl die vrucht op zijn beurt ook weer het resultaat is van het ontkiemen van een vorige zaadkorrel en de groei en bloei die daar het gevolg van is? Kortom, het proberen te vinden van het begin staat gelijk met het bekende probleem van de kip en het ei. Wanneer ik bij een kringloop toch een begin moet bepalen – bij het natrekken van een cirkel bijvoorbeeld – dan zal ik ‘ergens moeten beginnen’, maar ik zal het zogenaamde beginpunt als absoluut willekeurig beschouwen. Het is namelijk geen objectief begin, maar subjectief door mij als zodanig aangewezen.

Ook het verloop van het jaar is een kring­loop, zodat van begin en einde in absolute zin geen sprake kan zijn. Ieder door ons be­paald ‘begin’ lijkt willekeurig te zijn. Zoals, bijvoorbeeld nu het burgerlijke jaar 1 januari begint, zo viel het begin vroeger kennelijk in maart, hetgeen wij nog uit de maandnamen september tot en met december (zevende tot en met de tiende maand!) kunnen afleiden. De gevolgtrekking ligt dan ook voor de hand dat of het jaar niet op een bepaald tijdstip een vanzelfsprekend begin of einde heeft, met andere woorden dat de jaren letterlijk eindeloos voortcirkelen, of dat het begin dat wij bepalen willekeurig is en dus toch geen echt beginkarakter heeft. Of – en dat is ook wel een mogelijke gevolgtrekking – is een begin wel degelijk als zodanig aanwijsbaar of ervaarbaar, terwijl tevens de mogelijkheid van andere momenten met beginkarakter niet uitgesloten wordt. Dat betekent dat een proces, een ontwikkeling, meerdere ‘begin­nen’ kan hebben. Een voorbeeld hiervan vin­den we in het Nieuwe Testament, wanneer we kijken naar de verschillende beschrijvin­gen van het evangelie.

De eerste woorden van het evangelie volgens Marcus luiden: ‘Begin van het Evangelie van Jezus Christus de Zoon van God,’ waarna de doop in de Jordaan wordt beschreven. Deze gebeurtenis ziet Marcus dus als het begin, en terecht, want daarmee begint inderdaad de werkzaamheid van Christus onder de mensen op aarde.

Lucas daarentegen plaatst aan het begin van het evangelie de geboorten van Johannes de Doper en Jezus. Ook dit is niet willekeurig, maar eveneens als het begin van het evangelie te beschouwen.

Het Johannesevangelie beschrijft nog weer een ander begin, namelijk de wereld van het scheppende woord van waaruit Christus stamt en wat Hij tegelijkertijd zelf ook is: ‘In den beginne was het Woord…’ Afgezien van het feit dat er zo drie ‘begin­nen’ van het evangelie aan te wijzen zijn, kan er zelfs nog een ander begin worden ervaren. Een begin dat weliswaar subjectief, maar daarom niet minder wezenlijk en beslist willekeurig te noemen is, namelijk het ‘begin van het evangelie’ valt op het moment dat ik ermee begin, het moment waarop het tot le­ven wordt gewekt in mijzelf. In dit verband moet ik denken aan het ge­dicht ‘Mein Jahr’ van Conrad Ferdinand Meyer, waarin hij tot uitdrukking brengt dat het tijdstip van zijn verjaardag niet zo zeer van buiten, door de kalender wordt bepaald, maar door het moment van een innerlijk be­gin, een initium. Het zijn die momenten in het leven waarop iets nieuws wordt geboren in de zin van een inspiratie of een besluit, een ontmoeting of een belevenis.

Mein Jahr

Nicht vom letzten Schlittengleise
Bis zum neuen Flockentraum
Zähl’ ich auf der Lebensreise
Den erfüllten Jahresraum.

Nicht vom ersten frischen Singen
Das im Wald geboren ist,
Bis die Zweige wieder klingen,
Dauert mir die Jahresfrist.

Von der Keiter nicht zur Keiter
Dreht sich mir des Jahres Schwung,
Nein, in Flammen werd’ich alter
Und in Flammen wieder jung.

Von dem ersten Blitze heuer,
Der aus dunkler Wolke sprang,
Bis zu neuem Himmelsfeuer
Rechn’ ich meinen Jahresgang.

Conrad Ferdinand Meyer

Drieslag
Misschien heeft de cyclus van het jaar of van de dag ook wel meerdere beginmomenten, ieder met een eigen karakter, met een be­paalde kwaliteit.
Wanneer we bijvoorbeeld naar het dagbegin kijken, zullen we in de eerste plaats aan de morgen denken, wanneer het licht wordt, de zon opgaat en over het algemeen de werk­dag begint. Vooral in het oude Babylonië werd het moment van de zonsopgang als dagbegin beleefd. Maar het begin van de burgerlijke dag valt op een heel ander tijdstip, namelijk te midder­nacht. Volgens de klok 24.00 uur of 0.00 uur, respectievelijk op het moment dat de zon onder de horizon het diepste punt heeft bereikt. Aangezien dit inhoudt dat het ‘grote licht van de dag’ op dat moment weer begint te stijgen, heeft dit tijdstip ook echt beginkarakter en is meer dan slechts een formele, min of meer willekeurige afspraak. (Hier is afgezien van het verschil tussen middernacht in astronomische zin en het tijdstip 24.00, dat voor een gehele tijdzone op aarde geldt.) Zelfs een derde dagbegin kan als zodanig worden beleefd, namelijk wanneer de dag ‘eindigt’ (’s avonds, respectievelijk bij zons­ondergang). Dit moment – dat onder andere in de joodse cultuur als begin van de dag wordt gezien – wordt gekenmerkt door het terugblikken op de dag die achter ons ligt en het vooruitzien, plannen maken of voorbe­reidingen treffen voor de volgende dag, die daarmee in kiem dus inderdaad begint. Ge­bruiken zoals sinterklaasavond op de avond vóór de eigenlijke verjaardag op 6 december of ook kerstavond of bijvoorbeeld het Duitse woord Sonnabend voor zaterdag wijzen nog op de realiteit dat de avond als einde van een dag eveneens de kiem van de nieuwe dag in zich draagt.

De innerlijke of religieuze dag begint ’s avonds en is te beschouwen als de kiemlegging, de astronomische of burgerlijke dag be­gint te middernacht, waar de dag als het ware geboren wordt, terwijl het begin van de werkdag in principe bij zonsopgang begint, waar deze kiemlegging en geboorte ten slotte tot verwerkelijking leidt. Deze drieslag, die in christelijke zin trinitarisch karakter heeft, vinden we eveneens te­rug in de opbouw van het jaar. Met advent, begin van het christelijk-religieuze jaar, wordt een kiem gelegd die ver­zorgd en beschermd wil worden. Met ver­wachting kijken wij uit naar het komende of zelfs naar De Komende. En niet slechts wij alleen leven ‘in verwachting’, maar er wordt ongetwijfeld ook iets van ons verwacht: dat wij innerlijk naar het komende toeleven, het mee-voorbereiden.

Het ‘tweede begin’ van het jaar is het meest exact aanwijsbaar, namelijk 1 januari 0.00 uur, het tijdstip waarop het burgerlijke jaar begint. Zoals advent de avond van het jaar genoemd kan worden, zo valt oudejaarsnacht in de middernachtstijd van het jaar. Daarbij is het opvallend dat dit moment tevens in het midden van de kersttijd valt, zodat in de feesttijd van de Geboorte kennelijk ook het jaar geboren wordt. Het aanvankelijk wille­keurig schijnende moment, blijkt bij nader in­zien diepere zin te hebben. Dit tijdstip geldt dan ook als het ‘officiële’ uitgangspunt voor onze jaartelling: Ab Incarnatione Domini.

Zoals bij de dag, kunnen we ook bij het jaar nog een derde begin aanwijzen of ervaren, namelijk Pasen. De opstanding uit het rijk van de dood is de verwerkelijking van datge­ne wat met kiemlegging en geboorte is voor­bereid. Met Pasen gaat al het voorgaande in vervulling. In die zin staat dit gebeuren on­der het motto: ‘Het is volbracht’. Maar dit draagt tevens een totaal nieuw begin in zich, vergelijkbaar met de schepping. De evangelist Marcus geeft een overduidelijke tijdsbepaling van dit gebeuren:

‘Toen de sabbat was voor­bijgegaan, kochten Maria van Magdala, Maria de moeder van Jakobus, en Salóme geurige kruiden om hem te gaan zalven. En zeer vroeg in de morgen van de eerste dag der week, toen de zon opging, kwamen zij aan het graf’.

Aan het begin van de week – dus zondag – bij het aanbreken van de dag, bij zonsopgang, valt dit herscheppingsgebeuren. Hierbij worden we aan de woorden aan het begin van de Genesis herinnerd: ‘Er zij licht’. Naast het ‘Ab Incarnatione Domini’ als begin voor onze jaartelling, vinden we hier een heel ander uitgangspunt, dat we ‘Ab Ressurectione Christi’ kunnen noemen.
Pasen 1983* is dan te beschouwen als het begin van het jaar 1950, namelijk het 1950ste wederkerende jaar na het gebeuren van dood en opstanding van Christus. Op deze wijze is bovengenoem­de tijdsaanduiding ook weergegeven in de jaarlijks uitkomende Sternekalender van de mathematisch-astronomische Sektion aan het Goetheanum te Dornach. (‘Mit Ostern 1983 sind verflossen 1950 Jahre nach des Ich Geburt durch das Mysterium von Golgatha’).We kunnen bij het jaar dus ook drie begin­momenten onderscheiden, die alle als zoda­nig geldigheid hebben en qua karakter weer overeenkomen met de drie beginmomenten van de dag, die we kort kunnen weergeven met: kiemlegging, geboorte en verwerkelij­king.

Paradox
Ten slotte kunnen we ons met C.F. Meyer afvragen of het begin van mijn jaar nóg weer op een ander tijdstip valt, hoewel het onge­twijfeld in relatie staat met de overeenkom­stige momenten van het jaar. Want hoewel ik Pasen kan zien als de voleinding, namelijk de verwerkelijking van het opstandingslichaam van Jezus door Christus, ligt deze verwerke­lijking voor mij nog ver in het verschiet. Wat in Jezus is voltooid, ligt voor mij nog in een verre toekomst, is pas in eerste aanleg op mij van toepassing. Of, om met Christian Mor­genstern te spreken: ‘We staan niet aan het einde, maar aan het begin van het chris­tendom’.
Deze paradoxs dat de opstanding tegelijkertijd zowel een feit als ook nog toe­komst is, komt onder andere tot uitdrukking in de woorden van Jezus: ‘Het uur komt en is er reeds…’De verschillende momenten in het jaar waarop een duidelijk begin valt, kunnen we ook beleven in de innerlijke christelijke ontwikkeling. Pasen kan het adventskarakter van een eerste kiem in de menselijke ziel aannemen of als een volgend begin geboren worden, als het ware Kerstmis doorlopend. In navolging van Christus krijgt het na onzegbaar lijden uiteindelijk zijn eigenlijke paaskarakter. Dit feest, dit gebeuren, deze realiteit van dood en opstanding leeft in Vol’eind’ing in Jezus, is in ‘begin’sel voor ons en uit’einde’-lijk door ons voor de aarde bestemd.

(Maarten Udo de Haes, Jonas *16, 01-04-1983)

.

Adventalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent spiralen e.d.    jaartafel

 .

369-348

 

 

 

 

 

 

 

 

.